Aanschrijving nr. 40 dd. 04.03.1971
AANSCHRIJVING 71/040
Aanschrijving nr. 40 dd. 04.03.1971
Art. 94 van het BTW-Wetboek
Draagwijdte
Twijfel en verwarring heersen omtrent de interpretatie die moet worden gegeven aan de opheffingsbepalingen voorzien door artikel 94 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de wets- en verordeningsbepalingen van de overdrachttaks, de factuurtaks op de overdrachten en op de werkaannemingscontracten, de taks op de roerende verhuringen en op het vervoer, de weeldetaks en de taks op de betalingen wegens huurprijs van brandkasten in de banken.
Sommigen beweren dat, bij toepassing van het hierboven genoemd artikel 94, de administratie de wettelijke bevoegdheid zou ontnomen zijn om, na 31 december 1970, nog controles uit te oefenen bij belastingplichtigen, die inzake mot het zegel gelijkgestelde taksen belastbare goederen en diensten hebben geleverd en voltooid voor 1 januari 1971.
Het zou haar, na deze datum, wettelijk niet meer mogelijk zijn de nodige maatregelen te treffen om de met het zegel gelijkgestelde taksen en de boeten in te vorderen of terugbetalingen ervan toe te staan.
Gelet op deze verkeerde zienswijze, is het noodzakelijk de juiste draagwijdte te geven die aan de door het artikel 94 voorziene opheffingsbepalingen moet worden toegekend.
Door het in werking treden van de wet van 3 juli 1971 en mede door het van kracht worden van het artikel 94 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt klaar en duidelijk voorgeschreven dat voor de toekomst m.a.w. vanaf 1 januari 1971, eensdeels de wetten en verordeningsbepalingen inzake met het zegel gelijkgestelde taksen worden en anderdeels de wetten en uitvoeringsbesluiten betreffende de belasting over de toegevoegde waarde moeten worden toegepast.
Hieruit volgt dat voor de belastbare rechtshandelingen of feiten, uitgevoerd of gesteld voor 1 januari 1371, alle wets- en verordeningsbepalingen, die een betaling van een met het zegel gelijkgestelde taks voorschreven, de inning ervan verzekerden of een terugbetaling toekenden, hun volle uitvoeringskracht behouden na 1 januari 1971 Dit geldt inzonderheid en met name voor de wetsbepalingen voorzien in de titels I, II, III, IV en VI van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Deze draagwijdte is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij bepaald wordt dat de wet alleen voor de toekomst beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Dit is een rechtelijk grondbeginsel, dat zowel de belastingwetten als de burgerlijke wetten beheerst.
Namens de Minister:
De directeur-generaal,
C. SCAILTEUR
Aanschrijving nr. 40 dd. 04.03.1971
Art. 94 van het BTW-Wetboek
Draagwijdte
Twijfel en verwarring heersen omtrent de interpretatie die moet worden gegeven aan de opheffingsbepalingen voorzien door artikel 94 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde betreffende de wets- en verordeningsbepalingen van de overdrachttaks, de factuurtaks op de overdrachten en op de werkaannemingscontracten, de taks op de roerende verhuringen en op het vervoer, de weeldetaks en de taks op de betalingen wegens huurprijs van brandkasten in de banken.
Sommigen beweren dat, bij toepassing van het hierboven genoemd artikel 94, de administratie de wettelijke bevoegdheid zou ontnomen zijn om, na 31 december 1970, nog controles uit te oefenen bij belastingplichtigen, die inzake mot het zegel gelijkgestelde taksen belastbare goederen en diensten hebben geleverd en voltooid voor 1 januari 1971.
Het zou haar, na deze datum, wettelijk niet meer mogelijk zijn de nodige maatregelen te treffen om de met het zegel gelijkgestelde taksen en de boeten in te vorderen of terugbetalingen ervan toe te staan.
Gelet op deze verkeerde zienswijze, is het noodzakelijk de juiste draagwijdte te geven die aan de door het artikel 94 voorziene opheffingsbepalingen moet worden toegekend.
Door het in werking treden van de wet van 3 juli 1971 en mede door het van kracht worden van het artikel 94 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, wordt klaar en duidelijk voorgeschreven dat voor de toekomst m.a.w. vanaf 1 januari 1971, eensdeels de wetten en verordeningsbepalingen inzake met het zegel gelijkgestelde taksen worden en anderdeels de wetten en uitvoeringsbesluiten betreffende de belasting over de toegevoegde waarde moeten worden toegepast.
Hieruit volgt dat voor de belastbare rechtshandelingen of feiten, uitgevoerd of gesteld voor 1 januari 1371, alle wets- en verordeningsbepalingen, die een betaling van een met het zegel gelijkgestelde taks voorschreven, de inning ervan verzekerden of een terugbetaling toekenden, hun volle uitvoeringskracht behouden na 1 januari 1971 Dit geldt inzonderheid en met name voor de wetsbepalingen voorzien in de titels I, II, III, IV en VI van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.
Deze draagwijdte is vastgelegd in artikel 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij bepaald wordt dat de wet alleen voor de toekomst beschikt en geen terugwerkende kracht heeft. Dit is een rechtelijk grondbeginsel, dat zowel de belastingwetten als de burgerlijke wetten beheerst.
Namens de Minister:
De directeur-generaal,
C. SCAILTEUR
Bron: FisconetPlus
