Circulaire nr. 17/2014 d.d. 19.11.2014

(Circulaire BEO nr. 11/2014)

Vlaams Gewest – Successierechten - Nieuwe vrijstelling - Wettelijke terugkeer

FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN
Beleidsexpertise en -ondersteuning

Dienst reglementering

4de dienst – 2de directie

Dossier nr. 510

PATRIMONIUMDOCUMENTATIE
Operationele Expertise Ondersteuning

Dienst VI

Dossier nr. E.E./ L. 257

2 bijlagen

In het Belgisch Staatsblad van 14 januari 2014 werd het decreet van 6 december 2013, "houdende wijziging van het Wetboek der Successierechten, wat de wettelijke terugkeer betreft", bekendgemaakt.

In deze circulaire wordt een eerste commentaar gegeven bij die wijziging van het Wetboek der successierechten, zoals dat geldt in het Vlaams Gewest(1). Bijlage 1 bevat de tekst van het decreet.

COMMENTAAR

1. Draagwijdte van de wijziging

Het nieuwe artikel 55quinquies, W. Succ. VL. stelt, mits de toepassing van de vrijstelling uitdrukkelijk wordt gevraagd in de aangifte van nalatenschap, van de successierechten (zowel van het recht van successie als van het recht van overgang bij overlijden) vrij: de waarde van de goederen van de nalatenschap die wettelijk terugkeren naar de ascendent-schenker.

2. Basisvoorwaarde: van de toepassing van de vrijstelling kan er enkel sprake zijn indien er in de nalatenschap goederen zijn die bij het overlijden van de erflater onderhevig zijn aan een wettelijke terugkeer.

2.1. Verdeling van de goederen beheerst door het Belgisch recht : vereiste van wettelijke erugkeer zoals geregeld in artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek

Artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

“De bloedverwanten in de opgaande lijn erven, met uitsluiting van alle anderen, de zaken door hen geschonken aan hun kinderen of afstammelingen die zonder nakomelingschap zijn gestorven, wanneer de geschonken zaken nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap.

Indien de zaken zijn vervreemd, bekomen de bloedverwanten in de opgaande lijn de prijs die daarvoor nog verschuldigd mocht zijn. Zij erven ook de rechtsvordering tot terugneming die de begiftigde mocht hebben.”

Het eerste lid van het nieuwe artikel 55quinquies, W. Succ. VL. luidt: “Van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld de waarde van de zaken die ascendenten verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater, indien cumulatief aan volgende voorwaarden is voldaan :

1° de zaken werden door die ascendenten onder levenden aan de erflater geschonken voor diens overlijden;
2° de zaken bevinden zich nog in natura in de nalatenschap of hiervoor is, indien zij werden vervreemd, nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig;
3° de erflater is zonder nakomelingen gestorven.”.

In de tekst van artikel 55quinquies, W. Succ. VL., zoals hij uiteindelijk door het Vlaams Parlement is aangenomen, wordt niet meer rechtstreeks verwezen naar artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek.

Dat was wel het geval in de oorspronkelijk door de indieners voorgesteld tekst.

Uit het feit dat in de definitieve tekst geen rechtstreekse verwijzing meer voorkomt naar artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek mag niet worden afgeleid dat de regeling van de vrijstelling zou zijn losgekoppeld van artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek.

Die weglating van de expliciete verwijzing naar artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek is er gekomen ingevolge het advies van de Raad van State(2): “Een expliciete verwijzing in het voorgestelde artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek is niet noodzakelijk, vermits uit de toelichting bij het voorstel voldoende duidelijk blijkt dat, wat België betreft, die regeling wordt bedoeld.”.

Het is eveneens op aanraden van de Raad van State dat de grondvoorwaarden van de wettelijke terugkeer zoals geregeld in artikel 747, B.W. in het nieuwe artikel 55quinquies, W. Succ. VL. werden overgenomen, dit om, in een context waarin een buitenlandse regelgeving is betrokken, geen onzekerheid te creëren door te verwijzen naar een “soortgelijke”(3) bepaling in het buitenlands erfrecht (zie verder punt 2.3.). Uit de verschillen(4) in de teksten van de vermelde artikelen mag niet worden afgeleid dat op bepaalde onderdelen de Vlaamse decreetgever, naargelang van het geval, een ruimere(5) of beperktere(6) toepassing heeft willen geven aan de gevallen van vrijstelling in vergelijking met de gevallen van wettelijke terugkeer overeenkomstig artikel 747 B.W.

Uit de voorbereidende werken en uit de titel van het decreet blijkt dus duidelijk dat de decreetgever de nieuwe vrijstelling in de eerste plaats heeft willen koppelen aan de toepassing van artikel 747 B.W., wanneer de goederen volgens het Belgisch erfrecht vererven(7).

Er wordt opgemerkt dat het recht van wettelijke terugkeer zoals geregeld bij artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek ook geldt in geval van volle adoptie. Artikel 356-1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt immers dat de volle adoptie aan het kind en zijn afstammelingen een statuut met dezelfde rechten en verplichtingen verleent als ware het kind geboren uit de adoptant of uit de adoptanten.

Voor een grondige analyse van de toepassingsvoorwaarden van artikel 747, B.W. wordt verwezen naar de rechtsleer(8) en rechtspraak betreffende dat artikel.

2.2. Verdeling van de goederen beheerst door Belgisch erfrecht - Quid met de wettelijke terugkeer bepaald in artikel 353-16, B.W. ?

Het Belgisch burgerlijk wetboek bevat nog een artikel dat, los van artikel 747, B.W., de terugkeer bepaalt (een wettelijke terugkeer dus) van de geschonken goederen vanuit de intestaat nalatenschap naar de schenker, wanneer de begiftigde zonder kinderen overlijdt vóór de schenker. Het betreft artikel 353-16 B.W., waarvan het hier relevante deel als volgt luidt:

Onder voorbehoud van de rechten van de overlevende echtgenoot op de gehele nalatenschap van een geadopteerde die zonder nakomelingen is overleden en de rechten die de langstlevende wettelijk samenwonende geniet, wordt de nalatenschap als volgt geregeld :
1° …;
bij gebreke van beschikkingen onder levenden of bij testament, keren de goederen die door de bloedverwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of door de adoptanten geschonken dan wel uit hun nalatenschap verkregen zijn en nog in natura aanwezig zijn in de nalatenschap van de geadopteerde, terug naar die bloedverwanten in de opgaande lijn of adoptanten of naar hun erfgenamen in de nederdalende lijn, onder verplichting om in de schulden bij te dragen en onder voorbehoud van de verkregen rechten van derden; wanneer de goederen verkocht zijn, wordt dit recht uitgeoefend op de prijs, indien deze nog niet is betaald of niet is vermengd met de massa;
3° …
”.

Het betreft hier dus een bijzonder recht van terugkeer in de relatie “gewoon”(9) geadopteerde / bloedverwanten in de opgaande lijn of in de relatie “gewoon” geadopteerde / adoptanten.

De vraag is nu of de vrijstelling van artikel 55quinquies, W. Succ. VL. ook van toepassing kan zijn wanneer er een wettelijke terugkeer bij toepassing van artikel 353-16°, eerste lid, 2°, B.W., plaatsvindt.

Zowel de indieners van het oorspronkelijke tekstvoorstel als de indieners van het amendement dat uiteindelijk de tekst van artikel 55quinquies, W. Succ. VL. heeft opgeleverd, hebben het in de voorbereidende werken nergens over deze mogelijkheid.

De Raad van State heeft echter het volgende opgemerkt: “Het is de vraag of het de bedoeling is om de vrijstelling ook te verlenen bij de toepassing van artikel 353-16, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek. Indien dat niet het geval is, zal daarvoor een verantwoording moeten kunnen worden gegeven in het licht van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.”.

Er mag worden aangenomen dat het wel degelijk de bedoeling van de Vlaamse decreetgever was om de vrijstelling in de vermelde context te verlenen. Het amendement dat de uiteindelijke tekst van artikel 55quinquies, W. Succ. VL. heeft opgeleverd, werd opgesteld nadat de bevoegde commissie kennis had genomen van het advies van de Raad van State. In de verantwoording van het amendement en bij de verdere parlementaire afhandeling van het voorstel van decreet werd nergens aangegeven dat de bevoegde commissie of de plenaire vergadering van het Vlaams Gewest het niet eens was met de visie van de Raad van State ter zake. Er is in de voorbereidende werken dan ook in het kader van het gelijkheidsbeginsel geen motivering te vinden waarom de vrijstelling niet van toepassing zou zijn in het kader van de wettelijke terugkeer bepaald in 353-16, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek.

Uiteraard moet voor de toekenning van de vrijstelling ook in dit kader aan de drie voorwaarden van artikel 55quinquies, W. Succ. VL. zijn voldaan(10). Hierbij rijst inzonderheid de vraag of de adoptant-schenker kan beschouwd worden als een “ascendent” van de “gewoon” geadopteerde-begiftigde. Dat kan enkel in de gevallen waarin krachtens artikel 522 W. Succ. VL. met die adoptieve afstamming wordt rekening gehouden.

Opmerking: Bij een schenking door een bloedverwant in de opgaande lijn van de "gewone" geadopteerde, is er uiteraard geen probleem met betrekking tot zijn hoedanigheid van ascendent.

2.3. Verdeling van de goederen beheerst door buitenlands recht : de vrijstelling is mogelijk mits de regeling van de wettelijke terugkeer volgens het buitenlands recht minstens de vervulling vereist van de drie grondvoorwaarden vermeld in artikel 55quinquies, W. Reg. VL

De werking van de vrijstelling van artikel 55quinquies, W. Succ. VL. beperkt zich niet tot de waarde van de goederen die volgens het Belgisch recht vererven. De vrijstelling kan ook van toepassing zijn op de waarde van goederen die volgens buitenlands recht vererven, mits het buitenlands versterferfrecht een wettelijke terugkeer bepaalt die voldoet aan de drie grondvoorwaarden vermeld in artikel 55quinquies, W. Succ. VL.

Vb. Een "Vlaamse" rijksinwoner laat bij versterf onder meer een in Frankrijk gelegen onroerend goed na. Volgens het Belgisch IPR(11) vererft dat onroerend goed overeenkomstig de Franse wetgeving.

Het Franse Burgerlijk Wetboek bevat twee gevallen van wettelijke terugkeer van geschonken goederen:

a) de wettelijke terugkeer ten voordele van de vader en de moeder(12) van de overledene ten belope van hun wettelijk aandeel in de nalatenschap(13);

b) de wettelijke terugkeer ten voordele van de broers en zusters ten belope van de helft van de goederen die de overledene door erfenis of schenking gekregen heeft van zijn vader en moeder(14).

Het hoeft geen betoog dat de vorm van wettelijke terugkeer vermeld onder b) geen aanleiding kan geven tot toepassing van de vrijstelling van artikel 55quinquies, W. Succ. VL.

Anders is het met de vorm van wettelijke terugkeer vermeld onder a). De in artikel 55quinquies, W. Succ. VL. gestelde voorwaarden, waaraan ook de buitenlandse wettelijke terugkeer moet beantwoorden, zijn vervuld.

Merk op dat het toepassingsgebied van de nieuwe vrijstelling ruimtelijk niet beperkt wordt door de vereiste van een vergelijkbare vorm van wettelijke terugkeer – i.e. vergelijkbaar met de Belgische vormen van wettelijke terugkeer die in aanmerking komen voor de teruggave - in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (E.E.R.). In het oorspronkelijke voorstel was dit wel het geval, maar in de definitieve tekst werd dit weggelaten ingevolge een opmerking van de Raad van State(15). Als een goed vererft volgens de wetgeving van een land van buiten het E.E.R.-gebied en dat land kent een vorm van wettelijke terugkeer die vergelijkbaar is met de vormen van wettelijke terugkeer die in België aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de vrijstelling, dan kan de vrijstelling dus ook toepassing vinden.

3. Vormvoorwaarde: uitdrukkelijk verzoek tot toepassing van de vrijstelling in de aangifte van nalatenschap.

Het tweede lid van het nieuwe artikel 55quinquies, W. Succ. VL. laat er geen twijfel over bestaan: de vrijstelling kan enkel worden toegepast indien er in de aangifte van nalatenschap uitdrukkelijk om de toepassing van dit artikel wordt gevraagd. Er kan dus geen sprake zijn van een ambtshalve toepassing van die vrijstelling, ook al blijkt uit de aangifte dat er een wettelijke terugkeer heeft plaatsgevonden die desgevraagd aanleiding zou gegeven hebben tot de toepassing van de vrijstelling.

4. Inwerkingtreding

Het decreet is in werking getreden op 24 januari 2014. Het nieuwe artikel 55quinquies, W. Succ. VL. kan dus toepassing vinden op nalatenschappen die vanaf die datum zijn opengevallen.

NAMENS DE MINISTER:

De Directeur van de stafdienst

Chris DELAERE

----------

(1) Hierna aangeduid als W. Succ. VL.

(2) Vlaams Parlement - Zitting 2012-2013 - Stuk 2097 - Nr. 3 - Advies van de Raad van State, randnummer 3 en voetnoot 3.

(3) Gelijksoortig met artikel 747 in het Belgisch erfrecht.

(4) Waarvan de oorsprong waarschijnlijk terug te voeren is tot een streven naar een zo beknopt mogelijke redactie van het vrijstellingsartikel.

(5) In artikel 747 B.W. wordt bijvoorbeeld de term “erven” gebruikt, terwijl in artikel 55quinquies W. Succ. VL. de term “verkrijgen” wordt gebruikt. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de vrijstelling ook van toepassing zou kunnen zijn indien de goederen door een testamentaire beschikking terugkeren naar de ascendent. Het gebruik van de term “verkrijgen” in artikel 55quinquies, W. Succ. VL. laat zich verklaren doordat die term veelvuldig voorkomt in de context van de tarieven en de vrijstellingen en verminderingen in het Vlaams Wetboek der successierechten.

(6) In artikel 55quinquies, W. Succ. VL. vindt men het element in artikel 747, B.W., dat de “wettelijke terugkeer” in voorkomend geval ook van toepassing is op “de rechtsvordering tot terugneming”, niet met dezelfde woorden terug. De vraag is bijgevolg of de in artikel 55quinquies, W. Succ. VL., gebruikte formulering (“nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig”) de in artikel 747, B.W., onderscheiden gevallen (“de prijs die daarvoor nog verschuldigd mocht zijn en de rechtsvordering tot terugneming die de begiftigde mocht hebben“) incorporeert.
Mocht dat niet het geval zijn, dan zou in geval van “wettelijke terugkeer” van een ”rechtsvordering tot terugneming” de toepassing van artikel 55
quinquies, W. Succ. VL. uitgesloten zijn.
In de in artikel 747, B.W., vermelde gevallen gaat het telkens om een “vordering”. Tekstueel verzet er zich niets tegen voor te houden dat de indieners van het amendement — dat de uiteindelijke tekst van artikel 55
quinquies, W. Succ. VL. heeft opgeleverd —, die twee gevallen inderdaad onder één noemer (“schuldvordering”) hebben geplaatst in het nieuwe artikel 55quinquies, W. Succ. VL. Uit de voorbereidende werken kan ook nergens afgeleid worden dat die indieners in dit kader iets anders hebben willen doen dan gewoon gevolg geven aan de opmerking van de Raad van State over de wenselijkheid van de incorporatie in artikel 55quinquies, W. Succ. VL. van de grondvoorwaarden van de wettelijke terugkeer zoals bepaald in artikel 747, B.W. Ten slotte mag worden aangenomen dat, hadden de stellers van het amendement de toepassing van artikel 55quinquies, W. Succ. VL. willen uitsluiten in geval van de “wettelijke terugkeer” van een ”rechtsvordering tot terugneming”, ze die uitsluiting zouden hebben gemotiveerd, gelet op het gelijkheidsbeginsel en de vernietigingsbevoegdheid van het Grondwettelijk Hof wanneer dat beginsel door een decreet geschonden wordt.

(7) Zie Handelingen - Plenaire vergadering nr. 11 (2013-2014) – 27 november 2013 – blz. 44 – toelichting gegeven door Mevrouw Griet Smaers: “In dat amendement, dat we vorige week hebben ingediend in het parlement, zijn we tegemoetgekomen aan de opmerkingen van de Raad van State. We hebben een expliciete opgaaf genomen in het nieuwe artikel ‘successierechten’ van de voorwaarden die ook zijn vermeld in het artikel 747 van het Burgerlijk Wetboek. Er is geen sprake meer van de verplichte registratie van de voorafgaande schenking.”.

(8) Zie bijvoorbeeld de vakcursus erfrecht door de AAPD gepubliceerd op het intranet: “Cursus in Burgerlijk Recht” door A. Mayeur deel “Erfenissen, schenkingen onder de levenden en testamenten” (D.C. III 1 – 2, bijgewerkt in december 2010) – Afdeling III – Anomale erfopvolging, blz. 46 e.v.

(9) In geval van volle adoptie speelt artikel 747 van het B.W.; zie hiervoor punt 2.1.

(10) Het is dus niet omdat een wettelijke terugkeer krachtens artikel 353-16, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek plaatsvindt, dat ook de vrijstelling van artikel 55/quinquies W. Succ. VL. toepassing kan vinden.
Vb 1. In het kader van artikel 353-16, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek kan de wettelijke terugkeer ook plaatsgrijpen ten voordele van de erfgenamen in de nederdalende lijn van de bloedverwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of van de erfgenamen in de nederdalende lijn van de adoptant. Vermits deze erfgenamen in de nederdalende lijn niet beantwoorden aan het criterium “ascendenten” kunnen zij niet genieten van de vrijstelling van artikel 55
quinquies, W. Succ. VL., ook al gaat het hier ook om een “wettelijke terugkeer”.
Vb. 2. In het kader van artikel 353-16, eerste lid, 2°, van het Burgerlijk Wetboek kan de wettelijke terugkeer ook goederen betreffen die uit de nalatenschap van de bloedverwanten in de opgaande lijn van de geadopteerde of van de adoptanten zijn verkregen. Hierbij is duidelijk aan twee voorwaarden voor de vrijstelling van artikel 55
quinquies, W. Succ. VL. niet voldaan: het betreft geen goederen die bij schenking onder de levenden door de erflater werden verkregen en de goederen gaan niet terug naar de betrokken ascendent maar naar diens erfgenamen.

(11) Zie artikel 78, § 2 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht: “§ 2. De vererving van onroerende goederen wordt beheerst door het recht van de Staat op wiens grondgebied het onroerend goed is gelegen.
Indien evenwel buitenlands recht leidt tot de toepassing van het recht van de Staat op wiens grondgebied de overledene bij zijn overlijden zijn gewone verblijfplaats had, is dit laatste recht van toepassing.”.

(12) Merk op dat in het Franse stelsel de wettelijke terugkeer in de opgaande lijn zich niet uitstrekt tot alle ascendenten van de overledene, maar enkel tot zijn vader en moeder.

(13) Tekst zij bijlage 2.

(14) Tekst zij bijlage 2.

(15) Vlaams Parlement - Zitting 2012-2013 - Stuk 2097 - Nr. 3, blz. 7. De Raad van State stelde: “Overigens verbiedt artikel 63, lid 1, van het VWEU alle beperkingen van het kapitaalverkeer tussen lidstaten onderling en tussen lidstaten “en derde landen”. Het verbod is derhalve niet beperkt tot EER-lidstaten. In het voorstel wordt het voordeel van de belastingvrijstelling beperkt tot regelingen van wettelijke terugkeer geldend in EER-lidstaten, hetgeen dus eveneens in strijd is met het recht van de Europese Unie.”

Bijlage 1

Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 14 januari 2014

6 DECEMBER 2013. - Decreet houdende wijziging van het Wetboek der Successierechten, wat de wettelijke terugkeer betreft

Het VLAAMS PARLEMENT heeft aangenomen en Wij, REGERING, bekrachtigen hetgeen volgt:

DECREET houdende wijziging van het Wetboek der Successierechten, wat de wettelijke terugkeer betreft.

Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2. In het Wetboek van 31 maart 1936 der Successierechten wordt een artikel 55quinquies, ingevoegd, dat luidt als volgt:

« Art. 55quinquies. Van het recht van successie en van het recht van overgang bij overlijden wordt vrijgesteld de waarde van de zaken die ascendenten verkrijgen uit de nalatenschap van de erflater, indien cumulatief aan volgende voorwaarden is voldaan :

1° de zaken werden door die ascendenten onder levenden aan de erflater geschonken voor diens overlijden;

2° de zaken bevinden zich nog in natura in de nalatenschap of hiervoor is, indien zij werden vervreemd, nog een schuldvordering in de nalatenschap aanwezig;

3° de erflater is zonder nakomelingen gestorven.

De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, is slechts van toepassing indien in de aangifte van nalatenschap uitdrukkelijk om de toepassing van dit artikel wordt verzocht. ».

Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Brussel, 6 december 2013.

De minister-president van de Vlaamse Regering,

K. PEETERS

De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,

Ph. MUYTERS

Bijlage 2

Teksten wettelijke terugkeer in het Frans Burgerlijk Wetboek

Article 738-2

Lorsque les père et mère ou l'un d'eux survivent au défunt et que celui-ci n'a pas de postérité, ils peuvent dans tous les cas exercer un droit de retour, à concurrence des quote-parts fixées au premier alinéa de l'article 738, sur les biens que le défunt avait reçus d'eux par donation.

La valeur de la portion des biens soumise au droit de retour s'impute en priorité sur les droits successoraux des père et mère.

Lorsque le droit de retour ne peut s'exercer en nature, il s'exécute en valeur, dans la limite de l'actif successoral.

(Article 738. Lorsque les père et mère survivent au défunt et que celui-ci n'a pas de postérité, mais des frères et soeurs ou des descendants de ces derniers, la succession est dévolue, pour un quart, à chacun des père et mère et, pour la moitié restante, aux frères et soeurs ou à leurs descendants.

Lorsqu'un seul des père et mère survit, la succession est dévolue pour un quart à celui-ci et pour trois quarts aux frères et soeurs ou à leurs descendants.).

Vertaling

Wanneer de vader en de moeder of één van hen langer leven dan de overledene en deze geen nakomelingen heeft, kunnen zij steeds een recht van terugkeer uitoefenen, tot beloop van de aandelen bepaald in het eerste lid van artikel 738, op de goederen die de overledene van hen bij schenking heeft verkregen.

(Artikel 738. Wanneer de vader en de moeder langer leven dan de overledene en deze geen nakomelingen heeft maar wel broers en zusters of afstammelingen van deze laatsten, erven de vader en de moeder elk een kwart en komt de overblijvende helft van de nalatenschap toe aan de broers en de zusters of hun afstammelingen.

Wanneer enkel de vader of de moeder overleeft, erft deze een kwart van de nalatenschap en komen de overige driekwart toe aan de broers en zusters of hun afstammelingen.).


Article 757-3

Par dérogation à l'article 757-2, en cas de prédécès des père et mère, les biens que le défunt avait reçus de ses ascendants par succession ou donation et qui se retrouvent en nature dans la succession sont, en l'absence de descendants, dévolus pour moitié aux frères et soeurs du défunt ou à leurs descendants, eux-mêmes descendants du ou des parents prédécédés à l'origine de la transmission.

(Article 757-2. - En l'absence d'enfants ou de descendants du défunt et de ses père et mère, le conjoint survivant recueille toute la succession.)

Vertaling

In geval van vooroverlijden van de vader en de moeder en bij gebreke van afstammelingen vallen, in afwijking van artikel 757-2, de goederen die de overledene van zijn bloedverwanten in de opgaande lijn heeft verkregen bij schenking of door erfopvolging en die zich nog in natura in de nalatenschap bevinden, voor de helft toe aan de broers en zusters van de overleden of aan hun afstammelingen, wanneer die broers en zusters zelf afstammelingen zijn van de vooroverleden ouders die aan de oorsprong liggen van de overdracht.

(Artikel 757-2. Bij gebreke van kinderen, afstammelingen, vader en moeder van de overledene, erft de overlevende echtgenoot de volledige nalatenschap.