Circulaire nr. Ci.D.19/324.587 dd. 01.06.1982

CIRC 01.06.82/1

Circulaire nr. Ci.D.19/324.587 dd. 01.06.1982


Bull. nr. 608, pag. 1678

BEDRIJFSUITGAVEN
Uitgaven die de beroepsbehoeften overtreffen


INHOUDSTAFEL I. Wettekst .................................... I/701 II. Algemene draagwijdte van de wijziging ....... I/702 III. Commentaar van de wijziging ................. I/703 tot 708 IV. Voorbeelden ................................. I/709 tot 713 V. Inwerkingtreding ............................ I/714 PERSONENBELASTING UITGAVEN DIE OP ONREDELIJKE WIJZE DE BEROEPSBEHOEFTEN OVERTREFFEN

I. WETTEKST.

I/701
Zoals het werd gewijzigd door art. 7 van de W 10.2.1981, luidt art. 50bis, 2°, WIB, voortaan als volgt :

Art. 50bis, 2°, WIB :

Ongeacht of zij door de belastingplichtige rechtstreeks dan wel in de vorm van forfaitaire toelagen of vergoedingen voor gedane kosten worden gedragen, mogen niet worden afgetrokken :



...
alle andere uitgaven of lasten voor zover zij op onredelijke wijze de beroepsbehoeften overtreffen.
II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE VAN DE WIJZIGING.

I/702
De doorgevoerde wijziging bestaat in het schrappen van het woord "kennelijk" dat in het oud artikel 50bis, 2°, WIB, het woord "onredelijke" voorafging.

Deze wijziging strekt ertoe het probleem te regelen van de aftrek van uitgaven die, hoewel gedaan uit hoofde of ter gelegenheid van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige, een overdadig karakter vertonen in die zin dat ze eerder ingegeven zijn door de wens of de zorg een zekere status te voeren.

III. COMMENTAAR VAN DE WIJZIGING.

I/703
Door het schrappen van het woord "kennelijk" in art. 50bis, 2°, WIB, heeft de wetgever een hinderpaal willen wegnemen die, in sommige gevallen, de administratie belemmerde in haar pogingen om overdreven bedrijfsuitgaven te verwerpen; aldus heeft hij zijn wil te kennen gegeven dat een uitgave (of een gedeelte van die uitgave) nog slechts als bedrijfslast zou worden aangemerkt indien én het voorwerp én het bedrag ervan als redelijk kunnen worden beschouwd.

Bijgevolg zullen voortaan enkel de normale bedrijfsuitgaven die op redelijke wijze alleen door beroepsbehoeften kunnen worden verantwoord, van de bedrijfsinkomsten mogen worden afgetrokken.

I/704
Uit het vorenstaande volgt dat :

  • de aftrekbare bedrijfsuitgaven eventueel zullen moeten worden beperkt tot een bedrag dat in verhouding staat tot de beroepswerkzaamheden van de belastingplichtige;
  • de aftrek van bepaalde kosten (o.m. representatie-, verplaatsings-, reis-, verblijf-, restaurant- en autokosten, enz.) tot een redelijk en aanvaardbaar bedrag zullen moeten worden beperkt, rekening houdend inzonderheid met de aard van het beroep, zijn kenmerken, de voorwaarden waarin het wordt uitgeoefend en de inkomsten die het aan de belastingplichtige verschaft.
I/705
Er dient te worden op gewezen dat de woorden "op onredelijke wijze" in de tekst van art. 50bis, 2°, WIB werden behouden, enerzijds, om aan te duiden dat de belastingplichtige binnen de grenzen van de redelijkheid nog een beslissingsmarge heeft over de wijze waarop hij zijn beroep uitoefent en, anderzijds, om te vermijden dat de controleambtenaren zouden moeten oordelen over de opportuniteit van iedere bedrijfsuitgave, en daardoor gedwongen worden rechtstreeks in te grijpen in de bedrijfsvoering.

In dat verband mag men niet uit het oog verliezen dat een uitgave niet altijd de gewenste resultaten oplevert en dat deze omstandigheid op zichzelf geen argument mag zijn om de uitgave te verwerpen.

I/706
De nieuwe wettelijke bepaling verleent dus aan de controleambtenaren een zekere soepelheid in hun optreden, in die zin dat ze niet is gesteund op algemene kwantitatieve criteria (zoals percentages van winst of omzet), waardoor kleine en middelgrote ondernemingen of ondernemingen die aan het begin van hun ontwikkeling staan, fiscaal zouden kunnen worden benadeeld.

I/707
Ter zake zal met het meeste doorzicht moeten worden opgetreden.

In de praktijk zal de beoordeling van het onredelijk karakter van een bepaalde uitgave gesteund zijn zowel op kwalitatieve als op kwantitatieve elementen eigen aan die uitgave (deze elementen zullen zorgvuldig worden vermeld in het verificatieverslag dat in het aanslagdossier van de belastingplichtige wordt gerangschikt).

I/708
Aldus kan men in verband met voor het beroep gebruikte personenwagens (met inbegrip van directiewagens) bij voorbeeld als buitensporige kosten beschouwen, die welke per kilometer hoger liggen dan gemiddeld 1,5 maal de kilometervergoeding bepaald bij het KB van 18.1.1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten voor het Rijkspersoneel (zie ter zake I/145.3 van de circ. Ci.D.19/318.113, van de commentaar op de wet van 8.8.1980. - (B. 600 - blz. 2478)), tenzij de belastingplichtige uitzonderlijke omstandigheden kan inroepen die hogere kosten zouden rechtvaardigen (grote herstellingen, abnormaal brandstof- en olieverbruik ingevolge de ouderdom van het voertuig, enz.).

Voormeld kwantitatief criterium zal nochtans, telkens als dit mogelijk is, moeten worden aangevuld door één of meerdere kwalitatieve criteria die te bepalen zijn rekening houdend met de bedrijfssector van de belastingplichtige en de mogelijkheid welke die sector biedt om belastbare inkomsten voort te brengen.

IV. VOORBEELDEN

I/709
De hiernavolgende voorbeelden illustreren de in de nrs. I/703 tot 708 uiteengezette begrippen.

Voorbeeld 1.

I/710
Een notaris koop voor zijn kantoor antieke meubelen aan (tafel, kast, zetels). Het antieke karakter van de meubelen heeft niets met redelijke beroepsbehoeften te maken. In de mate dat de aankoop van antieke meubelen leidt tot een meeruitgave boven het aanschaffen van nieuwe meubelen, moet een gedeelte van de afschrijving van het meubilair verworpen worden.

Voorbeeld 2.

I/711
Een ambachtsman die jaarlijks gemiddeld ± 600.000 F nettowinst aangeeft, is eigenaar van een bestelwagen die hij voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt. Hij bezit eveneens een luxe-wagen van 15 pk die hij voor zijn bedrijfs- en privéverplaatsingen gebruikt (wagen voor gemengd gebruik).

Hij vraagt de aftrek van 200.000 F kosten i.v.m. het bedrijfsgebruik van de wagen (8.000 kilometer per jaar). Deze som van 200.000 F mag als overdreven worden beschouwd, niet alleen gelet op de zeer hoge kosten per werkelijk tot bedrijfsdoeleinden afgelegde kilometer, maar ook gelet op het jaarlijks gemiddelde van de aangegeven bedrijfsinkomsten. Het onredelijk gedeelte van deze uitgave moet verworpen worden (zie ter zake nr. I/708).

Voorbeeld 3.

I/712
Een antiquair die een jaarlijks gemiddelde van ± 400.000 F aangeeft, vraagt de aftrek als bedrijfslasten van restaurantkosten voor een bedrag van 100.000 F. In de mate dat de belastingplichtige het normale karakter van deze uitgave niet kan verantwoorden, moet die worden verworpen.

Voorbeeld 4.

I/713
Een verzekeringsagent die commissielonen aangeeft voor een brutobedrag van 100.000 F, vraagt de aftrek als bedrijfslasten van representatie- en restaurantkosten voor een totaal van 30.000 F en autokosten ten belope van 50.000 F. Deze uitgaven zijn niet in overeenstemming met de aangegeven inkomsten en moeten worden teruggebracht tot een bedrag dat in een betere verhouding staat tot de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige, behoudens indien deze bewijst dat uitzonderlijke omstandigheden (bv. stelselmatig opsporen van mogelijke klanten met het oog op het uitbreiden van zijn verzekeringsportefeuille) hem ertoe gebracht hebben buitengewone kosten te maken.

V. INWERKINGTREDING.

I/714
De bepalingen van art. 50bis, 2° (nieuw), WIB treden in werking vanaf het aj. 1982 (cfr. art. 27, § 1, 2°, W 10.2.1981).