Aanschrijving nr. 4 dd. 14.02.1979
AANSCHRIJVING 79/004
Aanschrijving nr. 4 dd. 14.02.1979
Invoer goederen
Montage
Aansprakelijke vertegenwoordiger
Ontslag.
Doel van deze aanschrijving.
1. Volgens artikel 15, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek, zoals het met ingang van 1 januari 1978 werd gewijzigd door de wet van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33, blz. 16.) tot aanpassing van dit wetboek aan de zesde BTW-richtlijn van de E.G.-Raad (Z. Revue nr. 30, blz. 263.), wordt, wanneer een goed wordt vervoerd in verband met de terbeschikkingstelling ervan, de levering geacht plaats te vinden op het tijdstip van aanvang van het vervoer, tenzij het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd in welk geval de levering plaatsvindt op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd. Volgens artikel 16 van hetzelfde Wetboek vindt die levering dan plaats hier te lande als het goed zich op dat tijdstip binnen het Rijk bevindt.
Deze aanschrijving heeft ten doel te preciseren welke de te volgen regels zijn wanneer het hier te lande te installeren of te monteren goed wordt ingevoerd.
Draagwijdte van artikel 15, § 1, 2de lid, 1°, en artikel 16 van het Wetboek.
2. De aangehaalde bepaling maakt geen onderscheid naargelang de installatie of de montage al dan niet plaatsvindt ter uitvoering van een overeenkomst die onderscheiden is van deze van verkoop zelf.
3. De installatie of montage moet evenwel worden verricht door of voor rekening van de leverancier van het goed. Zo is het duidelijk dat wanneer die handeling wordt verricht door de koper zelf, de hier besproken bepaling geen toepassing vindt voor het bepalen van het tijdstip, en bijgevolg van de plaats, van de levering.
4. Die bepaling is evenmin toepasselijk wanneer het goed wordt geïnstalleerd of gemonteerd door of voor rekening van de leverancier, maar nadat deze het goed ter beschikking van de koper heeft gesteld.
Zo kan het gebeuren dat de leverancier het goed ter beschikking van de koper stelt in het buitenland en de koper er aldaar bezit van neemt, waarna hij zelf het goed vervoert of door een ander dan de leverancier voor zijn rekening laat vervoeren naar België. In dat geval heeft de levering van het goed plaatsgehad in het buitenland, zelfs indien de installatie of de montage hier te lande door of voor rekening van de leverancier zou plaatsvinden.
Het kan eveneens voorkomen dat de leverancier het goed uit het buitenland invoert en hier te lande ter beschikking stelt van de koper die er bezit van neemt, maar zonder dat een overeenkomst werd gesloten met betrekking tot de montage of de installatie van het geleverde goed. In dat geval moeten plaats en tijdstip van levering worden bepaald zonder dat artikel 15, § 1, tweede lid, 1°, in fine, van het Wetboek een rol speelt, zelfs indien achteraf met de leverancier een overeenkomst wordt gesloten voor de montage of de installatie.
Leverancier in het binnenland.
5. Wanneer de levering met installatie of montage wordt gedaan door een in België gevestigde leverancier is de aangehaalde bepaling van artikel 15 uiteraard toepasselijk.
Gelet op artikel 17, § 1, eerste lid, van het Wetboek, zoals dat artikel eveneens werd gewijzigd door de bovengenoemde wet van 27 december 1977, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van de levering, dit is op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd, tenzij in de mate waarin zich vooraf een andere oorzaak van verschuldigdheid zou hebben voorgedaan overeenkomstig artikel 17, § 1, leden twee en drie, zoals de betaling van een voorschot.
6. Wanneer het door of voor rekening van de leverancier te installeren of te monteren goed wordt ingevoerd, moet de wegens invoer verschuldigde belasting worden voldaan op naam van die leverancier als geadresseerde bij invoer (art. 5, § 3, van het kon. besl. nr. 7 (Z.Revue nr.33, blz.79.), van 27 december 1977), tenzij een vorige verkoper als geadresseerde zou optreden (idem).
Leverancier in het buitenland.
7. De hierboven uiteengezette regels gelden in principe eveneens wanneer de leverancier in het buitenland is gevestigd, wat meebrengt :
a) dat de wegens invoer verschuldigde belasting moet worden voldaan op naam van die leverancier;
b) dat hij een belastbare levering doet in het land en dat eventueel de belasting reeds verschuldigd wordt bij de betaling van een voorschot.
8. Indien de buitenlandse leverancier geen vaste inrichting in België heeft moet hij in principe een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen die in de plaats van zijn buitenlandse opdrachtgever de verschillende formaliteiten vervult die aan de belastingplichtigen zijn opgelegd, inzonderheid op het stuk van de facturering, de aangifteplicht, de aftrek en de voldoening van de BTW m.b.t. de hier te lande verrichte handelingen (Wetb., art. 55, kon. besl. nr. 31, van 29 december 1970, en aanschr. 30/ 1975 (Z. Revue nr. 24, blz. 21)).
De administratie kan de buitenlandse belastingplichtige evenwel ontslaan van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (Wetb., art. 55, 2de lid), en heeft daartoe in de aanschrijving nr. 30/1975 (hoofdst. III, afd. 3 en 4) een aantal gevallen en de voorwaarden geregeld.
9. Gebleken is dat de strikte toepassing van de in de nrs. 7 en 8 bedoelde bepalingen aanleiding kan geven tot moeilijkheden wanneer de buitenlandse leverancier in België geen vaste inrichting heeft. Daarom heeft de administratie besloten in het gestelde geval ontslag te verlenen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen indien de medecontractant een belastingplichtige is die periodieke BTW-aangiften indient en op voorwaarde dat de in de nrs. 10 tot 12 hierna uiteengezette regeling wordt toegepast.
10. Bij de invoer zal de BTW niet worden voldaan op naam van de buitenlandse leverancier, maar wel op naam van de medecontractant. In vak 55 van de aangifte ten verbruik 136 (of op de kopiefactuur die bij invoer uit Nederland of Luxemburg aan de douane moet worden afgegeven) dient te worden vermeld : "BTW-aanschrijving nr. 4/1979" (Z. deze Revue blz. 376.). Wanneer de wegens invoer verschuldigde BTW moet worden voldaan volgens de verleggingsregeling (bij invoer uit Nederland of Luxemburg, of ingevolge een vergunning uitgereikt bij toepassing van de aanschr. 3/1973 (Z. Revue nr.11, blz. 182.)), wordt het bedrag ervan door de medecontractant opgenomen in vak 13 van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden. De belasting die voldaan werd bij de invoer of volgens de verleggingsregeling mag door de medecontractant die als geadresseerde is opgetreden volledig in aftrek worden gebracht en begrepen worden in de som opgenomen in vak 21 van zijn periodieke BTW-aangifte.
Dat neemt niet weg dat de levering door de buitenlandse leverancier plaatsvindt in België, bij toepassing van de artikelen 15 en 16 van het BTW-Wetboek, en voor het geheel belastbaar blijft, zodat ook de betaling van voorschotten of andere feiten als bedoeld in artikel 17 van het Wetboek de belasting verschuldigd maken.
De belasting die van de levering verschuldigd is wordt evenwel door de medecontractant voldaan door opneming in vak 14 van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden; in de maatstaf van heffing van die belasting dienen uiteraard de montage- of installatiekosten te worden begrepen, zelfs wanneer de montage of installatie bij afzonderlijk contract werd overeengekomen.
11. In diezelfde aangifte mag de medecontractant zijn recht op aftrek uitoefenen, met inachtneming van de artikelen 45 tot 49 en 100 van het Wetboek.
12. De buitenlandse leverancier is gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken uiterlijk de vijfde werkdag na de maand waarin het goed werd geleverd of, eventueel, waarin de belasting verschuldigd is geworden ingevolge een feit dat zich voor de levering heeft voorgedaan (z. Wetb., art. 17). Op die factuur mag de Belgische BTW niet in rekening worden gebracht. De administratie heeft er evenwel geen bezwaar tegen dat de buitenlandse leverancier het tarief en het bedrag van de Belgische BTW op de factuur vermeldt op voorwaarde dat duidelijk blijkt dat het om Belgische BTW gaat en daarnaast wordt vermeld "Belg. Adm. aanschrijving nr. 4/1979"; in dat geval mag de buitenlandse leverancier van zijn medecontractant geen betaling eisen van de op de factuur vermelde Belgische BTW.
De medecontractant is gehouden de van zijn buitenlandse leverancier ontvangen facturen in zijn boek voor inkomende facturen in te schrijven; daarbij gaat hij na of op die facturen de vermeldingen voorkomen die zijn voorgeschreven door artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 en door het voorgaande lid en zo nodig brengt hij die vermeldingen zelf aan.
13. De in de nrs. 10 tot 12 weergegeven regeling kan niet worden toegepast wanneer de medecontractant een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die geen periodieke BTW-aangiften indient. De kwestie of de leverancier in dat geval al dan niet ontslagen is van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen wordt geregeld in de aanschrijving nr. 30 van 5 december 1975 (z. o.m. nrs. 80 tot 84).
Indien de leverancier van die verplichting ontslagen is, moet de BTW bij de invoer niettemin worden voldaan op naam van die leverancier, maar kan hem teruggaaf ervan worden toegestaan (z. aanschr. 30/1975, nrs. 97 en volg.).
Anderzijds moet de BTW die verschuldigd is van de levering in België worden voldaan zoals voorgeschreven in de hierboven vermelde aanschrijving nr. 30/1975 (z. nrs. 85 en volg.).
Aanschrijving nr. 4 dd. 14.02.1979
Invoer goederen
Montage
Aansprakelijke vertegenwoordiger
Ontslag.
Doel van deze aanschrijving.
1. Volgens artikel 15, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek, zoals het met ingang van 1 januari 1978 werd gewijzigd door de wet van 27 december 1977 (Z. Revue nr. 33, blz. 16.) tot aanpassing van dit wetboek aan de zesde BTW-richtlijn van de E.G.-Raad (Z. Revue nr. 30, blz. 263.), wordt, wanneer een goed wordt vervoerd in verband met de terbeschikkingstelling ervan, de levering geacht plaats te vinden op het tijdstip van aanvang van het vervoer, tenzij het goed door of voor rekening van de leverancier wordt geïnstalleerd of gemonteerd in welk geval de levering plaatsvindt op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd. Volgens artikel 16 van hetzelfde Wetboek vindt die levering dan plaats hier te lande als het goed zich op dat tijdstip binnen het Rijk bevindt.
Deze aanschrijving heeft ten doel te preciseren welke de te volgen regels zijn wanneer het hier te lande te installeren of te monteren goed wordt ingevoerd.
Draagwijdte van artikel 15, § 1, 2de lid, 1°, en artikel 16 van het Wetboek.
2. De aangehaalde bepaling maakt geen onderscheid naargelang de installatie of de montage al dan niet plaatsvindt ter uitvoering van een overeenkomst die onderscheiden is van deze van verkoop zelf.
3. De installatie of montage moet evenwel worden verricht door of voor rekening van de leverancier van het goed. Zo is het duidelijk dat wanneer die handeling wordt verricht door de koper zelf, de hier besproken bepaling geen toepassing vindt voor het bepalen van het tijdstip, en bijgevolg van de plaats, van de levering.
4. Die bepaling is evenmin toepasselijk wanneer het goed wordt geïnstalleerd of gemonteerd door of voor rekening van de leverancier, maar nadat deze het goed ter beschikking van de koper heeft gesteld.
Zo kan het gebeuren dat de leverancier het goed ter beschikking van de koper stelt in het buitenland en de koper er aldaar bezit van neemt, waarna hij zelf het goed vervoert of door een ander dan de leverancier voor zijn rekening laat vervoeren naar België. In dat geval heeft de levering van het goed plaatsgehad in het buitenland, zelfs indien de installatie of de montage hier te lande door of voor rekening van de leverancier zou plaatsvinden.
Het kan eveneens voorkomen dat de leverancier het goed uit het buitenland invoert en hier te lande ter beschikking stelt van de koper die er bezit van neemt, maar zonder dat een overeenkomst werd gesloten met betrekking tot de montage of de installatie van het geleverde goed. In dat geval moeten plaats en tijdstip van levering worden bepaald zonder dat artikel 15, § 1, tweede lid, 1°, in fine, van het Wetboek een rol speelt, zelfs indien achteraf met de leverancier een overeenkomst wordt gesloten voor de montage of de installatie.
Leverancier in het binnenland.
5. Wanneer de levering met installatie of montage wordt gedaan door een in België gevestigde leverancier is de aangehaalde bepaling van artikel 15 uiteraard toepasselijk.
Gelet op artikel 17, § 1, eerste lid, van het Wetboek, zoals dat artikel eveneens werd gewijzigd door de bovengenoemde wet van 27 december 1977, vindt het belastbare feit plaats en wordt de belasting verschuldigd op het tijdstip van de levering, dit is op het tijdstip waarop de installatie of de montage wordt beëindigd, tenzij in de mate waarin zich vooraf een andere oorzaak van verschuldigdheid zou hebben voorgedaan overeenkomstig artikel 17, § 1, leden twee en drie, zoals de betaling van een voorschot.
6. Wanneer het door of voor rekening van de leverancier te installeren of te monteren goed wordt ingevoerd, moet de wegens invoer verschuldigde belasting worden voldaan op naam van die leverancier als geadresseerde bij invoer (art. 5, § 3, van het kon. besl. nr. 7 (Z.Revue nr.33, blz.79.), van 27 december 1977), tenzij een vorige verkoper als geadresseerde zou optreden (idem).
Leverancier in het buitenland.
7. De hierboven uiteengezette regels gelden in principe eveneens wanneer de leverancier in het buitenland is gevestigd, wat meebrengt :
a) dat de wegens invoer verschuldigde belasting moet worden voldaan op naam van die leverancier;
b) dat hij een belastbare levering doet in het land en dat eventueel de belasting reeds verschuldigd wordt bij de betaling van een voorschot.
8. Indien de buitenlandse leverancier geen vaste inrichting in België heeft moet hij in principe een aansprakelijke vertegenwoordiger laten erkennen die in de plaats van zijn buitenlandse opdrachtgever de verschillende formaliteiten vervult die aan de belastingplichtigen zijn opgelegd, inzonderheid op het stuk van de facturering, de aangifteplicht, de aftrek en de voldoening van de BTW m.b.t. de hier te lande verrichte handelingen (Wetb., art. 55, kon. besl. nr. 31, van 29 december 1970, en aanschr. 30/ 1975 (Z. Revue nr. 24, blz. 21)).
De administratie kan de buitenlandse belastingplichtige evenwel ontslaan van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen (Wetb., art. 55, 2de lid), en heeft daartoe in de aanschrijving nr. 30/1975 (hoofdst. III, afd. 3 en 4) een aantal gevallen en de voorwaarden geregeld.
9. Gebleken is dat de strikte toepassing van de in de nrs. 7 en 8 bedoelde bepalingen aanleiding kan geven tot moeilijkheden wanneer de buitenlandse leverancier in België geen vaste inrichting heeft. Daarom heeft de administratie besloten in het gestelde geval ontslag te verlenen van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen indien de medecontractant een belastingplichtige is die periodieke BTW-aangiften indient en op voorwaarde dat de in de nrs. 10 tot 12 hierna uiteengezette regeling wordt toegepast.
10. Bij de invoer zal de BTW niet worden voldaan op naam van de buitenlandse leverancier, maar wel op naam van de medecontractant. In vak 55 van de aangifte ten verbruik 136 (of op de kopiefactuur die bij invoer uit Nederland of Luxemburg aan de douane moet worden afgegeven) dient te worden vermeld : "BTW-aanschrijving nr. 4/1979" (Z. deze Revue blz. 376.). Wanneer de wegens invoer verschuldigde BTW moet worden voldaan volgens de verleggingsregeling (bij invoer uit Nederland of Luxemburg, of ingevolge een vergunning uitgereikt bij toepassing van de aanschr. 3/1973 (Z. Revue nr.11, blz. 182.)), wordt het bedrag ervan door de medecontractant opgenomen in vak 13 van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden. De belasting die voldaan werd bij de invoer of volgens de verleggingsregeling mag door de medecontractant die als geadresseerde is opgetreden volledig in aftrek worden gebracht en begrepen worden in de som opgenomen in vak 21 van zijn periodieke BTW-aangifte.
Dat neemt niet weg dat de levering door de buitenlandse leverancier plaatsvindt in België, bij toepassing van de artikelen 15 en 16 van het BTW-Wetboek, en voor het geheel belastbaar blijft, zodat ook de betaling van voorschotten of andere feiten als bedoeld in artikel 17 van het Wetboek de belasting verschuldigd maken.
De belasting die van de levering verschuldigd is wordt evenwel door de medecontractant voldaan door opneming in vak 14 van de periodieke BTW-aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin de belasting verschuldigd is geworden; in de maatstaf van heffing van die belasting dienen uiteraard de montage- of installatiekosten te worden begrepen, zelfs wanneer de montage of installatie bij afzonderlijk contract werd overeengekomen.
11. In diezelfde aangifte mag de medecontractant zijn recht op aftrek uitoefenen, met inachtneming van de artikelen 45 tot 49 en 100 van het Wetboek.
12. De buitenlandse leverancier is gehouden aan zijn medecontractant een factuur uit te reiken uiterlijk de vijfde werkdag na de maand waarin het goed werd geleverd of, eventueel, waarin de belasting verschuldigd is geworden ingevolge een feit dat zich voor de levering heeft voorgedaan (z. Wetb., art. 17). Op die factuur mag de Belgische BTW niet in rekening worden gebracht. De administratie heeft er evenwel geen bezwaar tegen dat de buitenlandse leverancier het tarief en het bedrag van de Belgische BTW op de factuur vermeldt op voorwaarde dat duidelijk blijkt dat het om Belgische BTW gaat en daarnaast wordt vermeld "Belg. Adm. aanschrijving nr. 4/1979"; in dat geval mag de buitenlandse leverancier van zijn medecontractant geen betaling eisen van de op de factuur vermelde Belgische BTW.
De medecontractant is gehouden de van zijn buitenlandse leverancier ontvangen facturen in zijn boek voor inkomende facturen in te schrijven; daarbij gaat hij na of op die facturen de vermeldingen voorkomen die zijn voorgeschreven door artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 1 en door het voorgaande lid en zo nodig brengt hij die vermeldingen zelf aan.
13. De in de nrs. 10 tot 12 weergegeven regeling kan niet worden toegepast wanneer de medecontractant een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die geen periodieke BTW-aangiften indient. De kwestie of de leverancier in dat geval al dan niet ontslagen is van de verplichting een aansprakelijke vertegenwoordiger te laten erkennen wordt geregeld in de aanschrijving nr. 30 van 5 december 1975 (z. o.m. nrs. 80 tot 84).
Indien de leverancier van die verplichting ontslagen is, moet de BTW bij de invoer niettemin worden voldaan op naam van die leverancier, maar kan hem teruggaaf ervan worden toegestaan (z. aanschr. 30/1975, nrs. 97 en volg.).
Anderzijds moet de BTW die verschuldigd is van de levering in België worden voldaan zoals voorgeschreven in de hierboven vermelde aanschrijving nr. 30/1975 (z. nrs. 85 en volg.).
Bron: FisconetPlus
