Circulaire AAFisc Nr. 17/2016 (nr. Ci.706.327) dd. 14.06.2016
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst Taxatieprocedure en Verplichtingen
Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen
Verkeersbelasting
Eurovignet
Circulaire AAFisc nr. 17/2016 (nr. Ci.706.327) d.d. 14.06.2016
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Invoering van de kilometerheffing
Aanpassing van de verkeersbelasting
Invoering van overgangsmaatregelen in het kader van het afzien van de inning van het eurovignet
Invoering van een kilometerheffing voor zware vrachtwagens met een maximum toegelaten massa van meer dan 3,5 ton – Aanpassing van de verkeersbelasting – Invoering van overgangsmaatregelen wegens het stopzetten van de inning van het Eurovignet - Commentaar
I. INLEIDING
1. Op 29 juli 2015 (BS, 12 augustus 2015) heeft het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest een ordonnantie aangenomen “tot invoering van een kilometerheffing (…) voor zware voertuigen bedoeld of gebruikt voor het vervoer van goederen over de weg, ter vervanging van het eurovignet”.
Deze ordonnantie is in werking getreden op 1 april 2016 in toepassing van artikel 12 van “het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering betreffende de uitvoering van de hiervoor vermelde ordonnantie van 29 juli 2015 (BS, 7 oktober 2015, tweede editie).
2. De principes die van toepassing zijn op de kilometerheffing zijn duidelijk uiteengezet op internetsite van het interregionaal samenwerkingsorgaan “Viapass”, opgericht door “het Samenwerkingsakkoord van 31 januari 2014 tussen het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de invoering van de kilometerheffing op het grondgebied van de drie Gewesten en tot oprichting van een publiekrechtelijk vormgegeven interregionaal Samenwerkingsverband Viapass onder de vorm van een gemeenschappelijke instelling zoals bedoeld in artikel 92bis, § 1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen” (BS, 14 mei 2014, tweede editie).
Deze site kan worden geraadpleegd via de volgende link: https://www.viapass.be/
3. Daar de FOD Financiën nog steeds de dienst van het eurovignet en de verkeersbelasting verzekert in naam en voor rekening van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, moet de FOD ook de uitvoering verzekeren van de wetswijzigingen die door de Brusselse wetgever zijn aangenomen en die betrekking hebben op de natuurlijke en de rechtspersonen die hun woonplaats of hun maatschappelijke zetel hebben op het grondgebied van het vermeld Gewest.
4. In die context heeft de huidige circulaire tot doel “de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 24 maart 2016 houdende diverse wijzigingen met betrekking tot de wegfiscaliteit van zware voertuigen” (BS 31 maart 2016, derde editie) te becommentariëren.
Deze ordonnantie bepaalt immers, als begeleiding van het in werking stellen van het systeem van kilometerheffing, overgangsmaatregelen wegens het stopzetten van de inning van het Eurovignet en past de bepalingen van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen aan, die betrekking hebben op de voertuigen die onder de toepassing vallen van de kilometerheffing.
II. ANALYSE
A. DE KILOMETERHEFFING
5. De kilometerheffing is een heffing die verschuldigd is voor een bepaalde categorie van voertuigen wegens het gebruik van bepaalde wegen op het grondgebied van het Brusselse Gewest.
De volledige lijst van deze wegen is opgenomen in bijlage 1 van de ordonnantie van 29 juli 2015.
Deze lijst bevat concreet het geheel van het Brusselse wegennet - de Ring, de autosnelwegen en autosnelwegenrings, de gewestwegen en de gemeentewegen - waarop de kilometerheffing van toepassing is.
6. Het soort voertuig waarop de kilometerheffing van toepassing is, is wettelijk gedefinieerd als “een motorvoertuig of een samenstel van voertuigen, bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg van goederen en waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht meer dan 3,5 ton bedraagt.”.
Bepaalde voertuigen zijn uitgesloten van het toepassingsveld van de kilometerheffing of kunnen er eventueel van worden vrijgesteld.
7. De Belastingplichtige van de heffing is “de houder” van het voertuig, namelijk de persoon op wiens naam het voertuig is ingeschreven in België of het buitenland of indien het voertuig niet ingeschreven is in België of in het buitenland, diegene die het voertuig feitelijk ter beschikking heeft.
Deze persoon moet vooraleer gebruik te maken van het hiervoor vermelde wegennet, in zijn voertuig een elektronisch registreerapparaat (on-board unit “OBU”) installeren dat via satelliettechnologie de plaats van het voertuig registreert, de afgelegde afstand op welke weg en de kilometerheffing die daarmee gepaard gaat.
8. Voor bijkomende informatie over de punten 6 en 7 alsook over de tarieven die van toepassing zijn, wordt verwezen naar de inlichtingen die verstrekt worden op de in punt 2 vermelde website.
9. De memorie van toelichting van de ordonnantie van 24 maart 2016 preciseert dat de inwerkingtreding van de kilometerheffing heel wat ingrijpende veranderingen veroorzaakt in de wereld van de wegenbelasting die van toepassing is op zware voertuigen.
In dat kader moeten twee met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen – de verkeersbelasting en het eurovignet - op een zo evenwichtig mogelijke manier gecombineerd worden met de kilometerheffing.
10. Om te vermijden dat de betrokken vervoerders een te zware last zouden ondergaan, heeft de Brusselse wetgever beslist om drie maatregelen in te voeren:
B. RATIO LEGIS VAN DE ORDONNANTIE VAN 24 MAART 2016
- een nultarief voor de zware voertuigen met een maximaal toegelaten massa tussen 3,5 en 12 ton die onderworpen zijn aan de kilometerheffing vanaf 1 april 2016;
- een minimum tarief voor de zware voertuigen met een maximaal toegelaten massa van 12 ton of meer (overeenkomstig de Europese minimumdrempels);
- het stopzetten van de inning van het Eurovignet vanaf 1 april 2016 met, om dubbele belasting te vermijden, een proportionele terugbetaling van de reeds aangekochte vignetten die nog geldig zijn na 1 april 2016.
C. WIJZIGING VAN HET WETBOEK VAN DE MET DE INKOMSTENBELASTINGEN GELIJKGESTELDE BELASTINGEN
11.Om het fiscaal evenwicht voor de sector van het vervoer van goederen over de weg te garanderen, heeft de Brusselse wetgever gekozen om de bedragen te herzien van de verkeersbelasting voor de voertuigen die onderworpen zijn aan de kilometerheffing.
C.1. Verkeersbelasting van toepassing op de voertuigen die onderworpen zijn aan de kilometerheffing
12. Artikel 9, punt E, van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (afgekort WIGB), zoals vervangen door artikel 2 van de becommentarieerde ordonnantie, bepaalt een vermindering van de verkeersbelasting voor de voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen over de weg die onderworpen zijn aan de kilometerheffing.
13. De grootte van de vermindering is afhankelijk van de maximaal toegelaten massa van het belaste voertuig.
a. Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximaal toegelaten massa 3,5 ton overschrijdt, maar minder bedraagt dan 12 ton:
De belasting wordt vastgesteld op 0 euro (nieuw artikel 9, punt E, 1ste lid, WIGB).
b. Voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximaal toegelaten massa 12 ton of meer bedraagt:
De belasting wordt berekend in functie van het aantal assen van het voertuig en de aard van de ophanging en het bedrag wordt bepaald volgens de bepalingen en de tabellen 1 en 2 opgenomen in het nieuw artikel 9, punt E, 1°, 2de lid, WIGB.
Wij herinneren er aan dat de Europese regelgeving minimumdrempels oplegt waar de lidstaten niet onder mogen gaan. Die minimumdrempels zijn terug te vinden in bijlage I (“Minimumtarieven toe te passen voor de belasting op voertuigen”) van de richtlijn 1999/62/EEG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 1999 betreffende het in rekening brengen van het gebruik van bepaalde infrastructuurvoorzieningen aan zware voertuigen (P.B., L 187/42 van 20 juli 1999).
Deze minimumbedragen zijn ongewijzigd overgenomen in artikel 9, punt E, 1°, in de vorm van een eerste tabel, waarin de bedragen worden vastgesteld die van toepassing zijn op alleenrijdende motorvoertuigen, en een tweede tabel met de bedragen die van toepassing zijn op samengestelde voertuigen.
14. Daar de kilometerheffing van kracht wordt op 1 april 2016, heeft de Brusselse wetgever als overgangsmaatregel in een berekeningssysteem pro rata temporis “3/12 + 9/12” voorzien.
Volgens dit principe moet de verkeersbelasting verschuldigd voor het jaar 2016 berekend worden door de verkeersbelasting voor de periode van 1 januari tot en met 31 maart 2016, berekend volgens de oude wetgeving, te voegen bij de verkeersbelasting voor de periode van 1 april tot en met 31 december 2016, berekend volgens de nieuwe wetgeving (nieuw artikel 9bis, § 1, WIGB).
15. Om deze overgangsmaatregel te vervolledigen, bepaalt de ordonnantie van 24 maart 2016 eveneens dat de voertuigen belast volgens het nieuw artikel 9, E, WIGB, voor het aanslagjaar 2016 moeten onttrokken worden aan de toepassing van de artikels 36ter, § 1, tweede lid, en 36quater, § 1, tweede lid, WIGB.
Deze beide bepalingen luiden als volgt:
“ § 1. De belasting is verschuldigd voor het aantal maanden begrepen tussen de eerste dag van de maand tijdens dewelke het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik werd genomen op de openbare weg en 31 december van hetzelfde jaar.
Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting vermenigvuldigd met het aantal maanden bepaald in het eerste lid. “
Daar voor 2016 een berekeningssysteem prorata temporis “3/12 + 9/12” van toepassing is, was het niet mogelijk om de algemene berekeningswijze per “1/12”, zoals voorgeschreven door deze beide bepalingen, toe te passen.
Ter herinnering, artikel 36ter WIGB beoogt de voertuigen waarvoor de verkeersbelasting moet betaald worden vóór 1 januari, indien het voertuig op die datum in gebruik is, en in het tegenovergestelde geval, vóór elk gebruik.
Deze voertuigen worden bepaald in artikel 36bis,1ste lid, 1° en 3°. Concreet gaat het om:
- de voertuigen van alle aard die onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens en die het voorwerp uitmaken van een tijdelijke inschrijving andere dan een tijdelijke inschrijving van lange duur waarvoor een internationale kentekenplaat wordt afgeleverd (artikel 36bis, 1ste lid, 1°, WIGB);
- de voertuigen van alle aard die niet onderworpen zijn aan de reglementering voor de inschrijving van de motorvoertuigen en de aanhangwagens.
Hier bedoeld zijn bijvoorbeeld de aanhangwagentjes waarvan de MTM de 500 kg niet overschrijdt en die rijden onder dekking van een duplicaat van het trekkend voertuig of ook nog de voertuigen ingeschreven onder een commerciële nummerplaat (handelaars- of proefrittenplaat) en de voertuigen ingeschreven onder een buitenlandse nummerplaat.
Artikel 36quater WIGB beoogt daarentegen de voertuigen bedoeld in artikel 36bis, 2°, WIGB waarvoor de verkeersbelasting uiterlijk op 15 december van het aanslagjaar moet worden betaald (de “uitgestelde” betaling genoemd).
Het gaat hier om de voertuigen van alle aard die niet in artikel 21 worden gedoeld of anders gezegd de voertuigen van alle aard andere dan de personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik, de minibussen, de ziekenauto’s, de motorfietsen, de vierwielers, de lichte vrachtauto’s, de trage lichte vrachtauto’s, de bootaanhangwagens, de kampeeraanhangwagens, de kampeerauto’s, de aanhangwagens en opleggers met een maximaal toegelaten massa tot 3.500 kg.
Vanzelfsprekend komen enkel de voertuigen bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg en met een maximaal toegelaten massa die meer bedraagt dan 3,5 ton in aanmerking voor de overgangsmaatregel.
C.2. Verkeersbelasting van toepassing op de voertuigen waarvan de MTM 3,5 ton overschrijdt, maar minder is dan 12 ton en die niet onderworpen zijn aan de kilometerheffing.
16. In afwijking aan wat uiteengezet is onder punt 13.a, wijzigt de verkeersbelasting niet voor de motorvoertuigen of de samengestelde voertuigen bestemd voor het goederenvervoer en met een MTM van meer dan 3,5 ton maar minder dan 12 ton, indien ze niet onderworpen zijn aan de kilometerheffing.
Het tarief dat van toepassing was voor 1 april 2016 blijft gelden (nieuw artikel 9, punt E, 2°, WIGB).
Voor een betere leesbaarheid zijn die tarieven nu gegroepeerd in één enkele tabel, terwijl er ook in een afzonderlijke tabel voor de alleenrijdende motorvoertuigen en voor de samengestelde voertuigen voorzien is.
C.3. Aanpassing van de wet op het vlak van de forfaitaire minimum verkeersbelasting.
17. Artikel 4 van de ordonnantie van 24 maart 2016 voegt aan artikel 10 WIGB een derde paragraaf toe dat als volgt luidt:
“§ 3. De voorgaande paragraaf is niet van toepassing op de voertuigen bedoeld in 9" book="CATCH_ALL">9bis”.
De commentaar op artikel 4 verduidelijkt dat de invoeging van deze paragraaf in het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen als doel heeft te voorkomen dat paragraaf 2 van artikel tien, dat voorziet in een minimumtarief van 23,16 euro in de verkeersbelasting, van toepassing zou zijn op de voertuigen bestemd voor het vervoer van goederen waarvan de maximaal toegelaten massa hoger is dan 3,5 ton en lager dan 12 ton en die aan de kilometerheffing onderworpen zijn.
Het objectief van de wetgever is dus duidelijk: in het kader van nieuwe taxatiesysteem moeten de voertuigen die bestemd zijn voor het vervoer van goederen over de weg met een MTM > 3,5 ton en 12 ton, die aan de kilometerheffing onderworpen zijn en waarvoor de verkeersbelasting vastgesteld is op 0 euro, aan de toepassing van de forfaitaire minimumbelasting worden onttrokken.
In dit verband impliceert de verwijzing naar artikel 9bis, overgangsbepaling voor het aanslagjaar 2016 die eveneens de voertuigen met een maximaal toegelaten massa van meer dan 12 ton beoogt, dat:
- alle voertuigen moeten worden onderworpen aan de “oude” wetgeving inzake verkeersbelasting voor de periode van 1/1/2016 tot en met 31/03/2016 (toepassing forfaitair minimum voor deze periode);
- de voertuigen met een MTM >3,5 ton en 12 ton moeten worden onttrokken aan het toepassingsveld van artikel 10, § 3, WIGB voor de periode van 1/4/2016 tot en met 31/12/2016 (geen toepassing van het forfaitair voor deze periode);
- de voertuigen met een MTM > 12 ton onder de toepassing moeten vallen van artikel 10, § 3, WIGB voor de periode van 1 april 2016 en tot en met 31/12/2016 (geen toepassing van. het forfaitair minimum voor deze periode)
D. WIJZIGING VAN DE WET VAN 27 DECEMBER 1994 TOT INVOERING VAN EEN EUROVIGNET
18. Sedert 1 april 2016 zijn de motorvoertuigen en de samenstellen van voertuigen bedoeld of gebruikt, al dan niet uitsluitend, voor het vervoer over de weg van goederen en waarvan het maximaal toegestane totaalgewicht meer dan 3,5 ton bedraagt, onderworpen aan de kilometerheffing.
De Belgische Staat is bijgevolg officieel uit het eurovignetsysteem gestapt en uit het Verdrag inzake de heffing van rechten voor het gebruik van bepaalde wegen door zware vrachtwagens, ondertekend te Brussel op 9 februari 1994 door de regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, het Groothertogdom Luxemburg en het Koninkrijk der Nederlanden, en tot invoering van een eurovignet overeenkomstig richtlijn 93/89/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 oktober 1993.
19. Gelet op de datum van inwerkingtreding van het systeem van de kilometerheffing, was het noodzakelijk geworden te vermijden dat vervoerders die het eurovignet verschuldigd waren in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest, gedwongen werden een dubbele belasting te ondergaan omdat de voor 1 april 2016 aangekochte of vernieuwde vignetten een geldigheidsduur konden hebben die bleef lopen tot vastleggen na 31 maart 2016.
Het doel van Hoofdstuk 3 van de ordonnantie van 24 maart 2016 is het invoeren van een overgangsregeling voor de periode van 1 april 2015 tot 31 maart 2016.
D1. Proportionele teruggave van het teveel geïnde bedrag van het eurovignet
20. Artikel 6 van de becommentarieerde ordonnantie voert in artikel 12 van de wet van 27 december 1994 een paragraaf 2bis in die luidt als volgt:
“§ 2bis. Wegens de beslissing van België, partij bij het akkoord van 9 februari 1994 bedoeld in artikel 1, om een einde te maken aan de inning van het gebruiksrecht op zijn wegennet en om een kilometerheffing in te voeren vanaf 1 april 2016, en aldus het gemeenschappelijk belastbaar grondgebied inzake het gebruiksrecht te wijzigen, wordt, door de bevoegde dienst, voor de voertuigen bedoeld in artikel 4, tweede lid, een automatische terugbetaling toegekend voor eurovignetten verkregen tussen 2 april 2015 tot en met 31 maart 2016.
Deze terugbetaling is gelijk aan het proportionele deel van het jaarbedrag van het eurovignet dat overeenstemt met de opeenvolgende dagen die nog gedekt zijn door het eurovignet vanaf 1 april 2016.”.
21. Aangezien dubbele belasting niet is toegestaan, voert dit artikel een correctief mechanisme in.
Daardoor krijgt de vervoerder die een eurovignet heeft aangekocht na 2 april 2015 automatisch een evenredige teruggave van het gedeelte van dit eurovignet dat het tijdperk van 1 april 2016 tot de einddatum van de geldigheid ervan moest dekken.
Dit correctief mechanisme is uitsluitend van toepassing op de voertuigen die in België zijn ingeschreven.
Deze terugbetaling is automatisch uitgevoerd en werd geformaliseerd door het verzenden van een beslissing van ontheffing van de bevoegde Gewestelijke directeur der directe belastingen.
De terugbetaling gebeurt zonder administratiekosten.
D2. Terugbetaling wegens inactiviteit van het voertuig
22. Artikel 5 van de becommentarieerde ordonnantie vervangt artikel 12, paragraaf 2, van de wet van 27 december 1994 door de volgende tekst:
“Voor de voertuigen bedoeld in artikel 4, tweede lid, wordt op vraag van de belastingplichtige:
1° een proportionele terugbetaling van het eurovignet prorata van de periode van inactiviteit van het voertuig gedurende de belastbare periode toegekend;
2° in afwijking van 1°, wegens de beslissing van België, partij het Verdrag van 9 februari 1994 bedoeld in artikel 1, om een einde te maken aan de inning van het gebruiksrecht op zijn wegennet en om een tolheffing in te voeren vanaf 1 april 2016, en aldus het gemeenschappelijk belastbaar grondgebied inzake het gebruiksrecht voor de in artikel 4, tweede lid, bedoelde voertuigen te wijzigen, wordt, voor alle vignetten verkregen vanaf 2 april 2015 tot en met 31 maart 2016, een terugbetaling voorzien ten belope van de dagen inactiviteit van het voertuig, proportioneel berekend op het jaarbedrag overeenkomstig artikel 12, 2bis, tweede lid.
De voornoemde terugbetalingen zijn gelijk aan één twaalfde of twee twaalfden van het jaarlijkse bedrag, afhankelijk van het feit of de periodes van inactiviteit respectievelijk 30 of 60 dagen bereiken. Het terug te betalen bedrag wordt verminderd met een bedrag van 25 euro ten titel van administratieve kost.
De vraag moet worden ingediend bij de gewestelijke directeur verantwoordelijk voor de dienst belast met de ontvangst van het eurovignet ten laatste binnen een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de laatste dag van de belastbare periode.
De Regering bepaalt de manier waarop de inactiviteit van het voertuig moet worden aangetoond in het kader van de vraag om gedeeltelijke terugbetaling van het eurovignet.
De in deze paragraaf bedoelde aanvraag om terugbetaling moet worden gedaan vóór 30 december 2016.”
23. Deze bepaling stelt de principes vast die van toepassing zijn op de aanvragen ingediend om een terugbetaling van het bedrag van het eurovignet te bekomen ten belope van de periodes van inactiviteit van het voertuigen tijdens het belastbaar tijdperk.
De bepaling is uitsluitend van toepassing op de voertuigen die zijn of moeten zijn ingeschreven in België.
Bovendien houdt de bepaling rekening met het correctief mechanisme bepaald in het nieuwe artikel 12, § 2bis, besproken onder het punt 21 hiervoor.
Volgens de algemene regel moet het terug te betalen bedrag immers berekend worden prorata de effectieve dagen van inactiviteit van het voertuig tijdens het belastbaar tijdperk (artikel 12, § 2,
1°).
Gaat het echter om een eurovignet aangekocht tussen 2 april en 31 maart 2016, bepaalt de tekst dat het terug te betalen bedrag moet berekend worden op basis van het prorata bedrag na toepassing van de regel bepaald in het nieuw artikel 12, § 2bis.
Voorbeeld:
Gegeven een jaarvignet aangekocht op 1 juni 2015.
De geldigheidsduur loopt tot 31 mei 2016.
Indien het voertuig inactief tijdens deze periode gedurende 2 maanden inactief was zal de belastingplichtige een vraag kunnen indienen voor de proportionele teruggave berekend op basis van de prijs betaald voor dit eurovignet, hetzij in dit geval 2 maanden x 10/12.
24. De procedureregels om de teruggave van een eurovignet wegens inactiviteit te bekomen zijn niet gewijzigd, behalve de toevoeging van een laatste lid aan artikel 12, § 2, op het vlak van de termijn.
De aanvraag tot terugbetaling wegens inactiviteit moet worden ingediend vóór 30 december 2016.
E. INWERKINGTREDING
25. Krachten artikel 9 van de ordonnantie van 24 maart 2016, zijn de wetswijzigingen becommentarieerd onder punt C van de huidige circulaire in werking getreden op 1 april 2016, terwijl de wetswijzigingen becommentarieerd onder punt D in werking zijn getreden op 1 april 2015.
Voor de Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,
Benoît VAN VYVE, Adviseur
