Circulaire nr. Ci.RH.861/563.153 (AOIF 33/2004) dd. 13.08.2004
ADMINISTRATIEF BEROEP
Beslissing van de directeur
Kennisgeving van de beslissing
GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
Termijn voor inleiding van de rechtsvordering
RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof
Wanneer een akte wordt ter kennis gebracht gaat de termijn in de dag waarop de geadresseerde van de kennisgeving kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen, de eenvoudig te controleren datum waarop die brief aan zijn woonplaats is aangeboden zonder rekening te houden met de datum waarop hij de brief in voorkomend geval daadwerkelijk bij de post heeft afgehaald.
Aan alle ambtenaren van niveau 1, 2+ en 2
In zijn arrest van 17 december 2003, Nr. 170/2003 heeft het Arbitragehof een einde gesteld aan de controverse die zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak bestond betreffende de wijze van berekening van sommige proceduretermijnen die aanvangen vanaf de kennisgeving van een akte.
Het Arbitragehof stelt dat " In de interpretatie dat de voorzieningstermijnen tegen een beslissing waarvan bij gerechtsbrief kennisgeving wordt gedaan, ingaan op de datum van verzending van de gerechtsbrief, schenden de artikelen 32, 2de, 46, § 2, in samenhang gelezen met artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
In de interpretatie dat de voorzieningstermijnen ingaan op de datum waarop de gerechtsbrief door de postdiensten ter hand is gesteld aan de geadresseerde in eigen persoon of aan diens woonplaats, schenden dezelfde artikelen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet."
Daaruit volgt dat het arrest van het Arbitragehof vanaf nu de "theorie van de ontvangst" bevestigt volgens dewelke "de termijn ingaat op de dag waarop de geadresseerde van de kennisgeving kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de eenvoudig te controleren datum waarop de gerechtsbrief aan zijn woonplaats is aangeboden, zonder rekening te houden met de datum waarop hij de brief in voorkomend geval daadwerkelijk bij de post heeft afgehaald."
Aangezien de administratie besloten heeft zich bij dat arrest aan te sluiten worden alle diensten verzocht dit arrest onmiddellijk toe te passen.
Praktische gevolgen :
1. Nummer 133, 2 de lid van de circulaire van 18 september 2000, Ci.RH.863/530.827 dat opteerde voor de theorie van de verzending zoals bevestigd door het Hof van Cassatie, is niet meer van toepassing aangezien men zich thans moet houden aan de voorschriften van de huidige circulaire.
2. De voorschriften opgenomen in de nummers 375/34 en volgende, Com.IB betreffende de berekening van de termijnen blijven van toepassing.
3. In geval van twijfel over de ontvankelijkheid van de vordering in rechte bij een lichte overschrijding van de termijn om de vordering in te leiden, moet systematisch de Postontvanger om inlichtingen worden gevraagd betreffende de daadwerkelijke aanbieding aan de belastingplichtige van de aangetekende zending die het procedurestuk bevat, om een onweerlegbaar bewijs te bekomen over de laattijdigheid van de vordering (zie de instructie van 1 oktober 1993, Ci.RH.863/449.510 en de circulaire van 18 september 2000, op.cit. nr. 133, 3 de lid).
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directrice,
M. BALLEUX
Beslissing van de directeur
Kennisgeving van de beslissing
GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
Termijn voor inleiding van de rechtsvordering
RECHTSPRAAK
Arrest van het Arbitragehof
Wanneer een akte wordt ter kennis gebracht gaat de termijn in de dag waarop de geadresseerde van de kennisgeving kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen, de eenvoudig te controleren datum waarop die brief aan zijn woonplaats is aangeboden zonder rekening te houden met de datum waarop hij de brief in voorkomend geval daadwerkelijk bij de post heeft afgehaald.
Aan alle ambtenaren van niveau 1, 2+ en 2
In zijn arrest van 17 december 2003, Nr. 170/2003 heeft het Arbitragehof een einde gesteld aan de controverse die zowel in de rechtsleer als in de rechtspraak bestond betreffende de wijze van berekening van sommige proceduretermijnen die aanvangen vanaf de kennisgeving van een akte.
Het Arbitragehof stelt dat " In de interpretatie dat de voorzieningstermijnen tegen een beslissing waarvan bij gerechtsbrief kennisgeving wordt gedaan, ingaan op de datum van verzending van de gerechtsbrief, schenden de artikelen 32, 2de, 46, § 2, in samenhang gelezen met artikel 792, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
In de interpretatie dat de voorzieningstermijnen ingaan op de datum waarop de gerechtsbrief door de postdiensten ter hand is gesteld aan de geadresseerde in eigen persoon of aan diens woonplaats, schenden dezelfde artikelen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet."
Daaruit volgt dat het arrest van het Arbitragehof vanaf nu de "theorie van de ontvangst" bevestigt volgens dewelke "de termijn ingaat op de dag waarop de geadresseerde van de kennisgeving kennis ervan heeft kunnen nemen, dit wil zeggen de eenvoudig te controleren datum waarop de gerechtsbrief aan zijn woonplaats is aangeboden, zonder rekening te houden met de datum waarop hij de brief in voorkomend geval daadwerkelijk bij de post heeft afgehaald."
Aangezien de administratie besloten heeft zich bij dat arrest aan te sluiten worden alle diensten verzocht dit arrest onmiddellijk toe te passen.
Praktische gevolgen :
1. Nummer 133, 2 de lid van de circulaire van 18 september 2000, Ci.RH.863/530.827 dat opteerde voor de theorie van de verzending zoals bevestigd door het Hof van Cassatie, is niet meer van toepassing aangezien men zich thans moet houden aan de voorschriften van de huidige circulaire.
2. De voorschriften opgenomen in de nummers 375/34 en volgende, Com.IB betreffende de berekening van de termijnen blijven van toepassing.
3. In geval van twijfel over de ontvankelijkheid van de vordering in rechte bij een lichte overschrijding van de termijn om de vordering in te leiden, moet systematisch de Postontvanger om inlichtingen worden gevraagd betreffende de daadwerkelijke aanbieding aan de belastingplichtige van de aangetekende zending die het procedurestuk bevat, om een onweerlegbaar bewijs te bekomen over de laattijdigheid van de vordering (zie de instructie van 1 oktober 1993, Ci.RH.863/449.510 en de circulaire van 18 september 2000, op.cit. nr. 133, 3 de lid).
Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Directrice,
M. BALLEUX
Bron: FisconetPlus
