Circulaire 2020/C/16 aangaande de antidumping- en compenserende rechten - (Opgeheven)
FOD Financiën, 22.01.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen
Inhoudstafel
I.1. Wat zijn antidumping- en compenserende rechten?
II. HET ONTSTAAN VAN ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE RECHTEN
II.1. De inleiding van de procedure en het onderzoek
II.2. De registratie van de invoer
II.3. Het voorlopige antidumping-/compenserend recht
II.5. Het definitieve antidumping-/compenserend recht
II.6. Nieuwe onderzoeken en schorsing van de maatregelenII.5.1. Instelling van het recht
II.5.2. Inning van de voorlopige rechten of rechten op geregistreerde invoeraangiftes
II.6.1.1. Nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
II.6.1.2. Tussentijds nieuw onderzoek
II.7. Beëindiging van de maatregelen
II.8. Terugbetaling van antidumping-/compenserende rechten
III. DE TOEPASSING VAN ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN
III.1. Weergave van de antidumping- en compenserende maatregelenIII.2. De berekening van het antidumping-/compenserend rechtIII.1.1. Tarbel - tariefconsultatie
III.1.1.1. Bericht van inleiding van een onderzoek i.v.m. antidumping-/compenserende rechten
III.1.1.2. Registratie voor antidumping-/compenserende rechten
III.1.1.3. Voorlopige antidumpingrechten
III.1.1.4. Voorlopige compenserende rechten
III.1.1.5. Definitieve antidumpingrechten
III.1.1.7. Antidumpingrecht/compenserend recht – inning in afwachting
III.1.1.8. Herziening van antidumping-/compenserende maatregelen
III.1.1.9. Geschorste antidumping-/compenserende rechten
III.1.2. Het overzicht van de antidumping- en compenserende rechten die momenteel van kracht zijn
III.3. Controle en ontwijkingsmechanismen
III.3.1. Het individueel recht
III.3.1.1 Een geldige handelsfactuur is vereist
III.3.1.2. Alternatieve bewijzen
III.3.1.4. De verordening vereist geen specifieke documenten
V. ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE RECHTEN OP HET CONTINENTAAL PLAT OF DE EXCLUSIEVE ECONOMISCHE ZONE
V.1. Het continentaal plat en de exclusieve economische zone
V.2.5. Berekening van de antidumping- en/of compenserende rechten
Bijlage 2 - Aangifte van ontvangst
I. INLEIDENDE BEPALINGEN
I.1. Wat zijn antidumping- en compenserende rechten?
De antidumping- en compenserende rechten maken deel uit van de handelsbeschermende maatregelen die door de Europese Commissie gebruikt worden. Dit zijn maatregelen die worden ingesteld om de Europese markt te beschermen.
Wanneer een product aan dumpingprijzen aangeboden wordt op de Europese markt en de Europese marktdeelnemers hiervan schade ondervinden, kunnen er antidumpingrechten ingesteld worden om deze praktijken tegen te gaan.
Wanneer een subsidie toegekend wordt aan een buitenlandse producent voor de vervaardiging, productie, uitvoer of het vervoer van een product dat vervolgens in het vrije verkeer gebracht wordt in de Europese Unie, kunnen er compenserende rechten ingesteld worden om deze praktijken te neutraliseren.
I.2. Wettelijke basis
- Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit de landen die geen lid zijn van de Europese Unie (P.B. nr. L 176 van 30/06/2016);
- Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (P.B. nr. L 176 van 30/06/2016);
- Uitvoeringsverordening (EU) 2019/1131 van de Commissie van 2 juli 2019 tot vaststelling van een douane-instrument ter uitvoering van artikel 14 bis van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad en artikel 24 bis van Verordening (EU) 2016/1037 van het Europees Parlement en de Raad (P.B. nr. L 179 van 03/07/2019).
I.3. Definities
Bedrijfstak van de Unie: de gezamenlijke producenten in de Unie van soortgelijke producten of wiens gezamenlijk productie van de betrokken producten een groot deel uitmaakt van de totale productie van deze producten in de Unie.
Dumping: er wordt geacht dumping plaats te vinden wanneer de prijs van het product bij uitvoer naar de Unie lager is dan de normale waarde d.w.z. een vergelijkbare prijs die in het kader van normale handelstransacties voor het soortgelijke product voor het land van uitvoer is vastgesteld.
Dumpingmarge: het bedrag waarmee de normale waarde de uitvoerprijs overschrijdt.
Normale waarde: een waarde die gebaseerd is op de prijzen die door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties worden betaald of dienen te worden betaald. De normale waarde wordt vastgesteld op basis van de verkoop van het voor gebruik in het binnenland van het land van uitvoer bestemde soortgelijke product.
Schade:aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie, dreiging van aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie of aanmerkelijke vertraging bij de vestiging van een dergelijke bedrijfstak.
Soortgelijk product: een product dat identiek is, dat wil zeggen in ieder opzicht gelijk aan het betrokken product of, bij gebrek aan een dergelijk product, een ander product dat, hoewel het niet in ieder opzicht gelijk is, kenmerken bezit die grote overeenkomsten vertonen met die van het betrokken product.
Subsidie:een financiële bijdrage geleverd door de overheid in het land van oorsprong of van uitvoer, of enige vorm van inkomens- of prijzensteun, en waarbij een voordeel wordt toegekend.
Uitvoerprijs: de werkelijk betaalde prijs of te betalen prijs van het product dat vanuit het land van uitvoer met het oog op uitvoer naar de Unie wordt verkocht.
Tarbel: is de webapplicatie om het Belgische douanetarief te consulteren en bevat:
alle gegevens van het Geïntegreerd douanetarief van de Europese Unie (TARIC), die door dagelijkse doorsturingen van de Europese Commissie automatisch worden bijgewerkt, en
- nationale gegevens, die worden ingestuurd door de Dienst Tarief van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van de Federale Overheidsdienst Financiën.
II. HET ONTSTAAN VAN ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE RECHTEN
II.1. De inleiding van de procedure en het onderzoek
Een onderzoek naar het bestaan, de omvang en de gevolgen van dumping en/of subsidiëring vindt in de meeste gevallen plaats als gevolg van een schriftelijke klacht die wordt ingediend bij de Europese Commissie. Deze klacht kan ingediend worden door of namens een bedrijfstak van de Unie.
Daarnaast kan een lidstaat ook aanzet geven tot een onderzoek door bewijsmateriaal inzake dumping en/of subsidiëring waaruit schade voortvloeit voor de bedrijfstak van de Unie, aan de Commissie over te maken.
Tot slot kan de Commissie in uitzonderlijke omstandigheden ook besluiten om zelf een onderzoek te openen indien er voldoende bewijs is voor dumping en/of subsidiëring, schade en een oorzakelijk verband tussen de beweerde invoer met dumping en de gestelde schade, om de opening van een onderzoek te rechtvaardigen.
De Commissie kijkt vervolgens of de klacht en het aangeleverde bewijsmateriaal juist en toereikend zijn en de opening van een onderzoek rechtvaardigen. Indien de Commissie besluit een onderzoek te openen, maakt zij dit binnen de 45 dagen na de datum van indiening van de klacht, bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie. Hierbij maakt ze melding van het betrokken product, de betrokken landen en een samenvatting van de ontvangen informatie. Het biedt tevens de kans aan belanghebbenden om zich alsnog kenbaar te maken en relevante informatie aan te leveren. Het bericht van inleiding van een onderzoek is tevens raadpleegbaar in Tarbel (cf. punt III.1.1.1.).
Het onderzoek spreekt zich normaal uit over een periode van minstens 6 maanden voorafgaand aan de inleiding van de procedure. Het wordt gemiddeld genomen afgerond binnen 1 jaar tijd na de opening ervan en neemt nooit meer dan 14 maanden in beslag. In afwachting van het einde van het onderzoek kunnen er bepaalde maatregelen genomen worden ter bescherming van de belanghebbenden. Zo kan opgelegd worden om de invoer te registreren (cf. punt II.2.) of kunnen er voorlopige antidumping-/compenserende rechten (cf. punt II.3.) ingesteld worden.
II.2. De registratie van de invoer
Wanneer de Europese Commissie een onderzoek heeft geopend, kan zij de douaneautoriteiten van de lidstaten opleggen om de invoer van het door het onderzoek betrokken product te registreren. Indien er later een voorlopig of definitief antidumping-/compenserend recht wordt ingesteld op het betrokken product, kan zij retroactief met ingang van de datum van registratie, zo nodig, de rechten laten invorderen. In de verordening aangaande de instelling van definitieve antidumping-/compenserende rechten wordt aangegeven of de rechten ook geïnd moeten worden op de geregistreerde invoer.
De registratieverplichting zelf wordt steeds bekend gemaakt via een verordening en kan tevens in Tarbel geraadpleegd worden (cf. punt III.1.1.2). De registratieplicht maakt melding van het onderwerp van de maatregel en bedraagt ten hoogste 9 maanden. Er moet geen zekerheid worden gesteld aangezien, in dit stadium van het onderzoek, het bedrag van het recht nog niet is vastgesteld.
II.3. Het voorlopige antidumping-/compenserend recht
Een voorlopig antidumping- en/of compenserend recht kan in afwachting van de uitkomst van het onderzoek naar dumping en/of subsidiëring ingesteld worden, mits de belanghebbenden voldoende gelegenheid gehad hebben om inlichtingen te verstrekken en opmerkingen te maken. Dit gebeurt enkel in het geval er voorlopig vastgesteld is dat er dumping en/of subsidiëring plaatsvindt en daaruit schade voor een bedrijfstak van de Unie voortvloeit. Zulke maatregel is dan noodzakelijk om schade te voorkomen in het belang van de Unie.
De instelling van een voorlopig antidumping-/compenserend recht wordt steeds via een verordening gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Tevens kan je in Tarbel raadplegen of er een voorlopig antidumpingrecht (cf. punt III.1.1.3.) of een voorlopig compenserend recht (cf. punt III.1.1.4) van kracht is voor een product.
Voor bepaalde exporteurs of producenten worden individuele voorlopige antidumpingrechten en/of compenserende rechten ingesteld. Dit kan gebeuren als gevolg van het initiële onderzoek, maar kan tevens het onderwerp zijn van een volgend nieuw onderzoek nadat een definitief recht reeds is ingesteld (bij voorbeeld voor een nieuwe exporteur of producent in het uitvoerland die het product niet heeft uitgevoerd tijdens gedurende het onderzoektijdvak waarop de maatregelen zijn gebaseerd).
Tijdens dit nieuw onderzoek kan de Europese Commissie eisen dat de invoer geregistreerd wordt voor deze bepaalde exporteur (zie punt II.2.) De rechten kunnen vervolgens geheven worden met terugwerkende kracht vanaf de datum van opening van dit onderzoek.
In Tarbel worden de individuele rechten weergegeven per exporteur/producent. Er is dan een eigen lijn zichtbaar waarbij de naam van de exporteur verschijnt bij het aanklikken van de aanvullende Taric-code. Het individuele recht is consulteerbaar bij de tarifaire maatregelen (in de kolom Tarief van dezelfde lijn) of indien deze daar niet zichtbaar is, op de pagina “Condities” (na het klikken op “C”).
De voorlopige antidumpingrechten worden ingesteld voor een minimumperiode van 6 maanden, met een mogelijke verlenging van 3 maanden, of meteen voor een periode van 9 maanden (zonder verlenging). De voorlopige compenserende rechten daarentegen worden hoogstens voor 4 maanden ingesteld.
De voorlopige rechten worden geborgd en niet definitief geïnd. Na het stellen van de borg kunnen de betrokken goederen in het vrije verkeer gebracht worden. Afhankelijk van de resultaten van het onderzoek wordt deze borg na het onderzoek ingehouden of vrijgegeven.
II.4. Verbintenissen
Een exporteur kan op vrijwillige basis of na aanbod door de Commissie een verbintenis aangaan met de Commissie. In het geval van antidumpingrechten houdt dit in dat de exporteur zich ertoe verbindt om zijn prijzen te herzien of de uitvoer met dumping te staken, wanneer voorlopig vastgesteld is dat er dumping plaatsvindt en daaruit schade voortvloeit.
Wanneer het gaat om compenserende rechten stemt het land van oorsprong en/of uitvoer ermee in de subsidie in te trekken, te beperken of andere maatregelen te nemen of verbindt de exporteur zich ertoe zijn prijzen te herzien of zijn uitvoer naar het betrokken gebied te staken.
Indien de schadelijke gevolgen van de dumping en/of subsidiëring hierdoor worden weggenomen en de Commissie deze verbintenis aangaat, zijn de ingestelde (voorlopige) antidumping- en/of compenserende rechten niet van toepassing voor deze exporteurs.
Besluiten tot aanvaarding van verbintenissen worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Een producent-exporteur die een verbintenis heeft aanvaard dient de goederen rechtstreeks te verkopen aan een “eerste onafhankelijke afnemer in de Unie”.
De goederen moeten dus vervaardigd, vervoerd en rechtstreeks gefactureerd worden door de producent-exporteur aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie. Bepaalde verordeningen voorzien in het feit dat de verkopen gedaan worden door filialen gecontroleerd door de producent; in dat geval worden deze filialen eveneens vermeld in de publicatie in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Om te kunnen genieten van de vrijstelling gekoppeld aan de verbintenis dient een geldige handelsfactuur conform de verbintenis en een verbinteniscertificaat bij uitvoer te worden voorgelegd bij het in het vrije verkeer brengen. De voorwaarden waarbij deze twee certificaten voorgelegd moeten worden zijn terug te vinden in Tarbel door op de condities te klikken behorend bij de aanvullende code.
Voorbeeld : goederencode 2710 19 47 21
Condities :
II.5. Het definitieve antidumping-/compenserend recht
II.5.1. Instelling van het recht
In volgende gevallen wordt er geen definitief antidumping-/compenserend recht ingesteld en wordt de procedure of het onderzoek beëindigd:
- De klacht wordt ingetrokken.
- Beschermende maatregelen blijken niet nodig te zijn.
- De schade is te verwaarlozen:
-
Antidumpingrechten: de invoer maakt minder dan 1% [1] uit van het marktaandeel of de dumpingmarge bedraagt minder dan 2%, uitgedrukt als percentage van de uitvoerprijs.
-
Compenserende rechten: de hoogte van de subsidies is minimaal of het volume van zowel de werkelijke als de potentiële invoer met subsidie of de schade te verwaarlozen is.
- De subsidies (in het geval van compenserende rechten) zijn ingetrokken of de exporteurs verkrijgen hierdoor niet langer een voordeel.
Wanneer er wel sprake is van invoer met dumping of subsidies waardoor schade plaatsvindt worden er respectievelijk definitieve antidumping- en/of compenserende rechten ingesteld. Dit recht wordt geïnd op in het vrije verkeer gebrachte goederen die ingedeeld worden onder de goederencodes vermeld in de verordening tot instelling van de rechten en de in deze verordening vermelde oorsprong of herkomst hebben. Voor meer informatie over de berekening van het (definitief) antidumping-/compenserend recht verwijs ik naar punt III.2. Het recht dat toepast dient te worden is datgene dat van toepassing is op de aanvaardingsdatum van de aangifte voor het vrije verkeer.
Voor bepaalde exporteurs of producenten worden individuele antidumpingrechten en/of compenserende rechten ingesteld (cf. punt III.3.1.).
De definitieve antidumpingrechten en compenserende rechten blijven van kracht zolang de schade aanwezig is. Ze worden ingesteld voor een periode van vijf jaar, tenzij een nieuw onderzoek uitwijst dat het vervallen van de maatregelen opnieuw tot dumping en/of subventie en schade zal leiden (cf. punt II.6.).
II.5.2. Inning van de voorlopige rechten of rechten op geregistreerde invoeraangiftes
Indien de Europese Commissie vaststelt dat er schade is ten gevolge van dumping of subsidies, ongeacht de instelling van een definitief antidumping- en/of compenserend recht, beslist zij:
indien de invoer geregistreerd werd (cf. punt II.2): of zij overgaat op de inning van het definitieve recht op deze geregistreerde aangiftes, of
indien een voorlopig recht (cf. punt II.3.) ingesteld werd: welke deel van het voorlopig recht definitief geïnd zal worden. Indien het definitieve recht hoger is dan het voorlopige recht, wordt het verschil niet geïnd. Is het definitieve recht lager dan het voorlopige recht, dan wordt het recht herberekend op basis van het definitief recht. In dat geval worden de boven het definitief percentage geborgde rechten vrijgegeven.
In de verordening aangaande de instelling van het definitief antidumping- of compenserende recht op een bepaalde product wordt bepaald of overgegaan wordt op de inning met terugwerkende kracht.
Een definitief antidumping- en/of compenserend recht kan met terugwerkende kracht geïnd worden op volgende voorwaarden:
De desbetreffende producten zijn ten hoogste 90 dagen vóór de datum van inwerkingtreding van de voorlopige maatregelen ten verbruik aangegeven, maar niet vóór de datum waarop het onderzoek is geopend.
De invoer werd geregistreerd.
De betrokken importeurs hebben de kans gekregen om opmerkingen te maken aan de Commissie.
Er is een aanzienlijke toename vastgesteld van de invoer (naast de invoer die schade heeft veroorzaakt in het onderzoektijdvak) die het corrigerende effect van het definitieve recht dreigt te ondermijnen; het is nodig rechten met terugwerkende kracht in te stellen om herhaling van de schade te voorkomen.
Er is dumping vastgesteld voor het betrokken product over een langere periode in het verleden of de importeur was op de hoogte van de dumping (of had dit moeten zijn gezien de omvang van de dumping en schade) (enkel voor antidumpingrechten).
In geval van schending of opzegging van verbintenissen (cf. punt II.4.) kunnen definitieve rechten geïnd worden met terugwerkende kracht indien aan de eerste twee voorwaarden hierboven is voldaan, maar enkel op producten die na de schending of intrekking van de verbintenis in het vrije verkeer zijn gebracht.
II.6. Nieuwe onderzoeken en schorsing van de maatregelen
II.6.1. Nieuwe onderzoeken
De Commissie kan een nieuw onderzoek openen naar de dumping of subsidiëring en de schade die deze meebrengen bij de invoer van goederen waarop reeds een antidumpingrecht en/of compenserend recht van toepassing is. Het kan gaan om:
- een nieuw onderzoek van de maatregelen in verband met het vervallen van de maatregelen;
- een tussentijds nieuw onderzoek om de noodzaak tot handhaving van de maatregelen te onderzoeken;
- een versneld nieuw onderzoek voor een nieuwe producent of fabrikant.
II.6.1.1. Nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
Gedurende het laatste jaar waarin de maatregel van toepassing is, publiceert de Commissie een bericht dat deze maatregel binnenkort zal vervallen. Als gevolg van dit bericht en op vraag van het bedrijfsleven van de Unie ten laatste drie maanden voor de vervaldatum van de maatregelen, of op initiatief van de Commissie, kan een nieuw onderzoek gestart worden om te onderzoeken of het vervallen van de maatregel zal leiden tot de voortzetting of herhaling van de dumping/subsidiëring en de geleden schade.
Het nieuw onderzoek vindt plaats indien er genoeg bewijzen worden voorgelegd (bijvoorbeeld bewijs van voortzetting van de dumping of subsidiëring). In dat geval blijft de bestaande maatregel van toepassing in afwachting van de resultaten van het nieuw onderzoek. Indien later blijkt dat de maatregelen niet worden gehandhaafd kan de terugbetaling van de antidumping/compenserende rechten gevraagd worden vanaf de datum waarop het onderzoek werd geopend (zie punt II.8.2.).
Het onderzoek wordt normaal voltooid binnen een termijn van twaalf maanden vanaf de datum van opening en, in alle gevallen, binnen de vijftien maanden.
Een bericht met het effectief vervallen of het behoud van de maatregelen wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Indien geen nieuw onderzoek wordt gevraagd wordt op het einde van de toepassingsperiode een bericht van effectief vervallen van de maatregelen gepubliceerd.
II.6.1.2. Tussentijds nieuw onderzoek
De noodzaak tot het behoud van de maatregel kan herzien worden indien dit gerechtvaardigd is. Dit onderzoek kan ingesteld worden op initiatief van de Europese Commissie of op vraag van een lidstaat. Een tussentijds nieuw onderzoek kan eveneens gevraagd worden door een exporteur, een importeur of door de producenten in de Unie of de oorsprongslanden en/of uitvoerlanden, voor zover zij voldoende bewijzen kunnen voorleggen en dat er een periode van tenminste één jaar is verstreken sinds de instelling van de maatregel.
Er zal een tussentijds nieuw onderzoek geopend als het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat:
- dat de handhaving van de maatregel niet langer noodzakelijk is om de tot tegenmaatregelen aanleiding gevende subsidie te compenseren en/of
- dat het onwaarschijnlijk is dat de schade zal blijven bestaan of zich opnieuw zal voordoen indien de maatregel wordt ingetrokken of gewijzigd,
- dan wel dat de bestaande maatregel niet of niet langer toereikend is om de schadeveroorzakende, tot tegenmaatregelen aanleiding gevende subsidie te neutraliseren.
De tussentijdse onderzoeken worden voltooid binnen de twaalf maanden te rekenen vanaf de datum van hun opening, en zullen in elk geval afgesloten worden binnen de vijftien maanden na de datum waarop zij werden ingeleid.
Een ander tussentijds onderzoek kan worden geopend wanneer de industrie van de Unie of elke andere belanghebbende partij binnen twee jaar na de inwerkingtreding van de maatregelen afdoende kan aantonen dat de exportprijzen zijn gedaald of dat de wederverkoopprijzen van het in de Unie ingevoerde product niet of nauwelijks zijn veranderd. Dit tussentijdse onderzoek kan ook op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat worden geopend onder dezelfde voorwaarden.
Als uit het onderzoek blijkt dat deze beweringen juist zijn, kunnen de dumpingmarges en de antidumpingrechten of compenserende rechten worden herberekend. In geval van een verhoging van de antidumpingrechten mag het nieuwe recht niet hoger zijn dan het dubbel van het oorspronkelijk ingestelde recht. In geval van een verhoging van compenserende rechten mag het recht niet hoger zijn dan de tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies.
Het onderzoek wordt normaal voltooid binnen een termijn van zes maanden vanaf de heropening voor de antidumpingmaatregelen - 12 maanden voor de antisubsidiemaatregelen - en, in alle gevallen afgesloten binnen de negen maanden voor het antidumpingonderzoek – 15 maanden voor het antisubsidieonderzoek. Indien dit niet het geval is blijven de maatregelen ongewijzigd en wordt hun behoud gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie.
II.6.1.3. Versneld nieuw onderzoek
Een onderzoek kan ook worden uitgevoerd om de individuele dumpingmarges te bepalen voor nieuwe exporteurs in de betreffende uitvoerlanden die geen goederen uitgevoerd hebben gedurende de onderzoeksperiode in dewelke de maatregelen werden onderzocht.
Dit onderzoek moet in ieder geval voltooid zijn binnen de negen maanden na de opening.
Het resultaat van dit versneld nieuw onderzoek of het behoud van de maatregelen wordt gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
II.6.2. Schorsing
Antidumping- en compenserende maatregelen kunnen uitsluitend geschorst worden bij besluit van de Commissie op voorwaarde dat:
de marktverhoudingen tijdelijk zodanig zijn gewijzigd dat het onwaarschijnlijk is dat door de schorsing opnieuw schade ontstaat; en
de bedrijfstak van de Unie de kans heeft gekregen om opmerkingen te maken en met die opmerkingen rekening werd gehouden.
Een schorsing vindt plaats voor een periode van 9 maanden en kan ten hoogste met 1 jaar verlengd worden.
II.7. Beëindiging van de maatregelen
Een antidumping- of compenserende maatregel is slechts van toepassing zolang en voor zover dit nodig is om de schade veroorzakende invoer met dumping tegen te gaan of tot compenserende maatregelen aanleiding gevende subsidies te neutraliseren. De maatregel vervalt vijf jaar nadat hij is ingesteld of vijf jaar na de einddatum van het meest recente onderzoek. De nakende beëindiging van de maatregelen wordt bekend gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie in de loop van het laatste jaar waarin de maatregelen van toepassing zijn.
Indien de Unie-industrie een vraag tot herziening indient ten laatste drie maanden voor de beëindiging van de periode van vijf jaar zal een herziening gebeuren (zie punt II.6.1.1.).
Indien geen vraag tot herziening wordt ingediend vervallen de maatregelen. De Europese Commissie publiceert dan een vervalbericht van de maatregelen in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De maatregelen kunnen tevens vroegtijdig beëindigd worden naar aanleiding van een tussentijds onderzoek (cf. punt II.6.2.).
Wanneer de maatregelen definitief worden beëindigd, wordt dit gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.
II.8. Terugbetaling van antidumping-/compenserende rechten
Bij terugbetaling van antidumpingrechten en compenserende rechten dient er een onderscheid gemaakt te worden tussen terugbetaling door de Europese Commissie en terugbetaling door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen. In het eerste geval beslist de Commissie over de terugbetaling en in het tweede geval beslist de AADA over het toekennen van de terugbetaling.
II.8.1. Terugbetaling door de Europese Commissie
Terugbetaling van geïnde antidumpingrechten en/of compenserende rechten door de Europese Commissie vindt plaats wanneer de importeur kan aantonen dat de dumpingmarge/subsidies op basis waarvan de rechten zijn betaald, niet meer bestaan of tot een lager niveau dan dat van de geldende rechten is teruggevallen.
De importeur dient hiervoor een verzoek te richten aan de Commissie. Dit verzoek wordt ingediend via de lidstaat op wiens grondgebied de producten in het vrije verkeer zijn gebracht. Het verzoek moet ingediend worden binnen de 6 maanden nadat de definitieve rechten zijn vastgesteld of nadat besloten is de bedragen van de voorlopige rechten waarvoor een zekerheid is gesteld, definitief te innen. In België wordt dit verzoek gericht aan de FOD Economie - Algemene Directie Economische Analyses en Internationale Economie – Afdeling Internationale economie, City Atrium C, Vooruitgangstraat 50, 1210 Brussel.
Het verzoek bevat volgende stukken en gegevens:
het bedrag van de antidumpingrechten/compenserende rechten waarvan terugbetaling wordt gevraagd;
de douanedocumenten die betrekking hebben op de berekening en de betaling van dit bedrag;
-
het nodige bewijsmateriaal betreffende,
in het geval van antidumpingrechten, de normale waarden en de prijzen bij uitvoer naar de Unie voor de exporteur of producent waarop de antidumpingrechten van toepassing zijn.
in het geval van compenserende rechten, het bedrag van de subsidies ontvangen door de producent of exporteur die aanleiding hebben gegeven tot de compenserende maatregelen die op hem van toepassing zijn.
- Indien dit bewijsmateriaal niet binnen een redelijke termijn kan worden aangeleverd, wordt het verzoek afgewezen.
De lidstaten zenden dit verzoek door naar de Commissie. Nadat zij haar onderzoek heeft afgerond brengt de Commissie de betrokken lidstaat in kennis. De terugbetaling vindt normaal plaats binnen de 12 maanden en uiterlijk 18 maanden nadat het verzoek (inclusief bewijsmateriaal) om terugbetaling werd ingediend. De toegestane terugbetaling moet normaal binnen de 90 dagen na het besluit door de lidstaat worden verricht.
II.8.2. Terugbetaling of kwijtschelding door de AADA
Terugbetaling of kwijtschelding van antidumpingrechten en/of compenserende rechten door de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen kan plaatsvinden in volgende gevallen:
Het onderzoek naar de definitieve maatregelen wijst uit dat er geen definitieve rechten ingesteld moeten worden én er werden reeds voorlopige rechten geborgd.
Een herzieningsonderzoek heeft uitgewezen dat de maatregelen niet behouden dienen te worden én de definitieve rechten werden geïnd gedurende de looptijd van dit onderzoek (cf. punt II.6.1.1.). De terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten.
Bij verordening wordt opgelegd dat de rechten terugbetaald moeten worden.
Een wijziging in de douaneaangifte of ongeldigmaking van de douaneaangifte heeft als gevolg dat de antidumping- en/of compenserende rechten niet meer van toepassing zijn.
De douaneautoriteiten hebben een vergissing begaan die aanleiding geeft tot terugbetaling.
De terugbetaling dient hierbij steeds bij de nationale douaneautoriteiten aangevraagd te worden, in België met name bij het Team Aangifte opvolging (TAO) van de regio waar de douaneaangifte werd ingediend. De voorwaarden van de van toepassing zijnde verordening(en) alsook de voorwaarden inzake terugbetaling conform het DWU dienen wel steeds nageleefd te worden. De termijnen voor het indienen van een terugbetalingsverzoek zijn hier, tenzij anders bepaald in de antidumping-/compenserende verordening, dezelfde als voor andere terugbetalingsverzoeken, namelijk binnen de drie jaar na de datum waarop de douaneschuld is medegedeeld. De terugbetaling geeft geen aanleiding tot betaling van rente door de douaneautoriteiten met uitzondering van artikel 116, lid 6 van het DWU.
III. DE TOEPASSING VAN ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE MAATREGELEN
III.1. Weergave van de antidumping- en compenserende maatregelen
Nieuwe, gewijzigde of geschorste antidumping- en compenserende maatregelen worden gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het Publicatieblad is te consulteren via de website https://eur-lex.europa.eu. De maatregelen worden geïntegreerd in de applicatie Tarbel en zijn zichtbaar in het systeem “tariefconsultatie” vanaf het ogenblik dat zij in werking treden. De dienst Wetgeving – Tarief neemt tevens de wijzigingen op in het “overzicht van de antidumping- en compenserende rechten die momenteel van kracht zijn” vanaf de inwerkingtreding. Dit overzicht is te consulteren via het menu “Home” > “Antidumping” > “Antidumpingrechten” of “Compenserende rechten”.
III.1.1. Tarbel - tariefconsultatie
Om te weten of er antidumping- en/of compenserende maatregelen van toepassing zijn op een product raadpleeg je de tarifaire maatregelen van het product in Tarbel in de module “tariefconsultatie” via de “tariefbrowser”. Onder de betrokken goederencode kunnen volgende maatregelen vermeld staan:
III.1.1.1. Bericht van inleiding van een onderzoek i.v.m. antidumping-/compenserende rechten
Dit geeft enkel aan dat de Commissie een onderzoek is gestart om na te gaan of het desbetreffende product het voorwerp is van dumping of een subsidie in dat land. Geen enkel recht is verschuldigd op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen, ook niet retroactief.
Voorbeeld: Goederencode 2710 20 11 21 (simulatiedatum: 03/08/2019)
III.1.1.2. Registratie voor antidumping-/compenserende rechten
Voor het geconsulteerde product met oorsprong uit het vernoemde land dienen de invoeraangiftes geregistreerd te worden. Geen enkel recht is verschuldigd bij het in het vrije verkeer brengen. Indien aan het einde van de registratieperiode een definitief recht verschuldigd is, dient dit retroactief geïnd te worden voor alle aangiftes die geregistreerd werden.
Voorbeeld: Goederencode 2710 20 11 21 (simulatiedatum 01/01/2019)
TM892
III.1.1.3. Voorlopige antidumpingrechten
Voor het geconsulteerde product met oorsprong uit het vernoemde land moeten er voorlopige antidumpingrechten geborgd worden ten belope van het vermelde percentage.
Voorbeeld: Goederencode 2922 42 00 10 (simulatiedatum 01/01/2015)
Condities
B961
CD682
Goederen ingedeeld onder code 2922 42 00 10 met de aanvullende Taric-code B961,
oorsprong Indonesië waren op 01/01/2015 onderworpen aan een voorlopig antidumpingrecht. Het antidumpingrecht bedraagt 7 % mits voorlegging van een handelsfactuur met ondertekende verklaring (code D008 in vak 44 van de invoeraangifte) en is enkel geldig voor producten vervaardigd door de firma P.T. Cheil Jedang Indonesia (aanvullende Taric-code B961). Indien deze handelsfactuur niet voorgelegd kan worden is een voorlopig recht van 28,4 % van toepassing.
III.1.1.4. Voorlopige compenserende rechten
Voor het geconsulteerde product met oorsprong uit het vernoemde land moeten er voorlopige compenserende rechten geborgd worden ten belope van het vermelde percentage.
Voorbeeld: Goederencode 0301 91 90 11 (simulatiedatum 07/11/2014)
B965
Goederen ingedeeld onder code 0301 91 90 11, met aanvullende Taric-code B965, oorsprong Turkije waren op 07/11/2014 onderworpen aan een voorlopig compenserend recht. Aanvullende Taric-code B965 wijst erop dat dit individueel recht enkel geldt voor producten vervaardigd door de firma Su Ürünleri Yavru Üretim Merkezi Sanayi Ticaret AⱾ
III.1.1.5. Definitieve antidumpingrechten
Voor het geconsulteerde product met oorsprong uit het vernoemde land zijn er antidumpingrechten verschuldigd ten belope van het vermelde specifieke recht.
Voorbeeld: Goederencode 7208 26 00 00
C210
TM518
Goederen ingedeeld onder code 7208 26 00 00 met oorsprong Brazilië zijn onderworpen aan een definitief antidumpingrecht van 54,5 EUR / 1000 kg. Aanvullende Taric-code C210 wijst erop dat dit (verminderd) individueel recht enkel geldt voor producten vervaardigd door de firma ArcelorMittal Brasil S.A.
III.1.1.6. Definitieve compenserende rechten
Voor het geconsulteerde product met oorsprong uit het vernoemde land zijn er compenserende rechten verschuldigd ten belope van het vermelde percentage.
Voorbeeld: Goederencode 7208 26 00 00
Condities
CD791
Goederen ingedeeld onder code 7208 26 00 00 met oorsprong China zijn onderworpen aan een definitief compenserend recht van 17,1 %, mits voorlegging van een handelsfactuur met ondertekende verklaring (code D008 in vak 44 van de invoeraangifte). De gegevens die deze handelsfactuur moet bevatten zijn terug te vinden in voetnoot CD791. Aanvullende Taric-code C150 wijst erop dat dit (verminderd) recht enkel geldt voor producten vervaardigd door de firma Angang Steel Company Limited.
Indien deze handelsfactuur niet voorgelegd kan worden is een definitief compenserend recht van 35,9 % van toepassing.
III.1.1.7. Antidumpingrecht/compenserend recht – inning in afwachting
Bepaalde Europese marktdeelnemers die een vrijstelling van antidumpingrechten hebben aangevraagd vanwege assemblagewerken die ze uitvoeren en waarvan de aanvraag tot vrijstelling in onderzoek is bij de Commissie. De antidumping-/compenserende rechten moeten geborgd worden totdat de vrijstelling is toegestaan.
Voorbeeld: Goederencode 8714 91 10 31
TM552
Aanvullende code C207 geeft aan om welke marktdeelnemer het gaat.
III.1.1.8. Herziening van antidumping-/compenserende maatregelen
De geldigheidperiode van het antidumping-/compenserend recht is (bijna) verstreken. De Europese Commissie kan een nieuw onderzoek instellen. In dat geval is het recht verlengd gedurende de periode van het onderzoek.
Voorbeeld
Goederencode 8714 91 10 31
III.1.1.9. Geschorste antidumping-/compenserende rechten
De antidumping-/compenserende maatregelen kunnen geschorst worden voor een periode van 9 maanden, verlengbaar met ten hoogste één jaar indien de Commissie oordeelt dat de schade, die de bedrijfstak van de Unie ondervindt niet opnieuw zal opduiken.
Voorbeeld: Goederencode 8501 61 80 43 (simulatiedatum 01/01/2018)
Aanvullende Taric-code C309 geeft aan dat de schorsing enkel geldig is voor de firma Longi (Kuching) SDN.BHD.
III.1.1.10 Antidumping-/compenserende maatregelen – statistieken
Voor dit product worden er statistieken bijgehouden door de Europese Commissie om de invoertendensen van dit product te bestuderen. Dit is een geautomatiseerd proces.
Voorbeeld: Goederencode 7208 26 00 00
III.1.1.11 Antidumping-/compenserende maatregelen – controle
Controlemaatregel voor goederen die eerder in het vrije verkeer zijn gebracht in een land dat een douane-unie vormt met de EU. Wanneer deze goederen vervolgens in verbruik gesteld worden in de Europese Unie, dient er gecontroleerd te worden of al dan niet antidumping-/compenserende verschuldigd zijn. In geval van ernstige en gegronde twijfel, kan de douane aan de invoerder het bewijs van oorsprong van de goederen vragen.
Voorbeeld: Goederencode 7208 26 00 00
TM303
III.1.2. Het overzicht van de antidumping- en compenserende rechten die momenteel van kracht zijn
Het overzicht van de antidumping- en compenserende rechten die momenteel van kracht zijn, is terug te vinden op Tarbel onder Home > Antidumping op de pagina’s “Antidumpingrechten” en “Compenserende rechten”. Het overzicht publiceert alle antidumpingrechten en compenserende rechten die momenteel van kracht zijn in één bestand. De maatregelen worden weergegeven door middel van een tabel met vier kolommen. In de eerste kolom wordt/worden de goederencode(s) vermeld waarop de maatregelen van kracht zijn. Kolom twee geeft weer of het gaat om een antidumpingrecht of een compenserend recht met daaronder de omschrijving van het goed. In sommige gevallen zal in dit kader ook extra uitleg opgenomen worden die nuttig kan zijn (bv. over de borg). In kolom drie staat de oorsprong weergegeven waarvoor de maatregelen gelden alsook de data van instelling van de voorlopige en definitieve rechten en de voorziene vervaldatum. De laatste kolom tot slot, vermeldt een link naar het tariefbericht (mededeling die vóór 1/1/2019 plaatsvond) en/of de betrokken verordening (na 1/1/2019).
Voorbeeld
Bij elke wijziging van de antidumping- en/of compenserende maatregelen, of het nu een nieuwe maatregeling, wijziging of schorsing betreft, wordt het overzicht aangepast. De laatste datum van bijwerking wordt weergegeven in de rechterbovenhoek met vermelding “Laatst bijwerkt op: dd.mm.jjjj”.
III.2. De berekening van het antidumping-/compenserend recht
III.2.1. Het recht
Het toe te passen recht wordt bepaald in de verordening aangaande het product waarop antidumping- en/of compenserende maatregelen van toepassing zijn. Het recht kan verschillende vormen aannemen:
ad-valoremrecht: het recht bedraagt een percentage van de aangegeven waarde, zijnde de maatstaf van heffing (cf. punt III.2.2.) aangegeven in de verordening;
specifiek recht: het recht bestaat uit een vast bedrag dat geheven wordt op een bepaalde hoeveelheid;
relatief aan de minimuminvoerprijs: het recht is gelijk aan het verschil tussen de vastgestelde minimumprijs en een andere waarde die vermeld wordt in de verordening;
een combinatie van bovenstaande.
III.2.2. Maatstaf van heffing
De maatstaf van heffing, zijnde de berekeningsbasis voor de antidumping- en compenserende rechten kan verschillen van maatregel tot maatregel. In de verordening die het antidumping- en/of compenserend recht vastlegt voor een bepaald product wordt aangegeven wat de maatstaf van heffing is. In vele gevallen zal dit de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring zijn welke veelal overeenstemt met de CIF-douanewaarde. In ander gevallen wordt een bepaalde hoeveelheid, de minimuminvoerprijs, een andere maatstaf van heffing of een combinatie van deze aangewend.
III.3. Controle en ontwijkingsmechanismen
Bij de controle van antidumping- en compenserende maatregelen moet, naast de gebruikelijke controle, extra aandacht geboden worden aan enkele elementen, nl. de handelsfactuur, de oorsprong en de goederencode.
In dit hoofdstuk wordt ook dieper ingegaan op de ontwijkingsmechanismen die gebruikt kunnen worden op het vlak van antidumping- en compenserende maatregelen.
III.3.1. Het individueel recht
Voor sommige producent-exporteurs geldt een individueel (meestal verminderd) recht. Het individueel recht per begunstigde is terug te vinden in de bijlage(n) van de desbetreffende verordening of in de artikelen van de verordening zelf, met vermelding van de te gebruiken aanvullende Taric-code in vak 33, derde deelvak van de douaneaangifte. De aanvullende Taric-codes met vermelding van het individueel recht per exporteur zijn eveneens consulteerbaar in Tarbel.
Aan dit individueel recht zijn tevens voorwaarden verbonden. Dit kan zijn het voorleggen van een handelsfactuur of een verbintenis om te kunnen bewijzen dat de goederen door de desbetreffende producent-exporteur geproduceerd werden, maar niet elke verordening vereist de voorlegging van deze documenten. Hieronder overlopen we de verschillende mogelijkheden.
III.3.1.1 Een geldige handelsfactuur is vereist
Bij de controle van de handelsfactuur dienen volgende zaken steeds in acht genomen te worden:
- Het betreft de correcte juridische entiteit
Vele verordeningen formuleren dit expliciet door het vermelden van volgende paragraaf:
“De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumping-/compenserende rechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dat onderzoek voor die ondernemingen werd vastgesteld. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit (…) die vervaardigd zijn door de specifiek vermelde juridische entiteiten. Op betrokken producten die zijn vervaardigd door andere ondernemingen die niet met hun naam in het dispositief van deze verordening zijn vermeld, of door entiteiten die verbonden zijn met de vermelde ondernemingen, zijn deze rechten niet van toepassing en op deze producten is het antidumpingrecht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”.”
Echter, ook indien deze paragraaf niet expliciet vermeld wordt in de verordening is het belangrijk om na te gaan of het gaat om de juiste juridische entiteit die de betrokken goederen heeft vervaardigd.
Het is bijgevolg essentieel dat het gaat om exact dezelfde onderneming (en vestiging/land/stad, indien vermeld) als opgelijst in de verordening om het individueel (verminderd) recht toe te staan.
- Indien de handelsfactuur een verklaring met handtekening moet bevatten (bepaald in de toepasbare verordening), moet deze verklaring de volgende gegevens bevatten:
- De naam en functie van de bevoegde medewerker van de entiteit die de handelsfactuur uitschrijft.
- Een verklaring zoals omschreven in de desbetreffende verordening. De vormvereisten van deze verklaring zijn ook terug te vinden in Tarbel door de voetnoot aan te klikken bij de maatregelen. Voor het gebruik van Tarbel in het kader van antidumping- en compenserende maatregelen wordt verwezen naar punt III.1.1 hierboven.
Voorbeeld
„Ondergetekende verklaart dat het (volume) keuken- en tafelgerei van keramiek dat naar de Europese Unie wordt uitgevoerd en waarop deze factuur betrekking heeft, is vervaardigd door (naam en adres van de onderneming) (aanvullende Taric-code) in (betrokken land). Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.”.
- Datum en handtekening van de bevoegde medewerker van de entiteit.
De bewoordingen van de verklaring kunnen lichtjes verschillen naargelang van het model, maar het is belangrijk dat alle essentiële gegevens opgenomen zijn in de verklaring.
- De goederen die aangegeven en vertoond worden aan de douaneautoriteiten stemmen overeen met de goederen op de handelsfactuur.
Indien niet voldaan is aan één van de condities is het recht “alle andere ondernemingen” van toepassing (aanvullende Taric-code altijd A999, B999 of C999)
III.3.1.2. Alternatieve bewijzen
De verklaring op factuur met de 'handtekening' mag door een tussenhandelaar opgesteld worden maar is alleen aanvaardbaar op voorwaarde dat de aangever/tussenhandelaar andere documenten kan indienen die verwijzen naar de werkelijke producent. Het bewijs dat de goederen werden geproduceerd door deze firma waarvoor een individueel verlaagd recht werd vastgesteld, is niet vast omlijnd maar moet toereikend zijn om de douane te overtuigen.
Het kan hier gaan om vermeldingen op een oorsprongsbewijs die verwijzen naar de producerende firma, contracten of facturen tussen de producent en de tussenhandelaar, statutaire bepalingen waaruit blijkt dat de tussenhandelaar geen commerciële activiteiten heeft met andere firma's dan de producent, vermeldingen op de verpakkingen van de goederen, bill of lading, bestelbonnen, vervoersdocumenten, ...
In alle gevallen is het zo dat indien de voorgelegde bewijsstukken niet volstaan voor de douane als bewijs dat de ingevoerde goederen geproduceerd zijn door de producent waarop de aanvullende Taric-code van toepassing is, het recht “alle andere ondernemingen” moet worden toegepast (aanvullende Taric-code altijd A999, B999 of C999).
In het geval van verbintenissen (cf. punt II.4.) dienen alle onderstaande voorwaarden voldaan te zijn om te kunnen genieten van een vrijstelling van antidumping- en/of compenserende rechten:
De goederen zijn door de betrokken exporteur-producent vervaardigd en rechtstreeks verzonden en gefactureerd aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie.
De goederen gaan vergezeld van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die minstens alle elementen en de verklaring bevat die aangegeven staat in de bijlagen bij de verordening tot instelling van de antidumping- en/of compenserende rechten.
De goederen gaan vergezeld van een verbinteniscertificaat voor uitvoer, overeenkomstig de bijlage bij de betrokken verordening.
De goederen die aangegeven en vertoond worden aan de douaneautoriteiten stemmen volledig overeen met de beschrijving op de verbintenisfactuur.
De verbintenisfactuur moet steeds aangeleverd worden bij inklaring. Verbintenisfacturen die afgeleverd worden met terugwerkende kracht worden niet aanvaard evenals de verbintenisfacturen met een datum die later is dan de datum waarop de goederen de firma hebben verlaten. In het geval van een vermelde minimuminvoerprijs (MIP) is deze ook de prijs die van toepassing was op het moment van verkoop.
Bij twijfel over de correctheid van documenten i.v.m. verbintenissen kunnen deze voorgelegd worden aan de dienst Wetgeving – Tarief, welke de documenten zal onderwerpen aan de Commissie.
III.3.1.4. De verordening vereist geen specifieke documenten
Indien er geen handelsfactuur of verbintenis voorgelegd moet worden, kan de douane desondanks eisen dat de nodige documenten voorgelegd worden om te bewijzen dat de goederen geproduceerd werden door de desbetreffende producent-exporteur. Indien de bewijzen niet afdoende zijn volgens de douaneautoriteiten wordt het individueel recht niet aanvaard en wordt het recht “andere ondernemingen” toegepast.
III.3.2. Oorsprong en herkomst
De maatregelen inzake antidumping en antisubsidie kunnen van toepassing zijn op goederen met oorsprong of herkomst uit een bepaald land. Het is belangrijk het verschil tussen beide te kennen om dit te kunnen controleren. Afhankelijk van de verordening die van toepassing is, zullen de maatregelen van toepassing zijn op het land van oorsprong dan wel het land van herkomst.
Wanneer gesproken wordt over oorsprong in het kader van antidumping- en/of compenserende maatregelen betreft dit steeds niet-preferentiële oorsprong. Niet-preferentiële oorsprong kan verkregen worden op twee manieren:
De goederen zijn geheel en al in één enkel land of gebied verkregen [2]; of
De laatste ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft in dit land of gebied in een daartoe ingerichte onderneming plaatsgevonden én deze verwerking of bewerking heeft geleid tot de fabricage van een nieuw product of een belangrijk fabricagestadium vertegenwoordigd.
In het laatste geval zal er in praktijk gekeken worden welke materialen gebruikt werden. Vooral de niet van oorsprong zijnde materialen die in het laatste land van productie gebruikt werden, moeten onderscheiden worden. Deze moeten een ingrijpende bewerking of verwerking ondergaan hebben om de niet-preferentiële oorsprong van het laatste land van productie te verlenen aan het product. Voor de controle van deze laatste ingrijpende bewerking of verwerking kan gebruik gemaakt worden van bijlage 22-01 DA (punten 2.2.1 en 2.2.2). In artikel 34 DA wordt tevens opgelijst wat niet aanzien mag worden als een ingrijpende, economisch verantwoorde verwerking of bewerking.
Tevens moet er op toegezien worden dat de be- of verwerking economisch verantwoord is. Indien vastgesteld wordt dat er geen economische noodzaak was voor de be- of verwerking en deze alleen gediend heeft om de maatregelen te ontwijken, is aan deze voorwaarde niet voldaan en wordt de niet-preferentiële oorsprong van dit land niet toegewezen aan het product.
Aangezien de oorsprong vaak bepalend is voor de toepassing van de antidumping- en/of compenserende maatregelen is het belangrijk deze steeds te controleren wanneer de goederencode antidumping- en/of compenserende maatregelen vermeldt, zeker in die gevallen waar in de aangifte geen antidumping- en/of compenserende rechten zijn aangegeven. Niet zelden zal een buurland of ander land aangegeven worden om de rechten te ontwijken.
In alle gevallen kunnen de douaneautoriteiten van de aangever eisen dat hij die oorsprong aantoont, indien in de douaneaangifte de oorsprong van de goederen is vermeld overeenkomstig de douanewetgeving. Dit gebeurt door het aanleveren van elk aanvullend bewijs dat noodzakelijk is om te waarborgen dat de vermelding van de oorsprong voldoet aan de regels die bij de desbetreffende Unievoorschriften zijn vastgesteld. Bewijzen die relevant zijn, zijn onder meer:
informatie over de productie (het geheel en al verkregen product, het productieproces, …);
informatie over be- of verwerkingen die plaatsgevonden hebben in het laatste land van productie;
tariefindeling, waarde en oorsprong van de grondstoffen en aangebrachte materialen;
….
Certificaten van oorsprong afgeleverd door een derde land worden niet opgevraagd door de douaneautoriteiten om de niet-preferentiële oorsprong aan te tonen, met uitzondering van de certificaten van oorsprong voor bepaalde producten waarvoor bijzonder niet-preferentiële invoerregelingen gelden (bijlage 22-14 IA). De niet-preferentiële oorsprong kan immers niet aangetoond worden door deze certificaten van oorsprong omdat derde landen oorsprongsregels hebben die afwijken van de oorsprongsregels van het DWU. De certificaten van oorsprong kunnen wel een aanwijzing geven over de plaats van productie of de herkomst (cf. punt III.3.2.2.) van de goederen. Ook certificaten van oorsprong die de preferentiële oorsprong bewijzen komen niet in aanmerking om de niet-preferentiële oorsprong te bewijzen, aangezien deze oorsprongsregels van elkaar verschillen. Enkel indien de goederen hun preferentiële status hebben gekregen overeenkomstig de twee voorwaarden voor niet-preferentiële oorsprong hierboven, kan zulk certificaat van oorsprong als bewijs aanvaard worden.
Extra aandacht is tevens vereist bij goederen die de Unie binnengebracht worden via een land waarmee de EU een douane-unie vormt (bijvoorbeeld Turkije, San Marino, Andorra). Wanneer een partij van de douane-unie antidumping en/of compenserende maatregelen neemt of heeft genomen, die zij toepast ten opzichte van andere partijen van de douane-unie of derde landen, dan mag die partij op de invoer van de desbetreffende produkten uit het grondgebied van de andere partij die maatregelen toepassen.
Voorbeeld: goederen van oorsprong uit China, onderworpen aan antidumpingrechten bij het in het vrije verkeer brengen in de Europese Unie, worden in het vrije verkeer gebracht in Turkije. Vervolgens komen deze goederen binnen in de Europese Unie. In het kader van de douane-unie is geen invoerrecht verschuldigd maar moeten de antidumpingrechten wel worden geïnd. Als gevolg van de Chinese oorsprong van de goederen, dient gezorgd te worden dat de goederen niet worden aangegeven met de Turkse oorsprong om antidumpingrechten te ontduiken. In dit kader werd in Tarbel hiervoor ook een controlemaatregel opgenomen (cf. punt III.1.1.11.)
Indien de maatregelen van toepassing zijn op het land van herkomst wordt de term “afkomstig uit” (= ”consigned from”) gebruikt. Dit is het land waaruit de goederen initieel verzonden worden naar de invoerende lidstaat indien geen oponthoud of juridische handelingen, die geen verband houden met het vervoer, in een tussenliggend land hebben plaatsgevonden. Indien wel sprake is van een dergelijk oponthoud of dergelijke handelingen, moet het laatste tussenliggende land worden beschouwd als het land van verzending/uitvoer.
Onder “oponthoud” wordt verstaan elke tijdelijke onderbreking van het fysieke verkeer van de goederen voordat het vervoer wordt voortgezet naar de finale bestemming.
Een “juridische handeling” kan een commerciële of vergelijkbare transactie zijn die onder wetgeving valt (bv. verkoop of behandeling onder contract).
Tussenstops of wettelijke handelingen die wel inherent zijn aan transport zijn bijvoorbeeld veranderingen van transportmiddel, handelingen om de goederen in goede toestand te bewaren gedurende het transport, het uit elkaar halen en samenstellen van verpakkingen en tijdelijke opslag.
De goederen kunnen bijgevolg rechtstreeks of onrechtstreeks uit het desbetreffende land verzonden worden. Het is dus niet noodzakelijk dat de goederen in dat land geproduceerd werden. Bij een onrechtstreekse verzending is niet altijd makkelijk te bewijzen dat de goederen afkomstig zijn uit het land van herkomst dat onderworpen is aan antidumping- en/of compenserende rechten wanneer de goederen inmiddels in een ander derde land werden ingeklaard en van daar uitgevoerd werden naar de Unie. De douaneautoriteiten kunnen dan naar bewijs zoeken dat de uiteindelijke bestemmeling al gekend was op het ogenblik van verzending uit het vermeende land (bv. de documentatie uit het vermeende land verwijst naar een verkoop naar de EU op het ogenblik van verzending). Ook de keuze inzake de transportroute kan hierin een aanwijzing zijn. Werd deze bepaald door de vervoersmaatschappij op basis van economische afwegingen of is het de afzender zelf die de route heeft bepaald?
Ontwijking van herkomst en oorsprong kan plaatsvinden op verschillende manieren. Ontwijking die plaatsvindt volgens onderstaande criteria kan een argument zijn om de maatregelen inzake antidumpingrechten en compenserende rechten uit te breiden:
- Verzenden van het product via derde landen, andere dan degene waarop maatregelen van toepassing zijn;
- Reorganiseren door exporteurs of producenten van hun verkoopkanalen en afzetmethoden in het land waarop maatregelen van toepassing zijn om hun producten uiteindelijk naar de Unie te laten exporteren via producten waarop lagere individuele rechten van toepassing zijn dan op de producten van de producenten;
- Assemblage van delen in de Unie of een derde land (enkel voor antidumpingrechten). Er is sprake van ontwijking in dit geval indien:
de assemblagewerkzaamheden kort vóór de opening van het antidumpingonderzoek zijn aangevangen of aanmerkelijk zijn toegenomen én de betrokken delen afkomstig zijn uit het land waarop de maatregelen van toepassing zijn; én
de delen 60 % of meer uitmaken van de totale waarde van de delen van het geassembleerde product [3]; én
de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of hoeveelheden van het geassembleerde soortgelijke product, wordt ondermijnd, en wordt bewezen dat er dumping plaatsvindt ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarden
Indien ontwijking wordt vastgesteld volgens bovenstaande criteria kan er een onderzoek geopend worden op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende. Dit onderzoek kan leiden tot uitbreiding van de maatregelen. Het onderzoek wordt binnen de negen maanden voltooid. Tijdens de duur van het onderzoek kan de Commissie eisen dat de invoer geregistreerd wordt (cf. punt II.2.) of dat er een borg gesteld wordt.
III.3.3. Goederencode
De goederencode is essentieel voor het bepalen van de antidumping- en/of compenserende maatregelen die van toepassing zijn op een product. Het aangeven van een foutieve goederencode kan aanleiding geven tot het verkeerd of niet-innen van de verschuldigde rechten. In het bijzonder dient onder meer extra aandacht geboden worden voor volgende ontwijkingsmechanismen:
- Wijzigingen aan het product die het wezenlijk karakter niet aantasten om het laten vallen onder goederencodes die niet onderworpen zijn aan maatregelen;
- Invoeren van de producten op niet-geassembleerde wijze om ze vervolgens in de Unie te assembleren om rechten op het geassembleerde product te vermijden (enkel voor antidumpingrechten).
Indien ontwijking wordt vastgesteld volgens bovenstaande criteria kan er een onderzoek geopend worden op initiatief van de Commissie of op verzoek van een lidstaat of een belanghebbende. Dit onderzoek kan leiden tot uitbreiding van de maatregelen. Het onderzoek wordt binnen de negen maanden voltooid. Tijdens de duur van het onderzoek kan de Commissie eisen dat de invoer geregistreerd wordt (cf. punt II.2.) of dat er een borg gesteld word.
Vrijstellingen van rechten kunnen worden verleend aan producenten van het betrokken product van wie wordt vastgesteld dat zij niet betrokken zijn bij ontwijkingspraktijken zoals omschreven in de punten III.3.2.3. et III.3.3. Deze vrijstellingen worden verleend door middel van een besluit van de Commissie en zijn van toepassing gedurende de periode en onder de voorwaarden zoals vastgesteld in dat besluit.
Dit is bijvoorbeeld het geval bij invoer van fietsonderdelen van oorsprong of herkomst uit China, onderworpen aan een antidumpingrecht. Vrijstellingen werden verleend aan diverse Europese assembleurs. Een aanvullende Taric-code werd hun toegekend die moet vermeld worden in vak 33 van de douaneaangifte om van de vrijstelling te kunnen genieten (zie ook punt IV. Hoofdbestanddelen van rijwielen van oorsprong of herkomst uit de Volksrepubliek China)
IV. SPECIFIEK GEVAL: HOOFDBESTANDDELEN VAN RIJWIELEN (FIETSEN) AFKOMSTIG OF VAN OORSPRONG UIT DE VOLKSREPUBLIEK CHINA
Het geval van fietsonderdelen van oorsprong uit China is een voorbeeld met ontwijking van de antidumpingmaatregelen.
In 1993 werd een definitief antidumpingrecht ingesteld voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Het is gebleken dat de antidumpingmaatregelen die betrekking hadden op de fietsen omzeild werden door de invoer van bepaalde niet-geassembleerde delen van fietsen in de Europese Unie. Daarom werd het antidumpingrecht in 1997 uitgebreid tot de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen van oorsprong of herkomst uit de Volksrepubliek China.
Desalniettemin heeft de Europese Commissie bepaald dat een vrijstelling van antidumpingrecht toegestaan mag worden voor assemblagehandelingen voor welke de niet-omzeiling bewezen is. Eveneens is een vrijstelling voorzien voor het gebruik van hoofdbestanddelen van fietsen in kleine getale door kleine operatoren, namelijk voor vervangingsdoeleinden, een handeling die vermoedelijk geen omzeiling behelst.
De verschillende soorten vrijstelling van antidumpingrecht ingesteld voor de invoer van bestanddelen van fietsen zijn de volgende:
- bij het in het vrije verkeer brengen door of namens een vrijgestelde assembleur;
- bij het in het vrije verkeer brengen door of namens een onderzochte assembleur;
- bij het in het vrije verkeer brengen onder de regeling bijzondere bestemming.
Deze verschillende soorten vrijstelling en de voorwaarden waarbij zij van toepassing zijn worden nader toegelicht in bijlage 1.
V. ANTIDUMPING- EN COMPENSERENDE RECHTEN OP HET CONTINENTAAL PLAT OF DE EXCLUSIEVE ECONOMISCHE ZONE
De Europese Commissie heeft beslist vanaf 4 november 2019 de toepassing van antidumpingrechten en/of compenserende rechten uit te breiden naar bepaald producten die ingevoerd of bestemd zijn om gebruikt te worden in de Exclusieve economische zone (EEZ) en op het continentaal platvan een lidstaat.
V.1. Het continentaal plat en de exclusieve economische zone
Het continentaal plat van een kuststaat omvat de zeebodem en de ondergrond daarvan buiten zijn territoriale zee, over de gehele omvang van de natuurlijke uitbreiding van zijn landgebied tot de buitenste rand van de continentale rand, of tot 200 zeemijl van de basislijnen vanwaar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, indien de buitenste rand van de continentale rand op kortere afstand ligt.
De Exclusieve economische zone is een gebied buiten en grenzend aan de territoriale zee en strekt zich niet verder uit dan 200 zeemijl vanaf de basislijnen van waaruit de breedte van de territoriale zee wordt gemeten.
V.2. Toepassing
V.2.1. Algemeen
In deze gebieden kunnen enkel de antidumping- en compenserende rechten van toepassing zijn indien zo aangegeven in de verordening van het desbetreffende product. Invoerrechten, BTW en accijnzen zijn niet verschuldigd. De aangifte verschilt bijgevolg van de douaneaangifte bij invoer in het douanegebied van de Unie. Ook het ontstaan van de douaneschuld verschilt van de bepalingen uiteengezet in het Douanewetboek van de Unie (DWU).
De Europese Commissie heeft besloten geen wijzigingen aan te brengen aan het DWU (in het bijzonder aan het douanegebied van de EU) om volgende redenen:
- Een wijziging zou de inning van alle soorten invoerheffingen met zich mee brengen en het gaat hier enkel om antidumping- en compenserende rechten.
- Het uitbreiden van de bevoegdheden en soevereiniteit van de lidstaten zou in strijd zijn met de UNCLOS-wetgeving (United Nations Convention on the Law of the Sea).
- De uitbreiding van het douanegebied van de EU tot de EEZ en het continentaal plat zou een reeks andere douanemaatregelen impliceren (bv. aanbrengen van de goederen bij de douane) welke economische activiteiten zouden afremmen en niet gunstig onthaald zouden worden door de marktdeelnemers.
De goederen kunnen op twee verschillende wijzen de EEZ of het continentaal plat binnengebracht worden:
Scenario 1: het product waarop de maatregelen van toepassing zijn, wordt vanuit het douanegebied van de Unie (na tijdelijke opslag in de EU of plaatsing onder een bijzondere regeling) in de exclusieve economische zone of op het continentale plat binnengebracht. In dat geval moet een aangifte tot wederuitvoer, een kennisgeving van wederuitvoer of een summiere aangifte bij uitgaan worden ingediend om dit product aan te geven vóór het vertrek ervan naar de exclusieve economische zone of het continentaal plat.
Scenario 2: het betrokken product wordt rechtstreeks van buiten het douanegebied van de Unie op het continentale plat of in de exclusieve economische zone van een lidstaat van de Unie binnengebracht.
V.2.2. Betrokken goederen
De betrokken goederen zijn goederen die het voorwerp uitmaken van:
- een bericht van opening van een antidumping- of antisubsidieonderzoek,
- een uitvoeringsverordening van de Commissie die de invoer aan registratie onderwerpt,
- een uitvoeringsverordening van de Commissie tot instelling van een voorlopig of definitief antidumpingrecht of compenserend recht,
mits dergelijke berichten of verordeningen voorzien in de daadwerkelijke toepassing ervan in de exclusieve economische zone of op het continentaal plat van de lidstaten.
De landen van oorsprong en herkomst van de goederen waarop maatregelen van toepassing zijn, zijn deze die onder de bovengenoemde berichten of verordeningen vallen.
V.2.3. Aangifte van ontvangst
Een aangifte van ontvangst van het betrokken product in de exclusieve economische zone of op het continentale plat moet worden opgesteld en ingediend bij de douane.
Deze aangifte moet worden opgesteld door de ontvanger, dat wil zeggen de persoon die houder is van een licentie of een vergunning om zakelijke activiteiten uit te oefenen op het continentaal plat of in de exclusieve economische zone van een lidstaat en het betrokken product op dat continentaal plat of in die exclusieve economische zone ontvangt of hiertoe voorbereidingen heeft getroffen.
De aangifte moet onverwijld en uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van het betrokken product. worden ingediend.
Afhankelijk van de situatie moet de aangifte worden ingediend:
- Scenario 1:bij de douaneautoriteit van de lidstaat waar de aangifte tot wederuitvoer wordt aanvaard of waar de kennisgeving van wederuitvoer of de summiere aangifte van wederuitvoer wordt geregistreerd.
- Scenario 2: Bij de douaneautoriteit van de lidstaat waartoe het continentaal plat of de exclusieve economische zone behoort.
In afwachting van de integratie van dit type verklaring in PLDA, moet het papieren formulier van bijlage 2 worden gebruikt, samen met de documenten die de aangegeven elementen staven.
V.2.4. Douaneschuld
Onder de douaneschuld worden hier enkel de antidumping- en compenserende rechten verstaan. Er zijn geen andere rechten of taksen verschuldigd in de EEZ of het continentaal plat.
Afhankelijk van de situatie (zie punt IV.2.1.) ontstaat de schuld op een verschillend tijdstip. De schuld ontstaat:
- In scenario 1: op het ogenblik van aanvaarding van de wederuitvoeraangifte of van de registratie van kennisgeving van wederuitvoer of summiere aangifte bij uitvoer;
- In scenario 2: op het ogenblik dat de betrokken goederen ontvangen werden in de EEZ of het continentaal plat.
De schuldenaar is de ontvanger van de goederen en de schuld ontstaat op de plaats waar de aangifte voor ontvangst ingediend werd of verondersteld werd ingediend te worden. In scenario 1 is de lidstaat waar de wederuitvoeraangifte, de kennisgeving van wederuitvoer of summiere aangifte bij uitvoer werd ingediend verantwoordelijk voor het innen van de rechten. In scenario 2 is dit de lidstaat waartoe de EEZ of het continentaal plat behoort.
V.2.5. Berekening van de antidumping- en/of compenserende rechten
Het verschuldigde bedrag aan rechten wordt mutatis mutandis bepaald op basis van de voorschriften van het DWU voor de berekening van de te betalen invoerrechten die op het betrokken product van toepassing waren op het tijdstip waarop de schuld met betrekking tot het betrokken product is ontstaan.
Bijlage 1 - Hoofdbestanddelen van rijwielen (fietsen) afkomstig of van oorsprong uit de Volksrepubliek China
GN-code van de goederen:
8714 9110: geverfde, geanodiseerde, gepolijste en/of gelakte frames ;
8714 9130: geverfde, geanodiseerde, gepolijste en/of gelakte voorvorken ;
8714 9420: andere remmen dan de remnaven en al dan niet aangeboden in sets;
8714 9490: remhendels, al dan niet aangeboden in sets;
8714 9630: pedaalaandrijvingen al dan niet aangeboden in sets;
8714 9300: tandwielen voor vrijloop, al dan niet aangeboden in sets;
8714 9910: sturen ;
8714 9950: derailleurs (kettingschakelaars) ;
8714 9990: volledige wielen met of zonder binnenbanden, of tandraderen.
Wettelijke basis: Verordening (EU) nr. 88/97 van de Commissie van 20 januari 1997 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij Verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van het bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht (P.B. nr. L 17 van 21/01/1997).
Inleiding:
In 1993 werd een definitief antidumpingrecht ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2474/1993 voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Dit antidumpingrecht werd tot op heden verlengd via verschillende verordeningen. De laatste verordening die tot op heden van kracht is, is Verordening (EU) nr. 502/2013.
Het is gebleken dat de antidumpingmaatregelen die betrekking hadden op de fietsen omzeild werden door de invoer van bepaalde niet-geassembleerde delen van fietsen in de Europese Unie. Daarom werd het antidumpingrecht in 1997 uitgebreid tot de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen van oorsprong of uit de Volksrepubliek China door verordening (EG) nr. 71/97 (momenteel is Verordening (EU) nr. 502/2013 van kracht).
Het uitgebreide recht is van toepassing op bovenvermelde GN-codes.
De hoofdbestanddelen van de fietsen die verzonden worden vanuit de Volksrepubliek China worden verondersteld van oorsprong te zijn uit dit land behalve wanneer een oorsprongscertificaat, afgeleverd overeenkomstig de maatregelen inzake oorsprong van kracht in de EU, voorgelegd kan worden waaruit blijkt dat de bestanddelen in kwestie van oorsprong zijn uit een ander land.
Desalniettemin heeft de Europese Commissie bepaald dat een vrijstelling van antidumpingrecht toegestaan mag worden voor assemblagehandelingen voor welke de niet-omzeiling bewezen is. Eveneens is een vrijstelling voorzien voor het gebruik van hoofdbestanddelen van fietsen in kleine getale door kleine operatoren, namelijk voor vervangingsdoeleinden, een handeling die vermoedelijk geen omzeiling behelst. In dit laatste geval gaat het om invoer van hoofdbestanddelen van fietsen met een beperkt economisch belang. Het is weinig waarschijnlijk dat daardoor de gevolgen van het ingestelde recht worden ondermijnd. Het is weinig waarschijnlijk dat de invoer van het aantal fietsen die mogelijk kunnen worden vervaardigd door middel van deze ingevoerde delen het bestaand recht zullen beïnvloeden.
Daarom heeft de Commissie in de verordening (EG) nr. 88/97 drie soorten vrijstelling van antidumpingrecht ingesteld voor de invoer van bestanddelen van fietsen:
- Bij het in het vrije verkeer brengen door of namens een vrijgestelde assembleur.
Onder vrijgestelde assembleurs verstaat men assembleurs waarvan de Europese Commissie erkend heeft dat hun assemblageverrichtingen de maatregelen niet omzeilen, en die bepaalde specifieke verplichtingen nakomen.
Bij het in het vrije verkeer brengen van de hoofdbestanddelen van fietsen die onderworpen zijn aan antidumpingrecht omdat zij van oorsprong of afkomstig zijn uit China, moeten de assembleurs de bestanddelen indelen onder de tariefpost ‘andere’.
Voor een geverfd, geanodiseerd, gepolijst en/of gelakt frame bijvoorbeeld dienen volgende Taric-codes, naar gelang het geval, gebruikt worden: 8714 9110 31, 8714 9110 33 of 8714 9110 39:
Een aanvullende Taric-code wordt toegewezen aan elke vrijgestelde assembleur. Deze code dient vermeld te worden in vak 33 om te kunnen genieten van de vrijstelling van het antidumpingrecht.
Tevens dient ook opgemerkt te worden dat een vrijgestelde assembleur geen bestanddelen van fietsen mag leveren aan een houder van een vergunning bijzondere bestemming of vergunning TORO (zie punt 3 hieronder). De bestanddelen vrijgesteld van het antidumpingrecht mogen enkel gebruikt worden in de assemblageverrichtingen van de vrijgestelde assembleur of vernietigd, wederuitgevoerd of herverkocht worden aan een andere vrijgestelde partij.
- Bij het in het vrije verkeer brengen door of namens een onderzochte assembleur.
Onder onderzochte assembleurs verstaat men assembleurs waarvan de assemblagewerken in onderzoek zijn door de Europese Commissie met als doel vrijgesteld te worden van antidumpingrechten.
Dezelfde maatregelen zijn van toepassing als voor de definitief vrijgestelde assembleur (tarifaire indeling en aanvullende Taric-code).
In afwachting van een beslissing over de gegrondheid van de aanvraag tot vrijstelling door de assembleur, wordt de betaling van het antidumpingrecht geschorst vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag door de Europese Commissie; een zekerheid wordt echter wel gesteld bij elke aangifte voor het vrije verkeer.
- Bij het in het vrije verkeer brengen onder de regeling bijzondere bestemming door personen/ondernemingen andere dan de vrijgestelde assembleurs en indien:
a) de hoofdbestanddelen van de fietsen geleverd zijn – zonder beperking op de hoeveelheid – aan een vrijgestelde assembleur, of
b) de hoofdbestanddelen van de fietsen geleverd zijn – zonder beperking op de hoeveelheid – aan een andere houder van een vergunning TORO (procedure 2 van TORO) of toegestane overnemer (procedure 1 van TORO), of
c) per maand minder dan 300 eenheden per soort hoofdbestanddelen van fietsen door de persoon/onderneming andere dan een vrijgestelde assembleur voor het vrije verkeer worden aangegeven dan wel aan die persoon/onderneming worden geleverd. Het aantal bestanddelen dat wordt aangegeven door of wordt geleverd aan een partij, wordt berekend met verwijzing naar het aantal bestanddelen dat is aangegeven door of is geleverd aan alle partijen die met die partij zijn geassocieerd of die met die partij compensatieovereenkomsten hebben, of
d) de hoofdbestanddelen van fietsen bestemd zijn voor gebruik bij de assemblage van fietsen met elektrische hulpmotor (aanvullende Taric-code 8835), zonder beperking op de hoeveelheid.
Toe te passen maatregelen voor het gebruik van de regeling bijzondere bestemming (vrijstelling 3 hierboven)
- Voorwaarden om te genieten van de vrijstelling op antidumpingrecht:
- de persoon/onderneming die de goederen in het vrije verkeer brengt, mag geen vrijgestelde assembleur zijn;
- de persoon/onderneming die de goederen in het vrije verkeer brengt, moet in het bezit zijn van een vergunning bijzondere bestemming;
- de goederen moeten ingedeeld worden onder de Taric-codes die de volgende beschrijving bevatten: ‘van oorsprong uit of geconsigneerd vanuit China:
- - in hoeveelheden van minder dan 300 eenheden per maand of voor overdracht aan een partij in hoeveelheden van minder dan 300 eenheden per maand; of
- - voor overdracht aan een andere houder van een vergunning voor eindgebruik of aan vrijgestelde partijen’.
Voor een geverfd, geanodiseerd, gepolijst en/of gelakt frame bijvoorbeeld, dienen volgende Taric-codes, naargelang het geval, gebruikt te worden: 8714 9110 21, 8714 9110 23 of 8714 9110 29.
- Voorwaarden voor de afgifte van een vergunning bijzondere bestemming
Bij de aanvraag voor de vergunning bijzondere bestemming dient de aanvrager te vermelden welk type werkzaamheden hij/zij wenst uit te voeren: het in het vrije verkeer brengen met levering aan een vrijgestelde assembleur (geval 3 a), het in het vrije verkeer brengen met levering aan een andere vergunninghouder (geval 3 b), het in het vrije verkeer brengen van minder dan 300 éénheden per maand (geval 3 c1), het ontvangen van minder dan 300 éénheden per maand (geval 3 c2), of het in het vrije verkeer brengen voor assemblage van elektrische fietsen (geval 3 d).
De verschillende mogelijkheden, vermeld onder punten 3 a) tot en met d) kunnen niet gelijktijdig uitgevoerd worden door de operator noch toegestaan worden onder eenzelfde vergunning.
In het bijzonder mag de aanvrager niet de gecumuleerde toepassing van punt c) met punt a) en/of b) aanvragen, noch in dezelfde vergunning noch in verschillende vergunningen. De cumulatie van deze twee of drie verschillende mogelijkheden brengt een vermenging van maatregelen met betrekking tot de kwantitatieve criteria voorzien voor geval c) met zich mee en is bijgevolg niet toegestaan aangezien het totaal aantal éénheden vermeld onder c) overschreden zal worden.
Bovendien is de vrijstelling in geval c) toegestaan voor kleine operatoren bij het gebruik van bestanddelen van fietsen in kleine hoeveelheden, namelijk voor herstelling of vervanging, werkzaamheden die vermoedelijk geen ontwijking van antidumpingmaatregelen inhouden. Dit eigen gebruik van de kleine operator in kleine hoeveelheden is bijgevolg niet verenigbaar met werkzaamheden van herverkoop in belangrijkere hoeveelheden aan vrijgestelde assembleurs of aan andere houders van een vergunning TORO of toegestane overnemers.
Om te vermijden dat de de-minimis-regel overtreden zou worden, mogen de douaneautoriteiten een vergunning bijzondere bestemming enkel uitreiken aan personen die aanzien worden als kleine operatoren die assemblageverrichtingen uitvoeren of aan personen (die niet noodzakelijk assemblageverrichtingen uitvoeren) die kunnen aantonen dat ze niet meer dan 299 éénheden per type bestanddeel zullen ontvangen per maand.
Daarentegen mag de douane, indien dit niet in strijd is met de wetgeving, toestaan dat de twee eerste mogelijkheden a) en b) gecumuleerd worden, aangezien er voor de leveringen geen kwantitatieve beperkingen gelden.
Ook de cumulatie van punten c) en d) is toegestaan, maar deze vereist wel twee verschillende vergunningen.
De regeling bijzondere bestemming moet de douane de kans geven te controleren dat in de vier mogelijke situaties de operator de bestemming respecteert die aan de hoofdbestanddelen gegeven werd:
- hetzij de levering aan de vrijgestelde assembleur,
- hetzij de levering aan een vergunninghouder TORO of overdracht in het kader van een toegestane overdracht,
- hetzij het in het vrije verkeer brengen of ontvangen van minder dan 300 éénheden per maand,
- hetzij het in het vrije verkeer brengen voor de assemblage van elektrische fietsen.
- Voorwaarden voor de de-minimis-regel (minder dan 300 éénheden per maand) (geval 3c)
Bij het gebruik van een vergunning bijzondere bestemming in het kader van de de-minimis-regel (minder dan 300 éénheden per maand), moet de drempel van 300 éénheden per type hoofdbestanddelen per maand verstaan worden als het mogelijk maken van de assemblage van 299 fietsen. Dit houdt in dat in het geval van volledige wielen met of zonder binnenbanden, of tandraderen (GN-code 8714 9990) en remhendels (GN-code 8714 9420), deze drempel van toepassing kan zijn op zowel de bestanddelen als de sets.
Bijvoorbeeld: aangezien elke fiets twee wielen heeft, is het toegestaan om in totaal 598 wielen (299 voorwielen en 299 achterwielen) in te voeren om dit tot 299 fietsen te assembleren.
Deze kwantitatieve limiet is enkel van toepassing op bestanddelen afkomstig uit China. Het doel van de bijzondere bestemming is overigens niet de assemblage te controleren maar wel de totale hoeveelheid die op een maand in het vrije verkeer gebracht wordt en/of ontvangen wordt in het kader van de regeling bijzondere bestemming.
Met het oog hierop wordt het aantal aangegeven of ontvangen bestanddelen van fietsen berekend in verhouding tot het aantal aangegeven of ontvangen bestanddelen door alle partijen die met deze persoon zijn geassocieerd of die met die persoon compensatieovereenkomsten hebben.
De goederen geplaatst onder de regeling bijzondere bestemming conform artikel 14 c) van Verordening nr. 88/97 moeten onder deze regeling blijven tot aan het einde van de kalendermaand binnen dewelke ze onder de regeling geplaatst werden. De goederen mogen enkel geleverd worden wanneer het douanetoezicht ten einde is, zijnde aan het einde van desbetreffende kalendermaand.
In geen geval is het toegestaan een gemiddelde per maand op te maken, noch een saldo aan het einde van de maand op te stellen op grond van het aantal bestanddelen dat in het vrije verkeer gebracht werd in verhouding tot het aantal verkochte of overgedragen bestanddelen. Hoe dan ook is het niet toegestaan om het in het vrije verkeer brengen van minder dan 300 bestanddelen per maand (geval 3 c) te cumuleren met de levering aan houders van de vergunning TORO of de levering aan personen in het kader van procedure 1 van TORO (geval 3 b).
Wanneer het aantal bestanddelen van fietsen die in het vrije verkeer gebracht werden of ontvangen werden in het kader van de de-minimis-regel de drempel van 299 éénheden per maand overstijgt, moet het ontdoken antidumpingrecht geheven worden voor het aantal bestanddelen dat de drempel overschrijdt. In voorkomend geval dient de intrekking van de vergunning bijzondere bestemming overwogen worden.
- Contingent of tariefschorsing verbonden aan de regeling bijzondere bestemming
Voor bepaalde bestanddelen van fietsen (namelijk de frames en de vorken) die al dan niet onder de Taric-codes onderworpen aan de de-minimis-regel vallen, is eveneens een contingent of tariefschorsing toegewezen in het kader van de regeling bijzondere bestemming.
Het tariefcontingent 09.2668 staat een vrijstelling toe van invoerrechten bij invoer indien de regeling bijzondere bestemming werd toegekend.
Voorbeeld voor code 8714 9110 21:
Het doel van de regeling bijzondere bestemming is in dit geval om toezicht te houden op de fabricage van fietsen aan de hand van ingevoerde bestanddelen.
Als de operator/invoerder al beschikt over een vergunning bijzondere bestemming in het kader van vrijstelling van antidumpingrecht (zie geval 3 a) tot en met d)), dient het toezicht op de fabricage van fietsen als bijkomende voorwaarde toegevoegd en terdege vermeld te worden.
Het spreekt voor zich dat de zekerheid eveneens aangepast dient te worden aangezien niet enkel de eventuele antidumpingrechten maar ook de invoerrechten gedekt moeten worden.
Wanneer het tariefcontingent uitgeput is, moet het invoerrecht ‘erga omnes’ toegepast worden. Vanaf dat ogenblik is het toezicht door de douane op de assemblage van de ingevoerde bestanddelen tot fietsen niet meer vereist.
In het geval van een tariefschorsing die aanleiding geeft tot een vrijstelling van invoerrechten in het kader van de regeling bijzondere bestemming, dient eveneens toezicht uitgeoefend worden door de douane op de fabricage van fietsen aan de hand van ingevoerde bestanddelen.
Dezelfde redenering als voor het tariefcontingent is van toepassing inzake vergunning, toezicht en zekerheid.
Voorbeeld voor code 8714 9110 23 of 8714 9110 33:
Bijlage 2 - Aangifte van ontvangst
[1] Tenzij de landen samen ten minste 3% van het verbruik van de Unie voor hun rekening nemen.
[2] Wat begrepen wordt onder “geheel en al verkregen” is opgelijst in artikel 31 DA.
[3] Er is geen sprake van ontwijking wanneer de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden aan de ingevoerde delen wordt toegevoegd meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt.
