Circulaire nr. Ci.RH.332/429.045 dd. 03.05.1991
CIRC 03.05.91/1
Circulaire nr. Ci.RH.332/429.045 dd. 03.05.1991
Bull. nr. 706, pag. 1341
AANSLAGTERMIJNEN
Bijzondere heffing op roerende inkomsten
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Vestiging van de aanslagen
Vrijstellingsvoorwaarden
Commentaar op art. 25, W. 28.12.1990, betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen.
Wijzigingen inzake bijzondere heffing op roerende inkomsten over het aj. 1989, met betrekking tot de beleggingstermijn en de effecten die voor belegging in aanmerking komen.
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Inhoudsopgave I. INLEIDING 1 II. WETTEKST 2 III. COMMENTAAR A. Algemeen 3-4 B. Beleggingstermijn 5-6 C. Effecten die voor belegging in aanmerking komen 7-9 D. Opmerking 10 E. Taak van de taxatiediensten 11 BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
I. INLEIDING
1. Deze circ. verstrekt commentaar op de afwijking van art. 42, § 3, 1°, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (*), die door art. 25, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073 - B. 702), i.v.m. de bijzondere heffing op roerende inkomsten over het aj. 1989 is ingevoerd.
(*) Art. 42, § 3, W. 28.12.1983. § 3. De bijzondere heffing is niet verschuldigd door de belastingplichtigen die de verbintenis aangaan en naleven :
II. WETTEKST
Art. 25, W. 28.12.1990
2. § 1. De in artikel 42, § 3, 1° van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen vastgestelde termijn wordt verlengd met zes maanden voor de in § 1 van dat artikel bedoelde inkomsten die in 1988 werden geïnd.
§ 2. Onverminderd het bovenvermelde artikel 42, § 3, 1°, kunnen de in § 1 bedoelde inkomsten gebruikt worden voor de aankoop van door de Belgische Staat na 1 januari 1991 uitgegeven overheidsfondsen.
III. COMMENTAAR
A. Algemeen
3. Om vrijstelling te verkrijgen van de door art. 42, § 1, W. 28.12.1983 ingevoerde bijzondere heffing op roerende inkomsten (zie ter zake circ. 12.11.1990, Ci.RH.332/399.106 - B. 700), moet de belastingplichtige de verbintenis aangaan en naleven;
4. Voor belastingplichtigen die aan de bijzondere heffing zijn onderworpen op in 1988 geïnde of verkregen roerende inkomsten, verstreek de beleggingstermijn op 31.12.1990. Er is evenwel gebleken dat de investeringsverbintenis bij gebrek aan uitgiften van nieuwe aandelen of deelbewijzen niet altijd kin worden nageleefd (*).
(*) Kamer, zitting 1990-1991, Doc. 1366/4, blz. 12, Doc. 1366/6, blz. 52; Senaat, zitting 1990-1991, Doc. 1166/3 tot 8, blz. 6.
Daarom heeft de Wetgever besloten, alleen wat de bijzondere heffing over het aj. 1989 betreft, enerzijds de termijn die normaal op 31.12.1990 verstreek met zes maanden te verlengen en, anderzijds, de aankoop van na 01.01.1991 door de Belgische Staat uitgegeven overheidsfondsen als geldige belegging te aanvaarden.
B. Beleggingstermijn
5. In principe moet de belastingplichtige zijn verbintenis tot beleggen nakomen vóór het einde van het tweede jaar na dat waarin de inkomsten, die de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing vormen, zijn geïnd of verkregen.
Er wordt aan herinnerd dat de beleggingstermijn begint te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin de inkomsten zijn geïnd of verkregen.
6. Voor het aj. 1989 verstrijkt de nuttige beleggingstermijn, rekening houdende met art. 25, § 1, W. 28.12.1990, derhalve op 30.06.1991.
C. Effecten die voor belegging in aanmerking komen
7. Om de belegging te doen waartoe hij zich heeft verbonden, moet de belastingplichtige binnen de voorgeschreven termijn onderschrijven en afbetalen :
8. Voor het aj. 1989 komen, overeenkomstig art. 25, § 2, W. 28.12.1990, behalve de bovenvermelde effecten eveneens voor belegging in aanmerking, alle effecten tot vestiging van leningen die vanaf 02.01.1991 door de Belgische Staat zijn uitgegeven.
9. Belangrijk is dat alleen effecten tot vestiging van leningen uitgegeven door de Belgische Staat in aanmerking komen, met uitsluiting dus van leningen die zouden zijn uitgegeven door de Gemeenschappen, de Gewesten of andere ondergeschikte besturen; leningen met staatswaarborg die niet door de Staat zijn uitgegeven komen evenmin in aanmerking.
D. Opmerking
10. Er wordt nogmaals benadrukt dat de hierboven besproken wijzigingen uitsluitend voor het aj. 1989 (inkomsten van het jaar 1988) van toepassing zijn.
Dit houdt inzonderheid in dat staatsfondsen voor een ander aj. niet als geldige belegging in aanmerking kunnen komen.
E. Taak van de taxatiediensten
11. De taxatiediensten moeten, wat de belastingplichtigen betreft die op 31.12.1990 de investeringsverbintenis die ze hebben aangegaan om de bijzondere heffing op roerende inkomsten met betrekking tot het aj. 1989 te vermijden, nog niet (of slechts gedeeltelijk) hebben nageleefd, de inkohiering van die heffing opschorten en mogen slechts tot inkohiering overgaan wanneer blijkt dat de belastingplichtige zijn verbintenis bij het verstrijken van de nieuwe termijn (d.i. op 30.06.1991) niet heeft nageleefd.
Circulaire nr. Ci.RH.332/429.045 dd. 03.05.1991
Bull. nr. 706, pag. 1341
AANSLAGTERMIJNEN
Bijzondere heffing op roerende inkomsten
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Vestiging van de aanslagen
Vrijstellingsvoorwaarden
Commentaar op art. 25, W. 28.12.1990, betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen.
Wijzigingen inzake bijzondere heffing op roerende inkomsten over het aj. 1989, met betrekking tot de beleggingstermijn en de effecten die voor belegging in aanmerking komen.
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Inhoudsopgave I. INLEIDING 1 II. WETTEKST 2 III. COMMENTAAR A. Algemeen 3-4 B. Beleggingstermijn 5-6 C. Effecten die voor belegging in aanmerking komen 7-9 D. Opmerking 10 E. Taak van de taxatiediensten 11 BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
I. INLEIDING
1. Deze circ. verstrekt commentaar op de afwijking van art. 42, § 3, 1°, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (*), die door art. 25, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V. 2073 - B. 702), i.v.m. de bijzondere heffing op roerende inkomsten over het aj. 1989 is ingevoerd.
(*) Art. 42, § 3, W. 28.12.1983. § 3. De bijzondere heffing is niet verschuldigd door de belastingplichtigen die de verbintenis aangaan en naleven :
| 1° | om vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de aan die heffing onderworpen inkomsten werden geïnd of verkregen, een som die minstens gelijk is aan de berekeningsgrondslag van die heffing, te gebruiken voor de afbetaling, ofwel van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld in de artikelen 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, uitgeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van hun kapitaal, ofwel van obligaties uitgegeven na 31 december 1983 door in gezegde artikelen bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die zich bezighouden met een industriële werkzaamheid; |
| 2° | om de aldus afbetaalde effecten in bezit te houden gedurende tenminste vijf jaar of, in geval van overdracht binnen de vijf jaar na de afbetaling, om de overdrachtsprijs binnen drie maanden na de overdracht weder te beleggen door effecten, die aan dezelfde omschrijving voldoen, af te betalen, tenzij de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht. |
Art. 25, W. 28.12.1990
2. § 1. De in artikel 42, § 3, 1° van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen vastgestelde termijn wordt verlengd met zes maanden voor de in § 1 van dat artikel bedoelde inkomsten die in 1988 werden geïnd.
§ 2. Onverminderd het bovenvermelde artikel 42, § 3, 1°, kunnen de in § 1 bedoelde inkomsten gebruikt worden voor de aankoop van door de Belgische Staat na 1 januari 1991 uitgegeven overheidsfondsen.
III. COMMENTAAR
A. Algemeen
3. Om vrijstelling te verkrijgen van de door art. 42, § 1, W. 28.12.1983 ingevoerde bijzondere heffing op roerende inkomsten (zie ter zake circ. 12.11.1990, Ci.RH.332/399.106 - B. 700), moet de belastingplichtige de verbintenis aangaan en naleven;
| a) | uiterlijk op het einde van het tweede jaar na dat waarin de aan de bijzondere heffing onderworpen inkomsten zijn geïnd of verkregen, een som die ten minste gelijk is aan de berekeningsgrondslag van die heffing te gebruiken voor de afbetaling van bepaalde effecten; |
| b) | de aldus afbetaalde effecten gedurende ten minste vijf jaar in zijn bezit te houden (die termijn vangt aan op de datum van de afbetaling) of, in geval van overdracht binnen die termijn, de overdrachtsprijs binnen drie maand na de overdracht te herbeleggen door effecten die aan dezelfde omschrijving voldoen af te betalen, tenzij de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht. |
(*) Kamer, zitting 1990-1991, Doc. 1366/4, blz. 12, Doc. 1366/6, blz. 52; Senaat, zitting 1990-1991, Doc. 1166/3 tot 8, blz. 6.
Daarom heeft de Wetgever besloten, alleen wat de bijzondere heffing over het aj. 1989 betreft, enerzijds de termijn die normaal op 31.12.1990 verstreek met zes maanden te verlengen en, anderzijds, de aankoop van na 01.01.1991 door de Belgische Staat uitgegeven overheidsfondsen als geldige belegging te aanvaarden.
B. Beleggingstermijn
5. In principe moet de belastingplichtige zijn verbintenis tot beleggen nakomen vóór het einde van het tweede jaar na dat waarin de inkomsten, die de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing vormen, zijn geïnd of verkregen.
Er wordt aan herinnerd dat de beleggingstermijn begint te lopen vanaf 1 januari van het jaar waarin de inkomsten zijn geïnd of verkregen.
6. Voor het aj. 1989 verstrijkt de nuttige beleggingstermijn, rekening houdende met art. 25, § 1, W. 28.12.1990, derhalve op 30.06.1991.
C. Effecten die voor belegging in aanmerking komen
7. Om de belegging te doen waartoe hij zich heeft verbonden, moet de belastingplichtige binnen de voorgeschreven termijn onderschrijven en afbetalen :
- ofwel aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die aan de Ven.B. onderworpen vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen (art. 98, 100 en 102, WIB) hebben uitgegeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van hun kapitaal ("nieuwe" aandelen of deelbewijzen);
- ofwel obligaties die na 31.12.1983, zijn uitgegeven door voormelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen, die zich bezig houden met een industriële werkzaamheid.
8. Voor het aj. 1989 komen, overeenkomstig art. 25, § 2, W. 28.12.1990, behalve de bovenvermelde effecten eveneens voor belegging in aanmerking, alle effecten tot vestiging van leningen die vanaf 02.01.1991 door de Belgische Staat zijn uitgegeven.
9. Belangrijk is dat alleen effecten tot vestiging van leningen uitgegeven door de Belgische Staat in aanmerking komen, met uitsluiting dus van leningen die zouden zijn uitgegeven door de Gemeenschappen, de Gewesten of andere ondergeschikte besturen; leningen met staatswaarborg die niet door de Staat zijn uitgegeven komen evenmin in aanmerking.
D. Opmerking
10. Er wordt nogmaals benadrukt dat de hierboven besproken wijzigingen uitsluitend voor het aj. 1989 (inkomsten van het jaar 1988) van toepassing zijn.
Dit houdt inzonderheid in dat staatsfondsen voor een ander aj. niet als geldige belegging in aanmerking kunnen komen.
E. Taak van de taxatiediensten
11. De taxatiediensten moeten, wat de belastingplichtigen betreft die op 31.12.1990 de investeringsverbintenis die ze hebben aangegaan om de bijzondere heffing op roerende inkomsten met betrekking tot het aj. 1989 te vermijden, nog niet (of slechts gedeeltelijk) hebben nageleefd, de inkohiering van die heffing opschorten en mogen slechts tot inkohiering overgaan wanneer blijkt dat de belastingplichtige zijn verbintenis bij het verstrijken van de nieuwe termijn (d.i. op 30.06.1991) niet heeft nageleefd.
Bron: FisconetPlus
