Circulaire 2018/C/9 over de douanewaarde

Transactiewaarde; methoden voor het vaststellen van de douanewaarde; identieke goederen; soortgelijke goederen; aftrekmethode; methode van de berekende waarde; methode van de redelijke middelen; methode “fall-back”; verrekenprijs; wisselkoers; plaats van binnenkomst.

FOD Financiën, 24.01.2018

Algemene administratie van de Douane en Accijnzen

De actuele versie van deze circulaire is gewijzigd op 19.12.2023.

De wijzigingen hebben betrekking op:

- Paragrafen 4, 5, 6, 173 en 189: Toevoeging van de nummers van de corresponderende gegevenselementen die in de toekomst zullen gebruikt worden in IDMS (Import Declaration Management System).

- Paragrafen 14 en 38: Bijwerking van de verwijzing naar Commentaar 13 in het Compendium.

- Paragraaf 15: Verwijzing naar besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije toegevoegd.

- Paragraaf 21: Referentie naar de betrokken wetgeving en naar IDMS toegevoegd.

- Paragraaf 37: Verduidelijking met betrekking tot het begrip ‘verkoop voor uitvoer naar de EU’ toegevoegd.

- Paragraaf 38 en 40: verduidelijking van het begrip ‘laatste verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie’ bij opeenvolgende verkopen.

- Paragraaf 42: Deze paragraaf werd geschrapt, aangezien hij niet meer van toepassing is.

- Paragraaf 44: Verduidelijking toegevoegd.

- Paragraaf 51: Een zin herschreven in duidelijkere bewoordingen.

- Paragraaf 52: Een zin herschreven in duidelijkere bewoordingen.

- Paragraaf 54: ‘importeur/koper’ vervangen door ‘aangever’.

- Paragraaf 68: verwijzing naar Annex 8 vervangen door verwijzing naar Annex 10.

- Paragraaf 86: Een zin geschrapt die niet meer relevant is.

- Paragraaf 92: Toevoeging van de adviezen 4.7. en 4.10. van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO.

- Nieuwe paragraaf 122 bis: uitleg over wat er zal gebeuren met de gegevens van de D.V.1 na de invoering van IDMS.

- Paragraaf 110: ‘Verre Oosten’ vervangen door ‘Oost-Azië’.

- Paragraaf 123: ‘nrs. 3 en 5 t/m 9’ vervangen door ‘nrs. 3 en 7 t/m 9’.

- Paragraaf 127: Aanpassing van de paragraaf over de globale aangifte, waarbij sinds 1 februari 2022 geen aparte D.V.1 moet worden ingediend.

- Paragraaf 130: Zin toegevoegd met betrekking tot de toepassing van de methode van de redelijke middelen.

- Paragraaf 136, 137, 144 en 145: conclusies uit het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak C-187/21met betrekking tot het gebruik van gegevens uit andere lidstaten en EU-instellingen toegevoegd.

- Paragraaf 148: Verduidelijking van het begrip ‘eerste handelsniveau na de invoer’.

- Paragraaf 161: Referentie naar de betrokken wetgeving toegevoegd.

- Paragraaf 163: Verwijzing naar de Circulaire 2017/C/78 betreffende invoerregeling groenten en fruit - D.T. 00.003.660 dd. 23 november 2017 (D.I.684.0) werd vervangen door een verwijzing naar de Circulaire 2020/C/23 betreffende de invoerregeling groenten en fruit.

- Paragraaf 174: De titel werd aangepast in overeenstemming met de correcte benaming van de vergunning. Een verwijzing naar de betrokken wetgeving werd toegevoegd. Een zin die niet meer van toepassing is, werd geschrapt.

- Paragraaf 180: Deze paragraaf werd geschrapt.

- Paragraaf 186: Referentie naar de betrokken wetgeving toegevoegd.

- Paragraaf 190: Toevoeging van een omschrijving van het begrip ‘verrekenprijs’.

- Paragraaf 194: Aanpassing van het gedeelte over het a posteriori aanpassen van verrekenprijzen.

Wijzigingen

Datum

Gewijzigde §§

Gewijzigde bijlagen

Vorige versies

S4

4, 5, 6, 13, 14, 15, 21, 37, 38, 40, 42, 44, 51, 52, 54, 68, 86, 92, 110, 123, 127, 130, 136, 137, 144, 145, 148, 161, 163, 173, 174, 180, 186, 189, 190, 194

vorige versie

S3

14/12/2020

34, 37 tot 41, 106, 117, 122, 165, 168, 189

7, 7bis, 8, 10 en 11

vorige versie

S2

05/02/2020

61, 173, 193

7 en 7 bis

vorige versie

S1

10/10/2018

61, 5de alinéa 172

-

vorige versie

INHOUDSTAFEL

I. Basisregels – Inleidende begrippen

I.1. Voorwoord

I.2. Begripsbepalingen

I.3. Waarden vermeld op de douaneaangifte

I.3.1. Overzicht

I.3.2. De douanewaarde

I.3.3. Maatstaf van heffing voor de BTW

I.3.4. Waarde voor de statistiek

I.3.5. Andere prijzen en waarden

I.4. Juridische context en geschiedenis van de douanewaarde

I.4.1. De GATT-overeenkomst 1979

I.4.2. Oprichting van de Wereldhandelsorganisatie 1995

I.4.3. De Werelddouaneorganisatie

I.4.4. Het Communautair douanewetboek 1994

I.4.5. Douanewetboek van de Unie

I.4.6. Douane-unie EU-Turkije

I.5. Rol van de douane

I.6. Verplichtingen van de aangever

I.7. Overzicht van de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde

II. TRANSACTIEWAARDE VAN DE INGEVOERDE GOEDEREN

II.1. Begrip transactiewaarde

II.2. Voorwaarden

II.2.1. Overzicht

II.2.2. Verkoop en handelsniveau

II.2.3. Verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie

II.2.4. Moment van de verkoop

II.2.4.1. Verkoop vóór het binnenbrengen in de Unie

II.2.4.2. Verkoop na invoer in de Unie

II.2.4.3. Opeenvolgende verkopen

II.2.4.4. Overgansmaatregelen met betrekking tot opeenvolgende verkopen

II.2.5. Beperkingen van gebruik

II.2.6. Te vervullen prestaties

II.2.7. Winstdeling

II.2.8. Verbonden koper en verkoper

II.2.8.a. Belang van de verbondenheid

II.2.8.b. Beïnvloeding door de verbondenheid

II.2.8.c. Testwaarden bij verbondenheid

II.2.9. Niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarden

II.3. Toe te voegen elementen

II.3.1. Prijsaanpassingen

II.3.2. Kosten en diensten

II.3.2.a. Overzicht.

II.3.2.b. Vervoer- en leveringskosten

II.3.2.b.1. Leveringsvoorwaarden

II.3.2.b.2. Gratis vervoer

II.3.2.b.3. Kosten in de Unie

II.3.2.b.4. Kosten van weging en analyse

II.3.2.b.5. Kosten van vervoer met containers

II.3.2.b.6. Overliggeld

II.3.2.b.7. Kosten van het luchtvervoer

II.3.2.b.8. Voorbeelden

II.3.2.c. Commissies en courtages

II.3.2.d. Verpakkosten

II.3.2.e. Toeleveringen door de koper

II.3.3. Royalties en licentierechten

II.3.3.a. Algemeenheden

II.3.3.b. Voorwaarden om de royalty’s en licentierechten toe te voegen aan de betaalde of te betalen prijs

II.3.3.b.1. Betrekking hebben op de ingevoerde goederen

II.3.3.b.2. Voorwaarde zijn van de verkoop

II.3.3.c. Berekeningswijze

II.3.3.d. Onderdelen

II.3.3.e. Voorbeelden

II.3.4. Winstdeling

II.4. Niet belaste elementen

II.4.1. Overzicht

II.4.2. Vrachtkosten en aanverwante kosten binnen de Unie of binnen de douane-unie EU-Turkije

II.4.3. Installatiekosten

II.4.4. Financieringsinteresten

II.4.5. Recht tot reproductie

II.4.6. Aankoopcommissies

II.4.7. Belastingen

II.4.8. Handelsactiviteiten van de koper

II.4.9. Betaling van "fees"

II.4.10. Overdracht van dividenden

II.4.11. Recht tot distributie of wederverkoop

II.4.12. Quotakosten

II.4.13. Kortingen en prijsverminderingen

II.4.14. Gefractioneerde betaling

II.4.15. Beschadigde of niet met het koopcontract overeenstemmende goederen

II.4.16. Kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen

II.5. Factuur

II.5.1. Begeleidingsdocument

II.5.2. Voorlopige factuur

II.5.3. Pro-formafactuur

II.6. Aangifte van gegevens inzake de douanewaarde (D.V.1)

II.6.1. Vrijstelling van het voorleggen van een aangifte D.V.1

II.6.2. Hoe houdt PLDA rekening met de gevallen waarbij geen D.V.1 vereist is?

II.6.3. Vereiste gegevens

II.6.4. Globale aangiften

II.6.5. Entrepot

II.6.6. Manuele aangifte D.V.1 op papier

III. BIJKOMENDE METHODEN VOOR HET BEPALEN VAN DE DOUANEWAARDE

III.1. Overzicht

III.2. Transactiewaarde van identieke goederen

III.2.1. Gebruiksvoorwaarden

III.2.2 Identieke goederen

III.2.3. Aanpassing

III.2.4. Laagste waarde

III.2.5. Zelfde producent

III.2.6. Referentiegoederen

III.2.7. Procedure

III.2.8. Merkartikelen

III.3. Transactiewaarde van soortgelijke goederen

III.3.1. Gebruiksvoorwaarden

III.3.2. Soortgelijke goederen

III.3.3. Aanpassing

III.3.4. Laagste waarde

III.3.5. Zelfde producent

III.3.6. Referentiegoederen

III.3.7. Procedure

III.3.8. Merkartikelen

III.4. Aftrekmethode

III.4.1. Gebruiksvoorwaarden

III.4.2. Uitgesloten verkopen

III.4.3. Vroegste datum

III.4.4. Eenheidsprijs

III.4.5. Rangorde van prijs

III.4.6. Aftrekelementen

III.4.7. Bewerking of verwerking na invoer

III.5. Methode van de berekende waarde

III.5.1. Gebruiksvoorwaarden

III.5.2. Omkeerbare rangorde

III.5.3. Informatiebronnen

III.5.4. De bijrekenelementen

III.5.5. Vertrouwelijkheid van de gegevens

III.6. Methode van de redelijke middelen of “Fall back”-methode

IV. BIJZONDERE WAARDERINGEN

IV.1. Vereenvoudigde procedure - in consignatie ingevoerde aan bederf onderhevige goederen

IV.1.1. Eenheidsprijs

IV.1.2. Praktische toepassing van de vereenvoudigde procedure

IV.1.3. Keuzerecht tot gebruikmaking van de procedure

IV.1.4. Vermelding in S3 Tarbel

IV.1.5. Snijbloemen

IV.2. Wisselkoers

IV.2.1. Omrekening

IV.2.2. Vaststelling van de maandelijkse wisselkoers

IV.2.3. Toepassing van de wisselkoers

IV.2.4. Tijdstip van omrekening

IV.3. Vereenvoudigingen

IV.3.1. Vereenvoudigde en aanvullende en aangifte

IV.3.2. S4 Vergunning voor de vereenvoudiging van de bepaling van bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van goederen (CVA)

IV.4. Plaats van binnenkomst

IV.5. Geschenken en bagage

IV.6. Maakloon

IV.7. Bijzondere regelingen

IV.7.1. Douanevervoer

IV.7.2. Douane-entrepot

IV.7.3. Tijdelijke invoer

IV.7.4. Bijzondere bestemming

IV.7.5. Actieve veredeling

IV.7.6. Passieve veredeling

IV.8. Bijzondere trafieken

IV.8.1. Luchtvervoer

IV.8.1.a. Artikelen voor de exploitatie van luchtvaartondernemingen

IV.8.1.b. Spoedzendingen door de lucht

IV.8.2. Postzendingen

S3 IV.9. Beschikkingen betreffende de douanewaarde

V. Verrekenprijzen

V.1. Wat is een verrekenprijs?

V.2. De OESO-richtlijnen

V.3. Aanvaarding van de verrekenprijs als douanewaarde

V.4. Aanpassingen a posteriori van de verrekenprijzen

VI. SLOTBEPALINGEN

VII. BIJLAGEN

Bijlage 1: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

Bijlage 2: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

Bijlage 3: Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

Bijlage 4: Gedelegeerde verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446

Bijlage 5: Aangifte van gegevens inzake de douanewaarde D.V.1

Bijlage 6: Termen en afkortingen gebruikt in de internationale handel

Bijlage 7: Incoterms 2010

Bijlage 7bis: Incoterms 2020

Bijlage 8: Lijst van in artikel 142, lid 6, bedoelde goederen

Bijlage 9: Lijst van de ISO-muntcodes ISO 4217

Bijlage 10: In de douanewaarde op te nemen luchtvrachtkosten

S3 Bijlage 11: Praktische voorbeelden van de toepassing van artikel 136 IA (Royalty’s en licentierechten: punt 85 tot 92 van deze circulaire)

I. Basisregels – Inleidende begrippen

I.1. Voorwoord

1. De douanewaarde van de ingevoerde goederen is een van de drie belastingelementen die de basis uitmaken voor de vaststelling van de douaneschuld, de andere twee zijn de oorsprong van de goederen en het douanetarief.

Het belang van de douanewaarde komt uit het quasi algemene beginsel van de belastingheffing “ad valorem”; concreet betekent dit een percentage van de waarde van de goederen die werd aangegeven bij de invoer. Vandaar is het belangrijk om over regels te beschikken om de waarde van de goederen te kunnen vaststellen, die als basis zal gelden voor het berekenen van de belastingheffing.

De douanewaardebepaling heeft tot doel een juiste heffing van het recht bij invoer te bekomen (fiscaal aspect) maar ook de loyale importeur te beschermen tegen oneerlijke concurrentie (sociaal-economisch aspect).

Een rechtvaardig, eenvormig en neutraal systeem voor de bepaling van de douanewaarde van de goederen is nodig, die het gebruik van willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden uitsluit.

De douanewaarde dient te worden vastgesteld volgens eenvoudige en rechtvaardige maatstaven, die in overeenstemming zijn met de handelspraktijk.

Zowel het bedrijfsleven als de douane hebben er belang bij dat er zekerheid bestaat inzake de aan te geven waarde.

Het ligt voor de hand dat de importeurs het op prijs stellen om op voorhand en precies te weten hoeveel invoerrechten zij zullen moeten betalen, zulks met het oog op de berekening van de kostprijs en van de verkoopprijs van de ingevoerde goederen.

Deze doelstellingen worden gerealiseerd door middel van een instrument, met name een systeem voor het bepalen van de douanewaarde; het gaat om zes verschillende methoden die volgens een dwingende rangorde dienen te worden toegepast.

I.2. Begripsbepalingen

2. Voor de toepassing van deze circulaire gelden volgende definities.

Douanewaarde: de waarde van de goederen voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief.

Land van invoer: land of douanegebied van invoer.

Voortgebrachte goederen: de goederen geteeld, vervaardigd of gedolven.

Douanewetboek van de Unie (afgekort DWU ): Verordening (EU) Nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.

De gedelegeerde Verordening van het UCC (afgekort DA (Delegated Act)): Gedelegeerde Verordening (EU) 2446/2015 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie.

De uitvoeringsverordening van het UCC (afgekort IA (Implementing Act)): Uitvoeringsverordening (EU). 2447/2015 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie.

De gedelegeerde overgangsverordening (afgekort TDA (Transitional Delegated Act)): Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446.

Zekerheid: de zekerheid die moet gesteld worden ter vrijwaring van de bij invoer niet geheven rechten.

Tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde:

- voor de goederen rechtstreeks in het vrije verkeer gebracht, de datum van aanvaarding van de aangifte door de douane waarbij de aangever blijk geeft van zijn wil om die goederen in het vrije verkeer te brengen;

- voor goederen die in het vrije verkeer zijn gebracht na plaatsing onder een andere douaneregeling, de datum eventueel vastgesteld overeenkomstig de bepalingen betreffende die andere regeling.

I.3. Waarden vermeld op de douaneaangifte

I.3.1. Overzicht

3. Op de douaneaangifte dienen bij de invoer van goederen, de volgende waarden te worden vermeld:

- de douanewaarde

- de maatstaf van heffing van de BTW

- de statistische waarde.

Andere waarden bij invoer worden eventueel voorzien in specifieke reglementeringen.

I.3.2. De douanewaarde

4. De douanewaarde is de waarde te bepalen voor de toepassing van de tarieven inzake rechten bij invoer en de BTW en vormt de belastbare basis voor de toepassing van de ad valorem rechten. Op het formulier "enig document" wordt de douanewaarde vermeld in het vak betreffende de berekening van de belasting (vak 47) in de kolom “Maatstaf van Heffing” naast de code “A00” in de kolom ‘Type’. Het betrokken bedrag dient steeds in cijfers te worden uitgedrukt en in euro te worden weergegeven.

S4 Voor de douanewaarde wordt het gegevenselement 14 03 040 000 voorzien in Bijlage B van het DWU-DA, die van toepassing zal zijn vanaf de invoering van IDMS.

I.3.3. Maatstaf van heffing voor de BTW

5. Inzake BTW omvat de belastbare basis voor de ingevoerde goederen de volgens de communautaire regels vastgestelde douanewaarde, zelfs indien de goederen niet onderworpen zijn aan invoerrechten om welke reden dan ook.

Naast de douanewaarde zijn te begrijpen in de maatstaf van heffing voor de BTW, voor zover zij er niet reeds inbegrepen zijn:

- de in het buitenland verschuldigde rechten, belastingen, taksen en heffingen, alsmede die welke wegens de invoer in België verschuldigd zijn, met uitzondering van de te heffen BTW;

- de bijkomende kosten zoals de kosten van commissie, douaneformaliteiten, verpakking, vervoer en verzekering, tot op de plaats van bestemming van de goederen in het binnenland (zie Instructie BTW, cijfers 85 en 86).

Dienen niet in de maatstaf van heffing voor de BTW te worden opgenomen (zie Instructie BTW cijfer 87):

- de sommen die als disconto van de prijs mogen worden afgetrokken;

- de prijsverminderingen die aan de koper of de afnemer worden toegekend en zijn verkregen op het tijdstip waarop de belasting opeisbaar wordt;

- de interesten wegens te late betaling.

Op het formulier "enig document" wordt de maatstaf van heffing voor de BTW vermeld in het vak betreffende de berekening van de belasting (vak 47) in de kolom “Maatstaf van Heffing” naast de code “B00” in de kolom ‘Type’. Het betrokken bedrag dient steeds in cijfers te worden uitgedrukt en in euro te worden weergegeven.

S4 Voor maatstaf van heffing voor de BTW is het gegevenselement 14 03 040 000 voorzien in Bijlage B van het DWU-DA, die van toepassing zal zijn vanaf de invoering van IDMS.

I.3.4. Waarde voor de statistiek

6. Zoals het begrip aangeeft, wordt de statistische waarde gebruikt voor de statistieken van de buitenlandse handel van België. Als waarde voor de statistiek geldt bij invoer evenals bij uitvoer de waarde van de goederen aan de grens van de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, wat betekent dat de vervoer- en verzekeringskosten tot aan deze grens in de statistiekwaarde dienen begrepen te worden. De statistische waarde kan aldus verschillen van de douanewaarde, waarin de leveringskosten slechts tot aan de grens van het douanegebied van de Unie zijn begrepen. Op de formulieren "enig document" is een afzonderlijk vak voorzien voor het invullen van de statistische waarde (vak 46). Evenals de douanewaarde wordt de statistische waarde steeds in cijfers en in euro uitgedrukt.

S4 Voor de statistische waarde is het gegevenselement 99 06 000 000 voorzien in Bijlage B van het DWU-DA, die van toepassing zal zijn vanaf de invoering van IDMS.

I.3.5. Andere prijzen en waarden

7. Tenslotte dienen naast de waarden genoemd in § 3 soms nog andere waarden te worden vastgesteld of toegepast.

De EU-reglementeringen voorzien onder meer invoerprijzen, representatieve prijzen, reactieprijzen, prijzen bij invoer, standaardinvoerwaarden voor bepaalde landbouwproducten; of minimum invoerprijzen en normale waarden bij antidumping- of antisubidiemaatregelen.

De aandacht wordt er op gevestigd dat er S4 niet altijd een verband bestaat tussen de hiervoor bedoelde prijzen/waarden en de douanewaarde.

Bijgevolg kan de werkelijk betaalde of te betalen prijs, vastgesteld volgens de in onderhavige circulaire vermelde bepalingen, op douanewaardevlak niet worden verworpen als hij beneden de voor dat goed bv. bepaalde representatieve prijs of vastgelegde minimumprijs ligt. Evenmin kan worden aanvaard dat aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs een fictief bedrag wordt toegevoegd ter compensatie van het verschil tussen die prijs en de betrokken representatieve of minimumprijs.

I.4. Juridische context en geschiedenis van de douanewaarde

I.4.1. De GATT-overeenkomst 1979

8. In het kader van de in 1973 gestarte multilaterale handelsbesprekingen van de GATT (Tokioronde) werd een nieuw akkoord inzake douanewaarde afgesloten. Voluit heet dit de "Overeenkomst inzake de toepassing van Artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel" die in Genève op 12 april 1979 is ondertekend.

Deze benadering van de waarde heeft tot doel een meer uniforme toepassing te verzekeren van de algemene principes die in Artikel VII van de GATT-Overeenkomst vervat liggen.

Het objectief hierbij is de verschillende op internationaal vlak bestaande douanewaardesystemen te harmoniseren en de mogelijkheden van arbitraire, willekeurige of fictieve waardevaststellingen vanwege de administratie zoveel mogelijk uit te sluiten.

Daartoe wil deze Overeenkomst een evaluatiestelsel voor de douanewaarde tot stand brengen dat:

- billijk is, doordat het gebaseerd is op de geldende handelspraktijk;

- uniform is, doordat het gesteund is op 6 verschillende waardebepalingsmethoden die elk aan eenvoudige criteria beantwoorden;

- neutraal is doordat het toelaat te vermijden dat de douanewaarde van de goederen uit protectionistische overwegingen kunstmatig wordt verhoogd.

Aldus gaat de Overeenkomst uit van een positief begrip, namelijk de prijs waartegen de goederen daadwerkelijk worden verkocht, de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Daarbij kan men steunen op zes verschillende methoden, één primaire en vijf substitutiemethoden die achtereenvolgens moeten worden toegepast. Drie methoden zijn gesteund op de transactiewaarde zijnde onder bepaalde voorwaarden en omstandigheden de werkelijk betaalde of te betalen prijs. De eerste, de primaire, is gesteund op de transactiewaarde van de ingevoerde goederen zelf; de twee overige zijn gebaseerd op de transactiewaarde van hetzij identieke goederen, hetzij soortgelijke goederen.

De twee volgende methoden zijn gesteund op boekhoudkundige gegevens waarbij hetzij van de doorverkoopprijs kostenelementen gemaakt na invoer worden afgetrokken (aftrek- methode), hetzij waar bij de fabricagekostprijs belastbare elementen worden bijgerekend (berekende waarde).

Kan geen van deze vijf methoden gebruikt worden dan dient de douanewaarde als laatste toevlucht te worden bepaald aan de hand van "redelijke middelen" die verenigbaar moeten zijn met de Overeenkomst.

Wat de export betreft heeft de Overeenkomst de afschaffing van de protectionistische maatregelen zoals b.v. de American Selling Price (ASP) tot gevolg. De douanediensten van derde landen worden in aanzienlijke mate beperkt in het toepassen van willekeurige opwaarderingen van de factuurprijs. Dit brengt voor de exporteur minder moeilijkheden mede gezien er een grotere zekerheid is voor zijn prijspolitiek.

I.4.2. Oprichting van de Wereldhandelsorganisatie 1995

9. De laatste onderhandelingsronde die in het kader van de GATT werd georganiseerd, de zgn. Uruguayronde (1986 tot 1994), werd afgesloten in april 1994. Op grond van de afspraken die tijdens de Uruguayronde werden gemaakt, werd op 1.1.1995 de Wereldhandelsorganisatie (WHO) opgericht, die de GATT opvolgt met verruimde bevoegdheden.

De WHO vervult de volgende opdrachten:

- beheer van de in het kader van de WHO afgesloten handelsovereenkomsten

- forum voor handelsnegociaties

- behandelen van handelsgeschillen

- monitoren van nationale handelspolitieken

- technische bijstand en training voor ontwikkelingslanden

- samenwerking met andere internationale organisaties.

De internationale akte waarmee de WHO werd ingesteld omvat in bijlage alle in het kader van de GATT afgesloten overeenkomsten, waaronder de wetgeving inzake douanewaarde, ingesteld op basis van artikel VII van de GATT-Overeenkomst van 1979.

I.4.3. De Werelddouaneorganisatie

10. Gecreëerd in 1952 onder de naam "Internationale Douaneraad" (IDR), is de Werelddouaneorganisatie (WDO) een onafhankelijke intergouvernementele organisatie, waarvan de missie is het verbeteren van de efficiëntie van de douaneadministraties.

De WDO is de enige intergouvernementele organisatie die op internationaal niveau exclusief in douanezaken is gespecialiseerd.

Het WHO-akkoord over waardebepaling vertrouwt aan de WDO het beheer toe van de technische aspecten van het akkoord, door middel van het technisch comité bevoegd voor de douanewaarde.

De WDO behandelt, onder meer, de technische problemen die voortvloeien uit het dagelijks beheer van de systemen inzake douanewaarde en verstrekt, op verzoek van haar leden inlichtingen en adviezen aangaande vraagstukken die betrekking hebben op de douanewaarde.

I.4.4. Het Communautair douanewetboek 1994

11. De EG heeft de GATT-Overeenkomst 1979 aanvaard. Om de GATT-Overeenkomst rechtstreekse wettelijke kracht te geven in de EU-lidstaten, moest deze in Europese wetgeving worden omgezet. Daartoe werden de bepalingen opgenomen in de Verordening (EEG) nr. 1224/80 van de Raad van 28 mei 1980.

Op 1 januari 1994 werd de voornoemde Verordening opgeheven en haar inhoud werd ingelast in het communautair douanewetboek (Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992) alsook in de toepassingsbepalingen ervan (Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993).

I.4.5. Douanewetboek van de Unie

12. Op 1 mei 2016 is het douanewetboek van de Unie in werking getreden, waarin op zijn beurt de bepalingen inzake het evaluatiestelsel voor de douanewaarde werden opgenomen.

Principieel bleven de bepalingen betreffende de douanewaarde die waren opgenomen in het communautair douanewetboek nagenoeg hetzelfde, de paar wijzigingen worden toegelicht in de desbetreffende paragrafen.

De reglementering inzake douanewaarde is gesteund op de volgende wettelijke bepalingen:

- Douanewetboek van de Unie (DWU): Art 53, en 69-76 (zie uittreksels in bijlage 1);

- Uitvoeringsverordening (IA): Art 127-146 en 347 (zie uittreksels in bijlage 2);

- Gedelegeerde Verordening (DA): Art 71 (zie uittreksel in bijlage 3);

- Gedelegeerde Verordening met overgangsregels (TDA): Art. 6 (zie uittreksel in bijlage 4);

- Algemene wet inzake douane en accijnzen van 18 juli 1977: o.a. art. 139, 144, 201- 203, 205, 211-219, en 259.

13. Verder wordt verwezen naar de Verzameling van teksten inzake douanewaarde (Compendium of Customs Valuation) van het Comité Douanewetboek – Afdeling douanewaarde, wat bedoeld is voor de douaneadministraties van de lidstaten alsook voor iedereen die het interesseert. Deze verzameling bevat:

- S4 interpretatieve aantekeningen over douanewaarde, 

- conclusies voor praktijkgevallen die werden genomen door het Comité,

- commentaren met de visie van het Comité Douanewetboek hoe specifieke bepalingen moeten worden aangewend

- uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake douanewaarde alsook,

- een lijst van de door het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO aangenomen instrumenten.

De Verzameling van teksten inzake douanewaarde kan worden geraadpleegd op de volgende website:

https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/calculation-customs-duties/customs-valuation_en

14. S4 Hetdocument met richtlijnen met betrekking tot de toepassing van artikel 128 en 136 van de uitvoeringsverordening werd in het Compendium opgenomen als Commentaar 13.

I.4.6. Douane-unie EU-Turkije

15. Op 6 maart 1995 hebben de Europese Economische Gemeenschap en Turkije een overeenkomst gesloten waardoor, vanaf 31 december 1995, een douane-unie EG-Turkije wordt ingesteld.

De hiernavolgende besluiten liggen aan de basis van de douane-unie:

- besluit van de Raad van 23 december 1963 houdende sluiting van de Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (PB van de Europese Unie nr. 217 van 29 december 1964);

- besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije van 22 december 1995 inzake de tenuitvoerlegging van de slotfase van de douane-unie (PB van de EG nr. L 35 van 13 februari 1996);

- besluit nr. 1/96 van het Comité Douanesamenwerking EG-Turkije van 20 mei 1996 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (PB van de EG nr. L 200 van 9 augustus 1996);

- S4 besluit nr. 1/2006 van het Comité douanesamenwerking EG-Turkije van 26 september 2006 tot vaststelling van toepassingsbepalingen van Besluit nr. 1/95 van de Associatieraad EG-Turkije (PB van de EG nr. L 265 van 26 september 2006).

Op vlak van douanewaarde heeft dit een aantal praktische gevolgen. Met name in artikel 19 van Besluit nr. 1/96 is bepaald dat de kosten van vervoer en verzekering, laden, overladen en lossen verbonden met het vervoer van goederen uit derde landen nadat deze goederen het douanegebied van de douane-unie EU-Turkije zijn binnengekomen, buiten beschouwing worden gelaten bij het vaststellen van de douanewaarde, mits deze kosten afzonderlijk van de daadwerkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs zijn aangegeven.

Rekening houdend dat bij de douane-unie geen landbouwproducten noch producten van kolen of van staal werden opgenomen betekent dit dat de bovengenoemde gevolgen inzake douanewaarde niet gelden voor deze producten.

I.5. Rol van de douane

16. Voor de uniforme toepassing van de rechten bij invoer is het noodzakelijk dat de douanewaarde in de lidstaten op eenvormige wijze wordt bepaald. Het is inderdaad noodzakelijk elke verlegging van het handelsverkeer en van de activiteiten, alsmede iedere verstoring in de concurrentievoorwaarden, welke kunnen voortvloeien uit verschillen tussen de nationale praktijken, te voorkomen. Dit is één van de taken van de douane.

De douane staat niet alleen in voor een correcte inning van het in het tarief ingeschreven invoerrecht - waarbij de factor waarde een belangrijk element is -, maar ze moet tevens nagaan dat alle importeurs inzake invoerrechten gelijk worden behandeld.

17. De douane verricht tevens een reeks bijkomende opdrachten voor andere administraties, zowel federale, regionale, nationale en supranationale.

Aldus speelt de douane een belangrijke rol inzake de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (BTW), zowel bij uitvoer (wegens de vrijstelling), als bij invoer. Verder ziet zij toe op de toepassing van de maatregelen inzake statistiek, vergunningen bij in-, uit- en doorvoer inzake sanitaire, economische en andere voorschriften, mede in verband met de EU-reglementering.

Bij het uitoefenen van deze uitgebreide waaier van activiteiten wordt de douane meer dan eens geconfronteerd met een waarde-aspect. Dit is bv. het geval voor de toepassing van de antidumpingrechten.

De bepaling van de douanewaarde speelt een belangrijke rol bij de internationale uitwisseling van goederen. De definitie van de douanewaarde kan zodanig zijn gekozen dat deze een protectionistische inslag heeft en kan zodoende een ernstige restrictieve weerslag hebben op de internationale handel.

I.6. Verplichtingen van de aangever

18. De ambtenaren der douane en accijnzen, die in het bezit zijn van hun aanstelling, hebben altijd het recht alle goederen bij invoer, uitvoer of doorvoer te verifiëren.

De goederen aangegeven voor een douaneregeling dienen het voorwerp uit te maken van een douaneaangifte en de aangever dient de goederen bij de verificatie aan de douane-ambtenaren aan te bieden.

De weigering goederen of documenten te laten verifiëren is een verhindering van werkzaamheden. Er is fraude ten nadele van de rechten van de Schatkist wanneer de voorschriften van de wet bestemd om het recht tot verificatie van de ambtenaren te verzekeren, vrijwillig worden overtreden.

19. Bij invoer dient de waarde van de goederen steeds in de aangifte te worden vermeld en dit voor elke soort goederen waarop die aangifte eventueel slaat. Onafhankelijk van deze waarde dient de statistische waarde te worden vermeld.

Daarentegen is de aangifte inzake waarde niet verplicht voor goederen die in het vrije verkeer worden gebracht als het voorleggen van deze waardegegevens niet noodzakelijk is voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief of als de douanerechten niet dienen te worden geïnd bij toepassing van de wettelijke bepalingen. Voor de bepaling van de douanewaarde, dienen alle personen of ondernemingen, die direct of indirect bij de desbetreffende invoer zijn betrokken binnen de vastgestelde termijnen alle noodzakelijke documenten en inlichtingen te verstrekken aan de Administratie.

20. Artikel 173 van het DWU bepaalt dat aan de aangever, op zijn verzoek, wordt toegestaan een of meer van de vermeldingen in de aangifte te wijzigen nadat deze door de douaneautoriteiten is aanvaard. De wijziging mag niet tot gevolg hebben dat de aangifte betrekking heeft op andere goederen dan die waarop zij oorspronkelijk betrekking had.

Er wordt evenwel geen wijziging meer toegestaan wanneer het verzoek daartoe wordt gedaan nadat de douaneautoriteiten:

a) hetzij de aangever in kennis hebben gesteld van hun voornemen de goederen aan een onderzoek te onderwerpen;

b) hetzij hebben geconstateerd dat de betrokken vermeldingen onjuist zijn;

c) hetzij de goederen hebben vrijgegeven.

21. Op verzoek van een ambtenaar der douane en accijnzen met ten minste de graad van S4 financieel deskundige, moeten de aangever, de importeur en de geadresseerde van die goederen alle documenten en correspondentie overleggen en mondeling of schriftelijk inlichtingen verstrekken, betreffende de in het vrije verkeer gebrachte of ten verbruik aangegeven goederen, zo zulks noodzakelijk wordt geacht voor de controle van de op de douaneaangifte vermelde gegevens. S4 (Artikel 201, lid 2 van de Algemene wet inzake douane en accijnzen.)

Ambtshalve dienen te worden voorgelegd: de factuur of afschrift ervan, de aangifte D.V.1 houdende de waardegegevens en verder alle nodig geachte documenten, correspondentie en schriftelijke inlichtingen betreffende de in het vrije verkeer gebrachte of ten verbruik aangegeven goederen. S4 Het voorleggen van de aangifte D.V.1 zal vanaf de invoering van IDMS niet meer nodig zijn (zie punt 122 bis van deze circulaire).

22. De aangifte van gegevens inzake de douanewaarde dient te worden gedaan door een persoon ("de aangever") die zijn verblijfplaats of handelsvestiging heeft in het douanegebied van de Unie en die alle desbetreffende feitelijke gegevens kent.

I.7. Overzicht van de methoden voor de vaststelling van de douanewaarde

23. In de GATT-Overeenkomst werden zes verschillende methoden voor het bepalen van de douanewaarde vastgelegd. Dit zijn de volgende methoden:

  1. de transactiewaarde van de ingevoerde goederen;
  2. de transactiewaarde van identieke goederen;
  3. de transactiewaarde van soortgelijke goederen;
  4. de aftrekmethode;
  5. de berekende waarde;
  6. de waarde bepaald op basis van de redelijke middelen (methode fall-back).

Deze methoden worden hoofdzakelijk overeenkomstig de artikelen 70 en 74 van het DWU vastgesteld. Ter aanvulling worden in de Uitvoeringsverordening IA uitvoeringsvoorschriften bepaald voor het toepassen van het douanewetboek van de Unie en worden deze bepalingen ontwikkeld in de artikelen 127-134 en 139-144.

24. De transactiewaarde van de ingevoerde goederen is de belangrijkste methode voor de vaststelling van de douanewaarde aangezien in de meeste gevallen een verkoopcontract vóór uitvoer naar het douanegebied van de Unie werd afgesloten. Deze waarde dient waar nodig te worden aangepast met bepaalde elementen die in artikelen 71 en 72 DWU opgenomen worden, en in artikelen 135-138 van de Uitvoeringsverordening nader omschreven worden.

25. Per methode zijn welbepaalde voorwaarden, omstandigheden en regels voorzien. Als voorbeeld kan worden aangehaald dat het bij de eerste methode moet gaan om een werkelijk voor de ingevoerde goederen te betalen prijs bij een verkoop tussen al dan niet verbonden partijen, overeengekomen bij een verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de EU. Elke vaststelling door de douane van prijsbeïnvloeding wegens verbondenheid vervalt door het bewijs van de importeur - volgens elke methode en ongeacht de rangorde - dat zijn prijs één van de waarden bepaald volgens die methodes benadert. De transactiewaarde zal ook bij verbondenheid moeten aanvaard worden als deze niet door de verbondenheid is beïnvloed.

Het betreft een positief begrip op grond waarvan de factuurprijs steeds dient aangenomen te worden, zo deze de werkelijk betaalde of te betalen prijs uitmaakt. In deze zin is de aangifte volgens de factuurprijs niet meer facultatief voor de aangever maar verplichtend.

De grondslag voor de bepaling van de douanewaarde van de goederen dient in de mate van het mogelijke de transactiewaarde van de goederen te zijn waarvan de waarde wordt bepaald.

26. Zo dient in de eerste plaats bij de waardebepaling altijd te worden uitgegaan van de eerste methode. Wanneer deze niet kan worden toegepast of geen voldoening geeft, dienen de andere methoden volgens een dwingende volgorde – enkel bij de vierde en vijfde methode kan op verzoek van de importeur/koper de rangorde worden omgekeerd - te worden toegepast tot aan de eerste van deze methoden volgens dewelke de douanewaarde wel kan worden vastgesteld.

De richtlijn hiervoor is dat in de overgrote meerderheid van de gevallen de waarde van de aangegeven goederen kan worden bepaald volgens de eerste methode nl. deze van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. Men mag aannemen dat men er toe komt dat in meer dan 90 % van de waarderingen deze methode toepasselijk is.

II. TRANSACTIEWAARDE VAN DE INGEVOERDE GOEDEREN

II.1. Begrip transactiewaarde

DWU art. 70

IA, art. 129 en 131 § 1

27. De douanewaarde van de ingevoerde goederen is, overeenkomstig deze methode, de transactiewaarde, dat wil zeggen de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs wanneer zij worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, na aanpassing, voor zover aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper met uitzondering van beperkingen die ofwel worden opgelegd of voorgeschreven door de wet of de autoriteiten in de Unie ofwel het geografisch gebied beperken waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht ofwel de waarde van de goederen niet aanzienlijk beïnvloeden;

b) de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld met betrekking tot de goederen waarvan de douanewaarde wordt bepaald;

c) geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht of later gebruik van de goederen door de koper, zal de verkoper direct of indirect ten goede komen, tenzij een toepasselijke aanpassing kan worden aangebracht;

d) de koper en de verkoper zijn niet verbonden of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor wordt beïnvloed.

28. Betekenis van “prijs”

De term “betaald of te betalen prijs” betekent dat de douanewaarde de volledige prijs is, ongeacht of die reeds betaald is of niet op het moment van de aanvaarding van de douaneaangifte. De basis voor de transactiewaarde is de prijs die de partijen contractueel zijn overeengekomen. Dit contract dient niet noodzakelijk schriftelijk te zijn opgesteld, mondeling is ook mogelijk.

De transactiewaarde is niet als de “factuurprijs” opgegeven. De reden om de term “de werkelijk betaalde of te betalen prijs” te gebruiken in plaats van de factuurprijs is omdat in veel gevallen de factuurprijs niet de volledige betaalde prijs voor de goederen is.

De gefactureerde prijs (bijvoorbeeld de verrekenprijs die wordt gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde, bij een verkoop tussen bedrijven die behoren tot dezelfde multinational) kan inderdaad door debet- of creditnota’s later worden gecorrigeerd, geeft dus niet altijd de werkelijk betaalde prijs weer.

29. De prijs kan worden uitgedrukt in:

- geld (munten),

- betaling in natura (bijvoorbeeld goederen, diensten, rechten),

- gedeeltelijke betaling in geld en gedeeltelijk in natura,

voor zover dat er een prijs is overeengekomen voor de goederen, diensten of rechten of een methode is aanvaard voor het bepalen van de prijs.

De werkelijk betaalde of te betalen prijs omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen door de koper aan een van de volgende personen zijn of moeten worden verricht:

a) de verkoper;

b) een derde partij ten behoeve van de verkoper;

c) een derde partij die verbonden is met de verkoper;

d) een derde partij wanneer de betaling aan die partij gedaan is om te voldoen aan de verplichting van de verkoper.

De betaling dient niet noodzakelijk met geld te gebeuren. Betalingen kunnen eveneens door middel van kredietbrieven of verhandelbaar papier worden verricht of door betaling in natura.

30. De betaling kan zowel direct als indirect geschieden.

Een voorbeeld van een indirecte betaling zou een - gedeeltelijke of volledige - vereffening door de koper van een schuld van de verkoper kunnen zijn.

Bovendien kunnen betalingen door een klant van de koper rechtstreeks aan de verkoper van de goederen worden beschouwd als indirecte betalingen door de koper.

Er dient tevens een onderscheid te worden gemaakt tussen betalingen die de koper verplicht moet doen en facultatieve betalingen.

Voorbeeld: firma A gevestigd in EU koopt elektrische toestellen van firma B uit een derde land. Volgens de bepalingen van het contract kan A vrij kiezen om zelf de garantie te verlenen of hiervoor een contract af te sluiten met een derde. Toch kiest A om gebruik te maken van de garantie verleend door B mits bijkomende kosten.

Daar A niet verplicht was om de garantie van B te kopen kan deze bijkomende betaling niet worden beschouwd als een voorwaarde voor de verkoop van de goederen. Daarentegen indien die garantie door B aan A werd opgelegd zou deze betaling aanzien worden als een voorwaarde voor de verkoop van de goederen en zou ze deel uitmaken van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

31. Activiteiten door de koper verricht

Volgens artikel 129 lid 2 IA worden activiteiten die de koper of een met hem verbonden onderneming voor eigen rekening verricht, waaronder die activiteiten die verband houden met het verhandelen van goederen maar met uitzondering van de activiteiten waarvoor in artikel 71 van het wetboek in een aanpassing is voorzien, niet als een indirecte betaling aan de verkoper beschouwd.

Dit betekent dat de kosten van deze activiteiten bij de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen, niet bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs dienen te worden geteld, zelfs indien ze kunnen worden geacht tot voordeel van de verkoper te strekken of in overleg met de verkoper zijn verricht.

De term “marketingactiviteiten” omvat alle activiteiten die verband houden met reclame voor, vermarkting van en promotie van de verkoop van de ingevoerde goederen, en alle activiteiten die verband houden met de voor de goederen verstrekte waarborgen en garanties. Dergelijke activiteiten zijn normaal op initiatief van de koper zelfs indien ze ten gevolge van een akkoord met de verkoper zijn. Bijgevolg mogen die niet in de douanewaarde worden opgenomen.

Hoewel de wettelijke bepalingen specifiek verwijzen naar handelsactiviteiten, maken niet alle kosten van activiteiten - die de koper voor zijn eigen rekening maakt - deel uit van de douanewaarde.

Bijvoorbeeld, kan de koper na de aankoop van de goederen beslissen om die voor eigen rekening op te slaan in het land van uitvoer voordat hij ze invoert in de EU, om zo de distributiekosten te verlagen. In een dergelijk geval, kunnen de kosten van opslag van de koper niet worden beschouwd als betaald als een voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, en maken die kosten als dusdanig geen deel uit van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Deze activiteiten kunnen plaats vinden zowel na of voor de invoer, na de aankoop van de goederen. Wanneer die activiteiten worden uitgevoerd na de aankoop van de goederen maar vóór de invoer, mogen ze niet leiden tot een verandering van de aard van de goederen of deel uitmaken van het noodzakelijk proces om de ingevoerde goederen te produceren.

32. Gedeeltelijke levering

Wanneer goederen die voor een douaneregeling worden aangegeven, deel uitmaken van een grotere in een enkele transactie aangekochte hoeveelheid van dezelfde goederen, wordt de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de toepassing van artikel 70, lid 1, van het wetboek in evenredigheid berekend op basis van de prijs voor de totale aangekochte hoeveelheid.

II.2. Voorwaarden

II.2.1. Overzicht

33. De transactiewaardemethode van de ingevoerde goederen is mede bepaald door voorwaarden. Indien aan een of meer voorwaarden niet is voldaan zal deze methode niet toepasselijk zijn. De voorwaarden betreffen:

- de verkoop;

- de verkoop voor uitvoer naar het EU-douanegebied;

- het moment van de verkoop;

- de gebruiksbeperking;

- de te vervullen verbintenissen of te verrichten prestaties;

- de winstdeling;

- de verbondenheid tussen verkoper en koper.

II.2.2. Verkoop en handelsniveau

34. S3 Het grondbeginsel voor het toepassen van de douanebepalingen van de Unie inzake de transactiewaardemethode is de verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Het bestaan van een dergelijke verkoop is de eerste wettelijke voorwaarde voor het gebruik van deze methode.

De verkoop moet effectief gebeuren tussen een feitelijke verkoper en koper, en deze transactie moet een verkoop vormen zowel vanuit economisch als uit juridisch standpunt. Zonder werkelijke verkoop kan er geen sprake zijn van transactiewaarde. Hierbij stelt zich dan het probleem van het niveau, dit is de in aanmerking te nemen koper.

In de praktijk wordt gesteld dat er in de volgende gevallen geen verkoop is en er dus geen transactiewaarde van de goederen kan worden bepaald:

- invoer door tussenpersonen die de goederen niet kopen en ze na invoer verkopen;

- ingevoerde goederen voor verhuring of in leasing; of in het kader van huurkoop (financiële leasing); in het laatste geval, ondanks de mogelijkheid voor de huurder om het gehuurde goed op termijn te verwerven, kan de huurkoop niet worden gelijkgesteld met een verkoop want er is geen transactiewaarde op het tijdstip van de in het vrije verkeerstelling;

- gratis leveringen, reclamezendingen, proefzendingen, geschenkzendingen en gratis leveringen van vervangingsonderdelen;

- leveringen op proef;

- goederen ingevoerd in consignatie; dit is het geval wanneer een bedrijf (ontvanger) zijn goederen uitvoert naar een land van invoer, niet als gevolg van een verkoop, maar met de bedoeling die er te laten verkopen tegen de beste prijs door tussenpersonen (bewaarders). Er heeft geen verkoop plaatsgevonden en de goederen blijven eigendom van de buitenlandse provider, zolang zij na de invoer niet aan de beste prijs zijn verkocht via de agenten. Op het moment van invoer is er geen transactiewaarde voor deze goederen;

- goederen ingevoerd door filialen of dochtermaatschappijen die ten opzichte van de exporteur/verkoper geen aparte wettelijke entiteiten zijn; dergelijke levering betekent enkel een overdracht van goederen van de ene naar de andere behorend tot dezelfde groep. Daarom kan de vaststelling van de douanewaarde van goederen ingevoerd door een filiaal enkel worden gebaseerd op de transactiewaarde indien de invoer als gevolg is van een verkoop door de exporterende onderneming aan een eindafnemer die ten opzichte van de exporteur een afzonderlijke entiteit maakt;

- afvalproducten of overschotten, ingevoerd om in het invoerland vernietigd te worden, waarbij de leverancier aan de invoerder een bepaald bedrag betaalt, ter vergoeding van de dienst die deze hem verleent.

S3 Bovendien mag de douanewaarde van ingevoerde goederen niet bepaald worden op basis van een bestelbon. Een bestelbon is een officieel voorstel dat door een potentiële koper wordt voorgelegd aan een potentiële verkoper, waarin de wens van de koper om tot een verkoopovereenkomst te komen, wordt uitgedrukt. In tegenstelling tot een verkoopcontract vormt een bestelbon op zich geen bindende contractuele overeenkomst. Pas wanneer de toekomstige verkoper de bestelling bevestigt en aanvaardt, kan er van een verkoopcontract tussen de koper en verkoper gesproken worden. Het voorgaande is van toepassing bij transacties in het algemeen. Het voorstel om tot een verkoopovereenkomst te komen kan ook door een potentiële verkoper aan een potentiële koper worden voorgelegd. 

35. Inzake handelsniveau is de werkelijk betaalde prijs bepalend, ongeacht het niveau waarop de koper zich bevindt. Dit betekent bv. dat ook de prijs aan de invoerder in Europa voor de berekening van de douanewaarde bepalend kan zijn.

36. Voor de waardebepaling dient de koper verder aan geen enkele andere voorwaarde te voldoen dan partij te zijn bij het koopcontract, zodat de koper niet noodzakelijk het risico van een voor eigen rekening kopende handelaar dient te dragen.

Dit houdt in dat de koper een koper is in de zin van het Belgisch burgerlijk recht d.w.z. iemand aan wie de goederen in eigendom worden overgedragen en die verplicht is tot betaling van de koopsom.

II.2.3. Verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie

DWU art. 70 §1

37. S4 Een transactiewaarde kan enkel bepaald worden op basis van een prijs die is overeengekomen bij een verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie. Deze prijs kan geen willekeurige prijs zijn.

Het feit dat de goederen worden aangegeven voor het in het vrije verkeer stellen in de EU is een voldoende indicatie dat de goederen worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Europese Unie.

Indien een transactie plaatsvindt tussen een buiten de EU gevestigde verkoper en een binnen het douanegebied van de EU gevestigde koper kan ervan worden uitgegaan dat in die gevallen steeds sprake is van een verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de EU. Ook indien de koper niet in het douanegebied van de EU is gevestigd, kan van een zodanige verkoop sprake zijn, mits het een aankoop betreft waarbij de goederen bestemd zijn voor het douanegebied van de EU. S4 Hetzelfde geldt voor een verkoop waarbij koper en verkoper beide in de EU gevestigd zijn, als door die verkoop goederen vanuit een derde land de Unie worden binnengebracht.

S3 Het Technisch Comité voor de douanewaarde van de WDO heeft immers beklemtoond in zijn advies 14.1 – Betekenis van de uitdrukking "verkocht voor uitvoer naar het land van invoer" dat het land waar een verkoop plaatsvindt geen effect heeft op de interpretatie van het begrip “verkoop voor uitvoer naar het land van invoer”. Hierbij kan ook verwezen worden naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 6 juni 1990 (C-11/89) waarin gesteld wordt dat "de prijs vermeld in een verkoopsovereenkomst tussen in de Gemeenschap wonende personen, kan beschouwd worden als transactiewaarde (…)". Bij het vaststellen van de te beschouwen verkoop moet men dus rekening houden met de verplaatsing van de goederen en niet met de plaats waar de koper en verkoper gevestigd zijn.

Op het moment dat de transactie plaats heeft zullen de goederen zich meestal in de magazijnen van de verkoper bevinden. Het is echter ook mogelijk dat de goederen reeds onderweg zijn (stomend verkocht-sold to arrive). Zelfs in dit geval moet men nog spreken van een verkoop voor uitvoer en kan de desbetreffende verkoopprijs dienen, mits die op het tijdstip van aangifte reeds vaststaat (b.v. aan de hand van prijslijsten).

Het volstaat dus dat de transactie werd afgesloten met de bedoeling de goederen uit te voeren naar de EU. Hieruit volgt dat alleen de transacties met betrekking tot de feitelijke overdracht van de goederen op het internationale niveau naar de EU kunnen worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen via de transactiewaardemethode.

S3

II.2.4. Moment van de verkoop

II.2.4.1. Verkoop vóór het binnenbrengen in de Unie

IA, art. 128 §1

38. Artikel 128, lid 1 IA bepaalt dat “De transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, wordt bepaald op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden”.

Dit artikel voert het principe in dat de verkoop die in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de transactiemethode, de verkoop is die plaats vindt onmiddellijk voorafgaand aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Europese Unie. Deze verkoop is de laatste die plaatsvindt wanneer de goederen de grens overschrijden.

S4 Hierbij moet opgemerkt worden dat “de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden” niet chronologisch moet geïnterpreteerd worden. Binnen de commerciële keten moet men die verkoop identificeren waarbij de goederen de Unie worden binnengebracht. Dit is de laatste verkoop voor uitvoer naar de EU. Zie in dit opzicht ook de voetnoot bij paragraaf 3 van Commentary 22.1. Meaning of the expression “sold for export to the country of importation” in a series of sales van het Technical Committee on Customs Valuation van de WDO:

In a series of sales, it is common to refer to the various sales as the last sale and the first (or earlier) sale whether or not these terms are consistent with the chronological order of the sales contracts.

S3 Het is bij deze verkoop dat de goederen in de Unie worden binnengebracht en het is dus bij deze verkoop dat de methode van de transactiewaarde kan worden toegepast op een manier die rekening houdt met de inhoud van de gehele handelstransactie op het moment van de aanvaarding van de douaneaangifte. Het maakt ook de toepassing van andere relevante bepalingen mogelijk (bijvoorbeeld de bepalingen met betrekking tot de toe te voegen elementen en niet-belaste elementen). Wanneer dit niet mogelijk is, kan de methode van de transactiewaarde niet worden toegepast.

De volgende voorbeelden (ook in de hierna volgende paragrafen) zijn overgenomen uit “Commentary No 13: Guidance on Articles 128 and 136 UCC IA” van het Compendium of Customs Valuation van de Europese Commissie. In deze voorbeelden zijn enkel de verkopers en kopers belangrijk als partijen bij de verkooptransacties. De importeur, namelijk diegene die een invoeraangifte indient of voor wiens rekening die aangifte wordt ingediend, wordt tevens geïdentificeerd binnen de context van invoertransacties.

Voorbeeld:

De verkoop tussen A en B vindt plaats voor de binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Unie. B brengt de goederen in het vrije verkeer.

Er vindt slechts één verkoop plaats voor het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie. Deze verkoop dient als basis voor het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde zoals die beschreven staat in artikel 70, §1, van het DWU.

II.2.4.2. Verkoop na invoer in de Unie

IA, art. 128 §2

39. Artikel 128, lid 2 bepaalt op zijn beurt “Wanneer de goederen voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht niet voordat zij dat douanegebied zijn binnengebracht, maar terwijl zij zich in tijdelijke opslag bevinden of onder een andere bijzondere regeling zijn geplaatst dan de regeling intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling, wordt de transactiewaarde op basis van die verkoop vastgesteld”.

Dit artikel heeft betrekking op gevallen voor goederen, die bij aankomst in de Europese Unie, nog niet zijn verkocht voor uitvoer naar de EU; ze werden niet aangegeven voor het vrije verkeer, maar in tijdelijke opslag of onder een bijzondere regeling zoals het entrepot, extern douanevervoer, S3 tijdelijke invoer of actieve veredeling geplaatst.

Indien er een verkoop voor uitvoer bestaat wanneer de goederen in de EU binnenkomen, vormt die de basis voor de douanewaardebepaling overeenkomstig artikel 128 § 1.

Wanneer een dergelijke verkoop niet bestaat, is de verkoop die plaatsvindt tijdens de opslag of de bijzondere regeling de basis voor de bepaling van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde, op voorwaarde dat deze verkoop voldoet S3 aan de voorwaarden van art. 70 DWU.

S3 Om artikel 128, lid 2 te kunnen interpreteren, moet men echter rekening houden met de intentie van de wetgever, wanneer deze “die verkoop” (die plaatsvindt tijdens de tijdelijke opslag of de bijzondere regeling) beschouwt als de basis voor het gebruik van de methode van de transactiewaarde. De bepalingen van lid 2 van artikel 128 kunnen in feite niet los van de bepalingen in lid 1 van dat artikel worden toegepast. De formulering van de bepalingen van artikel 128, lid 1 in acht nemend, moet “die verkoop” geïnterpreteerd worden als diegene die het dichtst plaatsvindt bij het moment van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Unie.

Dit betekent dat indien goederen die in tijdelijke opslag of onder één van de betrokken bijzondere regelingen zijn geplaatst, het voorwerp zijn van meerdere verkopen tijdens deze tijdelijke opslag of bijzondere regeling, enkel de verkoop die het dichtst bij het moment van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Unie gesloten is, mag gebruikt worden bij het bepalen van de douanewaarde op basis van de methode van de transactiewaarde. Elke verdere verkoop, met inbegrip van de laatste verkoop voor het in het vrije verkeer stellen van de goederen in het douanegebied van de Unie, mag daar niet voor gebruikt worden.

S3 Om de douanewaarde te kunnen bepalen op basis van een verkoop die plaatsvindt tijdens de tijdelijke opslag of één van de betrokken bijzondere regelingen, moeten de volgende voorwaarden vervuld zijn:

- Er is geen enkele verkoop voor uitvoer vóór het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU; en,

- De verkoop tijdens de tijdelijke opslag of bijzondere regeling voldoet aan alle eisen van artikel 70 van het DWU (die tevens gelden in alle gevallen waarbij de douanewaarde wordt bepaald op basis van artikel 128, § 1 IA) (zie ook punten II.2.5. tot II.2.8.).

Indien één van deze voorwaarden niet voldaan is, of de verkoop plaatsvindt na het in het vrije verkeer brengen van de goederen, wordt de douanewaarde bepaald volgens een bijkomende methode voor de vaststelling van de douanewaarde (artikel 74 DWU; zie ook punt III. van deze circulaire).

Voorbeeld:

A brengt de goederen over naar de Unie en slaat ze op in een douane-entrepot. Tijdens de opslag van de goederen in het douane-entrepot worden ze door A verkocht aan B. De verkoop tussen A en B vindt plaats na het binnenbrengen van de goederen in de Unie. B brengt de goederen in het vrije verkeer en verkoopt ze vervolgens aan C.

In dit voorbeeld vindt er geen enkele verkoop onmiddellijk voor het binnenbrengen van de goederen in de Unie plaats. Bijgevolg zijn de bepalingen van artikel 128, §1, IA niet toepasbaar.

Terwijl de ingevoerde goederen opgeslagen zijn in het douane-entrepot zijn ze echter het voorwerp van een verkoop tussen A en B.

Aangezien de bepalingen van lid 2 van artikel 128 IA niet los van de bepalingen van lid 1 van het voornoemde artikel kunnen worden toegepast, wordt de verkoop tussen A en B gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde op basis van de methode van de transactiewaarde, zoals die staat beschreven in artikel 70, § 1, van het DWU.

II.2.4.3. Opeenvolgende verkopen

40. Er kunnen opeenvolgende verkopen plaatsvinden vóór het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU. S3

S3 In dergelijke gevallen wordt steeds de verkoop die vlak voor het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU gesloten is, gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde.

Voorbeeld 1:

Zowel de verkoop tussen A en B als die tussen B en C vinden plaats voordat de goederen het douanegebied van de Unie zijn binnengebracht. C brengt de goederen in het vrije verkeer.

De verkoop die onmiddellijk voorafgaat aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie is de verkoop die wordt gesloten tussen B en C. Deze verkoop is de verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie en wordt dus gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde die beschreven wordt in artikel 70, lid 1, van het DWU.

S4 In bovenstaand voorbeeld is de verkoop tussen B en C de laatste verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, ongeacht de chronologische volgorde waarin de verkopen tussen A en B en B en C gesloten zijn. Het is immers bij de verkoop tussen B en C dat dat de goederen de EU worden binnengebracht.

De opeenvolgende verkopen kunnen ook plaatsvinden voor, maar ook na het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU. In dergelijke gevallen is het steeds de verkoop die onmiddellijk voorafgaat aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de EU die gebruikt wordt bij het bepalen van de douanewaarde.

Indien de uiteindelijke koper die de goederen in het vrije verkeer brengt, enkel beschikt over het factuur van de laatste verkoop en deze niet de verkoop is die onmiddellijk voor het binnenbrengen van de goederen in de EU gesloten werd, kan de methode van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen niet worden toegepast om de douanewaarde te bepalen en moet een bijkomende methode worden gebruikt (artikel 74 van het DWU).

Voorbeeld 2:

Zowel de verkoop tussen A en B als de verkoop tussen B en C gaan vooraf aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie, terwijl de verkoop tussen C en D erna plaatsvindt. C brengt de goederen in het vrije verkeer.

De verkoop die onmiddellijk aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie voorafgaat, is diegene die tussen B en C werd gesloten. Deze verkoop is de verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie en wordt dus gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde die beschreven wordt in artikel 70, lid 1, van het DWU.

Indien, in dezelfde omstandigheden als in het voorbeeld, koper D optreedt als importeur die de goederen in het vrije verkeer brengt in plaats van koper/verkoper C, blijft de verkoop tussen B en C nog steeds de verkoop die onmiddellijk plaatsvindt voor het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie. Het is dus deze verkoop die gebruikt moet worden bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde.

De methode van de transactiewaarde kan echter enkel worden toegepast, als de importeur (D) beschikt over een factuur waarin verwezen wordt naar de transactie tussen B en C (artikel 145 IA). Indien dit niet het geval is, kan de methode van de transactiewaarde niet gebruikt worden en moet de douanewaarde bepaald worden door het toepassen van een bijkomende methode (artikel 74 van het DWU; zie ook punt III hieronder).

S4 In bovenstaand voorbeeld is de verkoop tussen B en C de laatste verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, ongeacht de chronologische volgorde waarin de verkopen tussen A, B, C en D afgesloten zijn. Het is immers bij de verkoop tussen B en C dat dat de goederen de EU worden binnengebracht.

Voorbeeld 3:

A verkoopt de goederen aan B voordat ze in het douanegebied van de Unie worden binnengebracht. De goederen worden rechtstreeks door A aan B in de Unie geleverd. Deze laatste slaat de goederen op in een douane-entrepot. Terwijl de goederen zich in opslag bevinden, verkoopt B ze aan C die ze op zijn beurt doorverkoopt aan D. C brengt de goederen in het vrije verkeer.

De verkoop die onmiddellijk voorafgaat aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie is de verkoop tussen A en B. Deze verkoop is de verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie en wordt dus gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde die beschreven wordt in artikel 70, lid 1, van het DWU.

De methode van de transactiewaarde kan echter enkel worden toegepast, als de importeur (C) beschikt over een factuur waarin verwezen wordt naar de transactie tussen A en B (artikel 145 IA; zie ook artikel 163, lid 1, van het DWU). Indien dit niet het geval is, kan de methode van de transactiewaarde niet gebruikt worden en moet de douanewaarde bepaald worden door het toepassen van een bijkomende methode (artikel 74 van het DWU; zie ook punt III hieronder).

Indien, in dezelfde omstandigheden als in het voorbeeld, koper D optreedt als importeur die de goederen in het vrije verkeer brengt in plaats van koper/verkoper C, blijft de verkoop tussen A en B nog steeds de verkoop die onmiddellijk plaatsvindt voor het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie en bijgevolg de verkoop voor uitvoer naar de Unie. Het is dus deze verkoop die gebruikt moet worden bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde.

Ook hier kan de methode van de transactiewaarde enkel worden toegepast, als de importeur (D) beschikt over een factuur waarin verwezen wordt naar de transactie tussen A en B (artikel 145 IA; zie ook artikel 163, lid 1, van het DWU). Indien dit niet het geval is, kan de methode van de transactiewaarde niet gebruikt worden en moet de douanewaarde bepaald worden door het toepassen van een bijkomende methode (artikel 74 van het DWU; zie ook punt III hieronder).

Voorbeeld 4:

Het gaat hier over opeenvolgende bestellingen, in het kader van een aankoop van een auto, gevolgd door de overeenkomstige aanvaarding van deze bestellingen. De aanvaarding van deze bestellingen leidt tot een opeenvolging van verkopen, vertrekkende van de Europese consument (koper D), via autodealer (koper C), tot de importeur (koper B). De verkoopstransacties vinden plaats voor de goederen het douanegebied van de Unie binnenkomen. De verkoop tussen B en A is diegene die onmiddellijk voorafgaat aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie. B brengt de goederen in het vrije verkeer.

De verkoop die onmiddellijk voorafgaat aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie is de verkoop tussen A en B. Bij deze verkoop is er sprake van een werkelijke overdracht van goederen over de grens van de Europese Unie. Deze verkoop is de verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie en wordt dus gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde die beschreven wordt in artikel 70, lid 1, van het DWU.

S4In bovenstaand voorbeeld is de verkoop tussen A en B de laatste verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, ongeacht de chronologische volgorde waarin de verkopen tussen A, B, C en D afgesloten zijn. Het is immers bij de verkoop tussen A en B dat dat de goederen de EU worden binnengebracht.

41. S3 Wanneer opeenvolgende verkopen plaatsvinden tijdens de tijdelijke opslag of een bijzondere regeling, zoals het entrepot, actieve veredeling…, (en op voorwaarde dat er geen verkoop voorafgaat aan het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie), mag enkel de verkoop die op het moment het dichtst bij het binnenbrengen van de goederen in de Unie gesloten is, gebruikt worden bij het bepalen van de douanewaarde volgens de methode van de transactiewaarde.

Voorbeeld:

A brengt de goederen over naar de Unie en slaat ze op in een douane-entrepot. Terwijl de goederen zich in het douane-entrepot bevinden, verkoopt A ze aan B die ze vervolgens verkoopt aan C. De twee verkopen (tussen A en B en tussen B en C) vinden plaats nadat de goederen de Unie zijn binnengebracht. C brengt de goederen in het vrije verkeer en verkoopt ze vervolgens aan D.

In dit voorbeeld vindt er geen enkele verkoop plaats onmiddellijk voor de binnenkomst van de goederen in de Unie. Bijgevolg zijn de bepalingen van artikel 128, §1, IA niet van toepassing.

Tijdens de opslag in het douane-entrepot zijn de goederen echter het voorwerp van twee verkopen: een verkoop tussen A en B en een verkoop tussen B en C.

Aangezien de bepalingen van lid 2 van artikel 128 IA niet los van de bepalingen van lid 1 van het voornoemde artikel kunnen worden toegepast, wordt de verkoop tussen A en B gebruikt bij het bepalen van de douanewaarde op basis van de methode van de transactiewaarde, zoals die staat beschreven in artikel 70, § 1, van het DWU. Met andere woorden, de verkoop die het dichtst bij het moment van het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie plaatsvindt (verkoop 1), is de verkoop die moet gebruikt worden bij het bepalen van de douanewaarde op basis van de methode van de transactiewaarde.

De methode van de transactiewaarde kan echter enkel worden toegepast, als de importeur C beschikt over een factuur waarin verwezen wordt naar de transactie tussen A en B (artikel 145 IA; zie ook artikel 163, lid 1, van het DWU). Indien dit niet het geval is, kan de methode van de transactiewaarde niet gebruikt worden en moet de douanewaarde bepaald worden door het toepassen van een bijkomende methode (artikel 74 van het DWU; zie ook punt III hieronder).

II.2.4.4. Overgangsmaatregelen met betrekking tot opeenvolgende verkopen

IA, art. 347

S4 42. Niet meer van toepassing sinds 31 december 2017.

II.2.5. Beperkingen van gebruik

DWU, art. 70 § 3 a)

43. De verkoper mag geen beperkingen opleggen die de beschikking over of het gebruik door de koper van de ingevoerde goederen beknotten. Beperkingen betreffende de beschikking over of het gebruik van de goederen kunnen inderdaad invloed hebben op de prijs en leiden tot de verwerping van de transactiewaarde. Dit kan geïllustreerd worden door het voorbeeld waarbij een product wordt verkocht tegen een symbolische prijs, op voorwaarde dat de koper die enkel gebruikt voor liefdadige doeleinden.

Ander voorbeeld: een bandenfabrikant verkoopt zijn goederen tegen een lagere prijs, aan assemblagebedrijven van auto’s, op voorwaarde dat de koper enkel die banden plaatst op de voertuigen die hij assembleert. In dit geval kan de transactiewaarde niet worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen.

44. De volgende beperkingen zijn echter voorzien en toegelaten door de DWU, wat betekent dat de waarde van de betrokken goederen kan worden aanvaard S4 als transactiewaarde:

- beperkingen die worden opgelegd of vereist door de wet of de autoriteiten in de EU;

- beperkingen die het geografisch gebied beperken waarin de goederen mogen worden doorverkocht;

- beperkingen die de waarde van de goederen niet aanzienlijk beïnvloeden.

Wanneer de wet de handel in bepaalde goederen onderwerpt aan een stelsel van vergunningen of bepaalde beperkingen oplegt ten aanzien van de te gebruiken verpakkingen of ten aanzien van de uiteindelijke bestemming, hebben dergelijke beperkingen niet de afwijzing van de betrokken transactiewaarde tot gevolg.

Daarnaast brengen de beperkingen die het geografisch gebied beperken waarin de goederen mogen worden doorverkocht eveneens niet de afwijzing mee van de transactiewaarde wanneer de verkoop aan dergelijke beperkingen onderworpen is. Deze uitzondering laat toe die transactie te aanvaarden die aan de koper binnen een bepaald gebied een totale exclusiviteit toekent. Bij alleenvertegenwoordigers is zulks steeds het geval.

De derde toegelaten beperking is die welke de waarde van de goederen niet aanzienlijk beïnvloedt. Voorbeelden zijn een autoverkoper die van de koper eist de auto's niet te verkopen of ten toon te stellen vóór een bepaalde datum die het begin is van een modeljaar.

II.2.6. Te vervullen prestaties

DWU, art. 70 § 3 d)

IA, art. 133

45. De verkoop of de prijs van de te waarderen goederen mag niet onderworpen zijn aan voorwaarden of prestaties waarvan de waarde niet kan worden vastgesteld.

Het kan bijvoorbeeld gaan om de volgende gevallen:

- de verkoper stelt de prijs van de ingevoerde goederen vast op voorwaarde dat de koper eveneens andere goederen in bepaalde hoeveelheden koopt;

- de prijs van de ingevoerde goederen hangt af van de prijs of de prijzen waartegen de koper van de ingevoerde goederen andere goederen aan de verkoper van de ingevoerde goederen verkoopt (ruil- of compensatiehandel);

- de prijs wordt vastgesteld op de basis van een wijze van betaling die geen verband houdt met de ingevoerde goederen; de ingevoerde goederen kunnen bijvoorbeeld halffabricaten zijn die door de verkoper zijn geleverd op voorwaarde dat hij een bepaalde hoeveelheid van de gerede artikelen zal ontvangen.

Indien de waarde van de voorwaarde of van de prestatie niet kan worden bepaald kan de transactiewaardemethode van de ingevoerde goederen niet worden gebruikt.

Wanneer de waarde van de voorwaarden of prestaties wel kan worden vastgesteld dan dienen deze als onrechtstreekse betaling bij de betaalde of te betalen prijs te worden geteld.

46. De betaalde of te betalen prijs kan echter niet worden aangepast met de waarde van de voorwaarden of de prestaties in de volgende gevallen:

- De door de koper of voor zijn rekening verrichte activiteiten, waaronder die welke verband houden met het verhandelen van de goederen, doch met uitzondering van de activiteiten waarvoor in art. 71 van het DWU in een aanpassing is voorzien, worden niet als een indirecte betaling aan de verkoper beschouwd, ook niet indien deze activiteiten kunnen worden geacht de verkoper tot voordeel te strekken of met diens instemming te zijn verricht. Bijgevolg worden de kosten van deze activiteiten bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs geteld (zie paragraaf 31).

- Wanneer de mogelijkheid reeds voorzien is om de betaalde of te betalen prijs aan te passen door een van de items die zijn vermeld in artikel 71, bijvoorbeeld wanneer de verkoop onderworpen is aan de voorwaarde dat de koper aan de verkoper grondstoffen, werktuigen of plannen levert.

II.2.7. Winstdeling

DWU, art. 70 § 3 c)

47. Geen enkel deel van de opbrengst van iedere latere wederverkoop, of overdracht of later gebruik van de goederen mag direct of indirect aan de verkoper ten goede komen, tenzij een toepasselijke aanpassing kan worden aangebracht.

Hier worden de winstverdelingsovereenkomsten bedoeld, waarbij de importeur/koper zich tegenover de buitenlandse leverancier verbindt de eventuele winst te delen die bij de verkoop van de goederen in het land van invoer boven een voorlopig vastgestelde prijs vermeerderd met bepaalde overeengekomen kosten wordt gerealiseerd.

Meestal zijn de partijen voor de helft in de winst gerechtigd, maar de inhoud van de overeenkomst kan verschillen t.a.v. de winstdeling zowel als van andere clausules, al naar gelang de omstandigheden en de aard van de transactie.

Kan het juiste bedrag van de winstdeling worden vastgesteld, dan behoort dit als deel van de werkelijk betaalde of te betalen prijs tot de douanewaarde.

Kunnen deze bedragen niet worden vastgesteld, dan is de bepaling van de douanewaarde via de transactiewaarde niet mogelijk en dient de douanewaarde te worden bepaald aan de hand van één van de volgende methoden in de volgorde van toepassing.

II.2.8. Verbonden koper en verkoper

DWU, art. 70 § 3 d)

IA, art. 127 en 134

II.2.8.a. Belang van de verbondenheid

48. De koper en de verkoper mogen niet verbonden zijn of indien ze wel verbonden zijn, mag de verbondenheid de prijs niet hebben beïnvloed.

Indien de verkoper en koper niet verbonden zijn, is de transactiewaarde tevens de douanewaarde, voor zover eveneens aan de overige hiervoor gestelde voorwaarden is voldaan. Uitzonderingen op deze regel bestaan er niet. De werkelijk betaalde of te betalen prijs zal in principe blijken uit de factuur. Het is verder aan het inzicht van de ambtenaren overgelaten in hoeverre zij, bv. aan de hand van de boekhouding of andere bescheiden van de importeur/koper, nagaan of de factuurprijs inderdaad de werkelijk betaalde of te betalen prijs weergeeft.

Het enkele feit dat de koper en de verkoper zijn verbonden, is geen reden om de prijs ongeschikt te achten om te dienen als basis voor de berekening van de douanewaarde. Het is in een dergelijk geval noodzakelijk vast te stellen of het verbonden zijn invloed heeft gehad op de hoogte van de prijs.

49. Personen, waaronder zowel natuurlijke als rechtspersonen worden verstaan, die in zaken zijn verbonden doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, hoedanig ook aangeduid, van de ander is, worden enkel geacht te zijn verbonden indien zij aan één van de hiernavolgende criteria beantwoorden:

- zij zijn functionaris of directeur in de onderneming van de andere persoon;

- zij worden door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden;

- zij zijn werkgever en werknemer;

- een derde partij bezit, heeft zeggenschap over, of houdt direct of indirect 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden;

- één van hen heeft direct of indirect zeggenschap over de ander. Een persoon wordt geacht zeggenschap over een andere persoon te hebben wanneer hij rechtens of feitelijk in een positie is om het handelen van de andere te leiden;

- een derde persoon heeft direct of indirect zeggenschap over beiden;

- beiden hebben direct of indirect zeggenschap over een derde persoon;

- zij behoren tot dezelfde familie.

50. Niet in alle gevallen waarin de koper en de verkoper met elkaar zijn verbonden, dient een onderzoek ingesteld te worden of de prijs is beïnvloed. Het is slechts nodig wanneer de douane gegronde twijfel heeft dat de overeengekomen prijs overeenstemt met die welke aan een onafhankelijke koper zou zijn aangerekend. Reden voor twijfel kan zijn dat het uitsluitend een intercompany- of verrekenprijs (zie hoofdstuk V over de verrekenprijs) betreft, die niet is berekend overeenkomstig de in de desbetreffende branche in het land van uitvoer toegepaste praktijk of dat de winstmarge van de importeur/koper bij wederverkoop abnormaal is.

Men neemt ook aan dat de leverancier zijn alleenvertegenwoordiger niet controleert indien de alleenvertegenwoordiger niet verder met zijn leverancier is verbonden dan via bepalingen die gebruikelijk zijn in een exclusiviteitscontract.

II.2.8.b. Beïnvloeding door de verbondenheid

51. Wanneer de koper en de verkoper verbonden zijn, zullen de omstandigheden van de verkoop worden onderzocht en wordt de transactiewaarde aanvaard indien de verbondenheid geen invloed had op de prijs. Het is niet de bedoeling dat de omstandigheden worden onderzocht telkens wanneer kopers en verkopers verbonden zijn. Een dergelijk onderzoek is slechts vereist wanneer er twijfels bestaan over de aanvaardbaarheid van de prijs. Indien de douane niet twijfelt aan de aanvaardbaarheid van de prijs, dient deze te worden aanvaard zonder dat aanvullende gegevens aan de importeur/koper worden gevraagd. De douane kan bijvoorbeeld in het verleden de verbondenheid hebben onderzocht, of reeds in het bezit zijn van gedetailleerde gegevens over de koper en de verkoper, en overtuigd zijn dat de verbondenheid de prijs niet heeft beïnvloed.

Indien de douane de transactiewaarde niet zonder verder onderzoek kan aanvaarden, dient zij de importeur/koper de gelegenheid te geven verdere gedetailleerde gegevens te verstrekken die de douane nodig zou kunnen hebben om de omstandigheden van de verkoop te onderzoeken.

S4 In dit verband zal de douane alle aspecten van de transactie onderzoeken,  waaronder de wijze waarop de koper en de verkoper hun handelsbetrekkingen organiseren en de wijze waarop men tot de desbetreffende prijs is gekomen.

Indien aangetoond wordt dat de koper en verkoper kopen van en verkopen aan elkaar alsof zij niet verbonden waren, is hierdoor aangetoond dat de prijs niet is beïnvloed door de verbondenheid. Er is bijvoorbeeld aangetoond dat de verbondenheid geen invloed heeft gehad op de prijs, indien de prijs is vastgesteld overeenkomstig de normale prijsstelling in de desbetreffende industrie of op de wijze waarop de verkoper de prijzen voor niet verbonden personen vaststelt.

Ook is bijvoorbeeld aangetoond dat de prijs niet is beïnvloed, indien wordt aangetoond dat de prijs voldoende is om de kosten en de winst te dekken die typerend zijn voor de totale winst die de verkoper over een voldoende lang tijdvak (bijvoorbeeld over een jaar) heeft gemaakt bij verkopen van goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter.

II.2.8.c. Testwaarden bij verbondenheid

52. In het geval van verbondenheid tussen de verkoper en de koper - om te bepalen of deze verbondenheid geen invloed heeft gehad op de prijs - worden de omstandigheden van de verkoop indien nodig onderzocht, en heeft de aangever de mogelijkheid om andere gedetailleerde informatie over deze omstandigheden te verstrekken S4 die nodig zou zijn voor dit onderzoek. Ook heeft de aangever de mogelijkheid om aan te tonen dat de aangegeven transactiewaarde een van de volgende testwaarden die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn bepaald zeer dicht benadert:

- de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen bij verkopen voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, tussen kopers en verkopers die in geen geval verbonden zijn;

- de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen vastgesteld met toepassing van de aftrekmethode;

- de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen vastgesteld met toepassing van de methode van de berekende waarde.

53. Bij de waardebepaling van identieke of soortgelijke hier boven bedoelde goederen, dient naar behoren rekening te worden gehouden met aangetoonde verschillen in handelsniveau, hoeveelheidsniveau, de voor aanpassing opgesomde elementen en de kosten die door de verkoper worden gedragen bij verkopen waarbij deze en de koper niet zijn verbonden en die niet door hem worden gedragen bij verkopen waarbij deze en de koper wel zijn verbonden.

Vorengenoemde testwaarden zijn te gebruiken op initiatief van de importeur. Deze waarden vervangen de aangegeven transactiewaarden niet.

54. De S4 aangever heeft dus de gelegenheid aan te tonen dat de transactiewaarde S4 zeer dicht een testwaarde benadert die voorheen door de douane is aanvaard en dat de prijs daarom aanvaardbaar is. In dit geval is het niet meer nodig de vraag van de beïnvloeding van de prijs te onderzoeken.

Om vast te stellen of een waarde een andere waarde zeer dicht benadert, moet een aantal factoren in aanmerking worden genomen. Onder deze factoren zijn begrepen de aard van de ingevoerde goederen, de aard van de betrokken industrie, het seizoen waarin de goederen worden ingevoerd en de vraag of het verschil tussen de waarden uit handelsoogpunt van betekenis is. Omdat deze factoren van geval tot geval kunnen verschillen, is het onmogelijk om in alle gevallen een eenvormige standaard, zoals een vast percentage, toe te passen.

Overigens moet de douane aan de S4 aangever de gelegenheid geven om in te gaan op de feiten die tot het besluit hebben geleid dat de prijs is beïnvloed.

55. Het gebruik van de testwaarden is slechts mogelijk als de goederen door de importeur/koper zijn gekocht. Daarentegen kunnen de tests niet worden toegepast ingeval van beperkingen inzake beschikking of gebruik, of in geval van beding van niet te waarderen verplichtingen of prestaties of winsttoebedeling. Voldoet men dus niet aan één van de overige hiervoor gestelde voorwaarden, dan kan geen gebruik worden gemaakt van de testwaarden.

De testwaarden gelden slechts voor de verbonden koper omdat bij de niet verbonden koper het probleem van de prijsbeïnvloeding geen rol speelt en zijn prijs zonder meer de douanewaarde is.

Er moet ook opgemerkt worden dat de importeur niet verplicht is van de testwaarden gebruik te maken. Weet hij bijvoorbeeld dat de volgende toepasbare methode tot een voor hem aantrekkelijker waarde leidt, dan zal hij niet proberen aan te tonen dat aan een testwaarde is voldaan.

Aangezien deze testwaarden worden gebruikt op verzoek van de importeur, hangt dit gebruik af van de mogelijkheid van de importeur om relevante gegevens over prijzen te bekomen en bij de douane voor te leggen. Er dienen prijzen die betrekking hebben op identieke of soortgelijke goederen te worden voorgelegd. Echter, in het geval van multinationals, bevatten de vervaardigde producten meestal een technologie of een eigen intellectueel recht, waardoor deze vergelijkende prijzen over het algemeen niet beschikbaar zijn. Verder worden goederen die door multinationals in hun eigen groep worden verkocht niet vaak aan niet-verbonden partijen verkocht. Daarom wordt deze mogelijkheid zelden gebruikt door multinationals.

II.2.9. Niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarden

IA, art. 140

56. Wanneer de douane gegronde twijfel heeft of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totaal van de betaalde of te betalen prijs, kan zij de aangever verzoeken om meer informatie te verstrekken.

Indien, ondanks de ontvangen informatie, er nog steeds twijfel bestaat kan de douane besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden bepaald volgens de methode van de transactiewaarde, en een bijkomende methode moet worden toegepast (Jurisprudentie: zaak C-291/15).

Dit is het geval wanneer het niet geheel duidelijk is of de douanewaarde de transactiewaarde - met andere woorden de (totale) werkelijk betaalde of te betalen prijs - is, met eventuele aanpassingen (zie de punten II.3 en II.4 hierna).

II.3. Toe te voegen elementen

DWU, art. 71

IA, art. 135 tot 138

II.3.1. Prijsaanpassingen

57. Het betreft aanpassingen op de werkelijk betaalde of te betalen prijs, wanneer bepaalde specifieke elementen die worden geacht deel uit te maken van de douanewaarde niet zijn begrepen in de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs.

De toe te voegen elementen maken het voorwerp uit van art. 71 van het DWU.

De aanpassingen dienen uitsluitend plaats te vinden op grond van objectieve en meetbare gegevens. Ten einde het werk van zowel de importeur/koper als de douane bij de vaststelling van de bij te tellen waarden zo veel mogelijk te beperken, dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van gegevens die reeds ter beschikking zijn in bescheiden waarin de handelsverrichtingen van de koper worden opgetekend.

Indien dergelijke objectieve en meetbare gegevens ontbreken is het onmogelijk een transactiewaarde vast te stellen voor de ingevoerde goederen zelf.

De prijsaanpassingen omvatten de volgende grote categorieën:

- kosten en diensten;

- royalties en licentierechten;

- opbrengsten van elke latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de goederen die de verkoper direct of indirect ten goede komen.

Bij de bepaling van de douanewaarde, worden er geen andere elementen toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen, dan hieronder beschreven.

II.3.2. Kosten en diensten

II.3.2.a. Overzicht.

58. Dienen in de douanewaarde te worden begrepen:

- de volgende kosten tot de plaats van binnenkomst van de goederen in het douanegebied van de Unie of in de douane-unie EU-Turkije:

de kosten van vervoer van de ingevoerde goederen;

de met het vervoer verband houdende kosten van het laden en van de behandeling van de ingevoerde goederen;

de verzekeringskosten van de ingevoerde goederen.

- voor zover deze ten laste komen van de koper en zij niet begrepen zijn in de werkelijk betaalde of te betalen voor de goederen prijs:

commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies;

kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen;

kosten van het verpakken, waaronder zowel het arbeidsloon als het materiaal is begrepen;

diensten door de koper geleverd.

II.3.2.b. Vervoer- en leveringskosten

DWU, art. 71 §1 e)

IA, art. 138

59. In de douanewaarde dienen alle werkelijk betaalde vracht- en leveringskosten tot op de plaats van binnenkomst in de EU te worden begrepen op voorwaarde dat deze kosten in de betaalde prijs niet reeds inbegrepen zijn. Hieronder vallen de transport-, verzekerings-, ladings-, overladings- en opslagkosten en de kosten van analyse en weging.

De uitdrukking "kosten van het vervoer ' moet ruim worden geïnterpreteerd, en moet alle kosten omvatten, of die nu hoofdzaak of bijkomstig zijn met betrekking tot het transport van de goederen naar het douanegebied van de Unie. Maar ook aangerekende bedragen door andere dienstverleners, zoals door een expediteur, indien deze bedragen verband houden met de overbrenging van de goederen naar het douanegebied van de Unie (bijvoorbeeld de kosten voor de organisatie van het vervoer van de goederen naar douanegebied van de Unie, evenals de winstmarge van de expediteur) (Jurisprudentie: zaak C-59/16).

Bij de vaststelling van de leveringskosten die in de douanewaarde moeten worden opgenomen, wordt er rekening gehouden met de kosten die werkelijk door de koper worden gedragen.

60. Wanneer goederen via dezelfde vervoerswijze worden vervoerd naar een plaats die verder is gelegen dan de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, worden de vrachtkosten bepaald naar evenredigheid van de afstand naar de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond wat de vrachtkosten zijn die volgens een standaardtarief verschuldigd zouden zijn voor het vervoer van de goederen naar de plaats waar goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.

Deze splitsing voorkomt moeilijkheden bij een verdeling op basis van de verschillende bestaande vervoertarieven. De aangever mag deze tarieven nochtans gebruiken om de kosten van vervoer vast te stellen, mits rechtvaardiging.

Deze gedeeltelijke toedeling kan ook worden toegepast wanneer het vervoer voorbij de plaats van binnenkomst in het douanegebied wordt uitgevoerd door verschillende vervoerswijzen.

Indien de verandering van vervoerswijze op de plaats van binnenkomst in het douanegebied gebeurt, worden alleen de kosten van vervoer naar deze plaats, vermeld in de desbetreffende vrachtbrief, in de douanewaarde opgenomen. Indien de wijziging van vervoerswijze vóór of na deze plaats gebeurt, wordt de regel die geldt voor de vervoerswijze die wordt gebruikt op het moment van binnenkomst in het douanegebied aangewend.

Voorbeeld van een gedeeltelijke toedeling van vervoerskosten (Conclusie nr. 9 van het Comité Douanewetboek):

De in een derde land gevestigde firma X levert in consignatie een zending aan bederf onderhevige goederen aan firma Y in de Unie. Deze goederen worden op de veiling aan een niet-verbonden koper verkocht tegen een prijs van 15.000 rekeneenheden. De totale kosten van het vervoer per vrachtwagen bedragen 11.000 rekeneenheden. Deze kosten worden als „gebruikelijk” beschouwd in de zin van artikel 142, lid 5, onder b), IA.

Hoewel de in de Unie afgelegde afstand slechts 5% van het totale traject bedraagt, wordt in een door de aangever overgelegd stuk voor die afstand 80% van de totale vervoerskosten in rekening gebracht.

De douanewaarde kan in dit geval niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 70 en artikel 74 §2 a) en b) DWU worden vastgesteld.

Voor de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 74, § 2 c) DWU moet de prijs van 15.000 rekeneenheden worden verminderd met onder meer de in de Unie gemaakte gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering, in dit geval 5% van het voor het totale vervoer betaalde bedrag van 11.000 rekeneenheden. De op de vrachtbrief vermelde fictieve en onterechte allocatie van de vervoerkosten mag niet in aanmerking worden genomen.

II.3.2.b.1. Leveringsvoorwaarden

61. In eerste instantie wordt derhalve aandacht besteed aan de leveringsvoorwaarden voor de goederen en zijn grondig te onderzoeken ongeacht de wijze van vervoer (land, zee, lucht, enz.). om zo nodig te kunnen aanpassen met elementen die wel of andere die niet in de douanewaarde te begrijpen zijn.

De leveringsvoorwaarden zijn meestal uitgedrukt door een groep van 3 letters genaamd Incoterm, gevolgd van de plaats waar deze Incoterm geldt (voorbeeld: EXW fabriek Toronto, FAS New York, FOB Tokyo, CIF Antwerpen, …). Incoterms (International Commercial Terms) zijn standaard voorwaarden opgesteld door de Internationale kamer van Koophandel, om de verantwoordelijkheden en verplichtingen van een verkoper en een koper, met name op het gebied van laden, vervoer, soort vervoer, verzekering en levering te bepalen.

In bijlage 6 wordt een overzicht gegeven van veel gebruikte termen en afkortingen in de internationale handel.

Bijlage 7 geeft een overzicht van de verschillende Incoterms S2 2010 met de verplichtingen hieromtrent voor de verkoper of de koper. S2 In bijlage 7 bis worden de verplichtingen van de verkoper of de koper met betrekking tot de Incoterms 2020 op dezelfde wijze uiteengezet. Een van de nieuwigheden van de Incoterms 2020 ten opzichte van de Incoterms 2010 is de nieuwe Incoterm DPU (Delivered at Place Unloaded) ter vervanging van de Incoterm 2010 DAT. Het enige verschil met de oude Incoterm DAT is dat de bestemming elke plaats kan zijn en niet alleen een "terminal".

In de Unie, is de douanewaarde die de belastbare basis vormt, een CIF-waarde (cost, insurance and freight) S1 met vermelding van de plaats waar deze Incoterm geldt, welke de plaats van binnenkomst is in het douanegebied van de Unie; bijvoorbeeld:

- wanneer een incoterm van de E- of F-groep (Incoterms die met E of F beginnen, bv. EXW of FOB) wordt gebruikt, moeten de kosten van vervoer en verzekering worden bijgeteld tot de plaats van binnenkomst in de Unie;

- wanneer een incoterm van de C-groep, S1 gevolgd door een plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie , wordt gebruikt, dient er geen aanpassing te gebeuren met betrekking tot de kosten van het vervoer;

- wanneer een incoterm van de D-groep, S1 gevolgd door een plaats binnen het douanegebied van de Unie , wordt gebruikt, worden de leveringskosten na het binnenbrengen in het douanegebied van de EU afgetrokken van de betaalde prijs (Zie II.4.2. hierna over niet in de douanewaarde te begrijpen elementen).

II.3.2.b.2. Gratis vervoer

62. Wanneer het vervoer kosteloos is of door de koper volledig of gedeeltelijk verstrekt is, dienen de vervoerskosten tot de plaats van binnenkomst in de Unie, berekend volgens de vrachttarieven die gewoonlijk gelden voor dezelfde vervoerswijzen in de douanewaarde van de goederen te worden opgenomen. Dit fictieve bedrag geldt enkel als toevoeging bij transportkosten maar niet voor verzekeringskosten.

Er wordt opgemerkt dat toevoeging van vrachtkosten aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs achterwege kan blijven als het de invoer van goederen betreft welke zijn vervat in de persoonlijke bagage van reizigers en die goederen toevallig ter gelegenheid van een reis naar het buitenland zijn verworven.

Het toevallig karakter wordt evenwel niet aangenomen als aan de invoer van de goederen commerciële overwegingen ten grondslag liggen of bij veelvuldige invoeren door eenzelfde persoon.

II.3.2.b.3. Kosten in de Unie

63. Het deel van de verzekeringskosten dat verband houdt met het vervoer verder binnenwaarts dan de plaats van binnenkomst hoeft niet in de aan te geven waarde te worden begrepen, maar in de praktijk is dat deel meestal onbeduidend.

Wanneer de kosten van lossing op de plaats van binnenkomst niet in de aankoopprijs zijn begrepen, dan dienen zij voor de vaststelling van de douanewaarde niet bij deze prijs geteld te worden.

Wanneer de goederen worden verkocht volgens één prijs franco bestemming, die zowel geldt voor goederen waarvan de bestemming de plaats van binnenkomst in de Unie is als voor goederen waarvan de bestemming zich bevindt op het grondgebied van de Unie, dienen de kosten in verband met het vervoer in de Unie niet te worden afgetrokken van die prijs.

Indien aangetoond is dat de prijs franco grens lager dan de prijs voor levering franco bestemming zou zijn, kan echter een dergelijke afhouding worden toegelaten.

In dit geval is het aanvaardbaar van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, ofwel een bedrag dat met de werkelijke kosten voor vervoer na de binnenkomst in het douanegebied van de EU of van de douane-unie EU-Turkije overeenstemt, ofwel bij gebrek van dit bedrag standaardkosten van dit vervoer af te trekken.

II.3.2.b.4. Kosten van weging en analyse

64. Als goederen moeten worden gewogen, onderzocht of geanalyseerd, dan dienen de kosten van dit onderzoek of de analyse ongeacht plaats of tijdstip in de waarde te worden begrepen, voor zover zij dienen te worden betaald als voorwaarde van de verkoop van de ingevoerde goederen. (Jurisprudentie: Zaak C-15/99).

65. Indien echter het wegen of het onderzoek door de koper voor zijn eigen rekening wordt verricht, worden de hierop betrekking hebbende kosten niet bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs geteld, zelfs niet in het geval de koper ingevolge een overeenkomst met de verkoper verplicht is die activiteiten voor eigen rekening te verrichten. (Jurisprudentie: Zaak 65/85).

II.3.2.b.5. Kosten van vervoer met containers

66. Containervervoer is niet te beschouwen als een „soort vervoermiddel” in de zin van artikel 138 IA aangezien het op verschillende wijzen kan plaatsvinden (over de weg, per vliegtuig, per trein of per schip) en de vervoerkosten verschillen naargelang van de gekozen wijze (Jurisprudentie: Zaak C-17/89).

Dit betekent dat wanneer een importeur een totaalprijs heeft betaald voor het vervoer tot een plaats die verder binnenwaarts is gelegen dan de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie, de bedoelde vervoerskosten moeten worden berekend;

- hetzij door rechtstreeks volgens de gebruikelijke tarieven, de kosten van het vervoer tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de EU vast te stellen.

- hetzij door van de werkelijk betaalde of te betalen kosten de volgens de gebruikelijke tarieven bepaalde kosten van het vervoer binnen het douanegebied van de EU af te trekken.

II.3.2.b.6. Overliggeld

67. Overliggeld vergoedingen - te wijten aan de overschrijding van het aantal dagen aangegeven voor het laden/lossen van een schip, en dus aan de kade blijven liggen - maken deel uit van de vervoerskosten. Er dient onderscheid te worden gemaakt indien die kosten vóór of na aankomst in het douanegebied van de Unie zijn ontstaan.

Indien die plaatsvinden voor de aankomst in het douanegebied van de Unie, moeten deze kosten worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs, indien ze echter na de aankomst in het douanegebied van de Unie zijn ontstaan, dienen deze kosten niet in de douanewaarde te worden opgenomen (Jurisprudentie: Zaak C-11/89).

II.3.2.b.7. Kosten van het luchtvervoer

68. Bij invoer door de lucht zijn de kosten van het luchtvervoer tot de plaats waar de grens van het douanegebied van de Unie of van de douane-unie EU-Turkije wordt overschreden, in de douanewaarde te begrijpen. De luchtvrachtkosten moeten worden verdeeld naar verhouding van de afstanden die buiten en in het douanegebied zijn afgelegd. Luchttransportkosten, met inbegrip van kosten bij luchtspoedzendingen, op te nemen in de douanewaarde van de goederen dienen overeenkomstig bijlage 23-01 IA DWU te worden vastgesteld (zie bijlage S4 10 ).

Deze bijlage bevat een tabel met percentages van de in de douanewaarde te begrijpen luchtvrachtkosten volgens de verschillende derde landen of luchthavens van vertrek in de derde landen, gerangschikt volgens werelddelen en zones.

II.3.2.b.8. Voorbeelden

Voorbeeld voor het bepalen van de douanewaarde van door de lucht vervoerde handelsmonsters (Conclusie 12 van het Comité Douanewaarde):

Door de lucht vervoerde handelsmonsters worden door Y in de Unie ingevoerd. Y betaalt voor deze goederen een prijs per eenheid van 5 rekeneenheden FOB. De kosten van vervoer tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie bedragen 50 rekeneenheden per monster. Bij de invoer vraagt Y de douane de theoretische kosten van vervoer over zee in plaats van de werkelijk gemaakte vrachtkosten in aanmerking te nemen.

Aangezien artikel 71, § 1, e), van het wetboek niet toelaat dat theoretische kosten van vervoer in aanmerking worden genomen, moet bij de vaststelling van de douanewaarde de prijs van 5 rekeneenheden worden verhoogd met de werkelijke te betalen transportkosten ten bedrage van 50 rekeneenheden per monster.

Voorbeeld van behandeling van extra luchtvrachtkosten wegens laattijdige verzending (Commentaar 12 van het Comité Douanewetboek):

Om te voldoen aan een contractuele leveringstermijn, kan het gebeuren dat een verkoper, in overeenkomst met de koper, voorafgaand aan het aanbieden van de goederen bij de douane de wijze van vervoer van de goederen verandert, zoals die voor douanedoeleinden werd aangegeven en zelf de extra kosten van het vervoer draagt. Deze kosten komen overeen met het verschil tussen de normale zeevrachtkosten en de kosten van het luchtvervoer.

De aangegeven douanewaarde, die gebaseerd was op de aanvankelijk voorziene prijs, moet echter de werkelijke kosten van het vervoer bevatten. Dit betekent dat bij het bepalen van de douanewaarde op basis van de oorspronkelijk voorziene prijs en de werkelijk betaalde of te betalen prijs door de koper volgens de nieuwe voorwaarden voor levering, rekening moet worden gehouden met de daadwerkelijk gemaakte kosten voor het vervoer.

Artikel 71 §1 e) DWU geldt. Alle transportkosten tot aan de plaats waar de goederen in het douanegebied van de Unie worden gebracht moeten worden opgenomen in de douanewaarde, ongeacht wie deze kosten betaalt. Indien de goederen oorspronkelijk op CIF- of FOB-basis gefactureerd zijn, moeten koper en verkoper, alvorens de goederen bij de douane aan te brengen, overeenkomen dat de factuurprijs onveranderd blijft ingeval de leveringsdatum niet kan worden gehaald en de goederen door de lucht in plaats van over zee moeten worden vervoerd. In dat geval wordt dezelfde prijs bevestigd in het kader van de nieuwe leveringsvoorwaarden CIF. Deze CIF-prijs dient als uitgangspunt voor de vaststelling van de douanewaarde.

  • Geval CIF

A koopt oorspronkelijk een artikel tegen een prijs van 40.000 EUR met als leveringsvoorwaarden "CIF haven van aankomst". Het is de bedoeling dat de goederen over zee worden vervoerd. (De vrachtkosten voor deze vervoerswijze bedragen 1.000 EUR en zijn door verkoper B in de CIF-prijs opgenomen. De prijs van de goederen is dus gelijk aan 39.000 EUR.)

Omdat B niet in staat is de afgesproken leveringsdatum te halen, worden de goederen door de lucht vervoerd. De leveringsvoorwaarden veranderen automatisch in "CIP luchthaven van aankomst". De koper betaalt dezelfde prijs van 40.000 EUR, ook al blijkt uit de luchtvrachtbrief dat B 2.000 EUR aan luchtvrachtkosten heeft betaald. Volgens de nieuwe leveringsvoorwaarden zijn de volledige vervoerskosten wederom in de prijs inbegrepen. Als gevolg van de betaalde luchtvrachtkosten van 2.000 EUR bedraagt de prijs van de goederen 38.000 EUR.

Voor de berekening van de intracommunautaire kosten kan het volledige gedeelte van de vrachtkosten dat in de gefactureerde CIP-prijs is inbegrepen (voor leveringen uit China: 30% van 2.000 EUR = 600 EUR, zie bijlage 23-01 IA) overeenkomstig artikel 72, onder a), DWU in mindering worden gebracht. De douanewaarde van de ingevoerde goederen bedraagt derhalve 39.400 EUR.

  • Geval FOB

De goederen zijn oorspronkelijk gefactureerd tegen 40.000 EUR met als leveringsvoorwaarden "FOB haven China". Het is de bedoeling dat de goederen over zee worden vervoerd. (De vrachtkosten voor deze vervoerswijze zouden 1.000 EUR bedragen en worden door koper A betaald.)

Omdat verkoper B niet in staat is de afgesproken leveringsdatum te halen, worden de goederen door de lucht in plaats van over zee vervoerd met als leveringsvoorwaarden "CIP luchthaven van aankomst". De leveringsvoorwaarden zijn dus veranderd van FOB naar CIP. Uit de luchtvrachtbrief blijkt dat de luchtvrachtkosten 2.000 EUR belopen, maar A moet nog steeds alleen de afgesproken totale aankoopprijs van 40.000 EUR betalen. Volgens de nieuwe leveringsvoorwaarden zijn de volledige vervoerskosten wederom in de prijs inbegrepen. Als gevolg van de betaalde luchtvrachtkosten van 2.000 EUR bedraagt de prijs van de goederen 38.000 EUR.

Voor de berekening van de intracommunautaire kosten kan het volledige gedeelte van de vrachtkosten dat in de gefactureerde CIP-prijs is inbegrepen (voor leveringen uit China: 30% van 2.000 EUR = 600 EUR, zie bijlage 23-01 IA) overeenkomstig artikel 72, onder a), DWU in mindering worden gebracht. De douanewaarde van de ingevoerde goederen bedraagt derhalve 39.400 EUR.

Voorbeeld van behandeling van aanvullende vliegkosten bij een opgelopen vertraging (leveringsvoorwaarde EXW of FCA)

De goederen worden door de fabrikant verkocht onder de leveringsvoorwaarde EXW of FCA. Omdat de zending dringend is geworden, worden de goederen verzonden via de lucht in plaats van per boot. De verkoper en de koper komen overeen om elk de helft van de kosten van het luchtvervoer voor zich te nemen. In dit geval moeten alleen de vervoerkosten ten laste van de koper in rekening worden gebracht waarop het in bijlage 23-01 IA vermelde percentage moet toegepast worden.

II.3.2.c. Commissies en courtages

DWU, art. 71 §1 a) i)

69. Inzake commissie- en makelaarslonen (courtages) worden alleen de verkoopvergoedingen die ten laste komen van de koper in de douanewaarde begrepen en dit ongeacht aan wie, ingezetene van douanegebied of niet, ze worden betaald.

70. Aankoopcommissies blijven buiten beschouwing bij het vaststellen van de douanewaarde, op voorwaarde dat deze "onderscheiden" zijn van de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Onder de term "aankoopcommissies" worden verstaan de vergoedingen die een importeur/koper aan zijn agent betaalt voor de dienst van het hem vertegenwoordigen bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde wordt berekend.

71. De commissionairs (en commissies)

De commissionair (of 'agent' of tussenpersoon) is een persoon die koopt of verkoopt, zo nodig onder zijn eigen naam, maar altijd voor rekening van een opdrachtgever. Hij nam deel aan de verkoopovereenkomst als vertegenwoordiger hetzij van de verkoper hetzij van de koper.

De commissionair ontvangt een commissie, meestal uitgedrukt in een percentage van de prijs van de goederen.

- Verkoop agenten zijn personen die voor rekening van een verkoper handelen. Ze zoeken klanten, verzamelen bestellingen en zorgen eventueel voor de opslag en de levering van de goederen. In het algemeen worden de goederen die werden verkocht door de agent van de verkoper niet verkregen zonder betaling van de commissie aan de verkoopagent. Deze betalingen kunnen gebeuren op de volgende manier:

Buitenlandse leveranciers die hun goederen afleveren naar aanleiding van orders die zijn geplaatst door commissionairs, waarbij ze meestal zelf deze tussenpersonen voor hun diensten betalen en de klanten globale prijzen voorstellen. In dit geval, dient bij de waardebepaling de gefactureerde prijs niet te worden aangepast om met deze diensten rekening te houden.

Indien bij de verkoop werd bepaald dat de koper bovenop de prijs voor de goederen, een commissie - die meestal rechtstreeks aan de tussenpersoon wordt afgerekend – moet betalen, dient bij de waardebepaling het bedrag van deze commissie te worden toegevoegd aan de gefactureerde prijs.

- Aankoopcommissionairs zijn personen die handelen voor rekening van de kopers door het zoeken naar leveranciers, wensen van de koper aan de verkoper mede te delen, zoeken naar monsters, inspectie van goederen en eventueel ook te zorgen voor de verzekering, vervoer, opslag en levering van de goederen.

Aankoopcommissionairs ontvangen over het algemeen een aankoopcommissie die wordt betaald door de importeur, onafhankelijk van de betaling van de prijs van de door hem aangekochte goederen.

72. Makelaars (en makelaarslonen)

Het onderscheid tussen makelaars (makelaarsloon) en commissionairs (commissies) blijft zeer theoretisch, omdat in de praktijk er nauwelijks onderscheid is tussen deze twee categorieën.

‘Makelaar’ betekent een tussenpersoon die niet handelt onder zijn eigen naam. Hij bemiddelt zowel voor de koper als voor de verkoper en heeft over het algemeen geen andere functie dan beide partijen samen te brengen bij de transactie.

Hij wordt betaald door een makelaarsloon, meestal uitgedrukt als een percentage van de door hem behandelde zaken. Het percentage ontvangen door een makelaar is evenredig aan zijn nogal beperkte verantwoordelijkheden.

- Wanneer de makelaar betaald is door de leverancier van de goederen, zal het totale bedrag van de vergoeding van de makelaar normaal inbegrepen zijn in de gefactureerde prijs; dit vormt geen probleem bij de waardebepaling.

- Wanneer deze kosten nog niet werden opgenomen, en ten laste van de koper zijn, moeten zij worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

- Aan de andere kant, indien de makelaar wordt betaald door de koper of zelfs indien elk van de partijen bij de transactie gedeeltelijk aansprakelijk voor de courtages is, wordt dit aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd voor zover zij worden betaald door de koper en nog niet zijn opgenomen in de prijs en het niet gaat om aankoopcommissies.

Uit de bepalingen van artikel 71, § 1 a) DWU volgt dat commissies en courtages die ten laste van de verkoper zijn en niet worden aangerekend aan de koper niet aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs mogen worden toegevoegd.

73. Aankoopcommissies

Enkel met behulp van de commerciële documenten ingediend ter ondersteuning van de douaneaangifte zijn het bestaan en de aard van de diensten van tussenpersonen voor de realisatie van de verkooptransactie vaak niet eenvoudig vast te stellen. Daarom dient de douane op een redelijke manier de vereiste bepalingen te volgen om zich te informeren over het bestaan en de precieze aard van de betrokken diensten.

In dat opzicht dienen alle nodige documenten om van het bestaan en de aard van deze diensten zich te verzekeren te worden ingediend bij de douane, met name het contract tussen de commissionair en de koper, orders, kredietbrieven, correspondentie waaruit duidelijk het bestaan van een contract van commissies of een link met de commissionair blijkt.

Indien de bewijzen niet volstaan om het bestaan van een link met een commissionair aan te tonen, kan de douane besluiten dat er geen link van die aard is.

Deze contracten of documenten weerspiegelen echter niet altijd duidelijk de aard van de activiteiten van de commissionair bij de vermeende koop. Het is daarom van essentieel belang de feiten te bepalen van de zaak in kwestie en andere factoren te onderzoeken:

- extra diensten verstrekt door de commissionair, die een invloed hebben op de toegepaste behandeling bij de aankoopcommissies;

- de commissionair die voor eigen rekening werkt en beschikt over eigendomsrecht van de goederen. In dit geval kan de vermeende tussenpersoon niet als een aankoopcommissionair beschouwd worden;

- de linken tussen de commissionair en de verkoper of een persoon verbonden met de verkoper die een invloed hebben op de commissionair om de belangen van de koper te vertegenwoordigen. In dit geval moet de douane nagaan of de commissionair wel degelijk handelt in naam van de koper en niet namens de verkoper of zelfs voor eigen rekening;

- extra dienstverlening door de aankoopcommissionair, die niet onder de gebruikelijke taken van zijn beroep vallen. Bijvoorbeeld, de commissionair vervoert de goederen zelf en rekent die transportkosten aan in zijn bezoldiging. De totale ontvangen bezoldiging kan niet worden beschouwd als een aankoopcommissie;

- bij bepaalde transacties stelt de commissionair een factuur op aan de importeur waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de prijs van de goederen en het bedrag van zijn eigen vergoeding. Het simpel feit van een herfacturatie maakt hem geen verkoper van de goederen. Ter staving van de aangegeven waarde kan de douane dus steeds de aangever vragen de factuur van de leverancier en verschillende andere documenten in te dienen.

II.3.2.d. Verpakkosten

DWU, art. 71 § 1 a) ii) en iii)

74. De kosten van de verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden als één geheel met de goederen worden beschouwd en de kosten van het verpakken, zowel voor arbeidsloon als voor materialen, die ten laste komen van de koper maar die niet in de betaalde of te betalen prijs zijn begrepen, dienen daaraan te worden toegevoegd.

Volgens de inleidende bepalingen van het Gebruikstarief worden onder “verpakkingsmiddelen” verstaan, alle uitwendige en inwendige bergingsmiddelen, omhulsels, opwindmiddelen en dergelijke voorzieningen, met uitsluiting van vervoermiddelen - met name containers -, dekkleden en het stuw- en hulpmateriaal.

In veel gevallen worden goederen ingevoerd in verpakkingen of verpakkingsmiddelen (o.m. kisten, glazen flessen, stalen cilinders, enz.) die niet met de goederen zijn verkocht en die worden teruggezonden. Deze verpakkingsmiddelen worden tegen een vergoeding ter beschikking gesteld door de afzender van de goederen of door een vervoermaatschappij of kunnen eigendom zijn van de koper van de goederen. In dergelijke gevallen dient de waarde van de verpakkingsmiddelen niet te worden begrepen in de belastbare waarde van de goederen maar er dient wel rekening gehouden te worden met de werkelijk opgelopen kosten.

75. Wanneer de verpakking evenwel niet inbegrepen is bij de voor de goederen te betalen prijs, maar wel aan de buitenlandse verkoper dient te worden geretourneerd (bijvoorbeeld vaten bier, flessen en bierkratten) en de koper aan de verkoper een financiële vergoeding verschuldigd is voor de niet geretourneerde verpakkingen, dan is deze vergoeding een kost in de zin van artikel 71, § 1 a) DWU. Bijgevolg dient de douanewaarde van de goederen a posteriori te worden aangepast en de betaling van het ontbrekende deel van de rechten op de kosten van de niet-geretourneerde verpakking te eisen (Jurisprudentie Zaak 357/87).

76. In de bijzondere omstandigheid dat de huurkosten afzonderlijk worden aangerekend, wordt met de werkelijke kosten opgelopen buiten het douanegebied rekening gehouden, m.a.w. indien enkel huurkosten voor de heenreis worden aangerekend dan komen deze slechts in aanmerking tot op de plaats van binnenkomst in het douanegebied. Worden de huurkosten voor de terugzending van de ledige verpakkingsmiddelen eveneens in rekening gebracht dan wordt de totale in de waarde te begrijpen huurkosten als volgt berekend:

- bij de invoer: tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied;

- bij de wederuitvoer (statistische waarde): vanaf dezelfde plaats tot de plaats van bestemming in het buitenland.

De principes van voorgaand lid zijn eveneens van toepassing indien de verpakkingsmiddelen eigendom zijn van de koper van de goederen. Alsdan worden de in de douanewaarde te begrijpen kosten vastgesteld op grond van de gebruikelijke tarieven voor de huur van eenzelfde soort verpakkingsmiddel.

77. Wanneer verpakkingsmiddelen bij meer dan één invoer zullen worden gebruikt, worden de kosten daarvan, op verzoek van de aangever, overeenkomstig algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen, naar verhouding toegedeeld.

II.3.2.e. Toeleveringen door de koper

DWU, art. 71 § 1 b)

IA, art. 135

78. Sommige prestaties van de koper ten gunste van de verkoper, die veeleer in de vorm van bepaalde goederen of diensten dan in de vorm van geld kunnen worden verstrekt, behoren tot de transactiewaarde.

De waarde van deze bijdragen moet worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs enkel indien:

- ze niet al opgenomen zijn in de werkelijk betaalde of te betalen prijs;

- ze worden geleverd door de koper, hetzij gratis of tegen verminderde prijs;

- ze zijn direct of indirect geleverd door de koper; indien de koper de opdracht geeft aan een leverancier in hetzelfde land als de verkoper om gereedschap te leveren die nodig is voor de vervaardiging van de goederen die worden ingevoerd door de koper, betekent dit een indirecte toelevering;

- ze worden gebruikt tijdens de productie en de verkoop voor uitvoer van de goederen die worden ingevoerd; enkel de werktuigen die daadwerkelijk en direct in het productieproces van de ingevoerde goederen voorkomen moeten worden in aanmerking genomen;

- ze zijn gebaseerd op objectieve en meetbare gegevens.

Deze toeleveringen zijn de volgende:

- materialen, delen, onderdelen en dergelijke goederen verwerkt in de ingevoerde goederen;

- werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke goederen, gebruikt bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen;

- materialen, verbruikt bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen; het betreft producten die worden gebruikt bij de productie, maar die niet altijd worden teruggevonden in het eindproduct (gas, benzine, elektriciteit, ...);

- engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen, die buiten de Unie zijn verricht of vervaardigd en die noodzakelijk zijn voor de voortbrenging van de ingevoerde goederen, kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen uitgezonderd.

Wanneer de toeleveringen gratis of tegen verminderde prijs worden geleverd, zal hun waarde in de douanewaarde van de ingevoerde goederen op een gepaste manier worden opgenomen. Wanneer de bijdragen bestaan uit engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen, wordt hun waarde slechts in de douanewaarde opgenomen indien deze werken elders dan in de EU plaats vonden.

Bij de toedeling aan de ingevoerde goederen van de waarde van de hiervoor bedoelde elementen die door de koper worden geleverd, tellen twee factoren mee, te weten, de waarde van het element zelf en de wijze waarop die waarde moet worden toegedeeld aan de ingevoerde goederen. De toedeling van deze elementen dient op een redelijke en voor de omstandigheden gepaste wijze en in overeenstemming met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen te geschieden. Hun waarde wordt proportioneel verdeeld over de ingevoerde goederen.

De gebruikte methode van toedeling hangt af van de door de importeur verstrekte gegevens.

79. Het land waar de toeleveringen plaats vinden maakt niets uit om te bepalen of bepaalde producten of diensten onder het toepassingsgebied van artikel 71 §1 b) DWU vallen. Bijvoorbeeld, kunnen de toeleveringen vóór hun levering aan de fabrikant, fysiek aanwezig zijn in het land waar de ingevoerde goederen worden geproduceerd. Anderzijds kunnen zij naar de producent worden vervoerd uit een derde land of zelfs uit de Europese Unie.

Echter, overeenkomstig de bepalingen van artikel 71 § 1 b) iv) DWU, mag de waarde van engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen aangewend voor de productie van de goederen niet toegevoegd worden indien dergelijke werken werden uitgevoerd in de EU.

80. Waarde van de toeleveringen

Voor wat betreft de waarde van de toelevering, geldt dat, indien de importeur/koper het element tegen bepaalde kosten verkrijgt van een verkoper die niet met hem is verbonden, die kosten de waarde van het element vormen. De aankoopprijs bevat de volledige betaling door de koper om de goederen of diensten te verwerven.

De leveringskosten van de toeleveringen aan de fabrikant van de ingevoerde goederen dienen noch aan de kost van verwerving noch aan de productiekost van de toeleveringen te worden toegevoegd. Indien deze leveringskosten bij verwerving reeds in de prijs zitten, blijven die kosten in de aankoopprijs begrepen.

Voorbeeld (Commentaar 1 van het Comité Douanewetboek):

Firma A in de EU plaatst bij firma B in derde land X een opdracht voor de vervaardiging van overhemden. A levert B kosteloos de knopen en het weefsel waaruit de overhemden worden vervaardigd. A koopt het weefsel bij firma C in derde land Y, met als leveringsvoorwaarde „CIF haven van lossing” in land X. A vervaardigt de knopen in zijn eigen fabriek in derde land Z. Zowel het weefsel als de knopen zijn toeleveringen in de zin van artikel 71, § 1, b) DWU. De waarde van het weefsel, voor de toepassing van die bepaling, is de prijs CIF haven van lossing. De waarde van de knopen wordt uitsluitend gevormd door de kosten van voortbrenging en omvat geen leveringskosten.

Indien de toelevering wordt voortgebracht door de importeur/koper of door een met hem verbonden persoon, wordt de waarde ervan gevormd door de kosten van voortbrenging (= industriële kostprijs + algemene onkosten).

Indien de waarde van de goederen en diensten die door de koper worden geleverd niet kan worden bepaald op basis van hun productiekost of hun aankoopprijs dient deze waarde aan de hand van objectieve en meetbare gegevens te worden bepaald. Bijvoorbeeld wanneer de koper deze goederen en diensten aankoopt bij een met hem verbonden persoon; waarbij de verbondenheid de prijs heeft beïnvloed; kan de verkoopprijs niet worden aanvaard.

Indien de toelevering wordt gehuurd door de koper geldt het volledig betaalde bedrag van het huurcontract als waarde van de toelevering.

Indien de toelevering tevoren is gebruikt door de importeur/koper, daargelaten of het was verkregen of vervaardigd door die importeur/koper, moeten de oorspronkelijke kosten van verkrijging of voortbrenging naar beneden worden aangepast om dat gebruik tot uitdrukking te brengen en aldus te komen tot de waarde van het element.

Voor wat betreft de materialen, bestanddelen, onderdelen en gelijkaardige elementen die in de goederen verwerkt worden, wordt de waarde van de toelevering gebaseerd op de totale prijs van deze elementen die nodig zijn voor de productie van de ingevoerde goederen. Er zal geen aanpassing gebeuren bij verlies als gevolg van de verwerking van de ingevoerde goederen.

81. Waarde van de toeleveringen die niet in de prijs zijn begrepen

Het contract voor de levering van de goederen en de betrokken factuur kunnen aantonen tot waar de waarde van de toeleveringen niet werd opgenomen in de prijs van de ingevoerde goederen. Het bedrag van deze niet inbegrepen waarde dient te worden aangegeven bij de douane en maakt deel uit van de douanewaarde.

Voorbeeld (Commentaar 1 van het Comité Douanewetboek):

Bedrijf A in de Unie voert overhemden in die in opdracht van A en met door A geleverde materialen door bedrijf B in derde land X zijn vervaardigd. Het contract bepaalt dat de materialen door A aan B worden geleverd tegen 40% van de kostprijs van A. Op de factuur van B aan A is een bedrag vermeld voor de vervaardiging en levering van overhemden. Men mag ervan uitgaan dat de 40% materiaalkosten in het door B aan A in rekening gebrachte bedrag zijn inbegrepen. De waarde van de materialen voor de toepassing van artikel 71, § 1, b), wordt gevormd door de totale kosten ervan. Het bedrag van die waarde dat niet bij de prijs van de ingevoerde goederen is inbegrepen, beloopt 60% van de totale kosten van de toelevering. Het bedrag van de waarde van de toelevering dat alsnog in de douanewaarde van de overhemden moet worden opgenomen, is derhalve het laatstgenoemde bedrag.

82. Verdeling

De waarde van de toeleveringen dient in de douanewaarde van de effectief verwerkte en ingevoerde goederen enkel in verhouding tot de totale overeengekomen hoeveelheid ten opzichte van het totale vermogen te worden bijgeteld.

Voorbeeld :

Koper A gevestigd in EU zendt een matrijs aan verkoper B gevestigd in een derde land X met als doel om 500 eenheden te produceren en die in te voeren. De matrijs heeft een totale productiecapaciteit van 1000 eenheden en een waarde van 1000 c.u., waarbij er slechts een contract voor 500 eenheden werd afgesloten.

Hierbij kunnen volgende situaties plaatsvinden:

a) 500 andere eenheden kunnen worden geproduceerd en later ingevoerd in de EU (maar nog niet afgesproken);

b) 500 andere eenheden zullen worden geproduceerd en later ingevoerd in EU (reeds afgesproken);

c) 500 andere eenheden zullen worden geproduceerd en later in een derde land ingevoerd (reeds afgesproken);

d) Er worden geen eenheden meer geproduceerd.

Oplossing :

e) De helft van de totale capaciteit van de matrijs wordt gebruikt bij de productie van de goederen. Bijgevolg dient de helft van de verkoopprijs – dit is 500 c.u. - van de matrijs te worden opgenomen in de douanewaarde als toelevering. Indien na de productie en de invoer van 500 eenheden, B eigenaar wordt van de matrijs, zal de resterende 500 c.u. worden toegevoegd aan de prijs van de goederen als indirecte betaling aan B.

f) Verdeling: 50% van de waarde van de matrijs moet worden opgenomen omdat slechts 50% van de matrijs betrekking heeft op de ingevoerde goederen. Een andere mogelijkheid zou zijn om de totale waarde van de toelevering in de douanewaarde op te nemen gezien de andere 500 eenheden reeds werden overeengekomen op het moment van invoer.

g) Zoals b)

h) Zoals a)

83. Kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen

De bedoeling van artikel 135 §5 IA is om te voorkomen dat kosten van meer algemene aard in de douanewaarde worden opgenomen, daar het heel moeilijk is om die te identificeren met en toe te schrijven aan de ingevoerde goederen.

In dergelijke gevallen wordt ervan uitgegaan dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen de ingevoerde goederen en de intellectuele dienst.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen het fundamenteel en het toegepast onderzoek.

Gelet op het feit dat het toegepast onderzoek meer specifiek "product gericht" is, is het te rechtvaardigen dat met kosten van fundamenteel onderzoek bij het bepalen van de douanewaarde geen rekening wordt gehouden.

84. De waarde van de diensten door de koper geleverd omvat de kosten van mislukte ontwikkelingsactiviteiten voor zover deze activiteiten plaatsvonden voor projecten of orders met betrekking tot de ingevoerde goederen.

II.3.3. Royalties en licentierechten

DWU, art. 71 §1 c)

IA, art. 136

85. Bij vaststelling van de transactiewaarde dient de betaalde of te betalen prijs te worden verhoogd met de royalty's en licentierechten, die de koper als voorwaarde voor de verkoop van de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, hetzij direct, hetzij indirect moet betalen, voor zover deze niet reeds in bovengenoemde prijs zijn begrepen.

II.3.3.a. Algemeenheden

86. Ingevoerde goederen bevatten soms elementen (bijvoorbeeld intellectuele eigendomsrechten), waarbij de betaling voor het gebruik van die rechten als royalty’s en licentierechten wordt omschreven.

Indien deze betalingen reeds in de prijs van goederen worden begrepen, zijn ze automatisch opgenomen in de douanewaarde.

Indien de waarde van dergelijke elementen niet in de prijs van de goederen wordt opgenomen, is de toevoeging van deze betalingen bij het bepalen van de douanewaarde voorzien.

Art. 136 verduidelijkt de bepaling van art. 71 DWU. Er worden enkele nieuwe bepalingen ingevoerd die relatief gering zijn en waarvan het merendeel beperkt blijven tot een simpele herformulering van de voor de hand liggende aspecten van de voornaamste regels van art. 71 DWU. S4

87. Het douanewetboek van de Unie en Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 (IA) geven geen enkele definitie over royalty’s en licentierechten. Dit is wel terug te vinden in artikel 12, lid2 van (FR); “Modèle de la Convention fiscale concernant le revenu et la fortune 2014 (OCDE)” of (EN); “Model Tax Convention on Income and on Capital 2014 (OECD)”: “vergoedingen van welke aard dan ook voor het gebruik van, of voor het recht van gebruik van, een auteursrecht op een werk op het gebied van letterkunde, kunst, wetenschap, daaronder begrepen bioscoopfilms en software, van een octrooi, een fabrieks- of handelsmerk, een tekening of model, een plan, een geheim recept of een geheime werkwijze, of voor inlichtingen omtrent ervaringen op het gebied van nijverheid, handel of wetenschap, vergoedingen voor het gebruik van industriële, commerciële of wetenschappelijke uitrusting”.

Deze definitie geeft aan dat royalty's en licentierechten betalingen zijn voor een reeks van immateriële rechten. Het feit dat noch de DWU noch de verordening IA onderscheid maakt tussen de verschillende rechten betekent dat die royalty's en licentierechten voor het recht tot het gebruik van een fabrieks- of handelsmerk niet langer het onderwerp uitmaken van specifieke bepalingen, maar nu gewoon vallen onder de algemene bepalingen van art. 71 DWU en art. 136 IA.

II.3.3.b. Voorwaarden om de royalty’s en licentierechten toe te voegen aan de betaalde of te betalen prijs

88. De royalty of het licentierecht is evenwel slechts aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toe te voegen, indien:

- de royalty's en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen,

- de royalty's en licentierechten hebben betrekking op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald en

- de koper als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen direct of indirect de royalty of het licentierecht moet betalen.

Dienen echter niet aan de prijs te worden toegevoegd:

- de kosten die zijn gemaakt ter verkrijging van het recht de goederen in de Unie te verveelvoudigen;

- de betalingen die de koper doet voor het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen indien dergelijke betalingen geen voorwaarde uitmaken van de verkoop voor uitvoer naar de Unie van de ingevoerde goederen.

Wanneer royalty's en licentievergoedingen verschuldigd zijn, dient bij de waardebepaling vaak de verkoopovereenkomsten, octrooibrieven en zelfs productiemethoden grondig te worden bekeken.

Dit onderzoek heeft tot doel het:

- nagaan of een vergoeding voor het gebruik van intellectuele of industriële rechten verschuldigd is, dit aan de hand van de ter beschikking zijnde elementen (factuur, D.V.1, contract);

- nagaan of deze vergoeding al dan niet in de factuurprijs is begrepen;

- nagaan of de gefactureerde of aangegeven vergoeding het totaal verschuldigde bedrag is.

Ten aanzien van de voorwaarden waaraan de royalty's en licentierechten dienen te beantwoorden om in de douanewaarde te worden begrepen kan het volgende gepreciseerd worden.

II.3.3.b.1. Betrekking hebben op de ingevoerde goederen

89. Of de royalty of het licentierecht betrekking heeft op de ingevoerde goederen is afhankelijk van het feit of er een direct verband bestaat tussen deze goederen en de royalty of het licentierecht. Deze band is doorgaans aanwezig als het de invoer van gerede producten betreft en de royalty of het licentierecht verschuldigd is voor de patenten verwerkt in deze goederen of voor het gebruik van het merk.

De royalty’s en licentierechten hebben met name betrekking op de ingevoerde goederen wanneer de krachtens de licentie- of royaltyovereenkomst overgedragen rechten in de goederen zijn belichaamd (art 136 § 1 IA), of wanneer de goederen onder licentie bestanddeel of component zijn van de ingevoerde goederen.

Om vast te stellen indien een royalty betrekking heeft op de te waarderen goederen, is de essentiële vraag om vast te stellen wat de licentienemer ontvangt in ruil voor de betaling van de royalty's. Bijvoorbeeld de know-how omvat de verstrekking van tekeningen, recepten, formules en algemene instructies voor het gebruik van het product onder licentie.

Daarentegen mogen de royalty's betaald voor het verrichten van diensten, zoals de opleiding van het personeel van de licentienemer bij de vervaardiging van het product, de technische bijstand voor het beheer, de administratie of marketing, niet worden opgenomen in de douanewaarde.

II.3.3.b.2. Voorwaarde zijn van de verkoop

90. Artikel 136, § 4 IA bepaalt: “De royalty’s en licentierechten worden geacht te zijn betaald als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de verkoper of een met hem verbonden persoon verlangt deze betaling van de koper”;

Artikel 136 IA toont duidelijk met andere woorden aan wat bedoeld wordt met "voorwaarde voor de verkoop": in dit geval, wanneer de verkoper van de ingevoerde goederen of een met hem verbonden persoon de koper vraagt om de royalty’s te betalen. Deze vraag tot betaling kan soms worden teruggevonden op de factuur.

b) “de betaling door de koper is gedaan om te voldoen aan de verplichting van de verkoper, in overeenstemming met contractuele verplichtingen”;

Het begrip "voorwaarde voor de verkoop" verwijst niet alleen naar de gestelde voorwaarden door de verkoper, maar eveneens naar de voorwaarden waaraan verkoper en koper zich verbinden.

Royalty's en licentierechten worden vaak vastgelegd in een afzonderlijk schriftelijk contract of formele verbintenis; dit contract bepaalt het product onder licentie, de aard van de rechten die zijn toegewezen en verstrekte know-how, verantwoordelijkheden van de licentiehouder en de licentienemer, de methoden van berekening en betaling van royalty's, de rechtsgevolgen bij niet-betaling enz.

In de meeste gevallen wordt in de verkoopovereenkomst van de goederen niet expliciet vermeld dat er royalty's en licentierechten moeten worden betaald. Het is dus aangewezen om de licentieovereenkomst te bekijken en na te gaan of er een link bestaat met de ingevoerde goederen of met het verkoopcontract.

c) “de goederen kunnen niet worden verkocht aan of aangekocht door de koper zonder betaling van royalty’s of licentierechten aan een licentiegever”.

De verordening stelt enkel dat de royalty’s in de regel betaald worden aan de houder van de licentierechten (licentiegever) en zijn gewoonlijk betaald door de koper van de goederen.

Deze laatste voorwaarde, waarbij de verkoper de goederen kan verkopen of de koper die kan kopen zonder betaling van een royalty of licentierecht, kan impliciet of expliciet zijn. In sommige gevallen wordt dit in de licentieovereenkomst uitdrukkelijk vermeld, maar het is niet vereist dat dit gespecificeerd wordt.

Royalty’s kunnen worden betaald aan de verkoper of aan een derde partij. Betalingen aan een derde partij kunnen worden gesteld om te voldoen aan een verplichting van de verkoper. Deze derde partij mag de eigenaar of de gever van die rechten zijn.

De woonplaats van de personen aan wie de royalty's en licentierechten worden betaald maakt niets uit.

Artikel 136 IA beweert niet dat royalty's en licentierechten automatisch moeten worden opgenomen in de douanewaarde, noch dat de basisvoorwaarden geacht worden te zijn voldaan, tenzij de aangever het tegendeel bewijst.

Het is eveneens niet vereist dat de douane te allen tijde moet zoeken om te bepalen of, bij gebrek aan betaling van royalty's, een verkoper kan verkopen of een koper kan kopen, ongeacht de contractuele regelingen; voorrang moet worden gegeven aan commerciële omstandigheden en passende contractuele bepalingen. Alle omstandigheden rond de verkoop (en de invoer van de goederen) moeten worden beschouwd, indien nodig, met inbegrip van mogelijke linken tussen de verkoop en de licentieovereenkomsten en andere nuttige informatie.

II.3.3.c. Berekeningswijze

91. Ten aanzien van de berekeningswijze van de royalty of het licentierecht wordt opgemerkt dat wanneer deze met de prijs van het ingevoerde goed verband houdt, behoudens bewijs van het tegendeel, wordt verondersteld dat de betaling van die royalty of dat licentierecht op het goed waarvan de waarde wordt bepaald, betrekking heeft.

Wanneer echter het bedrag van een royalty of licentierecht onafhankelijk van de prijs van het ingevoerde goed wordt berekend, kan de betaling van die royalty of dat licentierecht niettemin op het goed waarvan de waarde wordt bepaald, betrekking hebben. De berekeningswijze van de royalty of het licentierecht heeft m.a.w. alleen indicatieve waarde met betrekking tot de vraag of de royalty of het licentierecht al dan niet betrekking heeft op de ingevoerde goederen en is geen doorslaggevende factor om die op te nemen in de douanewaarde.

II.3.3.d. Onderdelen

92. Wanneer daarentegen het ingevoerde goed uitsluitend een ingrediënt, bestanddeel of onderdeel is van in de EU te vervaardigen goederen zal de voor het ingevoerde goed werkelijk betaalde of te betalen prijs slechts kunnen worden aangepast als de royalty of het licentierecht werkelijk op dat goed betrekking heeft.

In dit verband wordt aangestipt dat betalingen voor het recht van fabricage en/of assemblage of voor het recht tot gebruik van patenten waarvan bij de fabricage en/of assemblage in de EU gebruik zal gemaakt worden, niet kunnen aangemerkt worden als "betrekking hebbend op de ingevoerde goederen". Het betreft hier immers betalingen voor activiteiten die na de invoer zullen plaatsvinden. Dergelijke royalty's of licentierechten kunnen derhalve niet tot een bijtelling leiden.

Bij invoer van niet specifieke grondstoffen, d.w.z. gangbare artikelen, die in de EU worden verwerkt in goederen waarop naderhand royalty's of licentievergoedingen dienen betaald te worden, dient met voornoemde vergoedingen evenmin rekening gehouden te worden. Deze vergoedingen hebben immers geen betrekking op de ingevoerde gangbare artikelen.

Anders ligt het met royalty's of licentierechten die worden betaald voor het recht tot gebruik van reeds in de ingevoerde onderdelen of grondstoffen, verwerkte patenten. Dergelijke betalingen hebben wel betrekking op de ingevoerde goederen en dienen derhalve bij de koopprijs daarvan geteld te worden voor zover ze er niet reeds zijn in begrepen en een voorwaarde van de verkoop uitmaken.

Wanneer goederen in niet-gemonteerde staat worden ingevoerd of wanneer ze voor hun doorverkoop slechts een eenvoudige behandeling, zoals verdunning of verpakking moeten ondergaan, sluit dat niet uit dat de royalty of het licentierecht mag worden aangemerkt als op de ingevoerde goederen betrekking te hebben.

Het kan ook voorkomen dat de royalty's of licentierechten gedeeltelijk betrekking hebben op de ingevoerde goederen en gedeeltelijk op andere ingrediënten of bestanddelen die slechts na invoer aan de ingevoerde goederen worden toegevoegd of op verrichtingen of diensten na invoer. In dit geval dient een passende proportionele verdeling van de royalty's of licentierechten over de onderscheiden elementen te gebeuren aan de hand van objectieve en meetbare gegevens.

II.3.3.e. Voorbeelden

Advies nr. 4-1 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Wanneer een machine die is vervaardigd overeenkomstig een geoctrooieerd proces wordt verkocht voor uitvoer naar het land van invoer, tegen een prijs waarvan het octrooirecht is uitgesloten en die de importeur, in opdracht van de verkoper, betaalt aan een derde, moet de royalty worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs aangezien de betaling van de royalty door de koper betrekking heeft op de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald en een voorwaarde vormt voor de verkoop ervan.

Advies nr. 4-2 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Platen met muziekopnamen worden door een importeur van een fabrikant gekocht. Krachtens de wetgeving van het land van invoer moet de importeur wanneer hij de platen verkoopt een royalty van 3% van de verkoopprijs aan een derde, de auteur van de compositie die een copyright bezit, betalen. Geen enkel deel van de royalty komt rechtstreeks of onrechtstreeks de fabrikant ten goede, en wordt evenmin betaald als verplichting die uit het verkoopcontract voortvloeit.

De royalty moet niet worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs om de douanewaarde te bepalen. De betaling van de royalty vormt geen voorwaarde voor de verkoop voor de uitvoer van de ingevoerde goederen, maar vloeit voort uit de wettelijke verplichting die aan de importeur oplegt om de royalty te betalen aan de auteur die het copyright bezit bij de verkoop van platen in het land van invoer.

Advies nr. 4-3 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Importeur I verwerft het recht om een aan een octrooi onderworpen proces voor de vervaardiging van bepaalde producten te gebruiken en komt overeen de octrooihouder H een royalty te betalen op basis van het aantal door middel van dat proces geproduceerde artikelen. Krachtens een afzonderlijk contract met een buitenlandse fabrikant E ontwerpt en koopt I van deze fabrikant E een machine die speciaal bestemd is voor de uitvoering van het geoctrooieerde proces. Vormt de royalty voor het geoctrooieerde proces een deel van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de ingevoerde machine?

Hoewel de betaling van de betrokken royalty bestemd is voor een proces dat in deze machine belichaamd is en het gebruik van dit proces de enige functie van de machine is, maakt deze royalty geen deel uit van de douanewaarde aangezien de betaling ervan geen voorwaarde is voor de verkoop voor uitvoer van de machine naar het land van invoer.

Advies nr. 4-4 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Een geoctrooieerd concentraat wordt aangekocht door een importeur van de Unie I van fabrikant M die tevens octrooihouder is; het ingevoerde concentraat wordt eenvoudig met gewoon water verdund en verpakt alvorens in de EU te worden verkocht.

De koper moet, bovenop de prijs van de goederen, aan fabrikant M als voorwaarde voor de verkoop een royalty betalen voor het recht om het geoctrooieerd concentraat te integreren in of te gebruiken voor producten die zijn bestemd voor wederverkoop. Het bedrag van de royalty wordt berekend op grond van de verkoopprijs van het eindproduct.

De royalty is een betaling die is gerelateerd aan ingevoerde goederen die de koper moet betalen als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen en die bijgevolg moet worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Dit advies beoogt het geval van een royalty betaald voor het octrooi geïntegreerd in ingevoerde goederen. Het is niet van toepassing in andere omstandigheden.

Advies nr. 4-5 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Een buitenlandse fabrikant M bezit een in de EU beschermd fabrieks- of handelsmerk. Importeur I fabriceert en verkoopt onder het fabrieks- of handelsmerk van M zes soorten cosmetica.

I moet aan M een royalty betalen van 5% van zijn bruto jaaromzet die te wijten is aan alle cosmetica die zijn verkocht onder het handelsmerk van M. Al deze cosmetica is vervaardigd overeenkomstig de formule van M, gewonnen uit ingrediënten verkregen in de EU, met uitzondering van één enkel cosmeticaproduct waarvan de essentiële ingrediënten normaal gesproken door M worden verkocht.

De royalty moet aan M worden betaald ongeacht of I de ingrediënten van M gebruikt dan wel die van plaatselijke leveranciers; deze vormt derhalve geen voorwaarde voor de verkoop van de goederen, en dus moet de royalty niet worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de ingevoerde goederen.

S4 Advies nr. 4-7 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Er is een overeenkomst gesloten tussen platenmaatschappij R en artiest A, beide gevestigd in land van uitvoer X. Volgens de overeenkomst ontvangt A een royalty voor elke in de detailhandel verkochte opname als tegenprestatie voor de overdracht door A van wereldwijde reproductie-, marketing- en distributierechten. R sluit vervolgens een distributie- en verkoopovereenkomst met importeur I om I platen te leveren waarop een uitvoering van artiest A is opgenomen voor wederverkoop in het land van invoer. Als onderdeel van die overeenkomst draagt R de marketing- en distributierechten over aan I en verlangt van I in ruil daarvoor een royaltybetaling van 10% van de detailhandelsprijs van elke plaat die wordt gekocht en ingevoerd in het land van invoer. I dient de betaling van 10% in bij R.

De betaling van royalty's is een voorwaarde voor de verkoop omdat I verplicht is dit bedrag te betalen als gevolg van de distributie- en verkoopovereenkomst met R. Om zijn commerciële belangen te beschermen zou R de platen niet aan I hebben verkocht als I niet met deze voorwaarden had ingestemd.

De betaling heeft betrekking op de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, aangezien zij wordt gedaan voor het recht om de specifieke geïmporteerde goederen op de markt te brengen en te verdelen, en het bedrag van de royalty zal variëren naargelang van de werkelijke verkoopprijs van een bepaalde plaat.

Het feit dat R op zijn beurt verplicht is een "royalty" te betalen aan A met betrekking tot de wereldwijde verkoop van A's uitvoeringen, is niet relevant voor de overeenkomst tussen R en I. I betaalt rechtstreeks aan de verkoper en het is voor I niet van belang hoe R zijn bruto-inkomsten beheert. De royaltybetaling van 10% moet daarom worden opgeteld bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Advies nr. 4-10 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Importeur I in land P koopt kleding bij een fabrikant M die in land X gevestigd is. M is ook de houder van een handelsmerk voor bepaalde stripfiguren. Volgens de bepalingen van de licentieovereenkomst tussen I en M zou M de kledingstukken uitsluitend voor I produceren en de stripfiguren en het handelsmerk vóór de invoer aanbrengen en heeft I het recht om deze kledingstukken door te verkopen in land P. Als tegenprestatie voor dit recht stemt I ermee in om M, naast de prijs voor de kledingstukken, een licentievergoeding te betalen die wordt berekend als een percentage van de nettoverkoopprijs van de kledingstukken waarop de stripfiguren en het handelsmerk zijn aangebracht.

De betaling van de licentievergoeding voor het recht tot wederverkoop van de ingevoerde kledingstukken die van een handelsmerk zijn voorzien, is een voorwaarde voor de verkoop en heeft betrekking op de ingevoerde goederen. De ingevoerde goederen kunnen niet worden gekocht en doorverkocht zonder de stripfiguren en het handelsmerk. Daarom moet deze betaling bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden opgeteld.

Advies nr. 4-11 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Fabrikant M van sportkleding en importeur I zijn allebei verbonden aan het moederbedrijf C die de rechten bezit voor het fabrieks- of handelsmerk dat op deze kleding is aangebracht. Het verkoopcontract gesloten tussen M en I voorziet niet in de betaling van een royalty. Krachtens een afzonderlijke overeenkomst met C is I echter verplicht om aan C een royalty te betalen om het fabrieksmerk te mogen gebruiken dat is aangebracht op de sportkleding die I van M koopt.

Het verkoopcontract tussen M en I dat betrekking heeft op de goederen die het voorwerp uitmaken van een fabrieks- of handelsmerk, bevat geen clausule die expliciet de betaling van een royalty oplegt. De betaling in kwestie is echter een voorwaarde voor de verkoop aangezien I de royalty aan het moederbedrijf moet betalen wegens de aankoop van de goederen. I mag het fabrieks- of handelsmerk niet gebruiken tenzij I de royalty betaalt. Ook al is er geen schriftelijke overeenkomst met het moederbedrijf, moet I de betaling aan het moederbedrijf uitvoeren.

Daarom heeft de betaling om het merk te mogen gebruiken betrekking op de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald en moet die betaling worden toegevoegd aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Advies nr. 4-12 van het Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO

Importeur I en verkoper S sluiten een verkoopovereenkomst betreffende de levering van een walserij. Dit materiaal is bestemd om te worden geïntegreerd in een reeds bestaande ononderbroken reeks van walsdraad in het land van invoer. In de walserij wordt een technologie ingebouwd waarbij een geoctrooieerd proces wordt aangewend dat de walserij moet toepassen. Bovenop de prijs van het materieel is de importeur verplicht 15 miljoen m.e. als licentierechten te betalen voor het recht om van het geoctrooieerde proces gebruik te maken. De importeur betaalt het materieel en het licentierecht aan verkoper S die alle licentierechten aan de houder van de licentie overhandigt.

Het licentierecht komt overeen met een technologie die in de walserij is ingebouwd en waarmee de walserij het geoctrooieerde proces kan toepassen. De walserij is uitdrukkelijk gekocht om van de geoctrooieerde werkwijze gebruik te maken. Aangezien het proces waarvoor het licentierecht van 15 miljoen m.e. is gestort, betrekking heeft op de te beoordelen goederen en het een voorwaarde voor de verkoop is, moet het aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de ingevoerde walserij worden toegevoegd.

S3 Voor meer voorbeelden, zie bijlage 11.

II.3.4. Winstdeling

DWU, art. 71 §1 d)

93. De waarde van elk deel van de opbrengsten van een latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de ingevoerde goederen dat rechtstreeks of onrechtstreeks ten goede komt aan de verkoper dient bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs gevoegd te worden.

Kunnen deze bedragen niet worden vastgesteld dan is bepaling van de transactiewaarde niet mogelijk en dient de douanewaarde te worden bepaald aan de hand van één van de volgende methoden.

Het betreft hier overeenkomsten van winstdeling (zg. "conta a meta affaires"), waarbij tussen importeur/koper en buitenlandse leverancier winstdeling is bedongen. De goederen worden alsdan voorlopig gefactureerd tegen een afgesproken minimumprijs. Daar deze prijs niet de werkelijk betaalde of te betalen prijs is voor de ingevoerde goederen zal hij niet de transactiewaarde zijn.

Uiteindelijk moet de minimumprijs worden verhoogd met de bedragen, die bij de eindafrekening werkelijk worden gekweten.

Voorbeeld: Casestudy nr. 2-2 van het Technisch Comité inzake de douanewaarde van de WDO

Een vennootschap C die in het land X is gevestigd, bezit in verschillende landen dochtervennootschappen waarvan zij de exploitatievoorwaarden bepaalt. Sommige van die dochtervennootschappen zijn fabrikanten, andere groothandelaars.

Importeur I die in de Unie is gevestigd en dochtervennootschap is van vennootschap C, is een groothandelaar in mannen-, vrouwen- en kinderkleding. Hij koopt de mannenkleding bij fabrikant M, die een andere dochtervennootschap van vennootschap C is en ook in land X is gevestigd. De vrouwen- en kinderkleding koopt hij bij onafhankelijke fabrikanten in derde landen en bij fabrikanten ter plaatse.

Situatie 1:

Volgens de regels die door vennootschap C zijn vastgesteld inzake de verkopen tussen dochtervennootschappen, worden de goederen tussen de dochtervennootschappen tegen een onderhandelde prijs verkocht. Per jaarultimo stort de importeur aan fabrikant M 5 % van het deel van zijn jaaromzet van de wederverkoop van mannenkleding als aanvullende betalingen voor de goederen die hij tijdens het jaar bij de fabrikant heeft aangekocht.

In dat geval vertegenwoordigt de storting de opbrengst uit de latere wederverkoop van de ingevoerde goederen die de verkoper rechtstreeks ten goede komt en moet het bedrag ervan bij het betaalde of te betalen bedrag als aanpassing worden toegevoegd volgens de bepalingen van artikel 71 § 1d DWU.

Situatie 2:

De importeur stort naar de dienstenvennootschap A, andere dochtervennootschap van vennootschap C, 1 % van de brutowinst uit het jaarlijkse totaal van de verkoop van bij alle leveranciers aangekochte kleding. Uit de bewijzen die de importeur heeft bezorgd, blijkt dat die storting niet aan de wederverkoop, noch aan de overdracht of aan het latere gebruik van de ingevoerde goederen is gebonden, maar dat zij een betaling is volgens de regels van het moederbedrijf die de terugbetaling van leningen tegen lage rentevoet voor A voorzien alsook van verschillende financiële diensten die A aan alle dochtervennootschappen van vennootschap C verstrekt.

Dienstverlener A is met de verkoper van de ingevoerde goederen verbonden zodat de storting als een indirecte betaling aan de verkoper kan worden beschouwd. Het gaat evenwel om een bezoldiging van een financiële dienst die geen betrekking heeft op de ingevoerde goederen. Bijgevolg kan de storting niet als een opbrengst worden beschouwd in de zin van artikel 70 § 1d van het DWU.

Situatie 3:

Aan het einde van het boekjaar geeft de importeur 75 % van de nettowinst van het boekjaar terug aan vennootschap C. In dat geval mag het bedrag dat de importeur aan vennootschap C heeft teruggegeven niet als een opbrengst worden beschouwd omdat het een overdracht van dividenden of een andere betaling van de koper aan de verkoper vertegenwoordigt die geen verband houdt met de ingevoerde goederen. Bijgevolg maakt het geen deel uit van de douanewaarde.

II.4. Niet belaste elementen

DWU, art. 72

II.4.1. Overzicht

94. Bij het bepalen van de douanewaarde dienen volgende lasten of kosten op grond van art. 72 DWU niet te worden inbegrepen:

- kosten van vervoer van de ingevoerde goederen na binnenkomst ervan in het douanegebied van de Unie of in de douane-unie EU-Turkije;

- kosten van constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand welke met betrekking tot de ingevoerde goederen, zoals industriële installaties, machines of materieel na de binnenkomst ervan in het douanegebied van de Unie zijn verricht. Als zodanig aan te merken zijn de kosten van het ontwikkelen en inramen van diafilms;

- te betalen rente uit hoofde van een door de koper in verband met de aankoop van ingevoerde goederen gesloten financieringsovereenkomst;

- de kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging van de in de Unie ingevoerde goederen;

- inkoopcommissies;

- rechten bij invoer en andere belastingen die in de Unie vanwege de invoer of de verkoop van de goederen dienen te worden voldaan;

- door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen, indien deze betalingen geen voorwaarde zijn voor de verkoop van de goederen voor uitvoer naar de Unie.

In principe, indien die kosten in de betaalde of te betalen prijs zijn begrepen en hiervan onderscheiden zijn, kunnen ze worden afgetrokken van de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij de bepaling van de douanewaarde.

Normaal zou dit onderscheid uit de factuur afgeleid moeten kunnen worden. Wanneer het onderscheid echter niet blijkt uit de factuur, noch uit de andere handelsdocumenten die bij de aangifte gevoegd zijn, dient aan de aangever toch voldoende gelegenheid te worden gegeven om het werkelijk bedrag van de voor aftrek in aanmerking komende kosten aan te tonen. Dit kan b.v. geschieden aan de hand van contracten, uurlonen, kostprijs-berekeningen, enz.

II.4.2. Vrachtkosten en aanverwante kosten binnen de Unie of binnen de douane-unie EU-Turkije

DWU, art. 72 a)

95. De vracht- en leveringskosten die betrekking hebben op het vervoer en de levering van de goederen na binnenkomst in het douanegebied van de Unie of in de douane-unie EU-Turkije dienen niet in de douanewaarde te worden begrepen.

Onder de met binnen de Unie of binnen de douane-unie EU-Turkije verrichte leveringskosten of aanverwante kosten worden o.m. begrepen: het loon van de grensexpediteur, de kosten van lossing vanaf de reling van het schip tot op de wal of een vervoermiddel (zgn. buitenboordlossingskosten) en de kosten i.v.m. het laden op het transportmiddel voor het intern vervoer in de Unie of in de douane-unie EU-Turkije. Deze kosten behoren dus evenmin tot de douanewaarde wanneer ze in de koopprijs zijn begrepen en hiervan onderscheiden zijn.

Hoofdstuk II.3.2.b geeft toelichtingen over leveringskosten die geen deel uitmaken van de douanewaarde.

Voorbeeld:

Wanneer de binnenlandse koper in de Unie aan de buitenlandse verkoper, naast de prijs van de goederen, op grond van een afzonderlijke factuur een bepaald bedrag heeft betaald voor transportkosten binnen de Unie, dan omvat de transactiewaarde alleen de prijs van de goederen en mogen die transportkosten niet worden toegevoegd. Indien de omstandigheden dit rechtvaardigen, kunnen de bevoegde douane-instanties echter overgaan tot verificatie van de factuur die op de bedoelde kosten betrekking heeft, teneinde na te gaan of het niet om fictieve kosten gaat. (Jurisprudentie: Zaak 290/84).

II.4.3. Installatiekosten

DWU, art. 72 b)

96. Kosten van bouwwerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud, herstelling of technische bijstand, zoals opleiding, herscholingen en know-how, welke na invoer plaatsvinden en die betrekking hebben op de ingevoerde goederen zoals industriële installaties, machines, materieel of technologische uitrusting, dienen niet in de douanewaarde te worden begrepen.

Indien de goederen zijn verkocht inclusief de montage in het land van invoer en indien voor die montage, enz. geen afzonderlijk bedrag aan de koper in rekening werd gebracht, dan mogen de kosten van montage, enz. niet van de douanewaarde worden afgetrokken. In een aantal gevallen, zal dit onderscheid kunnen worden gemaakt aan de hand van contracten, facturen, berekeningen of andere bescheiden. Kan het onderscheid niet worden gemaakt en is dus aan de gestelde voorwaarden niet voldaan dan geldt, onder gebruikelijk voorbehoud, de totale prijs als douanewaarde.

Er dient te worden opgemerkt dat de kosten van de bouw en installatie van de ingevoerde goederen vóór het binnenbrengen in het douanegebied van de EU, bijvoorbeeld de kosten voor het installeren in het bedrijf van de ingevoerde machines, niet in de douanewaarde zijn op te nemen.

II.4.4. Financieringsinteresten

DWU, art. 72 c)

97. Interesten die moeten worden betaald op grond van een door de koper schriftelijk gesloten financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van de ingevoerde goederen dienen niet in de douanewaarde daarvan begrepen te worden, indien:

- die financieringsovereenkomst schriftelijk is;

- en de koper, desgevraagd, kan aantonen dat:

a) die goederen werkelijk tegen de prijs die als werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, worden verkocht, en

b) de gevraagde rentevoet niet hoger is dan in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden voor dergelijke transacties gebruikelijk is;

Onder „interesten te betalen krachtens een financieringsovereenkomst in verband met de aankoop van ingevoerde goederen” zijn mede te verstaan interesten die verschuldigd zijn omdat de verkoper aan de koper een door de koper aanvaarde betalingstermijn voor de ingevoerde goederen heeft verleend. (Jurisprudentie: Zaak C-21/91).

98. Er wordt benadrukt dat financieringsinteresten pas een niet belastbaar element vormen als ze gesteund zijn op een door de koper schriftelijk aangegane financieringsovereenkomst. Deze overeenkomst kan deel uitmaken van het verkoopcontract. De vermelding van de interesten op de factuur alleen is evenwel niet voldoende om deze als financieringsinteresten te kunnen aanmerken. De factuur is immers een handelsdocument dat uitsluitend van de verkoper uitgaat en bijgevolg niet kan worden aangemerkt als een door de koper schriftelijk aangegane overeenkomst.

Indien de interesten die als tegenprestatie voor de door de verkoper verleende betalingstermijn zijn verschuldigd, op de voor de koper bestemde factuur afzonderlijk zijn weergegeven, moet, tenzij de koper het tegendeel verklaart, worden aangenomen, dat deze daadwerkelijk heeft ingestemd met de voor deze betalingstermijn verschuldigde interesten (jurisprudentie: zaak C-21/91).

Anderzijds worden banktechnieken die gesteund zijn op door de koper onderschreven documenten zoals bv. geaccepteerde wissels (D/A-document against acceptance) en het documentair krediet (ook kredietbrieven genoemd), wel beschouwd als schriftelijke overeenkomsten.

99. Ingeval van twijfel omtrent de in mindering gebrachte interesten verzoeken de douanediensten de koper aan te tonen dat dergelijke goederen werkelijk verkocht worden tegen de prijs die als werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven en dat de gevraagde interestvoet op het tijdstip van financiering voor dergelijke transacties gebruikelijk is in het land van financiering.

100. Tenslotte wordt opgemerkt dat voormelde bepalingen inzake financieringsinteresten zich niet beperken tot de methode van de transactiewaarde van de ingevoerde goederen zelf, doch eveneens bij alle overige waarderingsmethoden kunnen aangewend worden. Daarenboven vinden zij toepassing ongeacht of de financiering door de verkoper, een bank of een andere natuurlijke of rechtspersoon is verstrekt.

II.4.5. Recht tot reproductie

DWU, art. 72 d)

101. Bij de vaststelling van de douanewaarde dienen de lasten voor het recht tot reproductie van de ingevoerde goederen in de Unie niet te worden toegevoegd aan de werkelijk voor de ingevoerde goederen betaalde of te betalen prijs. Immers het reproductierecht en de ervoor betaalde vergoeding heeft niet rechtstreeks betrekking op het eigenlijk ingevoerde goed maar wel op de goederen die later - na invoer - met gebruikmaking van dit recht zullen worden vervaardigd.

Voorbeeld: Conclusie nr. 4 uit de Verzameling van teksten inzake douanewaarde van het Comité douanewetboek

De in een derde land gevestigde firma X verkoopt diafilms aan firma Y in de Unie. Bij het in het vrije verkeer brengen van de films legt Y de douane twee facturen voor, één waarop de prijs van de films is vermeld en een andere waarop de kosten van het ontwikkelen en inramen zijn aangegeven. De twee factuurbedragen worden aan X betaald, maar het ontwikkelen en inramen van de films gebeurt pas nadat deze door de gebruiker zijn belicht. Deze laatste werkzaamheden worden verricht door de firma Z die daartoe met X een bijzondere overeenkomst heeft gesloten.

Bij het in het vrije verkeer brengen van de films is niet bekend in welk land het ontwikkelen en inramen zullen plaatsvinden omdat dit ervan afhangt naar welke ontwikkelcentrale van Z de gebruiker de film stuurt.

De bovenbedoelde kosten van het ontwikkelen en inramen zijn te beschouwen als in het artikel 72 d) DWU bedoelde kosten. Derhalve wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de voor de niet belichte films werkelijk betaalde of te betalen prijs, zonder de kosten van het ontwikkelen en inramen.

II.4.6. Aankoopcommissies

DWU, art. 72 e)

102. Aankoopcommissies blijven buiten beschouwing bij het vaststellen van de douanewaarde.

Onder de term "aankoopcommissies" worden verstaan de vergoedingen die een importeur/koper aan zijn agent betaalt voor de dienst van het hem vertegenwoordigen bij de aankoop van de goederen waarvan de waarde wordt berekend.

Zie ook hoofdstuk II.3.2.c., meer in het bijzonder paragraaf 73.

II.4.7. Belastingen

DWU, art. 72 f)

103. Rechten bij invoer en andere belastingen die in de Unie moeten worden betaald wegens de invoer of de verkoop van de goederen, zijn geen belastbare elementen, voor zover deze door hun aard kunnen worden onderscheiden van de prijs van de goederen. In feite behoren deze rechten en belastingen tot het publiek domein, zodat in de praktijk steeds een onderscheid zal kunnen worden gemaakt.

Hieronder zijn begrepen om het even welke belasting die in de Unie wordt geheven bij invoer of bij verkoop van de goederen (bv. accijns, BTW, keuringstaksen, verbruikstaksen, heffingen, ...).

Indien de douanewaarde wordt bepaald via de aftrekmethode voor ingevoerde goederen die onderworpen zijn aan antidumpingrechten of compenserende rechten dienen deze antidumpingrechten en compenserende rechten te worden afgetrokken zoals douanerechten en andere nationale belastingen (advies 9.1 Technisch Comité van de douanewaarde van de WDO.).

104. Er wordt opgemerkt dat wanneer tot de werkelijk betaalde of te betalen prijs een bedrag aan interne belastingen behoort waaraan de betrokken goederen in het land van oorsprong of van uitvoer onderworpen zijn, het genoemde bedrag niet in de douanewaarde is begrepen op voorwaarde dat ten genoegen van de douane kan worden aangetoond dat die goederen daarvan werden of zullen worden vrijgesteld ten voordele van de koper.

105. Voor goederen die geleverd worden tegen een prijs waarin één of meerdere van deze belastingen zijn begrepen (bv. franco huis, gededouaneerd) kan bij het bepalen van de douanewaarde aftrek geschieden van de in de koopprijs begrepen inlandse belastingen.

Indien er geen aanleiding bestaat tot andere aanpassingen (bv. aftrek van binnenlandse vrachtkosten of bijtelling van commissies) wordt de douanewaarde bekomen door middel van de volgende formule:

waarbij y het percentage van de rechten bij invoer is.

Wanneer een prijs naast het invoerrecht nog andere elementen bevat, die bij de berekening van de douanewaarde kunnen worden afgetrokken, bv. binnenlandse vrachtkosten, moet de prijs in de eerste plaats met betrekking tot deze elementen worden aangepast.

II.4.8. Handelsactiviteiten van de koper

106. De activiteiten, daaronder begrepen activiteiten die verband houden met het verhandelen van de goederen, welke door de koper voor zijn eigen rekening worden verricht, andere dan die waarvoor aanpassing is voorzien, dienen niet te worden beschouwd als onrechtstreekse betaling aan de verkoper, zelfs niet indien ze kunnen worden geacht tot voordeel van de verkoper te strekken of ingevolge een overeenkomst met de verkoper zijn verricht. De kosten van deze activiteiten dienen bij de vaststelling van de douanewaarde van ingevoerde goederen, niet bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs te worden geteld. (zie hierover eveneens paragraaf 31).

Prestaties en activiteiten in verband met marktonderzoek, reclame voor en promotie van de ingevoerde goederen, alsmede in verband met de voor de ingevoerde goederen verstrekte garantie die echter door de koper voor zijn eigen rekening worden verricht, dienen niet te worden beschouwd als een onrechtstreekse betaling, voor zover deze niet zijn voorzien onder de elementen opgesomd onder hoofdstuk II.3. Zij worden dus niet toegevoegd aan de prijs, zelfs niet indien zij ten voordele strekken van de verkoper of in overeenkomst met hem zijn verricht. Bedoelde kosten zijn ook niet te belasten wanneer ze verplichtend en volgens een bepaalde som of een vastgesteld percentage door de verkoper aan de koper worden opgelegd.

Onder de hiervoor omschreven activiteiten vallen o.m. die welke betrekking hebben op de reclame voor het merk van de verkoper en op het vervullen van de garantie.

S3Voorbeeld 1:

A is een handelaar in elektrische apparaten in België. Via zijn netwerk van distributeurs (verkooppunten) brengt hij deze apparaten op de markt. A sluit een langlopend contract met de Canadese fabrikant B voor de levering van een nieuw type elektrische apparatuur. In het contract wordt bepaald dat deze apparatuur onder de merknaam van B op de markt gebracht moet worden. A besluit om op eigen kosten in België reclame te maken voor dit product. A bestelt een voorraad van deze producten en zet een reclamecampagne op poten vóór de invoer van de voorraad.

In dit voorbeeld maken de kosten van de reclamecampagne geen deel uit van de douanewaarde. Het gaat hier om handelsactiviteiten die de koper voor zijn eigen rekening neemt en die geen indirecte betaling aan de verkoper vormen. Toch is het voor de verkoper voordelig omdat zijn merk publiciteit krijgt.

Voorbeeld 2:

De koper/importeur ontvangt een korting of een compensatie/krediet, bijvoorbeeld 5% van de prijs van de bestelde goederen, om te gebruiken voor marketingkosten of de koper wordt geacht om dezelfde som te investeren in marketinguitgaven voor eigen rekening. Hoewel in dit geval de kosten door verkoper aan de koper volgens een vast percentage worden opgelegd, worden ze toch niet beschouwd als een indirecte betaling en maken ze dus geen deel uit van de douanewaarde. Bij de verkoop van voertuigen wordt vaak hetzelfde principe toegepast, maar dan met garantiecontracten voor de voertuigen in plaats van marketingkosten.

II.4.9. Betaling van "fees"

107. Soms is de koper naast de betaling van de prijs voor de goederen nog een vergoeding verschuldigd voor door de verkoper ten behoeve van de koper te verrichten activiteiten, zoals het voeren van de boekhouding, het opleiden van het personeel, coördinatie tussen het hoofdhuis en de filialen. Een dergelijke vergoeding wordt doorgaans in de contracten aangeduid met de benaming "technical assistance-, management- of administration fee".

Deze activiteiten zijn meestal te beschouwen als prestaties met een zuiver dienstenkarakter. Een direct verband met de ingevoerde goederen ontbreekt veelal. De vergoeding (fee) hiervoor kan in dat geval niet worden aangemerkt als een betaling met betrekking tot de ingevoerde goederen.

Indien in de praktijk blijkt dat ondanks de vergoeding (fee) geen diensten door de verkoper worden verricht, mag dit niet tot de gevolgtrekking leiden dat daardoor de betaling (fee) als een niet rechtstreekse betaling voor de ingevoerde goederen in de zin van artikel 70 §2 DWU is te beschouwen, tenzij de verkoper de diensten niet kan verrichten omdat hij daartoe niet is uitgerust of wanneer de diensten als zodanig niet reëel zijn en de koper er bijgevolg nooit beroep op zal doen.

II.4.10. Overdracht van dividenden

108. De overdracht van dividenden of andere betalingen van de koper aan de verkoper die geen betrekking hebben op de ingevoerde goederen, behoren evenmin tot de douanewaarde.

II.4.11. Recht tot distributie of wederverkoop

DWU, art. 72 g)

109. De door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen dienen ook niet toegevoegd te worden aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor deze goederen indien deze betalingen geen voorwaarde zijn van de verkoop.

II.4.12. Quotakosten

110. Betalingen i.v.m. quotakosten, die inzonderheid in de sector textiel en kleding zijn verschuldigd ten gevolge van vrijwillige beperkingsovereenkomsten tussen de Europese Unie en verschillende landen in Oost-Azië, maken het onderwerp uit van de volgende bepalingen.

Op grond van voormelde beperkingsovereenkomsten wordt de uitvoer van bepaalde goederen van oorsprong uit de betrokken landen naar de EU kwantitatief beperkt. Een exporteur kan de noodzakelijke uitvoervergunning dan ook alleen krijgen zolang de overeengekomen uitvoerquota niet zijn uitgeput.

Deze quota worden in het land van uitvoer volgens bepaalde verdeelsleutels aan de betrokken exporteurs toegewezen. Wanneer een exporteur zijn eigen quota heeft uitgeput dan moet hij trachten quota te verwerven die door andere exporteurs niet zijn opgebruikt. Aangezien de uitvoervergunningen in de oorspronglanden overdraagbaar zijn is er dan ook een markt ontstaan waarop deze zgn. "vrije" quota worden verhandeld. De aankoopkosten hiervan worden quotakosten genoemd.

Ingevolge een Arrest van het Europees Hof van Justitie te Luxemburg maken die quotakosten voor het verkrijgen van exportcontingenten geen deel uit van de douanewaarde van de ingevoerde goederen. Dit is ook het geval als de koper de uitvoervergunningen zelf heeft verworven of door bemiddeling van zijn agent in het exportland heeft gekocht en de betaling hiervan wordt verricht aan een derde persoon.

In de praktijk dient er toch enige omzichtigheid aan de dag gelegd te worden wanneer de verkoper afzonderlijk quotakosten in rekening brengt, zeker in de gevallen waarin deze kosten hoger liggen dan de prijs van de goederen zelf. Zo zal ingeval van twijfel de aangever verzocht worden aan te tonen dat de als quotakosten aangeduide bedragen werkelijk voor het verwerven van quota in het uitvoerland werden betaald.

Er wordt opgemerkt dat voormeld Arrest niet kan worden toegepast op de als "quotakosten" aangeduide betalingen, die in de sector van het rundvlees voor het bekomen van echtheidscertificaten dienen te worden gekweten. Het echtheidscertificaat is niet overdraagbaar, kan niet worden los gekoppeld van het vlees dat het begeleidt, heeft op zich geen waarde en kan niet apart worden verhandeld. Bedoelde kosten dienen, ook al maken ze soms het voorwerp uit van een afzonderlijke rekening, als element van de werkelijk betaalde of te betalen prijs in de douanewaarde te worden begrepen.

II.4.13. Kortingen en prijsverminderingen

DWU, art. 70 §§ 1 en 2

IA, art. 130

111. Prijsvermindering (ook aangeduid als korting, rabat, disconto, enz.) is de prijsaftrek of het prijsvoordeel verleend op een prijscourant (prijslijst, catalogus), op de prijs die gevraagd wordt aan andere kopers of op een andere hogere prijs.

Voor het vaststellen van de douanewaarde worden kortingen door de verkoper aan de koper toegekend enkel in aanmerking genomen indien:

- de kortingen betrekking hebben op de goederen waarvoor de douanewaarde moet worden bepaald en

- op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte de kortingen en het bedrag ervan in de verkoopovereenkomst waren opgenomen.

Kortingen of creditnota’s die voortvloeien uit wijzigingen van het contract na het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte, worden niet in aanmerking genomen.

Inzake kortingen voor contante of vervroegde betaling (disconto) gelden volgende regels: is op het tijdstip van de waardebepaling de koopprijs betaald, dan is het werkelijk betaalde bedrag de douanewaarde. Is nog niet betaald dan is de transactiewaarde het bedrag dat op dat tijdstip zou kunnen betaald worden, dit voor zover de korting gebruikelijk is in de desbetreffende handelsbranche en in de verkoopovereenkomst is voorzien. Bij kortingen voor contante betaling waarvan het bedrag het gebruikelijk bedrag overschrijdt dient de koper aan te tonen dat hij daadwerkelijk van deze korting geniet.

Voorbeeld:

Op 4 juni stelt een verkoper een factuur op; met een korting van 5% indien de koper vóór 30 juni betaalt. Op 19 juni worden de goederen in het vrije verkeer gebracht, maar de factuur werd nog niet betaald door de koper. Bij de aangegeven douanewaarde kan rekening worden gehouden met de afgesproken korting, die zou worden verleend aan de koper in geval van betaling op de datum van de waardering.

Wanneer kortingen worden gedifferentieerd volgens de datum van de betaling (5% voor onmiddellijke betaling, 3% voor betaling binnen een termijn van 14 dagen na levering, 2% voor betaling binnen een termijn van een maand), dient bij de bepaling van de douanewaarde, rekening te worden gehouden met de overeenkomstige korting dichtst bij de datum van evaluatie.

Als later blijkt dat de koper geen korting heeft ontvangen, omdat de factuur betaald werd na de voorziene termijnen voor het verkrijgen van de korting, dient de aangifte voor het vrije verkeer niet te worden aangepast behalve in gevallen van duidelijke fraude.

112. Korting in verband met de hoeveelheid (rabat) mag eveneens aangenomen worden indien slechts een gedeelte van de goederen voor het douanegebied van de EU bestemd is en de prijs voor dat gedeelte is beïnvloed door het feit dat een grotere hoeveelheid werd gekocht dan de ingevoerde.

Anderzijds wordt opgemerkt dat bij partijen verkocht op basis van het ingescheept gewicht geen rekening mag gehouden worden met bij de lossing bevonden gewone gewichtstekorten die aan natuurlijke oorzaken te wijten zijn (bv. uitdroging, verdamping), behoudens wanneer de verkoopsvoorwaarden een maximum toelaatbaar tekort (franchise) voorzien, waarbij de tekorten boven de speling in mindering van de koopprijs komen. De in dit kader toegestane prijsverminderingen kunnen bij de vaststelling van de douanewaarde aangenomen worden.

113. Duidelijkheidshalve wordt hier aan toegevoegd dat bij tekorten, die toe te schrijven zijn aan vernietiging, averij, diefstal of verlies vóór het in het vrije verkeer brengen van de goederen (bv. tijdens het transport) voor de vaststelling van de douanewaarde uitgegaan wordt van een prijs die in dezelfde verhouding staat tot de totale koopprijs als de werkelijk ingevoerde hoeveelheid staat tot de totale aangekochte hoeveelheid.

Zulks is het geval wanneer door de beschadiging een gedeelte van de ingevoerde goederen onbruikbaar is geworden voor het doel waarvoor het aanvankelijk was bestemd (bv. invoer van 100 vazen in keramische stoffen waarvan 5 tijdens het transport werden gebroken), zodat de koopprijs verhoudingsgewijs zal verdeeld worden teneinde met de geleden schade rekening te houden.

Voor partijen waarvan de verkoopprijs steunt op het uitgelost gewicht is de douanewaarde op die basis te bepalen.

Deze bepalingen zijn niet van toepassing op beschadigde of niet met het contract overeenstemmende goederen. Zie evenwel hoofdstuk II.4.15 voor de bijzondere voorschriften voor beschadigde of niet met het contract overeenstemmende goederen.

114. In het algemeen, moet elke korting die met betrekking tot de ingevoerde goederen tussen de koper en de verkoper is overeengekomen vóór het tijdstip van de waardebepaling en op de factuur is vermeld worden aanvaard door de douaneautoriteiten.

Prijsverminderingen, waarvan het juiste bedrag niet is gekend doch waarvan het principe op het tijdstip voor de waardebepaling bv. in het koopcontract is vastgelegd (een omzetkorting voor de afname van een zekere hoeveelheid binnen een bepaalde periode bv.), kunnen voor de vaststelling van de douanewaarde van de betrokken zending eveneens aangenomen worden, voor zover op voormeld tijdstip ten genoegen van de douane kan aangetoond worden, dat de koper op bedoelde prijskorting aanspraak kan of zal kunnen maken. Dit bewijs wordt bv. geleverd aan de hand van in vroegere jaren afgenomen hoeveelheden of van het aankoopplan van het lopende jaar.

Voorbeeld: Advies nr. 15.1 van het Technisch Comité inzake de douanewaarde van de WDO:

Een contract dat tussen een koper en een verkoper wordt afgesloten, bepaalt de volgende hoeveelheidskortingen voor goederen die in de loop van een kalenderjaar worden aangekocht:

- 1 tot 9 eenheden: geen korting

- 10 tot 49 eenheden: korting van 5 %

- meer dan 50 eenheden: korting van 8 %

Bovenop de bovengenoemde kortingen wordt een nieuwe korting van 3 % op het einde van het jaar toegekend. Zij wordt met terugwerkende kracht berekend op de totaal aangekochte hoeveelheid in de loop van het jaar.

Situatie 1:

De importeur koopt in een enkele transactie 27 eenheden tegen een prijs die met de korting van 5 % wordt verminderd, maar voert die in drie zendingen van 9 eenheden in.

De douanewaarde moet op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de ingevoerde goederen worden bepaald. Dat wil zeggen op basis van de prijs verminderd met de korting van 5 % die de prijs mee heeft bepaald.

Situatie 2:

Na de aankoop en de invoer van 27 eenheden koopt en voert de importeur in de loop van hetzelfde kalenderjaar 42 andere eenheden in (ofwel 69 eenheden in totaal). Voor die tweede aankoop geniet de koper de korting van 8 %. Op het einde van het jaar wordt het totaalbedrag van de invoer bepaald. De verkoper verleent een bijkomende korting van 3 % op de totale aangekochte hoeveelheid in de loop van het jaar.

De korting van 8 % die op de 42 eenheden is toegepast, is een element van de prijs aan de verkoper en heeft de eenheidsprijs van de goederen mee bepaald wanneer die voor de uitvoer zijn verkocht. Bijgevolg moet daarmee rekening worden gehouden om de douanewaarde voor die goederen te bepalen.

Daarentegen moet de bijkomende korting van 3 %, die met terugwerkende kracht is toegekend, niet voor de tweede invoer noch voor de 27 eerder ingevoerde eenheden worden aangenomen omdat zij de eenheidsprijs van de ingevoerde goederen niet mee heeft bepaald

II.4.14. Gefractioneerde betaling

115. In de internationale handel is het gebruikelijk dat bij transacties van grote projecten, zoals fabrieken, industriële installaties e.d., de betaling van de overeengekomen prijs niet in eenmaal doch in verscheidene malen gebeurt. Men zal erop letten dat geen deel (bv. van betaling bij bestelling of bij levering of na montage) ontbreekt.

Bij spreiding van de betaling van de prijs is de som van de verschillende betalingen de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

Het kan nu evenwel ook voorkomen dat bij gefractioneerde betalingen de verkoper een zekere rente i.v.m. de financiering aanrekent. Door het spreiden van de betalingen geniet de koper immers van een bepaald uitstel van betaling. Dergelijke rente i.v.m. de financiering dient niet in de douanewaarde te worden begrepen, voor zover deze onderscheiden is van de eigenlijke prijs der goederen. Dit onderscheid dient niet noodzakelijk te blijken uit de factuur van de ingevoerde goederen, doch kan met alle redelijke middelen (contract, betalingsbewijzen e.d.) aangetoond worden. (Zie ook punt II.4.4. over de financieringsinteresten).

II.4.15. Beschadigde of niet met het koopcontract overeenstemmende goederen

IA, art. 131 §2 en 132

116. Bij het in het vrije verkeer brengen van dergelijke goederen kunnen zich volgende gevallen voordoen:

- de beschadiging of het niet conform zijn aan de bestelling valt ten laste van de verkoper en op het tijdstip van de waardebepaling is voor de ingevoerde goederen een nieuwe koopprijs overeengekomen tussen koper en verkoper; deze blijkt bv. uit een creditnota van de verkoper. In dit geval wordt de aangepaste prijs als werkelijk betaalde of te betalen prijs aangemerkt en als dusdanig als basis voor de waardebepaling aanvaard;

- de beschadiging valt buiten de verantwoordelijkheid van de verkoper, doch er wordt schadevergoeding verkregen. In dergelijk geval wordt uitgegaan van de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de onbeschadigde goederen en wordt aftrek gedaan van de werkelijk verkregen schadevergoeding. Is dit bedrag op het ogenblik van de waardevaststelling nog niet gekend, dan wordt de procedure voorzien in Hoofdstuk IV.3.1. van onderhavige circulaire toegepast;

- de beschadiging valt buiten de verantwoordelijkheid van de verkoper en er wordt geen schadevergoeding uitbetaald, doch de tegenwaarde van de opgelopen schade kan ten genoegen van de douane aangetoond worden, bv. aan de hand van een verslag van een beëdigd deskundige. In dit geval kan de werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoudingsgewijs verdeeld worden tussen de residuwaarde van de goederen en de tegenwaarde van de beschadiging die niet aan betaling van invoerrechten is onderworpen (art. 131 IA).

Ingeval er schadevergoeding wordt verkregen dient de beschadiging evenwel niet noodzakelijk op het tijdstip van de waardebepaling vastgesteld te worden. Wanneer achteraf aan de hand van officiële documenten zoals bv. een expertiseverslag van de verzekeringsmaatschappij de ingevoerde partij kan geïdentificeerd worden en onomstotelijk wordt aangetoond dat deze werd beschadigd vóór het in het vrije verkeer brengen kan de na de invoer toegekende schadevergoeding in aanmerking genomen worden. In dit geval zal de aangever, voor de recuperatie van de teveel betaalde invoerrechten uiteraard een aanvraag tot teruggave moeten indienen.

Bovendien moet worden opgemerkt dat wanneer de goederen schade oplopen die hun douanewaarde vermindert, het niet van belang is of deze schade voor of na de overdracht van het risico aan de koper is opgetreden (Jurisprudentie: zaak C-59/92).

117. Na het in het vrije verkeer brengen van de goederen kan de wijziging, door de verkoper ten gunste van de koper, van de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs, onder bepaalde voorwaarden in aanmerking worden genomen voor het bepalen van de douanewaarde van de goederen (zie art 132 IA).

Om van deze regeling te kunnen genieten dient ten genoegen van de douane te worden aangetoond dat:

- de goederen vertoonden gebreken op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer;

- de verkoper heeft de prijs aangepast om het gebrek te compenseren om zo te voldoen aan:

een contractuele verplichting die is aangegaan vóór de aanvaarding van de douaneaangifte;

een wettelijke verplichting die op de goederen van toepassing is;

- de aanpassing wordt gedaan binnen drie jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte (Jurisprudentie: zaak C 661/15). S3 De verjaringstermijn van één jaar waarin artikel 132, c) IA oorspronkelijk voorzag, is met terugwerkende kracht tot de datum van inwerkingtreding van de verordening, namelijk 1 mei 2016, nietig verklaard door de Uitvoeringsverordening (EU) 2020/893 van de Commissie van 29 juni 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB EU nr. L 206 van 30/06/2020).

De algemene termijn van drie jaar die in artikel 121, lid 1, a), van het DWU wordt voorzien voor het aanvragen van de terugbetaling of kwijtschelding van rechten die te veel in rekening zijn gebracht, is nu ook van toepassing in het geval van beschadigde of niet met het koopcontract overeenstemmende goederen waarvan de prijs wordt aangepast nadat ze in het vrije verkeer zijn gebracht.

II.4.16. Kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen

IA, art. 135 §5

118. De kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen worden niet in de douanewaarde begrepen (zie eveneens hoofdstuk II.3.2.e, meer in het bijzonder paragraaf 83).

II.5. Factuur

DWU, art. 163 §§ 1 en 2

IA, art. 145

II.5.1. Begeleidingsdocument

119. Als bewijsstuk is de factuur vereist die betrekking heeft op de aangegeven transactiewaarde. De bewijsstukken, die vereist zijn voor de toepassing van de bepalingen inzake de douaneregeling waarvoor de goederen zijn aangegeven, zijn in het bezit van de aangever en zijn beschikbaar bij de douaneautoriteiten bij het indienen van de douaneaangifte. Ze worden bij de douaneautoriteiten overgelegd wanneer dit vereist is door de wetgeving van de Unie of indien dit nodig is voor douanecontroles.

Indien in de factuur voldoende gegevens zijn vermeld voor de waardebepaling per soort van goederen, dan is de vermelding in de aangifte van de waarde per soort niet vereist voor goederen, die onder dezelfde tariefpost of postonderverdeling vallen.

Een afschrift van de factuur dient te worden overgelegd wanneer het verstrekken van een manuele aangifte D.V.1 vereist is (zie hoofdstuk II.6.hierna).

Deze kopie moet aan de manuele aangifte D.V.1 worden gehecht.

II.5.2. Voorlopige factuur

120. Voorlopige facturen worden opgemaakt wanneer de gegevens voor de definitieve afrekening nog niet zijn gekend. Bij voorlegging van dergelijke facturen zal de procedure van de vereenvoudigde aangifte toegepast worden, of moet door de aangever een toelating voor vereenvoudiging worden gevraagd (zie de hoofdstukken IV.3.1 en IV.3.2 hieronder) om rekening te kunnen houden met de elementen die niet gekend zijn op het moment van het in vrije verkeer brengen.

II.5.3. Pro-formafactuur

121. Pro-formafacturen zijn, zoals de naam het zelf zegt, opgemaakt "voor de vorm". Ze worden o.m. ter beschikking gesteld van de importeurs met het oog op het vervullen van de douaneformaliteiten (for customs purposes only), wanneer er geen betaling plaatsvindt. De erop vermelde gegevens stemmen derhalve niet noodzakelijk overeen met de werkelijkheid. In dit geval is het nodig om bijzonder attent te zijn bij de controle, vooral wanneer een aangifte D.V. 1 vereist is.

II.6. Aangifte van gegevens inzake de douanewaarde (D.V.1)

TDA, art. 6 en bijlage 8

122. Tot de datums van de upgrade van de nationale S3 elektronische systemen worden in een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen gegevens inzake de douanewaarde opgenomen; deze gegevens zijn noodzakelijk voor het bepalen van de douanewaarde.

De gegevens inzake de douanewaarde kunnen bij de douane enkel worden doorgegeven via elektronische gegevensverwerkende procedures. Hiervoor moet de economische operator/aangever in PLDA deze gegevens in de voorziene tabbladen van de D.V.1 inbrengen samen met de aangifte voor het vrije verkeer. Wanneer het niet mogelijk is om deze gegevens via PLDA te verstrekken, moet dit verplicht via het formulier D.V.1 volgens bijlage 8 TDA (zie bijlage 5) manueel gebeuren op papier. Mogelijke gevallen van het gebruik van de D.V. 1 op papier worden vermeld in § 129.

De aangifte D.V.1 – zowel via PLDA of op papier - moet worden voorgelegd bij elke aangifte voor het in het vrije verkeer brengen waarbij de douanewaarde moet worden vastgesteld en de waarde de heffingsgrondslag is voor de berekening van de rechten bij invoer of van een gedeelte daarvan of de basis vormt voor het al dan niet toepassen van economische tariefmaatregelen.

Bij iedere zending moet er een aangifte D.V.1 worden ingevuld. Onder “zending” verstaat men de door een leverancier naar een welbepaalde bestemmeling verstuurde totale hoeveelheid goederen die op een zelfde aangifte wordt ingeklaard; die een of meer items kan bevatten.

S4 122 bis. Vanaf de invoering van IDMS zal er geen aangifte D.V.1 moeten worden ingevuld of worden voorgelegd aan de douane, aangezien de vereiste gegevenselementen in de applicatie zelf worden geïntegreerd.

De verschillende rubrieken op het D.V.1-formulier die betrekking hebben op de op de aangegeven prijs van de goederen toe te passen bijtel- en aftrekposten (zie achterkant van het formulier) zullen in IDMS verschijnen onder gegevenselement 14 04 008 000, met de volgende codes:

Bijtelposten:

AB: Commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies

AD: Bergingsmiddelen en verpakking

AE: Materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen worden verwerkt

AF: Werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden gebruikt

AG: Materialen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden verbruikt

AH: Engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, en tekeningen en schetsen die buiten de Europese Unie zijn verricht of vervaardigd en die noodzakelijk zijn voor de productie van de ingevoerde goederen

AI: Royalty’s en licentierechten

AJ: Opbrengst van elke latere wederverkoop, overdracht of gebruik die de verkoper ten goede komt

AK: Kosten van vervoer, van laden en behandelen en van verzekering tot de plaats van binnenkomst in de Europese Unie

AL: Indirecte betalingen en andere betalingen (artikel 70 van het DWU)

AN: Bijtelposten op basis van een beschikking gegeven overeenkomstig artikel 71 van de DWU DA

Aftrekposten:

BA: Kosten van vervoer na aankomst op de plaats van binnenbrengen

BB: Kosten van constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand na de invoer

BC: Invoerrechten of andere heffingen die in de Unie vanwege de invoer of de verkoop van goederen dienen te worden voldaan

BD: Rentelasten

BE: Kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging van de in de Europese Unie ingevoerde goederen

BF: Inkoopcommissies

BG: Aftrekposten op basis van een beschikking gegeven overeenkomstig artikel 71 van de DWU DA

Gegevenselement 14 04 008 000 is een verplicht element in de aangifte, behalve in de gevallen van vrijstelling die worden beschreven in punt 123 a), b), e) en f) hieronder.

De volgende paragrafen 124 tot en met 129 worden daarom overbodig zodra IDMS PLDA vervangt.

II.6.1. Vrijstelling van het voorleggen van een aangifte D.V.1

123. Bij iedere aangifte voor het vrije verkeer moet een aangifte D.V.1 worden voorgelegd.

Behalve indien dit onontbeerlijk is voor de juiste vaststelling van de douanewaarde, wordt ontheffing verleend van de verplichting om de gegevens inzake de douanewaarde te verstrekken:

a) wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen per zending niet hoger is dan 20.000 euro, voor zover de zending geen deel uitmaakt van gesplitste of meervoudige zendingen van dezelfde afzender aan dezelfde geadresseerde.

b) wanneer de transactie die ten grondslag ligt aan het in het vrije verkeer brengen van de goederen, geen handelskarakter heeft;

c) wanneer de gegevens in kwestie niet hoeven te worden ingediend voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief (bijvoorbeeld wanneer er sprake is van specifieke rechten die dus niet worden berekend op basis van de douanewaarde);

d) wanneer de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief niet verschuldigd zijn (bijvoorbeeld goederen die onder een douanevrijstelling worden ingevoerd of met een volledige vrijstelling van invoerrechten op basis van algemene of bijzondere bepalingen);

e) wanneer de douanewaarde niet kan worden bepaald op basis van de transactiewaarde (bijvoorbeeld in consignatie ingevoerde aan bederf onderhevige goederen die volgens de vereenvoudigde procedure met eenheidsprijzen worden aangegeven);

f) bij zendingen van goederen onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper.

Het gaat om goederen welke regelmatig over eenzelfde douanekantoor worden ingevoerd en het voorwerp uitmaken van transacties gesloten onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper. In dit geval kan de koper/geadresseerde voor een periode van drie jaar vrijgesteld worden van het invullen van de nrs. 3 en S4 7 t/m 9 van de aangifte D.V.1.

De aanvraag tot vrijstelling wordt ingediend ter gelegenheid van een invoer; de bij de invoer vereiste en volledig ingevulde aangifte D.V.1. wordt eveneens overgelegd.

Bij deze aanvraag dient tevens de verbintenis van de aanvrager gevoegd om de Administratie in kennis te stellen van elke wijziging in de koop- en verkoopvoorwaarden.

De aanvraag tot vrijstelling dient op eigen initiatief van de betrokkene om de drie jaar te worden hernieuwd.

De dienst die de vrijstelling heeft verleend, dient zich geregeld ervan te vergewissen of er zich geen nieuwe feiten hebben voorgedaan die aanleiding kunnen geven tot wijziging van de beslissing. Tevens dient die erover te waken dat de verleende machtigingen om de drie jaar worden hernieuwd.

II.6.2. Hoe houdt PLDA rekening met de gevallen waarbij geen D.V.1 vereist is?

124. In sommige gevallen houdt PLDA automatisch rekening met de vrijstelling; bij andere moet de operator een vermelding aanbrengen om van de vrijstelling te kunnen gebruik maken:

a) PLDA is zo geprogrammeerd om automatisch rekening te houden met de totale douanewaarde van alle artikelen van de aangifte en eist geen aangifte D.V.1 wanneer de totale douanewaarde niet meer dan 20.000 euro bedraagt (vrijstelling volgens geval a) van paragraaf 123 hiervoor);

b) Indien de invoerrechten 0 zijn zal PLDA daar eveneens rekening mee houden en geen aangifte D.V.1 eisen (vrijstelling volgens geval d) van paragraaf 123 hiervoor);

c) Indien de vrijstelling betrekking heeft op de gevallen b) en c) van paragraaf 123 hiervoor, moet de aangever in vak 44 van het eerste artikel van de aangifte voor het vrije verkeer de vermelding "44-PLDA-DV1Exempt" aanbrengen;

d) Dezelfde vermelding kan eveneens worden gebruikt wanneer de douanewaarde niet kan worden bepaald op basis van de transactiewaarde. Het gaat om de vrijstelling volgens geval e) van paragraaf 123 hiervoor waarbij de vaststelling van de douanewaarde via de bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde gebeurt. In die gevallen moet de aangever evenwel de douaneautoriteiten alle andere informatie verstrekken die nodig kan zijn om de douanewaarde vast te stellen.

e) Ten aanzien van goederen welke regelmatig worden ingevoerd en het voorwerp uitmaken van transacties gesloten onder dezelfde handelsvoorwaarden tussen dezelfde verkoper en dezelfde koper (vrijstelling volgens geval f) van paragraaf 123 hiervoor) en waarbij de koper/geadresseerde over een machtiging beschikt om de aangifte D.V.1 gedeeltelijk in te vullen, dient de aangever het nummer en de datum van de vergunning te vermelden in vak 6 van de aangifte D.V.1. Het PLDA-systeem zal dan toelaten dat de vakken 7-9 - waarop de vrijstelling slaat - niet worden ingevuld. Het vak 3 (leveringsvoorwaarden) wordt automatisch door PLDA ingevuld op basis van de gegevens van de aangifte voor het vrije verkeer.

Opmerking: indien geen aangifte D.V. 1 vereist is, maar alle elementen met betrekking tot deze aangifte toch volledig worden ingebracht in PLDA, zal het systeem deze aangifte D.V.1 toch valideren.

II.6.3. Vereiste gegevens

125. De gegevens inzake de douanewaarde moeten verstrekt worden volgens de aanduidingen van ofwel PLDA ofwel - indien op papier - van het formulier D.V.1 zoals in bijlage 5 weergegeven. De vermeldingen moeten volledig ingevuld worden.

Bij het indienen van de aangifte D.V.1. gaat de aangever de aansprakelijkheid aan voor:

- de juistheid en volledigheid van de in de aangifte verstrekte gegevens;

- de echtheid van de tot staving van die gegevens overgelegde stukken, en

- het verstrekken van alle bijkomende inlichtingen of documenten die noodzakelijk zijn voor de vaststelling van de douanewaarde van de goederen.

126. Bij gebruikmaking van de papieren versie dient het formulier volledig leesbaar en onuitwisbaar te worden ingevuld zonder schriftdelgingen noch doorhalingen; de wijzigingen en doorhalingen moeten door de ondertekenaar geparafeerd zijn en door de douane worden gewaarmerkt. De aangifte moet door de aangever of een douane-vertegenwoordiger worden ondertekend. Deze laatste dient in het douanegebied van de Unie te zijn gevestigd en dient te beantwoorden aan de voorwaarden van douanevertegenwoordiger volgens de Algemene wet inzake douane en accijnzen.

Het nummer, de datum en het kantoor van geldigmaking van de aangifte voor een douanebestemming dient te worden vermeld in de rechter bovenhoek van de aangifte D.V.1 op papier. Dit nummer dient eveneens te worden vermeld op de voorgelegde factuur die steeds is voorzien in de gevallen waarbij een aangifte D.V.1 is voorgeschreven.

II.6.4. Globale aangiften

127. S4 Vanaf 1 februari 2022 moet er in het geval van een globalisatie-aangifte geen aparte D.V.1 ingediend worden. De elementen van de D.V.1 werden immers geïntegreerd in het systeem van e-globalisatie dat sinds deze datum verplicht gebruikt moet worden.

II.6.5. Entrepot

128. Voor alle types van douane-entrepots, publieke en particuliere, alsook voor wat betreft goederen die na 1 mei 2016 werden geplaatst in een particulier entrepot (voormalige entrepots type D of E (met D procedures)) zijn de bepalingen voor de aangifte D.V. 1 - zoals weergegeven in de voorgaande paragrafen - van toepassing bij uitslag van het entrepot wanneer de opgeslagen goederen worden aangegeven voor het vrije verkeer.

Voor wat betreft de goederen die vóór 1 mei 2016 in een douane-entrepot van het type D of van het type E (met D procedures) werden geplaatst was de douanewaarde vastgesteld op het ogenblik wanneer de ingevoerde goederen in het douane-entrepot werden geplaatst. Waarbij de aangifte D.V. 1 werd ingediend bij de inslag en niet bij het in het vrije verkeer brengen, bij de uitslag van het entrepot.

Bij die goederen die vóór 1 mei 2016 in een douane-entrepot van het type D of van het type E (met D procedures) werden geplaatst en de regeling vóór die datum niet is aangezuiverd, gelden tot 31/12/2018 de overgangsbepalingen van artikel 349 § 2 IA en wordt de regeling aangezuiverd overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van Verordening (EEG) nr. 2913/92 en Verordening (EEG) nr. 2454/93. Bij uitslag uit het entrepot dient dus geen D. V. 1 te worden voorgelegd.

II.6.6. Manuele aangifte D.V.1 op papier

129. Onder bepaalde omstandigheden kan de aangifte D.V. 1 op papier worden ingediend:

- bij dringende procedures wanneer de aangifte voor het vrije verkeer op papier wordt ingediend,

- aangiften via Edifact (tot de einddatum van ondersteuning 31-12-2017),

- bij globalisatie-aangiften die werden ingediend door een operator die niet over een vergunning tot vrijstelling van het indienen van de aangifte D.V. 1 beschikt,

- iedere andere uitzonderlijke situatie naar behoren gerechtvaardigd en aanvaard door de Regionale afdeling “Klantenmanagement” waaronder de operator ressorteert. Deze gevallen moeten worden medegedeeld aan de dienst Technische Expertise en Operationele Ondersteuning (TOO2) van de Centrale component.

Indien de aangever de aangifte D.V.1 manueel op papier invult, moet hij in vak 44 van het eerste artikel van de aangifte voor het vrije verkeer de vermelding "44-PLDA-DV1Manual" alsook de code “N934” betreffende de D.V.1 aanbrengen.

Wanneer de gegevens van de aangifte D.V.1 worden verstrekt via een papieren versie, moet dit verplicht gebeuren aan de hand van het formulier volgens bijlage 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 (zie bijlage 5).

III. BIJKOMENDE METHODEN VOOR HET BEPALEN VAN DE DOUANEWAARDE

DWU, art. 74

IA, art. 141 tot 144

III.1. Overzicht

130. Het douanewetboek van de Unie voorziet 6 methoden voor de waardebepaling, toe te passen volgens een dwingende rangorde.

De douanewaarde is, overeenkomstig art 70 van het DWU, de transactiewaarde van de ingevoerde goederen. De toepassing van art. 70 vormt het voorwerp van Hoofdstuk II van deze circulaire.

Indien de transactiewaarde, zoals gedefinieerd in art. 70, niet kan worden toegepast, dienen achtereenvolgens de methoden van art. 74 van het DWU te worden onderzocht. De methoden van art. 74 vormen het voorwerp van onderhavig hoofdstuk.

De tweede methode die kan worden toegepast is de transactiewaarde van identieke goederen.

Indien met de eerste twee methoden geen douanewaarde kan worden bepaald, wordt onderzocht of de transactiewaarde van soortgelijke goederen kan worden toegepast.

De eerste drie methoden, van dwingende rangorde voor douane en aangever, leiden aldus tot een douanewaarde gesteund op de transactiewaarde.

De vierde en vijfde methode, van dwingende rangorde voor de douane maar op verzoek van de importeur met omkeerbare rangorde, leiden tot een douanewaarde gesteund op boekhoudkundige gegevens.

De vierde methode is de aftrekmethode, gesteund op een verkoopprijs in de Unie met aftrekelementen.

De vijfde methode is de methode van de berekende waarde, gesteund op de kostprijs met bijrekenelementen.

Indien geen enkele van de vijf vorige methoden een bepaling van de douanewaarde mogelijk maakt, wordt de methode “fall back” (methode van de redelijke middelen genoemd) toegepast. Deze methode bestaat erin om in rangorde de eerste vijf hierbovenvermelde methoden opnieuw toe te passen, maar met een brede en soepele interpretatie, teneinde de douanewaarde vast te stellen met gebruikmaking van redelijke middelen. S4 Wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de voorziene vijf methodes, zelfs met soepele interpretatie, mogen in laatste instantie andere redelijke middelen worden gebruikt.

III.2. Transactiewaarde van identieke goederen

DWU, art. 74 § 2 a)

IA, art. 141

III.2.1. Gebruiksvoorwaarden

131. De transactiewaarde van identieke goederen die worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie en die zijn uitgevoerd op hetzelfde of op bijna hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de goederen waarvan de waarde wordt berekend, kan in tweede rang aanvaard worden als de douanewaarde.

De uitdrukking “op hetzelfde of op nagenoeg hetzelfde tijdstip” dient te worden beschouwd als een tijdsperiode, zo dicht mogelijk bij de datum van uitvoer van de te waarderen goederen, waarbinnen de handelspraktijken en marktvoorwaarden die van invloed zijn op de prijs, dezelfde blijven. Het tijdstip waarop de identieke goederen zijn verkocht voor uitvoer naar het land van invoer blijft daarbij buiten beschouwing. Het tijdstip waarop de transactiewaarde als douanewaarde is aanvaard, blijft eveneens buiten beschouwing.

Die identieke goederen dienen op hetzelfde handelsniveau en in vrijwel dezelfde hoeveelheid te worden verkocht als de goederen waarvan de waarde wordt berekend.

Bij afwezigheid van een dergelijke verkoop wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van identieke goederen verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, zodanig aangepast dat rekening wordt gehouden met de verschillen welke voortvloeien uit het handelsniveau en/of hoeveelheid, op voorwaarde dat dergelijke aanpassingen, ongeacht of zij tot een verhoging of een verlaging van de waarde aanleiding geven, berusten op bewijzen waaruit duidelijk de redelijkheid en de correctheid van de aanpassing blijkt.

III.2.2 Identieke goederen

132. Onder "identieke goederen" verstaat men in hetzelfde land geproduceerde goederen die in alle opzichten hetzelfde zijn, met inbegrip van de materiële kenmerken, kwaliteit en reputatie. Geringe verschillen in uiterlijk zijn geen beletsel om goederen die voor het overige aan de definitie voldoen als identiek aan te merken.

De term „identieke goederen” omvat, naargelang het geval, geen goederen waarin engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen zijn begrepen of tot uitdrukking gebracht, waarvoor in verband met het feit dat deze zijn verricht of gemaakt in de Unie, geen aanpassing heeft plaatsgevonden.

III.2.3. Aanpassing

133. Wanneer in de beschouwde transactiewaarde kosten zijn begrepen van vervoer, verzekering, laden en vervoerhandelingen tot op de plaats van binnenkomst in de Unie, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van de verschillen in afstanden en wijzen van vervoer, tussen de kosten voor de ingevoerde goederen en de betrokken identieke goederen kunnen bestaan.

III.2.4. Laagste waarde

134. Indien bij de toepassing van dit hoofdstuk meer dan één transactiewaarde van identieke goederen wordt gevonden, wordt de laagste transactiewaarde gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen.

Dit lost het probleem op wanneer de douane-administratie een bepaald aantal aanvaardbare transactiewaarden vindt, die evenwel van elkaar verschillen, of wanneer de importeur/koper een lagere transactiewaarde van identieke goederen kan aantonen dan die welke aanvankelijk door de douane-administratie werd gevonden. Deze voorziening verplicht de douane evenwel niet de laagst mogelijke transactiewaarde van identieke goederen op te sporen.

III.2.5. Zelfde producent

135. De identieke goederen moeten in principe zijn geproduceerd door dezelfde persoon als de goederen waarvan de waarde wordt berekend. Alleen indien op deze wijze geen transactiewaarde kan worden gevonden mag een transactiewaarde voor goederen die zijn geproduceerd door een andere persoon in aanmerking worden genomen.

III.2.6. Referentiegoederen

136. De beschouwde ingevoerde identieke goederen moeten gewaardeerd zijn volgens de transactiewaarde van deze goederen zelf. In voorkomend geval dienen er aanpassingen te worden verricht ten einde rekening te houden met de belangrijke verschillen tussen de twee toestanden. Het kan eventueel een transactiewaarde betreffen die door de douane van een andere EU-lidstaat voor identieke goederen is aanvaard geworden.

S4 In het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak C-187/21 – FAWKES Kft. v Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága wordt bepaald dat de douaneautoriteiten van een lidstaat niet verplicht zijn om de informatie van de douaneautoriteiten van andere lidstaten of van diensten en instellingen van de Unie te gebruiken, als zij over voldoende gegevens beschikken om de douanewaarde vast te stellen op basis van de informatie uit de door hen samengestelde en beheerde nationale gegevensbank die wordt aangevuld met de door hen ontvangen douaneaangiften. De nationale gegevensbank moet dus de informatie kunnen verschaffen die nodig is om de methode van de transactiewaarde van identieke goederen toe te passen.

Hetzelfde arrest bepaalt echter ook dat de douaneautoriteiten verplicht zijn om de gegevens op basis waarvan de douanewaarde wordt vastgesteld mee te delen aan degene die de goederen inklaart. Dit betekent dat bij het bepalen van de douanewaarde enkel die gegevens uit andere lidstaten of van diensten en instellingen van de Unie kunnen gebruikt worden die niet vertrouwelijk zijn en zonder probleem aan de aangever van de goederen kunnen worden meegedeeld.

Wat betreft de statistische gegevens die door de EU-instellingen worden verzameld, is het niet zeker dat deze noodzakelijkerwijs informatie bevatten die kan worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen met behulp van de transactiewaardemethode voor identieke goederen, vanwege hun geaggregeerde aard en vertrouwelijkheid.

Tevens bepaalt dit arrest dat de douaneautoriteiten van een lidstaat bij het vaststellen van de douanewaarde de transactiewaarden van andere transacties van degene die de goederen inklaart buiten beschouwing kan laten, ook al zijn deze waarden noch door de douaneautoriteiten van deze lidstaat, noch door de douaneautoriteiten van de andere lidstaten betwist. De douaneautoriteiten van deze lidstaat kunnen dit echter enkel doen indien zij:

- de transactiewaarden van de invoeren in de eigen lidstaat binnen de in artikel 103 DWU opgenomen wettelijke termijn betwisten en hierbij de in artikel 140 DWU-IA beschreven procedure volgen;

- en zij, in het geval van transactiewaarden met betrekking tot invoer in andere lidstaten, de uitsluiting van deze transactiewaarden voldoende kunnen rechtvaardigen.

III.2.7. Procedure

137. De douane maakt zoveel mogelijk gebruik van een verkoop van identieke goederen op hetzelfde handelsniveau en in vrijwel dezelfde hoeveelheid als die van de verkoop van goederen waarvan de waarde wordt berekend. Indien een dergelijke verkoop niet voorhanden is, kan gebruik gemaakt worden van een verkoop van identieke goederen die plaatsvindt onder één van de volgende drie omstandigheden:

a) een verkoop op hetzelfde handelsniveau maar in een verschillende hoeveelheid;

b) een verkoop op een verschillend handelsniveau maar in vrijwel dezelfde hoeveelheid; of

c) een verkoop op een verschillend handelsniveau en in een verschillende hoeveelheid.

Indien een verkoop wordt gevonden die tot stand is gekomen onder één van deze drie omstandigheden moeten, al naar het geval zich voordoet, aanpassingen plaatsvinden voor:

a) enkel de factoren van de hoeveelheid;

b) enkel de factoren van het handelsniveau; of

c) zowel de factoren van de hoeveelheid als van het handelsniveau.

Een voorwaarde voor een aanpassing ter zake van een verschil in handelsniveau of in hoeveelheid is, dat een dergelijke aanpassing, daargelaten of deze leidt tot een verhoging of een verlaging van de waarde geschiedt op basis van bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact is, in het bijzonder volgens geldende prijslijsten met prijzen voor verschillende niveaus of verschillende hoeveelheden.

Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ingevoerde goederen waarvan de waarde wordt bepaald, een zending vormen van 10 eenheden en dat de enige ingevoerde identieke goederen waarvoor een transactiewaarde bestaat, zijn verkocht bij een verkoop van 500 eenheden. Indien dan geweten is dat de verkoper hoeveelheidskortingen geeft, kunnen de noodzakelijke aanpassingen worden verricht door uit te gaan van de prijslijst van de verkoper en door daarbij gebruik te maken van de prijs die van toepassing is bij een verkoop van 10 eenheden.

Dit betekent niet dat een verkoop in een hoeveelheid van 10 eenheden reeds moet zijn tot stand gekomen, mits bij verkopen in andere hoeveelheden is vastgesteld dat de prijslijst bonafide is. Bij afwezigheid van een dergelijke objectieve maatstaf is de vaststelling van een douanewaarde met toepassing van dit hoofdstuk niet passend.

Voor de vergelijking van de prijzen dient te worden uitgegaan van goederen die op hetzelfde of op nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd. S4 De periode moet daarom zodanig worden gekozen dat het risico wordt vermeden dat een aanzienlijke verandering in de handelspraktijken en marktvoorwaarden de prijzen van de te waarderen goederen beïnvloedt (arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-187/21).

III.2.8. Merkartikelen

138. Een merkartikel is in het algemeen niet identiek aan eenzelfde artikel van een ander merk. In de internationale handel zijn artikelen van verschillende merken commercieel gezien niet zonder meer verwisselbaar.

III.3. Transactiewaarde van soortgelijke goederen

DWU , art. 74 § 2 b)

IA, art. 141

III.3.1. Gebruiksvoorwaarden

139. De transactiewaarde van soortgelijke goederen die worden verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie en die zijn uitgevoerd op hetzelfde of op bijna hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de goederen waarvan de waarde wordt berekend, kan in derde rang aanvaard worden als de douanewaarde.

De uitdrukking “op hetzelfde of op nagenoeg hetzelfde tijdstip” dient te worden beschouwd als een tijdsperiode, zo dicht mogelijk bij de datum van uitvoer van de te waarderen goederen, waarbinnen de handelspraktijken en marktvoorwaarden die van invloed zijn op de prijs, dezelfde blijven. Het tijdstip waarop de soortgelijke goederen zijn verkocht voor uitvoer naar het land van invoer blijft daarbij buiten beschouwing. Eveneens blijft buiten beschouwing het tijdstip waarop de transactiewaarde als douanewaarde is aanvaard.

Die soortgelijke goederen dienen op hetzelfde handelsniveau en in vrijwel dezelfde hoeveelheid te worden verkocht als de goederen waarvan de waarde wordt berekend.

Bij afwezigheid van een dergelijke verkoop wordt gebruik gemaakt van de transactiewaarde van soortgelijke goederen verkocht op een verschillend handelsniveau en/of in verschillende hoeveelheden, zodanig aangepast dat rekening wordt gehouden met de verschillen welke voortvloeien uit het handelsniveau en/of hoeveelheid, op voorwaarde dat dergelijke aanpassingen, ongeacht of zij tot een verhoging of een verlaging van de waarde aanleiding geven, berusten op bewijzen waaruit duidelijk de redelijkheid en de correctheid van de aanpassing blijkt.

III.3.2. Soortgelijke goederen

140. Onder "soortgelijke goederen" verstaat men in hetzelfde land geproduceerde goederen die, hoewel zij niet in alle opzichten hetzelfde zijn, gelijke kenmerken vertonen en gelijksoortige bestanddelen bevatten waardoor zij dezelfde functies kunnen vervullen en in de handel onderling vervangbaar kunnen zijn: de kwaliteit van de goederen, de reputatie ervan en de aanwezigheid van een fabrieks- of handelsmerk zijn factoren die onder meer in aanmerking moeten worden genomen om vast te stellen of goederen soortgelijk zijn.

De term „soortgelijke goederen” omvat, naargelang het geval, geen goederen waarin engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen zijn begrepen of tot uitdrukking gebracht, waarvoor in verband met het feit dat deze zijn verricht of gemaakt in de Unie, geen aanpassing heeft plaatsgevonden.

III.3.3. Aanpassing

141. Wanneer in de beschouwde transactiewaarde kosten zijn begrepen van vervoer, verzekering, laden en vervoerhandelingen tot op de plaats van binnenkomst in de Unie, wordt deze waarde aangepast ten einde rekening te houden met belangrijke verschillen die, als gevolg van de verschillen in afstanden en wijzen van vervoer, tussen de kosten voor de ingevoerde goederen en de betrokken soortgelijke goederen kunnen bestaan.

III.3.4. Laagste waarde

142. Indien bij de toepassing van dit hoofdstuk meer dan één transactiewaarde van soortgelijke goederen wordt gevonden, wordt de laagste transactiewaarde gebruikt voor de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen.

III.3.5. Zelfde producent

143. De soortgelijke goederen moeten zijn geproduceerd door dezelfde persoon als de goederen waarvan de waarde wordt berekend. Alleen indien op deze wijze geen transactiewaarde kan worden gevonden, mag een transactiewaarde voor goederen die zijn geproduceerd door een andere persoon in aanmerking worden genomen.

III.3.6. Referentiegoederen

144. De beschouwde ingevoerde soortgelijke goederen moeten gewaardeerd zijn volgens de transactiewaarde van deze goederen zelf. In voorkomend geval dienen er aanpassingen te worden verricht ten einde rekening te houden met de belangrijke verschillen tussen de twee toestanden. Het kan eventueel een transactiewaarde betreffen die door de douane van een andere EU-lidstaat voor soortgelijke goederen is aanvaard geworden.

S4 In het arrest van het Europese Hof van Justitie in de zaak C-187/21 – FAWKES Kft. v Nemzeti Adó- és Vámhivatal Fellebbviteli Igazgatósága wordt bepaald dat de douaneautoriteiten van een lidstaat niet verplicht zijn om de informatie van de douaneautoriteiten van andere lidstaten of van diensten en instellingen van de Unie te gebruiken, als zij over voldoende gegevens beschikken om de douanewaarde vast te stellen op basis van de informatie uit de door hen samengestelde en beheerde nationale gegevensbank die wordt aangevuld met de door hen ontvangen douaneaangiften. De nationale gegevensbank moet dus de informatie kunnen verschaffen die nodig is om de methode van de transactiewaarde van soortgelijke goederen toe te passen.

Hetzelfde arrest bepaalt echter ook dat de douaneautoriteiten verplicht zijn om de gegevens op basis waarvan de douanewaarde wordt vastgesteld mee te delen aan degene die de goederen inklaart. Dit betekent dat bij het bepalen van de douanewaarde enkel die gegevens uit andere lidstaten of van diensten en instellingen van de Unie kunnen gebruikt worden die niet vertrouwelijk zijn en zonder probleem aan de aangever van de goederen kunnen worden meegedeeld.

Wat betreft de statistische gegevens die door de EU-instellingen worden verzameld, is het niet zeker dat deze noodzakelijkerwijs informatie bevatten die kan worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen met behulp van de transactiewaardemethode van soortgelijke goederen, vanwege hun geaggregeerde aard en vertrouwelijkheid.

Tevens bepaalt dit arrest dat de douaneautoriteiten van een lidstaat bij het vaststellen van de douanewaarde de transactiewaarden van andere transacties van degene die de goederen inklaart buiten beschouwing kan laten, ook al zijn deze waarden noch door de douaneautoriteiten van deze lidstaat noch door de douaneautoriteiten van de andere lidstaten betwist. De douaneautoriteiten van deze lidstaat kunnen dit echter enkel doen indien zij:

- de transactiewaarden van de invoeren in de eigen lidstaat binnen de in artikel 103 DWU opgenomen wettelijke termijn betwisten en hierbij de in artikel 140 DWU-IA beschreven procedure volgen;

- en zij, in het geval van transactiewaarden met betrekking tot invoer in andere lidstaten, de uitsluiting van deze transactiewaarden voldoende kunnen rechtvaardigen.

III.3.7. Procedure

145. De richtlijnen voor het bepalen van de transactiewaarde op identieke goederen zijn mutatis mutandis van toepassing bij vaststelling van de douanewaarde op grond van de transactiewaarde van soortgelijke goederen.

De douane maakt zoveel mogelijk gebruik van een verkoop van soortgelijke goederen op hetzelfde handelsniveau en in vrijwel dezelfde hoeveelheid als die van de verkoop van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald. Indien een dergelijke verkoop niet voorhanden is, kan gebruik gemaakt worden van een verkoop van soortgelijke goederen die plaatsvindt onder één van de volgende drie omstandigheden:

a) een verkoop op hetzelfde handelsniveau maar in een verschillende hoeveelheid;

b) een verkoop op een verschillend handelsniveau maar in vrijwel dezelfde hoeveelheid; of

c) een verkoop op een verschillend handelsniveau en in een verschillende hoeveelheid.

Indien een verkoop wordt gevonden die is tot stand gekomen onder één van deze drie omstandigheden moeten, al naar het geval zich voordoet, aanpassingen plaatsvinden voor:

a) enkel de factoren van de hoeveelheid;

b) enkel de factoren van het handelsniveau; of

c) zowel de factoren van de hoeveelheid als van het handelsniveau.

Een voorwaarde voor een aanpassing wegens een verschil in handelsniveau of in hoeveelheid is, dat een dergelijke aanpassing, daargelaten of deze leidt tot een verhoging of een verlaging van de waarde, geschiedt op basis van bewijzen waaruit duidelijk blijkt dat zij redelijk en exact is, in het bijzonder volgens geldende prijslijsten met prijzen voor verschillende niveaus of verschillende hoeveelheden.

Het kan bijvoorbeeld zijn dat de ingevoerde goederen waarvan de waarde wordt berekend, een zending vormen van 10 eenheden en dat de enige ingevoerde soortgelijke goederen waarvoor een transactiewaarde bestaat, zijn verkocht bij een verkoop van 500 eenheden. Indien dan geweten is dat de verkoper hoeveelheidskortingen geeft, kunnen de noodzakelijke aanpassingen worden verricht door uit te gaan van de prijslijst van de verkoper en door daarbij gebruik te maken van de prijs die van toepassing is bij een verkoop van 10 eenheden. Dit betekent niet dat een verkoop in een hoeveelheid van 10 eenheden reeds moet zijn tot stand gekomen, mits bij verkopen in andere hoeveelheden is vastgesteld dat de prijslijst bona fide is. Bij afwezigheid van een dergelijke objectieve maatstaf is de vaststelling van een douanewaarde met toepassing van dit hoofdstuk niet passend.

S4 Voor de vergelijking van de prijzen dient te worden uitgegaan van goederen die op hetzelfde of op nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn uitgevoerd. De periode moet daarom zodanig worden gekozen dat het risico wordt vermeden dat een aanzienlijke verandering in de handelspraktijken en marktvoorwaarden de prijzen van de te waarderen goederen beïnvloedt (arrest van het Europees Hof van Justitie in zaak C-187/21).

III.3.8. Merkartikelen

146. Een merkartikel is in het algemeen niet soortgelijk te beschouwen aan eenzelfde artikel van een ander merk. In de internationale handel zijn artikelen van verschillende merken immers, commercieel gezien, niet zonder meer verwisselbaar, een eis waaraan moet voldaan zijn opdat soortgelijke goederen als effectief soortgelijk voor de waardering kunnen aangemerkt worden.

III.4. Aftrekmethode

DWU, art. 74 § 2, c)

IA, art. 142

III.4.1. Gebruiksvoorwaarden

147. Indien voor de ingevoerde goederen bij gebrek aan passende verkoop ervan geen passende douanewaarde kan worden bepaald op grond van de transactiewaarde voor de vertoonde of identieke of soortgelijke goederen, zal men de aftrekmethode toepassen. Deze methode wordt dus in vierde rang in onderzoek gesteld door de douane, tenzij de aangever opteert voor de vijfde methode; de methode van berekende waarde.

De douanewaarde volgens de aftrekmethode is gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers.

Deze eenheidsprijs is de prijs waartegen de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Unie worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de te waarderen goederen.

Deze methode houdt dus rekening met verkopen die plaatsvinden na het in het vrije verkeer brengen van de goederen. In de distributieketen van de ingevoerde goederen (van de fabrikant aan de consument) is het eerste handelsniveau na de vrijgave voor het vrije verkeer het niveau direct na de vrijgave voor het vrije verkeer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

Bij de berekening van de eenheidsprijzen wordt een aftrek toegepast voor de volgende elementen: 1) commissie of de winstmarge en algemene kosten; 2) vervoer en verzekering en daarmee verbonden kosten in de Unie en 3) rechten bij invoer en andere belastingen in de Unie.

III.4.2. Uitgesloten verkopen

148. Bij de aftrekmethode mogen de volgende verkopen niet in aanmerking komen:

- de verkoop van goederen op een ander handelsniveau dan het eerste handelsniveau na de invoer S4 (= de eerste verkoop in de commerciële keten die in de EU plaatsvindt na het binnenbrengen van de goederen in het douanegebied van de Unie.) ;

- de verkoop aan verbonden personen;

- de verkoop aan personen die, direct of indirect, gratis of tegen verminderde prijs, goederen of diensten (zie hoofdstuk II.3.2.e: diensten van de koper) leveren om te worden gebruikt bij de productie en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen;

- de verkoop waarvan de hoeveelheden niet voldoende zijn om de eenheidsprijs vast te stellen.

III.4.3. Vroegste datum

149. In de gevallen dat de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen niet worden verkocht op of ongeveer op het tijdstip van de invoer van de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen gebaseerd op de eenheidsprijs waartegen de ingevoerde of ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Unie worden verkocht in de staat waarin zij zijn ingevoerd op het vroegste tijdstip na de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald en in ieder geval binnen negentig dagen na die invoer.

De "vroegste datum" is de datum waarop de verkopen van de ingevoerde goederen of van ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in voldoende hoeveelheden plaatsvinden om de eenheidsprijs vast te stellen.

III.4.4. Eenheidsprijs

150. De eenheidsprijs waartegen de ingevoerde goederen in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht is de prijs waartegen het grootste aantal eenheden, op het eerste handelsniveau na invoer waarop dergelijke verkopen plaatsvinden, wordt verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de personen van wie zij dergelijke goederen kopen.

Voorbeeld:

Een voorbeeld waarin verschillende hoeveelheden worden verkocht tegen verschillende prijzen is volgend geval:

a) Verkopen

Verkochte hoeveelheid

Prijs per eenheid

40 eenheden

30 eenheden

15 eenheden

50 eenheden

25 eenheden

35 eenheden

5 eenheden

100

90

100

95

105

90

100

b) Totalen

Totale verkochte hoeveelheid

Prijs per eenheid

65

50

60

25

90

95

100

105

In dit voorbeeld is het grootste aantal eenheden dat tegen een bepaalde prijs wordt verkocht 65; bijgevolg is de prijs per eenheid in de grootste totale hoeveelheid 90.

III.4.5. Rangorde van prijs

151. Voor de toepassing van de aftrekmethode is er geen rangorde tussen de prijs van de goederen waarvan de waarde wordt berekend en die van identieke of van soortgelijke goederen. Indien bv. een verkoop van ingevoerde identieke goederen eerder plaatsvindt dan de verkoop van de goederen waarvan de waarde wordt berekend, dan kan voor de toepassing van de aftrekmethode de prijs van de identieke goederen aangewend worden. Dit betekent dat men niet hoeft te wachten of zich op of omstreeks het tijdstip van de invoer of binnen de periode van negentig dagen een verkoop voordoet van de goederen waarvan de waarde wordt berekend, respectievelijk van soortgelijke goederen.

III.4.6. Aftrekelementen

152. Teneinde de douanewaarde vast te stellen dienen van de eenheidsprijs die in deze methode als basis wordt genomen, bepaalde elementen die geen verband houden met de prijs bij uitvoer te worden afgetrokken:

- hetzij de commissies die gewoonlijk worden betaald of overeengekomen, hetzij de gebruikelijke opslagen voor winst en algemene kosten (de directe en indirecte kosten in verband met het verhandelen van de betrokken goederen daaronder begrepen) bij verkopen in het douanegebied van de Unie van ingevoerde goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter;

- leveringskosten ontstaan in het douanegebied van de Unie of in de douane-unie EU-Turkije zoals de gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering en daarmede verbonden kosten;

- de invoerrechten en andere belastingen die in het douanegebied van de Unie zijn verschuldigd bij de invoer of de verkoop van de goederen.

153. Er dienen aftrekkingen te worden gedaan in verband met commissielonen of met winst en algemene kosten. Indien de commissielonen worden afgetrokken kan niets meer worden afgetrokken in verband met winst en algemene kosten en vice versa.

Onder commissies dient hier te worden verstaan de provisie, courtage of andere beloning die door de verkoper gewoonlijk wordt betaald aan of overeengekomen met een tussenpersoon bij verkopen in de EU van ingevoerde goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter.

Onder winst en algemene kosten dient te worden verstaan die kosten die gewoonlijk worden berekend bij verkopen in de EU van ingevoerde goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter. Deze aftrekkingen vinden plaats wanneer de verkoper voor eigen rekening handel drijft.

De woorden "winst en algemene kosten" moeten als één geheel worden aangemerkt. Het bedrag van de aftrek behoort te worden vastgesteld op basis van gegevens die zijn verstrekt door of namens de importeur/koper, tenzij de cijfers van de importeur/koper niet stroken met die welke voortvloeien uit verkopen in de Unie van ingevoerde goederen van dezelfde categorie of soort. Indien de cijfers van de importeur/koper niet stroken met laatstbedoelde cijfers, kan het bedrag voor winst en algemene kosten worden gebaseerd op andere relevante gegevens dan die welke zijn verstrekt door of namens de importeur/koper.

De term algemene kosten omvat tevens de rechtstreekse en onrechtstreekse kosten in verband met de afzet van de betrokken goederen.

De vraag of goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter zijn als andere goederen, dient van geval tot geval en rekening houdend met de desbetreffende omstandigheden te worden beantwoord. Er dient een onderzoek te worden ingesteld naar de verkopen in het land van invoer waarvoor de noodzakelijke inlichtingen kunnen worden verstrekt en die plaatsvinden, binnen een zo beperkt mogelijke groep of reeks van ingevoerde goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter, tot welke groep of reeks de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, moeten behoren. Voor de toepassing van deze bepaling zijn onder goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter zowel goederen, ingevoerd uit hetzelfde land als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, als goederen, ingevoerd uit andere landen, begrepen.

III.4.7. Bewerking of verwerking na invoer

154. Indien noch de ingevoerde goederen noch identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in de Unie worden verkocht op of omstreeks het tijdstip – in ieder geval binnen de 90 dagen -van de invoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald in de staat waarin zij zijn ingevoerd, wordt op verzoek van de aangever de douanewaarde gebaseerd op de eenheidsprijs waartegen de ingevoerde goederen, na verdere bewerking of verwerking, in de grootste totale hoeveelheid worden verkocht aan personen in de Unie die niet zijn verbonden met de personen van wie zij deze goederen kopen, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de door de bewerking of verwerking toegevoegde waarde en de hoger voorziene aftrekkingen.

De aftrek voor de waarde die door de bewerking of verwerking is toegevoegd wordt berekend naar objectieve en meetbare gegevens die verband houden met de kosten van die werkzaamheden. Erkende industriële formules, recepten, constructiemethoden en andere industriële praktijken zullen de basis vormen voor de berekeningen.

Deze methode van waardebepaling is normaal niet toepasselijk in gevallen waarin, ten gevolge van de bewerking of verwerking, de ingevoerde goederen hun identiteit verliezen. Er kunnen evenwel gevallen zijn waarin, hoewel de identiteit van de goederen verloren gaat, de door de bewerking of verwerking toegevoegde waarde toch nauwkeurig kan worden vastgesteld. Daartegenover kunnen er gevallen zijn waarin de ingevoerde goederen hun identiteit behouden, doch waarin zij zulk een klein gedeelte uitmaken van de in het land van invoer verkochte goederen dat het gebruik van deze methode van bepaling van de waarde niet verantwoord is.

III.5. Methode van de berekende waarde

DWU, art. 74 § 2 d)

IA, art. 143

III.5.1. Gebruiksvoorwaarden

155. Indien voor de ingevoerde goederen geen passende douanewaarde kan worden bepaald op grond van de transactiewaarde van de vertoonde of identieke of soortgelijke goederen, en evenmin eventueel op grond van de aftrekmethode, zal men de methode van de berekende waarde toepassen. Deze methode wordt dus in vijfde rang in onderzoek gesteld door de douane, tenzij de aangever opteert voor deze methode in plaats van de aftrekmethode.

De berekende waarde bestaat uit de som van:

- de kosten of waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere bij de productie van de ingevoerde goederen verrichte behandelingen;

- winsten en algemene kosten (bedrijfskosten), zowel rechtstreekse als onrechtstreekse, in verband met de productie en verkoop, gelijk aan het bedrag dat gebruikelijk is bij door producenten in het land van uitvoer verrichte verkopen voor uitvoer naar de Unie van goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter als de goederen waarvan de waarde moet worden bepaald;

- de kosten of waarde van vervoer, verzekering, laden, vervoerhandelingen tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie of in de douane-unie EU-Turkije.

III.5.2. Omkeerbare rangorde

156. In principe past de douane zo nodig achtereenvolgens de aftrekmethode en de methode van de berekende waarde toe. De aangever of importeur/koper heeft evenwel het recht eerst de berekende waarde te doen toepassen indien hij daarom verzoekt.

Indien daarentegen geacht wordt dat de terzake verstrekte gegevens niet voldoende zijn of onvoldoende controleerbaar, past de douane de aftrekmethode toe.

III.5.3. Informatiebronnen

157. De douaneautoriteiten kunnen, ten behoeve van de vaststelling van een berekende waarde, geen enkele persoon die niet in de Unie is gevestigd, oproepen of dwingen tot het overleggen voor onderzoek van enige boekhoudkundige rekening of ander document.

Evenwel kunnen de autoriteiten van een lidstaat, met toestemming van degene die de goederen heeft voortgebracht, de inlichtingen die door deze met het oog op de vaststelling van de douanewaarde werden verstrekt, in een land dat geen deel uitmaakt van de Unie controleren, op voorwaarde dat genoemde douaneautoriteiten de douaneautoriteiten van het betrokken land tijdig genoeg inlichten en deze laatste instemmen met het onderzoek.

Daarom is doorgaans het gebruik van de methode van de berekende waarde beperkt tot die gevallen waarin de koper en de verkoper zijn verbonden en waarin degene die de goederen voortbrengt, bereid is de noodzakelijke kostprijsberekening aan de autoriteiten van het land van invoer mede te delen en mogelijkheden te openen voor een nader onderzoek.

III.5.4. De bijrekenelementen

158. De elementen van de berekende waarde zijn:

a) productiekosten die de kosten of waarden van de materialen en bedrijfskosten, alsmede alle bij de productie verrichte behandelingen omvatten, begrijpen mede de waarde passend omgeslagen, van volgende goederen en diensten verwerkt, verbruikt of gebruikt in de goederen zelf of bij de fabricage ervan, die door de koper kosteloos of tegen verminderde kosten aan de producent zijn toegeleverd:

- materialen, componenten, onderdelen en dergelijke bestanddelen;

- werktuigen, matrijzen, gietvormen en soortgelijke bestanddelen;

- verbruikte materialen

- engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen die buiten de Unie zijn verricht.

De waarde van engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen die in de EU zijn tot stand gekomen, is alleen inbegrepen in de mate dat deze werken in rekening worden gebracht aan de producent. Die kosten of waarden dienen te worden vastgesteld op basis van de gegevens die betrekking hebben op de voortbrenging van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald en die zijn verstrekt door of namens degene die de goederen heeft voortgebracht. Het bedrag van deze kosten of waarden is gebaseerd op de bedrijfsboekhouding van degene die de goederen heeft voortgebracht, op voorwaarde dat deze boekhouding verenigbaar is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen die gelden in het land waar de goederen zijn voortgebracht.

b) bedrag voor winsten en algemene kosten, zowel de directe als indirecte zijnde andere productiekosten en verkoopkosten. Dit bedrag dient te worden vastgesteld op basis van gegevens die zijn verstrekt door of namens degene die de goederen heeft voortgebracht, tenzij diens cijfers niet stroken met die welke door producenten in het land van uitvoer gewoonlijk in aanmerking worden genomen bij verkoop van goederen, bestemd voor uitvoer naar het land van invoer, die dezelfde aard of hetzelfde karakter hebben als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

Bedoeld bedrag wordt als één geheel beschouwd. Indien bijgevolg om commerciële redenen (bv. een daling van de vraag) het bedrag van de winst van degene die de goederen voortbrengt, laag is en zijn algemene kosten hoog zijn, kunnen winst en algemene kosten te samen niettemin stroken met die welke gewoonlijk in aanmerking worden genomen bij verkoop van goederen van dezelfde aard of hetzelfde karakter uit hetzelfde land.

c) verpakkingskosten, zowel voor arbeidsloon als voor materialen en verpakking. Deze worden voor douanedoeleinden steeds geacht één geheel te zijn met de goederen voor zover het gewone en gebruikelijke verpakking betreft.

d) leveringskosten, te weten het transport, de verzekeringskosten, de ladings- en overladingskosten, de kosten van behandelingen in verband met vervoer tot op de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie of in de douane-unie EU-Turkije.

III.5.5. Vertrouwelijkheid van de gegevens

159. Indien voor de vaststelling van een berekende waarde andere inlichtingen worden gebruikt dan die welke door of namens de producent van de goederen zijn verstrekt, doen de douaneautoriteiten aan de aangever, indien deze daarom verzoekt, mededeling van de herkomst van deze inlichtingen, de gebruikte gegevens en de op die gegevens gebaseerde berekeningen, een en ander behoudens art. 12 DWU.

III.6. Methode van de redelijke middelen of “Fall back”-methode

DWU, art. 74 §3

IA, art. 144

160. Deze waarderingsmethode is toe te passen in laatste instantie. Het betreft geen aparte, afzonderlijk definieerbare methode aangezien het in eerste instantie de herneming van de vijf voorgaande methoden is maar met een ruimere interpretatie van de principes, gebaseerd op beschikbare gegevens in het douanegebied van de Unie. Indien mogelijk dient de rangorde van de methoden te worden gevolgd (Advies nr. 12-2 van het Technisch Comité Douanewaarde van de WDO).

Volgens de omstandigheden dient men nochtans te oordelen of de verschillende vastgestelde methoden van het wetboek met een redelijke soepelheid kunnen worden toegepast. Waar dit mogelijk is baseert men zich op eerder vastgestelde douanewaarden.

161. Nochtans, wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen niet kan worden vastgesteld met toepassing van de voorziene methodes, zelfs met soepele interpretatie, mogen in laatste instantie andere redelijke middelen worden gebruikt voor zover deze niet worden uitgesloten ingevolge de hiernavolgende beschikkingen.

Men stelt evenwel in geen geval de douanewaarde vast op basis van S4 (IA, art. 144, §2):

- de verkoopprijs, in het douanegebied van de Unie, van goederen die in het douanegebied van de Unie zijn geproduceerd;

- een stelsel waarbij de hoogste van de twee in aanmerking komende waarden voor de douanewaarde wordt gebruikt;

- de prijs van goederen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer;

- de kosten van de productie, andere dan de berekende waarden die overeenkomstig de methode van de berekende waarde voor identieke of soortgelijke goederen zijn vastgesteld;

- prijzen voor uitvoer naar een derde land;

- minimumdouanewaarden;

- willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

Hierna volgen enige voorbeelden van redelijke soepelheid:

- Identieke goederen: de eis dat de identieke goederen dienen te worden uitgevoerd op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip als dat van uitvoer van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, kan soepel worden uitgelegd; ingevoerde identieke goederen, voortgebracht in een ander land dan het land waaruit de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, worden uitgevoerd, kunnen de basis vormen voor de bepaling van de douanewaarde; er kan gebruik worden gemaakt van douanewaarden van ingevoerde identieke goederen die reeds zijn vastgesteld met toepassing van de bepalingen van de aftrekmethode of deze van de berekende waarde;

- Soortgelijke goederen: de eis dat de soortgelijke goederen dienen te worden uitgevoerd op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip als dat van de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, kan soepel worden uitgelegd; ingevoerde soortgelijke goederen, voortgebracht in een ander land dan het land waaruit de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, worden uitgevoerd, zouden kunnen de basis vormen voor de bepaling van de douanewaarde; er kan gebruik worden gemaakt van reeds als douanewaarden vastgestelde waarden van ingevoerde soortgelijke goederen met toepassing van de aftrekmethode of deze van de berekende waarde;

- Aftrekmethode: de eis dat de goederen moeten zijn verkocht in de "staat waarin zij zijn ingevoerd", kan soepel worden uitgelegd; de termijn van 90 dagen kan soepel worden toegepast.

IV. BIJZONDERE WAARDERINGEN

IV.1. Vereenvoudigde procedure - in consignatie ingevoerde aan bederf onderhevige goederen

DWU, art 74, § 2. c)

IA, art.142, § 6 en bijlage 23-02

IV.1.1. Eenheidsprijs

162. De bepaling van de douanewaarde van aan bederf onderhevige goederen als groenten en fruit, die in consignatie worden geleverd, geeft aanleiding tot ernstige moeilijkheden en vertraging bij de dedouanering.

Vanuit commercieel standpunt betekent "in consignatie" goederen ter beschikking stellen van een derde wat hem de mogelijkheid biedt om die goederen te verkopen. De verzender van de goederen blijft eigenaar en de agent die ze ontvangt wordt bestemmeling. De agent verkoopt die goederen in de Unie in naam van en volgens de instructies van de verzender. Dit betekent heel vaak dat op het moment van de douanewaardebepaling voor de groenten en fruit in consignatie er nog geen verkoop plaats had gevonden en er bijgevolg geen transactiewaarde bestaat.

Om deze moeilijkheden, ontstaan uit het ontbreken van bepaalde elementen ter vaststelling van de waarde, te vermijden, werd voor sommige goederen een vereenvoudigde procedure ingesteld. De vereenvoudigde procedure voor groenten en fruit vormt een bijzondere toepassing van de aftrekmethode.

Deze vereenvoudigde procedure bestaat uit vaste eenheidsprijzen die voor de betrokken producten gedurende tijdvakken van telkens veertien dagen van toepassing zijn.

Deze eenheidsprijzen zijn gebaseerd op de gedurende een vorige referentieperiode gemaakte prijzen.

Zij maken de douanewaarde uit voor de bedoelde goederen, bijgevolg dient er geen enkele aanpassing meer te geschieden in verband met kosten (leveringskosten, enz...) of met eventueel verleende prijsverminderingen. De aangiften voor het vrije verkeer van belastbare goederen dienen slechts als aan te geven waarde de eenheidsprijs te vermelden.

De publicatie van de eenheidsprijzen doet geen afbreuk aan de toepassing voor de desbetreffende goederen van een eventueel in het tarief van invoerrechten ingeschreven specifiek minimumrecht.

IV.1.2. Praktische toepassing van de vereenvoudigde procedure

163. De vereenvoudigde procedure kan enkel bij bepaalde in consignatie ingevoerde groenten en fruit worden toegepast, voor de respectieve periode en waarvan de tariefcodes uitdrukkelijk zijn vermeld in bijlage 23-02 IA (zie bijlage 8).

De procedure is evenmin toepasbaar wanneer die zelfde landbouwproducten onderworpen zijn aan het systeem van de forfaitaire waarden (zie S4 Circulaire 2020/C/23 betreffende de invoerregeling groenten en fruit).

De uitvoeringsbepalingen van de vereenvoudigde procedure bepalen dat voor de in de lijst opgenomen groenten en fruit de eenheidsprijzen worden toegepast gedurende periodes van telkens veertien dagen, beginnende op een vrijdag.

De eenheidsprijzen worden door de lidstaten aan de Commissie medegedeeld en door deze via Taric bekendgemaakt overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad.

De eenheidsprijzen worden als volgt berekend en medegedeeld:

- voor elke categorie goederen, wordt een eenheidsprijs per 100 kg netto door de lidstaten aan de Commissie medegedeeld. De lidstaten mogen vaste bedragen vaststellen voor aftrek van de gebruikelijke elementen die bij toepassing van de aftrekmethode worden in mindering gebracht.

- de eenheidsprijs mag worden gebruikt om de douanewaarde te bepalen van de ingevoerde goederen voor tijdvakken van 14 dagen, waarbij elk tijdvak op een vrijdag aanvangt.

- het referentietijdvak voor de bepaling van de eenheidsprijzen is het voorafgaande tijdvak van 14 dagen dat eindigt op de donderdag voorafgaande aan de week waarin de nieuwe eenheidsprijzen moeten worden vastgesteld.

- de lidstaten delen de Commissie de eenheidsprijzen in euro mede uiterlijk om 12.00 uur op de maandag van de week waarin zij door de Commissie worden bekendgemaakt. Wanneer die dag een feestdag is, geschiedt de mededeling op de voorafgaande werkdag. De eenheidsprijzen zijn slechts van toepassing indien zij door de Commissie zijn bekendgemaakt.

IV.1.3. Keuzerecht tot gebruikmaking van de procedure

164. De gebruikmaking van het systeem van de vereenvoudigde procedure is facultatief voor de belanghebbende. Deze heeft steeds het recht de waarde van de in consignatie ingevoerde goederen aan te geven volgens de gewone methoden voorzien door de artikelen 70 en 74 DWU.

Tenslotte wordt er op gewezen dat de keuze tussen de vereenvoudigde procedures en de gebruikelijke waardebepalingsmethoden dient te gebeuren op het tijdstip van de vaststelling van de douanewaarde. De importeur/aangever kan bijgevolg zijn keuze niet meer wijzigen nadat de aangifte door de douane is aanvaard.

IV.1.4. Vermelding in S3 Tarbel

165. In TARBEL staat de “eenheidsprijs” vermeld in de vierde kolom van het scherm “Tarifaire maatregelen” tegenover het maatregeltype “Eenheidsprijs” in de derde kolom en de betrokken landengroep en/of land in de tweede kolom.

Voorbeeld weergave in Tarbel bij Taric-code 0805 4000 31 (op 10/11/2020)

IV.1.5. Snijbloemen

166. Deze producten die gewoonlijk in consignatie worden ingevoerd, vallen niet onder het systeem van de vereenvoudigde procedures, zodat de waarde daarvan dient te worden bepaald overeenkomstig de gewone regels.

Aangezien dedouanering van deze producten aanleiding kan geven tot moeilijkheden en vertraging kunnen de importeurs verzoeken om gebruik te maken van vereenvoudigde aangiften in toepassing van art 166 en 167 DWU (zie hoofdstuk IV.3.1. hierna).

IV.2. Wisselkoers

DWU, art. 53 §1 a)

IA, art. 146 §1 a)

IV.2.1. Omrekening

167. De prijs en de bijkomende kosten (b.v. vervoer- en verzekeringskosten), die in de douanewaarde zijn te begrijpen, kunnen in een andere munteenheid uitgedrukt zijn. In dit geval moeten de vreemde munteenheden worden omgerekend in euro.

De lijst van de ISO-muntcodes is opgenomen in bijlage 9.

De wisselkoers moet een zo werkelijk mogelijke weergave zijn van de gangbare waarde van die munteenheid bij handelstransacties en moet worden toegepast gedurende een termijn die door de bevoegde autoriteiten kan worden bepaald.

IV.2.2. Vaststelling van de maandelijkse wisselkoers

168. De voor de omrekening van de genoteerde munten te hanteren wisselkoers is de indicatieve koers welke door de Europese Centrale Bank wordt bekend gemaakt op de voorlaatste woensdag van de maand. Deze koers wordt de daaropvolgende dag in de serie C van het Publicatieblad van de Europese Unie en ook in de meeste dagbladen gepubliceerd. Hij treedt in werking op de eerste dag van de volgende kalendermaand en blijft geldig gedurende deze hele maand.

Wanneer op de voorlaatste woensdag geen wisselkoers bekend is gemaakt, geldt de meest recent gepubliceerde koers.

In de praktijk worden de toepasselijke wisselkoersen voor de genoteerde munten en bepaalde munteenheden - die niet zijn genoteerd op de valutamarkt - medegedeeld in Tarbel door de dienst Wetgeving - Tarief op de volgende websites:

- via het intranet op S3 http://www.finbel.intra/intTariffBrowser/, page HOME > Andere > Wisselkoersen, of

- via het internet op https://eservices.minfin.fgov.be/tarbel/, HOME > Andere > Wisselkoersen.

Voor andere niet genoteerde munteenheden - die niet door de Europese Centrale Bank worden gepubliceerd - kunnen de diensten beroep doen op de dienst S3 Wetgeving – Tarief  via het e-mailadres: S3 da.lex.tariff@minfin.fed.be.

IV.2.3. Toepassing van de wisselkoers

169. Wordt in het koopcontract of op de factuur benevens de vermelding van het bedrag in vreemde munt aangeduid welk bedrag verschuldigd is in euro, dan bestaat er geen enkele reden om tot omrekening over te gaan, daar de koopprijs reeds is bedongen in euro.

Indien vooraf een vaste wisselkoers voor de valuta van de lidstaat waar de waarde van de goederen wordt bepaald tussen de betrokken partijen werd afgesproken voor de betaling van een prijs uitgedrukt in een vreemde valuta, wordt deze prijs beschouwd als in de valuta van de lidstaat. Het bedrag dat in aanmerking wordt genomen voor de bepaling van de douanewaarde wordt verkregen door de vreemde valuta om te rekenen met de overeengekomen vaste wisselkoers, op voorwaarde dat de betaling werkelijk gebaseerd is op dit tarief. Hierbij is belangrijk de valuta waarin de prijs daadwerkelijk werd betaald.

Wordt bepaald dat het in vreemde munt (bv. Rupiah) uitgedrukte bedrag tegen een vaste koers in een andere vreemde munt (bv. Dollar) moet vereffend worden, dan dienen de gewone regels voor de omrekening te worden toegepast op het bedrag waarin de werkelijke betaling dient te geschieden.

Wanneer de factuur een prijs in een virtuele valuta (bijvoorbeeld in bitcoins) vermeldt en tegelijkertijd de omrekening in nationale valuta biedt, moet de douanewaarde worden gebaseerd op de munt voor de betaling van de prijs.

Daarom, wanneer op de factuur en het contract werd vastgelegd dat de prijs in de nationale valuta moet worden betaald, zal dit bedrag (in nationale valuta) de betaalde of te betalen prijs voor de goederen zijn.

Anderzijds, indien de betaalde of te betalen prijs in een virtuele munt is, kan de valuta niet worden omgerekend volgens de geldende voorschriften. Dit zal gevolgen hebben voor de aanvaarding van de prijs. Bij het ontbreken van een aanvaardbare prijs zal dit ook gevolgen hebben voor de toepassing van de transactiemethode en dient de douanewaarde bijgevolg te worden bepaald via een bijkomende methode.

IV.2.4. Tijdstip van omrekening

170. De omrekening van vreemde munten dient te gebeuren op het tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde. Het tijdstip voor de bepaling van de douanewaarde is dat waarop de douane de aangifte voor plaatsing onder of het beëindigen van een douaneregeling aanvaardt.

Indien een wijziging van de aangifte wordt gevraagd op grond van art. 173 DWU, is de datum van de oorspronkelijke aangifte bepalend voor het omrekenen van de vreemde valuta tot de euro. De te gebruiken wisselkoers op basis van de datum van aanvaarding van de oorspronkelijke aangifte kan eveneens worden bekeken op Tarbel via het intranet- en internetadres hierboven vermeld in paragraaf 168.

171. Voor globale, periodieke of samenvattende aangiften kan, op verzoek van de aangever, voor de omrekening in euro van elementen ter bepaling van de douanewaarde die in een bepaalde munteenheid zijn uitgedrukt, één enkele wisselkoers worden toegepast. In dat geval is de toe te passen koers de vastgestelde koers, die van toepassing is op de eerste dag van de periode waarop de aangifte betrekking heeft.

172. Voor de vrijstellingen die onder nationale beschikkingen vallen is het tijdstip van de douanewaardebepaling wanneer van de vrijstelling wordt afgezien, het ogenblik waarop de douane de aangifte voor het vrije verkeer aanvaardt. De omrekening gebeurt op ditzelfde tijdstip. S1

IV.3. Vereenvoudigingen

IV.3.1. Vereenvoudigde en aanvullende en aangifte

DWU, art. 166 en 167

DA, art. 146 en 147

173. De douanewaarde kan, o.m. in de hiernavolgende gevallen niet definitief vastgesteld worden op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen:

- goederen in consignatie geleverd;

- beschadigde goederen waarvan het juiste bedrag aan schadevergoeding bij de invoer nog niet gekend is;

- bepaalde belastbare elementen van de koopprijs zijn nog niet gekend op het ogenblik van de inklaring;

- voor toepassing van de aftrekmethode zal eveneens een verkoop in de EU dienen afgewacht te worden.

In dergelijke situaties kunnen de douaneautoriteiten aanvaarden dat een vereenvoudigde aangifte ingediend wordt waaruit bepaalde informatie (met name S2 gefactureerde prijs (vak 42 van de douaneaangifte: artikelprijs)) of bewijsstukken (oa. de factuur voor het bepalen van de douanewaarde) die nodig zijn voor de toepassing van de bepalingen die gelden voor de douaneregeling waarvoor de goederen worden aangegeven, kunnen worden weggelaten (art. 166 DWU). S2

Voor het regelmatige gebruik van de vereenvoudigde aangifte is de toestemming van de douaneautoriteiten vereist.

De toestand dient zo spoedig mogelijk te zijn geregulariseerd na de definitieve vaststelling van de ontbrekende elementen; de aanvullende aangifte moet binnen de termijn voor de indiening in overeenstemming zijn met het artikel 146 DA.

De bewijsstukken die ontbraken bij de indiening van de vereenvoudigde aangifte dienen in het bezit van de aangever te zijn binnen de termijn voor de indiening van de aanvullende aangifte die in naar behoren gerechtvaardigde gevallen mag verlengd worden. Deze termijn mag niet meer bedragen dan 120 dagen te rekenen vanaf de vrijgave van de goederen. Wanneer het bewijsstuk de douanewaarde betreft, kunnen de douaneautoriteiten in naar behoren gerechtvaardigde gevallen een langere termijn vaststellen met inachtneming van de verjaringstermijn van drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan.

S2 In de praktijk voldoet PLDA nog niet aan de voorwaarden om het gebruik van vereenvoudigde aangiften mogelijk te maken zonder vermelding van de gefactureerde prijs (vak 42) (zie artikel 167 lid 4 DWU).

Daarom kunnen goederen waarvan de prijs of een element van de douanewaarde nog niet is vastgesteld op het tijdstip van het in het vrije verkeer brengen, worden aangegeven door middel van een standaard aangifte (normale procedure) met een voorlopige waarde.

De code 44-620I000-121 moet worden vermeld in vak 44 van de douaneaangifte. S4 De huidige code 44-620I000-121 zal niet meer kunnen worden gebruikt in IDMS, aangezien de structuur niet meer overeenkomt met de vereiste structuur van de codes van bijlage B DWU DA. In de plaats zal 173T in G.E. 12 04 002 000 moeten worden ingevuld.

Wanneer de definitieve prijs bekend is of wanneer de aftrekmethode kan worden toegepast, moet deze aangifte zo snel mogelijk worden geregulariseerd, met inachtneming van een maximale periode van 120 dagen.

De begeleidende documenten zijn in het bezit van de aangever en zijn beschikbaar voor de douaneautoriteiten wanneer de regularisatieaangifte wordt ingediend.

IV.3.2. S4Vergunning voor de vereenvoudiging van de bepaling van bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van goederen (CVA)

DWU, art. 73

DA, art. 71

174. De gegevens die nodig zijn voor de bepaling van bepaalde elementen die al dan niet deel van de douanewaarde uitmaken zijn niet in alle gevallen volledig gekend op het moment van het in het vrije verkeer brengen. De douanewaarde kan dus enkel worden vastgesteld nadat deze gegevens worden verstrekt. In andere gevallen, zijn de elementen gekend op het moment van het in het vrije verkeer brengen, maar kan de toebedeling nog niet worden gedaan.

De douaneautoriteiten kunnen desgevraagd toestaan dat de volgende bedragen bepaald worden op basis van specifieke criteria wanneer die bedragen niet meetbaar zijn op de datum waarop de douaneaangifte is aanvaard:

- de bedragen van de elementen die aan de douanewaarde moeten toegevoegd worden volgens art. 71 DWU (zie hoofdstuk II § 3) alsook de niet belastbare elementen volgens artikel 72 DWU (zie hoofdstuk II § 4).

- de bedragen die in de douanewaarde moeten begrepen worden, m.a.w. alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen S4volgens art. 70 §2 DWU.

Heel vaak betreft het elementen van de douanewaarde die slechts op het einde van het boekjaar gekend zijn, bijvoorbeeld in het kader van verrekenprijzen. S4

Indien die elementen kunnen worden berekend op basis van specifieke en passende criteria, kan de douanewaarde definitief worden bepaald bij de aangifte voor het vrije verkeer.

Deze vereenvoudigde manier om te bepalen of de bedragen van die elementen al of niet in de douanewaarde worden opgenomen kan worden verleend indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:

- de aanvraag voor de procedure van de vereenvoudigde aangifte brengt, in de gegeven omstandigheden, onevenredige administratieve kosten met zich mee;

- de vastgestelde douanewaarde zal niet sterk afwijken van de waarde die wordt vastgesteld indien die toestemming niet was verleend;

- bij de aanvrager geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving en belastingvoorschriften werden vastgesteld en hij geen strafblad heeft met zware misdrijven in verband met zijn economische activiteit (art. 39 a) DWU);

- de aanvrager voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de lidstaat waar de boekhouding wordt gevoerd en die bedrijfscontroles zal vergemakkelijken; de boekhouding voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

- de aanvrager beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden opgespoord.

IV.4. Plaats van binnenkomst

IA, art. 137

175. Om te weten welke transportkosten bij de werkelijk betaalde of te betalen prijs moeten worden toegevoegd, dient de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie te worden bepaald.

Onder de plaats waar goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht wordt verstaan:

a) voor over zee vervoerde goederen: de haven waar de goederen voor het eerst in het douanegebied van de Unie aankomen;

b) voor goederen die over zee worden vervoerd naar een van de Franse overzeese departementen die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie (Guadeloupe, Guyana, Martinique, Reunion en Mayotte) en die rechtstreeks naar een ander deel van het douanegebied van de Unie worden vervoerd, of vice versa: de haven waarin de goederen het eerst aankomen in het douanegebied van de Unie, op voorwaarde dat zij daar worden gelost of overgeladen;

c) voor goederen die zonder overlading eerst over zee en daarna via de binnenwateren worden vervoerd: de eerste haven die voor de lossing in aanmerking komt;

d) voor goederen die per spoor, via binnenwateren of over de weg worden vervoerd: de plaats waar het douanekantoor van binnenkomst is gevestigd;

e) voor goederen die via andere wijzen van vervoer worden vervoerd: de plaats waar de grens van het douanegebied van de Unie wordt overschreden. Dit geldt in het bijzonder voor via de lucht en langs buisleidingen aangevoerde goederen;

f) voor de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht en vervolgens naar de plaats van bestemming in een ander gedeelte van dit gebied worden vervoerd over grondgebieden buiten het douanegebied van de Unie: de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie het eerst zijn binnengebracht, op voorwaarde dat de goederen rechtstreeks over het grondgebied van die landen worden vervoerd en het vervoer langs een normale weg naar de plaats van bestemming plaatsvindt. Dit is eveneens van toepassing wanneer de goederen om vervoertechnische redenen zijn gelost, overgeladen of tijdelijk zijn opgehouden in gebieden buiten het douanegebied van de Unie.

Wanneer bij punt b en f niet is voldaan aan de vermelde voorwaarden, wordt het volgende verstaan onder de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht:

- voor over zee vervoerde goederen: de haven van lossing;

- voor goederen die via andere vervoerswijzen worden vervoerd: de onder c), d) of e) bedoelde plaatst die is gelegen in dat deel van het douanegebied van de Unie waarvoor de goederen bestemd zijn.

Voorbeelden:

  1. Goederen worden over de weg uit Albanië ingevoerd, in het douanegebied van de Unie via Kroatië. Vervoer naar Brussel is direct en vindt plaats op de normale weg via Zwitserland. Aan de Franse grens, worden de goederen opnieuw in de EU ingevoerd. De plaats van binnenkomst in de EU is het bureau van de douane in Kroatië.

Indien niet voldaan is aan de voorwaarden van rechtstreeks vervoer via de normale weg, is de plaats van binnenkomst het bureau van de douane in Frankrijk.

  1. Goederen uit de VS, bestemd om te worden ingevoerd in Luik worden naar Antwerpen via Martinique vervoerd. Wanneer de lading wordt gelost in Antwerpen, is het niet op te maken of de goederen werden gelost of overgeladen in Martinique. Antwerpen is in dit geval, de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de EU.

IV.5. Geschenken en bagage

176. Zijn de geschenken door de afzender aangekocht bij een leverancier in hetzelfde land, dan dient de koopprijs, eventueel aangepast, als uitgangspunt voor het bepalen van de waarde.

Die overwegingen gelden ook ten aanzien van geschenken, die door de ene particulier aan de andere worden toegestuurd. Geschenken worden in de regel verzonden onder toevoeging van een waarde-aangifte opgemaakt door de afzender. Als de afzender het geschenk zelf heeft aangekocht en heeft hij de koopprijs aangegeven, dan dient die als uitgangspunt voor het bepalen van de douanewaarde. Deze prijs dient uiteraard aangepast te worden met de werkelijk betaalde vracht- en leveringskosten tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie of van de douane-unie EU-Turkije.

Indien de geschenken door de afzender zijn vervaardigd, dan kan de waardebepaling geschieden onder de voorwaarden van het douanewetboek zoals voor identieke of soortgelijke goederen die worden geleverd ten gevolge van een tot stand gekomen verkoop.

Er wordt evenwel voorzien dat deze methoden in de praktijk moeilijk toepassing zullen kunnen vinden. Doorgaans dient de douanewaarde van geschenken overeenkomstig de "redelijke middelen" te worden vastgesteld. Het is daarom passend om de methode van de redelijke middelen toe te passen op basis van de aftrekmethode, waarbij met enige soepelheid de verschillende kosten worden afgetrokken.

Dezelfde regels gelden voor goederen die deel uitmaken van de persoonlijke bagage van reizigers, bemanningsleden van schepen en vliegtuigen en personeelsleden van andere vervoersmiddelen en die worden meegebracht voor eigen gebruik, voor de leden van het gezin of als geschenk.

De toevoeging van vrachtkosten aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs kan achterwege blijven als het de invoer van goederen betreft welke zijn vervat in de persoonlijke bagage van reizigers en die goederen toevallig ter gelegenheid van een reis naar het buitenland zijn verworven.

Voor het bepalen van de vrijstelling voor goederen zonder enig commercieel karakter bij persoonlijke bagage, dient echter rekening te worden gehouden met de intrinsieke waarde van de goederen.

IV.6. Maakloon

177. Bij invoer van producten die werden verkregen via maakloon met goederen die eigendom zijn van de invoerder/koper waarbij de regeling passieve veredeling niet kan worden toegepast, dient de douanewaarde van deze producten te worden vastgesteld.

Over het algemeen wordt onder contracten voor maakloon, contracten waarbij goederen zijn gewijzigd of veranderd volgens de instructies en voor rekening van een opdrachtgever bedoeld. Meestal slechts tegen betaling van vergoedingen of kosten van verwerking van de goederen die de opdrachtgever direct of indirect heeft verstrekt of ter beschikking heeft gesteld. Goederen die worden gewijzigd of veranderd, kunnen afkomstig zijn van de Unie of uit derde landen.

Voor goederen die worden in het vrije verkeer gebracht op basis van deze contracten, gelden de algemene bepalingen inzake de douanewaarde. De douanewaarde wordt in alle gevallen, waarin het voldoet aan de vereisten voor het gebruik van deze methode, bepaald met behulp van de methode van de transactiewaarde voor de ingevoerde goederen.

Hiervoor is de betaalde of te betalen prijs de basis voor de bepaling van de waarde, dat wil zeggen de betaalde of te betalen prijs voor de wijziging of de verwerking.

Deze waarde dient te omvatten:

- de veredelingskosten in het buitenland;

- de waarde van de door de invoerder/koper zelf of voor zijn rekening geleverde goederen en diensten (hierna toeleveringen genoemd);

- de leveringskosten.

De wijze waarop de waarde van elk van deze elementen moet worden vastgesteld wordt hierna bondig omschreven.

a) Veredelingskosten

Ofschoon aan de invoer van door maakloonwerk vervaardigde goederen een contract voor uitsluitend be- of verwerken van goederen ten grondslag ligt, wordt deze transactie voor de waardebepaling toch beschouwd als een koop en verkoop. Het bedrag dat voor de be- of verwerking in rekening wordt gebracht door de fabrikant waaraan de be- of verwerking is toevertrouwd wordt beschouwd als de betaalde of te betalen prijs voor de verrichting. Deze veredelingskosten maken doorgaans het voorwerp uit van een afzonderlijke factuur of kunnen, zoals in sommige gevallen van maakloonwerk, samen met de grondstoffen die de veredelaar zelf heeft gekocht of geproduceerd gefactureerd worden.

b) Toeleveringen

Voor de waardebepaling van de toeleveringen d.w.z. goederen of diensten die door de invoerder/koper gratis of tegen verminderde kosten aan de veredelaar ter beschikking zijn gesteld, dienen de bepalingen van art. 71 lid1, b) DWU te worden toegepast (zie hoofdstuk II.3.2.e.).

Er wordt opgemerkt dat de ter beschikking gestelde goederen ook goederen kunnen zijn die door een derde aan de invoerder/koper worden gefactureerd, en door die derde of te zijnen behoeve aan de veredelaar zijn gestuurd. De waarde van deze toeleveringen bestaat uit de koopprijs indien de invoerder/koper ze van een niet met hem verbonden verkoper heeft gekocht. Ingeval de invoerder/koper de toeleveringen zelf heeft vervaardigd wordt de waarde daarvan gevormd door de kosten van voortbrenging. Indien gebruikte goederen naar het buitenland werden gestuurd, wordt rekening gehouden met hun restwaarde.

Indien de waarde van de toeleveringen niet kan bepaald worden op grond van artikel 71, lid 1, b) van het DWU zal een andere waardemethode moeten toegepast worden ter vaststelling van de douanewaarde van de veredelingsproducten. Dan zal de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen (toeleveringen) bepaald worden als het verschil tussen de douanewaarde van de veredelingsproducten en de met redelijke middelen (bijv. de factuur van de veredelingshandelingen) vastgestelde kosten van veredeling.

c) Leveringskosten

De kosten voor het versturen van toeleveringen naar de plaats van veredeling behoren niet tot de waarde van de tijdelijk uitgevoerde goederen voor zover deze kosten niet in de eventuele koopprijs van de toeleveringen zijn begrepen.

Bijgevolg dient bij de vaststelling van de douanewaarde van de verwerkte producten uitsluitend rekening gehouden te worden met de kosten voor levering van deze producten vanaf de plaats van veredeling tot de plaats van binnenkomst in het douanegebied van de Unie of van de douane-unie EU-Turkije.

Voor bijkomende toelichtingen over toeleveringen, zie hoofdstuk II.3.2. e hiervoor.

Ingeval bepaalde elementen die hiervoren zijn vermeld in een vreemde munt zijn uitgedrukt, zal de omrekening gebeuren aan de hand van de wisselkoers die geldt op het ogenblik van aanvaarden door de douane van de aangifte voor het vrije verkeer bij invoer of wederinvoer.

IV.7. Bijzondere regelingen

IV.7.1. Douanevervoer

178. Bij onttrekking van de regeling douanevervoer, wordt het moment voor de bepaling van de douanewaarde alsook voor wat betreft de omzetting van vreemde valuta's bepaald door de datum waarop de goederen aan het douanetoezicht worden onttrokken. Indien deze datum niet met zekerheid kan worden vastgesteld, is de laatste dag van geldigheid van het document voor douanevervoer te weerhouden voor de waardebepaling.

IV.7.2. Douane-entrepot

179. Wanneer goederen die zijn opgeslagen in een douane-entrepot worden aangegeven voor het vrije verkeer, geldt als moment voor de bepaling van de douanewaarde de datum van aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer door de douane bij uitslag uit het entrepot.

De douanewaarde is gebaseerd op de transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht heeft plaatsgevonden (zie punt 2.2.4.1). Indien er geen verkoop was vóór het binnenbrengen in het douanegebied van de Unie, maar de verkoop plaats vond terwijl de goederen zich in tijdelijke opslag bevinden wordt de transactiewaarde op basis van die verkoop vastgesteld (zie punt 2.2.4.2). In andere gevallen wordt de douanewaarde volgens een bijkomende methode bepaald (zie punt 3).

180.S4

181. Indien voor onder een douaneregeling of in tijdelijke opslag geplaatste goederen in het douanegebied van de Unie kosten voor opslag of gebruikelijke behandelingen zijn ontstaan, worden deze kosten of de waardevermeerdering niet in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten voor zover de aangever afdoende bewijs van het bestaan van die kosten levert (art. 86 §1 DWU)

De gebruikelijke behandelingen zijn de welke die bedoeld zijn om de goederen in goede staat te bewaren, ter verbetering van de presentatie of handelskwaliteit of ter voorbereiding van de distributie of wederverkoop.

De douanewaarde, hoeveelheid, aard en oorsprong van niet-Uniegoederen die bij de behandelingen zijn gebruikt, worden echter wel in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag aan invoerrechten.

IV.7.3. Tijdelijke invoer

182. Voor goederen die eerder onder de regeling tijdelijke invoer met gehele vrijstelling van invoerrechten waren geplaatst ontstaat een douaneschuld bij invoer wanneer die in het vrije verkeer worden gebracht (art. 77 §1 a) DWU). Het tijdstip waarop de aangifte voor het vrije verkeer door de douane wordt aanvaard, dient te worden weerhouden voor het bepalen van de douanewaarde.

Voor goederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten zijn geplaatst, ontstaat de douaneschuld niet alleen bij de aangifte voor het vrije verkeer van de goederen, maar ook bij de plaatsing onder de regeling tijdelijke invoer (art. 77 §1 b) DWU). In dit geval moet het moment waarop de goederen onder de regeling tijdelijke invoer zijn geplaatst in aanmerking worden genomen voor de bepaling van de waarde.

Volgens art. 252 DWU is het bedrag aan invoerrechten voor goederen die onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten zijn geplaatst, 3 % van het bedrag aan invoerrechten dat over die goederen zou zijn geheven indien deze op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht. Dit bedrag is verschuldigd per maand of maanddeel dat de goederen zich onder de regeling tijdelijke invoer met gedeeltelijke vrijstelling van invoerrechten hebben bevonden.

Het bedrag aan invoerrechten mag niet hoger zijn dan het bedrag dat zou zijn geheven indien de betrokken goederen op de datum waarop zij onder de regeling tijdelijke invoer werden geplaatst, in het vrije verkeer zouden zijn gebracht.

Bij goederen die onder de regeling tijdelijke invoer in het kader van leasingcontracten werden geplaatst, kan de transactiewaarde overeenkomstig art. 70 DWU niet worden toegepast, aangezien er geen verkoop voor uitvoer naar de EU plaats vond. De douanewaarde moet dus worden bepaald aan de hand van een van de 5 bijkomende methoden.

IV.7.4. Bijzondere bestemming

183. Wanneer goederen die onder de regeling bijzondere bestemming zijn geplaatst, worden aangegeven voor het vrije verkeer, blijven die onder douanetoezicht tot de voorgeschreven bestemming is bereikt. Dus dient de douanewaarde te worden bepaald op dezelfde manier en op hetzelfde moment zoals deze goederen voor het vrije verkeer zouden worden aangegeven op een regelmatige manier.

IV.7.5. Actieve veredeling

184. Wanneer goederen, die onder de regeling actieve veredeling zijn geplaatst, worden aangegeven voor het vrije verkeer, wordt de douanewaarde vastgesteld op basis van de regels voor de berekening van de rechten die van toepassing waren op het tijdstip waarop de douaneschuld is ontstaan (art. 85 DWU §1).

Artikel 85 §1 DWU is steeds van toepassing voor de aanzuivering van de regeling actieve veredeling voor de basisgoederen, terwijl de aangever voor de veredelingsproducten – onder een veredelingsregeling geplaatste goederen die veredeld zijn–de mogelijkheid heeft om hetzij artikel 85 §1, hetzij artikel 86 §3 DWU toe te passen.

Inderdaad bij veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling actieve veredeling, wordt op verzoek van de aangever, het bedrag aan invoerrechten vastgesteld op basis van de tariefindeling, douanewaarde, hoeveelheid, aard en oorsprong van de onder de regeling actieve veredeling geplaatste goederen op het tijdstip waarop de douaneaangifte - om die goederen onder de regeling actieve veredeling te plaatsen - is aanvaard (art. 86 §3 DWU).

IV.7.6. Passieve veredeling

185. Onder de regeling passieve veredeling worden de goederen tijdelijk uit het douanegebied van de EU uitgevoerd met de bedoeling na de verwerking die terug in te voeren met gedeeltelijke of volledige vrijstelling van de rechten bij invoer.

Indien een douaneschuld is ontstaan voor veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling passieve veredeling, wordt het bedrag aan invoerrechten berekend op basis van de kosten van de buiten het douanegebied van de Unie verrichte veredeling. (art. 86 § 5 DWU).

Wanneer een specifiek invoerrecht moet worden toegepast op veredelingsproducten die zijn voortgebracht in het kader van de regeling passieve veredeling of op vervangende producten, wordt het bedrag hiervan berekend op basis van de douanewaarde van de veredelingsproducten op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer. Dit bedrag wordt verminderd met de statistische waarde van de overeenkomstige tijdelijk uitgevoerde goederen op het tijdstip waarop deze onder de regeling passieve veredeling zijn geplaatst, vermenigvuldigd met het toepasselijke invoerrecht voor de veredelingsproducten of de vervangende producten en gedeeld door de douanewaarde van de veredelingsproducten of de vervangende producten. (art. 75 DA).

Om de statistische waarde te bepalen van de tijdelijk uitgevoerde goederen, dient men zich te baseren op de verwervingskosten (aankoopprijs van de exporteur van de uitgevoerde goederen) of de kosten van productie/fabricatie in de Unie.

IV.8. Bijzondere trafieken

IV.8.1. Luchtvervoer

IV.8.1.a. Artikelen voor de exploitatie van luchtvaartondernemingen

S4 IA, art. 138, lid 3

186. Ten aanzien van onderdelen van luchtvaartuigen, kantoormaterieel, reclameartikelen en andere artikelen die uitsluitend zijn bestemd voor de technische of commerciële exploitatie van luchtvaartondernemingen zijn, in geval het vervoer van die goederen door de lucht gratis geschiedt, in EU-verband vaste bedragen per kg vastgelegd. Deze bedragen worden geacht de totale luchtvrachtkosten voor dat vervoer uit te maken en verschillen al naargelang de geografische zone waarin het vervoer is aangevangen. De toepasselijke bedragen zijn, bij vervoer vanuit:

- een Europese luchthaven: 1,28 USD/kg.

- een luchthaven in de volgende landen: Algerije, Egypte, Libië, Marokko, Soedan, Tunesië, Bahrein, Iran, Irak, Israël, Jordanië, Koeweit, Libanon, Oman, Qatar, Saoudi-Arabië, Syrië, Verenigde Arabische Emiraten en Yemen: 1,28 USD/kg;

- een luchthaven in de V.S.A. of Canada: 1,49 USD/kg;

- andere dan hiervoor vermelde luchthavens: 2,04 USD/kg.

De wisselkoers die moet worden gebruikt voor de omzetting in euro is die wordt vermeld op de bedoelde intranet/internet site in hoofdstuk IV.2.2.

De in de douanewaarde te begrijpen luchtvrachtkosten dienen te worden vastgesteld door voormelde forfaitaire bedragen aan te passen volgens de percentages vermeld in bijlage 10. De betrokken vaste bedragen dienen tot nader bericht te worden toegepast. Zij zullen periodiek in EU-overleg worden aangepast.

IV.8.1.b. Spoedzendingen door de lucht

187. Bij het vaststellen van de douanewaarde moeten voor de vervoerkosten met betrekking tot door de lucht vervoerde spoedzendingen (postdiensten of private koerierdiensten), volgende bepalingen worden toegepast:

- Wanneer de werkelijke kosten voor een door de lucht vervoerde spoedzending bekend zijn op het tijdstip van invoer, dienen deze kosten te worden begrepen in de douanewaarde van de spoedzending. De vervoerkosten die ontstaan na het binnenkomen in het douanegebied van de Unie of van de douane-unie EU-Turkije, worden niet in de douanewaarde begrepen, op voorwaarde dat ze onderscheiden zijn van de totale kosten.

- In gevallen waarin door de koerierdienst niet kan worden aangetoond welke kosten ontstaan voor vertrek in het derde land en welke kosten ontstaan na aankomst in de Unie, zijn de percentages van bijlage 10 van toepassing op het volledige bedrag van de kosten voor de spoedzending, met het oog op de aftrek van de binnen de Unie ontstane kosten van vervoer.

- Wanneer de werkelijke kosten voor een door de lucht vervoerde spoedzending niet bekend zijn op het tijdstip van invoer, zijn de gebruikelijke kosten van toepassing die in het tarief van de desbetreffende vervoerder zijn opgenomen voor dezelfde route (ook in omgekeerde richting) en voor hetzelfde type zending. De percentages van bijlage 10 zijn hier van toepassing.

Bij de toepassing van de voornoemde regels dienen de aangevers:

a) de douane de noodzakelijke documenten te verschaffen ter staving van de werkelijke kosten voor de spoedzending of bij ontbreken daarvan, de gebruikelijke kosten (bv. het tarief van de vervoerder) en

b) de noodzakelijke berekeningen te maken door de toepassing van de percentages van bijlage 10, met het oog op de aftrek van de binnen de Unie ontstane kosten van vervoer.

IV.8.2. Postzendingen

IA, art. 139

188. De portokosten dienen volledig tot op de plaats van bestemming in de douanewaarde van postzendingen te worden begrepen. Hierbij dienen evenwel de eventueel bijkomende postale kosten die in het douanegebied van de Unie opeisbaar zijn niet in aanmerking te worden genomen. Met laatstvernoemde kosten worden o.m. de in bepaalde gevallen door bpost geheven inklaringskosten bedoeld.

Bovenstaande richtlijnen ten aanzien van de portokosten gelden voor alle postzendingen; gaande van briefpost tot postpakketten.

S3 IV.9. Beschikkingen betreffende de douanewaarde

189. Wanneer een marktdeelnemer een beschikking inzake de douanewaarde heeft ontvangen, dan moet die beschikking door de houder ervan vermeld worden op de douaneaangifte bij het in het vrije verkeer brengen van de goederen waarop de beschikking betrekking heeft.

In het geval van een vergunning voor een vereenvoudiging bij het vaststellen van de bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van de goederen overeenkomstig artikel 73 van het DWU (CVA) (zie § 174 hierboven), moet de Uniecode « C504 » vermeld worden in vak 44 van de douaneaangifte S4 (of bij gegevenselement 12 12 000 000 vanaf de invoering van IDMS), gevolgd door het nummer en de datum van de vergunning.

Bij elke andere beschikking betreffende de douanewaarde (bijvoorbeeld de toelating om de aangifte D.V.1 gedeeltelijk in te vullen of een andere beschikking met betrekking tot verschillende aanpassingen waarmee er al dan niet rekening gehouden moet worden bij het bepalen van de douanewaarde) moet de nationale code “4025” vermeld worden in vak 44 van de douaneaangifte S4 (of bij gegevenselement 12 03 002 000 vanaf de invoering van IDMS), gevolgd door het nummer en de datum van de beschikking.

V. Verrekenprijzen

V.1. Wat is een verrekenprijs?

190. S4 Een verrekenprijs is de prijs waaraan goederen of diensten worden uitgewisseld tussen verbonden bedrijven. Verbonden bedrijven zijn bedrijven die onder gemeenschappelijke controle staan, zoals een moedermaatschappij en haar dochteronderneming (art. 127 IA).

Bij internationale transacties tussen verbonden partijen worden de multinationale ondernemingen geconfronteerd met moeilijkheden betreffende de bepaling van de waarde van de goederen door het feit dat deze transacties zowel worden onderworpen aan douanecontroles als aan fiscale controles die uiteenlopende regelgevingen volgen en tegenstrijdige belangen hebben.

De transacties die worden verricht tussen verschillende leden (verschillende en juridisch aparte entiteiten) van een multinationaal concern beantwoorden niet aan dezelfde commerciële voorwaarden als de transacties verricht tussen totaal onafhankelijke partijen.

De transacties binnen een multinationaal concern kunnen immers de levering van goederen of diensten inhouden, het gebruik van activa (met inbegrip van immateriële goederen) of de toekenning van een financiering die tussen niet-verbonden partijen rechtstreeks worden gefactureerd.

Het mechanisme op basis waarvan de multinationale concerns de prijzen bepalen van de goederen, de diensten en de activa die binnen de groep worden aangekocht en verkocht, noemt “bepaling van de verrekenprijzen”.

De verrekenprijzen hebben een directe invloed op de verdeling van de winsten en de verliezen tussen de partijen van het multinationaal concern. De bepaling van de verrekenprijs is bijgevolg van cruciaal belang voor de bepaling van de belastingplicht van een onderneming. Een overschatting van de verrekenprijs voor geïmporteerde goederen kan bijvoorbeeld een onderschatting van het belastbaar inkomen van de koper van de ingevoerde goederen met zich meebrengen (omwille van de overschatting van de aftrek van de aankoopprijs) en een onderschatting van de verrekenprijs voor uitgevoerde goederen kan een overschatting van het belastbare inkomen van de koper van de ingevoerde goederen met zich meebrengen (omwille van de overschatting van uit de verkopen aangegeven inkomsten). Voor de onderneming die in het ander land is gevestigd, zijn de gevolgen omgekeerd.

Wanneer de werkelijke belastingtarieven van de betrokken landen gevoelig verschillen, kunnen multinationale groepen geneigd zijn om hun verrekenprijzen op dergelijke manier te bepalen om de winsten toe te wijzen aan de onderneming gevestigd binnen het meest voordelige fiscale rechtsgebied, wat op wereldniveau resulteert in een vermindering van de belasting die door de groep wordt betaald.

Om dit probleem te verhelpen, implementeert een aantal landen op actieve wijze de richtlijnen die de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) heeft uitgewerkt en die gebaseerd zijn op het arm's length-beginsel. Dit principe vereist dat de verbonden partijen de prijzen van hun transacties vaststellen alsof ze totaal onafhankelijk zijn van elkaar en op die manier handelen.

V.2. De OESO-richtlijnen

191. De OESO-principes die van toepassing zijn inzake verrekenprijzen bevelen vijf methoden aan om vast te stellen en te verantwoorden dat de prijs, toegepast in het kader van verbonden transacties, conform de marktprijs is. Dit is een prijs die onafhankelijke derden in gelijkaardige omstandigheden zouden zijn overeengekomen.

De eerste drie methoden zijn de “traditionele transactiemethoden”:

- Comparable uncontrolled price-methode: deze methode bestaat erin de prijs in een verbonden transactie te vergelijken met de prijs van vergelijkbare goederen of diensten (met inbegrip van financiële diensten of immateriële goederen) in vrijemarkttransacties. Een verschil tussen deze twee prijzen kan erop wijzen dat de voorwaarden van de verbonden transactie geen arm's length-voorwaarden zijn.

- Resale price-methode: om met deze methode de arm's length-prijs te bepalen, moet er van de prijs waaraan het product binnen de verbonden transactie aan een onafhankelijke onderneming wordt doorverkocht (de resale price) een toepasselijke brutowinstmarge worden afgetrokken (de resale price-marge). Deze resale price-marge vormt de marge die de wederverkoper van de producten zou willen behalen ter dekking van zijn exploitatiekosten rekening houdend met de uitgeoefende functies, de gebruikte activa en de gedragen risico's.

- Cost plus-methode: bij deze methode komt het erop neer de kosten te bepalen die worden gedragen door de leverancier van goederen of diensten waarop de verbonden transactie betrekking heeft, met andere woorden de rechtstreekse en onrechtstreekse productiekosten van het goed of van de dienst, met uitsluiting van de exploitatiekosten. Aan deze kosten wordt vervolgens een toepasselijke cost plus-marge toegevoegd, die de marge vormt die de wederverkoper van de producten of diensten zou willen behalen ter dekking van zijn exploitatiekosten rekening houdend met de uitgeoefende functies, de gebruikte activa en de gedragen risico's.

De laatste twee methoden zijn de “transactionele winstmethoden”:

- Transactionele nettomargemethode: deze methode bestaat erin een geschikte financiële indicator te onderzoeken (gebaseerd op de nettowinst: bijvoorbeeld de exploitatiewinstmarge) die de geëvalueerde partij verwezenlijkt in verbonden transacties en die te vergelijken met deze verwezenlijkt in vrijemarkttransacties.

- Transactionele profit split methode: deze methode probeert de gecombineerde winsten (of verliezen) die voortvloeien uit de verbonden transacties te verdelen tussen de bij de transactie verbonden vennootschappen op basis van een geldige economische onderbouw die een arm's length-overeenkomst weerspiegelt.

De toe te passen methode hangt meestal af van de vereisten van het nationaal recht, maar ook van de beperkingen inzake beschikbaarheid van informatie over de vergelijkbare transacties, de functionele profielen van de partijen bij de verbonden transacties en van het soort transactie.

Hoewel de OESO aandringt op de aanneming van de comparable uncontrolled price-methode wanneer deze methode en een andere kunnen worden toegepast met een identieke mate van betrouwbaarheid, wordt de methode die het meest aan de omstandigheden van het geval is aangepast, eveneens aanvaard. De toepassing van sub-methoden is eveneens mogelijk.

V.3. Aanvaarding van de verrekenprijs als douanewaarde

192.De richtlijnen ter bepaling van de toe te passen methodologie voor de vaststelling van de verrekenprijzen werden hoofdzakelijk uitgewerkt met het oog op directe fiscaliteit.

Deze verrekenprijzen hebben dus een totaal andere bedoeling dan de bepaling van de douanewaarde die hoofdzakelijk gebaseerd is op het begrip transactie dat bovendien van toepassing is op een werkelijk fysiek goed.

Als autoriteit belast met de inning van de invoerrechten en heffingen van gelijke werking en van de btw bij de invoer, moet de douane de bepalingen inzake douanewaarde toepassen die het Douanewetboek van de Unie voorziet.

Zolang de verrekenprijs wordt vastgesteld volgens de eerste categorie van OESO-methoden ter vaststelling van prijzen, namelijk de zogenaamde “traditionele transactiemethoden” (comparable uncontrolled price-methode, resale price-methode en cost plus-methode) kan de douane zich zonder al te grote problemen conformeren aan de methoden ter vaststelling van verrekenprijzen aangezien zij de prijzen vaststellen op basis van een transactieprincipe, zoals inzake douanewaarde, te meer daar deze drie methoden verwant zijn met de bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde, de transactiewaarde van identieke goederen of soortgelijke goederen, de aftrekmethode en de berekende waarde.

Bij toepassing van zogenaamde niet-traditionele methoden zoals de “transactionele winstmethoden” die de prijzen globaal bepalen op basis van alle activiteiten van de vennootschap, moet men er zich evenwel bewust van zijn dat dergelijke methoden vaak moeilijk te verzoenen zijn met de bestaande bepalingen inzake douanewaarde, in het bijzonder in het geval van het verkeer van goederen van verschillende aard die, omwille van hun specifieke tariefindeling, onderworpen zijn aan invoerrechten van een verschillend niveau of aan de toepassing van punctuele aanpassingen.

193. Om de douanewaarde te bepalen kan een verrekenprijs beschouwd worden als een transactiewaarde in de zin van artikel 70 van het Douanewetboek van de Unie (DWU) wanneer alle voorwaarden van dit artikel 70 worden nageleefd, namelijk:

- de waarde is de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de goederen dit wil zeggen de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derde ten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht (zie de paragrafen 27 tot 36);

- het betreft werkelijk een verkoop voor de uitvoer naar het douanegebied van de Europese Unie (zie paragraaf 37);

- er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper, behalve in een van de volgende gevallen:

i) bij de wet of door de autoriteiten in de Unie worden beperkingen opgelegd of voorgeschreven;

ii) er gelden beperkingen ten aanzien van het geografische gebied waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht;

iii) de douanewaarde van de goederen wordt door de beperkingen niet aanzienlijk beïnvloed (zie de paragrafen 43 en 44);

- de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, niet kan worden vastgesteld (zie de paragrafen 45 en 46);

- geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht of later gebruik van de goederen door de koper zal de verkoper direct of indirect ten goede komen, tenzij een toepasselijke aanpassing kan worden aangebracht (zie paragraaf 47);

- koper en verkoper zijn niet verbonden, of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor wordt beïnvloed (zie hoofdstuk II.2.8.).

Wanneer de douanewaarde wordt bepaald op basis van een verrekenprijs, moet er worden nagegaan of al deze voorwaarden voor aanvaarding van de transactiewaarde vervuld zijn. Aangezien de vennootschappen aan hetzelfde multinationaal concern toebehoren, aangezien ze verbonden vennootschappen zijn, moet worden bepaald of deze band al dan niet een invloed heeft op de verrekenprijs die door de ene entiteit van de groep aan de andere wordt gefactureerd (zie paragraaf 51-54 van deze circulaire).

Het eenvoudige feit dat de vennootschappen verbonden zijn, is immers geen reden om te oordelen dat de prijs niet mag dienen als basis voor de bepaling van de douanewaarde.

Deze controle moet zich hoofdzakelijk baseren op de documentatie over de verrekenprijzen die de operator voorlegt en op het akkoord inzake verrekenprijzen op het niveau van de multinationale entiteit dat de handelsbetrekkingen bepaalt tussen de verschillende entiteiten van de groep en de methode ter vaststelling van de verrekenprijs beschrijft. Alle documenten en inlichtingen die een invoerder bezorgt, kunnen gebruikt worden om de omstandigheden eigen aan de verkoop te onderzoeken. Een studie over de verrekenprijs kan één van deze informatiebronnen zijn.

Wanneer de voorwaarden voor aanvaarding van de transactiewaarde zijn vervuld, kan de verrekenprijs de grondslag vormen voor de berekening van de douanewaarde. Deze prijs zal evenwel moeten worden aangepast om rekening te houden met de krachtens artikel 71 en 72 van het DWU eraan toe te voegen of ervan af te trekken elementen (zie de hoofdstukken II.3.en II.4.).

Wanneer er ter vaststelling van de douanewaarde een andere methode wordt gebruikt, moet men ervoor zorgen dat de voorwaarden en beperkingen van deze methode worden nageleefd.

V.4. Aanpassingen a posteriori van de verrekenprijzen

194. Een verrekenprijs kan binnen de multinational evolueren met de bestaande economische omstandigheden. Dit kan zijn om het resultaatsniveau dat vooraf werd bepaald na te leven op het einde van het jaar of op het einde van een gegeven periode, hetzij na een fiscale controle.

Deze aanpassingen van verrekenprijzen kunnen voorzien worden in het verrekenakkoord maar hun bedrag wordt niet bepaald op het ogenblik van de invulling van de douaneaangifte.

Wanneer er overeenkomstig de methoden om een verrekenprijs te bepalen dergelijke a posteriori aanpassingen van de verrekenprijzen worden doorgevoerd, moeten deze – zowel positieve als negatieve – aanpassingen leiden tot een rechtzetting van de aangegeven douanewaarde.

S4 Er bestaan twee mogelijkheden om met deze aanpassingen rekening te houden:

- De procedure van de vereenvoudigde aangifte (zie paragraaf S2 173);

- De procedure van de vergunning voor de vereenvoudiging van de bepaling van bedragen die deel uitmaken van de douanewaarde van goederen (zie paragraaf S2 174);

Een spontane rechtzetting door de operator van de aangiften waarop de aanpassing betrekking heeft is niet toegestaan. Een rechtzetting moet gebeuren in het kader van een beschikking douanewaarde om te voorkomen dat de marktdeelnemer nalaat de douaneaangifte recht te zetten wanneer de verrekenprijscorrectie tot een verhoging van de douanewaarde leidt.

VI. SLOTBEPALINGEN

195. De Instructie Waarde 1995 en de Instructie Waarderingen 1988 worden opgeheven en worden vervangen door onderhavige circulaire.

VII. BIJLAGEN

Bijlage 1: Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

Artikel 53

Valutaomrekening

1. De bevoegde autoriteiten publiceren de geldende wisselkoers en/of maken deze op het internet bekend indien een valuta moet worden omgerekend om een van de onderstaande redenen:

a) de elementen aan de hand waarvan de douanewaarde van goederen wordt vastgesteld, zijn in een andere valuta uitgedrukt dan die van de lidstaat waar deze waarde wordt bepaald;

b) de tegenwaarde van de euro in nationale valuta is vereist voor de vaststelling van de tariefindeling van goederen en het bedrag aan invoer- en uitvoerrechten, met inbegrip van drempelbedragen in het gemeenschappelijk douanetarief.

2. Indien om andere dan de in lid 1 genoemde redenen een valuta moet worden omgerekend, wordt de tegenwaarde van de euro in nationale valuta die in het kader van de douanewetgeving moet worden toegepast, minstens eenmaal per jaar vastgesteld.

Douanewaarde van goederen

Artikel 69

Toepassingsgebied

De douanewaarde van goederen met het oog op de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en van niet-tarifaire maatregelen die bij Uniebepalingen in het kader van het goederenverkeer met betrekking tot specifieke gebieden zijn vastgesteld, wordt overeenkomstig de artikelen 70 en 74 vastgesteld.

Artikel 70

Op de transactiewaarde gebaseerde methode voor de vaststelling van de douanewaarde

1. De primaire basis voor de douanewaarde van goederen is de transactiewaarde, te weten: de voor de goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs bij verkoop voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, waar nodig aangepast.

2. De werkelijk betaalde of te betalen prijs is de totale betaling die door de koper aan de verkoper of door de koper aan een derdeten behoeve van de verkoper voor de ingevoerde goederen is of moet worden verricht, en omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen werkelijk zijn of moeten worden verricht.

3. De transactiewaarde is van toepassing mits aan alle van de volgende voorwaarden is voldaan:

c) er zijn geen beperkingen ten aanzien van de overdracht of het gebruik van de goederen door de koper, behalve in een van de volgende gevallen:

i) bij de wet of door de autoriteiten in de Unie worden beperkingen opgelegd of voorgeschreven;

ii) er gelden beperkingen ten aanzien van het geografische gebied waarbinnen de goederen mogen worden doorverkocht;

iii) de douanewaarde van de goederen wordt door de beperkingen niet aanzienlijk beïnvloed;

d) de verkoop of de prijs is niet afhankelijk gesteld van enige voorwaarde of prestatie waarvan de waarde met betrekking tot de goederen waarvan de waarde dient te worden bepaald, niet kan worden vastgesteld;

e) geen enkel deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop of overdracht of later gebruik van de goederen door de koper zal de verkoper direct of indirect ten goede komen, tenzij een toepasselijke aanpassing kan worden aangebracht;

f) koper en verkoper zijn niet verbonden, of hun verbondenheid is niet van dien aard dat de prijs erdoor wordt beïnvloed.

Artikel 71

Elementen van de transactiewaarde

1. Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 70 wordt de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs verhoogd met:

a) de volgende elementen, voor zover deze ten laste komen van de koper en zij niet begrepen zijn in de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs:

i) commissies en courtage, met uitzondering van inkoopcommissies;

ii) kosten van verpakkingsmiddelen die voor douanedoeleinden worden geacht met de goederen één geheel te vormen; en

iii) kosten van het verpakken, waaronder zowel het arbeidsloon als het materiaal is begrepen;

b) de op passende wijze toegerekende waarde van de onderstaande goederen en diensten indien deze gratis of tegen verminderde prijs direct of indirect door de koper worden geleverd om te worden gebruikt bij de voortbrenging en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen, voor zover deze waarde niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs is begrepen:

i) materialen, samenstellende delen, onderdelen en dergelijke die in de ingevoerde goederen worden verwerkt;

ii) werktuigen, matrijzen, gietvormen en dergelijke voorwerpen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden gebruikt;

iii) materialen die bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen worden verbruikt; en

iv) engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, en tekeningen en schetsen die buiten de Unie zijn verricht of vervaardigd en die noodzakelijk zijn voor de productie van de ingevoerde goederen;

c) royalty's en licentierechten met betrekking tot de goederen waarvan de waarde wordt bepaald, die de koper als voorwaarde voor de verkoop van deze goederen direct of indirect moet betalen, voor zover deze royalty's en licentierechten niet in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen;

d) de waarde van elk deel van de opbrengst van elke latere wederverkoop, overdracht of gebruik van de ingevoerde goederen dat de verkoper direct of indirect ten goede komt; en

e) de volgende kosten tot aan de plaats waar de goederen in het douanegebied van de Unie worden gebracht:

i) de kosten van vervoer en verzekering van de ingevoerde goederen, en

ii) de met het vervoer verband houdende kosten van het laden en behandelen van de ingevoerde goederen.

2. Wanneer overeenkomstig lid 1 elementen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden toegevoegd, geschiedt zulks enkel op basis van objectieve en meetbare gegevens.

3. Ter bepaling van de douanewaarde worden aan de werkelijke betaalde of te betalen prijs geen andere elementen toegevoegd dan die waarin dit artikel voorziet.

Artikel 72

Niet in de douanewaarde te begrijpen elementen

Bij het vaststellen van de douanewaarde volgens artikel 70, worden de volgende elementen niet inbegrepen:

a) kosten van vervoer van de ingevoerde goederen na binnenkomst ervan in het douanegebied van de Unie;

b) kosten van constructiewerkzaamheden, installatie, montage, onderhoud of technische bijstand welke met betrekking tot ingevoerde goederen, zoals industriële installaties, machines of materieel, na de binnenkomst ervan in het douanegebied van de Unie zijn verricht;

c) te betalen rente uit hoofde van een door de koper in verband met de aankoop van ingevoerde goederen gesloten financieringsovereenkomst, ongeacht of de financiering door de verkoper of door een andere persoon wordt verstrekt, wanneer die financieringsovereenkomst schriftelijk is, en de koper, desgevraagd, kan aantonen dat:

d) die goederen werkelijk tegen de prijs die als werkelijk betaalde of te betalen prijs is aangegeven, worden verkocht, en

i) de gevraagde rentevoet niet hoger is dan in het land waar en op het tijdstip waarop de financiering heeft plaatsgevonden voor dergelijke transacties gebruikelijk is;

ii) de kosten ter verkrijging van het recht tot verveelvoudiging van de in de Unie ingevoerde goederen;

e) inkoopcommissies;

f) rechten bij invoer en andere belastingen die in de Unie vanwege de invoer of de verkoop van de goederen dienen te worden voldaan;

g) onverminderd artikel 71, lid 1, onder c), door de koper verrichte betalingen ter verkrijging van het recht tot distributie of wederverkoop van de ingevoerde goederen, indien deze betalingen geen voorwaarde zijn voor de verkoop van de goederen voor uitvoer naar de Unie.

Artikel 73

Vereenvoudiging

De douaneautoriteiten kunnen desgevraagd toestaan dat de volgende bedragen bepaald worden op basis van specifieke criteria wanneer die bedragen niet meetbaar zijn op de datum waarop de douaneaangifte is aanvaard:

a) bedragen die in de douanewaarde moeten worden begrepen overeenkomstig artikel 70, lid 2; en

b) de in de artikelen 71 en 72 bedoelde bedragen.

Artikel 74

Bijkomende methoden voor de vaststelling van de douanewaarde

1. Indien de douanewaarde van de goederen niet met toepassing van artikel 70 kan worden vastgesteld, dient achtereenvolgens te worden nagegaan welk van de punten a) tot en met d) van lid 2 van toepassing is en dient de douanewaarde van de goederen te worden vastgesteld met toepassing van het eerste punt dat die vaststelling mogelijk maakt.

De volgorde waarin de punten c) en d) van lid 2 worden toegepast, dient te worden omgekeerd indien de aangever daarom verzoekt.

2. De douanewaarde overeenkomstig lid 1 is:

a) de transactiewaarde van identieke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen;

b) de transactiewaarde van soortgelijke goederen die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip naar het douanegebied van de Unie zijn uitgevoerd als de te waarderen goederen;

c) de waarde gebaseerd op de prijs per eenheid waartegen de ingevoerde goederen of identieke of soortgelijke ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie in de grootste samengevoegde hoeveelheid zijn verkocht aan personen die niet zijn verbonden met de verkopers; of

d) de berekende waarde, bestaande uit de som van:

i) de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging of van andere, bij de voortbrenging van de ingevoerde goederen verrichte be- of verwerkingen;

ii) een bedrag voor winst en bedrijfskosten dat gelijk is aan het bedrag dat gewoonlijk in aanmerking wordt genomen wanneer producenten in het land van uitvoer goederen van dezelfde aard of dezelfde soort als die waarvan de waarde dient te worden bepaald, voor uitvoer naar de Unie verkopen;

iii) de kosten of waarde van de in artikel 71, lid 1, onder e), genoemde elementen.

3. Indien de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, wordt zij aan de hand van in het douanegebied van de Unie beschikbare gegevens vastgesteld met gebruikmaking van redelijke middelen die in overeenstemming zijn met de beginselen en de algemene bepalingen van al het volgende:

a) de Overeenkomst inzake de toepassing van artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel;

b) artikel VII van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel;

c) dit hoofdstuk.

Artikel 75

Bevoegdheidsdelegatie

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 284 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter bepaling van de voorwaarden voor het toekennen van de toestemming, als bedoeld in artikel 73.

Artikel 76

Toekenning van uitvoeringsbevoegdheden

De Commissie bepaalt door middel van uitvoeringshandelingen nader de procedureregels voor:

a) de vaststelling van de douanewaarde overeenkomstig artikel 70, leden 1 en 2, artikel 71 en artikel 72, waaronder de regels voor het aanpassen van de werkelijk betaalde of te betalen prijs;

b) de toepassing van de in artikel 70, lid 3, bedoelde voorwaarden;

c) de vaststelling van de douanewaarde als bedoeld in artikel 74.

Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 285, lid 4, bedoelde onderzoeksprocedure.

Bijlage 2: Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie

Douanewaarde van goederen

Artikel 127

Algemene bepalingen

(Artikel 70, lid 3, onder d), van het wetboek)

1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden twee personen geacht te zijn verbonden indien aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) zij zijn functionaris of directeur in de onderneming van de andere persoon;

b) zij worden door de wettelijke bepalingen erkend als in zaken verbonden;

c) zij zijn werkgever en werknemer;

d) een derde partij bezit, heeft zeggenschap over, of houdt direct of indirect 5 % of meer van het stemgerechtigde uitstaande kapitaal of de aandelen van beiden;

e) één van hen heeft direct of indirect zeggenschap over de ander;

f) een derde persoon heeft direct of indirect zeggenschap over beiden;

g) beiden hebben direct of indirect zeggenschap over een derde persoon;

h) zij behoren tot dezelfde familie.

2. Personen die in zaken zijn verbonden doordat de één exclusief agent, exclusief distributeur of exclusief concessiehouder, hoedanig ook aangeduid, van de ander is, worden enkel geacht te zijn verbonden indien zij aan een van de criteria zoals bedoeld in lid 1 beantwoorden.

3. Voor de toepassing van lid 1, onder e), f) en g), wordt een persoon geacht zeggenschap over een andere persoon te hebben wanneer hij rechtens of feitelijk in een positie is om het handelen van de andere te leiden.

Artikel 128

Transactiewaarde

(Artikel 70, lid 1, van het wetboek)

1. De transactiewaarde van de goederen die zijn verkocht voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie, wordt bepaald op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte op basis van de verkoop die onmiddellijk voordat de goederen het douanegebied zijn binnengebracht, heeft plaatsgevonden.

2. Wanneer de goederen voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie worden verkocht niet voordat zij dat douanegebied zijn binnengebracht, maar terwijl zij zich in tijdelijke opslag bevinden of onder een andere bijzondere regeling zijn geplaatst dan de regeling intern douanevervoer, bijzondere bestemming of passieve veredeling, wordt de transactiewaarde op basis van die verkoop vastgesteld.

Artikel 129

Werkelijk betaalde of te betalen prijs

(Artikel 70, leden 1 en 2 van het wetboek)

1. De werkelijk betaalde of te betalen prijs in de zin van artikel 70, leden 1 en 2, van het wetboek, omvat alle betalingen die als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen door de koper aan een van de volgende personen zijn of moeten worden verricht:

a) de verkoper;

b) een derde partij ten behoeve van de verkoper;

c) en derde partij die verbonden is met de verkoper;

d) een derde partij wanneer de betaling aan die partij gedaan is om te voldoen aan de verplichting van de verkoper.

Betalingen kunnen door middel van kredietbrieven of verhandelbaar papier worden verricht en zowel direct als indirect geschieden.

2. Activiteiten die de koper of een met hem verbonden onderneming voor eigen rekening verricht, waaronder die activiteiten die verband houden met het verhandelen van goederen maar met uitzondering van de activiteiten waarvoor in artikel 71 van het wetboek in een aanpassing is voorzien, worden niet als een indirecte betaling aan de verkoper beschouwd.

Artikel 130

Kortingen

(Artikel 70, leden 1 en 2, van het wetboek)

1. Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 70, lid 1, van het wetboek worden kortingen in aanmerking genomen wanneer op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte de kortingen en het bedrag ervan in de verkoopovereenkomst waren opgenomen.

2. Voor goederen waarvoor de prijs op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte niet werkelijk is betaald, worden kortingen voor vervroegde betaling in aanmerking genomen.

3. Kortingen die voortvloeien uit wijzigingen van het contract na het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte, worden niet in aanmerking genomen.

Artikel 131

Gedeeltelijke levering

(Artikel 70, lid 1, van het wetboek)

1. Wanneer goederen die voor een douaneregeling worden aangegeven, deel uitmaken van een grotere in een enkele transactie aangekochte hoeveelheid van dezelfde goederen, wordt de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor de toepassing van artikel 70, lid 1, van het wetboek in evenredigheid berekend op basis van de prijs voor de totale aangekochte hoeveelheid.

2. Een verhoudingsgewijze verdeling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt ook toegepast in geval van gedeeltelijk verlies van een zending of wanneer de goederen zijn beschadigd voordat de goederen in het vrije verkeer worden gebracht.

Artikel 132

Prijsaanpassingen voor gebrekkige goederen

(Artikel 70, lid 1, van het wetboek)

Een aanpassing, door de verkoper ten gunste van de koper, van de werkelijk voor de goederen betaalde of te betalen prijs kan voor het bepalen van de douanewaarde overeenkomstig artikel 70, lid 1 van het wetboek in aanmerking worden genomen wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de goederen vertoonden gebreken op het tijdstip van aanvaarding van de douaneaangifte voor het vrije verkeer;

b) de verkoper heeft de prijs aangepast om het gebrek te compenseren om zo te voldoen aan:

i) een contractuele verplichting die is aangegaan vóór de aanvaarding van de douaneaangifte;

ii) een wettelijke verplichting die op de goederen van toepassing is;

c) de aanpassing wordt gedaan binnen één jaar na de datum van aanvaarding van de douaneaangifte.

Artikel 133

Beoordeling van de voorwaarden en prestaties

(Artikel 70, lid 3, onder b), van het wetboek)

Wanneer de verkoop of de prijs van ingevoerde goederen is onderworpen aan een voorwaarde of prestatie waarvan de waarde kan worden bepaald in verband met de te waarderen goederen, wordt deze waarde beschouwd als een deel van de werkelijk betaalde of te bepalen prijs, tenzij deze voorwaarden of prestaties verband houden met:

a) een activiteit zoals bedoeld in artikel 129, lid 2, van deze verordening;

b) een element van de douanewaarde krachtens artikel 71 van het wetboek.

Artikel 134

Transacties tussen verbonden personen

(Artikel 70, lid 3, onder d), van het wetboek)

1. Wanneer de koper en de verkoper verbonden zijn, en om vast te stellen of de verbondenheid niet van dien aard is dat de prijs erdoor is beïnvloed, worden de omstandigheden van de verkoop zo nodig onderzocht en wordt de aangever in de gelegenheid gesteld om verdere gedetailleerde informatie over deze omstandigheden te verstrekken die nodig zou kunnen zijn.

2. De goederen worden echter in overeenstemming met artikel 70, lid 1, van het wetboek gewaardeerd wanneer de aangever aantoont dat de aangegeven transactiewaarde een van de volgende testwaarden, die op hetzelfde of nagenoeg hetzelfde tijdstip zijn bepaald, zeer dicht benadert:

a) de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen bij verkopen tussen kopers en verkopers die in geen enkel bijzonder geval onderling verbonden zijn, voor uitvoer naar het douanegebied van de Unie;

b) de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het wetboek;

c) de douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen, zoals bepaald overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder d), van het wetboek.

3. Bij de vaststelling van de waarde van identieke of soortgelijke goederen zoals bedoeld in lid 2 wordt rekening gehouden met de volgende elementen:

a) aantoonbare verschillen in handelsniveaus;

b) hoeveelheidsniveaus;

c) de in artikel 71, lid 1, van het wetboek genoemde elementen;

d) de kosten die de verkoper bij verkopen aan een niet met hem verbonden koper draagt, wanneer hij die kosten bij verkopen aan een wel met hem verbonden koper niet draagt.

4. De in lid 2 vermelde testwaarden worden op verzoek van de aangever gebruikt. Zij komen niet in de plaats van de aangegeven transactiewaarde.

Artikel 135

Voor de productie van de ingevoerde goederen gebruikte goederen en diensten

(Artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek)

1. Wanneer een koper een van de in artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek genoemde goederen of diensten levert aan de verkoper, wordt de waarde van deze goederen en diensten geacht gelijk te zijn aan de aankoopprijs ervan. De aankoopprijs omvat alle betalingen die de afnemer van de goederen of diensten in artikel 71, lid 1, onder b), moet verrichten om de goederen of diensten te verwerven.

Wanneer deze goederen of diensten worden voortgebracht door de koper of door een met hem verbonden persoon, wordt de waarde ervan gevormd door de kosten van de voortbrenging.

2. Wanneer de waarde van de goederen en diensten in artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek niet kan worden vastgesteld overeenkomstig lid 1, moet deze op basis van andere objectieve en meetbare gegevens worden vastgesteld.

3. Wanneer de goederen in artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek door de koper zijn gebruikt voordat zij werden geleverd, wordt hun waarde aangepast om rekening te houden met eventuele waardevermindering.

4. De waarde van de diensten zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek omvat de kosten van mislukte ontwikkelingsactiviteiten voor zover deze activiteiten plaatsvonden voor projecten of orders met betrekking tot de ingevoerde goederen.

5. Voor de toepassing van artikel 71, lid 1, onder b), iv), van het wetboek worden de kosten van wetenschappelijk onderzoek en voorlopige schetsontwerpen niet in de douanewaarde opgenomen.

6. De waarde van de geleverde goederen en diensten, zoals vastgesteld overeenkomstig de leden 1 tot en met 5, wordt evenredig over de ingevoerde goederen omgeslagen.

Artikel 136

Royalty’s en licentierechten

(Artikel 71, lid 1, onder c), van het wetboek)

1. De royalty’s en licentierechten hebben met name betrekking op de ingevoerde goederen wanneer de krachtens de licentie- of royaltyovereenkomst overgedragen rechten in de goederen zijn belichaamd. De wijze waarop het bedrag aan de royalty of het licentierecht wordt berekend, geeft niet de doorslag.

2. Wanneer de wijze waarop het bedrag van de royalty’s of licentierechten wordt berekend verband houdt met de prijs van de ingevoerde goederen, wordt bij gebrek aan bewijs van het tegendeel verondersteld dat de betaling van deze royalty’s of die licentierechten betrekking heeft op de te waarderen goederen.

3. Wanneer de royalty’s of licentierechten gedeeltelijk betrekking hebben op de te waarderen goederen en gedeeltelijk op andere ingrediënten of bestanddelen die aan de goederen na hun invoer worden toegevoegd of op activiteiten of diensten na invoer, vindt een passende aanpassing plaats.

4. De royalty’s en licentierechten worden geacht te zijn betaald als voorwaarde voor de verkoop van de ingevoerde goederen, wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de verkoper of een met hem verbonden persoon verlangt deze betaling van de koper;

b) de betaling door de koper is gedaan om te voldoen aan de verplichting van de verkoper, in overeenstemming met contractuele verplichtingen;

c) de goederen kunnen niet worden verkocht aan of aangekocht door de koper zonder betaling van royalty’s of licentierechten aan een licentiegever.

5. Er wordt geen rekening gehouden met het land waarin de ontvanger van de royalty’s of licentierechten is gevestigd.

Artikel 137

Plaats waar goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht

(Artikel 71, lid 1, onder e), van het wetboek)

1. Voor de toepassing van artikel 71, lid 1, onder e), van het wetboek wordt verstaan onder de plaats waar goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht:

a) voor over zee vervoerde goederen: de haven waar de goederen voor het eerst in het douanegebied van de Unie aankomen;

b) voor goederen die over zee worden vervoerd naar een van de Franse overzeese departementen die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie en die rechtstreeks naar een ander deel van het douanegebied van de Unie worden vervoerd, of vice versa: de haven waarin de goederen het eerst aankomen in het douanegebied van de Unie, op voorwaarde dat zij daar worden gelost of overgeladen;

c) voor goederen die zonder overlading eerst over zee en daarna via de binnenwateren worden vervoerd: de eerste haven die voor de lossing in aanmerking komt;

d) voor goederen die per spoor, via binnenwateren of over de weg worden vervoerd: de plaats waar het douanekantoor van binnenkomst is gevestigd;

e) voor goederen die via andere wijzen van vervoer worden vervoerd: de plaats waar de grens van het douanegebied van de Unie wordt overschreden.

2. Voor de toepassing van artikel 71, lid 1, onder e), van het wetboek geldt dat wanneer de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht en vervolgens naar de plaats van bestemming in een ander gedeelte van dit gebied worden vervoerd over grondgebieden buiten het douanegebied van de Unie, de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, de plaats is waar de goederen dat douanegebied het eerst zijn binnengebracht, op voorwaarde dat de goederen rechtstreeks over het grondgebied van die landen worden vervoerd en het vervoer langs een normale weg naar de plaats van bestemming plaatsvindt.

3. Lid 2 is ook van toepassing wanneer de goederen om vervoertechnische redenen zijn gelost, overgeladen of tijdelijk zijn opgehouden in gebieden buiten het douanegebied van de Unie.

4. Wanneer niet is voldaan aan de in lid 1, onder b), en de leden 2 en 3 vermelde voorwaarden, wordt het volgende verstaan onder de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht:

a) voor over zee vervoerde goederen: de haven van lossing;

b) voor goederen die via andere vervoerswijzen worden vervoerd: de in lid 1, onder c), d) of e), bedoelde plaats die is gelegen in dat deel van het douanegebied van de Unie waarvoor de goederen bestemd zijn.

Artikel 138

Vervoerskosten

(Artikel 71, lid 1, onder e), van het wetboek)

1. Wanneer goederen via dezelfde vervoerswijze worden vervoerd naar een plaats die verder is gelegen dan de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht, worden de vrachtkosten bepaald naar evenredigheid van de afstand naar de plaats waar de goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht in overeenstemming met artikel 137 van deze verordening, tenzij ten genoegen van de douaneautoriteiten wordt aangetoond wat de vrachtkosten zijn die volgens een standaardtarief verschuldigd zouden zijn voor het vervoer van de goederen naar de plaats waar goederen het douanegebied van de Unie worden binnengebracht.

2. De in de douanewaarde van goederen op te nemen luchtvrachtkosten, met inbegrip van de kosten van expressleveringen, worden overeenkomstig bijlage 23-01 vastgesteld.

3. Wanneer het vervoer kosteloos is of is verstrekt door de koper, worden de in de douanewaarde van de goederen op te nemen vervoerskosten berekend volgens de vrachttarieven die gewoonlijk gelden voor dezelfde vervoerswijzen.

Artikel 139

Heffingen op postzendingen

(Artikel 70, lid 1, van het wetboek)

De portokosten tot de plaats van bestemming op met de post verzonden goederen dienen in de douanewaarde van deze goederen te worden opgenomen, met uitzondering van de bijkomende postale kosten, die eventueel in het douanegebied van de Unie worden geheven.

Artikel 140

Niet-aanvaarding van de aangegeven transactiewaarden

(Artikel 70, lid 1, van het wetboek)

1. Wanneer de douaneautoriteiten gegronde twijfels hebben of de aangegeven transactiewaarde overeenstemt met het totale betaalde of te betalen bedrag zoals bedoeld in artikel 70, lid 1, van het wetboek, kunnen zij de aangever om aanvullende informatie vragen.

2. Wanneer hun twijfels niet worden weggenomen, kunnen de douaneautoriteiten besluiten dat de waarde van de goederen niet kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 70, lid 1, van het wetboek.

Artikel 141

Douanewaarde van identieke of soortgelijke goederen

(Artikel 74, lid 2, onder a) en b), van het wetboek)

1. Bij de vaststelling van de douanewaarde van de ingevoerde goederen overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder a) of b), van het wetboek, wordt de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen gebruikt die zijn verkocht op hetzelfde handelsniveau en in nagenoeg dezelfde hoeveelheden als de goederen waarvan de waarde wordt bepaald.

Wanneer een dergelijke verkoop niet voorhanden is, wordt de douanewaarde vastgesteld aan de hand van de transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen die op een verschillend handelsniveau of in verschillende hoeveelheden zijn verkocht. Deze transactiewaarde moet worden aangepast om rekening te houden met verschillen in handelsniveau en/of hoeveelheid.

2. De waarde wordt aangepast om rekening te houden met belangrijke verschillen die als gevolg van de verschillende afstanden en vervoerswijzen kunnen bestaan tussen kosten voor de ingevoerde goederen en de in aanmerking genomen identieke of soortgelijke goederen.

3. Wanneer meer dan één transactiewaarde van identieke of soortgelijke goederen wordt gevonden, wordt de douanewaarde van de ingevoerde goederen op basis van de laagste van deze waarden vastgesteld.

4. De termen „identieke goederen” en „soortgelijke goederen” omvatten, naargelang het geval, geen goederen waarin engineering, ontwikkeling, werken van kunst, ontwerpen, tekeningen en schetsen zijn begrepen of tot uitdrukking gebracht, waarvoor in verband met het feit dat deze zijn verricht of gemaakt in de Unie, geen aanpassing op grond van artikel 71, lid 1, onder b), iv), van het wetboek heeft plaatsgevonden.

5. Een transactiewaarde voor goederen die door een andere persoon zijn voorgebracht, wordt slechts in aanmerking genomen wanneer geen transactiewaarde kan worden gevonden voor identieke of soortgelijke goederen die zijn geproduceerd door de persoon die de te waarderen goederen heeft geproduceerd.

Artikel 142

Aftrekmethode

(Artikel 74, lid 2, onder c), van het wetboek)

1. De eenheidsprijs die is gebruikt om op grond van artikel 74, lid 2, onder c), van het wetboek de douanewaarde vast te stellen, is de prijs waartegen de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in de Unie worden verkocht op of omstreeks het tijdstip van de invoer van de te waarderen goederen.

2. Bij gebrek aan een eenheidsprijs zoals bedoeld in lid 1, wordt als eenheidsprijs de prijs gebruikt waartegen de ingevoerde goederen of de in dezelfde staat verkerende ingevoerde identieke of soortgelijke goederen in het douanegebied van de Unie worden verkocht op het vroegste tijdstip na de invoer van de te waarderen goederen, en in ieder geval binnen 90 dagen na die invoer.

3. Bij gebrek aan een eenheidsprijs zoals bedoeld in de leden 1 en 2, wordt op verzoek van de aangever de eenheidsprijs gebruikt waartegen de ingevoerde goederen in het douanegebied van de Unie worden verkocht nadat zij verdere be- of verwerkingen hebben ondergaan, onder aftrek van de waarde die door deze be- of verwerking is toegevoegd.

4. De volgende verkopen komen niet in aanmerking voor het vaststellen van de douanewaarde overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het wetboek:

a) de verkoop van goederen op een ander handelsniveau dan het eerste handelsniveau na de invoer;

b) de verkoop aan verbonden personen;

c) de verkoop aan personen die, direct of indirect, gratis of tegen verminderde prijs, de goederen of diensten in artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek leveren om te worden gebruikt bij de productie en de verkoop voor uitvoer van de ingevoerde goederen;

d) de verkoop waarvan de hoeveelheden niet voldoende zijn om de eenheidsprijs vast te stellen.

5. Bij het vaststellen van de douanewaarde wordt het volgende afgetrokken van de in overeenstemming met de leden 1 tot en met 4 bedoelde eenheidsprijs:

a) hetzij de commissies die gewoonlijk worden betaald of overeengekomen, hetzij de gebruikelijke opslagen voor winst en algemene kosten (inclusief directe en indirecte kosten in verband met het verhandelen van de betrokken goederen) bij verkopen in het douanegebied van de Unie van ingevoerde goederen van dezelfde aard of met hetzelfde karakter, waaronder goederen worden verstaan van een groep of reeks van goederen die door een bepaalde industriesector worden geproduceerd;

b) de gebruikelijke kosten van vervoer en verzekering en aanverwante kosten, gemaakt in het douanegebied van de Unie;

c) rechten bij invoer en andere belastingen die in het douanegebied van de Unie moeten worden voldaan vanwege de invoer of de verkoop van de goederen.

6. De douanewaarde van bepaalde in consignatie ingevoerde aan bederf onderhevige goederen zoals bedoeld in bijlage 23-02 mag rechtstreeks worden bepaald overeenkomstig artikel 74, lid 2, onder c), van het wetboek. Hiertoe worden de eenheidsprijzen door de lidstaten aan de Commissie meegedeeld en door de Commissie via Taric bekendgemaakt overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad ( 1 ).

Deze eenheidsprijzen mogen worden gebruikt om de douanewaarde vast te stellen van de ingevoerde goederen voor tijdvakken van 14 dagen. Elk tijdvak begint op een vrijdag.

De eenheidsprijzen worden als volgt berekend en medegedeeld:

a) na toepassing van de in lid 5 bedoelde aftrekken wordt een eenheidsprijs per 100 kg netto voor elke categorie goederen door de lidstaten aan de Commissie meegedeeld. De lidstaten mogen vaste bedragen vaststellen voor de in lid 5, onder b), bedoelde kosten die zij aan de Commissie meedelen;

b) het referentietijdvak voor de bepaling van de eenheidsprijzen is het voorafgaande tijdvak van 14 dagen dat eindigt op de donderdag voorafgaande aan de week waarin de nieuwe eenheidsprijzen moeten worden vastgesteld;

c) de lidstaten stellen de Commissie uiterlijk om 12.00 uur op de maandag van de week waarin zij door de Commissie worden bekendgemaakt in kennis van de eenheidsprijzen in euro. Wanneer die dag een feestdag is, geschiedt de mededeling op de voorafgaande werkdag. De eenheidsprijzen zijn slechts van toepassing indien deze kennisgeving door de Commissie bekend is gemaakt.

Artikel 143

Methode van de berekende waarde

(Artikel 74, lid 2, onder d), van het wetboek)

1. Voor de toepassing van artikel 74, lid 2, onder d), van het wetboek kunnen de douaneautoriteiten voor het vaststellen van de douanewaarde geen enkele persoon die niet in het douanegebied van de Unie is gevestigd oproepen of dwingen om ter controle boekhoudkundige rekeningen of andere documenten over te leggen.

2. Onder de kosten of de waarde van de materialen en van de vervaardiging zoals bedoeld in artikel 74, lid 2, onder d), i), van het wetboek zijn begrepen de kosten van de elementen zoals bedoeld in artikel 71, lid 1, onder a), ii) en iii), van het wetboek. Daaronder vallen ook de omgeslagen kosten van in artikel 71, lid 1, onder b), van het wetboek omschreven producten of diensten die door de koper (direct of indirect) zijn geleverd om te worden gebruikt bij de productie van de te waarderen goederen. De waarde van de in artikel 71, lid 1, onder b), iv), van het wetboek genoemde elementen die in de Unie zijn verricht of vervaardigd, wordt slechts opgenomen voor zover deze elementen in rekening worden gebracht aan de producent.

3. De kosten van de productie omvatten alle uitgaven die het scheppen, uitbreiden of aanzienlijk verbeteren van economische goederen met zich brengen. Zij omvatten tevens de in artikel 71, lid 1, onder b), ii) en iii), van het wetboek genoemde kosten.

4. De in artikel 74, lid 2, onder d), ii), van het wetboek genoemde bedrijfskosten omvatten de directe en indirecte kosten van de productie en de verkoop voor uitvoer van de goederen, voor zover deze kosten niet zijn inbegrepen krachtens artikel 74, lid 2, onder d), i), van het wetboek.

Artikel 144

Fall-backmethode

(Artikel 74, lid 3, van het wetboek)

1. Voor het vaststellen van de douanewaarde krachtens artikel 74, lid 3, van het wetboek kan bij de toepassing van de in artikel 70 en artikel 74, lid 2, van het wetboek vastgestelde methoden een redelijke soepelheid worden betracht. De aldus vastgestelde douanewaarde dient zoveel mogelijk op eerder vastgestelde douanewaarden te worden gebaseerd.

2. Wanneer de douanewaarde niet met toepassing van lid 1 kan worden vastgesteld, worden andere passende methoden gebruikt. In dit geval wordt de douanewaarde niet vastgesteld op basis van een van de volgende zaken:

a) de verkoopprijs, in het douanegebied van de Unie, van goederen die in het douanegebied van de Unie zijn geproduceerd;

b) een stelsel waarbij de hoogste van de twee in aanmerking komende waarden voor de douanewaarde wordt gebruikt;

c) de prijs van goederen op de binnenlandse markt van het land van uitvoer;

d) de kosten van de productie, andere dan de berekende waarden die krachtens artikel 74, lid 2, onder d), van het wetboek voor identieke of soortgelijke goederen zijn vastgesteld;

e) prijzen voor uitvoer naar een derde land;

f) minimumdouanewaarden;

g) willekeurig vastgestelde of fictieve waarden.

Artikel 145

Bewijsstukken met betrekking tot de douanewaarde

(Artikel 163, lid 1, van het wetboek)

Als bewijsstuk is de factuur vereist die betrekking heeft op de aangegeven transactiewaarde.

Artikel 146

Valutaomrekening voor de vaststelling van de douanewaarde

(Artikel 53, lid 1, onder a), van het wetboek)

1. Overeenkomstig artikel 53, lid 1, onder a), van het wetboek worden de volgende wisselkoersen gebruikt voor de valutaomrekening om de douanewaarde vast te stellen:

a) de wisselkoers die de Europese Centrale Bank bekend heeft gemaakt voor de lidstaten die de euro als munt hebben;

b) de wisselkoers die bekend is gemaakt door de bevoegde nationale autoriteit of, wanneer de nationale autoriteit een particuliere bank heeft aangewezen om de wisselkoers bekend te maken, de koers die door deze particuliere bank bekend is gemaakt voor de lidstaten die de euro niet als munt hebben.

2. De te gebruiken wisselkoers overeenkomstig lid 1 is de wisselkoers die op de voorlaatste woensdag van elke maand bekend wordt gemaakt.

Wanneer op die dag geen wisselkoers bekend is gemaakt, geldt de meest recent gepubliceerde koers.

3. De wisselkoers is gedurende een maand van toepassing, te rekenen vanaf de eerste dag van de volgende maand.

4. Wanneer geen wisselkoers zoals bedoeld in de leden 1 en 2 bekend is gemaakt, wordt de te gebruiken koers voor de toepassing van artikel 53, lid 1, onder a), van het wetboek door de betrokken lidstaat bepaald. Deze koers moet zo goed mogelijk rekening houden met de waarde van de valuta van de betrokken lidstaat.

Artikel 347

Overgangsbepaling betreffende de transactiewaarde

1. De transactiewaarde van de goederen kan worden vastgesteld op basis van een verkoop die vóór de in artikel 128, lid 1, van deze verordening bedoelde verkoop plaatsvindt wanneer de persoon namens wie de aangifte wordt ingediend door een vóór 18 januari 2016 gesloten overeenkomst is gebonden.

2. Dit artikel is van toepassing tot en met 31 december 2017

Bijlage 3: Gedelegeerde verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie

Douanewaarde van goederen

Artikel 71

Vereenvoudiging

(Artikel 73 van het wetboek)

1. De in artikel 73 van het wetboek bedoelde toestemming kan worden verleend als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a) de aanvraag voor de in artikel 166 van het wetboek bedoelde regeling brengt, in de gegeven omstandigheden, onevenredige administratieve kosten met zich mee;

b) de vastgestelde douanewaarde zal niet sterk afwijken van de waarde die wordt vastgesteld indien die toestemming niet was verleend.

2. De toestemming wordt verleend op voorwaarde dat de aanvrager aan de volgende voorwaarden voldoet:

a) hij voldoet aan het in artikel 39, onder a), van het wetboek vastgestelde criterium;

b) hij voert een boekhouding die in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen van de lidstaat waar de boekhouding wordt gevoerd en die bedrijfscontroles zal vergemakkelijken; de boekhouding voorziet in een historische gegevensregistratie die een controlespoor vormt vanaf het moment van gegevensinvoer;

c) hij beschikt over een administratieve organisatie die in overeenstemming is met het soort en de omvang van de bedrijfsactiviteiten en geschikt is voor het beheer van de goederenstroom, en over een systeem van interne controles waarmee onrechtmatige of frauduleuze transacties kunnen worden opgespoord.

Bijlage 4: Gedelegeerde verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446

Douanewaarde van goederen

Artikel 6

Aangifte van gegevens inzake de douanewaarde

1. Tot de datums van de upgrade van de nationale invoersystemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU worden in een douaneaangifte voor het in het vrije verkeer brengen gegevens inzake de douanewaarde opgenomen.

2. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt voor het verstrekken van de in lid 1 bedoelde gegevens.

3. Wanneer de in lid 1 bedoelde gegevens worden verstrekt met behulp van andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken, moet dit gebeuren aan de hand van het formulier in bijlage 8.

4. Wanneer de douanewaarde van de betrokken goederen niet kan worden vastgesteld op basis van artikel 70 van het wetboek, kunnen de douaneautoriteiten ontheffing verlenen van de verplichting om de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens te verstrekken.

5. In elk van de volgende gevallen verlenen de douaneautoriteiten ontheffing van de verplichting om de in lid 1 bedoelde gegevens te verstrekken, behalve wanneer dit onontbeerlijk is voor de juiste vaststelling van de douanewaarde:

a) wanneer de douanewaarde van de ingevoerde goederen per zending niet hoger is dan 20 000 EUR, voor zover de zending geen deel uitmaakt van gesplitste of meervoudige zendingen van dezelfde afzender aan dezelfde geadresseerde,

b) wanneer de transactie die ten grondslag ligt aan het in het vrije verkeer brengen van de goederen, geen handelskarakter heeft,

c) wanneer de gegevens in kwestie niet hoeven te worden ingediend voor de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief,

d) wanneer de rechten van het gemeenschappelijk douanetarief niet verschuldigd worden.

6. In het geval van regelmatig goederenverkeer van dezelfde verkoper naar dezelfde koper onder dezelfde handelsvoorwaarden kunnen de douaneautoriteiten ontheffing verlenen van het vaste vereiste om de in lid 1 bedoelde gegevens te verstrekken.

Bijlage 5: Aangifte van gegevens inzake de douanewaarde D.V.1

Bijlage 6: Termen en afkortingen gebruikt in de internationale handel

a.a.r.

against all risks = tegen alle risico's

a/b

aan boord

ab Kai

franko kaai (haven van lossing) = ex quay

ab Schiff

franco aan boord (haven van lossing) = ex ship

ab Werk

af fabriek = leveringsvoorwaarde waarbij de koper de goederen, die gereed zijn voor transport, in ontvangst kan nemen op de plaats waar ze zich bevinden. De koper betaalt dan de vervoerkosten tot de plaats van bestemming

A.C., a.c. of a/c

account current = rekening-courant

accreditief

het betaalbaar stellen van een zeker bedrag door een bank, in opdracht en voor rekening van een cliënt. De cliënt krijgt tegen afgifte van geld (of van een cheque) van de bankier die hij daarom heeft verzocht een assignatie (accreditief) waardoor deze aan een van zijn zetels opdracht geeft de aangeduide som te betalen op vertoon en tegen afgifte van het behoorlijk ondertekend document

a conto

op rekening

a.d.

a dato = van de dag af

ad val

ad valorem = volgens de waarde

A.G.

Aktiengesellschaft = naamloze vennootschap

air ferry

vliegtuig dat voertuigen en passagiers over korte afstanden vervoert

A/S

account sale = verkooprekening

A/V (a/v)

a vista = op zicht

B/E

bill of exchange = wissel

bevrachter

degene die een uitgerust schip geheel of gedeeltelijk huurt voor het vervoer van goederen

bill to

in rekening gebracht aan

B/L of B.L.

bill of lading = cognossement

Brl

barrel = ton, vat

Bro, Btoo, br

bruto

BRT

bruto register ton = de volledige inhoud van het schip binnen de wanden

bulk carrier

Vrachtschip

b.v.

besloten vennootschap (Nederland) = B.V.B.A. (België)

b.v.b.a.

besloten vereniging met beperkte aansprakelijkheid = B.V.B.A.

c.a.d.

cash against documents = betaling tegen voorlegging van documenten

CAF

coût, assurance et fret = CIF

car ferry

vliegtuig dat voertuigen en passagiers over grote afstanden vervoert

c.ex.

cum expenses = met de kosten

C.F. (C F)

cost and freight

c.f.

conto finto = gefingeerde rekening : pro forma faktuur

CFR

Kosten en vracht

cge. pd.

carriage paid = vrachtvrij

charter party

document dat de huur van het gehele schip of van een gedeelte daarvan bewijst

CIF

Kosten, verzekering en vracht

CIFIC

cost, insurance, freight, interest, commission : prijs, verzekering, vracht, interest en commissieloon inbegrepen

CIP

VRACHTVRIJ INCLUSIEF VERZEKERING TOT

CMT

Cut, Manufacturing, Trim = snit, fabricage, toebehoren van textielproducten (prijs van het weefsel niet inbegrepen)

c/n

kredietnota

c.o.

compte ouvert = open rekening

c.o.d.

cash on delivery = levering tegen betaling

cognossement

document waarbij de kapitein van een schip verklaart de op het document omschreven goederen aan boord te hebben genomen en er zich toe verbindt deze van de ene naar de andere haven te vervoeren onder de daarin vermelde voorwaarden

collect

te betalen door de bestemmeling

conta a meta

voor gezamelijke rekening = transactie die een verdeling van de winsten voorziet

container

kist van gestandaardiseerde afmetingen, gebruikt voor het vervoer van goederen

CPT

Vrachtvrij tot

cr

krediet, credietzijde, crediteur

crt

courant

c.s.

cum suis = met de zijnen
cum sociis = met zijn deelgenoten

C.T.

cable transfer = telegrafische overmaking

ct (ctr)

currentis = van de lopende maand

ctg.

courtage, loon van de makelaar

cum d.

cum dividend = met inbegrip van het dividend

CV

commanditaire vennootschap = coöperatieve vereniging

c.w.o.

cash with order = betaling bij bestelling

Cwt

hundredweight (centnerweight) =50,8 kg

D/A

documents against acceptance = documenten worden aan importeur overhandigd tegen acceptatie van een wissel

DAF

Franco grens

DAP

GELEVERD TER BESTEMMING

DAT

GELEVERD OP TERMINAL

DCP

freight carriage paid to = vrachtvrij tot .......

d.d.

de dato = van de dag

DDP

franco inclusief rechten

DDU

Franco exclusief rechten

deb.

debet

DEQ

Franco kade

DES

Franco “ex schip”

disc.

discount = korting

d.J.

dieses Jahres = van het lopende jaar

d.M.

dieses Monats = van de lopende maand

do

dito

doz.

dozen = dozijn

dr

debiteur

D.S.

days after sight = dagen na zicht

Dtz

Duizend = dozijn

D/P

documents against payment = betaling (gewoonlijk met wissel op korte termijn) geschiedt tegen afgifte van de documenten die vereist zijn om in bezit te komen van de goederen

E.E.

errors excepted = behoudens vergissingen

e.g.

exempli gratia = bijvoorbeeld

engineering

geheel van functies gaande van de conceptie en de studie van tot de verantwoordelijkheid over de bouw van en de controle op de uitrustingsgoederen van een technische of industriële installatie

E O.E.

errors and omissions excepted = onder voorbehoud van vergissingen en weglatingen

excl.

exclusief

ex factory

af fabriek

EXQ

ex quay = franco kade na aankomst

ex quay (duty paid)

franco kaai (gededouaneerd)

ex ship of EXS

franco aan boord (haven van lossing)

ex warehouse

af magazijn of depot

ex works of EXW

af fabriek

Fa.

firma

f.a.a.

free of all average = vrij van alle averij

FAB

frei an Bord = franco aan boord (=FOB)

FAH.

frei ab hier = franco verzendingsplaats

f.a.q.

fair average quality = behoorlijke middenkwaliteit

FAS

Franco langszij schip

FCA

Franco vervoerder

F-F.F.

fijn- supra-fijn (in prijscouranten)

f.i.o

free in and out = is een uitdrukking die aangeeft dat de goederen die per zeeschip worden verstuurd, zullen worden ingeladen door de afzender en bij aankomst in de vreemde haven zullen worden uitgeladen door de ontvanger

firmware (progiciel)

genormaliseerd product-programma dat aan verschillende gebruikers met dezelfde noden kan geleverd worden en dat telkenmale aan de specifieke behoeften van elke individuele klant kan worden aangepast door het opstellen van bijkomende individuele programma's

f.m.q.

fair merchantable quality = goed verhandelbare kwaliteit

FOA

FOB airport = FOB luchthaven van inscheping

FOB

vrij aan boord

FOP

free on plane = franco aan boord vliegtuig

FOR (=FOW)

free on railway = geladen op spoorwagen

FOS

free on shore = franco haven van lossing ook = free overside ship = franco aan boord

FOT

free on truck = geladen op vrachtwagen (plaats van verzending)

FOW

free on wagon

F.P.A. of f.p.a.

free from particular average = vrij van bijzondere averij

frachtfrei

vracht betaald (= franco)

franchising

contract waardoor een onderneming aan onafhankelijke ondernemingen tegen betaling van een vergoeding het recht verleent haar maatschappelijke benaming en haar merk te gebruiken om goederen of diensten te verkopen. Dit contract gaat gewoonlijk vergezeld van technische bijstand

franco (grens, huis, enz.)

leveringsconditie waarbij de verkoper alle kosten verbonden aan de levering op zich neemt

FRC

free carrier = vrachtvrij tot vervoerder

frei Kraftwagen

FOT

frei Waggon

FOW

freight paid to ...

vracht betaald tot ...

g.a.

general average = algemene averij

geliefert Grenze

franco grens

G.V.

en grande vitesse = ijlgoed

h.p.

horse power = paardekracht

i.A.

im Auftrage = per order

Inc.

incorporated = Amerikaanse naamloze vennootschap

incl.

inclusief

incoterms

International Commercial Terms

(= leveringscondities)

inst.

instance

intercompany

lopende rekening bij verbonden bedrijven

invoice

factuur

I OU

I owe you = ik ben u schuldig

(= schuldbetekenis)

irrevocable L/C

irrevocable letter of credit = onherroepelijk accreditief

kar.

karaat

know how

weten hoe iets te doen = het geheel van technische kennis en bedrijfservaring dat een natuurlijk of rechtspersoon in de loop der jaren heeft verworven. Deze kennis kan ter beschikking gesteld worden van andere personen en bedrijven

Kosten und Fracht

C F

Kosten, Versicherung, Fracht

C F

L/C

letter of credit = accreditief

lease-back

financieringstechniek waarbij een bedrijf een deel van zijn actief verkoopt aan een leasingmaatschappij en zijn goederen daarna opnieuw progressief terugkoopt volgens een huurformule die is vergezeld aan een unilaterale verkoopsbelofte

leasing

financieringstechniek waarbij een leasingmaatschappij een bepaald goed aankoopt voor een derde en het aan deze in huur afstaat voor een periode die gelijk is aan de veronderstelde economische levensduur van dat goed. Op het einde van de huurperiode verkrijgt de huurder de optie tussen de aankoop van het goed tegen een in het contract vastgestelde prijs, de teruggave van het goed aan de leasingmaatschappij en de verlenging van de huur tegen een verminderde huurprijs. De leasing brengt een besparing inzake de onmiddellijke last van de totale kosten der goederen mee

licence fee

licentierecht

Lfsch

Lieferschein = omschrijving van de zending (leveringsborderel)

Loco

leveringsvoorwaarde waarbij de koper de goederen in ontvangst neemt op de plaats waar deze zich bevinden. Dit kan zijn in het magazijn, in de fabriek, het pakhuis of entrepot.

Ltd

limited liability = beperkte aansprakelijkheid

Ltd Cy

naamloze vennootschap

manifest

verzamellijst van de connossementen van de verschillende partijen goederen die door een schip of een vliegtuig vervoerd worden

M/S

motorschip

multiprocessor

automatische gegevensverwerkende machine met verschillende centrale eenheden

m.ü.V.

mit üblichen Vorbehalte = onder het gebruikelijke voorbehoud

n.a.g.

nett shipped weight = netto ingescheept gewicht

Ned. ct

Nederlands courant = waarde in Nederlands geld

nto

netto

n.u.g.

netto uitgeleverd gewicht

n.v.

naamloze vennootschap

o

order

o.g.v.

onder gewoon voorbehoud

O.K.

ohne Kosten = zonder kosten

o.l.v.

onder last van

operating system

exploitatiesysteem = geheel van de basisprogramma's noodzakelijk voor de goede werking van een automatische gegevensverwerkende machine

Pa of la

prima = eerste kwaliteit

p.a.

per annum = jaarlijks

P.A.

power of attorney = schriftelijke volmacht

P.Bt

poids brut = bruto-gewicht

pct

percent

per proc. of p.p.

per procurationem = door of bij volmacht

PM

pro memorie = ter herinnering

p.m.

pro mille = per duizend; per maand

P.Nt

poids net = netto

p.o.

per order

PO

per omgaand

p.p.

per procuratie, bij volmacht

prepaid

vooruitbetaald

processor

- centrale eenheid van een automatische gegevensverwerkende machine;
- geheel van programma's die het mogelijk maken geschreven programma's in een bepaalde taal uit te voeren

p.V.

en petite vitesse = als vrachtgoed

p.v.b.a.

personenvereniging met beperkte aansprakelijkheid

qm.

Quadratmeter : m²

reder

degene die een schip uitrust en instaat voor de levering van al hetgene noodzakelijk is om te kunnen varen

rn

Reingewicht = netto

rh

Rohgewicht = bruto

S.E.

salvo errore = behoudens vergissingen

Seca of IIa

seconda = tweede kwaliteit

S.E.C. of s.e.c.

salvo errore calculi = behoudens rekenfouten

S.E. () O

salvo errore et omissione = behoudens vergissingen en weglatingen

s.g.

soortgelijk gewicht

S.O.

sellers option = volgens keuze van de verkoper (bv. de datum van levering)

software (F : logiciel)

geheel van programma's, procédés, regels en eventueel documentatie die niet vast in de computer zijn ingebouwd, doch die nodig zijn voor het functioneren van een gegevensverwerkende eenheid. Software kan door de leverancier van de machine (meer algemeen van karakter) dan wel door de gebruiker (meer specifiek gericht) ontwikkeld zijn.

S/S of s.s

stoomschip

t

tarra of ton

tax free shop

taksvrije winkel

tel quel

zoals het uitvalt

Tre of T

tare = tarra

T.T.

telegraphic transfer = telegrafische overmaking

ult.

ultimo = de laatste der maand

u.ü.v.

unter üblichen Vorbehalte = onder het gebruikelijke voorbehoud

Val

valuta = waarde - vervaltijd - of vervaldatum

V.C.

vostro conto = uw rekening

vervrachter

degene die een schip verhuurt

verzollt

gededouaneerd

VLB

vrij langs boord = FAS

vracht

vervoerprijs in het zeetransport

vrachtbrief

ekwivalent bij het landvervoer van het connossement

v.v.b.

vrij van beschadiging

VVB

vrij van boord

WA

wettelijke aansprakelijkheid

wt

weight = gewicht

XXX

Andere leveringsvoorwaarden

zeebrief

document afgeleverd door het Ministerie van Verkeerswezen waarbij de nationaliteit en de identiteit van een zeeschip worden erkend

Z/K

zonder kosten

Bijlage 7: Incoterms 2010

V: betekent dat de kosten worden gedragen door de verkoper en normaal reeds in de factuurprijs vervat zitten

K: betekent dat de kosten worden gedragen door de koper

S3 (*) niet van toepassing: in de praktijk worden de goederen rechtstreeks gelevered aan de fabriek of het magazijn van de koper.

Bijlage 7bis: Incoterms 2020

V: betekent dat de kosten worden gedragen door de verkoper en normaal reeds in de factuurprijs vervat zitten

K: betekent dat de kosten worden gedragen door de koper

S3 (*) niet van toepassing: in de praktijk worden de goederen rechtstreeks gelevered aan de fabriek of het magazijn van de koper. 

Bijlage 8: Lijst van in artikel 142, lid 6, bedoelde goederen

S3

GN (Taric-code)

Omschrijving

Geldigheidsduur

0701 90 50

Nieuwe aardappelen

1.1 –30.6

0703 10 19

Uien (andere dan plantuitjes)

1.1 –31.12

0703 20 00

Knoflook

1.1 –31.12

0708 20 00

Bonen (Vigna spp., Phaseolus spp.)

1.1 –31.12

0709 2000 10

Asperges,

groene

1.1 –31.12

0709 2000 90

Asperges, andere

1.1 –31.12

0709 60 10

Niet-scherpsmakende pepers

1.1 –31.12

0714 20 10

Bataten (zoete aardappelen), vers, geheel, bestemd voor menselijke consumptie

1.1 –31.12

0804 3000 90

Ananassen, anders dan gedroogd

1.1 –31.12

0804 4000 10

Avocado’s, vers

1.1 –31.12

0805 10 22

0805 10 24

0805 10 28

Zoete sinaasappelen, vers

1.6 - 30.11

0805 2110 10

0805 2190 11

0805 2190 91

Mandarijnen (tangerines en satsuma’s daaronder begrepen), vers

1.3 - 31.10

0805 2200 11

Monreales, vers

1.3 - 31.10

0805 2200 20

Clementines (andere dan montreales), vers

1.3 - 31.10

0805 2900 11

0805 2900 21

0805 2900 91

Wilkings en dergelijke kruisingen van citrusvruchten, vers

1.3 - 31.10

0805 4000 11

0805 4000 31

Pompelmoezen, grapefuits en pomelo’s, vers, wit

1.1 –31.12

0805 4000 19

0805 4000 39

Pompelmoezen, grapefuits en pomelo’s, vers, roze

1.1 –31.12

0805 5090 10

Lemmetjes (Citrus aurantifolia, Citrus latifolia), vers

1.1 –31.12

0806 10 10

Druiven voor tafelgebruik

21.11 - 20.7

0807 11 00

Watermeloenen

1.1 –31.12

0807 1900 50

Amarillo, Cuper, Honey Dew (met inbegrip van Cantalene), Onteniente, Piel de Sapo (met inbegrip van Verde Liso), Rochet, Tendral, Futuro

1.1 –31.12

0807 1900 90

Andere meloenen

1.1 –31.12

0808 3090 10

Peren van de soort Nashi (Pyrus pyrifolia), Ya (Pyrus bretscheideri)

1.5 - 30.6

0808 3090 90

Peren, andere

1.5 - 30.6

0809 10 00

Abrikozen

1.1 –31.5

1.8 - 31.12

0809 30 10

Nectarines

1.1 –10.6

1.10 - 31.12

0809 30 90

Perziken

1.1 –10.6

1.10 - 31.12

0809 40 05

Pruimen

1.10 - 10.6

0810 10 00

Aardbeien

1.1 –31.12

0810 20 10

Frambozen

1.1 –31.12

0810 50 00

Kiwi’s

1.1 –31.12

Bijlage 9: Lijst van de ISO-muntcodes ISO 4217

Land

ISO-Muntcode

Afghanistan

AFN

Albanië

ALL

Algerije

DZD

Amerikaans Oceanië (Amerikaans Samoa; Goeam; ver uit de Amerikaanse kust gelegen kleinere eilanden (Baker, Howland, Jarvis, Johnston, Kingman Reef, Midway, Palmyra en Wake)

USD

Andorra

EUR

Angola m.i.v. Cabinda

AOA

Anguilla

XCD

Antigua en Barbuda

XCD

Argentinië

ARS

Armenië

AMD

Aruba

AWG

Australië

AUD

Australisch Oceanië (Cocos-(Keeling)-eilanden, Christmaseiland, Heard- en McDonald-eilanden, Norfolk-eiland)

AUD

Azerbeidzjan

AZN

Bahama's

BSD

Bahrein

BHD

Bangladesh

BDT

Barbados

BBD

België

EUR

Belize

BZD

Benin

XOF

Bermuda

BMD

Bhutan

INR-BTN

Bolivia

BOB-BOV

Bosnië-Herzegovina

BAM

Botswana

BWP

Brazilië

BRL

Brits gebied in de Indische Oceaan (Chagoseilanden)

USD

Britse Maagdeneilanden

USD

Brunei

BND

Bulgarije

BGN

Burkina Faso

XOF

Burundi

BIF

Cambodja

KHR

Canada

CAD

Cayman-eilanden

KYD

Centraal-Afrikaanse Republiek

XAF

Ceuta

EUR

Chili

CLP-CLF

China

CNY

Colombia

COP-COU

Comoren (Grande Comore, Anjouan en Mohéli)

KMF

Congo, Democratische Republiek

CDF

Congo, Republiek

XAF

Costa Rica

CRC

Cuba

CUP-CUC

Cyprus

EUR

Denemarken

DKK

Djibouti

DJF

Dominica

XCD

Dominicaanse Republiek

DOP

Duitsland m.i.v. Helgoland, m.u.v. het gebied Büsingen

EUR

Ecuador m.i.v. de Galapagoseilanden

USD

Egypte

EGP

El Salvador

SVC-USD

Equatoriaal-Guinea

XAF

Eritrea

ERN

Estland

EEK

Ethiopië

ETB

Faeroër

DKK

Falklandeilanden

FKP

Federale Staten van Micronesië (Yap, Kosrae, Chuuk, Pohnpei)

USD

Fidji

FJD

Filippijnen

PHP

Finland m.i.v. de Alandseilanden

EUR

Frankrijk m.i.v. Monaco en de Franse overzeese departementen (Réunion, Guadeloupe, Martinique en Frans Guyana

EUR

Frans-Polynesië (Marquesa-eilanden Genootschapseilanden, Gambier eilanden, Toubouai-eilanden en Touamotou-eilanden; m.i.v. Clippertoneiland)

XPF

Gabon

XAF

Gambia

GMD

Georgië

GEL

Ghana

GHS

Gibraltar

GIP

Granada m.i.v. de Zuid-Grenadinen

XCD

Griekenland

EUR

Groenland

DKK

Guatemala

GTQ

Guinee

GNF

Guinee Bissau

GWP-XOF

Guyana

GYD

Haïti

HTG-USD

Honduras m.i.v. de Swan eilanden

HNL

Hongarije

HUF

Hong-Kong

HKD

Ierland

EUR

IJsland

ISK

India m.i.v. Sikkim

INR

Indonesië

IDR

Irak

IQD

Iran

IRR

Israël

ILS

Italië m.i.v. Livigno

EUR

Ivoorkust

XOF

Jamaica

JMD

Japan

JPY

Jemen (voormalig Noord-Jemen en Zuid-Jemen)

YER

Jordanië

JOD

Kaapverdië

CVE

Kameroen

XAF

Kazachstan

KZT

Kenia

KES

Kirgizië

KGS

Kiribati

AUD

Koeweit

KWD

Kroatië

HRK

Laos

LAK

Lesotho

ZAR-LSL

Letland

LVL

Libanon

LBP

Liberia

LRD

Libië

LYD

Liechtenstein

CHF

Litouwen

LTL

Luxemburg

EUR

Maagdeneilanden behorende tot USA

USD

Macao

MOP

Macedonië (voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië)

MKD

Madagaskar

MGA

Malawi

MWK

Malediven

MVR

Maleisië (Maleisisch schiereiland en Oost- Maleisië (Sarawak, Sabah en Laboean)

MYR

Mali

XOF

Malta m.i.v. Gozo en Comino

EUR

Marokko

MAD

Marshall-eilanden

USD

Mauretanië

MRO

Mauritius (Mauritius, Rodrigues, Agalega eilanden en Cargados Carajos Shoals (St. Brandoneilanden)

MUR

Mayotte (Grande-Terre en Pamanzi)

EUR

Melilla

EUR

Mexico

MXN-MXV

Moldavië

MDL

Mongolië

MNT

Montenegro

EUR

Montserrat

XCD

Mozambique

MZM

Myanmar (voormalig Birma)

MMK

Namibië

ZAR-NAD

Nauroe

AUD

Nederland

EUR

Nederlandse Antillen (Curação, Bonaire, St. Eustatius, Saba en het zuidelijk deel van St. Maarten)

ANG

Nepal

NPR

Nicaragua m.i.v. de Corneilanden

NIO

Nieuw-Caledonië en onderhorigheden (onderhorigheden van Nieuw-Caledonië : Pineseiland, Loyalty-, Huon-, Belep-, Chesterfieldeilanden en Walpole)

XPF

Nieuw-Zeeland m.u.v. de onderhorigheid Ross (Antartica)

NZD

Nieuwzeelands Oceanië (Tokelau- en Niue-eilanden; Cook-eilanden)

NZD

Niger

XOF

Nigeria

NGN

Noord-Korea

KPW

Noord-Marianen

USD

Noorwegen m.i.v. Jan Mayen eiland en de Svalbard-archipel

NOK

Oeganda

UGX

Oekraïne

UAH

Oezbekistan

UZS

Oman

OMR

Oostenrijk

EUR

Pakistan

PKR

Palaoe eilanden

USD

Panama (m.i.v. de voormalige kanaalzone)

PAB-USD

Papoea-Nieuw-Guinea m.i.v. New Britain, New Ireland, Lavongai, Admiralty-eilanden, Bougainville, Buka, Green-eilanden, D'Entrecasteaux, Trobriand, Woodlark en de Louisiaden met hun onderhorigheden

PGK

Paraguay

PYG

Peru

PEN

Pitcairn m.i.v. de Henderson-eilanden, Ducie en Oeno

NZD

Polen

PLN

Poolgebieden (niet elders genoemde of opgenomen Noordpoolgebieden; Antartica of Zuidpoolgebied; m.i.v. Nieuw-Amsterdam-, St. Paul-eiland, de Crozet-eilanden, de Kerguelen en Bouvat-eiland; Zuid-Georgië en de Zuid-Sandwicheilanden

nihil

Portugal m.i.v. de Azoren en Madeira

EUR

Quatar

QAR

Roemenië

RON

Rusland

RUB

Rwanda

RWF

Salomonseilanden

SBD

Samoa

WST

San Marino

EUR

São Tomé en Principe

STD

Saoedi-Arabië

SAR

Senegal

XOF

Servië

CSD

Seychellen en onderhorigheden (Mahé, Silhouette, Praslin (waaronder La Digue), Frégate, Mamelles en Récifs, Bird en Denis, Plate en Coëtivy, Amiranten, Alphonse- eiland, Providence-eiland en Aldabra-eilanden)

SCR

Sierra Leone

SLL

Singapore

SGD

Slovenië

EUR

Slowakije

EUR

Soedan

SDG

Somalië

SOS

Spanje m.i.v. de Balearen en de Canarische eilanden m.u.v. Ceuta en Melilla

EUR

Sri-Lanka

LKR

St. Helena en onderhorigheden (onderhorigheden van St. Helena : Ascension en Tristan da Cunha

SHP

St. Lucia

XCD

St. Pierre en Miquelon

EUR

St. Vincent m.i.v. de Noord-Grenadinen

XCD

St. Kristopher en Nevis (St. Kitts)

XCD

Suriname

SRD

Swaziland

SZL

Syrië

SYP

Tadzjikistan

TJS

Taiwan

TWD

Tanzania (Tanganjika, Zanzibar en Pemba)

TZS

Thailand

THB

Toevaloe

AUD

Togo

XOF

Tonga

TOP

Trinidad en Tobago

TTD

Tsjaad

XAF

Tsjechië

CZK

Tunesië

TND

Turkije

TRY

Turkmenistan

TMT

Turks- en Caicoseilanden

USD

Uruguay

UYU-UYI

Vanuatu

VUV

Vaticaanstad

EUR

Venezuela

VEF

Verenigd Koninkrijk (Groot-Brittanië, Noord-Ierland, de Kanaal-eilanden en Man)

GBP

Verenigde Arabische Emiraten (Abu Dhabi, Dubai, Sharjah, Ajman, Umm al Qaiwan, Ras al Khaimah en Fujairah)

AED

Verenigde Staten van Amerika m.i.v. Puerto Rico

USD

Vietnam

VND

Wallis- en Futuna-eilanden m.i.v. Alofi

XPF

Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook (de Westelijke Jordaanoever omvat Oost-Jeruzalem)

nihil

Wit-Rusland

BYR

Zambia

ZMK

Zimbabwe

ZWD

Zuid-Afrika

ZAR

Zuid-Korea

KRW

Zweden

SEK

Zwitserland m.i.v. het Duitse gebied Büsingen en de Italiaanse gemeente Campione d'Italia

CHF

Bijlage 10: In de douanewaarde op te nemen luchtvrachtkosten

1. In de volgende tabel worden vermeld:

a) de derde landen gerangschikt volgens de werelddelen en zones (kolom1);

b) de percentages die het deel van de luchtvrachtkosten uitdrukken dat in de douanewaarde moet worden opgenomen (kolom 2).

2. Wanneer goederen worden vervoerd vanuit landen of luchthavens die niet in de volgende tabel zijn vermeld, wordt, tenzij het gaat om in de punt 3 bedoelde luchthavens, het percentage in aanmerking worden genomen dat is vermeld voor de luchthaven die het dichtst bij de luchthaven van vertrek is gelegen;

3. Voor de Franse overzeese departementen, die deel uitmaken van het douanegebied van de Unie, gelden de volgende regels:

a) voor goederen die rechtstreeks vanuit een derde land naar deze departementen worden vervoerd, worden de luchtvrachtkosten volledig in de douanewaarde opgenomen;

b) voor goederen die vanuit een derde land naar het Europese gedeelte van de Unie worden vervoerd na te zijn overgeladen of gelost in één van deze departementen, worden uitsluitend de luchtvrachtkosten in de douanewaarde opgenomen die berekend zouden zijn als de goederen voor deze departementen waren bestemd;

c) voor goederen die vanuit een derde land naar deze departementen worden vervoerd na te zijn overgeladen of gelost in een luchthaven van het Europese gedeelte van de Unie, worden de in de douanewaarde op te nemen luchtvrachtkosten vastgesteld door toepassing van het in de volgende tabel vermelde percentage met verwijzing naar de vlucht vanuit de luchthaven van vertrek naar de luchthaven van overlading of lossing.

De douane bevestigt de overlading of lossing door de luchtvrachtbrief of een ander luchtvrachtdocument van de nodige visa te voorzien. Als een dergelijk visum ontbreekt, zijn de bepalingen van artikel 137 van toepassing.

1

2

Land van verzending

Percentage van de in de douanewaarde op te nemen totale luchtvrachtkosten

AMERIKA

Zone A

Canada: Gander, Halifax, Moncton, Montreal, Ottawa, Quebec, Toronto

Verenigde Staten van Amerika: Akron, Albany, Atlanta, Baltimore, Boston, Buffalo, Charleston, Chicago, Cincinnati, Columbus, Detroit, Indianapolis, Jacksonville, Kansas City, Lexington, Louisville, Memphis, Milwaukee, Minneapolis, Nashville, New Orleans, New York, Philadelphia, Pittsburgh, St Louis, Washington DC

Groenland

70

Zone B

Canada: Edmonton, Vancouver, Winnipeg

Verenigde Staten van Amerika:

Albuquerque, Austin, Billings, Dallas, Denver, Houston, Las Vegas, Los Angeles, Miami, Oklahoma, Phoenix, Portland, Puerto Rico, Salt Lake City, San Francisco, Seattle

Midden-Amerika: alle landen

Zuid-Amerika: alle landen

78

Zone C

Verenigde Staten van Amerika: Anchorage, Fairbanks, Honolulu, Juneau

89

AFRIKA

Zone D

Algerije, Egypte, Libië, Marokko, Tunesië

33

Zone E

Benin, Burkina Faso, Centraal-Afrikaanse Republiek, Djibouti, Ethiopië, Gambia, Ghana, Guinea, Guinee-Bissau, Ivoorkust, Kaapverdië, Kameroen, Liberië, Mali, Mauritanië, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone, Soedan, Togo, Tsjaad

50

Zone F

Burundi, Congo, Democratische Republiek Congo, Equatoriaal Guinee, Gabon, Kenia, Rwanda, Sao Tomé en Principe, Seychellen, Somalië, Sint-Helena, Uganda, Tanzania

61

Zone G

Angola, Botswana, Comoren, Lesotho, Madagaskar, Malawi, Mauritius, Mozambique, Namibië, Swaziland, Zambia, Zimbabwe, Republiek Zuid-Afrika

74

AZIË

Zone H

Armenië, Azerbeidzjan, Georgië, Irak, Iran, Israël, Jordanië, Koeweit, Libanon, Syrië

27

Zone I

Bahrein, Jemen, Oman, Qatar, Saoedi-Arabië, Verenigde Arabische Emiraten

43

Zone J

Afghanistan, Bangladesh, Bhutan, India, Nepal, Pakistan

46

Zone K

Rusland: Novosibirsk, Omsk, Perm, Sverdlovsk

Kazachstan, Kirgizië, Oezbekistan, Tadzjikistan, Turkmenistan

57

Zone L

Rusland: Irkoetsk, Kirensk, Krasnoyarsk

Brunei, Cambodja, China, Filipijnen, Hongkong, Indonesië, Laos, Macao, Maldiven, Maleisië, Mongolië, Myanmar, Singapore, Sri Lanka, Taiwan, Thailand, Vietnam

70

Zone M

Rusland: Khabarovsk, Vladivostok

Japan, Korea (Noord), Korea (Zuid)

83

AUSTRALIË en OCEANIË

Zone N

Australië en Oceanië: alle landen

79

EUROPA

Zone O

Rusland: Gorky, Samara, Moskou, Orel, Rostov, Volgograd, Voronej

IJsland, Oekraïne

30

Zone P

Albanië, Belarus, Bosnië en Herzegovina, Faeröer, Kosovo, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Moldavië, Montenegro, Noorwegen, Servië, Turkije

15

Zone Q

Zwitserland, S3 Verenigd Koninkrijk (vanaf 01.01.2021)

5

S3 Bijlage 11: Praktische voorbeelden van de toepassing van artikel 136 IA (Royalty’s en licentierechten: punt 85 tot 92 van deze circulaire)

Deze voorbeelden zijn afkomstig uit het document « Guidance on Customs Valuation (Articles 128, 136 and 347 UCC IA) » van de Europese Commissie.

Voorbeeld 1

Situatie

Een licentieovereenkomst verplicht de licentienemer om een productieovereenkomst te sluiten met de fabrikant van de gelicentieerde goederen om ze uitsluitend te leveren aan de licentienemer. De fabrikant is niet met de licentiegever verbonden in de betekenis van artikel 127 IA. De licentieovereenkomst verplicht de licentienemer om een sjabloon te gebruiken bij het opstellen van de productieovereenkomst of de fabrikanten op te dragen om de gelicentieerde producten enkel te produceren voor en te leveren aan de licentienemer.

In deze situatie worden de producten niet door de licentiegever gemaakt noch door hem ontwikkeld.

Een dergelijke aanpak kan gerechtvaardigd worden door het feit dat de gelicentieerde producten uitsluitend aan de licentienemer worden geleverd, zodat deze kan profiteren van de exclusieve rechten van het merk binnen een bepaald gebied. Op deze manier wordt enerzijds het merk beschermd en anderzijds is de licentiegever verzekerd van de betaling van de royalty’s of licentierechten door de licentiehouder na de wederverkoop van de producten.

In bepaalde gevallen duidt de licentiegever niet expliciet de fabrikant aan, noch beïnvloedt hij de keuze ervan. De fabrikant wordt bijgevolg gekozen door de licentienemer en tekent een productieovereenkomst die de bepaling kan bevatten dat de fabrikant enkel mag produceren voor de licentienemer. Er zijn geen andere verbanden of onderlinge afhankelijkheden tussen de licentieovereenkomst en het verkoopcontract.

De vraag is of in een dergelijke situatie de betaling van de licentiekosten moet worden beschouwd als te zijn uitgevoerd als een voorwaarde voor de verkoop, in de betekenis van artikel 136, lid 4, c), IA, en bijgevolg moet worden opgenomen in de douanewaarde van de ingevoerde goederen.

Analyse en conclusie

In de hierboven beschreven situatie is de verkoper op grond van de productieovereenkomst verplicht om de goederen uitsluitend aan de licentienemer te verkopen, die op zijn beurt in overeenstemming met de licentieovereenkomst royalty’s of licentierechten moet betalen aan de licentiegever.

Bijgevolg mogen de gelicentieerde goederen enkel door de fabrikant/verkoper verkocht worden aan de door de licentiegever aangeduide licentienemer.

Bovendien wordt de verplichting om een productieovereenkomst af te sluiten (of de verplichting om uitsluitend aan de licentienemer te leveren) vastgesteld door de licentiegever, die zo verzekerd is van de betaling van royalty’s of licentierechten voor al de door de fabrikant geleverde goederen.

Aangezien de licentienemer/koper de goederen in kwestie niet kan kopen zonder royalty’s of licentierechten te betalen, lijkt het terecht om te besluiten, dat, in de beschreven situatie, de betaling van royalty’s/licentierechten een voorwaarde is voor de verkoop in overeenstemming met artikel 136, lid 4, c), IA en dus moet opgenomen worden in de douanewaarde in overeenstemming met artikel 71 van het DWU.

Voorbeeld 2

Situatie

Een inkoopagent – die zowel met de licentiegever, de eigenaar van het handelsmerk/eigendomsrecht en de licentienemer verbonden is – is betrokken bij de invoer van de gelicentieerde goederen. De producent/verkoper is met geen enkele van de andere partijen (licentiegever, koper/licentienemer, inkoopagent) verbonden.

Aan de inkoopagent is opgedragen om voor de koper/licentienemer de geschikte producenten en verkopers te kiezen. Hij vervult tevens de algemene taken van een inkoopagent bij aankopen. De licentiegever zal er, als eigenaar van het handelsmerk/eigendomsrecht, over waken dat de producent/verkoper van de gelicentieerde goederen uitsluitend zal verkopen aan de door hem aangeduide kopers – de licentienemers – die aan hem royalty’s of licentierechten voor de goederen zullen betalen.

In deze context kan de inkoopagent ingrijpen in het productieproces en/of bij de verkoop door het aantal verkopen te beperken, het bepalen van de verkoopprijs, enz.

Moeten de betalingen van de licentierechten, uitgevoerd door de koper/licentienemer, beschouwd worden als voorwaarde voor de verkoop, in de betekenis van artikel 136, lid 4, c), IA, en bijgevolg opgenomen worden in de douanewaarde van de ingevoerde goederen?

Analyse en conclusie

De hierboven beschreven situatie is in principe identiek aan diegene bij voorbeeld 1. In dit geval is het de inkoopagent (die verbonden is met zowel de licentiegever als de licentienemer) die, in zijn functie van inkoopagent, er over waakt dat de goederen door de verkoper uitsluitend aan de licentienemers worden verkocht, zodat de licentiegever ervan verzekerd is dat hij een betaling van royalty’s of licentierechten zal ontvangen voor alle verkochte goederen.

Daarom moet besloten worden dat de betaling van de royalty’s/licentierechten gedaan wordt als een voorwaarde voor de verkoop in overeenstemming met artikel 136, lid 4, c), IA en dus moet worden opgenomen in de douanewaarde in overeenstemming met artikel 71 van het DWU.

Voorbeeld 3

Situatie

De koper levert aan de producent/verkoper (die niet verbonden is met de verkoper in de betekenis van artikel 127 IA) gratis diensten voor het produceren van de ingevoerde goederen. Dit betreft in het bijzonder de knowhow op het gebied van ontwerp en productie. Zonder deze diensten zou de producent/verkoper niet in staat zijn om de ingevoerde goederen te produceren of te leveren.

De hierboven vermelde gratis diensten werden vooraf door de licentiegever geleverd aan de koper/licentienemer die op zijn beurt royalty’s betaalde aan de licentiegever. De betaling van de royalty’s zijn dus een voorwaarde voor de productie en levering van de ingevoerde goederen aan de koper/licentienemer. Vaak is de koper ook verplicht om een royalty te betalen aan de licentiegever voor het recht om het merk te gebruiken op de ingevoerde goederen.

Analyse en conclusie

De productiefactoren die voor de productie van de ingevoerde goederen gratis worden geleverd aan de producent/verkoper (bijvoorbeeld het ontwerp, de knowhow voor de productie) moeten worden beoordeeld in het licht van de criteria van artikel 71, lid 1(b) van het DWU ("toeleveringen"), zelfs als de beschikbaarheid van deze productiefactoren afhankelijk is van het betalen van royalty’s.

In bepaalde gevallen kan de licentieovereenkomst de koper ook verplichten tot betaling van royalty's voor het recht om andere vormen van intellectuele eigendom te gebruiken. Deze royalty's worden betaald als voorwaarde voor de verkoop van de te waarderen goederen (bijvoorbeeld handelsmerken). In dit geval is artikel 71, lid 1(c) van het DWU samen met artikel 136, lid 4(c) IA van toepassing.