Circulaire nr. Ci.RH.421/439.105 dd. 27.09.1993

CIRC 27.09.93/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/439.105 dd. 27.09.1993.


Bull. nr. 732, pag. 3103

MEERWAARDE
Meerwaarde op aandelen.
Verwezenlijkte meerwaarde.

MINDERWAARDE
Minderwaarde op aandelen.

VENNOOTSCHAPSBELASTING
Belastbare grondslag.
Beroepskosten.
Verworpen uitgave.

VRIJGESTELDE MEERWAARDE
Meerwaarde op aandelen.


Commentaar op de art. 3, D en E, en 10, § 2, W 23.10.1991 tot omzetting in het Belgisch recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23.7.1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712).

Meerwaarden, waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen of delen.

Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

MEERWAARDEN, WAARDEVERMINDERINGEN EN MINDERWAARDEN OP AANDELEN OF DELEN

Inhoudstabel Nrs. I. INLEIDING 1 II. WETTEKSTEN 2 III. BEDOELDE ACTIVA 3 IV. MEERWAARDEN OP AANDELEN OF DELEN A. Algemeen 5 B. Verwezenlijkte meerwaarden 8 C. Voorwaarde van DBI-aftrek 11 D. Vroegere waardeverminderingen 14 E. Vrijstellingswijze 16 F. Inwerkingtreding 17 V. WAARDEVERMINDERINGEN EN MINDERWAARDEN A. Algemeen 18 B. Vroegere waardeverminderingen 23 C. Verdeling van vermogen 28 D. Inwerkingtreding 32 VI. SPECIALE GEVALLEN A. Inschrijvingsrechten 35 B. Warrants 36 C. Converteerbare obligaties 37 D. Aandelenopties 38

I.INLEIDING
1. Deze circulaire verstrekt commentaar op de bepalingen van de art. 3, D (dat art. 105bis in het WIB heeft ingevoegd) en E (dat art. 109, 3°, opnieuw heeft opgenomen in hetzelfde Wetboek), en 10, § 2, W 23.10.1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712).

Die bepalingen betreffen enkel de Ven.B en BNI/ven. en hebben betrekking op :

  • de vrijstelling van sommige meerwaarden verwezenlijkt op aandelen of delen (art. 105bis, WIB);
  • de niet aftrekbaarheid als beroepskosten van waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen of delen (art. 109, 3°, WIB).




II.WETTEKSTEN
WIB



2. Art. 105bis
Volledig vrijgesteld zijn eveneens de meerwaarden verwezenlijkt op aandelen of delen waarvan de eventuele inkomsten in aanmerking komen om, overeenkomstig de bepalingen van artikel 111, van de winst te worden afgetrokken.

Het eerste lid vindt slechts toepassing voor zover het bedrag van de meerwaarden hoger is dan het totaal van de vroeger op de verwezenlijkte aandelen of delen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het totaal van de meerwaarden die overeenkomstig artikel 21, derde lid, werden belast.



Art.109
Voor de vaststelling van het belastbaar inkomen zijn niet aftrekbaar:

....

3° de waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen of delen, behoudens de minderwaarden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van de emitterende vennootschap, ten belope van het werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal dat door de aandelen of delen van die vennootschap wordt vertegenwoordigd;

....

W. 23.10.1991



Art.10
....

§ 2. In afwijking van artikel 105bis, eerste lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, ingevoegd door artikel 3, D en in afwijking van artikel 9, § 1, zijn de meerwaarden verwezenlijkt voor 24 juli 1991 tijdens een later aanslagjaar is verbonden, volledig vrijgesteld.

....



III.BEDOELDE ACTIVA
3. Onder het in de art. 105bis en 109, 3°, WIB, vermelde begrip "aandelen of delen" moet niet alleen worden verstaan de eigenlijke kapitaalaandelen (aandelen of delen die het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen); doch ook alle andere aandelen of delen waarvan de inkomsten als dividenden moeten worden aangemerkt. Terzake kan worden verwezen naar Com.IB 12/3 en 4.

4. Daarentegen zijn inzonderheid niet bedoeld de meerwaarden die worden verwezenlijkt of de waardeverminderingen en minderwaarden die betrekking hebben op :

  • inschrijvingsrechten;
  • warrants;
  • converteerbare obligaties;
  • aandelenopties.


In de rubriek VI hierna wordt nader ingegaan op de verrichtingen die op dergelijke activa betrekking hebben.



IV.MEERWAARDEN OP AANDELEN OF DELEN
A. Algemeen


5. De in art. 105bis, WIB, bedoelde vrijstelling is enkel van toepassing:


  • op verwezenlijkte meerwaarden
  • op aandelen of delen waarvan de eventuele inkomsten als DBI in aftrek kunnen komen.


Bovendien geldt de vrijstelling niet in de mate dat de verwezenlijkte meerwaarde overeenstemt met voorheen aanvaarde en nog niet herbelaste waardeverminderingen.

6. Evenmin is er vrijstelling van de inkomsten die worden verkregen naar aanleiding van de gehele of gedeeltelijke verdeling van het vermogen van de vennootschap waarin de belastingplichtige aandeelhouder of vennoot is of van de afstand aan die vennootschap van haar eigen aandelen. Dergelijke inkomsten zijn inderdaad aan te merken als verkregen dividenden of inkomsten van belegde kapitalen en zijn eventueel als DBI aftrekbaar.

7. De vrijstelling is niet afhankelijk van een bepaalde bezitsduur van de aandelen of delen, van enige wederbelegging noch van de naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde.

B. Verwezenlijkte meerwaarden

8. Zoals gezegd is de vrijstelling slechts van toepassing op verwezenlijkte meerwaarden, waarbij de wijze van verwezenlijking (verkoop, ruil, inbreng, ...) evenwel zonder belang is.

9. Uitgedrukte niet verwezenlijkte meerwaarden vallen niet onder de toepassing van art. 105bis, WIB, en kunnen derhalve, zoals voorheen, slechts worden vrijgesteld indien de onaantastbaarheidsvoorwaarde wordt nageleefd.

Hetzelfde geldt voor de meerwaarden als bedoeld in art. 38, WIB (omruiling van aandelen of delen naar aanleiding van belastingvrije fusies of splitsingen), aangezien die meerwaarden als niet-verwezenlijkt worden aangemerkt (PV nr. 321 van 10.12.1992, gesteld door de H. Volksv. Dupré, Bull. 726).

10. De bepalingen van art. 105bis, WIB, zijn daarentegen van toepassing op het totale bedrag van de in principe belastbare meerwaarden die ontstaan bij latere realisatie van de in nr. 9, 2° lid bedoelde in ruil ontvangen aandelen.

Hetzelfde geldt bij realisatie van aandelen of delen die werden verkregen als vergoeding voor de belastingvrije inbreng van een tak van werkzaamheid of van de algemeenheid van de goederen (zie art. 40, § 3, WIB).

C. Voorwaarde van DBI-aftrek

11. Meerwaarden verwezenlijkt op aandelen of delen worden slechts vrijgesteld op voorwaarde dat het geheel van de inkomsten die aan die aandelen of delen worden uitgekeerd of eventueel zouden worden uitgekeerd als DBI in aftrek kunnen komen.

12. Er wordt aan herinnerd dat geheel of gedeeltelijk van de DBI-aftrek zijn uitgesloten de inkomsten verleend of toegekend :



door vennootschappen die niet aan de Ven.B (met uitzondering van de in art. 94, 2e lid, a, WIB, bedoelde intercommunales) of aan een gelijkaardige buitenlandse belasting zijn onderworpen;
door vennootschappen die gevestigd zijn in een land waar de gemeenrechtelijke bepalingen inzake belastingen aanzienlijk gunstiger zijn dan in België;
door holdings- of financieringsvennootschappen die in het land waarin zij gevestigd zijn aan een belastingstelsel zijn onderworpen dat afwijkt van het gemeen recht;
door beleggingsvennootschappen;
door buitenlandse tussenvennootschappen in zover zij inkomsten uitkeren die zelf niet voldoen aan de voorwaarden van DBI-aftrek.
13. De voormelde voorwaarde is evenwel niet gesteld voor meerwaarden die voor 24.7.1991 zijn verwezenlijkt (zie art. 10, § 2, W 23.10.1991).

D. Vroegere waardeverminderingen

14. De vrijstelling is slechts van toepassing in de mate dat het bedrag van de meerwaarden meer bedraagt dan de vroeger op de verwezenlijkte aandelen of delen aangenomen waardeverminderingen, verminderd met het gedeelte ervan dat reeds werd herbelast.



15.Voorbeeld
Een vennootschap, die boekhoudt per kalenderjaar, verkreeg in 1985 aandelen voor een bedrag van 100.000 F. Tijdens de jaren 1986 tot 1989 boekte ze waardeverminderingen voor een totaal bedrag van 10.000 F die fiscaal werden aanvaard. Tijdens het jaar 1990 nam ze 5.000 F waardeverminderingen terug. Voor het jaar 1991 werd een - boekhoudkundig niet teruggenomen - vroegere waardevermindering van 2.000 F als reserve belast. In 1992 worden de aandelen verkocht voor 103.500 F.

Alhoewel een meerwaarde wordt geboekt van 8.500 F (103.500 F - 95.000 F) bedraagt de fiscale meerwaarde slechts 6.500 F (103.500 - 97.000 F; de reserve van 2.000 F wordt op 0 gebracht). Hiervan kan enkel een bedrag van 3.500 F [6.500 - (10.000 - 5.000 - 2.000)] op grond van art. 105bis, WIB, worden vrijgesteld.

E. Vrijstellingswijze

16. De vrijstelling van de meerwaarden op aandelen of delen wordt bewerkstelligd door tot beloop van het vrijgesteld bedrag de begintoestand van de reserves te verhogen.

F. Inwerkingtreding

17. Art. 105bis, WIB, is van toepassing met ingang van het aj. 1992 (art. 9, § 1, W 23.10.1991).

Elke wijziging die vanaf 24.7.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is evenwel zonder uitwerking voor de toepassing van voormelde bepaling (art. 9, § 8, W 23.10.1991).



V.WAARDEVERMINDERINGEN EN MINDERWAARDEN
A. Algemeen

18. Op grond van art. 109, 3°, WIB, zijn niet meer als beroepskosten aftrekbaar :

  • eensdeels de waardeverminderingen die op aandelen of delen worden geboekt
  • en anderdeels de minderwaarden (verliezen) die bij de verwezenlijking van aandelen of delen worden geleden.


Deze niet-aftrekbare bedragen moeten onder de "verworpen uitgaven" worden opgenomen.



19.Anders dan wat voor de hiervoor besproken meerwaarden het geval is :
  • slaan de bepalingen van art. 109, 3°, WIB, dus zowel op de uitgedrukte (niet verwezenlijkte) waardeverminderingen als op de verwezenlijkte minderwaarden;
  • is het zonder belang of de (eventuele) inkomsten van de aandelen of delen als DBI aftrekbaar zijn.


20. Wat de waardeverminderingen betreft mogen de bepalingen van art. 109, 3°, WIB, in principe enkel worden toegepast ingeval van werkelijke ontwaarding van de aandelen of delen (t.t.z. in de gevallen waarin die waardeverminderingen voorheen als beroepskost aftrekbaar waren), terwijl, in het tegenovergestelde geval, de waardeverminderingen bij voortduur als reserve zouden moeten worden belast (zie PV nr. 272 van 23.10.1992, gesteld door de H. Volksv. Dupré, Bull. 725).

Te noteren evenwel dat dat onderscheid geen invloed heeft op het bedrag van de belastbare winst.

21. De bepalingen van art. 109, 3°, WIB, zijn niet van toepassing op de waardeverminderingen of minderwaarden op eigen aandelen of delen die een vennootschap heeft verkregen en waarop de bepalingen van art. 103, § 1 van hetzelfde Wetboek van toepassing zijn (zie PV nr. 138 van 18.9.1992, gesteld door de H. Sen. HATRY, Bull. 723).

22. Tenslotte zijn de bepalingen van art. 109, 3°, WIB, in voorkomend geval evenmin van toepassing op een gedeelte van de minderwaarden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het vermogen van de emitterende vennootschap.

Hierop wordt ingegaan in de navolgende rubriek C.

B. Vroegere waardeverminderingen

23. De geboekte waardeverminderingen kunnen in drie groepen worden gedeeld :

  • 1ste groep : die welke voorheen als beroepskosten werden aanvaard;
  • 2e groep : die welke als reserve werden belast;
  • 3e groep : die welke op grond van art. 109, 3°, WIB, als verworpen uitgave werden belast.




24.Wat de 1ste groep betreft moet als volgt worden gehandeld :
a) wanneer de waardeverminderingen worden teruggenomen vormen ze een belastbaar inkomen (zie ook nr. 14 hiervoor);

b) wanneer ze niet worden teruggenomen alhoewel ze overbodig zijn geworden, moeten ze als reserve worden belast (en komen ze in de 2e groep terecht).



25.Voor de 2e groep moet het volgende onderscheid worden gemaakt:
a) wanneer de reserve moet worden tenietgedaan omdat de waardeverminderingen thans kunnen geacht worden met werkelijke ontwaardingen overeen te stemmen, moeten de waardeverminderingen op grond van art. 109, 3°, WIB, als verworpen uitgave worden belast (en komen ze dus in de 3e groep terecht);

b) wanneer de reserve moet worden tenietgedaan omdat de waardeverminderingen worden teruggenomen, is er compensatie tussen de verdwenen reserve en de geboekte opbrengst.

26. De in de 3e groep bedoelde waardeverminderingen, die op grond van het nieuwe art. 109, 3°, WIB, als verworpen uitgave zijn belast zouden, strikt genomen, bij hun latere terugneming een tweede maal in de belastbare grondslag moeten worden opgenomen.

Om die dubbele aanslag te vermijden moet het bedrag van de teruggenomen waardeverminderingen, zoals de in de rubriek IV hiervoor bedoelde meerwaarden, aan de begintoestand van de reserves worden toegevoegd (zie nr. 16).

27. Voor de toepassing van de bovenstaande regels moeten de in verband met bepaalde aandelen of delen teruggenomen waardeverminderingen geacht worden bij voorrang van de laatst op die aandelen of delen geboekte waardeverminderingen voort te komen.

C. Verdeling van vermogen

28. Krachtens art. 109, 3°, WIB, blijven de minderwaarden op aandelen of delen die worden geleden naar aanleiding van de gehele verdeling van het maatschappelijk vermogen van de emitterende vennootschap tot ten hoogste het verlies aan werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal (niet gerevaloriseerd) dat door die aandelen of delen wordt vertegenwoordigd, toch als beroepskost aftrekbaar.

Dienaangaande vermelden de parlementaire stukken voorafgaand aan de W 23.10.1991 het volgende:

"De niet-aftrekbaarheid van minderwaarden is evenwel niet van toepassing wanneer op het tijdstip van de vereffening van de vennootschap blijkt dat de in het bezit zijnde aandelen of delen een lagere nettowaarde hebben dan het werkelijk gestort kapitaal. In dit geval lijden de aandeelhouders van de ontbonden vennootschap een verlies aan kapitaal en dat verlies blijft in die mate aftrekbaar.

Rekening houdend met het feit dat deze bepaling ook van toepassing is op buitenlandse dochterondernemingen van Belgische vennootschappen die niet noodzakelijk eenzelfde juridisch stelsel van vereffening kennen, dient en volstaat het ten aanzien van deze ondernemingen het definitief karakter van de stopzetting van de werkzaamheid door verdeling van het actief en het bedrag van het netto maatschappelijk vermogen vast te stellen." (Kamer, gewone zitting 1991-1992, stuk 1784/1 - blz. 8).

"De Minister legt vooral de nadruk op de in de bepaling gebruikte term "werkelijk gestort maatschappelijk kapitaal", die afwijkt van de traditionele bewoordingen van het vennootschapsrecht. Het zal fiscaal wel degelijk gaan om het kapitaal dat werkelijk ter beschikking van de dochteronderneming werd gesteld en dat werkelijk te harer beschikking is en blijft. Zo ook, en nog steeds om misbruiken te voorkomen, zullen alleen de verliezen in aanmerking worden genomen die bij volledige verdeling zijn vastgesteld en niet bijvoorbeeld ter gelegenheid van een overname van effecten of van een herstructurering." (Kamer, gewone zitting 1991-1992, stuk 1784/3, blz. 18).



29.Voorbeeld
Een vennootschap A kocht aandelen van een vennootschap B voor een bedrag van 1.200.000 F. Het gestorte kapitaal dat door de aandelen wordt vertegenwoordigd bedraagt 1.000.000 F. De aandelen blijven voor hun aankoopprijs op de balans behouden.

Vennootschap B wordt ontbonden en vennootschap A ontvangt bij de verdeling van het vermogen van B een bedrag 900.000 F.

Het verlies van 300.000 F (1.200.000 F - 900.000 F) mag ten belope van 100.000 F (1.000.000 F - 900.000 F) als beroepskosten worden aanvaard, zodat enkel een bedrag van 200.000 F in de verworpen uitgaven moet worden opgenomen.

30. Het kan voorkomen dat vennootschappen overeenkomstig de boekhoudwet verantwoorde maar als verworpen uitgaven belaste waardeverminderingen hebben geboekt die de restwaarde van de aandelen of delen waarop ze betrekking hebben, hebben herleid tot een bedrag dat lager is dan het gestorte kapitaal dat die aandelen of delen vertegenwoordigen. Bij verdeling van het vermogen van de emitterende vennootschap zal in dat geval het verlies aan gestort kapitaal niet meer in het globale resultaat tot uiting komen in de mate van de ermee overeenstemmende vroegere waardeverminderingen.

Ten einde de wil van de Wetgever te eerbiedigen en de vennootschappen niet te bestraffen die de boekhoudwet strikt naleven, moeten in die gevallen de vroegere waardeverminderingen, in de mate dat ze met een verlies aan gestort kapitaal overeenstemmen, bij de eindverdeling van de emitterende vennootschap aan de begintoestand van de reserves worden toegevoegd (vergelijk met nr. 26 en zie PV nr. 332 van 26.3.1993, gesteld door de H. Sen. de SENY, Bull. 729).



31.Voorbeeld
Een vennootschap A richt in het jaar n een 100 %-dochteronderneming B op met een gestort kapitaal van 10.000.000 F. Tijdens de jaren n+1 tot n+3 boekt ze - boekhoudkundig verantwoorde maar als verworpen uitgaven belaste - waardeverminderingen voor een totaal bedrag van 3.000.000 F. In het jaar n+4 wordt B ontbonden en recupereert A uiteindelijk slechts 6.000.000 F.

Alhoewel het boekhoudkundig resultaat van het boekjaar n+4 slechts met 1.000.000 F wordt verminderd (10.000.000 F - 3.000.000 F - 6.000.000 F), bedraagt het -als beroepskosten te aanvaarden - verlies van gestort kapitaal 4.000.000 F. Het verschil wordt rechtgezet door de begintoestand van de reserves met 3.000.000 F te verhogen.

D. Inwerkingtreding

32. Overeenkomstig art. 9, § 3, W 23.10.1991, zijn de bepalingen van art. 109, 3°, WIB, van toepassing op :

  • de waardeverminderingen die zijn uitgedrukt (geboekt) tijdens een belastbaar tijdperk verbonden aan een aj. dat betrekking heeft op een boekjaar dat ten vroegste op 24.7.1991 is afgesloten;
  • de vanaf 24.7.1991 verwezenlijkte minderwaarden.


Elke wijziging die vanaf 24.7.1991 aan de datum van afsluiting van de jaarrekening wordt aangebracht, is zonder uitwerking voor de toepassing van de hierboven vermelde bepalingen (zie art. 9, § 8, W 23.10.1991).

33. De waardeverminderingen op aandelen of delen moeten op het fiscale vlak in principe worden geacht te zijn geboekt op de afsluitingsdatum van het boekjaar.

Tijdens de parlementaire werkzaamheden voorafgaand aan de W 23.10.1991 is evenwel verklaard dat als beroepskosten aftrekbaar blijven de waardeverminderingen die financiële ondernemingen, die krachtens art. 12, KB nr. 185 van 9.7.1935 maandelijkse staten moeten voorleggen aan de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, hebben geboekt, in zover die waardeverminderingen aan de volgende strikt na te leven voorwaarden voldoen :

  • de waardeverminderingen moeten ten laatste in de staat van juni 1991 zijn opgenomen
  • en die staat moet voor 24.7.1991 ter kennis zijn gebracht van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen.


Eenzelfde regeling is mutatis mutandis van toepassing op belastingplichtigen die aan gelijkaardige prudentiële controles zijn onderworpen (zie Senaat, zitting 1991-1992, stuk 1454/2, blz. 21).

De vorenstaande afwijkende regeling mag slechts worden toegepast na voorlegging van een door het bevoegde controle-organisme opgesteld attest waaruit uitdrukkelijk blijkt dat aan die dubbele voorwaarde is voldaan.

34. De aandacht wordt erop gevestigd dat voor vennootschappen die niet per kalenderjaar boekhouden en waarvan de afsluitingsdatum van de balans na 23.7.1991 maar voor 31.12.1991 valt, de voormelde bepalingen reeds van toepassing kunnen zijn voor het aj. 1991.



VI.SPECIALE GEVALLEN
A. Inschrijvingsrechten

35. Onder inschrijvingsrecht (claimrecht) wordt verstaan, het recht - al dan niet belichaamd door een effect - om in te schrijven op nieuwe aandelen van een vennootschap onder de voorwaarden die voor de uitgifte van deze aandelen worden gesteld.

Wat de fiscale en de boekhoudkundige behandeling van die rechten betreft kan worden verwezen naar :

  • Com.IB 21/44
  • het advies nr. 139/1 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (Bull. CBN nr. 13).


Voor het overige wordt erop gewezen dat :

  • de hiervoor besproken bepalingen van de art. 195bis en 109, 3°, WIB, geen toepassing vinden op de meerwaarden of minderwaarden die worden verwezenlijkt bij verkoop van een inschrijvingsrecht;
  • de waarde van het inschrijvingsrecht, bij uitoefening ervan, een integraal deel uitmaakt van de aanschaffingswaarde van de nieuwe aandelen, zodat het mede in aanmerking zal komen bij de latere berekening van de waardeverminderingen, minderwaarden of meerwaarden op die nieuwe aandelen (waarop de nieuwe bepalingen alsdan wel toepassing kunnen vinden).


B. Warrants

36. Enigszins vergelijkbaar met het inschrijvingsrecht is de warrant die aan zijn houder het recht verleent om, meestal gedurende een lange periode, in te schrijven op aandelen tegen een van bij aanvang vastgestelde prijs.

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen heeft verschillende adviezen uitgebracht over hoe warrants moeten worden geboekt en hoe hun aanschaffingswaarde moet worden vastgesteld (zie de adviezen nr. 139/4 Bull. CBN nr. 22, nrs. 139/5 en 139/6, Bull. CBN nr. 25).

Op fiscaal gebied zijn de hiervoor in verband met de inschrijvingsrechten vermelde principes mutatis mutandis van toepassing.

C. Converteerbare obligaties

37. Een converteerbare obligatie is een obligatie die, onder bepaalde voorwaarden en gedurende een bepaalde periode, de conversieperiode, kan worden omgezet in aandelen.

Op het fiscale vlak worden converteerbare obligaties naar aanleiding van hun conversie in aandelen geacht te zijn "verwezenlijkt". De bij de conversie verwezenlijkte meerwaarden of minderwaarden moeten worden bepaald met inachtname van de werkelijke waarde (marktwaarde) van de in ruil verkregen aandelen (zie Com.IB 21/50.1 en 34/58.1).

De bepalingen van de art. 105bis en 109, 3°, WIB, zijn evenmin van toepassing op de meerwaarden (of minderwaarden) die worden vastgesteld ter gelegenheid van de conversie van obligaties in aandelen.

Bij de latere realisatie van aandelen voortkomend van de conversie van converteerbare obligaties moet, voor de vaststelling van de meerwaarden, minderwaarden of waardeverminderingen, worden uitgegaan van de aanschaffingswaarde van de in ruil verkregen aandelen, zijnde, de werkelijke waarde (marktwaarde) van de aandelen bij de conversie van de obligaties.

D. Aandelenopties

38. Een optiecontract is een overeenkomst waarbij een partij (de optieschrijver) zich ertoe verbindt, in voorkomend geval tegen onmiddellijke betaling van een prijs (de optiepremie) door de optiehouder, een goed (onderliggend actief) te kopen (aankoopverbintenis) van of te verkopen (verkoopverbintenis) aan de optiehouder, als deze laatste hiertoe beslist, tegen een vooraf bepaalde of bepaalbare prijs (de uitoefenprijs), op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode.

Wanneer de optieschrijver een verkoopverbintenis aangaat, ontstaat er voor de optiehouder een aankoopoptie (call-optie).

Wanneer de optieschrijver een aankoopverbintenis aangaat, ontstaat er voor de optiehouder een verkoopoptie (put-optie).

De koper van een aankoopoptie (call) op aandelen of delen verwerft, tegen onmiddellijke betaling van een premie, het recht maar niet de verplichting om, op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode, een vastgestelde hoeveelheid aandelen of delen te kopen tegen een afgesproken prijs.

De koper van een verkoopoptie (put) op aandelen of delen verwerft, tegen onmiddellijke betaling van een premie, het recht maar niet de verplichting om, op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode; een vastgestelde hoeveelheid aandelen of delen te verkopen tegen een afgesproken prijs.

39. Er is gebleken dat, duidelijk ingevolge de invoering van art. 105bis, WIB, bepaalde mechanismen werden opgezet met uitsluitend fiscale bedoelingen en die meestal beogen het resultaat van een geheel van verrichtingen uit te splitsen in eensdeels een aftrekbare beroepskost en anderdeels een vrijstelbare meerwaarde op aandelen of delen.

Enkele van die mechanismen worden hierna aan de hand van voorbeelden geïllustreerd, waarbij onmiddellijk moet worden vermeld dat in de praktijk andere en complexere constructies kunnen voorkomen (b.v. combinaties van een reeks opeenvolgende verrichtingen op een zelfde onderliggende waarde), doch die evenwel steeds hetzelfde doel nastreven.



40.Voorbeeld 1

Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt bezit 100 aandelen Y
verworven tegen 2.280 F per stuk of 228.000 F. In december 1991 koopt de vennootschap een put-optie op 100 aandelen Y met de volgende kenmerken :

  • optiepremie : 9.500 F
  • vervalmaand : januari 1993
  • uitoefenprijs : 2.660 F per effect of 266.000 F


(eenvoudigheidshalve worden de transactiekosten buiten beschouwing gelaten).

Het resultaat van de verrichting wordt door de vennootschap als volgt uitgesplitst :

  • de betaalde optiepremie (9.500 F) wordt in het boekjaar 1991 (aj. 1992) in kosten geboekt;
  • in het boekjaar 1992 (aj. 1993) wordt de put-optie uitgeoefend met het volgende resultaat :


- verkoopprijs aandelen Y : 2.660 F x 100 = 266.000 F - aanschaffingswaarde : -228.000 F - verschil : 38.000 F Het resultaat van de verrichtingen, zijnde 266.000 F - (228.000 F + 9.500 F) of 28.500 F wordt bijgevolg door de vennootschap uitgesplitst in : - een aftrekbare beroepskost van -9.500 F - een vrijstelbare meerwaarde van 38.000 F Alhoewel het globale resultaat van de verrichting (38.000 F - 9.500 F of 28.500 F) ongunstiger is dan het resultaat dat ze had kunnen bekomen door de aandelen gewoon te verkopen (tegen b.v. 260.000 F) rekent ze erop het verschil meer dan te compenseren door een belastingbesparing op de geboekte kosten.



41.Voorbeeld 2

Een vennootschap die per kalenderjaar boekhoudt koopt in de loop
van 1992 een call- en een put-optie met de zelfde onderliggende waarde (100 aandelen) en looptijd (een zelfde vervaldag in 1993), maar met een verschillende uitoefenprijs :

  • call-optie :
  • optiepremie : 17.000 F
  • vervalmaand : januari 1993
  • uitoefenprijs : 2.470 F per effect of 247.000 F
  • put-optie :
  • optiepremie : 9.500 F
  • vervalmaand : januari 1993
  • uitoefenprijs : 2.660 F per effect of 266.000 F


(eenvoudigheidshalve worden de transactiekosten buiten beschouwing gelaten).

Het resultaat van die verrichtingen wordt door de vennootschap uitgesplitst in :

  • een kost (call- en put-premies) van 17.000 F + 9.500 F of 26.500 F
  • een meerwaarde van 266.000 F - 247.000 F of 19.000 F


Alhoewel de verrichtingen in eerste instantie een globaal verlies opleveren van 26.500 F - 19.000 F of 7.500 F, worden ze, door de uitgespaarde Ven.B, winstgevend wanneer de meerwaarde wordt vrijgesteld en de geboekte kost als beroepskost wordt aanvaard.

42. Zoals gezegd kunnen in de praktijk andere, meer ingewikkelde constructies voorkomen. Uiteraard zullen ze ook op belangrijke bedragen dan in de voorbeelden betrekking hebben.

Tevens wordt opgemerkt dat er eveneens misbruiken zijn vastgesteld m.b.t. termijncontracten op aandelen die zuiver fiscaal geïnspireerd zijn. Zo worden o.m. constructies opgezet door een combinatie te maken van zowel een reeks van termijnverrichtingen als van aandelenopties (call- en put-opties) op dezelfde onderliggende aandelen, die meestal worden gefinancierd door een lening.

43. In haar Bulletins nrs. 28 en 29 heeft de Commissie voor Boekhoudkundige Normen twee uitgebreide adviezen gepubliceerd over de boekhoudkundige verwerking van, eensdeels aandelenopties als zodanig (advies nr. 167/1) en, anderdeels, dekkingsverrichtingen en gedekte posities in aandelen (advies nr. 167/2).

Ze heeft die adviezen zelf als volgt samengevat :

Advies nr. 167/1 (aandelenopties als zodanig)

"Behalve wanneer het gaat om gedekte verrichtingen of dekkingsverrichtingen, of wanneer het gaat om opties die deel uitmaken van een reeks verrichtingen in tegengestelde zin op dezelfde onderliggende activa, worden aandelenopties boekhoudkundig als volgt verwerkt :

§ 1. a) De gekochte call-opties worden tegen aanschaffingswaarde in de boekhouding opgenomen in de post "Geldbeleggingen". Op deze aanschaffingswaarde worden zo nodig waardeverminderingen toegepast om de netto boekwaarde van de gekochte opties terug te brengen tot de realisatiewaarde (marktkoers) of om rekening te houden met de evolutie van de realisatie- of marktwaarde of met de risico's die inherent zijn aan de aard van de betrokken activa (KB 8.10.76, artikel 31, tweede en derde lid). Deze waardeverminderingen worden teruggenomen wanneer zij niet langer verantwoord zijn door de minderwaarden en risico's waarvoor zij werden geboekt.

b) Indien de opties voor vervaldatum worden verkocht, worden de meer- en minderwaarden, na tegenboeking van eventueel geboekte waardeverminderingen, onder de financiële resultaten opgenomen.

c) Bij niet-uitoefening van de optie op de vervaldag, wordt haar boekwaarde ten laste genomen als waardevermindering (op vlottende activa).



d)Bij uitoefening :
  • van een call-optie,
    wordt de betaalde prijs voor de optie bij de uitoefenprijs gevoegd om de aanschaffingswaarde van de betrokken effecten te bepalen;
  • van een put-optie,
    verdwijnen zowel de optie als de gekochte effecten tegen netto-boekwaarde uit het vermogen en ontstaat ten opzichte van de uitoefenprijs een meerwaarde of een minderwaarde.


§ 2. a) Geschreven call- en put-optie worden tot hun vervaldag tegen uitoefenprijs geboekt in de rekeningen "niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen".

b) Wat betreft de premie die wordt ontvangen als tegenprestatie voor het schrijven van de optie en de verwerking van het risico dat is verbonden aan de geschreven optie, zijn er twee mogelijke benaderingswijzen:

  • eerste benaderingswijze :
    De ontvangen premie wordt onmiddellijk in resultaat genomen. Voor het gelopen risico wordt op balansdatum van het boekjaar of op elke tussentijdse balansdatum een voorziening gevormd ten laste van de financiële resultaten. Dit risico wordt geraamd op grond van de beurskoers van de optie. Vervolgens wordt deze voorziening periodiek aangepast via dezelfde rekeningen financiële resultaten zodat het bedrag van de voorziening gelijke tred houdt met de beurskoers van de geschreven optie.
  • tweede benaderingswijze :
    De ontvangen premie wordt beschouwd als een uitgestelde opbrengst - tot de vervaldag van de optie - en wordt bijgevolg geboekt als "over te dragen opbrengst". Vervolgens is het aangewezen om, in een zelfde rekening de netto bedragen (na aftrek van de terugnemingen) te boeken die aan de resultatenrekening worden onttrokken om de risico's van grotere verliezen dan de ontvangen premie op te vangen.




c)Op de vervaldag, ongeacht of de optie wordt uitgeoefend of niet :
  • worden de gevormde voorzieningen teruggenomen;
  • wordt, in de tweede benaderingswijze, de ontvangen premie in resultaat opgenomen;
  • wordt de boeking in de rekeningen niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen tegengeboekt.




d)Als de optie wordt uitgeoefend :
  • call-optie: het verschil tussen de aanschaffingswaarde van de te leveren effecten en hun verkoopprijs bij uitoefening van de call is een financiële kost;
  • put-optie: op de verworven effecten moet een waardevermindering worden geboekt ten belope van het verschil tussen hun aanschaffingswaarde bij uitoefening van de geschreven optie en hun marktwaarde.


§ 3. Gezien de volatiliteit van de optiekoersen geldt het voorzichtigheidsbeginsel meer dan ooit. Dit is voornamelijk het geval bij een niet-liquide markt."

Advies nr. 167/2 (dekkingsverrichtingen en gedekte posities in aandelen)

"§ 1. Voor verschillende verrichtingen in tegengestelde zin op een zelfde aandeel gelden de volgende regels :

1° Als dekking bestemde verrichtingen

a)Wanneer verbonden verrichtingen voor de toekomst elk risico en elk voordeel verbonden aan de latere evolutie van de marktwaarde van het betrokken effect definitief opheffen, is het resultaat van de verbonden verrichtingen definitief verworven en wordt het in resultaat genomen vanaf het ogenblik dat de dekking is verworven.
b)Wanneer verbonden verrichtingen - en meer bepaald gekochte opties - de onderneming wapenen tegen de risico's van een ongunstige koersevolutie, waarbij zij evenwel geheel of gedeeltelijk de voordelen van een gunstige koersevolutie behoudt, worden:
  • bij dekking van vaste rechten en verplichtingen, contant of op termijn : de meer- en minderwaarden op de gedekte verrichtingen en op de dekkingsverrichting gecompenseerd ten belope van de schommelingen van de intrinsieke waarde van de optie sedert de datum waarop de dekking is ingetreden;
  • bij dekking van geschreven opties : de koersdalingen van hetzij de gedekte optie, hetzij de als dekking bestemde optie geneutraliseerd ten belope van de stijging van de marktwaarde van de andere optie sedert de datum waarop de dekking is ingetreden.


2° Diverse situaties en verrichtingen in tegengestelde zin, buiten de dekkingsverrichtingen waarvan sprake sub 1°

In dit geval rees de vraag of moet gesteld dat elk van deze verrichtingen tot een afzonderlijke situatie leidt en als een afzonderlijke verrichting moet worden verwerkt, dan wel of ervan moet worden uitgegaan dat al deze verrichtingen samen leiden tot een totaalpositie dan ook op dit geheel van toepassing zijn.

De Commissie meent dat, in een dergelijke situatie, bij de vaststelling van de waardeverminderingen en de te boeken dan wel terug te nemen voorzieningen, rekening moet worden gehouden met de minderwaarde en/of met het te proviseren verlies dat voortvloeit uit alle verrichtingen op een zelfde waarde.

§ 2. De Commissie heeft geen bezwaar dat dekkingsverrichtingen in ondernemingen waarvoor deze verrichtingen niet courant zijn en waarmee geen grote bedragen zijn gemoeid, om redenen van vereenvoudiging, op de in het 2° bedoelde wijze worden verwerkt.

§ 3. Het voorzichtigheidsbeginsel geldt meer dan ooit voor reeksen van verrichtingen in voornoemde zin - of voor bepaalde verrichtingen in het kader van dergelijke reeksen - die onderhands of op een niet-liquide markt worden afgesloten. In die gevallen moet er voor elke verrichting van worden uitgegaan dat zij een afzonderlijke positie doet ontstaan die dan ook afzonderlijk moet worden verwerkt volgens de ter zake algemeen aanvaarde regels."

44. Hoe dan ook, op het fiscale vlak hebben kosten slechts een beroepskarakter indien o.m. het bewijs wordt geleverd dat ze werden gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden (art. 44, WIB).

Welnu, aangezien de inkomstenbelasting geen aftrekbare beroepskosten zijn, heeft het feit van meer of minder inkomstenbelasting te betalen op zichzelf geen invloed op het bedrag van de belastbare inkomsten. Kosten die er uitsluitend op gericht zijn het bedrag van de verschuldigde inkomstenbelasting te drukken hebben dus evenmin een beroepskarakter.

Behalve indien de belastingplichtige het uitdrukkelijke bewijs zou leveren dat de kosten zijn gedaan om belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden - en meer bepaald dat de verrichtingen een positieve invloed hebben gehad op het fiscale resultaat - moet het totale bedrag dat in verband met de hiervoor besproken verrichtingen als kosten is geboekt (optiepremies, transactiekosten, commissielonen, financiële lasten, waardeverminderingen, voorzieningen, enz.) onder de verworpen uitgaven worden opgenomen.

Aangezien in de besproken gevallen duidelijk het opzet voorhanden is de belasting te ontduiken, moet een belastingverhoging van minstens 50 % worden toegepast (zie art. 238ter, KB/WIB).

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,


M. PORRE.