Aanschrijving nr. 10 dd. 12.08.1992

AANSCHRIJVING 92/010

Aanschrijving nr. 10 dd. 12.08.1992


Belasting over de toegevoegde waarde
Wet van 28 juli 1992


Bijlagen : 2

1. Het Belgisch Staatsblad van 28 juli 1992, nr. 148, blz. 17213, heeft de wet van 28 juli 1992 houdende fiscale en financiële bepalingen bekendgemaakt.

Een uittreksel uit deze wet (art. 55 tot 59 en art. 64, 1° en 2°) is bijgevoegd (z. bijlage 1).

Bijlage 2 bevat een uittreksel van de voorbereidende werkzaamheden.

2. De artikelen 29, 54, 2°, en 58 van het wetsontwerp houdende fiscale en financiële bepalingen regelden, wat betreft respectievelijk de inkomstenbelastingen (W.I.B., art. 267), de belasting over de toegevoegde waarde (W.B.T.W., art. 44, § 3, 2°) en de taks op de beursverrichtingen (W.Z.G.T., art. 126(1)), de verrichting waarbij een persoon effecten leent om de verkoop van effecten, die hij nog niet in portefeuille heeft, te kunnen honoreren en er zich toe verbindt bij het einde van de leenovereenkomst aan de lener effecten terug te geven die gelijkwaardig van aard en aantal zijn en hem een vergoeding te betalen (stocklending) (z. Advies van de Raad van State nr. 21.189/11 van 25 september 1991, Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/1, blz. 96 - art. 82 en 87; z. Advies van de Raad van State nr. 21.547/2 van 16 april 1992, Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/1, blz. 106, 110 en 111 - art. 29, 55 en 59; z. Memorie van Toelichting, Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/1, blz. 24 tot 27 en blz. 35 en 37).

Deze artikelen werden uit het wetsontwerp gehaald, t.g.v. de aanneming van een amendement ingediend door de regering (amendement nr. 84, Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/7, blz. 5). De regering had haar amendement als volgt verantwoord :

"Recente ontwikkelingen tonen evenwel aan dat de tekst van die artikelen niet geheel tegemoet komt aan de bezorgdheid ter zake in deze materie. Met de betrokken middens wordt trouwens overleg gepleegd dat moet toelaten, te gelegener tijd, meer aangepaste teksten neer te leggen.

Het blijkt dus aangewezen de voornoemde artikelen in te trekken."

3. De aanschrijving nr. 11/1992 geeft toelichting bij de nieuwe regeling die op het vlak van de belasting over de toegevoegde waarde van toepassing is op zelfstandige dierenartsen en op rechtspersonen handelend onder het toezicht en de verantwoordelijkheid van een dierenarts (z. wet van 28 juli 1992, art. 59, 1°, en 64, 1°).

Namens de Minister :

De Directeur-generaal,

F. QUAGHEBEUR

Bijlage 1

28 juli 1992. - Wet houdende fiscale en financiële bepalingen (1) (B.S. 31 juli 1992, nr. 148, blz. 17213) (uittreksel).

BOUDEWIJN, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet

De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt :

TITEL I

Fiscale bepalingen

HOOFDSTUK II

Indirecte fiscaliteit

Afdeling II

Belasting over de toegevoegde waarde

Onderafdeling 1

Bekrachtiging van koninklijke besluiten

Art. 55

Met gevolg vanaf de dag van hun inwerkingtreding zijn bekrachtigd :

1° het koninklijk besluit van 20 december 1989 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (2);

2° het koninklijk besluit van 25 april 1990 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (3);

3° het koninklijk besluit van 17 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op luxeprodukten (4);

4° het koninklijk besluit van 28 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven (5).

Onderafdeling 2

Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

Art. 56

In artikel 24, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1986 en 22 december 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) de woorden ", entrepot of tijdelijke opslag" worden vervangen door de woorden "of entrepot";

b) de woorden "in voorlopige opslag" worden vervangen door de woorden "in tijdelijke opslag".

Art. 57

In artikel 39, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 1977, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in 1 ° worden de woorden "of tijdelijke opslag geldt, alsmede de overdracht van goederen met handhaving van een van die regelingen" vervangen door de woorden "geldt, alsmede de overdracht van goederen met handhaving van die regeling"; Rb) in 2° worden de woorden "of tijdelijke opslag" geschrapt;
c) in 3° worden de woorden "of tijdelijke opslag" geschrapt.

Art. 58

In artikel 40, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 1977, worden de woorden ", entrepot of tijdelijke opslag" vervangen door de woorden "of entrepot".

Art. 59

In artikel 44 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° paragraaf 1, 3°, wordt opgeheven;

2° in § 3, 4°, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1990, worden de woorden "de wet van 27 maart 1957 betreffende de gemeenschappelijke beleggingsfondsen en tot wijziging van het Wetboek der zegelrechten en het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen" vervangen door de woorden "boek III van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten".

...

Afdeling V

In werkingtreding art. 64

1° De artikelen 56 tot 58 en 59, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1992.

Artikel 59, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991.

Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.

Gegeven te Motril, 28 juli 1992.

BOUDEWIJN

Van Koningswege :

(volgen de handtekeningen van de Ministers)

NOTEN

(1) Buitengewone zitting 1991-1992 :
Kamer van volksvertegenwoordigers :
Parlementaire bescheiden - Ontwerp van wet, nr. 444/1. Amendementen, nrs. 444/2 tot 444/8. - Verslag commissie voor de financiën, nr. 444/9. - Tekst aangenomen door de commissie voor de financiën, nr. 444/10. Amendementen, nrs. 444/11 en 444/12. - Artikelen gewijzigd in plenaire vergadering, nr. 444/13.
Parlementaire handelingen. - Bespreking. Vergaderingen van 29 en 30 juni 1992. - Aanneming. Vergadering van 1 juli 1992.
Senaat :
Parlementaire bescheiden. - Ontwerp overgezonden door de Kamer van volksvertegenwoordigers, nr. 425/1, - Verslag commissie voor de financiën. nr. 425/2. - Verslag commissie voor economie. nr. 425/3. - Verslag commissie voor de landbouw en de middenstand. nr. 425/4. - Verslag commissie voor justitie, nr. 425/5. - Amendementen. nr. 425/6.
Parlementaire handelingen. - Bespreking. Vergadering van 14 juli 1992. Aanneming. Vergadering van 16 juli 1992.
(2) B.S. 30.12.1989, nr. 249, bk. 21546.
(3) B.S. 28.4.1990. nr. 83, bk. 8302.
(4) B.S. 19.3.1992. nr. 56. bk. 5811.
(5) B.S. 31.3.1992, nr.64, tweede uitgave, blz. 7168.

Bijlage 2 Voorbereidende werkzaamheden (uittreksels)

I. Kamer van Volksvertegenwoordigers

1. Wetsontwerp.

Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. blz. 115-150) (1).

...

TITEL I

Fiscale bepalingen

HOOFDSTUK I

Directe fiscaliteit

Afdeling I

Wetboek van de inkomstenbelastingen

Art. 29

In artikel 267 van hetzelfde Wetboek, wordt tussen het vierde en het vijfde lid het volgende lid ingevoegd :

"De lening en de cessie-retrocessie van aandelen aan toonder van andere vennootschappen dan buitenlandse vennootschappen, worden geacht geen eigendomsoverdracht tot gevolg te hebben in zover zij op geen enkel ogenblik betrekking hebben op een effect waaraan een betaalbaar gestelde coupon is gehecht".

...

HOOFDSTUK II

Indirecte fiscaliteit

Afdeling II

Belasting over de toegevoegde waarde

Onderafdeling I

Bekrachtiging van koninklijke besluiten

Art. 50

Met gevolg vanaf de dag van hun inwerkingtreding zijn bekrachtigd :
1° het koninklijk besluit van 20 december 1989 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven; R2° het koninklijk besluit van 25 april 1990 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven;
3° het koninklijk besluit van 17 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven en het koninklijk besluit van 10 november 1980 tot invoering van een speciale taks op luxeprodukten;
4° het koninklijk besluit van 28 maart 1992 tot wijziging van het koninklijk besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven.

Onderafdeling 2

Wijzigingen aan het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde

Art. 51

In artikel 24, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wetten van 4 juli 1986 en 22 december 1989, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) de woorden ", entrepot of tijdelijke opslag" worden vervangen door de woorden "of entrepot";
b) de woorden "in voorlopige opslag" worden vervangen door de woorden "in tijdelijke opslag".

Art. 52

In artikel 39, § 2, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 1977, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
a) in 1 ° worden de woorden "of tijdelijke opslag geldt, alsmede de overdracht van goederen met handhaving van een van die regelingen" vervangen door de woorden "geldt, alsmede de overdracht van goederen met handhaving van die regeling";
b) in 2° worden de woorden "of tijdelijke opslag" geschrapt; Rc) in 3° worden de woorden "of tijdelijke opslag" geschrapt.

Art. 53

In artikel 40, § 1, 1°, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 27 december 1977, worden de woorden", entrepot of tijdelijke opslag" vervangen door de woorden "of entrepot".

Art. 54

In artikel 44 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1, 3°, wordt opgeheven;
2° in § 3, 2°, worden tussen de woorden "het delcredere" en "alsmede" de woorden "de lening en de cessie-retrocessie van effecten" ingevoegd;
3° in § 3, 4°, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1990, worden de woorden "de wet van 27 maart 1957 betreffende de gemeenschappelijke beleggingsfondsen en tot wijziging van het Wetboek der zegelrechten en het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen" vervangen door de woorden "boek III van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten".

Afdeling IV

Met het zegel gelijkgestelde taksen

Onderafdeling 1

Taks op de beursverrichtingen

Art. 58

Artikel 126(1) van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, gewijzigd bij de wet van 13 augustus 1947 en bij de wetten van 4 december 1990 en 2 januari 1991 wordt aangevuld als volgt :

"9° de effectenleningen".

...

Afdeling V

Inwerkingtreding

Art. 60

1° de artikelen 51 tot 53 en 54, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1992;

artikel 54, 3°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991.

3° ...

...

2. Advies nr. 21.547/2 gegeven op 16 april 1992 door de Raad van State.

(Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/1, blz.

101-114).

...

Art. 55 (2) (artikel 44 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde)

1. Het ontworpen 1 ° heft artikel 44, § 1, 3 °, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde op. Krachtens artikel 61, 1°, van het ontwerp van wet (3), zal die wijziging van het Wetboek uitwerking hebben met ingang van 1 januari 1992.

De gemachtigde ambtenaren, aan wie gevraagd was uit te leggen hoe een dergelijke terugwerking in de praktijk te begrijpen is ook al is ze opgelegd door de achttiende richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 1989 (4) - en hoe België zijn verplichting zou nakomen om bij te dragen aan de eigen inkomsten van de Gemeenschappen, hebben het volgende geantwoord :

"...

2. Immatriculation des intéressés

En l'absence du vote d'une loi transposant la disposition précitée dans le droit fiscal belge, I'immatriculation des médecins vétérinaires à la T.V.A. ne peut, en principe, encore avoir lieu.

Il est néanmoins entendu que, dans la pratique, il doit être procédé des à présent à l'immatriculation à la T.V.A. des médecins vétérinaires qui requièrent expressément cette immatriculation sur la base de la dix-huitième directive n° 89/465/CEE, précitée.

...

5. Calcul des ressources propres

Une compensation est d'ores et déjà appliquée en la matière, qui couvre la période d'exemption prolongée à défaut d'abrogation, en temps opportun, de l'article 44, § 1er, du Code de la T.V.A. " .

Aangezien volgens artikel 4 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde belastingplichtige is ieder wiens werkzaamheid erin bestaat leveringen van goederen of diensten te verrichten die in het Wetboek zijn omschreven, valt niet in te zien hoe, uit een rechtskundig oogpunt, de veeartsen met ingang van 1 januari 1992 niet B.T.W.-plichtig zouden zijn zoals de wet bepaalt, indien artikel 61, 1°, van het ontwerp niet wordt verbeterd : de daarin in uitzicht gestelde terugwerking moet worden vervangen door het beginsel van de onmiddellijke uitwerking van de nieuwe wet; door de uitgestelde "inschrijving" van de betrokkenen, waaraan het overheidsbestuur refereert, zou hun hoedanigheid van B.T.W.-plichtige immers niet in het ongewisse mogen blijven. De inwerkingtreding van de wijziging van het Wetboek na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, zal de rechten van de toekomstige B.T.W.-plichtigen veilig stellen, zonder de rechten te schaden welke sommige veeartsen zouden hebben ontleend aan de richtlijn.

...

3. Memorie van toelichting.

(Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/1, blz. 153).

...

Commentaar per artikel.

...

HOOFDSTUK II

Indirecte fiscaliteit

...

Afdeling II

Belasting over de toegevoegde waarde

3. Bekrachtiging van koninklijke besluiten inzake B.T.W.-tarieven.

Art. 50

Overeenkomstig artikel 37, § 2, van het B.T.W.-Wetboek mag de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de tarieven bepalen en de indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven indelen.

Bij een zelfde procedure kan Hij de indeling en de tarieven wijzigen wanneer de economische of sociale omstandigheden zulks vereisen.

Op grond hiervan werden recent vier koninklijke besluiten uitgevaardigd.

Krachtens § 3 van hetzelfde artikel moeten die besluiten ter bekrachtiging aan de wetgevende Kamers worden voorgelegd.

Artikel 50 beoogt die bekrachtiging.

4. Aanpassing van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde aan de Europese Verordeningen inzake douaneregelingen.

Art. 51 tot 53 en 60, 1°

Met de voorgestelde wijzigingen wordt gevolg gegeven aan de Verordening nr. 2503/88 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 25 juli 1988 betreffende de douane-entrepots en aan de Verordening nr. 4151/88 van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 december 1988 tot vast.stelling van de bepalingen die van toepassing zijn op goederen die het douanegebied van de Gemeenschap worden binnengebracht.

Door deze verordening wordt de douaneregeling inzake tijdelijke opslag bedoeld in de artikelen 24, § 2, 39, § 2, 1°, 2° en 3°, en 40, § 1, 1°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, voortaan een douaneregeling inzake entrepot.

Bovendien wordt de regeling inzake voorlopige opslag onder dewelke de ingevoerde goederen kunnen worden geplaatst in afwachting dat ze een douanebestemming krijgen en waarvan eveneens sprake is in artikel 24, § 2, van het genoemde Wetboek, voortaan de regeling inzake tijdelijke opslag genoemd.

Aangezien de verordeningen in werking treden op 1 januari 1992 dienen de wijzigingen aan de nationale wetgeving vanaf deze datum uitwerking te hebben.

5. Onderwerpen van de dierenartsen aan de belasting over de toegevoegde waarde.

Art. 54, 1°, en 60, 1°

Artikel 13 van de zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag (5), somt de vrijstellingen op van de B.T.W. op de binnenlandse markt.

Dit artikel voorziet niet in een vrijstelling voor de diensten verstrekt door dierenartsen. Dit betekent dat deze diensten in principe aan de B.T.W. zouden moeten worden onderworpen.

Nochtans biedt artikel 28, lid 3, b, van de bovengenoemde richtlijn de Lid-Staten de mogelijkheid om, gedurende een overgangsperiode, vrijstelling te blijven verlenen voor bepaalde handelingen, opgenomen in bijlage F van dezelfde richtlijn, onder de in die Lid-Staat geldende bepalingen.

In die bijlage F staan onder punt 9 vermeld de diensten van de dierenartsen in verband met de verzorging van dieren.

België heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en tot op heden zijn op basis van artikel 44, 1, 3°, van het B.T.W.-Wetboek, de diensten van veeartsen, verricht in de uitoefening van hun geregelde werkzaamheid, van de belasting vrijgesteld.

Bovendien, ingevolge artikel 5 van hetzelfde wetboek, heeft hij die handelingen verricht die vrijgesteld zijn door artikel 44 niet de hoedanigheid van belastingplichtige, wat in principe de niet-belastingplicht met zich meebrengt van een veearts voor de handelingen die hij verricht in de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid.

Door artikel 1, lid 2, c, van de achttiende richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juli 1989 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting - intrekking van een aantal afwijkingen bedoeld in artikel 28, lid 3 van de zesde richtlijn (6), wordt, vanaf 1 januari 1992, punt 9 van bijlage F van de zesde richtlijn geschrapt, wat betekent dat vanaf deze datum de dierenartsen B.T.W.-belastingplichtigen zijn en dat de door hen gestelde handelingen aan de belasting moeten worden onderworpen.

De wijziging van artikel 44 van het B.T.W.-Wetboek die U wordt voorgelegd, brengt de Belgische wetgeving in overeenstemming met de bovengenoemde achttiende richtlijn.

Art. 54, 1°

Om de voorgestelde wijziging mogelijk te maken volstaat het om in § 1 van artikel 44 van het B.T.W.-Wetboek het 3° op te heffen.

Art. 60, 1°

Ingevolge de bepalingen van de achttiende B.T.W.-Richtlijn dient de wijziging in werking te treden vanaf 1 januari 1992.

Wat betreft inwerkingtreding van de bepaling, verwijdert de voorgestelde oplossing zich zonder twijfel van het advies van de Raad van State. Deze oplossing komt echter tegemoet aan het materieel recht.

Ze ontzenuwt niet het principe van de B.T.W.-belastingplicht van de dierenartsen, noch hun recht om, vanaf heden, hun inschrijving voor deze belasting te vragen. Bovendien is ze in overeenstemming met de communautaire oplossingen die bekomen werden voor de berekening van de eigen middelen.

...

7. Gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

Art. 54, 3°, en 60, 2°

De wijziging van artikel 44, § 3, 4°, van het B.T.W.-Wetboek houdt rekening met de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten die, enerzijds, de wet van 27 maart 1957 heeft opgeheven waarnaar momenteel wordt verwezen in het genoemde artikel 44 en die, anderzijds, in zijn boek III de problemen regelt betreffende de gemeenschappelijke beleggingsfondsen.

...

5. Verslag namens de Commissie voor de Financiën uitgebracht door de heer Poncelet.

(Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nr. 444/9).

...

IV.- Artikelsgewijze bespreking.

Artikel 54, 1° (zie ook artikel 60, 1°)

Onderwerpen van de dierenartsen aan de belasting over de toegevoegde waarde

Met betrekking tot artikel 54, 1°, waardoor de dierenartsen vanaf 1 januari 1992 B.T.W.-belastingplichtig worden, wenst een lid volgende vragen te stellen.

1° Zal de terugwerkende kracht van die maatregel geen problemen creëren ? In welke oplossing wordt voorzien voor de door de veeartsen sedert 1 januari 1992 verrichte diensten ?

2° In hoeverre zullen de diensten welke door dierenartsen verricht worden in het kader van de veeteelt aan een verlaagd tarief van 6 % kunnen worden onderworpen ?

3° Ongeveer 30 % van de landbouwers zijn niet B.T.W.-plichtig. Dit betekent dat zij als eindverbruiker de B.T.W. niet kunnen aftrekken en aldus verlies zullen lijden. Wordt er overwogen om in de toekomst deze categorie landbouwers aan de B.T.W.-plicht te onderwerpen ?

4° Op de geneesmiddelen die door dierenartsen worden geleverd ter gelegenheid van de behandeling en chirurgische ingrepen, wordt onder de huidige regeling reeds B.T.W. betaald.

In landbouwkringen bestaat nu echter de vrees dat de dierenartsen, als de nieuwe regeling eenmaal van kracht wordt, B.T.W. zullen aanrekenen op de volledige honoraria (levering van geneesmiddelen en verrichte diensten).

Zij vragen zich af op welke wijze de regering erop zal toezien dat de dierenarts enkel B.T.W. zal aanrekenen op het bedrag overeenstemmend met de prijs van de prestatie.

Zal de dierenarts het bedrag van zijn honorarium moeten uitsplitsen in, enerzijds, de prijs van de zorgverstrekking en, anderzijds, de prijs van de geneesmiddelen ?

5° Op welke wijze zal de B.T.W.-controle gebeuren en zullen de dierenartsen verplicht worden facturen op te maken ?

De Minister herinnert eraan dat in tegenstelling tot de andere Lid-Staten van de Europese Gemeenschap, België nog een vrijstelling van de B.T.W. genoot voor de diensten verstrekt door de dierenartsen.

De achttiende EG-richtlijn van de Raad van 18 juli 1989 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lid-Staten inzake omzetbelasting Intrekking van een aantal afwijkingen bedoeld in artikel 28, lid 3, van de 6e richtlijn 77/388/EEG (89/465/EEG) (7), staat deze vrijstelling niet meer toe vanaf 1 januari 1992.

Dat derhalve als datum van inwerkingtreding 1 januari 1992 in aanmerking wordt genomen, betekent volgens de Minister niet dat betaling zal gevorderd worden van de B.T.W. op de sedert die datum door de dierenartsen verstrekte diensten. Als een dierenarts vraagt om vanaf 1 januari 1992 aan de B.T.W.-regeling te worden onderworpen, zal hem dat worden toegestaan.

Maar in de andere gevallen zal de nieuwe regeling maar effectief van kracht worden na de goedkeuring van onderhavig wetsontwerp.

De Minister legt vervolgens uit dat voor de aan landbouwers geleverde diensten het verlaagd tarief van 6 % zal gelden.

Welk tarief op de andere prestaties van toepassing zal zijn, kan hij nog niet meedelen. Dat zal in principe het tarief van 19,5 % zijn ofwel gedurende de overgangsperiode tot 31 december 1996 het verlaagd tarief van 12 % indien de Europese Raad akkoord gaat met het Belgische voorstel hieromtrent.

De Minister voegt daar nog aan toe dat de dierenartsen er inderdaad rekening moeten mee houden dat de stijging van hun honoraria enkel het gevolg mag zijn van de B.T.W.-heffing op de prijs van de eigenlijke zorgverstrekking. Hij zal de Minister van Economische Zaken vragen hierop nauwgezet toe te zien.

Op de vraag of de dierenarts het bedrag van zijn honorarium niet zal moeten uitsplitsen, antwoordt hij dat hierover met de betrokken beroepsgroep werd onderhandeld. Ter zake werd nog geen beslissing genomen.

Een lid vraagt of de niet-B.T.W.-plichtige landbouwers - die de B.T.W. dus niet kunnen recupereren - de op het honorarium gefactureerde B.T.W. als beroepskosten zullen kunnen aftrekken.

De Minister licht toe dat deze categorie belastingplichtigen forfaitair worden belast. Hierover wordt jaarlijks met de betrokken beroepsorganisaties onderhandeld. De wijzigingen van de diverse B.T.W.-tarieven zullen wellicht elkaar compenseren aangezien er naast prijsverhogingen ook prijsdalingen mogen worden verwacht ingevolge de verlaging van de tarieven voor onder meer kalkmest, fytofarmaceutische produkten en banden voor tractoren.

Hetzelfde lid wenst ook te vernemen of het verlaagde tarief van 6 % zal gelden voor al de aan de landbouwers geleverde diensten.

Zullen dus ook de prestaties met betrekking tot de kleinere huisdieren aan dat tarief onderworpen worden ?

De Minister is van oordeel dat er in de praktijk geen onderscheid zal gemaakt worden. Voor alle diensten aan landbouwers zal aldus het tarief van 6 % van toepassing zijn.

...

Artikel 60

Inwerkingtreding

De heren Michel en de Clippele dienen een amendement nr. 63 (Stuk nr. 444/5, blz. 20) (8) in ertoe strekkende om de door de dierenartsen gestelde handelingen pas met ingang van 1 juli 1992 aan de B.T.W. te onderwerpen.

De indieners verstrekken volgende toelichting :

Aangezien artikel 44 van het B.T.W.-Wetboek niet tegen 1 januari 1992 was gewijzigd, waren de dierenartsen niet verplicht tegen die datum een B.T.W.-nummer te nemen.

Gelet op de gigantische problemen die gepaard gaan met de terugwerking van artikel 60, 1°, heeft de B.T.W.-administratie in overleg met de Belgische Syndicale Dierenartsenvereniging een definitieve circulaire opgesteld, die in punt 18 het volgende bepaalt :

"Aangezien de B.T.W. uiterlijk bij de levering of de voltooiing van het goed verschuldigd is en de gehele of gedeeltelijke betaling van de prijs van dat goed of die voltooiing geen invloed heeft op het verschuldigd zijn van die belasting, kan een dergelijke betaling die op een ogenblik waarop de dierenarts B.T.W. verschuldigd is zou plaatsvinden, maar betrekking zou hebben op een levering van goederen die is gedaan voor die B.T.W.-plichtigheid is ingegaan of op een dienstverstrekking die voordien haar beslag zou hebben gekregen, geen aanleiding geven tot betaling van de B.T.W." (9)

Wil die circulaire de wet niet schenden, wat nu het geval is gelet op de datum van toepassing van artikel 54, 1°, dan moet artikel 60, 1°, in de zin van dit amendement worden gewijzigd.

De Minister herhaalt dat om te kunnen beantwoorden aan de door de Europese Gemeenschap opgelegde verplichtingen de nieuwe regeling op 1 januari 1992 moet ingaan.

De B.T.W. zal uiteraard niet met terugwerkende kracht worden opgeëist.

...

6. Tekst aangenomen door de Commissie voor de Financiën.

(Parl. Besch., Kamer, B.Z. 1991-1992, nrs. 444/10 en 13).

Nota :
- de artikelen 50 tot 53 van het wetsontwerp (z. supra nr. 1) zijn respectievelijk de artikelen 55 tot 58 geworden (10);
- de artikelen 54 en 60, 1° en 2°, van het wetsontwerp (z. supra nr. 1) werden respectievelijk vervangen door de artikelen 59 en 64, 1° en 2° (8).

Art. 59

In artikel 44 van hetzelfde Wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1° paragraaf 1, 3°, wordt opgeheven;

2° in § 3, 4°, ingevoegd bij de wet van 20 juli 1990, worden de woorden "de wet van 27 maart 1957, betreffende de gemeenschappelijke beleggingsfondsen en tot wijziging van het Wetboek der zegelrechten en het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen" vervangen door de woorden "boek III van de wet van 4 december 1990 op de financiële transacties en de financiële markten".

Art. 64

1° de artikelen 56 tot 58 en 59, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1992;

artikel 59, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991.

3° ...

II. Senaat (11)

1. Verslag namens de Commissie voor de Financien uitgebracht door de heer Geens.

(Parl. Besch., Sen., B.Z. 1991-1992, nr. 425/2).

...

V. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING

...

HOOFDSTUK II ...

Afdeling V

Inwerkingtreding

Artikel 64

Een eerste amendement bij dit artikel luidt als volgt :

"Het 1° van dit artikel te vervangen als volgt :

"1° De artikelen 56 tot 58, alsmede artikel 59, 1° hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1992, uitgezonderd voor de dierenartsen die nog geen B.T.W. verschuldigd zijn en voor wie artikel 59, 1°, pas uitwerking heeft op 1 augustus 1992. " (12)".

...

Een lid merkt op dat de dierenartsen niet konden weten of met ingang van 1 januari 1992 B.T.W. verschuldigd was op de handelingen die zij verrichten.

De inwerkingtreding op 1 januari 1992 impliceert in beginsel dat de geneesheren-dierenartsen met terugwerkende kracht B.T.W. op hun prestaties toepassen. Zij kunnen echter onmogelijk die B.T.W. van hun klanten terugvorderen en moeten die zelf dragen. Dit is in strijd met de tekst van de wet. De wet moet in overeenstemming gebracht worden met de praktijk.

De administratieve problemen die uit deze terugwerking voortvloeien, lijken hem te belangrijk om bij circulaire geregeld te worden.

Bijgevolg moet de datum van inwerkingtreding zo dicht mogelijk liggen bij de datum waarop deze wet door het Parlement wordt goedgekeurd.

De Minister verklaart dat het vanzelf spreekt dat de B.T.W. niet met terugwerkende kracht wordt gevorderd. De datum van 1 januari 1992 is echter opgenomen in de wet, omdat onze wet anders in strijd zou zijn met de Europese richtlijn die onmiddellijk van toepassing is.

De Minister onderstreept trouwens dat enkele geneesheren-dierenartsen reeds gevraagd hadden om toepassing van de B.T.W. Daarbij verwezen ze naar het feit dat België verplicht zou worden te voldoen aan de normen die door de Europese Gemeenschap worden opgelegd.

f2. Amendement ingediend in openbare vergadering.

(B. V., Sen., B.Z. 1991-1992, vergadering d.d. 14 juli 1992, blz. 489).

...

De Voorzitter. - Bij artikel 64 :

1° de artikelen 56 tot 58 en 59, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1992;

artikel 59, 2°, heeft uitwerking met ingang van 1 januari 1991;

3° de artikelen 60 tot 62 hebben uitwerking met ingang van 1 augustus 1992.

De heren van Weddingen en Hatry hebben twee amendementen ingediend (stuk 24) (13).

Het A) strekt ertoe het 1° van dit artikel te vervangen als volgt :

"1° de artikelen 56 tot 58, alsmede artikel 59, 1°, hebben uitwerking met ingang van 1 januari 1992, uitgezonderd voor de dierenartsen die nog geen B.T.W. verschuldigd zijn en voor wie artikel 59, 1°, pas uitwerking heeft op 1 oktober 1992."

En het B) strekt ertoe het 3° van dit artikel te doen vervallen.

De heer Hatry (in het Frans). - Het amendement wil de tegenstelling opheffen tussen het 1° van het artikel en een circulaire van het B.T.W.-bestuur die zegt dat op een betaling betreffende een levering van goederen die plaatsgreep voor het vertrekpunt van de onderworpenheid of betreffende een dienstverlening voor dit vertrekpunt geen B.T.W. kan verschuldigd zijn (14).

De heer Maystadt, Minister van Financiën (in het Frans). Ik heb in de Commissie gezegd dat we de datum van 1 januari moesten aanhouden omdat die vastgesteld is in de Europese richtlijn.

In de praktijk moet men verwijzen naar de richtlijnen en de circulaires en meer bepaald naar die circulaire waarover de heer Hatry het had en die ik heb goedgekeurd.

De heer Hatry (in het Frans). - Denkt U dat deze circulaire zal ontsnappen aan de arendsogen van de Commissie ? Waarom twee keer inbreuk plegen in plaats van slechts één keer ?

De heer Maystadt, Minister van Financiën (in het Frans). De Commissie zal de B.T.W.-heffing berekenen op basis van de datum van 1 januari. Er was geen enkele andere oplossing dan die welke werd aangenomen.

...

NOOT

(1) De artikelen 29, 54, 2°, en 58 werden uit het ontwerp gehaald.
(2) Art. 54 van het wetsontwerp (z. supra nr. 1).
(3) Art. 60, 1°, van het wetsontwerp (z. supra nr. 1).
(4) PB L 226 van 3 augustus 1989 (B.T.W.-Rev. 87/374).
(5) PB L 145 van 13 juni 1977 (B.T.W.-Rev. 30/263).
(6) PB L 226 van 3 augustus 1989 (B.T.W.-Rev. 87/374).
(7) PB L 2Z6 van 3 augustus 1989 (B.T.W.-Rev. 87/374).
(8) z. supra nr. 4.
(9) Verg. aanschr. 11/1992.
(10) De tekst van de artikelen 55 tot 59 en 64, 1° en 2°, van de wet van 28 juli 1992 is identiek aan deze van dezelfde artikelen aangenomen door de Commissie voor de Financiën.
(11) Wetsontwerp houdende fiscale en financiële bepalingen overgezonden door de Kamer van Volksvertegenwoordigers (Parl. Besch. . Sen., B.Z. 1991-1992, nr. 42511) (z. supra, geamendeerde tekst door de Commissie voor de Financiën van de Kamer van Volksvertegenwoordigers) .
(12) De verantwoording van dit amendement is identiek aan deze van het amendement nr. 63 ingediend door de heren Volksvertegenwoordigers Michel en de Clippele (z. supra). Dit amendement werd verworpen.
(13) De amendementen van de heren van Weddingen en Hatry werden niet aangenomen.
(14) Verg. aanschr. 11/1992.