Aanschrijving nr. 78 dd. 24.11.1970

Aanschrijving nr. 78 dd. 24.11.1970

Belasting over de toegevoegde waarde

Teruggaven

Eerste afdeling.- Oorzaken van teruggaaf voor binnenlandse verrichtingen.

Afdeling 2. - Oorzaken van teruggaaf bij invoer.

Afdeling 3. - Rechthebbende op de teruggaaf.

Afdeling 4.- Ontstaan van de vordering tot teruggaaf.

Afdeling 5. - Wijze waarop de teruggaaf geschiedt ten voordele van belastingplichtigen die gehouden zijn een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen.

Afdeling 6. - Modaliteiten van de teruggaaf ten voordele van andere personen.

Afdeling 7. - Bijzondere regelen met betrekking tot sommige teruggaven.

De artikelen 75 tot 80 en 90 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde bepalen de regelen met betrekking tot de teruggaven. De uitvoering ervan is geregeld door het koninklijk besluit nr. 4, van 29 december 1969 (Belgisch Staatsblad van 31 december 1969), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 september 1970 (Belgisch Staatsblad van 29 september 1970).

Van belang terzake is nog artikel 99 van het Wetboek, alsmede het koninklijk besluit nr. 21, van 20 juli 1970 (Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1970) met betrekking tot de ontheffing van de voorraden.

Hierna volgt een commentaar op de bepalingen in verband met de eigenlijke teruggaven; deze aanschrijving handelt dus niet over de bepalingen die eigen zijn aan de ontheffing van de voorraden.

1. Beperkend karakter van de gevallen van teruggaaf.

Naar luidt van artikel 75 van het Wetboek kan de BTW slechts worden teruggegeven in de gevallen bepaald bij de artikelen 76 en 77.

Een ieder die teruggaaf vraagt moet zijn recht op teruggaaf kunnen staven met bewijskrachtige documenten (factuur, invoerdocument, briefwisseling, getuigschrift van invaliditeit, enz.). Wanneer de rechthebbende op de teruggaaf een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, moet de rechtvaardiging van het recht op teruggaaf slechts worden verstrekt wanneer een ambtenaar belast met de controle van de BTW erom verzoekt.

Eerste afdeling.- Oorzaken van teruggaaf voor binnenlandse verrichtingen.

2. De aftrekbare BTW bedraagt meer dan de verschuldigde BTW.

Wanneer het bedrag dat voor het aangiftetijdvak in aftrek mag worden gebracht, meer bedraagt dan de BTW die verschuldigd is voor hetzelfde tijdvak, is het overschot vatbaar voor teruggaaf. In beginsel geschiedt de teruggaaf door de overbrenging van het overschot naar het volgende aangiftetijdvak (art. 47, tweede lid van het Wetboek), behoudens op het einde van het kalenderjaar, in welk geval de teruggaaf van het overschot effectief moet worden verleend binnen drie maanden (art. 76 van het Wetboek). Bij het verstrijken van die termijn is ten voordele van de belastingplichtige een interest van 0,50 pct. per maand van rechtswege verschuldigd (art. 3, van het Wetboek).

Er dient evenwel te worden opgemerkt dat die bepalingen niet afzonderlijk mogen worden uitgelegd : de aftrekbare BTW wordt gevoegd bij het bedrag van de teruggaven waarop de belastingplichtige recht heeft om samen het eindresultaat van de aangifte te bepalen (kon. besl. nr. 4, art. 7), en het eventuele belastingkrediet wordt teruggegeven, hetzij door toerekening op de BTW waarvan de belastingplichtige later schuldenaar zal worden, hetzij onder bepaalde voorwaarden, door een effectieve terugbetaling op het einde van het kwartaal (z. kon. besl. nr. 4, art. 8).

Ten slotte is het ook bij toepassing van artikel 76 van het Wetboek dat een kleine detaillist onderworpen aan het stelsel van de egalisatiebelasting, teruggaaf kan verkrijgen van de BTW die hem in rekening werd gebracht voor zijn bedrijfsmiddelen (z. kon. besl. nr. 19, art. 14). Hetzelfde geldt voor de BTW die de toevallige belastingplichtige, bedoeld in artikel 8, §§ 2 en 3, van het Wetboek mag aftrekken (z. kon. besl. nr. 14, art. 5).

3. Onverschuldigde betaling.

Artikel 77, § 1, 1°, van het Wetboek staat teruggaaf toe tot het passende beloop wanneer de betaalde belasting de wettelijke verschuldigde belasting overtreft. Hier zijn onder meer bedoeld alle gevallen waarin een vergissing werd begaan bij het factureren of bij het opmaken van de aangifte die door de belastingplichtige moet worden ingediend: heffing op een niet-belastbare handeling, toepassing van een onjuist tarief of van een verkeerde maatstaf van heffing, dubbel gebruik, materiële misslag in de optelling van de aan de Staat te storten belasting of in de berekening van de belasting die mag worden afgetrokken.

Ingevolge dezelfde bepaling wordt de belasting ook teruggegeven wanneer de maatstaf van heffing na de levering wordt verminderd wegens een latere gebeurtenis, zoals bijvoorbeeld de definitieve vaststelling van een voor herziening vatbare prijs of de vervulling van een uitdrukkelijke of stilzwijgende ontbindende voorwaarde.

4. Prijsvermindering.

Ingevolge artikel 77, 1, 2°, van het Wetboek, wordt de belasting tot het passende beloop teruggegeven wanneer een prijsvermindering wordt toegestaan of verkregen na het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt. Daarbij is de reden van de prijsvermindering van geen belang (handelsoverwegingen, eindejaarskortingen, niet overeenstemming van de goederen met de bestelling, enz.).

Er dient te worden opgemerkt dat de kortingen en verminderingen waarop de afnemer een verworven recht heeft op het tijdstip waarop de belasting verschuldigd wordt, uit de maatstaf van heffing gesloten zijn krachtens artikel 28, 2°, van het Wetboek.

5. Terugzending van verpakkingsmiddelen.

De belasting wordt teruggegeven tot beloop van de sommen waarvoor de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van de verpakkingsmiddelen die voor de levering van goederen hebben gediend (art. 77,1, 3° van het Wetboek).

Die bepaling is enkel van toepassing indien het vermogen om de verpakkingsmiddelen terug te zenden niet bestond op het tijdstip van de levering; wanneer dat vermogen immers bestaat dienen de in rekening gebrachte kosten voor verpakkingsmiddelen niet in de maatstaf van heffing te worden begrepen (art. 28, 4°, van het Wetboek).

6. Verbreking van de overeenkomst voor de levering.

De belasting wordt teruggegeven wanneer de overeenkomst voor de levering van het goed of de uitvoering van de dienst verbroken is terwijl de belasting niettemin door de leverancier of de dienstverrichter werd betaald bij toepassing van de artikelen 17, § 2, en 22, van het Wetboek (Wetboek, art. 77, § 1, 4°). Hetzelfde geldt wanneer, bij toepassing van artikel 15 van het koninklijk besluit nr. 1, de belasting betaald werd omdat, voor de levering van het goed, de prijs ervan geheel of gedeeltelijk is geïncasseerd, terwijl het goed achteraf niet is geleverd.

7. Minnelijke of gerechtelijke vernietiging of ontbinding van een overeenkomst.

Artikel 77, § 1, 5°, van het Wetboek staat teruggaaf toe wanneer een overeenkomst vernietigd of ontbonden wordt ongeacht de reden van de vernietiging of ontbinding (niet-overeenstemming van de goederen of de dienst met de bestelling, niet tijdige levering, handelsoverwegingen, enz.).

Geen onderscheid wordt gemaakt naargelang de vernietiging of de ontbinding minnelijk of gerechtelijk geschiedt, maar in het laatste geval is vereist dat de gerechtelijke beslissing in kracht van gewijsde gegaan is.

8. Terugneming van het goed binnen zes maanden.

De belasting wordt teruggegeven wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering door de leverancier is teruggenomen zonder dat een van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen (Wetboek, art. 77,1, 6°). Een normale vergoeding die aan de leverancier zou worden betaald voor het gebruik van het geleverde goed Zou niet als een geldelijk voordeel moeten worden beschouwd.

De teruggaaf wordt verleend zonder dat degene die erom verzoekt het bewijs moet leveren van de vernietiging of de ontbinding van de overeenkomst; alleen het materiële feit van de terugzending en de afwezigheid van een geldelijk voordeel moeten bewezen zijn.

9. Geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs.

De belasting wordt tot het passende beloop teruggegeven wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan (Wetboek, art. 77,1, 7°). Voor de toepassing van die bepaling wordt ondersteld dat de goederen geleverd of de diensten verstrekt zijn ter uitvoering van een overeenkomst die niet vernietigd of ontbonden is, maar dat de prijs niettemin, om welke reden ook, geheel of ten dele onbetaald blijft.

Er is niet alleen teruggaaf wanneer de schuldvordering van de prijs verloren is gegaan door faillissement of gerechtelijk akkoord, maar ook in alle gevallen waarin de leverancier of de dienstverrichter aantoont dat de factuur, geheel of ten dele onbetaald is gebleven ofschoon hij alle middelen tot verhaal heeft aangewend. In beginsel mag de schuldvordering als verloren worden beschouwd wanneer ze als dusdanig in de boekhouding is ingeschreven. Het is de belastingplichtige zelf die oordeelt of de schuldvordering als verloren moet worden beschouwd, maar de administratie heeft het recht zulks te controleren.

10. Aankoop van een automobiel door invaliden en zwaar gehandicapten.

Artikel 77, § 2, van het Wetboek, dat een teruggaaf instelt die verbonden is aan de hoedanigheid van de koper, is in feite een middel om vrijstelling van BTW te verlenen voor de aankoop van een automobiel door een oorlogsinvalide die een invaliditeitspensioen van ten minste 50 pct. geniet, of door iemand de zwaar gebrekkig is (volledig blind, volledig verlamd aan de bovenste ledematen, zware gebrekkigheid van de onderste ledematen enz.).

De teruggaaf wordt verleend aan de invalide of zwaar gehandicapte, en niet aan de verkoper die de BTW aan de Staat gestort heeft. Om de teruggaaf te verkrijgen moet de koper bewijzen dat hij alle gestelde voorwaarden vervult en dat de wagen bestemd is om door hem als persoonlijk vervoermiddel te worden gebruikt.

11. Tabaksfabrikaten.

Aangezien de BTW op tabaksfabrikaten verschuldigd is in alle gevallen waarin de accijns moet worden voldaan, is het vanzelfsprekend da de oorzaken van teruggaaf van de accijns ook een teruggaaf van de BTW rechtvaardigen.

12. Ontheffing van de voorraden.

De belastingplichtigen die op 31 december 1970 roerende goederen in voorraad hebben kunnen teruggaaf verkrijgen van de met het zegel gelijkgestelde taksen waarmee goederen zijn bezwaard. Het koninklijk besluit nr. 21, van 20 juli 19707 genomen ter uitvoering artikel 99 van het Wetboek bepaalt de teruggaaftarieven, alsmede de formaliteiten en termijnen voorgeschreven voor het verkrijgen van de teruggaaf. Die bepalingen worden niet hier maar in een afzonderlijke commentaar toegelicht.

Afdeling 2. - Oorzaken van teruggaaf bij invoer.

13. Principe.

De oorzaken van teruggaaf bedoeld in artikel 777, § 1, 4° en 7°, van het Wetboek, kunnen niet worden toegepast bij invoer. In het geval bedoeld onder 4° (z. nr. 6 hiervoor) is de BTW nooit opeisbaar geworden aangezien er geen levering in België is geweest. Anderzijds kan het 7° (z nr. 9 hiervoor), dat slechts in het voordeel van de leverancier-schuldeiser mag worden toegepast, niet ingeroepen worden ten voordele van de invoerder die normaal de belasting voldaan heeft en die bij onderstelling de onvermogende schuldenaar is.

De oorzaken van teruggaaf, opgesomd in de nrs. 2, 3, 4, 5, 7 en 8 hiervoor, zijn mutatis mutandis van toepassing bij invoer. De geadresseerde die bijvoorbeeld kan bewijzen dat de buitenlandse leverancier hem een prijsvermindering heeft toegestaan, of dat deze de zuivere en eenvoudige terugzending van de goederen binnen zes maanden na de levering aanvaard heeft, zal de bij de invoer voldane BTW kunnen terugkrijgen. Welteverstaan dient voorbehoud te worden gemaakt voor de toepassing van artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 4 (z. nr. 14 hierna).

De teruggaaf wordt verleend aan degene die bewijst de BTW in eigen hoofde te hebben voldaan.

14. Uitsluiting van het recht op teruggaaf.

Ingevolge artikel 2 (nieuw) van het koninklijk besluit nr. 4 wordt de teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Wetboek niet verleend wanneer ze betrekking heeft op de invoer van een goed dat geen bedrijfsmiddel is en de geadresseerde een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen en die de bij de invoer voldane belasting volledig in aftrek kan brengen. Inderdaad, in dat geval heeft de belastingplichtige de belasting, voldaan bij de invoer, normaal afgetrokken in zijn aangifte met betrekking tot de periode waarin de invoer is geschied. Indien de teruggaaf hem zou worden verleend zou hij ook gehouden zijn de voordien verrichte aftrek te herzien, en het ten onrechte afgetrokken bedrag aan de Staat terug te storten door het te begrijpen in de herzieningen van de aangifte. Om deze dubbele verrichting te voorkomen bepaalt artikel 2, van het koninklijk besluit nr. 4, dat genomen werd ter uitvoering van artikel 80, laatste zin, van het Wetboek, dat de teruggaaf in dat geval niet plaatsheeft.

Maar de teruggaaf heeft normaal plaats voor ingevoerde goederen :

•wanneer de geadresseerde een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die niet gehouden is tot het indienen van een maandaangifte of een kwartaalaangifte (een kleine detaillist onderworpen aan de egalisatiebelasting, b.v.);

•wanneer de geadresseerde een gemengde belastingplichtige is die geen aftrek heeft kunnen toepassen of die slechts een gedeelte van de betaalde belasting heeft kunnen aftrekken (z. Wetboek, art. 46, §§ 1 en 2);

•wanneer de belasting slechts tot beloop van 50 pct. kon worden afgetrokken of wanneer zij helemaal niet aftrekbaar is ingevolge artikel 45, §§ 2 en 3, van het Wetboek;

•ten slotte wanneer de verrichting betrekking heeft op bedrijfsmiddelen (ingevolge artikel 48, § 2, van het Wetboek, is de aftrek van de belasting die deze goederen bezwaart in hoofde van de geadresseerde, onderworpen aan herziening gedurende een tijdvak van vijf jaar; het komt er dus op aan het definitief bedrag van de aan herziening onderworpen belasting vast te stellen).

Afdeling 3. - Rechthebbende op de teruggaaf.

15. De aftrekbare BTW bedraagt meer dan de verschuldigde BTW.

De rechthebbende op de teruggaaf van artikel 76 van het Wetboek is de belastingplichtige die de aftrek mag verrichten en die aan de hand van bewijskrachtige documenten aantoont dat de aftrekbare BTW meer bedraagt dan de verschuldigde BTW.

16. Ontheffing van de voorraden.

De rechthebbende op de teruggaaf is de belastingplichtige die op 31 december 1970 goederen bij zich in voorraad had en die de aangifte bedoeld in de artikelen 28, 30 of 37, § 2 van het koninklijk besluit nr. 21, heeft ingediend zoals het behoort.

17. Teruggaven bedoeld in artikel 7, § 1, van het Wetboek.

Ingevolge artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 4 is de rechthebbende in beginsel degene die de belasting aan de Staat heeft voldaan. Dat zal dus zijn :

a) voor de leveringen en diensten verstrekt door een belasting-plichtige die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen : de leverancier-belastingplichtige die de voor teruggaaf vatbare belasting heeft opgenomen in het bedrag van de verschuldigde belasting ingeschreven in een regelmatig ingediende aangifte, en die de belasting heeft voldaan waarvan die aangifte de opeisbaarheid vaststelt. Het volstaat dat de aangifte ingediend is zoals het behoort opdat het recht op teruggaaf zou ontstaan;

b) voor de leveringen en diensten in België verstrekt door een andere persoon (niet-belastingplichtige, belastingplichtige die niet gehouden is een aangifte in te dienen) : de leverancier of de dienstverrichter die kan bewijzen dat hij de op die handeling verschuldigde belasting regelmatig heeft voldaan;

c) voor de invoeren met verlegging van de heffing naar het binnenland : de belastingplichtige die de bij de invoer verschuldigde belasting in een aangifte heeft opgenomen en die, onder voorbehoud van hetgeen is gezegd in fine van letter a, de belasting heeft voldaan waarvan die aangifte de opeisbaarheid vaststelt;

d) voor de invoeren met onmiddellijke voldoening van de BTW : degene die in het bezit is van een invoerdocument dat hem als geadresseerde aanwijst en dat de betaling van de belasting vaststelt.

Bij toepassing van het laatste lid van artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 1 kan de administratie in bepaalde gevallen afwijken van de hiervoor bepaalde regelen. Die bepaling maakt het mogelijk, rekening te houden met bijzondere omstandigheden en de teruggaaf toe te staan aan andere personen : een grensexpediteur die de BTW voor rekening van de invoerder heeft voorgeschoten; een particulier die een automobiel heeft gekocht van een niet-belastingplichtige die weigert de teruggaaf te vragen; een belastingplichtige onderworpen aan het stelsel van de egalisatiebelasting; een landbouwondernemer onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling, enz.

18. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Wetboek.

De teruggaaf wordt rechtstreeks verleend aan de begunstigde (oorlogsinvalide of zwaar gehandicapte) die de in artikel 77, § 2, van het Wetboek vermelde voorwaarden vervult. De rechthebbende moet bovendien, of wel bewijzen dat hij de BTW aan de leverancier heeft betaald, of wel de factuur of een ander document voorleggen voorzien van fiscale plakzegels ten beloop van de op de aanschaffing van de automobiel verschuldigde BTW.

Afdeling 4.- Ontstaan van de vordering tot teruggaaf.

19. Belang.

Ingevolge artikel 82 van het Wetboek verjaart de vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten door verloop van twee jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan. De datum waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat moet dus nauwkeurig worden vastgesteld teneinde de termijn te kunnen bepalen waarbinnen de vordering tot teruggaaf geldig kan worden uitgeoefend, hetzij door de inschrijving in een aangifte, hetzij door het indienen van een minnelijke aanvraag gericht aan het conrolekantoor, hetzij nog door de betekening van het exploot bedoeld in artikel 90 van het Wetboek.

20. Teruggaaf bedoeld in artikel 76 van het Wetboek.

De vordering tot teruggaaf van het verschil tussen de aftrekbare belasting (art. 45 e.v. van het Wetboek) en de verschuldigde belasting, ontstaat op de datum van indiening van de aangifte waaruit dat verschil blijkt.

21. Ontheffing van de voorraden.

Ingevolge artikel 32 van het koninklijk besluit nr. 21 moet de belastingplichtige die teruggaaf vraagt van de met het zegel gelijkgestelde taksen die zijn voorraad op 31 december 1970 bezwaren, de voorraadaangifte indienen binnen drie maanden na de inwerkingtreding van het Wetboek. De vordering tot teruggaaf ontstaat dus op 31 maart 1971. De belastingplichtige oefent zijn recht op teruggaaf uit door in ieder van de aangiften die betrekking hebben op de handelingen van het aangiftetijdvak dat de laatste maand van ieder kalenderkwartaal van de jaren 1971, 1972 en 1973 begrijpt, telkens een twaalfde van het bedrag van de ontheffing op te nemen.

22. Toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8 van het Wetboek.

Voor de toevallige belastingplichtige bedoeld in artikel 8, §§ 2 of 3, van het Wetboek, ontstaat de vordering tot teruggaaf bedoeld in nr. 20, op het tijdstip waarop de belasting over de volledige maatstaf van heffing verschuldigd wordt wat betreft de belasting die op dat ogenblik reeds aftrekbaar is en op het tijdstip waarop het recht op aftrek ontstaat wat betreft de belasting waarvan de belastingplichtige slechts schuldenaar wordt na de datum waarop de BTW verschuldigd wordt over de geheelheid van de prijs (z. kon. besl. nr. 14).

23. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 1, van het Wetboek.

In de gevallen bedoeld in artikel 77, § 1, van het Wetboek, ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan.

Wanneer aan de medecontractant een prijsvermindering is toegestaan of wanneer de leverancier zijn medecontractant crediteert wegens terugzending van verpakkingen die voor het vervoer van geleverde goederen hebben gediend, ontstaat de vordering op de datum waarop de prijsvermindering is toegestaan, of op de datum van de door de leverancier aan zijn medecontractant geadresseerde creditnota.

Wanneer de overeenkomst voor de levering verbroken is, ontstaat de vordering op de datum waarop de partijen overeengekomen zijn over de verbreking.

Wanneer het contract minnelijk vernietigd of ontbonden is, ontstaat de vordering op de datum waarop de partijen die vernietiging of ontbinding vaststellen. Wanneer daarentegen het contract door een gerechtelijke beslissing vernietigd of ontbonden is, ontstaat de vordering slechts op de datum waarop het vonnis of het arrest, dat deze vernietiging of ontbinding heeft uitgesproken, in kracht van gewijsde is gegaan.

Wanneer het geleverde goed binnen zes maanden na de levering door de leverancier is teruggenomen zonder dat één van de partijen ten aanzien van de prijs een geldelijk voordeel heeft verkregen, ontstaat de vordering op de datum waarop de partijen overeengekomen zijn over de terugneming.

Wanneer de schuldvordering van de prijs geheel of ten dele verloren is gegaan, ontstaat de vordering op de datum waarop het verlies als zeker mag worden beschouwd.

Ingeval de rechthebbende op de teruggaaf een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, kan de vordering tot teruggaaf nochtans niet ontstaan zolang de belastingplichtige die vordering niet kan uitoefenen. De vordering tot teruggaaf ontstaat dus niet op het tijdstip waarop de oorzaak van de teruggaaf zich heeft voorgedaan, maar wel bij het verstrijken van de termijn bepaald voor het indienen van de aangifte met betrekking tot het tijdvak waarin die oorzaak zich heeft voorgedaan. Maar de belanghebbende mag zijn recht op teruggaaf uitoefenen in dezelfde aangifte (z. kon. besl. m . 47 art. 5, § 1); in dat geval vallen de oorzaak van de teruggaaf en het uitoefenen ervan dus samen.

Indien het recht niet is uitgeoefend in de eerste aangifte waarin het mocht worden uitgeoefend, mag het nog worden uitgeoefend in een van de aangiften ingediend binnen twee jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan (z. kon. besl. nr. 4, art. 5, § 2).

Ingeval de rechthebbende op de teruggaaf een niet-belastingplichtige is of een belastingplichtige die niet gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip vermeld in het eerste lid.

24. Teruggaaf bedoeld in artikel 77, § 2, van het Wetboek.

De vordering tot teruggaaf waarin artikel 77, § 2 voorziet ten voordele van invaliden of zwaar gehandicapten, ontstaat op het tijdstip waarop de rechthebbende de belasting met betrekking tot de aanschaffing van het voertuig aan de verkoper heeft betaald. Indien de belasting door middel van fiscale plakzegels werd voldaan ontstaat de vordering tot teruggaaf op het tijdstip waarop de plakzegels onbruikbaar zijn gemaakt.

25. Teruggaaf van sommen voldaan op verzoek van de administratie.

De vordering tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten die op verzoek van de administratie werden voldaan, ontstaat op het tijdstip van de betaling.

Afdeling 5. - Wijze waarop de teruggaaf geschiedt ten voordele van belastingplichtigen die gehouden zijn een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen.

26. Samenvoeging.

Ingevolge artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 4 wordt de belasting waarvan het recht op aftrek wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 3, gevoegd bij de bedragen waarvan de teruggaaf kan worden verkregen bij toepassing van artikel 77, § 1, van het Wetboek, teneinde het eindresultaat te bepalen van de aangifte. Dat eindresultaat kan een aan de Staat te betalen bedrag zijn of wel een belastingkrediet ten voordele van de belastingplichtige.

In voorkomend geval moet ook rekening worden gehouden met het twaalfde van het totaalbedrag van de ontheffing van de voorraden.

27. Wijze waarop de teruggaaf geschiedt. Toerekening.

De terug te geven sommen worden, ongeacht de oorzaak, toegerekend op het bedrag van de door de belastingplichtige voor het aangiftetijdvak verschuldigde BTW. De toerekening mag nochtans niet plaatshebben voor de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, voldaan op verzoek van de administratie; die bedragen mogen in geen geval in de aangifte voorkomen.

Wanneer het totaal van de af te trekken bedragen groter is dan het totaal van de verschuldigde bedragen heeft de toerekening plaats tot het passende beloop en het overschot maakt ten voordele van de belastingplichtige een belastingkrediet uit dat wordt overgebracht naar het volgende aangiftetijdvak (z. echter nr. 28).

28. Werkelijke teruggaaf.

In afwijking van de regel uitgedrukt in het laatste lid van vorig nummer wordt het belastingkrediet van de aangifte met betrekking tot het laatste aangiftetijdvak van het kalenderjaar, indien het minimum 100 F bedraagt, teruggegeven door overschrijving op de postrekening van de rechthebbende of door een op zijn naam gestelde postassignatie. Indien het minder dan 100 F bedraagt wordt het niet teruggegeven, maar wordt het overgedragen naar het volgende aangiftetijdvak.

Het belastingkrediet dat blijkt uit een der eerste drie kwartaalaangiften van het jaar wordt op dezelfde wijze teruggegeven indien het 25.000 frank bedraagt. Hetzelfde geldt voor het bedrag verschuldigd door de Staat na het indienen van de maandaangifte met betrekking tot de laatste maand van een der eerste drie kalenderkwartalen, van het jaar, mits het 60.000 frank bedraagt.

De in de twee vorige leden bedoelde teruggaaf heeft nochtans niet plaats en het belastingkrediet wordt naar het volgende aangiftetijdvak overgedragen of ambtshalve toegerekend op de verschuldigde belasting, wanneer de belastingplichtige niet voldaan heeft aan al zijn verplichtingen met betrekking tot het indienen van de aangiften en het betalen van de opeisbare belasting, hetzij voor het verlopen jaar, hetzij voor het verlopen tijdvak van het lopend jaar.

De driemaandelijkse teruggaaf waarvan sprake in het tweede lid heeft tot doel te voorkomen dat belastingplichtigen die om reden van de aard van hun werkzaamheid of van bepaalde bijzondere omstandigheden normaliter in een crediteurspositie tegenover de Staat zullen staan, tot het einde van het jaar zouden moeten wachten op de effectieve teruggaaf van de bedragen die de Staat hun verschuldigd is. De hier besproken bepaling is imperatief en het is niet toegelaten van de effectieve teruggaaf af te zien om zich aan de regel van de toerekening te houden.

29. Formaliteiten.

De belastingplichtige die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen moet geen aanvraag tot teruggaaf indienen; de regelmatig ingediende aangifte geldt als aanvraag om teruggaaf.

Geen enkele andere bijzondere formaliteit is vereist voor de teruggaaf bedoeld in artikel 76 van het Wetboek.

Met betrekking tot de ontheffing van de voorraden is de teruggaaf afhankelijk van het indienen bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder de belastingplichtige ressorteert, binnen de termijnen voorgeschreven in de artikelen 32 en 37 van het koninklijk besluit nr. 21, van de aangifte en de staten bedoeld in de artikelen 28 en 30 van dat besluit.

Voor de teruggaven van artikel 77, § 1, van het Wetboek ten voordele van belastingplichtigen die gehouden zijn een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen wordt de vordering tot teruggaaf uitgeoefend zonder rechtstreekse tussenkomst van de administratie. Maar artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalt dat de uitoefening van de vordering afhankelijk is van het houden van een teruggaafregister en aan het opmaken van een verbeterend stuk waarvan, in voorkomend geval, een dubbel moet worden uitgereikt aan de medecontractant.

30. Verbeterend stuk.

Het verbeterend stuk is een basiselement voor de controle op de teruggaven; het stelt bovendien de medecontractant in staat de oorspronkelijk verrichte aftrek te verbeteren. Het wordt uitgereikt op het ogenblik waarop de vordering tot teruggaaf ontstaat of, uiterlijk op het ogenblik waarop de belastingplichtige die vordering uitoefent. Het moet in beginsel alle elementen vermelden die nodig zijn voor het identificeren van, enerzijds, de handeling waarop de teruggaaf betrekking heeft, en anderzijds, de aangifte waarin het voor teruggaaf vatbare bedrag opgenomen is onder de verschuldigde belasting. Daarom vermeldt het inzonderheid de datum en de aard van de oorspronkelijke handeling, de oorzaak van de teruggaaf, de berekening van het voor teruggaaf vatbare bedrag en, in voorkomend geval, de verwijzing naar de stukken die de teruggaaf staven (briefwisseling met de medecontractant, overeenkomst die de vernietiging of ontbinding van de oorspronkelijke overeenkomst vaststelt, inschrijving van het verlies van de schuldvordering op de verlies- en winstrekening, enz.).

Wanneer de handeling hier te lande heeft plaatsgevonden en de teruggaaf verleend wordt op grond van een vergissing in de factuur of van het bepaalde in artikel 77, § 1, 2° tot 6°, van het Wetboek, moet aan de medecontractant een dubbel van het verbeterend stuk worden uitgereikt. Dat dubbel, dat als creditnota mag gelden, moet voorzien zijn van de vermelding : " BTW terug te storten aan de Staat in de mate waarin ze oorspronkelijk in aftrek werd gebracht ".

Er kan niet worden toegestaan dat in dergelijke gevallen de factuur m.b.t. een nieuwe levering zou worden verminderd met het bedrag van de prijsvermindering, de terugneming, enz., in verband met een vroegere levering, om op die wijze slechts het verschil te belasten.

Wanneer de teruggaaf het gevolg is van het geheel of gedeeltelijk verlies van de schuldvordering van de prijs, moet aan de medecontractant geen creditnota worden uitgereikt. In dat geval blijft de schuldvordering die blijkt uit de factuur ten volle bestaan; indien de leverancier naderhand de schuldvordering geheel of ten dele kan recupereren spreekt het vanzelf dat hij de BTW met betrekking tot het gerecupereerde bedrag, aan de Staat moet terugstorten.

De leverancier is niet verplicht teruggaaf te vragen wanneer de oorspronkelijke handeling betrekking heeft op een levering of een dienst, hier te lande verricht voor een belastingplichtige die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen en die de hem oorspronkelijk in rekening gebrachte BTW, integraal en definitief in aftrek heeft kunnen brengen. De creditnota maakt dan uiteraard geen melding van de BTW en de medecontractant moet ook geen BTW aan de Staat terugstorten.

31. Teruggaafregister.

Het teruggaafregister, dat op vergunning van de administratie op losse bladen mag worden gehouden (1), is in feite een inventaris van de verbeterende stukken die er volgens een ononderbroken reeks nummers, worden ingeschreven. Iedere inschrijving begrijpt ten minste het volgnummer van het verbeterend stuk, de datum van inschrijving, de aanduiding van de medecontractant en het voor teruggaaf vatbare bedrag. Bij het verstrijken van iedere maand of ieder kwartaal, volgens het geval, telt de belastingplichtige de voor teruggaaf vatbare belasting samen en hij schrijft het totaal voluit in letters na de laatste inschrijving.

Het register moet ter beschikking worden gehouden van het controlekantoor waaronder de belastingplichtige ressorteert en het moet er op ieder verzoek van de hoofdcontroleur worden overgelegd. Het niet-overleggen van het register wordt vastgesteld bij proces-verbaal opgemaakt conform artikel 59 van het Wetboek.

Wanneer de belastingplichtige het register niet overlegt op het controlekantoor, hetzij omdat hij het niet gehouden heeft, hetzij omdat hij weigert het over te leggen, moet hij de belasting waarvan hij de teruggaaf heeft verkregen en die in het register had moeten ingeschreven zijn, terugstorten vermeerderd met de interest te rekenen vanaf de datum van de onrechtmatige teruggaaf.

De administratie neemt aan dat de uitgereikte creditnota's in het boek voor uitgaande facturen worden ingeschreven, op voorwaarde dat de terug te geven BTW wordt samengeteld per aangiftetijdvak en dit het totaal wordt overgebracht naar het bijzonder register gehouden voor de inschrijving van de teruggaven waarvoor geen creditnota wordt uitgereikt aan een medecontractant (teruggaven m.b.t. invoeren, teruggaven m.b.t. leveringen aan zich zelf, enz.). Het spreekt vanzelf dat in dat geval het boek voor uitgaande facturen, evengoed als het eigenlijke teruggaafregister, op het controlekantoor moet worden overgelegd.

32. Opneming in de aangifte.

Het totaalbedrag dat bij de maandelijkse of driemaandelijkse afsluiting in het register wordt ingeschreven moet in de aangifte voorkomen bij de herzieningen. In de maandaangifte wordt de voor teruggaaf vatbare BTW opgenomen in kader V, litt. b, onder de rubriek " Bedrag van de belasting waarvan de aangever teruggaaf kan verkrijgen. " In de kwartaalaangifte is er geen afzonderlijke rubriek voor de teruggaven : het terug te geven bedrag is begrepen in de bedragen die dienen om het bedrag te berekenen van de "Herzieningen van belasting voor het kwartaal" (vak 31 of 32).

Het bedrag van de voor teruggaaf vatbare belasting mag dus niet worden toegerekend op het bedrag van de verschuldigde belasting dat in vak 11 van de aangifte moet worden vermeld. Het bedrag van de creditnota's, exclusief belasting, mag evenmin worden afgetrokken van de maatstaven van heffing die in de vakken 01 tot 04 moeten voorkomen. Dat bedrag moet afzonderlijk worden ingeschreven in vak 09 van de maandaangifte of de kwartaalaangifte.

33. Gevolgen van de teruggaaf voor de medecontractant.

Wanneer de medecontractant van de belastingplichtige die een in artikel 77, § 1, van het Wetboek bedoelde teruggaaf heeft verkregen, zelf een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, schrijft hij de ontvangen creditnota in in zijn boek voor inkomende facturen, of in een bijzonder register dat hij daarvoor houdt, met vermelding van de BTW waarvoor hij gecrediteerd werd en van het bedrag dat hij aan de Staat moet terugstorten omdat hij het oorspronkelijk heeft afgetrokken. Op het einde van ieder aangiftetijdvak maakt hij het totaal van de terug te storten bedragen en dat totaal vermeldt hij in kader V, litt. c, eerste streepje, van de maandaangifte, of hij neemt het op in de bedragen die dienen om het bedrag te berekenen van de a Herzieningen van belasting voor het kwartaal " (vak 31 of 32) van de kwartaalaangifte.

Het bedrag van de ontvangen creditnota's, exclusief BTW, komt in mindering van het bedrag van de inkopen in te schrijven in vak 51 van de aangifte.

Afdeling 6. - Modaliteiten van de teruggaaf ten voordele van andere personen.

34. Formaliteiten.

Wanneer de rechthebbende op de teruggaaf niet een belastingplichtige is die gehouden is een maandaangifte of een kwartaalaangifte in te dienen, moet hij overeenkomstig artikel 9 van het koninklijk besluit nr. 4, een aanvraag om teruggaaf indienen, in twee exemplaren, bij het controlekantoor van de BTW waaronder hij ressorteert, indien hij een belastingplichtige is, of wel bij het controlekantoor in het ambtsgebied waarvan hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft, indien hij een niet-belastingplichtige is. De aanvraag moet op dat kantoor toekomen binnen twee jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering is ontstaan.

De teruggaaf is afhankelijk van het bewijs van de betaling van de belasting en van de rechtvaardiging van de oorzaak van de teruggaaf.

Artikel 9 is van toepassing niet alleen wanneer de rechthebbende een niet-belastingplichtige is (b.v. een particulier), maar ook wanneer hij een belastingplichtige is onderworpen aan het stelsel van de egalisatiebelasting of een landbouwondernemer onderworpen aan de bijzondere landbouwregeling of nog wanneer het gaat om iemand die een gebouw heeft gekocht of opgericht en die gebruik maakt van de mogelijkheid bedoeld in artikel 8, §§ 2 of 3, van het Wetboek.

Het is eveneens van toepassing ten aanzien van oorlogsinvaliden of andere personen bedoeld in artikel 77, § 2, van het Wetboek. In dat geval wordt ingevolge artikel 10 van het koninklijk besluit nr. 4 bovendien de overlegging geëist van een getuigschrift dat is uitgereikt door de bevoegde overheid en dat de hoedanigheid van de aanvrager bevestigt.

35. Wijze waarop de teruggaaf geschiedt.

De hier bedoelde teruggaven geschieden door overschrijving op de postrekening van de rechthebbende of door een op zijn naam gestelde postassignatie.

Afdeling 7. - Bijzondere regelen met betrekking tot sommige teruggaven.

36. Teruggaaf correlatief met een teruggaaf van accijns.

Voor tabaksfabrikaten zal de fabrikant of de invoerder verder fiscale bandjes aanbrengen die tegelijk de accijns en de BTW, berekend over de verkoopprijs aan verbruiker, vertegenwoordigen. Die BTW wordt aan de ontvanger van de accijnzen betaald terzelfdertijd als de accijns en is onderworpen aan dezelfde regelen van opeisbaarheid als deze laatste. Wanneer een en dezelfde oorzaak de teruggaaf van de accijns en van de BTW rechtvaardigt, wordt de teruggaaf van de BTW verleend door het bestuur der douanen en accijnzen, onder de voorwaarden gesteld voor de teruggaaf van de accijns.

De aanvraag om teruggaaf van de BTW moet worden ingediend bij de ambtenaar die bevoegd is om de aanvraag om teruggaaf van de accijns te ontvangen. De aanvraag moet bij die ambtenaar toekomen tegelijk met de aanvraag om teruggaaf van de accijns, en in ieder geval binnen twee jaar te rekenen vanaf het tijdstip waarop de vordering tot teruggaaf is ontstaan.

37. Rechtsvordering.

Behalve wanneer het gaat om sommen betaald op verzoek van de administratie, mag de belastingplichtige die een teruggaaf wil verkrijgen niet van rechtswege de administratie dagvaarden, zonder vooraf een minnelijke aanvraag te hebben ingediend. Maar wanneer de minnelijke aanvraag om teruggaaf werd verworpen of wanneer het gaat om sommen betaald op verzoek van de administratie, mag de belastingplichtige een rechtsvordering instellen. Overeenkomstig artikel 14 van het koninklijk besluit nr. 4 moet de vordering worden ingesteld binnen twee jaar te rekenen, of wel vanaf de datum van de kennisgeving bij ter post aangetekende brief van de beslissing waarbij de ingediende aanvraag wordt verworpen, of wel vanaf de datum van de betaling op verzoek van de administratie.

Wanneer de belastingplichtige die gehouden is een aangifte in te dienen, in een aangifte ten onrechte belasting heeft toegerekend die niet vatbaar was voor teruggaaf en hij aan de Staat het bedrag heeft teruggestort waarvan hij de teruggaaf door toerekening heeft verkregen, moet hij, indien hij denkt die terugstorting ten onrechte te hebben gedaan, de Staat dagvaarden binnen twee jaar, te rekenen van de werkelijke terugstorting die als een betaling op verzoek van de administratie moet worden beschouwd.

Bij toepassing van artikel 90 van het Wetboek bepaalt het tweede lid van het genoemde artikel 14 dat de bevoegde ambtenaar om de betekening van het exploot met dagvaarding te ontvangen, het hoofd is van het controlekantoor waaronder de aanvrager ressorteert, indien hij een belastingplichtige is, of het hoofd van het controlekantoor in het ambtsgebied waarvan hij zijn woonplaats of zijn maatschappelijke zetel heeft, indien hij een niet-belastingplichtige 15.

38. Verval van het recht op teruggaaf.

Artikel 13 van het koninklijk besluit nr. 4 bepaalt dat de teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten niet geldig kan worden verkregen indien de vereiste formaliteiten, voorwaarden en termijnen niet worden nageleefd. De ten onrechte teruggegeven bedragen moeten worden teruggestort aan de Staat en een interest van 0,60 pct. per maand is verschuldigd vanaf de datum van de onrechtmatige teruggaaf.

De administratie kan nochtans geheel of gedeeltelijk ontheffing van het opgelopen verval verlenen.

____________________

(1) Zie aanschrijving van 7 december 1970, nr. 81, met betrekking tot het houden van factuurboeken en teruggaafregisters op losse bladen.