Circulaire nr. Ci.RH.241/494.326 dd. 16.03.2000
CIRC 16.03.00/1
Circulaire nr. Ci.RH.241/494.326 dd. 16.03.2000
BEROEPSKOSTEN
Geneesheer.
GENEESHEER
Bezoldiging van werknemer.
Vergoeding voor accreditering.
INDIVIDUELE FICHE
Fiche 281.50.
VERGOEDING
Forfaitaire vergoeding.
Vergoeding voor accreditering.
Vergoeding voor accreditering betaald door het RIZIV aan geneesheren- loontrekkenden. - Fiche commissies, erelonen, enz. nr. 281.50.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 +, 2 en 3.
Het blijkt dat bepaalde belastingdiensten - directe belastingen - gecon- fronteerd worden met problemen inzake het belasten van de accrediteringsvergoeding voor geneesheren, ingesteld door het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen van 13 december 1993 (BS van 5 januari 1994), dat voorziet in een bijkomend honorarium voor de geaccrediteerde geneesheren die inzonderheid een erkend programma van continue opleiding gevolgd hebben.
Dit bijkomend honorarium wordt door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) betaald, gedeeltelijk onder de vorm van een jaarlijks forfait van 20.000 BEF (495,79 EUR) en gedeeltelijk onder de vorm van honoraria per handeling.
Het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen van 11 december 1995 (BS van 9 januari 1996) en dat van 17 februari 1997 (BS van 27 maart 1997) hebben het systeem van accreditering overgenomen en bevestigen dat het forfait van 20.000 BEF (495,79 EUR) wel degelijk een jaarlijks forfaitair honorarium vertegenwoordigt.
In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, werd aan dit honorarium een wettelijke basis toegekend.
Aangezien dit forfaitair honorarium de geaccrediteerde geneesheer oorspronkelijk in staat moest stellen om inzonderheid zijn continue opleiding te financieren heeft het RIZIV geoordeeld dat dit honorarium een aan de geneesheer persoonlijk toegekend voordeel was en deze laatste dus als de werkelijke begunstigde van het honorarium aangemerkt, zelfs indien de geneesheer voor de betaling ervan het rekeningnummer van een derde heeft opgegeven.
De Administratie merkt de geaccrediteerde geneesheer eveneens aan als de begunstigde van dit honorarium.
Bijgevolg moet dit honorarium bij de geaccrediteerde geneesheer worden belast, met dien verstande evenwel dat indien de geneesheer-begunstigde van dit honorarium, alleen bezoldigingen van werknemers in dienst van een ziekenhuis, hospitaal enz. verkrijgt, dit inkomen moet worden gelijkgesteld met een gewone bezoldiging volgens het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.
Wanneer een ziekenhuis de geaccrediteerde geneesheer, in voorkomend geval, verplicht om dit honorarium op de eigen rekening van dat ziekenhuis te laten storten (eventueel op grond van een overeenkomst, reglement, enz.), mag worden aangenomen dat het aldus afgestane bedrag, onder de voorwaarden van art. 49 WIB 92, bij de geneesheer een aftrekbare beroepskost uitmaakt.
Wanneer aan de geaccrediteerde geneesheer geen enkele verplichting werd opgelegd om dit honorarium aan deze derde te storten, gaat het uiteraard om een gewone vrijgevigheid die dus niet als beroepskost aftrekbaar is.
Dit honorarium wordt door het RIZIV vermeld op de fiches nr. 281.50, commissies, erelonen, enz., op naam van de geaccrediteerde geneesheer.
Het komt evenwel toe aan de belastingambtenaar om de vergoeding ofwel als een bezoldiging, ofwel als een baat te kwalificeren, rekening houdend met alle feitelijke en juridische elementen die eigen zijn aan elk geval afzonderlijk.
Circulaire nr. Ci.RH.241/494.326 dd. 16.03.2000
BEROEPSKOSTEN
Geneesheer.
GENEESHEER
Bezoldiging van werknemer.
Vergoeding voor accreditering.
INDIVIDUELE FICHE
Fiche 281.50.
VERGOEDING
Forfaitaire vergoeding.
Vergoeding voor accreditering.
Vergoeding voor accreditering betaald door het RIZIV aan geneesheren- loontrekkenden. - Fiche commissies, erelonen, enz. nr. 281.50.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2 +, 2 en 3.
Het blijkt dat bepaalde belastingdiensten - directe belastingen - gecon- fronteerd worden met problemen inzake het belasten van de accrediteringsvergoeding voor geneesheren, ingesteld door het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen van 13 december 1993 (BS van 5 januari 1994), dat voorziet in een bijkomend honorarium voor de geaccrediteerde geneesheren die inzonderheid een erkend programma van continue opleiding gevolgd hebben.
Dit bijkomend honorarium wordt door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) betaald, gedeeltelijk onder de vorm van een jaarlijks forfait van 20.000 BEF (495,79 EUR) en gedeeltelijk onder de vorm van honoraria per handeling.
Het nationaal akkoord geneesheren-ziekenfondsen van 11 december 1995 (BS van 9 januari 1996) en dat van 17 februari 1997 (BS van 27 maart 1997) hebben het systeem van accreditering overgenomen en bevestigen dat het forfait van 20.000 BEF (495,79 EUR) wel degelijk een jaarlijks forfaitair honorarium vertegenwoordigt.
In de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, werd aan dit honorarium een wettelijke basis toegekend.
Aangezien dit forfaitair honorarium de geaccrediteerde geneesheer oorspronkelijk in staat moest stellen om inzonderheid zijn continue opleiding te financieren heeft het RIZIV geoordeeld dat dit honorarium een aan de geneesheer persoonlijk toegekend voordeel was en deze laatste dus als de werkelijke begunstigde van het honorarium aangemerkt, zelfs indien de geneesheer voor de betaling ervan het rekeningnummer van een derde heeft opgegeven.
De Administratie merkt de geaccrediteerde geneesheer eveneens aan als de begunstigde van dit honorarium.
Bijgevolg moet dit honorarium bij de geaccrediteerde geneesheer worden belast, met dien verstande evenwel dat indien de geneesheer-begunstigde van dit honorarium, alleen bezoldigingen van werknemers in dienst van een ziekenhuis, hospitaal enz. verkrijgt, dit inkomen moet worden gelijkgesteld met een gewone bezoldiging volgens het principe dat de bijzaak de hoofdzaak volgt.
Wanneer een ziekenhuis de geaccrediteerde geneesheer, in voorkomend geval, verplicht om dit honorarium op de eigen rekening van dat ziekenhuis te laten storten (eventueel op grond van een overeenkomst, reglement, enz.), mag worden aangenomen dat het aldus afgestane bedrag, onder de voorwaarden van art. 49 WIB 92, bij de geneesheer een aftrekbare beroepskost uitmaakt.
Wanneer aan de geaccrediteerde geneesheer geen enkele verplichting werd opgelegd om dit honorarium aan deze derde te storten, gaat het uiteraard om een gewone vrijgevigheid die dus niet als beroepskost aftrekbaar is.
Dit honorarium wordt door het RIZIV vermeld op de fiches nr. 281.50, commissies, erelonen, enz., op naam van de geaccrediteerde geneesheer.
Het komt evenwel toe aan de belastingambtenaar om de vergoeding ofwel als een bezoldiging, ofwel als een baat te kwalificeren, rekening houdend met alle feitelijke en juridische elementen die eigen zijn aan elk geval afzonderlijk.
Voor de Directeur-generaal
De Directeur,
P. LEROY.
Bron: FisconetPlus
