Circulaire nr. 9/2013 d.d. 31.07.2013
(Circulaire AAF nr. 9/2013)
Vlaams Gewest - Registratierecht op de verdelingen - Verhoging tarief - Vermindering heffingsgrondslag
FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN
Administratie van Fiscale Zaken
4de dienst – 2de directie
PATRIMONIUMDOCUMENTATIE
Kadaster, Registratie en Domeinen
Dienst VI
2 bijlagen
In het Belgisch Staatsblad van 23 juli 2012 werd het decreet van 13 juli 2012, houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten, bekendgemaakt (1).
---------
(1) In het Belgisch Staatsblad van 5 oktober 2012 is een erratum gepubliceerd. Het betreft een rechtzetting in de officieuze Franse vertaling van het decreet.
In deze circulaire wordt een eerste commentaar gegeven bij de wijzigingen in het Wetboek. Bijlage 1 bevat de tekst van het decreet. Voor de geconsolideerde tekst van het gewijzigde artikel 109 W.Reg.VL. wordt verwezen naar fisconetplus. Bijlage 2 bevat de tekst van de artikelen 1287 van het Gerechtelijk Wetboek en van artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, waarvan sprake in het nieuwe artikel 111bis W. Reg.VL.
Commentaar
1. Draagwijdte van de wijzigingen
Het decreet verhoogt het tarief van het recht op de verdelingen en gelijkstaande overdrachten (randnummer 2).
Anderzijds bepaalt het voor sommige verdelingen tussen welbepaalde personen een vermindering van de heffingsgrondslag (basisabattement), welke vermindering kan verhoogd worden wanneer de betrokkenen kinderen hebben die recht geven op kinderbijslag (randnummer 3).
Tenslotte wordt nog voorzien in een opvangnet indien de vermindering van de heffingsgrondslag niet onmiddellijk wordt gevraagd of bekomen (randnummer 4).
De bepalingen van het decreet die het W. Reg. VL. wijzigen zijn in werking getreden op 1 augustus 2012 (randnummer 5).
2. Wijziging artikel 109W. Reg. VL. - Verhoging van het tarief
Het tarief wordt voor alle met het registratierecht op de verdelingen belastbare rechtshandelingen gebracht op 2,5 ten honderd. De tariefverhoging van 1 ten honderd tot 2,5 ten honderd betreft dus alle in artikel 109 W. Reg. VL. vermelde belastbare rechtshandelingen:
de verdeling van een onroerend goed;
een afstand onder bezwarende titel tussen mede-eigenaars van onverdeelde delen in een onroerend goed;
de omzetting bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, zelfs indien er geen onverdeeldheid is.
3. Nieuw artikel 111bis W. Reg. VL. - Verlaging van de heffingsgrondslag in welbepaalde gevallen
Principieel blijft de heffingsgrondslag voor het verdelingsrecht die welke is bepaald in artikel 110 W. Reg., zijnde dus:
voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid doet ophouden onder al de mede-eigenaars: de waarde van die goederen - artikel 110, eerste lid, W. Reg.;
voor de goederen waarvan de akte de onverdeeldheid niet doet ophouden onder al de mede-eigenaars: de waarde der afgestane delen – artikel 110, tweede lid, W. Reg.
Het nieuwe artikel 111bis W. Reg. VL. (artikel 3 van het decreet) wijkt af van bovenstaande regel doordat in bepaalde gevallen de heffingsgrondslag “zoals bepaald in artikel 110, eerste lid W. Reg. VL.” wordt verminderd met een forfaitair bedrag (50.000 euro) dat eventueel kan worden verhoogd indien de bij de verdeling of afstand betrokken partijen kinderen hebben waarvoor kinderbijslag wordt uitgekeerd (verhoging met 20.000 euro per kind).
Als uitzondering op de algemene regel moet deze nieuwe bepaling strikt worden geïnterpreteerd.
Deze nieuwe bepaling wordt hierna meer in detail geanalyseerd.
3.1. Grondvoorwaarden voor de verlaging van de heffingsgrondslag
3.1.1. Verdeling of afstand van onroerende goederen
De verlaging van de heffingsgrondslag is enkel mogelijk als het gaat om een verdeling of om een afstand, als bedoeld in het 1° en 2° van artikel 109 W. Reg. VL. De omzetting bedoeld in de artikelen 745quater en 745quinquies van het Burgerlijk Wetboek, vermeld in het 3° van artikel 109 W. Reg. VL., is dus van de verlaging van de heffingsgrondslag uitgesloten.
Merk op dat de verlaging mogelijk is ongeacht de aard of de bestemming van de in onverdeeldheid zijnde onroerende goederen. Hoewel het in de meeste gevallen wel zal gaan om de gezinswoning, kan de verlaging evengoed van toepassing zijn op bijvoorbeeld een bouwgrond of een ander ongebouwd onroerend goed, een winkelpand, een tweede verblijf, een garage, enz ...
3.1.2. Verdeling of afstand die de onverdeeldheid doet ophouden
Opdat de verlaging van de heffingsgrondslag van toepassing zou kunnen zijn, moet voor minstens één in de verdeling of afstand betrokken onroerend goed de onverdeeldheid volledig ophouden. Dat volgt uit de woorden “de totale heffingsgrondslag zoals bepaald in artikel 110, eerste lid W. Reg. VL.”.
Indien de overeenkomst enkel de parten van de partijen in de onverdeelde goederen wijzigt zonder de onverdeeldheid van die goederen volledig te doen ophouden, is er geen vermindering van de heffingsgrondslag, vermits die in dat geval wordt bepaald door artikel 110, tweede lid W. Reg. VL.
Indien de overeenkomst zowel gehele als gedeeltelijke verdelingen of afstanden betreft, kan de vermindering enkel worden toegepast op de gezamenlijke waarde van de goederen waarvoor de onverdeeldheid volledig ophoudt.
3.1.3. Verdeling of afstand tussen personen met een welbepaalde hoedanigheid
Het moet gaan om een verdeling of afstand tussen:
ofwel echtgenoten die bij onderlinge toestemming (EOT) uit de echt aan het scheiden zijn;
ofwel op grond van onherstelbare ontwrichting van hun huwelijk (EOO) uit de echt gescheidenen;
ofwel ex-wettelijk samenwonenden die op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden.
Feitelijk samenwonenden komen dus nooit in aanmerking voor de verlaging van de heffingsgrondslag.
Onroerende goederen waarin ook andere partijen dan de vorenbedoelde echtgenoten, gewezen echtgenoten of gewezen wettelijk samenwonenden een part in de onverdeeldheid hebben, komen niet in aanmerking voor de verlaging van de heffingsgrondslag, zelfs al houdt de onverdeeldheid volledig op. Uit de tekst van het artikel en uit de voorbereidende werken blijkt onmiskenbaar dat de Vlaamse decreetgever enkel voormelde personen heeft willen bevoordelen. Deze vaststelling gekoppeld aan het feit dat de bevoordeling de vorm aanneemt van een forfaitaire vermindering van de totale heffingsgrondslag, sluit de toepassing van de vermindering van de heffingsgrondslag uit op de goederen waarin ook derden participeren.
Voorbeeld. X en Y, E.O.O.’ers (zonder kinderen), zijn, samen met A en B, onverdeelde eigenaars van een flat (waarde 180.000 €), elk voor ¼ volle eigendom. X en Y zijn ook onverdeelde eigenaars van een garage (waarde 20.000 €). Bij de vereffening-verdeling, waarin ook A en B tussenkomen voor wat betreft de flat, wordt de eigendom van de flat volledig toebedeeld aan X en de eigendom van de garage volledig aan Y.
Heffing:
- op de verdeling van de flat: 180.000 € x 2,5% = | 4.500,00 € |
- op de garage: (20.000 € - 50.000 €) x 2,5 % = | 0,00 € |
4.500,00 € |
Indien de flat onverdeelde eigendom was geweest van enkel X en Y, zou de heffing er als volgt uitzien:
(180.000 € + 20.000 €) – 50.000 € = 150.000 € x 2,5% = 3.750 €
3.1.4. Verdeling of afstand in het kader van de regeling van gevolgen van de scheiding
De Vlaamse decreetgever heeft een verbinding gelegd tussen de verdeling of afstand waarvoor het abattement geldt en de echtscheiding, door te bepalen (volgens het type van echtscheiding) in welke soort akte de verdeling of afstand moet worden geregeld (2). Tussen de verdeling of afstand en de beëindiging van het wettelijk samenwoningverband wordt de link gelegd door een uiterste datum te bepalen waarbinnen de verdeling of afstand moet worden geregeld na bedoelde beëindiging. Een en ander brengt mee.
----------
(2) Zie de verantwoording bij het amendement nr. 8 (Vlaams Parlement, Stuk 1529 (2011-2012) – Nr. 7 ). “De procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling werd hervormd door de wet van 13 augustus 2011 houdende hervorming van de procedure van gerechtelijke vereffening-verdeling (Belgisch Staatsblad, 15 september 2011) en aan een strikt tijdschema onderworpen. De verbinding tussen de verdeling waarvoor het abattement geldt en echtscheiding ligt dus vast. Aangezien ons Burgerlijk Wetboek niet voorziet in een specifieke, aan het einde van de wettelijke samenwoning verbonden, procedure van vereffening-verdeling na beëindiging van de wettelijke samenwoning, wordt een bijkomende voorwaarde toegevoegd die dit verband legt. Er wordt voor wettelijk samenwonenden een termijn van een jaar opgelegd binnen dewelke de vereffening-verdeling gerealiseerd moet zijn. Omdat formeel de wettelijke samenwoning beëindigd wordt door de verklaring op de burgerlijke stand, wordt, om van het abattement te kunnen genieten, opgelegd dat de verdeling plaatsvindt binnen een periode van een jaar na de formele verbreking. Zo wordt de temporale samenhang tussen de verdeling en beëindiging van de wettelijke samenwoning gemaakt.”.
3.1.4.1. wat betreft de akte waarin de verdeling of de afstand moet ‘geschieden’:
voor E.O.T’ers moet de verdeling of afstand zijn ‘overeengekomen’ (3) in de akte bedoeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek (4), dit wil zeggen in de zogenaamde regelingsakte E.O.T.
voor E.O.O.’ers moet de verdeling of de afstand overeengekomen (5) zijn in een akte van vereffening-verdeling na de E.O.O.
----------
(3) De wettekst zegt dat de verdeling of de afstand moet “geschieden” bij de regelingsakte E.O.T. of bij de vereffening-verdeling na E.O.O. Dit moet geïnterpreteerd worden in de zin van “overeengekomen”. Quid indien de E.O.T.’ers in de regelingsakte overeenkomen de onverdeeldheid gedurende een termijn (in principe maximaal vijf jaar, maar eventueel verlengbaar) te behouden. Indien de regelingsakte vaststelt hoe de verdeling of afstand zal geschieden na het verloop van die termijn, is voldaan aan de gestelde voorwaarde. Ook het feit dat de verdeling of afstand gekoppeld is aan een voorwaarde, doet niet af aan het feit dat ze in de regelingsakte is overeengekomen.
(4) Krachtens dat artikel moeten de echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, hun wederzijdse rechten - waaronder dus de rechten in de tussen hun in onverdeeldheid zijnde onroerende goederen - vooraf regelen.
(5) Zie opmerking onder voetnoot 3. Zie ook volgende passage in de verantwoording bij amendement nr. 8 (referte zie voetnoot 2): “De kinderen met wie rekening wordt gehouden zijn deze die recht geven op kinderbijslag op het ogenblik van de verdeling of afstand. Dit betekent dat voor overeenkomsten onder opschortende voorwaarde niet het ogenblik van het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde bepalend is, doch het ogenblik waarop de overeenkomst tot stand is gekomen die de opschortende voorwaarde bevat”.
Opmerking.
In de verantwoording bij het amendement dat de definitieve tekst van het decreet heeft opgeleverd (zie voetnoot 1) wordt aangaande E.O.O. enkel verwezen naar de gerechtelijke vereffening-verdeling volgens de procedure van de artikelen 1207 e.v. van het Gerechtelijke Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 13 augustus 2011. Hoewel in een context van een echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting van het huwelijk wellicht minder voorkomend, belet op juridisch vlak niets dat de ex-echtgenoten de vereffening-verdeling minnelijk regelen. De wettekst zelf verwijst wat E.O.O. betreft naar de “vereffening–verdeling zoals bepaald in hoofdstuk VI van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek”. In dat hoofdstuk wordt zowel gehandeld over de minnelijke als over de gerechtelijke verdeling van onroerende goederen. Het lijdt geen twijfel dat de vermindering van de heffingsgrondslag dus ook van toepassing kan zijn in geval van minnelijke regeling van de verdeling tussen de E.O.O.’ers.
3.1.4.2. wat betreft de termijn waarbinnen de verdeling of afstand moet zijn geregeld:
bij E.O.T.’ers is die termijn uiteraard begrensd door de echtscheiding zelf, vermits de regelingsakte noodzakelijkerwijze aan die echtscheiding moet voorafgaan;
bij E.O.O.’ers is die termijn afhankelijk van de duur van de procedure van de gerechtelijke verdeling zoals geregeld door de artikelen 1207 e.v. van het Gerechtelijk Wetboek of, in voorkomend geval, van de duur van de minnelijke verdeling indien de partijen onderling overeenstemming bereiken.
voor de ex-wettelijk samenwonenden wordt uitdrukkelijk bepaald dat de verdeling of de afstand moet zijn overeengekomen binnen een termijn van een jaar volgend op de beëindiging van de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, dit wil zeggen volgend op de dag waarop één van de wettelijk samenwonenden in het huwelijk is getreden of volgend op de dag waarop de schriftelijke verklaring van beëindiging van de wettelijke samenwoning aan de ambtenaar van de burgerlijke stand is afgegeven.
Opmerking.
Voor de toepassing van de vermindering van de heffingsgrondslag is niet vereist dat een bewijs van de datum van het begin en van de beëindiging van de wettelijke samenwoning wordt gevoegd bij de akte van verdeling of afstand. Het vervuld zijn van de termijnvoorwaarden (minimum duur wettelijke samenwoning en termijn waarbinnen de verdeling moet zijn overeengekomen) kan worden gecontroleerd door raadpleging van het Rijksregister.
3.1.5. Partijen mogen nog geen verdeling onder elkaar zijn overeengekomen waarbij zij van de vermindering van de heffingsgrondslag hebben genoten.
Normaliter zal de verdeling of de afstand naar aanleiding van de scheiding van de partijen, geregeld worden in één akte. Daarvan uitgaande heeft de Vlaamse decreetgever bepaald een vermindering toe te staan op de totale heffingsgrondslag van alle onroerende goederen waarvoor de onverdeeldheid tussen de echtgenoten, ex-echtgenoten of ex-wettelijk samenwonenden ophoudt. Om te vermijden dat de partijen de verrichting van vereffening/verdeling kunstmatig zouden opsplitsen over verschillende akten om aldus voor elke akte van de vermindering van de heffingsgrondslag te kunnen genieten, werd deze negatieve voorwaarde in het artikel ingeschreven.
3.2. Bedrag van de vermindering van de heffingsgrondslag
3.2.1. Partijen zonder kinderen die recht geven op kinderbijslag op de datum van de verdeling of de afstand (basisabattement)
De vermindering van de heffingsgrondslag bedraagt dan onveranderlijk 50.000 € ( = basisabattement) Wat dient te worden verstaan onder “kinderen die recht geven op kinderbijslag” wordt onder punt 3.2.2. nader bekeken.
3.2.2. Partijen met kinderen die recht geven op kinderbijslag op de datum van de verdeling of de afstand (verhoogd abattement)
Het basisabattement van 50.000 € wordt dan verhoogd met 20.000 € per kind.
Welke kinderen geven recht op een verhoogd abattement ? Het moet gaan om (cumulatieve voorwaarden (6)):
-
al dan niet gemeenschappelijke kinderen van de partijen of door beiden of een van hen geadopteerde kinderen
Het gaat dus om kinderen:
- die juridisch afstammen (7) van één of van beide partijen, ongeacht of die afstamming vaststaat krachtens de wet, door erkenning of door een gerechtelijke beslissing;
- die geadopteerd (8) zijn door één van de partijen of door beide partijen, ongeacht of het gaat om gewone of volle adoptie.
-
die op datum van de verdeling of de afstand recht geven op kinderbijslag
De tekst van artikel 111bis, derde lid, bepaalt niet dat de kinderbijslag moet worden uitbetaald aan één der partijen bij de verdeling. Het bepaalt enkel dat het moet gaan om een kind dat recht geeft op kinderbijslag.
Het recht op kinderbijslag in hoofde van het kind moet bestaan op het tijdstip van de overeenkomst tot verdeling of afstand, en niet op het ogenblik dat die verdeling daadwerkelijk uitwerking krijgt door bijvoorbeeld de vervulling van een eventuele opschortende voorwaarde in de overeenkomst.
----------
(6) In het kader van de reglementering van de kinderbijslag voor werknemers bijvoorbeeld kan kinderbijslag verkregen worden voor de kinderen van de ex-echtgenoot van de werknemer, als die kinderen tot zijn gezin behoren. Vermits zij geen kinderen zijn van de werknemer en evenmin door hem geadopteerd zijn, kunnen zij niet in aanmerking worden genomen voor de verhoging van het abattement.
(7) Zie de artikelen 312 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, in werking getreden op 1 juli 2007).
(8) Zie Burgerlijk Wetboek – Boek I, Titel VIII. - Adoptie. (Wet 24–04-2003, inwerkingtreding : 01-09-2005).
Opmerking
In het kader van de interpretatie van artikel 16 W. Reg. stelt de administratie zich op het standpunt dat wat de elementen aangaat die een weerslag hebben op de heffingsgrondslag, zoals in casu het hebben van kinderen die recht geven op kinderbijslag, men zich moet stellen op de datum van de vervulling van de voorwaarde. De Vlaamse decreetgever is hiervan afgeweken in het kader van het nieuwe artikel 111bis W. Reg. VL. Met de woorden “op de datum van voormelde verdeling of afstand” wordt verwezen naar de datum van de overeenkomst, niet naar die van de vervulling van de voorwaarde. Dit wordt uitdrukkelijk gesteld in amendement nr. 8 (referte zie voetnoot 1) dat de uiteindelijke tekst van het decreet heeft opgeleverd: “De kinderen met wie rekening wordt gehouden zijn deze die recht geven op kinderbijslag op het ogenblik van de verdeling of afstand. Dit betekent dat voor overeenkomsten onder opschortende voorwaarde niet het ogenblik van het in vervulling gaan van de opschortende voorwaarde bepalend is, doch het ogenblik waarop de overeenkomst tot stand is gekomen die de opschortende voorwaarde bevat”. Er wordt benadrukt dat het zich plaatsen op de datum van de overeenkomst in het kader van de beoordeling van het aantal kinderen die recht geven op kinderbijslag voor de toepassing van de verhoging van het abattement, moet beschouwd worden als een uitzondering op de algemene regel dat dergelijke elementen die een weerslag hebben op de heffingsgrondslag, moeten beoordeeld worden op datum van de vervulling van de voorwaarde (9).
----------
(9) Zie ook F. Werdefroy, "Registratierechten", Volume I, nr. 595.
Een pleegkind (10) geeft dus geen recht op vermindering van de heffingsgrondslag, ook al wordt de kinderbijslag voor dat kind aan één van de pleegouders-partijen bij de verdeling, uitbetaald.
----------
(10) In de juridisch-technische betekenis - zie Burgerlijk Wetboek - Boek I, Titel X, Hoofdstuk IIbis: "Pleegvoogdij". Bij pleegvoogdij gaat de pleegvoogd ten kosteloze titel de verbintenis aan het pleegkind op te voeden, te onderhoud en te socialiseren (art. 475bis, lid 1 BW). Het is een contract (tussen pleegouder en pleegkind) waarbij de pleegvoogd andermans kind in bescherming neemt zonder alle gevolgen van de adoptie op zich te nemen.
3.3. Vormvoorwaarden
In of onderaan het document dat tot de heffing van het evenredig recht van 2,5% aanleiding geeft moeten de partijen (11) :
----------
(11) Artikel 111bis, laatste lid, W. Reg. VL. bepaalt dat “de verkrijgers” een aantal vermeldingen moeten doen. De administratie neemt aan dat hier “de partijen” werden bedoeld. Vermits het steeds gaat om een verdeling tussen twee partijen die resulteert in het ophouden van de onverdeeldheid, is er per goed maar één verkrijger. Het voordeel van de vermindering van de heffingsgrondslag baat echter aan beide partijen, vermits de kosten van een verdeling ten laste van alle betrokken partijen zijn, en niet louter ten laste van de verkrijger. Het is dan ook logisch dat de vermeldingen door beide partijen moeten worden gedaan.
-
uitdrukkelijk vermelden dat zij de toepassing van artikel 111bis W. Reg.VL. vragen.
In principe brengt het niet uitdrukkelijk vragen van een belastingvoordeel het definitief verlies ervan mee, indien het betreffende artikel dat vereist (zie artikel 209, 1°, W. Reg. VL.). De Vlaamse decreetgever heeft ook hier echter een opvangnet voorzien (zie randnummer 4).
-
verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarden van artikel 111bis W. Reg.VL.
De tekst van artikel 111bis W. Reg. VL. vereist nergens dat die verklaring gedetailleerd moet worden met elementen die aantonen dat de voorwaarden zijn vervuld (vb. ex-wettelijk samenwonenden moeten dus geen opgave doen van de begin- en de einddatum van hun samenwoning). Partijen kunnen dus volstaan met een algemene verklaring
-
indien zij de verhoging van het basisabattement willen, het aantal opgeven van de kinderen die recht geven op die verhoging, met hun naam, geboortedatum en de afstammingsband (afstamming stricto sensu of adoptie) met één van de of beide partijen bij de verdeling of afstand.
Met “kinderen die recht geven op die verhoging” wordt uiteraard verwezen naar de kinderen bedoeld in het derde lid van artikel 111bis W. Reg. VL. Voor de desbetreffende commentaar zie supra randnummer 3.2.2.).
Een onjuiste vermelding betreffende het vervuld zijn van de voorwaarden voor de toepassing van artikel 111bis W. Reg. VL., of betreffende de voor het bekomen van een bijkomend abattement te vermelden gegevens, maakt de in 202, tweede lid, W. Reg. bepaalde administratieve boete opeisbaar (boete = het ontdoken recht (12)).
----------
(12) Onverminderd het verschuldigd zijn van het ontdoken recht.
4. Nieuw artikel 212quinquies W. Reg. VL. - Opvangnet
Zoals bij de meeneembaarheid heeft de Vlaamse decreetgever ook hier in de mogelijkheid voorzien om, indien de vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het verdelingsrecht, binnen de zes maand na de registratie van dat document, nog teruggave te vragen van de teveel geheven rechten. Het nieuwe artikel 212quinquies W. Reg. VL. is volkomen analoog aan artikel 212ter W. Reg. VL. en behoeft aldus geen bijzondere commentaar meer.
5. Inwerkingtreding
De hier besproken artikelen van het decreet zijn in werking getreden op 1 augustus 2012. Zij gelden voor de overeenkomsten tot verdeling of een gelijkstaande verrichting die dagtekenen vanaf die datum, ongeacht de datum van de akte waarbij ze worden vastgesteld.
Indien belastingplichtigen aanspraak maken op het oude tarief, dienen de ontvangers een verklaring bij toepassing van artikel 168 W. Reg. te vragen waarin de belastingplichtigen bevestigen dat de overeenkomst dagtekent van voor 1 augustus 2012.
De administratie bezit het recht de in de aanvullende verklaring verstrekte gegevens te controleren en de onjuistheid ervan aan te tonen.
Bijlage 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 23 juli 2012
13 JULI 2012. - Decreet houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, Regering, bekrachtigen hetgeen volgt:
Decreet houdende wijziging van het tarief op het recht op verdelingen en gelijkstaande overdrachten
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Art. 2. In artikel 109 van het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, vervangen bij de wet van 23 december 1958 en gewijzigd bij de wet van 14 mei 1981, wordt de zinsnede « 1 t.h. » vervangen door de zinsnede « 2,5 t.h. ».
Art. 3. Er wordt een artikel 111bis ingevoerd in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, dat luidt als volgt:
« Art. 111bis. Indien de verdeling of afstand bepaald in artikel 109 onderworpen is aan het recht van 2,5 t.h., wordt de totale heffingsgrondslag zoals bepaald in artikel 110, eerste lid, verminderd met 50.000 euro indien de verdeling of afstand zoals bedoeld in artikel 109, 1° of 2°, geschiedt bij de akte bedoeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek of bij de vereffening-verdeling na echtscheiding op grond van onherstelbare ontwrichting zoals bepaald in hoofdstuk VI van boek IV van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek en zij nog geen verdeling onder elkaar zijn overeengekomen waarbij zij van deze vermindering van heffingsgrondslag of de hierna gemelde verhoging van de vermindering hebben genoten.
De totale heffingsgrondslag zoals bepaald in artikel 110, eerste lid, wordt eveneens verminderd met 50.000 euro indien de verdeling of afstand geschiedt binnen een termijn van een jaar volgend op de beëindiging van de wettelijke samenwoning overeenkomstig artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, op voorwaarde dat de personen op de dag van de beëindiging van de wettelijke samenwoning ten minste een jaar ononderbroken met elkaar wettelijk samenwoonden en zij nog geen verdeling onder elkaar zijn overeengekomen waarbij zij van deze vermindering van heffingsgrondslag of de hierna gemelde verhoging van de vermindering hebben genoten.
Wanneer de echtgenoten, gewezen echtgenoten of gewezen wettelijk samenwonenden, op de datum van voormelde verdeling of afstand, een of meerdere, al dan niet gemeenschappelijke kinderen of door beiden of een van hen geadopteerde kinderen hebben die recht geven op kinderbijslag, wordt dit bedrag verhoogd met 20.000 euro per kind.
In of onderaan het document dat tot heffing van het evenredig recht op de verdeling aanleiding geeft, moeten de verkrijgers:
a) uitdrukkelijk melden dat zij de toepassing van artikel 111bis vragen;
b) verklaren dat zij voldoen aan de voorwaarden van dit artikel;
c) in voorkomend geval, melding maken van het aantal kinderen met vermelding van hun naam, geboortedatum en afstammingsband, die recht geven op een verhoging van het in dit artikel vermelde bedrag. »
Art. 4. Er wordt een artikel 212quinquies ingevoerd in het Wetboek der Registratie-, Hypotheek- en Griffierechten, dat luidt als volgt:
« Art. 212quinquies. Ingeval de in artikel 111bis bepaalde vermindering van de heffingsgrondslag niet werd gevraagd of niet werd bekomen naar aanleiding van de registratie van het document dat aanleiding heeft gegeven tot de heffing van het in artikel 109 bepaalde evenredig recht, kunnen de teveel geheven rechten nog worden teruggegeven op een verzoek in te dienen overeenkomstig de bepalingen van artikel 217^2 binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van de registratie van dat document.
Het verzoek tot teruggave bedoeld in het eerste lid bevat de vermeldingen en verklaringen vereist bij het artikel 111bis, vierde lid. Het verzoek vermeldt in voorkomend geval ook het rekeningnummer waarop het bedrag van de terug te geven rechten kan worden gestort. »
Art. 5. Dit decreet treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 13 juli 2012.
De minister-president van de Vlaamse Regering,
K. PEETERS
De Vlaamse minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport,
Ph. MUYTERS
Bijlage 2
Tekst van artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek
De echtgenoten die besloten hebben tot echtscheiding door onderlinge toestemming over te gaan, moeten hun wederzijdse rechten waaromtrent het hun evenwel vrijstaat een vergelijk te treffen, vooraf regelen.
Zij kunnen vooraf een boedelbeschrijving doen opmaken overeenkomstig Hoofdstuk II - Boedelbeschrijving van Boek IV.
In dezelfde akte moeten zij vaststellen wat zij zijn overeengekomen met betrekking tot de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 745bis en 915bis van het Burgerlijk Wetboek, voor het geval één van hen zou overlijden vóór het vonnis of het arrest waarbij de echtscheiding definitief wordt uitgesproken.
...
Een letterlijk uittreksel van de akte, waaruit het bestaan van die overeenkomsten blijkt, moet voor zover zij betrekking heeft op onroerende goederen, overgeschreven worden op het hypotheekkantoor van het rechtsgebied, waarbinnen de goederen gelegen zijn, op de wijze en binnen de termijnen bepaald bij artikel 2 van de hypotheekwet van 16 december 1851, gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1913.
Tekst van artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek
§ 2. De wettelijke samenwoning houdt op wanneer een van de partijen in het huwelijk treedt of overlijdt, of wanneer er een einde aan wordt gemaakt overeenkomstig het bepaalde in deze paragraaf.
De wettelijke samenwoning kan worden beëindigd hetzij in onderlinge overeenstemming door de samenwonenden, hetzij eenzijdig door een van de samenwonenden door middel van een schriftelijke verklaring die tegen ontvangstbewijs wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand, zoals bepaald in het volgende lid. Dit geschrift bevat de volgende gegevens :
1° de datum van de verklaring;
2° de naam, de voornamen, de plaats en de datum van geboorte van beide partijen en de handtekening van beide partijen of van de partij die de verklaring aflegt;
3° de woonplaats van beide partijen;
4° de vermelding van de wil de wettelijke samenwoning te beëindigen.
De verklaring van de beëindiging in onderlinge overeenstemming wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van beide partijen of, indien de partijen geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van één van hen. In dat geval geeft de ambtenaar van de burgerlijke stand kennis van de beëindiging binnen acht dagen bij aangetekende brief aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van de andere partij.
De eenzijdige verklaring van de beëindiging wordt overhandigd aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van beide partijen of, indien de partijen geen woonplaats hebben in dezelfde gemeente, aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de woonplaats van de partij die de verklaring aflegt. De ambtenaar van de burgerlijke stand betekent binnen acht dagen de beëindiging bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de andere partij en in voorkomend geval geeft hij er kennis van bij aangetekende brief binnen dezelfde termijn aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente van de woonplaats van de andere partij.
In elk geval moeten de kosten van de betekening en de kennisgeving vooraf worden betaald door hen die de verklaring afleggen.
De ambtenaar van de burgerlijke stand maakt melding van de beëindiging van de wettelijke samenwoning in het bevolkingsregister.
Interne ref.: AFZ: Dossier nr. 497 / Kad., Reg. en Domeinen: Dossier nr. E.E./L. 216V
