Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 (28e aflevering) dd. 19.06.1991

Bull. nr. 708, pag. 1901

HERVORMINGSWET 1988
Belastingvrije som.
Onroerende voorheffing.

MORATORIUMINTERESTEN
Gevallen waarin geen moratoriuminteresten verschuldigd zijn.

ONROERENDE VOORHEFFING
Vermindering voor gehandicapte personen ten laste.
Vermindering voor kinderlast.

ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Belastingvrije som.
Onroerende voorheffing.


INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN VIII/1 II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE VIII/2 en 3 III. BEDOELDE OVERBELASTINGEN Niet toepassen van de belastingvrije som - Basisbedragen VIII/4 - Gezinsgerichte verhogingen VIII/5 - Gehandicapten VIII/6 - Tijdens het inkomstenjaar overleden personen te laste VIII/7 - Aanrekening van de belastingvrije som op het belastbare inkomen VIII/8 - Voorbeeld VIII/9 Verruiming van de begrippen "kind" en "gehandicapte" inzake vermindering van de OV VIII/10 IV. VOORWAARDEN VOOR ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE VIII/11 en 12 V. WIJZE VAN AMBTSHALVE ONTHEFFING VAN DE OVERBELASTINGEN VIII/13 VI. BESLISSINGEN OVER ONTHEFFINGEN ALS BEDOELD IN ART. 19, VAN DE HERVORMINGSWET VIII/14 VII. VEREFFENING VAN DE ONTHEFFINGEN VIII/15 VIII. MORATORIUMINTERESTEN VIII/16 IX. INWERKINGTREDING VIII/17 ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE I. WETTEKSTEN



Art.19,
VIII/1 Onder de in artikel 277, § 3, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bepaalde voorwaarden, verleent de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar ambtshalve ontheffing van overbelastingen te wijten aan de niet-toepassing van artikel 6 van deze wet.

Art. 6, (De in art. 6 vermelde bedragen gelden voor het aj. 1990. Krachtens art. 8, §§ 1 en 2, van de Hervormingswet worden die bedragen jaarlijks en gelijktijdig aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk aangepast. Wat de bedragen voor het aj. 1991 betreft wordt verwezen naar de tabel bij nr. II/991, 18e aflevering.)

§ 1. Van belasting wordt vrijgesteld, volgens het hierna volgende onderscheid, een gedeelte van het belastbaar inkomen;



van de alleenstaande : 165.000 frank;
van iedere echtgenoot : 130.000 frank;
van de belastingplichtige met afstammelingen ten laste of met kinderen die hij volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft :
a)voor een kind : 35.000 frank;
b)voor twee kinderen : 90.000 frank;
c)voor drie kinderen : 202.500 frank;
d)voor vier kinderen : 327.500 frank;
e)voor meer dan vier kinderen : 327.500 frank plus 125.000 frank per kind boven het vierde kind;
f)een bijkomend bedrag van 10.000 frank voor ieder kind dat de leeftijd van 3 jaar niet heeft bereikt op 1 januari van het aanslagjaar; deze vrijstelling kan niet worden samengevoegd met de aftrek bedoeld in artikel 15;
van de belastingplichtige, voor iedere in artikel 82, § 1, 3° tot 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde persoon ten laste : 35.000 frank.
Een kind dat voor ten minste 66 % getroffen is door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid wegens een of meer aandoeningen of overeenkomstig § 5 als gehandicapt wordt aangemerkt, wordt voor twee gerekend.

Een overleden kind wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat het reeds voor het vorige aanslagjaar te zijnen laste was of het tijdens het belastbaar tijdperk geboren en overleden is.



§2. Bovendien worden de voornoemde bedragen verhoogd :
met 35.000 frank voor de niet-hertrouwde weduwnaar of weduwe, alsook voor de ongehuwde vader of moeder die een of meer kinderen ten laste heeft;
met 35.000 frank voor de gehandicapte alleenstaande, de echtgenoot of de in § 1 eerste lid, 4°, bedoelde persoon;
met 35.000 frank voor de alleenstaande, gedurende het jaar van zijn huwelijk, wanneer zijn echtgenoot geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 60.000 frank netto bedragen;
met 95.000 frank voor de weduwe of weduwnaar, gedurende het jaar van ontbinding van het huwelijk, wanneer de echtgenoot geen bestaansmiddelen heeft gehad die meer dan 60.000 frank netto bedragen.
De in artikel 82, § 1, 3° tot 5°, van hetzelfde Wetboek bedoelde persoon die overleden is, wordt geacht deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar dat volgt op het jaar van zijn overlijden, op voorwaarde dat hij reeds voor het overige aanslagjaar ten laste was.

§ 3. Het in § 1, eerste lid, 2°, vermelde bedrag wordt aangerekend op elk van de in artikel 2 bedoelde grondslagen welke zijn gevormd door de inkomsten van de betrokken echtgenoot of die inkomsten omvat. Wanneer een van die grondslagen lager is dan 130.000 frank, wordt het saldo aangerekend op de andere grondslag.

§ 4. Nadat § 3 is toegepast, worden de in § 1, eerste lid, 3° en 4°, en § 2, eerste lid, 2°, vermelde bedragen bij voorrang aangerekend op de in artikel 2, b, bedoelde inkomsten. Wanneer die inkomsten lager zijn dan het totaal van die bedragen, wordt het saldo aangerekend op de in artikel 2, a, bedoelde inkomsten.

§ 5. Voor de toepassing van § 2, eerste lid, 2°, wordt als gehandicapt aangemerkt diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar :



a)ofwel zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
b)ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten met zich brengt, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
c)ofwel, na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 46 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 56 van dezelfde wet (Tekst ingevoegd door art. 329, W 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V 2019 - B 691). Ingevolge art. 333, § 1, 1°, van die wet is art. 329 eveneens van toepassing met ingang van het aj. 1990.);
d)ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, voor ten minste 66 % blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt werd verklaard. (Tekst ingevoegd door art. 329, W 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V 2019 - B 691). Ingevolge art. 333, § 1, 1°, van die wet is art. 329 eveneens van toepassing met ingang van het aj. 1990.).
Paragraaf 2, eerste lid, 2°, is ook van toepassing op de handicap die, vóór de inwerkingtreding van deze paragraaf, is erkend overeenkomstig artikel 81, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek.

§ 6. De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst de instanties aan die de toestand van de in dit artikel bedoelde gehandicapten vaststellen.

§ 7. Inzake de verminderingen van onroerende voorheffing stemmen de begrippen "kind" en "gehandicapte" overeen met die welke gelden op het stuk van de personenbelasting.



Art.39,
Titel I van deze wet is van toepassing :

1° met betrekking tot ... art. 6, § 1, eerste en tweede lid en § 2 tot § 7, de artikelen ... 14 tot 20 ..., met ingang van het aanslagjaar 1990.

II. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

VIII/2 Art. 19 van de hervormingswet heeft tot doel de gewestelijk directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar in staat te stellen ambtshalve ontheffing te verlenen van overbelastingen die voortvloeien uit het onjuist of het niet toepassen van de belastingvrije som berekend overeenkomstig art. 6 van dezelfde wet, zomede uit het niet- eerbiedigen van de verruimde betekenis die voortaan in het kader van de OV aan het begrip "kind" (kind, geadopteerd kind, kleinkind, achterkleinkind, kind dat de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft) wordt gegeven.

VIII/3 De overbelastingen moeten door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingplichtige zijn medegedeeld binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarvoor de onjuistheid is begaan.

III. BEDOELDE OVERBELASTINGEN

Niet toepassen van de belastingvrije som

Kort samengevat wordt de belastingvrije som als volgt vastgesteld en aangerekend (voor meer bijzonderheden, zie nrs. II/671 - 750.2).

Basisbedragen

VIII/4 De basisbedragen van de belastingvrije som zijn voor aj. 1990 : - voor een alleenstaande : 165.000 F - voor echtgenoten : ELK 130.000 F Gezinsgerichte verhogingen VIII/5 De belastingvrije som wordt met de volgende toeslagen verhoogd (bedragen voor aj. 1990) :

  • voor kinderen ten laste :
één kind : 35.000 F twee kinderen : 90.000 (= + 55.000) drie kinderen : 202.500 (= + 112.500) vier kinderen : 327.500 (= + 125.000) vijf kinderen en meer : 327.500 + 125.000 F per kind boven het vierde (N.B. gehandicapte kinderen worden voor twee geteld);
  • voor elk kind van minder dan 3 jaar een bijkomende toeslag van 10.000 F (indien geen aftrek wordt toegepast voor kosten van kinderoppas);
  • voor andere personen ten laste dan kinderen : 35.000 F per persoon;
  • voor niet-hertrouwde weduwen of weduwnaars, zomede voor ongehuwde moeders of vaders met kinderlast : 35.000 F;
  • voor de handicap van de belastingplichtige, van de echtgenoot of van een andere persoon ten laste dan een kind : 35.000 F per gehandicapte;
  • voor het jaar van huwelijk indien de echtgenoot van de betrokkene ten hoogste 60.000 F bestaansmiddelen heeft genoten : 35.000 F;
  • voor het jaar van overlijden van de echtgenoot wanneer deze laatste ten hoogste 60.000 F bestaansmiddelen heeft genoten : 95.000 F.
Gehandicapten

VIII/6 De wet maakt een onderscheid tussen gehandicapte kinderen en andere gehandicapten.

Ter zake wordt ook verwezen naar de commentaar op deze begrippen in de 20e aflevering, nrs. II/752 - II/800.

Tijdens het inkomstenjaar overleden personen ten laste

VIII/7 Kinderen overleden tijdens het inkomstenjaar worden geacht nog deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het aanslagjaar indien zij ofwel reeds voor het overige aanslagjaar ten laste waren, ofwel tijdens dat inkomstenjaar geboren waren. Deze kinderen zijn derhalve ten laste voor het jaar van overlijden, indien aan de andere voorwaarden voldaan is (inzonderheid inzake bestaansmiddelen). Deze bepaling geldt reeds voor het aj. 1989 (voor kinderen overleden in 1988), maar ambtshalve ontheffing is slechts mogelijk vanaf het aj. 1990 (art. 19 van de hervormingswet treedt slechts in werking met ingang van het aj. 1990).

Andere personen die tijdens het inkomstenjaar overleden zijn worden geacht nog op de eerstvolgende 1e januari deel uit te maken van het gezin van de belastingplichtige, indien zij reeds voor het vorige aanslagjaar ten laste waren. Deze bepaling geldt vanaf het aj. 1990 (overlijdens in 1989).

Aanrekening van de belastingvrije som op het belastbare inkomen

VIII/8 Een eerste regel schrijft voor dat voor echtgenoten de belastingvrije som (130.000 F per echtgenoot voor aj. 1990) op elk van de twee aanslagbasissen wordt aangerekend. Indien een van die aanslagbasissen lager is dan 130.000 F (aj. 1990), wordt het niet- gebruikte deel van de belastingvrije som naar de andere aanslagbasis overgeheveld en aldaar aan de desbetreffende belastingvrije som van 130.000 F (aj. 1990) toegevoegd (voetoverheveling).

Wanneer gehuwden aanspraak hebben op toeslagen van de belastingvrije som, worden deze bij voorrang aangerekend op het resterend gezinsinkomen. Het eventuele niet aangerekende saldo wordt naar de andere aanslagbasis overgeheveld.

De bepalingen betreffende de huwelijksquotiëntregeling en het meewerkinkomen (zie 23e aflevering, nrs. II/612-653) kunnen hier ook een rol spelen.

De belastingvrije som wordt aangerekend op de onderste tariefschijven, te beginnen met die van 25 %, dan die van 30 %, enz.

VIII/9 Voorbeeld : Een alleenstaande met een zwaar gehandicapt kind ten laste heeft een belastbaar inkomen van 400.000 F.

Aanslagjaar 1990 :

De belastingvrije som bedraagt 165.000 + 90.000 = 255.000 F.

De eerste tariefschijf van 230.000 F (25 %) plus 25.000 F van de tweede tariefschijf (30 %) worden niet belast.

De basisbelasting bedraagt :

Inkomstenschijf | Belasting ---------------------|------------------------- 1 tot 230.000 | 0 230.000 tot 255.000 | 0 255.000 tot 305.000 | 50.000 x 30 % : 15.000 305.000 tot 400.000 | 95.000 x 40 % : 38.000 ------ Totaal : 53.000 ====== Aanslagjaar 1991 : De belastingvrije som bedraagt 170.000 F + 93.000 F = 263.000 F.

De eerste tariefschijf van 237.000 (25 %) plus 26.000 F van de tweede tariefschijf (30 %) worden niet belast.

De basisbelasting bedraagt :

Inkomstenschijf | Belasting ---------------------|------------------------- 1 tot 237.000 | 0 237.000 tot 263.000 | 0 263.000 tot 314.000 | 51.000 x 30 % : 15.300 314.000 tot 400.000 | 86.000 x 40 % : 34.400 ------ Totaal : 49.700 ====== Verruiming van de begrippen "kind" en "gehandicapte" inzake vermindering van OV. VIII/10 Art. 6, § 7, van de hervormingswet bepaalt dat voor de verminderingen van OV de begrippen "kind" en "gehandicapte" overeenstemmen met die welke gelden op het stuk van PB.

Voor meer bijzonderheden wordt verwezen naar de 25e aflevering, nrs. VI/1-6.

IV. VOORWAARDEN VOOR ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE

VIII/11 De ontheffing van ambtswege van de ten onrechte gevestigde personenbelasting wegens het niet-toepassen van de belastingvrije som en wegens het niet-eerbiedigen van de verruimde betekenis van de begrippen "kind" en "gehandicapte" inzake vermindering van OV als bedoeld in art. 162, § 1, 3°, WIB, kan worden verleend onder de enige voorwaarde dat het tot overbelasting aanleiding gevende feit door de administratie is vastgesteld of door de belastingplichtige aan de administratie is bekendgemaakt binnen 3 jaar vanaf 1 januari van het aj. waartoe de belasting of de OV behoort waarvoor de onjuistheid is begaan.

VIII/12 Evenwel moet worden nagegaan of het gezag van het gewijsde van een vroegere beslissing nopens een bezwaarschrift of van een arrest van een Hof van beroep betreffende hetzelfde aj. geen beletsel vormt voor ambtshalve ontheffing bij toepassing van art. 19 van de hervormingswet.

V. WIJZE VAN AMBTSHALVE ONTHEFFING VAN DE OVERBELASTINGEN

VIII/13 Ter zake wordt gewezen naar de nrs. 277/17 en 277/22.8, 1e lid, Com.IB die van overeenkomstige toepassing zijn.

Ook de procedure van "negatieve inkohiering" kan worden gebruikt (zie circ. 16.5.1990, Ci.RH.853/416.076).

VI. BESLISSING OVER ONTHEFFINGEN ALS BEDOELD IN ART. 19 VAN DE
HERVORMINGSWET

VIII/14 Hier wordt verwezen naar de richtlijnen van nrs. 277/23 tot 27, Com.IB met dien verstande dat de uitgavestukken uitdrukkelijk de vermelding "uitvoering van art. 19, W 7.12.1988" moeten dragen.

VII. VEREFFENING VAN DE ONTHEFFINGEN

VIII/15 Cfr. nrs. 277/28 tot 277/32, Com.IB.

VIII. MORATORIUMINTERESTEN

VIII/16 Vermits art. 19 van de hervormingswet stelt dat ontheffing mag worden verleend "onder de in art. 277, § 3, 2°, WIB bepaalde voorwaarden" en in geval van toepassing van art. 277, § 3, 2°, WIB geen moratoriuminteresten worden toegekend indien de ontheffing na het verstrijken van de termijn van bezwaar een beroep van ambtswege geschiedt, moet hier op dezelfde wijze gehandeld worden.

Maar zelfs wanneer de ontheffing binnen de bezwaar-of beroepstermijn geschiedt, mag geen moratoriuminterest worden toegekend indien de ontheffing wordt verleend door middel van een terugbetaling van een overschot van voorheffingen en voorafbetalingen (Cass. 29.10.1987, Bank Nagelmakers 1747, B. 675, blz. 1536).

IX. INWERKINGTREDING

VIII/17 Overeenkomstig art. 39, 1°, van de hervormingswet treedt art. 19 van die wet in werking met ingang van het aj. 1990.