Circulaire nr. 5 (AFZ/2000/0046 - Dos. 215) d.d. 24.10.2001
Successierechten
Inbetalinggeving van kunstwerken
Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten
Wijziging van artikel 83-3 en nieuw artikel 83-4 van het Wetboek der successierechten
In het Staatsblad van 5 juli 2001, editie 1, werd de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten, bekendgemaakt.
Artikel 2 van die wet vervangt artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten. Artikel 3 voegt een nieuw artikel 83-4 in het Wetboek der successierechten in. De artikelen 4 en 5 wijzigen het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 en zijn niet relevant voor de sector Registratie en Domeinen van de AKRED. Artikel 6 bepaalt de inwerkingtreding.
Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij het nieuwe artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten. Het nieuwe artikel 83-4 van dat Wetboek betreft de taak, de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de (enige) bijzondere commissie waarvan sprake is in het nieuwe artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten. Artikel 83-4 zal ten gronde gecommentarieerd worden in een latere circulaire te verschijnen naar aanleiding van de publicatie van het Ministerieel besluit dat de organisatie en de werkwijze van die commissie zal regelen. Hier kan wat dat artikel betreft volstaan worden met de opmerking dat de nieuwe "bijzondere" commissie niet alleen - mutatis mutandis - de taken van de twee huidige commissies krijgt toebedeeld, maar zich bovendien zal moeten uitspreken over de ontvankelijkheid van het aanbod tot inbetalinggeving. Dit laatste aspect zal dus niet meer door de ontvanger der successierechten worden beoordeeld (vergelijk nieuw artikel 83-4, eerste lid, 2° met artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 januari 1987 betreffende de aangifte van kunstwerken ter betaling van de successierechten Dit koninklijk besluit zal ingevolge de nieuwe wettelijke bepalingen inzake inbetalinggeving van kunstwerken moeten gewijzigd worden. Het koninklijk besluit van 24 augustus 1987 "tot instelling van een commissie belast ondermeer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten" zal ingevolge de nieuwe wettelijke bepalingen inzake inbetalinggeving moeten worden opgeheven, vermits de samenstelling van de commissie in de wet zelf werd bepaald en een nieuw ministerieel besluit de organisatie en de werkwijze van de nieuwe commissie moet regelen. Het is duidelijk dat de nieuwe wetsbepalingen maar in werking zullen treden nadat de nodige uitvoeringsbesluiten zijn genomen. Zie punt 4 betreffende de inwerkingtreding van de wet van 21 juni 2001. ). De aandacht wordt erop gevestigd dat de nieuwe regelgeving nog niet van kracht is (zie punt 4 van de commentaar). Een uittreksel uit de wet van 21 juni 2001 gaat in bijlage 1.
COMMENTAAR
1. OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE WIJZIGINGEN
Ten opzichte van de vigerende regeling bevat het nieuwe artikel 83-3 vier essentiële wijzigingen:
2 TEKSTVERGELIJKING EN TOELICHTING BIJ DE WIJZIGINGEN
3. Artikelen 80, 81 en 137 van het Wetboek der successierechten
De artikelen 80, 2de lid (schorsing van de invordering van de rechten), 81, 3de lid (verschuldigdheid van intresten) en 137, tweede lid (ingang verjaringstermijn) werden niet gewijzigd.
4. Inwerkingtreding
Artikel 6 van de wet van 21 juni 2001 bevat een bijzondere inwerkingstredingsbepaling: "de Koning bepaalt voor elk artikel van deze wet de datum waarop het in werking treedt". Om de nieuwe regeling toepassing te kunnen geven moeten inderdaad eerst nog een aantal uitvoeringsbesluiten worden genomen. Zolang de nodige uitvoeringsbesluiten niet zijn genomen en inwerking getreden, blijft dus de vigerende ("oude") regeling van toepassing.
De wet van 21 juni 2001 bevat geen overgangsbepaling. Dit houdt in dat de wetgever gekozen heeft voor de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet zodra hij in werking treedt. De op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling nog lopende procedures van inbetalinggeving zullen hernomen worden volgens de regels van de nieuwe procedure, zonder dat de aanbieders een nieuw verzoek tot inbetalinggeving (in de nieuwe terminologie: "schattingsaanvraag") moeten doen. Gelet op de ratio legis van de nieuwe regeling, inzonderheid op de regels in verband met de voorafgaande schatting, zal in voorkomend geval de berekening van de verschuldigde rechten moeten hermaakt worden rekening gehouden met de door de enige commissie bepaalde waarde van het aangeboden kunstwerk. In geen geval zal er een boete wegens tekortschatting worden gevorderd als de in de aangifte - overeenkomstig de oude regeling - opgegeven waarde van het aangeboden kunstwerk aanmerkelijk lager zou zijn dan de waarde die er door de enige commissie aan wordt gegeven.
Namens de minister:
De adjunct-administrateur-generaal van de belastingen.
Jean-Marc Delporte
BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 5 juli 2001 Ministerie van Financiën
21 juni 2001. - Wet tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten.
Albert II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
Gegeven te Brussel, 21 juni 2001.
Albert
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
D. Reynders
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
M. Verwilghen
Inbetalinggeving van kunstwerken
Wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten
Wijziging van artikel 83-3 en nieuw artikel 83-4 van het Wetboek der successierechten
In het Staatsblad van 5 juli 2001, editie 1, werd de wet van 21 juni 2001 tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten, bekendgemaakt.
Artikel 2 van die wet vervangt artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten. Artikel 3 voegt een nieuw artikel 83-4 in het Wetboek der successierechten in. De artikelen 4 en 5 wijzigen het Wetboek der inkomstenbelastingen 1992 en zijn niet relevant voor de sector Registratie en Domeinen van de AKRED. Artikel 6 bepaalt de inwerkingtreding.
Bij deze circulaire wordt een eerste commentaar verstrekt bij het nieuwe artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten. Het nieuwe artikel 83-4 van dat Wetboek betreft de taak, de samenstelling, de organisatie en de werkwijze van de (enige) bijzondere commissie waarvan sprake is in het nieuwe artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten. Artikel 83-4 zal ten gronde gecommentarieerd worden in een latere circulaire te verschijnen naar aanleiding van de publicatie van het Ministerieel besluit dat de organisatie en de werkwijze van die commissie zal regelen. Hier kan wat dat artikel betreft volstaan worden met de opmerking dat de nieuwe "bijzondere" commissie niet alleen - mutatis mutandis - de taken van de twee huidige commissies krijgt toebedeeld, maar zich bovendien zal moeten uitspreken over de ontvankelijkheid van het aanbod tot inbetalinggeving. Dit laatste aspect zal dus niet meer door de ontvanger der successierechten worden beoordeeld (vergelijk nieuw artikel 83-4, eerste lid, 2° met artikel 6 van het koninklijk besluit van 20 januari 1987 betreffende de aangifte van kunstwerken ter betaling van de successierechten Dit koninklijk besluit zal ingevolge de nieuwe wettelijke bepalingen inzake inbetalinggeving van kunstwerken moeten gewijzigd worden. Het koninklijk besluit van 24 augustus 1987 "tot instelling van een commissie belast ondermeer met de schatting van kunstwerken voor de toepassing van sommige fiscale wetten" zal ingevolge de nieuwe wettelijke bepalingen inzake inbetalinggeving moeten worden opgeheven, vermits de samenstelling van de commissie in de wet zelf werd bepaald en een nieuw ministerieel besluit de organisatie en de werkwijze van de nieuwe commissie moet regelen. Het is duidelijk dat de nieuwe wetsbepalingen maar in werking zullen treden nadat de nodige uitvoeringsbesluiten zijn genomen. Zie punt 4 betreffende de inwerkingtreding van de wet van 21 juni 2001. ). De aandacht wordt erop gevestigd dat de nieuwe regelgeving nog niet van kracht is (zie punt 4 van de commentaar). Een uittreksel uit de wet van 21 juni 2001 gaat in bijlage 1.
COMMENTAAR
1. OVERZICHT VAN DE VOORNAAMSTE WIJZIGINGEN
Ten opzichte van de vigerende regeling bevat het nieuwe artikel 83-3 vier essentiële wijzigingen:
| a) | inbetalinggeving van kunstwerken zal ook mogelijk zijn ter voldoening van het recht van overgang bij overlijden; |
| b) | naast kunstwerken die "internationale faam" genieten kunnen onder de nieuwe regeling ook kunstwerken die tot het "roerend cultureel erfgoed van het land" behoren in betaling worden gegeven; |
| c) | erfgenamen, legatarissen of begiftigden zullen onder de nieuwe regeling ook kunstwerken in betaling kunnen geven waarvan ze op het ogenblik van het overlijden volledig of samen met de erflater voor de geheelheid eigenaar waren, daar waar onder de vigerende regeling enkel kunstwerken kunnen worden aangeboden die voor de geheelheid in de nalatenschap aanwezig zijn of voor het geheel aan de overledene en/of aan zijn overlevende echtgenoot toebehoren |
| d) | in geval de aangeboden kunstwerken deel uitmaken van de nalatenschap, wordt hun waarde vastgesteld bij een verplichte "voorafgaande schatting" die in aanmerking wordt genomen voor de heffing van de rechten, daar waar die kunstwerken voorheen in de aangifte volgens de gewone regels door de aangifteplichtigen dienden te worden geschat. |
| vigerend artikel 83-3 | nieuw artikel 83-3 |
| 1ste lid Ieder erfgenaam, legataris of begiftigde kan, mits hij daartoe civielrechtelijk bevoegd is, verzoeken (1) de uit hoofde van de nalatenschap van een rijksinwoner verschuldigde rechten geheel of ten dele te voldoen door de afgifte van de kunstwerken waarvan de (2) internationale faam door de Minister van Financiën wordt erkend, op eensluidend advies van de bevoegde technische commissie bedoeld in [...], of van het bevoegde sectiecomité bedoeld in [...], volgens de aard van het kunstwerk, en (3) die voor de geheelheid in de nalatenschap aanwezig zijn of voor het geheel aan de overledene en/of aan zijn overlevende echtgenoot toebehoren. | 1ste lid Iedere erfgenaam, legataris of begiftigde kan, mits hij daartoe civielrechtelijk bevoegd is, verzoeken (1) de uit hoofde van een nalatenschap invorderbare rechten geheel of ten dele te voldoen door de afgifte van kunstwerken waarvan de minister van Financiën, op eensluidend advies van de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie, erkent dat zij (2) tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of dat zij internationale faam genieten. |
| 2de lid Deze uitzonderlijke wijze van betaling is afhankelijk gesteld van de (4) aanvaarding door de Minister van Financiën, op eensluidend advies van een commissie waarvan de Koning de opdracht, de bevoegdheid, de samenstelling en de werking bepaalt en die, inzonderheid, advies verstrekt over de in aanmerking te nemen geldwaarde. | 2de lid Om ter betaling te kunnen worden aangeboden, moeten de kunstwerken (3) in hun geheel deel uitmaken van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in hun geheel toebehoren aan de overledene en/of aan zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden. |
| 3de lid Deze uitzonderlijke betalingswijze is afhankelijk van de (4) aanvaarding van het aanbod door de Minister van Financiën. | |
| 3de lid (5) Ieder kunstwerk dat ter betaling wordt afgegeven, wordt geacht te worden aangeboden voor de waarde die ervoor is aangegeven met het oog op de heffing van het successierecht. De erfgenaam, de legataris of de begiftigde die de aanvraag doet, kan deze waarde te allen tijde verminderen. | 4de lid (5) De ter betaling aangeboden kunstwerken worden, ongeacht of zij al dan niet deel uitmaken van de nalatenschap, geschat door de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie en worden geacht te worden aangeboden tegen de waarde die bij de voorafgaande schatting werd vastgesteld. Maakt het kunstwerk deel uit van de nalatenschap, dan wordt de waarde die is vastgesteld bij deze voorafgaande schatting daarenboven in aanmerking genomen voor de heffing van de successierechten. De kosten verbonden aan deze schatting worden voorgeschoten door de verzoekers. Ze worden door de Staat gedragen wanneer de Minister van Financiën de inbetalinggeving geheel of ten dele aanvaardt. |
| 5de lid De erfgenamen, legatarissen of begiftigden dienen de schattingsaanvraag in bij een ter post aangetekende brief bij de voorzitter van de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie. Deze aanvraag wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief betekend aan de ontvanger van het bureau waar de aangifte moet worden ingediend. | |
| 4de lid Het bewijs dat de ter betaling aangeboden goederen voor de geheelheid in de nalatenschap aanwezig zijn of voor de geheelheid (6) aan de overledene en/of aan zijn overlevende echtgenoot toebehoren, mag worden geleverd door alle wettelijke middelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens, maar met uitzondering van de eed. | 6de lid Het bewijs dat de ter betaling aangeboden goederen in hun geheel tot de nalatenschap behoren of in hun geheel toebehoren (6) aan de overledene en/of zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, kan worden geleverd door alle wettelijke middelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed. |
| 5de lid Aanvullende regelingen in verband met de inbetalinggeving worden bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit bepaald | 7de lid Aanvullende regels betreffende de inbetalinggeving worden vastgelegd bij koninklijk besluit. |
| 2.1. | Inbetalinggeving ook mogelijk voor recht van overgang bij overlijden: vgl. (1) vigerend artikel 83-3 met (1) nieuw artikel 83-3. |
| Dit volgt onmiskenbaar uit de weglating van de woorden "van een rijksinwoner". De toelichting bij het oorspronkelijk voorstel bevestigt deze bedoeling. |
| 2.2. | Nieuwe omschrijving van kunstwerken die in betaling kunnen worden gegeven: vgl. (2) vigerend artikel 83-3 met (2) nieuw artikel 83-3. |
| Niet alleen kunstwerken die internationale faam genieten, maar ook kunstwerken die enkel tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren, zullen in betaling kunnen worden gegeven. |
| In de voorbereidende werken werd benadrukt dat de term "kunstwerken" ruim moet geïnterpreteerd worden. Het gaat niet alleen om schilderijen en beeldhouwwerken, maar ook om boeken, manuscripten, juwelen, meubels enz... Het kan echter volgens de verklaring van de Minister van Financiën in geen geval gaan om onroerende goederen, hoewel bijvoorbeeld een gebouw vanuit architecturaal oogpunt als een kunstwerk kan worden aangemerkt. |
| Beantwoorden bijvoorbeeld aan de notie "behoren tot het roerend cultureel erfgoed van het land" een voorwerp dat representatief is voor hoogstaand regionaal ambachtswerk en een werk van een Belgisch kunstenaar die nog geen internationale erkenning heeft gekregen, maar hier te lande toch een zekere renommee heeft. |
| 2.3. | Eigendomsvoorwaarde - ook kunstwerken die op het ogenblik van het overlijden eigendom zijn van een erfgenaam, legataris of begiftigde zullen in betaling kunnen worden gegeven: vgl. (3) vigerend artikel 83-3 met (3) nieuw artikel 83-3. |
| In de vigerende regeling moet een kunstwerk om in betaling te kunnen worden gegeven: |
| - | ofwel voor de geheelheid in de nalatenschap aanwezig zijn; |
| - | ofwel gedeeltelijk in de nalatenschap aanwezig zijn en voor het overige toebehoren in eigendom aan de overlevende echtgenoot; |
| - | ofwel voor het geheel aan de overlevende echtgenoot toebehoren. |
| Merk op dat in de vigerende regeling niet met zoveel woorden is bepaald dat wanneer de overlevende echtgenoot geheel of gedeeltelijke eigenaar is van het kunstwerk, die eigendomstitel al moest bestaan op het ogenblik van het overlijden van de erflater - vgl. met nieuwe regeling. |
| In de nieuwe regeling worden aan de bestaande mogelijkheden de volgende mogelijkheden toegevoegd: |
| - | ofwel gedeeltelijk in de nalatenschap aanwezig zijn en voor het overige toebehoren aan de erfgenamen, legatarissen en begiftigden; |
| - | ofwel geheel toebehoren aan de erfgenamen, legatarissen en begiftigden. |
| De bedoeling is dus dat in betaling kunnen gegeven worden: alle kunstwerken waarvan de inbetalinggevers de gehele eigendom bezitten. Dit is logisch omdat het gaat om de substitutie van een verplichting om een geldsom te betalen door een overdracht in eigendom van een bestanddeel van het patrimonium van de schuldenaar(s). Merk nochtans op dat in de nieuwe regeling de eigendomstitel |
| van de overlevende echtgenoot, de erfgenamen, de legatarissen of de begiftigden met betrekking tot het deel van het kunstwerk dat zij niet uit de nalatenschap hebben verkregen, moet bestaan op het ogenblik van het overlijden |
| In het licht van het opzet van de nieuwe wetgeving is dit minder logisch, maar de wettekst is duidelijk. |
| 2.4. | Aanvaarding door de Minister van Financiën - al of niet gebonden bevoegdheid: vgl. (4) vigerend artikel 83-3 met (4) nieuw artikel 83-3. |
| In de vigerende regeling treden twee commissies op: een eerste commissie met als taak bindend advies uit te brengen over de vereiste faam van het kunstwerk, een tweede met als taak bindend advies uit te brengen over de aanvaardbaarheid van het kunstwerk en over de in aanmerking te nemen geldwaarde. In de nieuwe regeling zijn de twee commissies versmolten tot één. De uiteindelijke beslissing over de al of niet aanvaarding van het aanbod tot inbetalinggeving ligt in de nieuwe regeling echter volledig bij de Minister van Financiën; hij blijft wel gebonden door het advies van de commissie over de vereiste aard van het kunstwerk en de waarde die de commissie aan het kunstwerk toekent |
| 2.5. | Opgave van de waarde van het kunstwerk in de aangifte van nalatenschap - waarde in aanmerking te nemen voor de berekening van het successierecht: vgl. (5) vigerend artikel 83-3 met (5) nieuw artikel 83-3. |
| Onder de vigerende regeling moeten de verzoekers tot inbetalinggeving de door hen geschatte waarde van het kunstwerk volgens de normale regels opgeven in de aangifte van nalatenschap. Behoudens een door de administratie aangetoonde tekortschatting, wordt die waarde in acht genomen voor de berekening van het recht van successie. Enkel in het kader van de procedure van inbetalinggeving kunnen de erfgenamen, legatarissen en begiftigden die waarde nog verminderen, dit voornamelijk voor het geval de huidige bevoegde commissie de waarde van het kunstwerk lager zou inschatten en de erfgenamen, legatarissen of begiftigden hun aanbod tot inbetalinggeving van het kunstwerk ondanks die lagere waardering toch handhaven |
| In de nieuwe regeling wordt één en ander grondig gewijzigd. De nieuwe tekst spreekt van een "voorafgaande schatting" door de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie. Volgens de indiener van het oorspronkelijk voorstel van wet wordt daarmee een schatting bedoeld die moet geschieden vóór de inbetalinggevers verplicht zijn de aangifte van nalatenschap in te dienen |
| Uiteraard kan er maar sprake zijn van een "voorafgaande schatting" indien het aangeboden kunstwerk geheel of gedeeltelijk afhangt van de nalatenschap. De wet spreekt verkeerdelijk van "voorafgaande" schatting in de eerste zin van het vierde lid van het nieuwe artikel 83-4, in zoverre daarin ook gehandeld wordt over aangeboden kunstwerken die niet geheel of gedeeltelijk tot de nalatenschap behoren. Deze vaststelling leidt tot het volgende onderscheid bij de interpretatie van vermeld 4de lid. |
| a) | de ter betaling aangeboden kunstwerken hangen niet af van de nalatenschap (volledig "eigen" kunstwerken van de overlevende echtgenoot, de erfgenamen, legatarissen of begiftigden). |
| In dat geval moet de aangifte van nalatenschap volgens de gewone regels worden ingediend. |
| b) | één of meerdere van de aangeboden kunstwerken zijn geheel of gedeeltelijk aanwezig in de nalatenschap |
| Gelet op de wettekst, de ratio legis ervan, de voorbereidende werken en de regels van het Wetboek der successierechten inzake de aangifte hebben de personen gehouden tot de indiening van de aangifte de keuze: |
| b.1. | ofwel de aangifte overeenkomstig de normale regels in te dienen, met dien verstande dat in de aangifte de waarde van het in de nalatenschap aanwezige kunstwerk pro memorie wordt aangegeven met als verantwoording de intentie - al of niet al geconcretiseerd door een schattingsaanvraag gericht aan de commissie - om het kunstwerk in betaling te geven. |
| Deze mogelijkheid werd door het parlement niet in ogenschouw genomen. De administratie aanvaardt hier uitzonderlijk een "pro memorie" aangifte van een actief bestanddeel van de nalatenschap, omwille van de sui generis procedure van "voorafgaande" schatting van ter betaling aangeboden kunstwerken. Rechtverkrijgenden die niet bij de inbetalinggeving betrokken zijn, moeten de mogelijkheid hebben hun fiscale verplichtingen binnen de normale termijn na te komen. Aldus kan bijvoorbeeld vermeden worden dat ze eventueel moratoire interesten verschuldigd zullen zijn over het geheel van de door hen verschuldigde rechten, door het feit dat mederechtverkrijgenden in de nalatenschap hun belastingschuld wensen te voldoen door inbetalinggeving. De modaliteiten van die "pro memorie" aangifte zullen gepreciseerd moeten worden in het uitvoeringsbesluit dat de nadere regels vaststelt in verband met de inbetalinggeving. |
| b.2. | ofwel uitstel vragen voor de indiening van de aangifte (art. 41 W. Succ.) om reden van aanbod tot inbetalinggeving. |
| Deze mogelijkheid werd expliciet beschouwd door het parlement. |
| Op de opmerking van een parlementslid dat de administratie niet verplicht is een dergelijk uitstel toe te staan heeft de Minister van Financiën geantwoord dat, behalve bij fraude of bedrog, het uitstel haast zeker zal worden ingewilligd, indien de verlenging van de indieningstermijn wordt gevraagd om een of meer kunstwerken te kunnen laten schatten met het oog op de inbetalinggeving |
| 2.6. | Bewijsregeling: vgl. (6) vigerend artikel 83-3 met (6) nieuw artikel 83-3 |
| De wetgever heeft ermee volstaan de bewijsregeling aan te passen aan de nieuwe mogelijkheid om ook niet of niet-volledig van de nalatenschap afhangende kunstwerken ter betaling aan te bieden, |
| (door andere erfgenamen, legatarissen of begiftigden dan de overlevende echtgenoot, voor wie die mogelijkheid al bestond.) |
| door in de bestaande bewijsregeling aan de woorden "aan de overledene en/of (aan) zijn overlevende echtgenoot", de woorden "of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden" toe te voegen. Daarbij werd klaarblijkelijk over het hoofd gezien dat het tweede lid van het nieuwe artikel 83-3 als vereiste voor bedoelde categorie van kunstwerken stelt dat ze "op de dag van het overlijden" moeten toebehoren aan de overleden en/of aan zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen en begiftigden. Het is duidelijk dat het voldoen aan deze vereiste ook moet bewezen worden. Dat kan op dezelfde manier als bepaald in het 6de lid van het nieuw artikel 83-3. |
| 2.7. | Schattingsaanvraag en beoordeling van de ontvankelijkheid van het aanbod tot inbetalinggeving - maatregelen om de procedure te versnellen. |
| Onder de vigerende regeling (zie de in voetnoten vermelde uitvoeringsbesluiten) moet het verzoek tot inbetalinggeving gericht worden aan de bevoegde ontvanger |
| die binnen de twee maanden uitspraak moet doen over de ontvankelijkheid van het verzoek |
| Bij ontvankelijkheid vat de ontvanger de eerste commissie (technische commissie of sectiecommissie bedoeld in het eerste lid van het vigerend artikel 83-3). Beoordeelt die commissie dat aan de voorwaarde van internationale faam voldaan is, dan vat de directeur-generaal van de AKRED de tweede commissie (commissie bedoeld in het tweede lid van het vigerend artikel 83-3) |
| . Na afloop van haar werkzaamheden (ten laatste zes maand nadat de commissie gevat werd) maakt de directeur-generaal van de AKRED het gemotiveerd (bindend) advies van laatstbedoelde commissie over aan de Minister van Financiën |
| De huidige procedure wordt door de wetgever nu als te omslachtig en te langdurig bevonden. Daarom wordt in de nieuwe regeling in de wettekst zelf bepaald dat de "schattingsaanvraag " rechtstreeks moet ingediend worden bij de voorzitter van de bijzondere (enige) commissie. Die "schattingsaanvraag" is te beschouwen als het aanbod tot inbetalinggeving (samenlezing van het 4de en het 5de lid van het nieuw artikel 83-3). De ontvanger van de successierechten heeft zich dus niet meer uit te spreken over de ontvankelijkheid van het aanbod tot inbetalinggeving; de enige commissie krijgt ook die taak opgedragen (zie nieuwe artikel 83-4, eerste lid, 2° ). De ontvanger wordt op de hoogte gesteld van het feit dat een procedure tot inbetalinggeving is ingeleid doordat de verzoeker hem een dubbel van de "schattingsaanvraag" moet toesturen. Het is duidelijk dat de wetgever met het 5de lid van het nieuwe artikel 83-3 niet de volledige procedure heeft willen regelen, maar enkel aan de uitvoerende macht gesuggereerd heeft om de ganse procedure zoveel als mogelijk te organiseren binnen de nieuwe enige commissie. Voor de volledige procedure is het wachten op het koninklijk besluit in uitvoering van het laatste lid van het nieuw artikel 83-3. |
| 2.8. | Kosten van de schatting van het kunstwerk - maatregel om misbruik te voorkomen. |
| In de vigerende regeling komen de werkingskosten van de tweede commissie (schattingscommissie) in alle gevallen ten laste van de begroting van het Ministerie van Financiën |
| . Gelet op de invoering door de nieuwe regeling van een verplichte "voorafgaande schatting", heeft de wetgever geoordeeld dat de kosten van de schatting door de aanvrager moeten worden voorgeschoten |
| , dit om te vermijden dat de verplichte schattingsprocedure zou aangewend worden voor het bekomen van een goedkope expertise van de waarde van het kunstwerk, zonder dat werkelijk een bedoeling tot inbetalinggeving voorligt. Wordt de inbetalinggeving door de Minister van Financiën (geheel of gedeeltelijk) aanvaard, dan worden de voorgeschoten kosten teruggegeven. |
3. Artikelen 80, 81 en 137 van het Wetboek der successierechten
De artikelen 80, 2de lid (schorsing van de invordering van de rechten), 81, 3de lid (verschuldigdheid van intresten) en 137, tweede lid (ingang verjaringstermijn) werden niet gewijzigd.
4. Inwerkingtreding
Artikel 6 van de wet van 21 juni 2001 bevat een bijzondere inwerkingstredingsbepaling: "de Koning bepaalt voor elk artikel van deze wet de datum waarop het in werking treedt". Om de nieuwe regeling toepassing te kunnen geven moeten inderdaad eerst nog een aantal uitvoeringsbesluiten worden genomen. Zolang de nodige uitvoeringsbesluiten niet zijn genomen en inwerking getreden, blijft dus de vigerende ("oude") regeling van toepassing.
De wet van 21 juni 2001 bevat geen overgangsbepaling. Dit houdt in dat de wetgever gekozen heeft voor de onmiddellijke toepassing van de nieuwe wet zodra hij in werking treedt. De op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe regeling nog lopende procedures van inbetalinggeving zullen hernomen worden volgens de regels van de nieuwe procedure, zonder dat de aanbieders een nieuw verzoek tot inbetalinggeving (in de nieuwe terminologie: "schattingsaanvraag") moeten doen. Gelet op de ratio legis van de nieuwe regeling, inzonderheid op de regels in verband met de voorafgaande schatting, zal in voorkomend geval de berekening van de verschuldigde rechten moeten hermaakt worden rekening gehouden met de door de enige commissie bepaalde waarde van het aangeboden kunstwerk. In geen geval zal er een boete wegens tekortschatting worden gevorderd als de in de aangifte - overeenkomstig de oude regeling - opgegeven waarde van het aangeboden kunstwerk aanmerkelijk lager zou zijn dan de waarde die er door de enige commissie aan wordt gegeven.
Namens de minister:
De adjunct-administrateur-generaal van de belastingen.
Jean-Marc Delporte
BIJLAGE
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 5 juli 2001 Ministerie van Financiën
21 juni 2001. - Wet tot wijziging van de gevolgen voor de inkomstenbelastingen van schenkingen aan de Staat en tot wijziging van de regeling voor de aangifte van kunstwerken ter betaling van successierechten.
Albert II, Koning der Belgen,
Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.
De Kamers hebben aangenomen en Wij bekrachtigen hetgeen volgt:
| Artikel 1 |
| Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 78 van de Grondwet. |
| Art. 2 |
| Artikel 83-3 van het Wetboek der successierechten, ingevoegd bij de wet van 1 augustus 1985, wordt vervangen als volgt: |
| "Art. 83-3. - Iedere erfgenaam, legataris of begiftigde kan, mits hij daartoe civielrechtelijk bevoegd is, verzoeken de uit hoofde van een nalatenschap invorderbare rechten geheel of ten dele te voldoen door de afgifte van kunstwerken waarvan de minister van Financiën, op eensluidend advies van de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie, erkent dat zij tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of dat zij internationale faam genieten. |
| Om ter betaling te kunnen worden aangeboden, moeten de kunstwerken in hun geheel deel uitmaken van de nalatenschap of op de dag van het overlijden in hun geheel toebehoren aan de overledene en/of aan zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden. |
| Deze uitzonderlijke betalingswijze is afhankelijk van de aanvaarding van het aanbod door de Minister van Financiën. |
| De ter betaling aangeboden kunstwerken worden, ongeacht of zij al dan niet deel uitmaken van de nalatenschap, geschat door de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie en worden geacht te worden aangeboden tegen de waarde die bij de voorafgaande schatting werd vastgesteld. Maakt het kunstwerk deel uit van de nalatenschap, dan wordt de waarde die is vastgesteld bij deze voorafgaande schatting daarenboven in aanmerking genomen voor de heffing van de successierechten. De kosten verbonden aan deze schatting worden voorgeschoten door de verzoekers. Ze worden door de Staat gedragen wanneer de Minister van Financiën de inbetalinggeving geheel of ten dele aanvaardt. |
| De erfgenamen, legatarissen of begiftigden dienen de schattingsaanvraag in bij een ter post aangetekende brief bij de voorzitter van de in artikel 83-4 bedoelde bijzondere commissie. Deze aanvraag wordt terzelfder tijd bij een ter post aangetekende brief betekend aan de ontvanger van het bureau waar de aangifte moet worden ingediend. |
| Het bewijs dat de ter betaling aangeboden goederen in hun geheel tot de nalatenschap behoren of in hun geheel toebehoren aan de overledene en/of zijn overlevende echtgenoot of aan de erfgenamen, legatarissen of begiftigden, kan worden geleverd door alle wettelijke middelen, met inbegrip van getuigenissen en vermoedens, maar met uitsluiting van de eed. |
| Aanvullende regels betreffende de inbetalinggeving worden vastgelegd bij koninklijk besluit." |
| Art. 3 |
| In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 83-4 ingevoegd, luidende: |
| "Art. 83-4. - De in artikel 83-3 bedoelde bijzondere commissie heeft tot taak de Minister van Financiën een bindend advies te geven over: |
| 1° | de vraag of de ter betaling aangeboden kunstwerken tot het roerend cultureel erfgoed van het land behoren of internationaal befaamd zijn; |
| 2° | de ontvankelijkheid van het aanbod tot inbetalinggeving; |
| 3° | de geldwaarde van de aangeboden kunstwerken. |
| De bijzondere commissie is samengesteld uit: |
| 1° | drie ambtenaren van het Ministerie van Financiën; |
| 2° | drie leden voorgedragen door de gemeenschapsregeringen; |
| 3° | vier leden, respectievelijk vertegenwoordigers van de Koninklijke Musea voor Schone Kunsten van België, de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis, het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, voorgedragen door de Wetenschappelijke Raad van ieder van die vier federale wetenschappelijke instellingen. |
| De leden van de bijzondere commissie worden door de Minister van Financiën benoemd. |
| De organisatie en de werkwijze van de bijzondere commissie worden door de Minister van Financiën vastgesteld." |
| Art. 4 |
| (...) betreft het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) |
| Art. 5 |
| (...) betreft het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992) |
| Art. 6 |
| De Koning bepaalt voor elk artikel van deze wet de datum waarop het in werking treedt. |
| Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt. |
Albert
Van Koningswege:
De Minister van Financiën,
D. Reynders
Met 's Lands zegel gezegeld:
De Minister van Justitie,
M. Verwilghen
Bron: FisconetPlus
