Aanschrijving nr. 73 d.d. 11.07.1972
Automobielen
Aftrek van voorbelasting
In het Belgisch Staatsblad van 7 juli 1972 wordt een wet van 22 juni 1972 bekendgemaakt waarbij artikel 45, § 2, van het BTW-wetboek gewijzigd wordt (1).
( 1) Z. dit nummer van de Revue, blz. 427-428.
Hierna volgt een toelichting op deze nieuwe bepaling.
Tekst van de nieuwe bepaling.
1.Artikel 45, § 2 (nieuw), van het BTW-wetboek, dat terugwerkende kracht heeft tot op 1 maart 1972, luidt als volgt:
«Ten aanzien van levering en invoer van automobielen voor personenvervoer, daaronder begrepen de voertuigen die zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen, en ten aanzien van leveringen en diensten met betrekking tot die voertuigen, mag de aftrek in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
» Deze bepaling is evenwel niet van toepassing :
a.op voertuigen bestemd om te worden verkocht of te worden verhuurd door een belastingplichtige die een beroepswerkzaamheid uitoefent die bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen;
b.op voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer.».
Draagwijdte van de wijziging.
2.Door de nieuwe bepaling wordt de beperking van de
aftrek waarin artikel 45, § 2 (oud), van het Wetboek. reeds voorzag ten aanzien van automobielen, op drie punten uitgebreid.
1° De oude bepaling beoogde enkel de automobielen die niet uitsluitend werden gebruikt voor de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige. Onder abstractie van de uitzonderingen vermeld in het tweede lid van de nieuwe tekst (z. nrs. 4 en 5), beoogt deze alle automobielen, zelfs die welke uitsluitend worden gebruikt voor bedrijfsdoeleinden (z. nr. 8).
2° De oude bepaling beoogde enkel de automobielen voor personenvervoer, daaronder niet begrepen die welke zowel voor personenvervoer als voor goederenvervoer kunnen dienen zoals de «breaks» en de «stationwagens». De nieuwe tekst is van toepassing op alle automobielen, ook die voor gemengd gebruik (z. nr. 3).
3 ° De oude bepaling voorzag in een forfaitaire beperking
van het recht op aftrek tot 50 pct. ongeacht de werkelijke verhouding beroepsgebruik/privé-gebruik. De nieuwe tekst voorziet in een plafond : de aftrek wordt berekend in functie van het werkelijk beroepsgebruik van de automobiel, maar hij kan in geen geval hoger zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting (z. nrs. 8 tot 13).
Voertuigen waarop artikel 45, § 2 (nieuw), van toepassing is.
3.Onder voorbehoud van de uitzonderingen vermeld in het tweede lid (z. nrs. 4 en 5) beoogt artikel 45, § 2 (nieuw), van het Wetboek, alle automobielen onderworpen aan het tarief van 25 pct. krachtens rubr.iek I, cijfer 1, van tabel C, van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, zonder dat daarbij nog een onderscheid hoeft te worden gemaakt naargelang die automobielen uitsluitend voor personenvervoer dan wel voor personen- en goederenvervoer dienen (z. nr. 79 van de aanschrijving van 24 november 1970, nr. 79, gewijzigd door de aanschrijving van 12 juli 1971, nr. 113) (1).
Die bepaling is daarentegen niet van toepassing op vrachtwagens, bestelwagens, autobussen, minibussen, en meer algemeen, op voertuigen onderworpen aan het tarief van
18 pct.
Uitzonderingen vermeld in artikel 45, § 2, tweede lid, van het Wetboek.
4.De nieuwe bepaling is niet van toepassing op voertuigen bestemd om te y.rorden verkocht of te worden verhuurd door een ondernem:ng van wie de beroepswerkzaamheid bestaat in de verkoop of de verhuur van automobielen.
Deze uitzondering beoogt enkel die ondernemingen van wie de specifieke beroepswerkzaamheid bestaat in de verkoop van automobielen (invoerders, concessionarissen, garagehouders, verdelers van automobielen, handelaars in tweedehandse wagens) of de verhuur van automobielen (leasing daaronder begrepen). Ze kan niet worden ingeroepen door ondernemingen die, zonder er hun beroep van te maken, af en toe automobielen verkopen (b v. automobielen die ze in hun bedrijf gebruikt hebben) of af en toe automobielen verhuren (b.v. automobielen die ze ter beschikking van hun personeel stellen voor privé-reizen, z. nrs. 14 en 15).
Maar zelfs voor de ondernemingen die in de uitzondering beoogd zijn is deze beperkt tot de automobielen die bestemd zijn om te worden verkocht of te worden verhuurd, en die effectief die bestemming krijgen. De voertuigen die geheel of gedeeltelijk voor andere doeleinden worden gebruikt (ingebruikneming voor eigen behoeften of voor de beroeps- of privé-reizen van personeelsleden, vervoer, enz.) vallen in beginsel buiten de uitzondering.
5.De nieuwe bepaling is evenmin van toepassing op voertuigen bestemd om uitsluitend te worden gebruikt voor bezoldigd personenvervoer.
Deze uitzondering beoogt vooral de exploitanten· van taxibedrijven. Ze vereist in beginsel een uitsluitend gebruik voor bezoldigd personenvervoer. Wanneer een exploitant van een taxibedrijf waarvan de exploitatie onderworpen is aan de goedkeuring van een gemeentebestuur, zijn voertuig zeer bijkomstig gebruikt voor privé-doeleinden, wordt echter aangenomen dat artikel 45, § 2, van het Wetboek, niet van toepassing is. In dat geval mag de voorbelasting worden afgetrokken naar verhouding van het gebruik voor beroepsdoeleinden zonder dat de beperking van 50 pct. speelt.
Belasting waarvan het recht op aftrek beperkt wordt krachtens artikel 45, § 2, van het Wetboek.
6.Vooreerst is de beperking van het recht op aftrek van toepassing op de belasting geheven van de verkrijging en de invoer van automobielen, daaronder begrepen de kosteloze verkrijging die belastbaar is ingevolge artikel 14, 1°, van het Wetboek, en de levering aan zich zelf die belastbaar is ingevolge de artikelen 12, § 1, 4°, en 14, 2°, van het Wetboek.
7.Maar de beperking van het recht op aftrek treft ook de belasting geheven van leveringen en diensten met betrekking tot de beoogde voertuigen. Buiten de belasting voldaan ter zake van de huur van die voertuigen gaat het in 't algemeen om de belasting geheven van handelingen die betrekking hebben op het gebruik ervan, inzonderheid:
a.de levering van brandstoffen, smeeroliën en andere produkten bestemd om door die voertuigen te worden verbruikt;
b.het reinigen, het onderhouden, het herstellen, het verbeteren, het inrichten en het omvormen van die voertuigen, daaronder begrepen de levering van stukken en toebehoren die worden gebruikt voor het verrichten van die diensten ;
c.de levering van onderdelen, toebehoren en uitrustingsstukken met betrekking tot die voertuigen;
d.het gebruik van parkings en garages.
Draagwijdte van de beperking van het recht op aftrek waarin artikel 45, § 2, van het Wetboek, voorziet.
Uitsluitend beroepsgebruik.
8.Wanneer een belastingplichtige een automobiel uitsluitend voor beroepsdoeleinden gebruikt bedraagt de aftrek slechts 50 pct. van de betaalde belasting.
Gemengd gebruik.
9.Wanneer een belastingplichtige een automobiel zowel
voor beroepsdoeleinden als voor andere doeleinden gebruikt, wordt de voorbelasting afgetrokken naar verhouding van het gedeelte beroepsgebruik zonder dat de aftrek hoger mag zijn dan 50 pct. van de betaalde belasting.
Om de verhouding beroepsgebruik/totaal gebruik te bepalen volgt de belastingplichtige in beginsel de regelen die worden toegepast voor het aanvaarden van de uitgaven als bedrijfslasten voor de heffing van de inkomstenbelastingen. wanneer de Administratie der Directe Belastingen zelf, door middel van een percentage, de auto-onkosten heeft vastgesteld. In het tegenovergestelde geval wordt die verhouding speciaal voor de toepassing van de BTW bepaald onder controle van de administratie.
Voorbeeld.
10.Het beroepsgebruik is vastgesteld op twee zevende.
De belastingplichtige mag twee zevende aftrekken van de belasting die b.v. voldaan werd voor een herstelling aan zijn voertuig.
Het beroepsgebruik is vastgesteld op zes zevende: de aftrek is beperkt tot de helft van die belasting.
Combinatie van artikel 100 van het Wetboek met artikel 45, § 2, van het Wetboek.
11.Tijdens de overgangsperiode en ten aanzien van de belasting geheven van bedrijfsmiddelen (inzonderheid de belasting geheven van de verkrijging, de omvorming of de verbetering van een automobiel), wordt verstaan onder « betaalde belasting » waarop de verhouding beroepsgebruik/ totaal gebruik en eventueel de beperking van het recht op aftrek van artikel 45, § 2, van het Wetboek, moet worden toegepast, de belasting die aftrekbaar blijft na toepassing van de beperking van het recht op aftrek waarin artikel 100 van het Wetboek voorziet.
Voorbeeld.
12.Een automobiel wordt aan een belastingplichtige geleverd in juli 1972.
Catalogusprijs 100.000 F
BTW 25 pct. 25.000 F
Het gedeelte beroepsgebruik is vastgesteld op :
1 ste geval: twee zevende.
2de geval: zes zevende.
De aftrek wordt als volgt berekend:
Aftrekbaar krachtens artikel 100 van het Wetboek :
25 pct. min 9 pct. is 16 pct. van 100.000 F of 16.000 F.
Aftrekbaar krachtens artikel 45, § 2, van het Wetboek :
lste geval: twee zevende van 16.000 F 2de geval : de helft van 16.000 F.
Gedeeltelijke belastingplichtige die de aftrek doet volgens het algemeen verhoudingsgetal.
13.De gedeeltelijke belastingplichtige past het in artikel 46, § 1, van het Wetboek, bedoelde algemeen verhoudingsgetal toe op de belasting die, na toepassing van de artikelen 100 en 45, § 2, van het Wetboek, aftrekbaar zou zijn geweest indien hij belastingplichtige ware geweest voor zijn gehele werkzaamheid.
Bijzonder geval. Automobielen die door een onderneming ter beschikking van haar personeelsleden worden gesteld.
14.Wanneer een onderneming automobielen ter beschikking stelt van haar personeelsleden voor hun beroepsreizen, maar ze hen eveneens laat gebruiken voor privé-reizen, moet ze, in haar relatie met die personeelsleden, de belasting tegen het tarief van 18 pct. heffen over de huurvergoeding die ze hen aanrekent voor het privé-gebruik, of, indien er geen huurvergoeding gevraagd wordt, over de waarde van het voordeel in natura dat door de Administratie der Directe Belastingen in aanmerking wordt genomen.
15.Die heffing belet niet dat artikel 45, § 2 (nieuw), moet worden toegepast ten aanzien van de belasting geheven van de verkrijging en het gebruik van de voertuigen die ter beschikking van de personeelsleden worden gesteld.
Het spreekt vanzelf dat het door de nieuwe bepaling ingestelde plafond van 50 pct. op die automobielen van toepassing is zelfs indien ze door de personeelsleden uitsluitend voor beroepsreizen worden gebruikt.
Inwerkingtreding van de wet. Terugwerkende kràcht tot op 1 maart 1972.
16.Krachtens artikel 2 van de wet van 22 juni 1972, is artikel 45, § 2 (nieuw), van het Wetboek. van toepassing met ingang van 1 maart 1972. De nieuwe bepaling treft dus de belasting waarvan het recht op aftrek overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit nr. 3, van 10 december 1969, ontstaan is na 29 februari 1972.
17.De belastingplichtigen die sedert 1 maart 1972 een hogere aftrek hebben toegepast dan die welke door de nieuwe bepaling is toegestaan, moeten de teveel afgetrokken belasting aan de Staat terugstorten.
Belastingplichtigen die gehouden zijn maandaangiften in te dienen doen dat door een inschrijving in kader V, litt. c, van hun aangifte. Belastingplichtigen die gehouden zijn kwartaalaangiften in te dienen houden rekening met het bedrag van de terug te storten belasting voor de berekening van de herzieningen van belasting voor het kwartaal, waarvan het saldo in post V (vakken 31 of 32) van hun aangifte wordt ingeschreven.
18.Met het oog op de vereenvoudiging van de herziening die zij met betrekking tot de maand maart 1972, moeten verrichten wat betreft de belasting geheven van de gebruiksuitgaven van voertuigen (zie nr. 7), mogen de belastingplichtigen die gehouden zijn kwartaalaangiften in te dienen het bedrag van deze herziening op een forfaitaire wijze vaststellen op een derde van de belasting die ze moeten terugstorten voor de gebruiksuitgaven van het tweede kwartaal van 1972.
19.Op voorwaarde dat de herziening uiterlijk 20 oktober 1972 geschiedt zullen er geen interesten noch boeten worden geëist.
* * *
De toelichtingen op artikel 45, § 2 (oud), van het Wetboek, die voorkomen onder de § § 7, 30 en 38, 2°, van de aanschrijving van 31 december 1970, nr. 103, alsmede de aanschrijving van 3 mei 1971, nr. 70 (z. nr. 5), worden met ingang van 1 maart 1972 opgeheven en vervangen door deze aanschrijving.
