Circulaire nr. 10/2003 (AFZ 16/2003 - Dos. 320 - E.E./L.125) d.d. 23.06.2003
Vlaamse successierechten
Zorgkinderen, geadopteerden en gehandicapten
tariefbepalingen
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, editie 4, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 2002 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003" bekendgemaakt.
Dat decreet brengt zowel wijzigingen aan in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten als in het Wetboek der successierechten. Deze circulaire behandelt enkel de wijzigingen aan laatstgenoemd wetboek ; de wijzigingen aan eerstgenoemd wetboek zijn reeds besproken in een eerder verschenen circulaire.
Op het vlak van de successierechten bevat het decreet drie groepen van maatregelen:
In bijlage bij deze circulaire wordt een uittreksel van de tekst van het decreet meegedeeld (bijlage 1). Dat uittreksel beperkt zich dus tot die gedeelten van de tekst die de successierechten betreffen. Voorts wordt er in een tweede bijlage een gecoördineerde tekst verstrekt van de gewijzigde bepalingen van dat Wetboek.
COMMENTAAR
1. Voorafgaande opmerking: technische aanpassing van de indeling van het Wetboek (art. 59 van het decreet).
Bij artikel 59 van het decreet wordt de verdeling van Hoofdstuk VII van het Eerste Boek van het W. Succ. in twee afdelingen opgeheven. Dit houdt in dat de aanduiding van de bedoelde afdelingen en hun opschriften worden weggelaten. De artikelen van dat hoofdstuk blijven uiteraard bestaan. Voor de ratio legis van deze technische aanpassing wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet.
2. Gelijkschakeling van verkrijgingen tussen personen waartussen een zorgrelatie bestaat of heeft bestaan met verkrijgingen in de rechte lijn (art. 57 van het decreet - art. 50 W. Succ.).
2.1. Definitie van een "zorgrelatie".
Luidens het nieuwe lid van artikel 50 W. Succ. is er sprake van een zorgrelatie "wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen".
In de tekst van het genoemde nieuwe lid en in de memorie van toelichting wordt diegene die inwoonde en de hulp en verzorging heeft gekregen het "zorgkind" genoemd, diegene die de inwoning en de hulp en verzorging verstrekte de "zorgouder". De via die inwoning en de hulp en verzorging ontstane band tussen zorgkind en zorgouder wordt in de memorie van toelichting "zorgrelatie" genoemd.
Voor het bestaan of bestaan hebben van een zorgrelatie moeten dus de drie volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
1° het zorgkind moet bij de zorgouder hebben ingewoond
2° vóór de leeftijd van eenentwintig jaar en gedurende een periode van drie achtereenvolgende jaren
3° en gedurende die periode van inwoning, hoofdzakelijk van de zorgouder, eventueel met diens levenspartner tezamen, de hulp en verzorging hebben gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen.
Merk op dat niet wordt vereist dat de zorgrelatie nog actueel is op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. De redactie van het nieuwe artikelonderdeel laat daar geen twijfel over bestaan: "een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan".
2.2. Bewijs van het bestaan of het bestaan hebben van de zorgrelatie.
2.2.1. Bewijs van de inwoning gedurende drie jaar.
Voor het bewijs van de inwoning heeft de decreetgever een weerlegbaar vermoeden ingesteld: de inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder gedurende de vereiste drie achtereenvolgende jaren. Uiteraard worden hiermee enkel Belgische registers bedoeld.
Eens dat bewijs door de belanghebbende geleverd, is het aan de administratie om, indien ze van oordeel zou zijn dat aan de voorwaarde van inwoning gedurende drie achtereenvolgende jaren in de werkelijkheid niet voldaan is, het tegenbewijs te leveren. Dat tegenbewijs kan geleverd worden met alle bewijsmiddelen, de eed uiteraard uitgezonderd.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat de belanghebbende bedoeld bewijs ook buiten het vermoeden om kan aanbrengen. De gemeenrechtelijke bewijs-middelen, met uitzondering van de eed, kunnen met andere woorden ook worden aangewend. De decreetgever heeft daarbij in de eerste plaats gedacht aan het geval waarin de zorgrelatie in het buitenland heeft bestaan. Ze kunnen echter ook aangewend worden om het bewijs te leveren van een zorgrelatie die in België heeft bestaan wanneer de belanghebbende om wat voor reden dan ook geen beroep kan doen op het weerlegbaar vermoeden.
2.2.2. Bewijs dat de hulp en verzorging hoofdzakelijk werd verstrekt door de zorgouder, eventueel samen met diens levenspartner.
Dat bewijs moet door de belanghebbende geleverd worden. Vermits het een feitenkwestie betreft, kan dit door alle middelen van recht, de eed evenwel uitgezonderd. In de voorbereidende werken van het decreet wordt desbetreffend gezegd dat het verkrijgen door de zorgouder van de kinderbijslag voor het zorgkind of het ten laste zijn van het zorgkind in het kader van de ziekteverzekering kunnen gelden als belangrijke aanwijzingen, maar dat die elementen op zichzelf genomen niet voldoende zijn als bewijs. Het zal er voor de belanghebbenden op aankomen de ontvanger der registratie te overtuigen dat de zorgouder de rol van een werkelijke ouder vervult of heeft vervuld.
2.3. Gelijkschakeling met een verkrijging in rechte lijn.
De gelijkschakeling met een verkrijging in rechte lijn brengt vanzelfsprekend mee dat de bepalingen van artikel 48 W. Succ. die gelden voor rechtverkrijgenden in de rechte lijn van toepassing zijn indien een zorgkind of een zorgouder tot de nalatenschap komt van diegene met wie hij in een zorgrelatie stond.
Die gelijkschakeling houdt ook in dat zij de vermindering van artikel 56, eerste lid W. Succ. kunnen genieten.
De gelijkschakeling is wel te verstaan strikt beperkt tot de personen die rechtstreeks verbonden zijn door de zorgrelatie, met andere woorden tot het zorgkind en de zorgouder. Ze strekt zich niet uit tot hun bloedverwanten. Een verkrijging tussen een zorgkind en een bloedverwant van de zorgouder valt, wanneer er tussen de betrokkenen geen enkele bloedverwantschap bestaat, aldus onder het tarief "tussen anderen", tenzij andere bepalingen van het wetboek op hen toepasselijk zijn. Idem dito voor een verkrijging tussen een bloedverwant van het zorgkind en een zorgouder.
3. Versoepeling van de voorwaarden waaronder een verkrijging tussen een adoptant en een geadopteerde gelijkgesteld wordt met een verkrijging in rechte lijn ( art. 58 van het decreet - art. 52^2, tweede lid, 3° W. Succ.).
3.1. Vergelijking artikel 52^2, tweede lid, 3° oud en nieuw.
3.2. Verkorting van de termijn van de hulp en verzorging van zes naar drie achtereenvolgende jaren.
Die wijziging behoeft geen commentaar buiten de opmerking dat de woorden "achtereenvolgende jaren" in de nieuwe tekst dezelfde betekenis hebben als de woorden "onafgebroken jaren" in de oude tekst (zie ook punt 2.1., derde alinea, 2°).
3.3. Vervanging van het woord "uitsluitend" door het woord "hoofdzakelijk".
Aan het woord "hoofdzakelijk" moet dezelfde inhoud gegeven worden als dewelke het heeft in het nieuwe lid van artikel 50 W. Succ. Hetgeen gezegd wordt onder punt 2.1., derde alinea, 3°, met betrekking tot dat begrip is dus hier mutatis mutandis van toepassing.
3.4. Vervanging van het woord "echtgenoot" door het woord "levenspartner".
Aan het woord "levenspartner" moet dezelfde inhoud gegeven worden als dewelke het heeft in het nieuwe lid van artikel 50 W. Succ. Hetgeen gezegd wordt onder punt 2.1., derde alinea, 3°, met betrekking tot dat begrip is dus hier mutatis mutandis van toepassing.
3.5. Essentieel verschil in de voorwaarden voor de gelijkstellingen met verkrijgingen in de rechte lijn op grond van artikel 50, derde lid W. Succ. enerzijds en op grond van artikel 52^2, tweede lid, 3°, W. Succ. anderzijds.
Het essentieel verschil bestaat in de voorwaarde van inwoning van het kind, die niet expliciet gesteld wordt in het kader van de voorwaarden voor de gelijkstelling van adoptie met een verkrijging in de rechte lijn. Wanneer het adoptief kind dus niet onafgebroken bij de adoptant heeft ingewoond gedurende de vereiste periode waarin hij de hulp en de verzorging heeft genoten, betekent dit niet automatisch dat de gelijkstelling met een verkrijging in de rechte lijn geen toepassing kan vinden (cf. Rep. RJ S 52 2 08 03).
4. Voetvrijstelling voor verkrijgingen door gehandicapte personen (art. 60 van het decreet - art. 54 W. Succ.).
4.1. Voetvrijstelling.
Luidens het nieuwe artikel 54 W. Succ. genieten gehandicapte personen een vrijstelling "aan de voet van het toepasselijk tarief" tot beloop van een bepaald bedrag. Dit betekent dat de vrijstelling eerst moet toegepast worden op de laagste schijf en vervolgens op de volgende schijven tot uitputting van het bedrag. Gelet op het feit dat het vrijgestelde bedrag verschilt naargelang de graad van verwantschap en naargelang de leeftijd van de gehandicapte, wordt deze vrijstelling in het administratief jargon hierna aangeduid als "voetvrijstelling".
4.2. Bedrag van de voetvrijstelling.
Zoals gezegd verschilt het bedrag naar de graad van verwantschap en naargelang de leeftijd van de gehandicapte rechtverkrijgende.
Het bedrag wordt bekomen als uitkomst van de volgende bewerking:
a) in geval het een verkrijging betreft die onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden":
4.3. Voetvrijstelling zowel in geval het recht van successie als in geval het recht van overgang bij overlijden verschuldigd is.
Het eerste lid van het nieuwe artikel 54 W. Succ. bepaalt dat de voetvrijstelling voor beide soorten van successierechten geldt. Uiteraard geldt daarbij als voorwaarde dat de bedoelde rechten in het Vlaams Gewest moeten gelokaliseerd worden overeenkomstig de betreffende lokalisatieregel in de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
4.4. Voetvrijstelling voor gehandicapte personen - bewijs van die hoedanigheid.
Voor de bepaling van wat onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan verwijst het tweede lid van artikel 54 W. Succ. naar artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). Dat artikel luidt:
"Als gehandicapt wordt aangemerkt :
1° diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar :
2° het kind dat tot ten minste 66 pct. is getroffen door ontoereikende of verminderde lichamelijke of geestelijke geschiktheid wegens één of meer aandoeningen.
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst, voor de toepassing van de belastingwet, de overheden aan die de toestand als gehandicapte vaststellen."
Krachtens het laatste lid van artikel 54 W. Succ. moet diegene die de voetvrijstelling wil genieten, zijn hoedanigheid van gehandicapte in de zin van artikel 135 WIB 1992, bewijzen door middel van een attest of een verklaring. Dat attest of die verklaring moet verstrekt zijn door een instelling of dienst die in het kader van artikel 135 WIB 1992 bevoegd is om de toestand van gehandicapte vast te stellen. Een opsomming van de bevoegde instellingen of diensten vindt men in de "Commentaar van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".
Uiteraard moet uit de verklaring of uit het attest blijken dat de hoedanigheid van gehandicapte bestond op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap waarin de gehandicapte persoon gerechtigd is.
Het moet echter niet gaan om een speciaal met het oog op onderhavige voetvrijstelling aangevraagd attest of verklaring. Niet-vervallen attesten of verklaringen die reeds gebruikt werden om de staat van gehandicapte te bewijzen in het kader van de personenbelasting kunnen luidens de memorie van toelichting ook als bewijsstuk gebruikt worden voor het bekomen van de voetvrijstelling.
In de regel zal de gehandicapte aldus een reeds bestaand maar nog niet-vervallen attest of verklaring dat al gebruikt werd voor de personenbelasting kunnen voorleggen als bewijsstuk. Indien dat attest of die verklaring ten laatste bij het verstrijken van de betalingstermijn als bepaald in artikel 77 W. Succ. aan het bevoegd kantoor is overgemaakt (doordat het bij de aangifte is gevoegd of door latere toezending), wordt het voordeel van de voetvrijstelling onmiddellijk in rekening gebracht. Bij laattijdige overmaking van zulk een attest of verklaring worden de rechten berekend zonder toepassing van de voetvrijstelling. Dan is enkel nog teruggave van het "teveel" gehevene mogelijk op grond van het nieuwe 9° van artikel 135 W. Succ.
In de gevallen waarin de gehandicapte nog niet over een geldig attest of verklaring beschikt vóór het verstrijken van de betalingstermijn (en dat bijgevolg niet tijdig aan de bevoegde ontvanger kan overmaken), zal het voordeel van de voetvrijstelling enkel nog via een verzoek tot teruggave bij toepassing van artikel 135, 9° W. Succ. kunnen bekomen worden.
4.5. Bijzondere regels inzake de berekening van de belasting wanneer de voetvrijstelling van toepassing is.
Het derde en vierde lid van het nieuwe artikel 54 W. Succ. bevatten enkele bijzondere, van de gemene berekeningsregels van de belasting afwijkende bepalingen, die gebeurlijk moeten toegepast worden wanneer een of meer rechtverkrijgenden recht hebben op een voetvrijstelling.
4.5.1. Volgorde van toerekening van het bedrag van de voetvrijstelling in geval van opgesplitste heffingsgrondslagen bij verkrijgingen "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden".
Wanneer de gehandicapte rechtverkrijgende belast moet worden tegen het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden", moet dat tarief toegepast worden op zijn netto-aandeel in de onroerende goederen enerzijds en op zijn netto-aandeel in de roerende goederen anderzijds (artikel 48, tweede en derde lid W. Succ.).
Bij een dergelijke opgesplitste heffingsgrondslag rijst de vraag hoe het bedrag van de voetvrijstelling moet verrekend worden: verhoudingsgewijze ventilatie van dat bedrag over de twee heffingsgrondslagen of prioritaire toerekening ervan op één van die heffingsgrondslagen.
De Vlaamse decreetgever heeft bepaald dat het bedrag van de vrijstelling in alle gevallen eerst toegerekend moet worden op het netto-onroerend aandeel van de gehandicapte en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
4.5.2. Deglobalisering van het netto-aandeel van de gehandicapte.
Wanneer er meerdere rechtverkrijgenden zijn die onder het tarief "tussen anderen" vallen, moeten alle netto-aandelen van die personen worden samengeteld voor de toepassing van dat tarief (artikel 48, zesde lid, W. Succ.). Voor die categorie van rechtverkrijgenden is globalisering van al hun netto-aandelen dus de algemene regel.
Wanneer er zich echter onder die rechtverkrijgenden een gehandicapte bevindt die aanspraak heeft op de voetvrijstelling, wordt in hoofde van die gehandicapte - en enkel in zijnen hoofde - van die algemene regel afgeweken. Het netto-aandeel van de gehandicapte wordt voor de berekening van d e door hem verschuldigde belasting gedeglobaliseerd, dit wil zeggen dat hij belast wordt "alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt" (artikel 54, vierde lid, eerste volzin W. Succ.).
4.5.3. Berekening van de belasting verschuldigd door de medeverkrijgers van de gehandicapte in de categorie "tussen anderen": behoud van de globalisering van de netto-aandelen met voorbijzien van de voetvrijstelling die de gehandicapte geniet.
Bedoeling van de Vlaamse decreetgever was uiteraard dat het voordeel van de voetvrijstelling enkel aan de gehandicapte zou toekomen. Daarom wordt in de laatste volzin van het vierde lid van het nieuwe artikel 54 W. Succ. bepaald dat in geval gehandicapte personen samen met niet-gehandicapte personen onder toepassing van het tarief "tussen anderen" vallen, de berekening van de belasting in hoofde van de niet-gehandicapten moet geschieden alsof de gehandicapte personen niet die hoedanigheid hebben. Met andere woorden voor de berekening van de belasting ten aanzien van de valide medegerechtigden in de categorie "tussen anderen" - en alleen voor die berekening -, moeten de gehandicapte medegerechtigden ook als valide personen beschouwd worden.
Dit houdt in dat voor de belasting van de valide personen de netto-aandelen van alle medegerechtigden in de tariefcategorie "tussen anderen" moeten geglobaliseerd worden en dat de voetvrijstellingen die de gehandicapten onder hen genieten daarbij uiteraard op geen enkele wijze in rekening kunnen worden gebracht.
Opdat Y en Z geen voordeel zouden halen uit de afzonderlijke belasting van X in zijn hoedanigheid van gehandicapte persoon, moet in hunnen hoofde artikel 48 "normaal" worden toegepast, d.w.z. dat de berekening van de door Y en Z verschuldigde belasting moet geschieden alsof X geen voetvrijstelling geniet.
Belasting in hoofde van X € 10.800 (cf. berekening onder het vorig nummer in het tweede geval: X gehandicapt, Y en Z niet gehandicapt).
5. Voetvrijstelling en vermindering van artikel 56 W. Succ. ( art. 61 van het decreet - art. 56 W. Succ.).
5.1. Geen invloed van de voetvrijstelling op de bepaling van de (som van de) netto-verkrijging(en) voor de toepassing van artikel 56 W. Succ.
De eerste drie leden van artikel 56 W. Succ. bepalen degressieve rechtenverminderingen indien, naargelang van het geval, de netto-verkrijging of de som van de netto-verkrijgingen een bepaald bedrag niet overschrijdt.
Luidens de eerste volzin van het nieuwe vierde lid van artikel 56 W. Succ. mag er bij de bepaling van de netto-verkrijging (of som van de netto-verkrijgingen) als bedoeld in de eerste drie leden van dat artikel, geen rekening worden gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54 W. Succ. Met andere woorden: artikel 56 W. Succ. moet toegepast worden met voorbijzien van het feit dat een of meer rechtverkrijgende aanspraak hebben op de voetvrijstelling van artikel 54 W. Succ.
De aldus berekende rechten in hoofde van X, Y en Z komen niet voor vermindering op grond van artikel 56 W. Succ. in aanmerking. Het plafond van € 75.000 als bepaald in het derde lid van dat artikel is immers overschreden vermits de som van de netto-verkrijgingen met voorbijzien van de voetvrijstelling van X € 80.000 bedraagt.
5.2. Begrenzing.
De laatste volzin van het nieuwe vierde lid van artikel 56 W. Succ. bepaalt dat het bedrag van de vermindering in voorkomend geval niet meer kan bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54 W. Succ. De belastingplichtigen hebben uiteraard geen recht op het eventuele saldo.
Uiteindelijk verschuldigde rechten:
* door X : € 225 - € 280 = € - 55, of dus verschuldigd: € 0
* door Z : € 7.200 - € 448 = € 6.752
6. Nieuwe grond voor teruggave (art. 62 van het decreet - art. 135, 9° W. Succ.).
Hiervoor wordt verwezen naar wat gezegd wordt onder de laatste twee alinea's van punt 4.4.
7. Inwerkingtreding.
Artikel 75 van het decreet bepaalt dat de in deze circulaire besproken wijzigingen aan het Wetboek der successierechten in werking treden op 1 januari 2003. Ze zijn dus van toepassing op de nalatenschappen die vanaf die datum zijn opengevallen.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK.
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
20 december 2002. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003.
…
HOOFDSTUK XV. ― Financiën
….
Afdeling 3. - Successierechten
Art. 57. Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij decreet van 21 december 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder."
Art. 58. In artikel 52 2 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1989, wordt het 3° van het tweede lid vervangen als volgt :
"3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;".
Art. 59. In hetzelfde Wetboek wordt de verdeling van Hoofdstuk VII van het Eerste Boek in een "Afdeling I. - Vrijstellingen" en in een "Afdeling II. - Verminderingen", opgeheven.
Art. 60. Artikel 54 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij het decreet van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
"Artikel 54. Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :
(3.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48;
(1.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48.
Onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.
Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek."
Art. 61. In artikel 56 van hetzelfde wetboek wordt na het derde lid het volgende lid ingevoegd :
"Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54."
Art. 62. Artikel 135, enig lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 20 december 1996, wordt aangevuld als volgt :
"9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting."
…
HOOFDSTUK XVIII. ― Slotbepalingen
Art. 75. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2003 met uitzondering van :
1° artikelen 4 tot 6, 10 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002;
2° artikelen 12 tot 14 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2003;
3° artikelen 54 tot 56 hebben uitwerking met ingang van het aanslagjaar 2003;
4° artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 20 december 2002.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
S. STEVAERT
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid,
Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking,
M. VOGELS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw
V. DUA
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting,
Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden,
Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken,
P. VAN GREMBERGEN
De Vlaamse minister van Economie,
Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS
De Vlaamse minister van Sport en Brusselse Aangelegenheden,
G. VANHENGEL
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen
Artikel 50
Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien hij bewijst, door alle middellen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen
echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek, of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder.
Art. 522
Voor de toepassing van dit Wetboek wordt er geen rekening gehouden met de verwantschapsband voortspruitend uit de gewone adoptie.
Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbenden, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden:
1° wanneer het adoptief kind een kind is van de echtgenoot van de adoptant;
2° wanneer, op het ogenblik van de adoptie, het adoptief kind onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of wees van een voor België gestorven vader of moeder;
3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
4° wanneer de adoptie gedaan werd door een persoon van wie al de afstammelingen voor België gestorven zijn.
Art. 54
Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :
(3.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48;
(1.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48.
Onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.
Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek.
Art. 56
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR
vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR vermenigvuldigd met [1 - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun netto-verkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de verkrijgingen / 12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de nettoverkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.
Art. 135
Tegen inlevering van een aangifte, die het feit aanduidt dat aanleiding geeft tot teruggave, kunnen de rechten, interesten en boeten teruggegeven worden:
1° wanneer in het geval van artikel 3, het bestaan van de afwezige wettelijk bewezen komt te worden;
2° wanneer, in het geval van artikel 17, de bewijsstukken, die erin voorzien zijn, neergelegd werden bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk;
3° wanneer er bewezen wordt dat een individueel aangeduid roerend of onroerend goed bij missing op het actief der aangifte gebracht werd;
4° wanneer, na het openvallen der nalatenschap, de samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van enig ander voorval, hetzij door de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie, tenzij de vermindering van actief het gevolg weze van een ontbinding voortkomende van het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract;
5° wanneer er een verandering in de devolutie der erfenis intreedt die van aard is het aanvankelijk verevend bedrag der belasting te verminderen;
6° wanneer er uitgemaakt wordt dat een missing in de aangifte begaan werd:
a) aangaande de graad van verwantschap bestaande tussen de overledene en dezes erfgenamen, legatarissen of begiftigden;
b) aangaande de wettelijke of testamentaire devolutie der nalatenschap;
c) aangaande de hoedanigheid van Rijksinwoner in hoofde van de overledene;
7° wanneer, in de gevallen voorzien onder artikel 49, de belanghebbende erin slaagt de werkelijke toestand vast te stellen en er daaruit een vermindering van belasting voortspruit.
8° wanneer, in het geval van artikel 60bis, het attest bedoeld in § 10 van dat artikel neergelegd wordt bij de ontvanger binnen 2 jaar na de betaling van de belasting;
9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting.
Zorgkinderen, geadopteerden en gehandicapten
tariefbepalingen
In het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002, editie 4, werd het decreet van het Vlaams Parlement van 20 december 2002 "houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003" bekendgemaakt.
Dat decreet brengt zowel wijzigingen aan in het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten als in het Wetboek der successierechten. Deze circulaire behandelt enkel de wijzigingen aan laatstgenoemd wetboek ; de wijzigingen aan eerstgenoemd wetboek zijn reeds besproken in een eerder verschenen circulaire.
Op het vlak van de successierechten bevat het decreet drie groepen van maatregelen:
Artikel 75 van het decreet bepaalt de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen aan het W. Succ. op 1 januari 2003.1) de gelijkstelling van verkrijgingen tussen personen waartussen een zorgrelatie bestaat met een verkrijging in rechte lijn;
2) een versoepeling van de voorwaarden waaronder een verkrijging tussen een adoptant en een geadopteerde gelijkgesteld wordt met een verkrijging in rechte lijn;
3) de invoering van een voetvrijstelling voor gehandicapte rechtverkrijgenden.
In bijlage bij deze circulaire wordt een uittreksel van de tekst van het decreet meegedeeld (bijlage 1). Dat uittreksel beperkt zich dus tot die gedeelten van de tekst die de successierechten betreffen. Voorts wordt er in een tweede bijlage een gecoördineerde tekst verstrekt van de gewijzigde bepalingen van dat Wetboek.
COMMENTAAR
1. Voorafgaande opmerking: technische aanpassing van de indeling van het Wetboek (art. 59 van het decreet).
Bij artikel 59 van het decreet wordt de verdeling van Hoofdstuk VII van het Eerste Boek van het W. Succ. in twee afdelingen opgeheven. Dit houdt in dat de aanduiding van de bedoelde afdelingen en hun opschriften worden weggelaten. De artikelen van dat hoofdstuk blijven uiteraard bestaan. Voor de ratio legis van deze technische aanpassing wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij het ontwerp van decreet.
2. Gelijkschakeling van verkrijgingen tussen personen waartussen een zorgrelatie bestaat of heeft bestaan met verkrijgingen in de rechte lijn (art. 57 van het decreet - art. 50 W. Succ.).
2.1. Definitie van een "zorgrelatie".
Luidens het nieuwe lid van artikel 50 W. Succ. is er sprake van een zorgrelatie "wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen".
In de tekst van het genoemde nieuwe lid en in de memorie van toelichting wordt diegene die inwoonde en de hulp en verzorging heeft gekregen het "zorgkind" genoemd, diegene die de inwoning en de hulp en verzorging verstrekte de "zorgouder". De via die inwoning en de hulp en verzorging ontstane band tussen zorgkind en zorgouder wordt in de memorie van toelichting "zorgrelatie" genoemd.
Voor het bestaan of bestaan hebben van een zorgrelatie moeten dus de drie volgende voorwaarden cumulatief vervuld zijn:
1° het zorgkind moet bij de zorgouder hebben ingewoond
| Wat onder "inwoning" dient te worden verstaan werd niet geëxpliciteerd in de voorbereidende werken. In deze context is het echter duidelijk dat de wetgever daarmee bedoeld heeft dat het zorgkind gedurende de vereiste periode normaliter gehuisvest moet zijn geweest bij de zorgouder als medelid van diens gezin. |
| De zorgrelatie moet dus ten laatste zijn ontstaan op de dag vóór de dag van de achttiende verjaardag van het zorgkind; |
| Met "achtereenvolgende" jaren wordt bedoeld dat de drie jaren een aaneengesloten periode moeten vormen. Dit begrip heeft dus dezelfde inhoud als het begrip "onafgebroken" jaren in artikel 52^2, tweede lid, 3° W. Succ., zoals dat luidde vóór het werd gewijzigd bij onderhavig decreet. De vervanging van het ene begrip door het andere is om louter taalkundige redenen geschied . |
| De begrippen "hulp en verzorging die kinderen normaal van hun ouders krijgen" hebben dezelfde betekenis als in artikel 52^2, tweede lid, 3° W. Succ. (zowel voor als na de wijziging bij onderhavig decreet). In de memorie van toelichting wordt de inhoud van die begrippen als volgt samengevat: "de leniging van de materiële, affectieve en opvoedkundige noden van het zorgkind ". |
| Die hulp en verzorging moet "hoofdzakelijk" door de zorgouder, eventueel met zijn levenspartner tezamen, zijn verstrekt. Hierover wordt in de memorie van toelichting bij het ontwerpdecreet het volgende gezegd: |
| "Er wordt niet vereist dat de zorgouder (eventueel samen met zijn levenspartner) uitsluitend heeft ingestaan voor de leniging van de materiële, affectieve en opvoedkundige noden van het zorgkind. (…). Het volstaat dat hij dat "hoofdzakelijk" heeft gedaan. Dit brengt mee dat het voordeel van de gelijkstelling niet verloren gaat wanneer derden (de natuurlijke ouders of de overheid bijvoorbeeld) in beperkte mate zijn tussengekomen in het onderhoud van het zorgkind. In Nederland wordt de term "hoofdzakelijk" gedefinieerd als "voor ten minste zeventig percent" (…). De Vlaamse Regering herneemt dat percentage niet omdat dit veronderstelt dat een zorgouder zeer nauwkeurig alle rekeningen heeft bijgehouden ; het komt er voor de belanghebbende op aan ten opzichte van de administratie aannnemelijk te maken dat de zorgouder meer dan enige andere persoon gedurende de periode van drie jaar voor het zorgkind heeft ingestaan op moreel en materieel vlak." |
| Het woord "levenspartner" is nieuw in het W. Succ. De decreetgever heeft dat begrip niet in de wettekst gedefinieerd. Uit de memorie van toelichting blijkt dat ermee bedoeld wordt de persoon of de achtereenvolgende personen waarmee de zorgouder gedurende de vereiste periode van drie jaar een levensgemeenschap vormde. Het woord "levensgemeenschap" veronderstelt een gezamenlijke huishouding. Het kan dus gaan om de echtgenoot van de zorgouder, de persoon waarmee de zorgouder wettelijk of waarmee hij feitelijk samenwoonde. |
2.2. Bewijs van het bestaan of het bestaan hebben van de zorgrelatie.
2.2.1. Bewijs van de inwoning gedurende drie jaar.
Voor het bewijs van de inwoning heeft de decreetgever een weerlegbaar vermoeden ingesteld: de inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder gedurende de vereiste drie achtereenvolgende jaren. Uiteraard worden hiermee enkel Belgische registers bedoeld.
Eens dat bewijs door de belanghebbende geleverd, is het aan de administratie om, indien ze van oordeel zou zijn dat aan de voorwaarde van inwoning gedurende drie achtereenvolgende jaren in de werkelijkheid niet voldaan is, het tegenbewijs te leveren. Dat tegenbewijs kan geleverd worden met alle bewijsmiddelen, de eed uiteraard uitgezonderd.
Uit de memorie van toelichting blijkt dat de belanghebbende bedoeld bewijs ook buiten het vermoeden om kan aanbrengen. De gemeenrechtelijke bewijs-middelen, met uitzondering van de eed, kunnen met andere woorden ook worden aangewend. De decreetgever heeft daarbij in de eerste plaats gedacht aan het geval waarin de zorgrelatie in het buitenland heeft bestaan. Ze kunnen echter ook aangewend worden om het bewijs te leveren van een zorgrelatie die in België heeft bestaan wanneer de belanghebbende om wat voor reden dan ook geen beroep kan doen op het weerlegbaar vermoeden.
2.2.2. Bewijs dat de hulp en verzorging hoofdzakelijk werd verstrekt door de zorgouder, eventueel samen met diens levenspartner.
Dat bewijs moet door de belanghebbende geleverd worden. Vermits het een feitenkwestie betreft, kan dit door alle middelen van recht, de eed evenwel uitgezonderd. In de voorbereidende werken van het decreet wordt desbetreffend gezegd dat het verkrijgen door de zorgouder van de kinderbijslag voor het zorgkind of het ten laste zijn van het zorgkind in het kader van de ziekteverzekering kunnen gelden als belangrijke aanwijzingen, maar dat die elementen op zichzelf genomen niet voldoende zijn als bewijs. Het zal er voor de belanghebbenden op aankomen de ontvanger der registratie te overtuigen dat de zorgouder de rol van een werkelijke ouder vervult of heeft vervuld.
2.3. Gelijkschakeling met een verkrijging in rechte lijn.
De gelijkschakeling met een verkrijging in rechte lijn brengt vanzelfsprekend mee dat de bepalingen van artikel 48 W. Succ. die gelden voor rechtverkrijgenden in de rechte lijn van toepassing zijn indien een zorgkind of een zorgouder tot de nalatenschap komt van diegene met wie hij in een zorgrelatie stond.
Die gelijkschakeling houdt ook in dat zij de vermindering van artikel 56, eerste lid W. Succ. kunnen genieten.
De gelijkschakeling is wel te verstaan strikt beperkt tot de personen die rechtstreeks verbonden zijn door de zorgrelatie, met andere woorden tot het zorgkind en de zorgouder. Ze strekt zich niet uit tot hun bloedverwanten. Een verkrijging tussen een zorgkind en een bloedverwant van de zorgouder valt, wanneer er tussen de betrokkenen geen enkele bloedverwantschap bestaat, aldus onder het tarief "tussen anderen", tenzij andere bepalingen van het wetboek op hen toepasselijk zijn. Idem dito voor een verkrijging tussen een bloedverwant van het zorgkind en een zorgouder.
3. Versoepeling van de voorwaarden waaronder een verkrijging tussen een adoptant en een geadopteerde gelijkgesteld wordt met een verkrijging in rechte lijn ( art. 58 van het decreet - art. 52^2, tweede lid, 3° W. Succ.).
3.1. Vergelijking artikel 52^2, tweede lid, 3° oud en nieuw.
| oude tekst | nieuwe tekst |
| … Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbenden, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden: 1° … ; 2° … ; 3° wanneer het adoptief kind vóór de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt te hebben en gedurende zes onafgebroken jaren, uitsluitend van de adoptant of eventueel van hem en zijn echtgenoot te zamen, de hulp en de verzorging heeft gekregen welke kinderen normaal van hun ouders krijgen; 4° … . | … Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbenden, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden: 1° … ; 2° … ; 3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen; 4° … . |
Die wijziging behoeft geen commentaar buiten de opmerking dat de woorden "achtereenvolgende jaren" in de nieuwe tekst dezelfde betekenis hebben als de woorden "onafgebroken jaren" in de oude tekst (zie ook punt 2.1., derde alinea, 2°).
3.3. Vervanging van het woord "uitsluitend" door het woord "hoofdzakelijk".
Aan het woord "hoofdzakelijk" moet dezelfde inhoud gegeven worden als dewelke het heeft in het nieuwe lid van artikel 50 W. Succ. Hetgeen gezegd wordt onder punt 2.1., derde alinea, 3°, met betrekking tot dat begrip is dus hier mutatis mutandis van toepassing.
3.4. Vervanging van het woord "echtgenoot" door het woord "levenspartner".
Aan het woord "levenspartner" moet dezelfde inhoud gegeven worden als dewelke het heeft in het nieuwe lid van artikel 50 W. Succ. Hetgeen gezegd wordt onder punt 2.1., derde alinea, 3°, met betrekking tot dat begrip is dus hier mutatis mutandis van toepassing.
3.5. Essentieel verschil in de voorwaarden voor de gelijkstellingen met verkrijgingen in de rechte lijn op grond van artikel 50, derde lid W. Succ. enerzijds en op grond van artikel 52^2, tweede lid, 3°, W. Succ. anderzijds.
Het essentieel verschil bestaat in de voorwaarde van inwoning van het kind, die niet expliciet gesteld wordt in het kader van de voorwaarden voor de gelijkstelling van adoptie met een verkrijging in de rechte lijn. Wanneer het adoptief kind dus niet onafgebroken bij de adoptant heeft ingewoond gedurende de vereiste periode waarin hij de hulp en de verzorging heeft genoten, betekent dit niet automatisch dat de gelijkstelling met een verkrijging in de rechte lijn geen toepassing kan vinden (cf. Rep. RJ S 52 2 08 03).
4. Voetvrijstelling voor verkrijgingen door gehandicapte personen (art. 60 van het decreet - art. 54 W. Succ.).
4.1. Voetvrijstelling.
Luidens het nieuwe artikel 54 W. Succ. genieten gehandicapte personen een vrijstelling "aan de voet van het toepasselijk tarief" tot beloop van een bepaald bedrag. Dit betekent dat de vrijstelling eerst moet toegepast worden op de laagste schijf en vervolgens op de volgende schijven tot uitputting van het bedrag. Gelet op het feit dat het vrijgestelde bedrag verschilt naargelang de graad van verwantschap en naargelang de leeftijd van de gehandicapte, wordt deze vrijstelling in het administratief jargon hierna aangeduid als "voetvrijstelling".
4.2. Bedrag van de voetvrijstelling.
Zoals gezegd verschilt het bedrag naar de graad van verwantschap en naargelang de leeftijd van de gehandicapte rechtverkrijgende.
Het bedrag wordt bekomen als uitkomst van de volgende bewerking:
a) in geval het een verkrijging betreft die onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden":
b) in geval het een verkrijging betreft die onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden"(3.000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, W. Succ. volgens de leeftijd van de verkrijger)
Dit geeft de volgende bedragen:(1.000 euro) x (cijfer aangeduid in artikel 21, V, W. Succ. volgens de leeftijd van de verkrijger)
| Leeftijd gehandicapte | verkrijging bedoeld in a) | verkrijging bedoeld in b) |
| jonger dan 20 jaar | € 54.000 | € 18.000 |
| van 20 tot 30 jaar | € 51.000 | € 17.000 |
| van 30 tot 40 jaar | € 48.000 | € 16.000 |
| van 40 tot 50 jaar | € 42.000 | € 14.000 |
| van 50 tot 55 jaar | € 39.000 | € 13.000 |
| van 55 tot 60 jaar | € 33.000 | € 11.000 |
| van 60 tot 65 jaar | € 28.500 | € 9.500 |
| van 65 tot 70 jaar | € 24.000 | € 8.000 |
| van 70 tot 75 jaar | € 18.000 | € 6.000 |
| van 75 tot 80 jaar | € 12.000 | € 4.000 |
| vanaf 80 jaar | € 6.000 | € 2.000 |
Het eerste lid van het nieuwe artikel 54 W. Succ. bepaalt dat de voetvrijstelling voor beide soorten van successierechten geldt. Uiteraard geldt daarbij als voorwaarde dat de bedoelde rechten in het Vlaams Gewest moeten gelokaliseerd worden overeenkomstig de betreffende lokalisatieregel in de bijzondere wet betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten.
4.4. Voetvrijstelling voor gehandicapte personen - bewijs van die hoedanigheid.
Voor de bepaling van wat onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan verwijst het tweede lid van artikel 54 W. Succ. naar artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 1992). Dat artikel luidt:
"Als gehandicapt wordt aangemerkt :
1° diegene van wie, ongeacht de leeftijd, is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar :
| - | ofwel zijn lichamelijke of geestelijke toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen ; |
| - | ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan, of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten tot gevolg heeft, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten ; |
| - | ofwel na de periode van primaire ongeschiktheid, bepaald in artikel 87 van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen gecoördineerd op 14 juli 1994, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 100 van dezelfde gecoördineerde wet ; |
| - | ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, tot ten minste 66 pct. blijvend lichamelijk of geestelijk gehandicapt of arbeidsongeschikt is verklaard ; |
De Minister van Financiën of zijn gedelegeerde wijst, voor de toepassing van de belastingwet, de overheden aan die de toestand als gehandicapte vaststellen."
Krachtens het laatste lid van artikel 54 W. Succ. moet diegene die de voetvrijstelling wil genieten, zijn hoedanigheid van gehandicapte in de zin van artikel 135 WIB 1992, bewijzen door middel van een attest of een verklaring. Dat attest of die verklaring moet verstrekt zijn door een instelling of dienst die in het kader van artikel 135 WIB 1992 bevoegd is om de toestand van gehandicapte vast te stellen. Een opsomming van de bevoegde instellingen of diensten vindt men in de "Commentaar van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992".
Uiteraard moet uit de verklaring of uit het attest blijken dat de hoedanigheid van gehandicapte bestond op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap waarin de gehandicapte persoon gerechtigd is.
Het moet echter niet gaan om een speciaal met het oog op onderhavige voetvrijstelling aangevraagd attest of verklaring. Niet-vervallen attesten of verklaringen die reeds gebruikt werden om de staat van gehandicapte te bewijzen in het kader van de personenbelasting kunnen luidens de memorie van toelichting ook als bewijsstuk gebruikt worden voor het bekomen van de voetvrijstelling.
In de regel zal de gehandicapte aldus een reeds bestaand maar nog niet-vervallen attest of verklaring dat al gebruikt werd voor de personenbelasting kunnen voorleggen als bewijsstuk. Indien dat attest of die verklaring ten laatste bij het verstrijken van de betalingstermijn als bepaald in artikel 77 W. Succ. aan het bevoegd kantoor is overgemaakt (doordat het bij de aangifte is gevoegd of door latere toezending), wordt het voordeel van de voetvrijstelling onmiddellijk in rekening gebracht. Bij laattijdige overmaking van zulk een attest of verklaring worden de rechten berekend zonder toepassing van de voetvrijstelling. Dan is enkel nog teruggave van het "teveel" gehevene mogelijk op grond van het nieuwe 9° van artikel 135 W. Succ.
In de gevallen waarin de gehandicapte nog niet over een geldig attest of verklaring beschikt vóór het verstrijken van de betalingstermijn (en dat bijgevolg niet tijdig aan de bevoegde ontvanger kan overmaken), zal het voordeel van de voetvrijstelling enkel nog via een verzoek tot teruggave bij toepassing van artikel 135, 9° W. Succ. kunnen bekomen worden.
4.5. Bijzondere regels inzake de berekening van de belasting wanneer de voetvrijstelling van toepassing is.
Het derde en vierde lid van het nieuwe artikel 54 W. Succ. bevatten enkele bijzondere, van de gemene berekeningsregels van de belasting afwijkende bepalingen, die gebeurlijk moeten toegepast worden wanneer een of meer rechtverkrijgenden recht hebben op een voetvrijstelling.
4.5.1. Volgorde van toerekening van het bedrag van de voetvrijstelling in geval van opgesplitste heffingsgrondslagen bij verkrijgingen "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden".
Wanneer de gehandicapte rechtverkrijgende belast moet worden tegen het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden", moet dat tarief toegepast worden op zijn netto-aandeel in de onroerende goederen enerzijds en op zijn netto-aandeel in de roerende goederen anderzijds (artikel 48, tweede en derde lid W. Succ.).
Bij een dergelijke opgesplitste heffingsgrondslag rijst de vraag hoe het bedrag van de voetvrijstelling moet verrekend worden: verhoudingsgewijze ventilatie van dat bedrag over de twee heffingsgrondslagen of prioritaire toerekening ervan op één van die heffingsgrondslagen.
De Vlaamse decreetgever heeft bepaald dat het bedrag van de vrijstelling in alle gevallen eerst toegerekend moet worden op het netto-onroerend aandeel van de gehandicapte en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
|
Voorbeeld: X is op de dag van het overlijden van zijn vader 17 jaar oud en gehandicapt in de zin van artikel 54, tweede lid W. Succ. Het vereiste attest is tijdig voorgelegd. | ||
| Netto-onroerend aandeel van X : € 50.000 ; | ||
| Netto-roerend aandeel van X : € 70.000 | ||
| Overeenkomstig artikel 54 W. Succ. geniet X een voetvrijstelling van € 54.000 ( € 3.000 x 18 ). | ||
| Ingevolge bovenstaande toerekeningsregel is door de voetvrijstelling het netto-onroerend aandeel van X niet belastbaar omdat het bedrag ervan kleiner is dan het bedrag van de voetvrijstelling. Het resterende deel van de voetvrijstelling (4.000 euro) moet vervolgens toegerekend worden op zijn netto-roerend aandeel. | ||
| Dit geeft de volgende berekening over de roerende grondslag van € 70.000 | ||
| € 4.000 : niet belastbaar (rest voetvrijstelling) | ||
| € 46.000 x 3% | (resterende deel van de eerste schijf) = | € 1.380 |
| € 20.000 x 9% | ( deel vallend in de tweede schijf) = | € 1.800 |
| € 70.000 | € 3.180 | |
Wanneer er meerdere rechtverkrijgenden zijn die onder het tarief "tussen anderen" vallen, moeten alle netto-aandelen van die personen worden samengeteld voor de toepassing van dat tarief (artikel 48, zesde lid, W. Succ.). Voor die categorie van rechtverkrijgenden is globalisering van al hun netto-aandelen dus de algemene regel.
Wanneer er zich echter onder die rechtverkrijgenden een gehandicapte bevindt die aanspraak heeft op de voetvrijstelling, wordt in hoofde van die gehandicapte - en enkel in zijnen hoofde - van die algemene regel afgeweken. Het netto-aandeel van de gehandicapte wordt voor de berekening van d e door hem verschuldigde belasting gedeglobaliseerd, dit wil zeggen dat hij belast wordt "alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt" (artikel 54, vierde lid, eerste volzin W. Succ.).
| Voorbeeld: | |
| Nalatenschap : € 90.000 - drie legaten aan "anderen" | |
| - legaat aan X : € 30.000 | |
| - legaat aan Y : € 30.000 | |
| - legaat aan Z : € 30.000 | |
| 1ste geval: noch X, noch Y, noch Z is gehandicapt | |
| toepassing tarief op € 90.000 (geglobaliseerde netto-aandelen) : | |
| € 33.750 + (€ 15.000 x 55%) = € 42.000 | |
| om te slaan over X, Y en Z (elk 1/3) | |
| dus elk : € 14.000 | |
| 2de geval: X is gehandicapt (72 jaar) - Y en Z zijn niet gehandicapt | |
| Belasting in hoofde van X: | |
| de voetvrijstelling bedraagt € 1.000 x 6 = € 6.000 | |
| met toepassing van het vierde lid van artikel 54 W. Succ. is X verschuldigd : | |
| - netto-aandeel X (gedeglobaliseerd) : € 30.000 | |
| - voetvrijstelling X : € 6.000 | |
| - heffing : € 24.000 x 45% = € 10.800 | |
| Dit bedrag is dus hetzelfde als in het geval X in zijn hoedanigheid van gehandicapte als enige legataris in de categorie "tussen anderen" voor een bedrag van € 30.000 tot de nalatenschap zou zijn gekomen. | |
| Wat met de belasting verschuldigd door Y en Z ? Hun situatie wordt behandeld in het volgende punt. | |
Bedoeling van de Vlaamse decreetgever was uiteraard dat het voordeel van de voetvrijstelling enkel aan de gehandicapte zou toekomen. Daarom wordt in de laatste volzin van het vierde lid van het nieuwe artikel 54 W. Succ. bepaald dat in geval gehandicapte personen samen met niet-gehandicapte personen onder toepassing van het tarief "tussen anderen" vallen, de berekening van de belasting in hoofde van de niet-gehandicapten moet geschieden alsof de gehandicapte personen niet die hoedanigheid hebben. Met andere woorden voor de berekening van de belasting ten aanzien van de valide medegerechtigden in de categorie "tussen anderen" - en alleen voor die berekening -, moeten de gehandicapte medegerechtigden ook als valide personen beschouwd worden.
Dit houdt in dat voor de belasting van de valide personen de netto-aandelen van alle medegerechtigden in de tariefcategorie "tussen anderen" moeten geglobaliseerd worden en dat de voetvrijstellingen die de gehandicapten onder hen genieten daarbij uiteraard op geen enkele wijze in rekening kunnen worden gebracht.
| Voorbeeld (zelfde voorbeeld als in het vorig nummer onder het tweede geval). |
| Nalatenschap : € 90.000 - drie legaten aan "anderen" |
| - legaat aan X : € 30.000 |
| - legaat aan Y : € 30.000 |
| - legaat aan Z : € 30.000 |
| X is gehandicapt (72 jaar) - Y en Z zijn niet gehandicapt |
| Belasting in hoofde van Y en Z |
De berekening geschiedt dus als volgt :
| - som netto-aandelen X, Y en Z = € 90.000 |
| - toepassing tarief : € 33.750 + (€ 15.000 x 55%) = € 42.000 |
| - dus Y en Z elk (€ 42.000 : 3 =) € 14.000.(cf. berekening onder het vorig nummer in de eerste hypothese : noch X, noch Y, noch Z gehandicapt). |
5. Voetvrijstelling en vermindering van artikel 56 W. Succ. ( art. 61 van het decreet - art. 56 W. Succ.).
5.1. Geen invloed van de voetvrijstelling op de bepaling van de (som van de) netto-verkrijging(en) voor de toepassing van artikel 56 W. Succ.
De eerste drie leden van artikel 56 W. Succ. bepalen degressieve rechtenverminderingen indien, naargelang van het geval, de netto-verkrijging of de som van de netto-verkrijgingen een bepaald bedrag niet overschrijdt.
Luidens de eerste volzin van het nieuwe vierde lid van artikel 56 W. Succ. mag er bij de bepaling van de netto-verkrijging (of som van de netto-verkrijgingen) als bedoeld in de eerste drie leden van dat artikel, geen rekening worden gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54 W. Succ. Met andere woorden: artikel 56 W. Succ. moet toegepast worden met voorbijzien van het feit dat een of meer rechtverkrijgende aanspraak hebben op de voetvrijstelling van artikel 54 W. Succ.
| Voorbeeld: | |
| Nalatenschap : € 80.000 - drie legaten aan "anderen" | |
| - legaat aan X : € 20.000 | |
| - legaat aan Y : € 30.000 | |
| - legaat aan Z : € 30.000 | |
| X is gehandicapt (72 jaar) - Y en Z zijn niet gehandicapt | |
| Berekening rechten voor iedere eventuele vermindering: | |
| a) in hoofde van X - voetvrijstelling van € 6.000 | |
| € 6.000 - vrijgesteld | |
| € 14.000 x 45% = € 6.300 | |
| b) in hoofde van Y en Z | |
| - som netto-aandelen X, Y en Z = € 80.000 | |
| - toepassing tarief : € 33.750 + (€ 5.000 x 55%) = € 36.500 | |
| - dus Y en Z elk € 13.687,50 (€ 36.500 x 3/8) | |
5.2. Begrenzing.
De laatste volzin van het nieuwe vierde lid van artikel 56 W. Succ. bepaalt dat het bedrag van de vermindering in voorkomend geval niet meer kan bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54 W. Succ. De belastingplichtigen hebben uiteraard geen recht op het eventuele saldo.
| Voorbeeld |
| Nalatenschap : € 40.000 - drie legaten aan "anderen" |
| - legaat aan X : € 10.000 |
| - legaat aan Y : € 14.000 |
| - legaat aan Z : € 16.000 |
| X is gehandicapt (62 jaar) - Y en Z zijn niet gehandicapt |
| Berekening rechten voor iedere eventuele vermindering: |
| a) in hoofde van X - voetvrijstelling van € 9.500 |
| € 9.500 - vrijgesteld (art. 54) |
| € 500 x 45% = € 225 |
| b) in hoofde van Y en Z |
| - som netto-aandelen X, Y en Z = € 40.000 |
| - toepassing tarief : € 40.000 x 45% = € 18.000 |
| - dus (omslag): |
| * verschuldigd door Y: € 18.000 x 14.000/40.000 = € 6.300 |
| * verschuldigd door Z: € 18.000 x 16.000/40.000 = € 7.200 |
| Vermindering artikel 56 W. Succ. (belastingkrediet) |
| € 2.400 x [ 1 - (40.000/75.000)] = € 1.120 |
| omslag: |
| - waarvan voor X : ( € 1.120 x 10.000/40.000 = ) € 280 |
| - waarvan voor Y : ( € 1.120 x 14.000/40.000 = ) € 392 |
| - waarvan voor Z : ( € 1.120 x 16.000/40.000 = ) € 448 |
* door X : € 225 - € 280 = € - 55, of dus verschuldigd: € 0
* door Y : € 6.300 - € 392 = € 5.908Het bedrag van het belastingkrediet wordt ingevolge artikel 56, vierde lid, beperkt tot € 225 ; het saldo van € 55 gaat verloren en mag niet worden toegerekend op de rechten van Y en Z omdat de toepassing van artikel 54 geen invloed mag hebben op de fiscale situatie van de andere erfopvolgers belast in de categorie tussen alle anderen.
* door Z : € 7.200 - € 448 = € 6.752
6. Nieuwe grond voor teruggave (art. 62 van het decreet - art. 135, 9° W. Succ.).
Hiervoor wordt verwezen naar wat gezegd wordt onder de laatste twee alinea's van punt 4.4.
7. Inwerkingtreding.
Artikel 75 van het decreet bepaalt dat de in deze circulaire besproken wijzigingen aan het Wetboek der successierechten in werking treden op 1 januari 2003. Ze zijn dus van toepassing op de nalatenschappen die vanaf die datum zijn opengevallen.
NAMENS DE MINISTER :
De adjunct-administrateur-generaal,
Paul NECKEBROECK.
BIJLAGE 1
Uittreksel uit het Belgisch Staatsblad van 31 december 2002.
MINISTERIE VAN DE VLAAMSE GEMEENSCHAP
20 december 2002. - Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003.
Het Vlaams Parlement heeft aangenomen en Wij, regering, bekrachtigen hetgeen volgt :
Decreet houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2003.
…
HOOFDSTUK XV. ― Financiën
….
Afdeling 3. - Successierechten
Art. 57. Artikel 50 van het Wetboek der successierechten, vervangen bij decreet van 21 december 2001, wordt aangevuld met het volgende lid :
"Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder."
Art. 58. In artikel 52 2 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 1989, wordt het 3° van het tweede lid vervangen als volgt :
"3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;".
Art. 59. In hetzelfde Wetboek wordt de verdeling van Hoofdstuk VII van het Eerste Boek in een "Afdeling I. - Vrijstellingen" en in een "Afdeling II. - Verminderingen", opgeheven.
Art. 60. Artikel 54 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij het decreet van 20 december 1996, wordt hersteld in de volgende lezing :
"Artikel 54. Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :
(3.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48;
(1.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48.
Onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.
Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek."
Art. 61. In artikel 56 van hetzelfde wetboek wordt na het derde lid het volgende lid ingevoegd :
"Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54."
Art. 62. Artikel 135, enig lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij het decreet van 20 december 1996, wordt aangevuld als volgt :
"9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting."
…
HOOFDSTUK XVIII. ― Slotbepalingen
Art. 75. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2003 met uitzondering van :
1° artikelen 4 tot 6, 10 en 11 hebben uitwerking met ingang van 1 september 2002;
2° artikelen 12 tot 14 hebben uitwerking met ingang van 1 juni 2003;
3° artikelen 54 tot 56 hebben uitwerking met ingang van het aanslagjaar 2003;
4° artikel 73 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2002.
Kondigen dit decreet af, bevelen dat het in het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
Brussel, 20 december 2002.
De minister-president van de Vlaamse regering,
P. DEWAEL
De Vlaamse minister van Mobiliteit, Openbare Werken en Energie,
S. STEVAERT
De Vlaamse minister van Welzijn, Gezondheid,
Gelijke Kansen en Ontwikkelingssamenwerking,
M. VOGELS
De Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming,
M. VANDERPOORTEN
De Vlaamse minister van Werkgelegenheid en Toerisme,
R. LANDUYT
De Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw
V. DUA
De Vlaamse minister van Financiën en Begroting,
Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening,
D. VAN MECHELEN
De Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden,
Cultuur, Jeugd en Ambtenarenzaken,
P. VAN GREMBERGEN
De Vlaamse minister van Economie,
Buitenlands Beleid, Buitenlandse Handel en Huisvesting,
J. GABRIELS
De Vlaamse minister van Sport en Brusselse Aangelegenheden,
G. VANHENGEL
BIJLAGE 2
Gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen
Artikel 50
Een verkrijging tussen een stiefouder en een stiefkind wordt gelijkgesteld met een verkrijging in rechte lijn. Dezelfde gelijkstelling geldt voor de verkrijging tussen een kind van een persoon die met de erflater samenwoont en de erflater, evenals voor een verkrijging tussen een persoon die met een ouder van de erflater samenwoont en de erflater. In het laatste geval van gelijkstelling voldoet de legataris aan de vereiste van samenwonen met een ouder van de erflater, indien hij met die ouder op de dag van het overlijden overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek samenwoonde, of indien hij bewijst, door alle middellen maar met uitzondering van de eed, dat hij met die ouder op het ogenblik van het overlijden reeds sedert één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding voerde.
Een verkrijging tussen uit de echt gescheiden of van tafel en bed gescheiden personen en een verkrijging tussen ex-samenwonenden wordt alleen indien er gemeenschappelijke afstammelingen zijn gelijkgesteld met een verkrijging tussen
echtgenoten of tussen samenwonenden. De ex-samenwonende legataris moet om het voordeel van de gelijkstelling te genieten bewijzen dat hij met de erflater heeft samengewoond overeenkomstig de bepalingen van boek III, titel Vbis, van het burgerlijk wetboek, of, door alle middelen maar met uitzondering van de eed, dat hij met de erflater gedurende minstens één jaar ononderbroken een gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd.
Een verkrijging tussen personen waartussen een relatie van zorgouder en zorgkind bestaat of heeft bestaan wordt gelijkgesteld met een verkrijging in de rechte lijn. Voor de toepassing van deze bepaling wordt zulk een relatie geacht te bestaan of te hebben bestaan wanneer iemand, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren bij een andere persoon heeft ingewoond en gedurende die tijd hoofdzakelijk van die andere persoon of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen. De inschrijving van het zorgkind in het bevolkings- of het vreemdelingenregister op het adres van de zorgouder geldt als weerlegbaar vermoeden van inwoning bij de zorgouder.
Art. 522
Voor de toepassing van dit Wetboek wordt er geen rekening gehouden met de verwantschapsband voortspruitend uit de gewone adoptie.
Evenwel wordt, mits bewijs te verstrekken door de belanghebbenden, met deze adoptieve afstamming rekening gehouden:
1° wanneer het adoptief kind een kind is van de echtgenoot van de adoptant;
2° wanneer, op het ogenblik van de adoptie, het adoptief kind onder de voogdij was van de openbare onderstand of van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, of wees van een voor België gestorven vader of moeder;
3° wanneer het adoptief kind, vóór de leeftijd van eenentwintig jaar, gedurende drie achtereenvolgende jaren hoofdzakelijk van de adoptant, of van deze en zijn levenspartner samen, de hulp en verzorging heeft gekregen die kinderen normaal van hun ouders krijgen;
4° wanneer de adoptie gedaan werd door een persoon van wie al de afstammelingen voor België gestorven zijn.
Art. 54
Hetgeen verkregen wordt door een gehandicapte persoon wordt aan de voet van het toepasselijk tarief van het recht van successie of van het recht van overgang bij overlijden vrijgesteld tot beloop van de som bekomen door toepassing van de volgende formule :
(3.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48;
(1.000 euro) × (cijfer aangeduid in artikel 21, V, volgens de leeftijd van de verkrijger) wanneer de verkrijging onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48.
Onder "gehandicapte persoon" wordt verstaan een persoon die overeenkomstig artikel 135 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 als gehandicapt wordt aangemerkt.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid onderworpen is aan het tarief "in rechte lijn, tussen echtgenoten en tussen samenwonenden" van tabel I van artikel 48, wordt het bedrag van de vrijstelling eerst toegerekend op zijn netto-onroerend aandeel en bij uitputting van dat aandeel vervolgens op zijn netto-roerend aandeel.
In geval een verkrijger als bedoeld in het eerste lid samen met anderen onderworpen is aan het tarief "tussen andere personen dan in rechte lijn, echtgenoten en samenwonenden" van tabel II van artikel 48, wordt, in afwijking van artikel 48, de belasting in hoofde van de gehandicapte persoon berekend alsof hij als enige voor zijn netto-aandeel tot de nalatenschap komt. In hoofde van de andere verkrijgers wordt overeenkomstig artikel 48 de belasting berekend alsof de gehandicapte persoon die hoedanigheid niet heeft.
Het recht op de vrijstelling moet bewezen worden door middel van een attest of een verklaring uitgaande van een instelling of dienst die in het kader van de toepassing van artikel 135 van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 bevoegd is om de toestand als gehandicapte vast te stellen. Het attest of de verklaring wordt bij de aangifte gevoegd of aan het bevoegde kantoor overgemaakt voordat de rechten opeisbaar zijn. Is het attest niet bij de aangifte gevoegd of niet-tijdig op het bevoegde kantoor toegekomen dan worden de rechten berekend zonder toepassing van de vrijstelling, behoudens teruggave overeenkomstig het bepaalde in artikel 135, 9°, van dit Wetboek.
Art. 56
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging in de rechte lijn, tussen echtgenoten of tussen samenwonenden worden, indien de netto-verkrijging niet meer bedraagt dan 50.000 EUR, verminderd met 500 EUR
vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 50.000)].
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van een verkrijging door een broer of zuster worden, indien de netto-verkrijging groter is dan 18.750 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.500 EUR vermenigvuldigd met [1 - (netto-verkrijging / 75.000)]. Indien de netto-verkrijging gelijk is aan of minder is dan 18.750 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (netto-verkrijging / 20.000).
De rechten van successie verschuldigd uit hoofde van de samengenomen verkrijgingen door andere personen dan erfgenamen in de rechte lijn, de echtgenoot, samenwonenden of broers en zusters worden, indien de som van hun netto-verkrijgingen groter is dan 12.500 EUR en niet meer bedraagt dan 75.000 EUR, verminderd met 2.400 EUR vermenigvuldigd met [1 - (som van de netto-verkrijgingen / 75.000)]. Indien de som van hun netto-verkrijgingen gelijk is aan of minder is dan 12.500 EUR, worden die rechten verminderd met 2.000 EUR vermenigvuldigd met (som van de verkrijgingen / 12.500). De overeenkomstig dit lid bekomen vermindering wordt omgeslagen over de betrokken erfgenamen in verhouding tot hun aandeel in de samengenomen verkrijgingen.
Voor de bepaling van de netto-verkrijging zoals bedoeld in de vorige alinea's, wordt geen rekening gehouden met de vrijstelling zoals bedoeld in artikel 54. Het bedrag van de vermindering kan in voorkomend geval niet meer bedragen dan de rechten verschuldigd na toekenning van de vrijstelling van artikel 54.
Is het recht van overgang bij overlijden verschuldigd voor verkrijgingen als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, dan geldt dezelfde rechtenvermindering met dien verstande dat dan rekening gehouden wordt met de bruto-verkrijging.
De door een kind van de overledene verschuldigde rechten worden verminderd met 75 EUR voor elk vol jaar dat nog moet verlopen tot het de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt. De door de overlevende echtgenoot of samenwonende verschuldigde rechten worden verminderd met de helft van de verminderingen die de gemeenschappelijke kinderen overeenkomstig dit lid genieten. Deze verminderingen zijn van toepassing ongeacht de nettoverkrijgingen van de rechthebbenden en bovenop de vermindering waarop ze krachtens het eerste of het vierde lid recht hebben.
Art. 135
Tegen inlevering van een aangifte, die het feit aanduidt dat aanleiding geeft tot teruggave, kunnen de rechten, interesten en boeten teruggegeven worden:
1° wanneer in het geval van artikel 3, het bestaan van de afwezige wettelijk bewezen komt te worden;
2° wanneer, in het geval van artikel 17, de bewijsstukken, die erin voorzien zijn, neergelegd werden bij de ontvanger binnen twee jaar na de betaling van de belasting in het Rijk;
3° wanneer er bewezen wordt dat een individueel aangeduid roerend of onroerend goed bij missing op het actief der aangifte gebracht werd;
4° wanneer, na het openvallen der nalatenschap, de samenstelling ervan verminderd wordt, hetzij door het intreden van een voorwaarde of van enig ander voorval, hetzij door de oplossing van een geschil ingevolge een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of een transactie, tenzij de vermindering van actief het gevolg weze van een ontbinding voortkomende van het niet-uitvoeren door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden van de voorwaarden van een contract;
5° wanneer er een verandering in de devolutie der erfenis intreedt die van aard is het aanvankelijk verevend bedrag der belasting te verminderen;
6° wanneer er uitgemaakt wordt dat een missing in de aangifte begaan werd:
a) aangaande de graad van verwantschap bestaande tussen de overledene en dezes erfgenamen, legatarissen of begiftigden;
b) aangaande de wettelijke of testamentaire devolutie der nalatenschap;
c) aangaande de hoedanigheid van Rijksinwoner in hoofde van de overledene;
7° wanneer, in de gevallen voorzien onder artikel 49, de belanghebbende erin slaagt de werkelijke toestand vast te stellen en er daaruit een vermindering van belasting voortspruit.
8° wanneer, in het geval van artikel 60bis, het attest bedoeld in § 10 van dat artikel neergelegd wordt bij de ontvanger binnen 2 jaar na de betaling van de belasting;
9° wanneer het voor de toepassing van de in artikel 54 bepaalde vrijstelling vereiste attest wordt neergelegd bij de ontvanger binnen 2 jaar na betaling van de belasting.
Bron: FisconetPlus
