Circulaire 2020/C/15 betreffende gecentraliseerde vrijmaking

Gecentraliseerde vrijmaking, raadplegingsprocedure, overgangsregeling, aanvraag, voorwaarden, vergunning

FOD Financiën, 22.01.2020
Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen

Inhoudstafel

1. Wettelijke basis

2. Definitie en toepassingsgebied

1. Wettelijke basis

Wettelijke grondslag voor de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking:
- artikel 179 tot 181 van de Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie (DWU);
- artikel 2, 149, 251, 254 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (DA) van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het Douanewetboek van de Unie;
- artikel 229 t.e.m. 232 en 345 van de Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 (IA) van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het Douanewetboek van de Unie;
- artikelen 2, 3,18 t.e.m. 20, 55 van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 (TDA) van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het Douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van de Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446;
- TAXUD – Simplifications – Title V UCC / « Guidance for MSs and Trade » (TAXUD/A2/05/11/2018) (In deze circulaire wordt hiernaar verwezen als « Guidance Simplifications »). Dit document kan worden geraadpleegd via de volgende internetlink: https://ec.europa.eu/taxation_customs/business/union-customs-code/ucc-guidance-documents_en.

2. Definitie en toepassingsgebied

Artikel 179 DWU
Gecentraliseerde vrijmaking

1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar hij is gevestigd, een douaneaangifte in te dienen voor goederen die bij een ander douanekantoor bij de douane worden aangebracht.
Voor de in de eerste alinea bedoelde vereiste vergunning kan ontheffing worden verleend wanneer de douaneaangifte wordt ingediend en de goederen bij de douane worden aangebracht onder de verantwoordelijkheid van één douaneautoriteit.
2. De aanvrager van de in lid 1 bedoelde vergunning moet een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen zijn.
3. Het douanekantoor waar de douaneaangifte wordt ingediend:
a) houdt toezicht op het plaatsen van de goederen onder de betreffende douaneregeling;
b) voert de douanecontroles uit voor de verificatie van de douaneaangifte, zoals bedoeld in artikel 188, onder a) en b);
c) verzoekt in gerechtvaardigde gevallen het douanekantoor waarbij de goederen zijn aangebracht, om de douanecontroles
voor de verificatie van de douaneaangifte uit te voeren, zoals bedoeld in artikel 188, onder c) en d); en
d) vervult de douaneformaliteiten voor de invordering van het met een douaneschuld overeenkomende bedrag aan in- of uitvoerrechten.
4. Het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend en het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht, wisselen de nodige informatie uit voor de verificatie van de douaneaangifte en voor de vrijgave van de goederen.
5. Het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht, verricht, onverminderd zijn eigen controles met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten, de in lid 3, onder c), genoemde douanecontroles en verstrekt de resultaten daarvan aan het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend.
6. Het douanekantoor waar de douaneaangifte is ingediend, geeft de goederen vrij overeenkomstig de artikelen 194 en 195, met inachtneming van:
a) de resultaten van zijn eigen controles voor de verificatie van de douaneaangifte;
b) de resultaten van de controles door het douanekantoor waar de goederen zijn aangebracht voor de verificatie van de douaneaangifte en de controles met betrekking tot goederen die het douanegebied van de Unie binnenkomen of verlaten.

Definities:
Gecentraliseerde vrijmaking (artikel 179 DWU, artikel 149 DA en artikelen 229-232 IA):

De houder van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking kan een douaneaangifte indienen bij het kantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar hij gevestigd is, voor goederen die bij een ander douanekantoor worden aangebracht.

Vergunningverlenende lidstaat

De vergunningverlenende lidstaat heeft een leidende rol. Deze lidstaat is het belangrijkste aanspreekpunt voor de aanvrager of de vergunninghouder. De vergunningverlenende lidstaat is verantwoordelijk voor het vergunningsproces, het verlenen van de vergunning en het toezicht op de vergunning. In de Guidance Simplifications van de Europese Commissie wordt er gesproken over de authorising member state (AMS).

Deelnemende lidsta(a)t(en)

De deelnemende lidstaten zijn alle andere lidstaten die betrokken zijn bij een vergunning. De Guidance Simplifications spreekt over de participating member state(s) (PMS). Zij zijn betrokken bij het vergunningsproces in overeenstemming met de regels voor de raadplegingsprocedure. Op verzoek ondersteunen zij de vergunningverlenende lidstaat in het audit-proces en bezorgen de vergunningverlenende lidstaat informatie ter ondersteuning van het toezicht op de vergunning. De deelnemende lidstaten moeten er ook voor zorgen dat de vergunninghouder voldoet aan de nationale regels met betrekking tot fiscale en statistische aspecten.
Bij uitvoer zijn de deelnemende lidstaten de lidstaten waar de goederen zich bevinden wanneer zij worden aangegeven voor uitvoer.

Controlekantoor

Dit douanekantoor is verantwoordelijk voor het toezicht op de plaatsing van de goederen onder een douaneregeling. Het is ook het douanekantoor waar de douaneaangiften worden ingediend (overeenkomstig artikel 179 DWU) en dat toezicht houdt op de verrichtingen van de vergunninghouder. In de Guidance Simplifications wordt gebruik gemaakt van de term supervising customs office, afgekort als SCO.
Indien de vergunning gecentraliseerde vrijmaking gecombineerd wordt met een bijzondere douaneregeling, wordt aanbevolen dat het controlekantoor ook het douanekantoor is dat toezicht houdt op de bijzondere regeling (zie eveneens artikel 1, punt 36 DA, voor de definitie van « controlekantoor »).

Douanekanto(o)r(en) van aanbrenging

Het douanekantoor van aanbrenging is het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar de goederen zich fysiek bevinden. Dit kantoor is, samen met het controlekantoor, eveneens verantwoordelijk voor het toezicht op de verrichtingen en de vrijgave/controle van de goederen. In de Guidance Simplifications wordt gebruik gemaakt van de term presentation customs office, afgekort als PCO.
Bij uitvoer is het kantoor van aanbrenging het kantoor waar de goederen zich bevinden op het moment dat zij worden aangegeven.
Het douanekantoor van uitgang kan een ander kantoor zijn dan het douanekantoor van uitvoer. In dit geval is het douanekantoor van uitgang geen douanekantoor van aanbrenging dat betrokken is bij de vergunning (zie eveneens artikel 1, punt 2 IA, voor de definitie van « kantoor van aanbrenging »).

3. Overgangsregeling

3.1. Bestaande grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures

3.1.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 345 IA
“Procedureregels voor de herbeoordeling van op 1 mei 2016 reeds van kracht zijnde vergunningen

1. Beschikkingen als gevolg van een herbeoordeling van een vergunning overeenkomstig artikel 250, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 worden vóór 1 mei 2019 gegeven.
Bij deze beschikkingen worden herbeoordeelde vergunningen ingetrokken en, zo nodig, nieuwe vergunningen verleend. De vergunninghouders worden onmiddellijk in kennis gesteld van de beschikkingen.
2.
3.
4. In afwijking van lid 1 blijven grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures (SASP) die zijn afgegeven in overeenstemming met Verordening (EEG) nr. 2454/93 en nog altijd geldig zijn op 1 mei 2016, geldig tot de datums waarop respectievelijk de systemen CCI en AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 worden uitgerold.

3.1.2. Toelichting

1. In tegenstelling tot andere vergunningen voor vereenvoudigingen, blijven de grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures (SASP) die zijn afgeleverd in overeenstemming met Verordening (EEG) nr. 2454/93 en die nog steeds geldig zijn op 1 mei 2016, geldig tot de datums waarop respectievelijk de systemen CCI (Centralised Clearance for Import) en AES (Automated Export System), zoals bedoeld in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2019/2151, in werking treden (Artikel 345 leden 1 en 4 van de uitvoeringsverordening (IA)). De uitvoeringbesluiten 2014/255/EU en 2016/578 werden inmiddels ingetrokken en vervangen door uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151 van 13 december 2019. Verdere verwijzingen naar de ingetrokken besluiten dienen gelezen te worden als verwijzingen naar het besluit 2019/2151.
2. De bestaande grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures zijn verleend met een vergunning voor vereenvoudigde aangifte of met een vergunning voor domiciliëringsprocedure (met of zonder kennisgeving).
Vanaf 1 mei 2016 zal elk geval worden geïnterpreteerd aan de hand van de nieuwe terminologie en mogelijkheden van het Douanewetboek van de Unie.
3. Het wordt aanbevolen de bestaande vergunningen als volgt te interpreteren (ondanks de mogelijkheid om een bestaande grensoverschrijdende vergunning voor vereenvoudigde procedures in een andere optie om te zetten):
- Grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures met vereenvoudigde aangifte zullen worden gelezen als gecentraliseerde vrijmaking met vereenvoudigde aangifte;
- Grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures met domiciliëringsprocedure en met indiening van de aangifte zullen worden gelezen als gecentraliseerde vrijmaking met standaardaangifte (of vereenvoudigde aangifte);
- Grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures met domiciliëringsprocedure en het indienen van een aangifte kunnen ook worden gelezen als gecentraliseerde vrijmaking met aanbrenging van goederen op een door de douane goedgekeurde plaats;
- Grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures met - domiciliëringsprocedure en met kennisgeving zullen worden gelezen als gecentraliseerde vrijmaking met inschrijving in de administratie en aanbrenging van de goederen;
- Grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures met domiciliëringsprocedure en zonder kennisgeving zullen worden gelezen als gecentraliseerde vrijmaking met inschrijving in de administratie en vrijstelling van aanbrenging van de goederen.
(Guidance Simplifications 3.2.1.)

3.2. Overgangsperiode I.T.

3.2.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 278 DWU
“Overgangsmaatregelen

1. Uiterlijk tot en met 31 december 2020 mogen andere middelen voor de uitwisseling en opslag van informatie dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van andere dan de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn.
2.
3. Uiterlijk tot en met 31 december 2025 mogen andere middelen dan de in artikel 6, lid 1, bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken op overgangsbasis worden gebruikt, indien de elektronische systemen die nodig zijn voor de toepassing van de volgende bepalingen van het wetboek nog niet operationeel zijn:
a)
b)
c)
d) de in artikel 179 neergelegde bepalingen inzake gecentraliseerde vrijmaking;
e)
f) … “

3.2.2. Toelichting

4. Tijdens de IT-overgangsperiode zijn er maatregelen van toepassing wanneer de elektronische systemen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van de bepalingen van het Douanewetboek nog niet operationeel zijn. De overgangsmaatregelen zijn verdeeld over de gedelegeerde overgangsverordening (TDA), de gedelegeerde verordening (DA) en de uitvoeringsverordening (IA).
5. De toepassingsperiode van deze maatregelen is gekoppeld aan de termijn voor de introductie en de modernisering van de relevante IT-systemen die zijn opgenomen in het DWU-werkprogramma (besluit (EU) 2019/2151). De wettelijke termijn waarbinnen gebruik kan worden gemaakt van deze overgangsmaatregelen is bepaald in artikel 278 DWU. In afwijking van artikel 6 DWU, mogen andere middelen dan de in artikel 6, lid 1 bedoelde elektronische gegevensverwerkingstechnieken, voor de uitwisseling en opslag van informatie worden gebruikt, indien de voor de toepassing van de bepalingen van het Wetboek benodigde elektronische systemen nog niet operationeel zijn. Voor de toepassing van gecentraliseerde vrijmaking is de deadline vastgelegd op 31/12/2025.
6. Bepaalde systemen zullen voor deze datum in werking treden en de overgangsperioden zullen voor elk afzonderlijk systeem verschillen.
7. Terwijl de lidstaten de oplossingen die zij momenteel gebruiken (IT of ander) tijdens de overgangsperiode aanpassen, garanderen zij dat de voordelen van de vereenvoudigingen, afgestemd op het DWU, kunnen worden blijven benut. Daarom zal tijdens de overgangsfase voor de meeste maatregelen gebruik gemaakt worden van de bestaande toepassingen.
(Guidance Simplifications 1.2.)

3.3. Opslag en uitwisseling van informatie

3.3.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 18 (TDA)
“Middelen voor de uitwisseling van informatie voor gecentraliseerde vrijmaking

1. Tot de respectieve datums van de uitrol van het DWU-systeem Gecentraliseerde inklaring (CCI) en het AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU stellen de douaneautoriteiten die betrokken zijn bij een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking, in onderlinge samenwerking een regeling vast om de naleving van artikel 179, leden 4 en 5, van het wetboek, te garanderen.
2. De douaneautoriteiten kunnen toestaan dat andere middelen dan elektronische gegevensverwerkingstechnieken worden gebruikt voor de uitwisseling van informatie tussen douaneautoriteiten onderling en tussen douaneautoriteiten en houders van een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking.

Artikel 19 (TDA)
“Opslag van informatie

1. De lidstaten verstrekken de Commissie de lijst van aanvragen en vergunningen voor gecentraliseerde vrijmaking, die deze vervolgens opslaat in de desbetreffende categorie in het communicatie- en informatiedocumentatiecentrum voor overheden, bedrijven en burgers (CIRCABC).
2. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 1 bedoelde lijst up-to-date is.”

Artikel 20 (TDA)
“Afwijzing van een aanvraag voor gecentraliseerde vrijmaking

Tot de respectieve datums van de uitrol van het CCI- en het AES-systeem zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU kan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit aanvragen voor gecentraliseerde vrijmaking afwijzen wanneer de vergunning tot onevenredige administratieve lasten zou leiden.”

3.3.2. Toelichting

8. Volgende overgangsbepalingen zijn van toepassing tot de update van het IT systeem:
a) Procedure van afgifte
Overeenkomstig artikel 19 TDA verstrekken de lidstaten een lijst met toepassingen en vergunningen aan de Commissie, die de openbare informatie vervolgens opslaat in CIRCABC (alleen niet-vertrouwelijke gegevens kunnen beschikbaar worden gesteld). Deze werkwijze is van toepassing zolang het systeem voor douanebeschikkingen niet ingevoerd is.
Artikel 20 TDA bepaalt dat, net als het geval was in artikel 253 nonies, lid 5, CDW, de aanvragen door de vergunningverlenende lidstaat kunnen worden afgewezen wanneer de vergunning tot onevenredige administratieve lasten zou leiden.
b) Controleplan
Overeenkomstig artikel 229, lid 5, IA, moet tijdens de overgangsperiode altijd een controleprogramma met de specifieke gegevens voor gecentraliseerde vrijmaking worden opgesteld en gecommuniceerd aan de deelnemende lidstaten, ongeacht het soort douaneaangifte dat wordt gebruikt (zie eveneens titel 6.3. Raadplegingsprocedure). De vergunninghouder moet de btw- en statistische gegevens aan elke deelnemende lidstaat verstrekken. Elke deelnemende lidstaat zal informatie verzamelen voor eigen, nationale doeleinden.
De statistische informatie die moet worden verstrekt aan Eurostat is de verantwoordelijkheid van de vergunningverlenende lidstaat, die de nodige statistische informatie aan het nationale bureau voor de statistiek moet verzenden.
c) Uitwisseling van informatie tussen douaneautoriteiten
Tijdens de overgangsfase is er geen gemeenschappelijk IT-systeem dat de uitwisseling van informatie tussen het controlekantoor en het douanekantoor van aanbrenging garandeert. Daarom wordt in artikel 18, lid 2, TDA, bepaald dat de bestaande methoden van uitwisseling die voor grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures worden toegepast, nog steeds kunnen worden gebruikt, mits de bepalingen in artikel 179 DWU worden nageleefd.
In artikel 18, lid 1, TDA wordt bepaald dat de douaneautoriteiten die betrokken zijn bij een vergunning in onderlinge samenwerking een regeling vaststellen om de naleving van de informatie-uitwisseling voor de controle en/of vrijgave van de goederen te garanderen.
Dit wil niet zeggen dat er voor elke verrichting voorafgaand aan de vrijgave van de goederen informatie moet worden uitgewisseld, maar er moet wel overeenstemming worden bereikt over de manier waarop zal worden omgegaan met de vrijgave van de goederen met het oog op de vereisten van zowel het controlekantoor als het douanekantoor van aanbrenging.
(Guidance Simplifications 2.4.12.)

4. Aanvraag vergunning

4.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 179 DWU

“1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar hij is gevestigd, een douaneaangifte in te dienen voor goederen die bij een ander douanekantoor bij de douane worden aangebracht.”

Artikel 5 DWU

4) "persoon": een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging van personen die geen rechtspersoonlijkheid bezit maar krachtens het Unierecht of het nationale recht wel als handelingsbekwaam is erkend;”

Artikel 6 DWU
“Middelen voor het uitwisselen en het opslaan van informatie en gemeenschappelijke gegevensvereisten

1. Alle uitwisselingen van informatie, zoals aangiften, aanvragen of beschikkingen tussen douaneautoriteiten onderling en tussen marktdeelnemers en douaneautoriteiten, alsmede de door de douanewetgeving vereiste opslag van die informatie, geschieden met behulp van elektronische gegevensverwerkingstechnieken.”

Artikel 22 DWU
“Beschikkingen naar aanleiding van aanvragen

1. Indien een persoon een beschikking betreffende de toepassing van de douanewetgeving aanvraagt, verstrekt hij alle door de bevoegde douaneautoriteiten gevraagde inlichtingen die het voor hen mogelijk maken om een beschikking af te geven.
Een beschikking mag ook worden aangevraagd door en gericht worden tot verschillende personen, overeenkomstig de in de douanewetgeving vastgelegde voorwaarden.
Tenzij anders is bepaald, is de bevoegde douaneautoriteit de autoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd.
2. De douaneautoriteiten gaan onverwijld, doch uiterlijk binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvraag voor een beschikking, na of aan de voorwaarden voor aanvaarding van de aanvraag is voldaan.
Wanneer de douaneautoriteiten vaststellen dat de aanvraag alle inlichtingen bevat opdat zij de beschikking zouden kunnen verlenen, stellen zij de aanvrager binnen de in de eerste alinea vermelde termijn daarvan in kennis.
3. De bevoegde douaneautoriteit verleent een beschikking als bedoeld in lid 1 en deelt deze aan de aanvrager onverwijld en uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard mee, tenzij anders is bepaald.”

Bijlage A (DA)
GEMEENSCHAPPELIJKE GEGEVENSVEREISTEN VOOR AANVRAGEN EN BESCHIKKINGEN
Inleidende aantekeningen bij de tabellen met gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen

ALGEMENE BEPALINGEN

1. De bepalingen in deze aantekeningen zijn van toepassing op alle titels van deze bijlage.
2. De tabellen met gegevensvereisten in titel I tot en met titel XXI bevatten alle gegevenselementen die voor de in deze bijlage behandelde aanvragen en beschikkingen noodzakelijk zijn.
3. De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (1), die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
4. De in deze bijlage omschreven gegevensvereisten zijn van toepassing op aanvragen die worden ingediend en beschikkingen die worden afgegeven zowel met behulp van een elektronische gegevensverwerkingstechniek als op papier.
5. De gegevenselementen die voor verschillende aanvragen en beschikkingen kunnen worden verstrekt, zijn opgenomen in de tabel met gegevensvereisten in hoofdstuk 1 van titel I van deze bijlage.
6. De gegevenselementen voor specifieke soorten aanvragen en beschikkingen zijn vermeld in titel II tot en met titel XXI van deze bijlage.
7. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in hoofdstuk 2 van de titels I tot en met XXI van deze bijlage doen geen afbreuk aan de status van het gegevenselement zoals omschreven in de tabellen met gegevensvereisten. […]
8. De gegevenselementen in de respectieve tabel met gegevensvereisten kunnen zowel voor de aanvragen als voor de beschikkingen worden gebruikt, tenzij het betrokken gegevenselement anders is aangemerkt.
9. De status in onderstaande tabel met gegevensvereisten laat onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. […]
10. […]
________
(1) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 (zie bladzijde 558 van dit Publicatieblad).

4.2. Toelichting

9. Elke persoon die voldoet aan de definitie van artikel 5 DWU kan op zijn verzoek een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking aanvragen, overeenkomstig artikel 179, lid 1 DWU.
De algemene regel bepaalt dat marktdeelnemers, vertegenwoordigers en anderen personen die een vergunning voor een vereenvoudiging aanvragen, op grond van artikel 18, lid 2, DWU, en artikel 11, lid 1, b), DA, gevestigd zijn in het douanegebied van de Unie.
Daarenboven is overeenkomstig artikel 170, lid 2, DWU, vereist dat de aangever die de douaneaangifte indient, in het douanegebied van de Unie is gevestigd.
(Guidance Simplifications 2.1.1.b)
10. In het kader van de douanevertegenwoordiging onderscheiden we twee gevallen:
- de houder van een vergunning voor een vereenvoudigde procedure is de invoerder/uitvoerder en werkt met een vertegenwoordiger die zorgt voor de afhandeling van douaneformaliteiten, zoals het indienen van de douaneaangifte.
- de houder van een vergunning voor een specifieke vereenvoudiging (Guidance Simplifications 1.3.) is een douanevertegenwoordiger die optreedt namens zijn cliënten, dochterondernemingen of partners. (Guidance Simplifications 2.1.1.c)
In de AEO Richtsnoeren staan bepalingen in verband met de toegankelijkheid van de administratie van de bedrijven. (Zie Titel 2.II.2 “Condition of satisfactory system of managing commercial and transport records”).

4.2.1. Wijze en vorm van de aanvraag

11. De algemene bepalingen inzake de aanvraag van een vergunning, het beheer van vergunningen naar aanleiding van aanvragen, de nietigverklaring van gunstige vergunningen en de intrekking en wijziging van gunstige vergunningen zijn opgenomen in respectievelijk de artikelen 22, 23, 27 en 28 van het Douanewetboek van de Unie. Deze bepalingen worden toegelicht in de circulaire 2017/C/90 van 22/12/2017.
12. De aanvraag voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking moet worden ingediend via het DWU-systeem douanebeschikkingen overeenkomstig artikel 6 DWU.
13. In de aanvraag voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking moeten de gegevens worden vermeld volgens de bepalingen van bijlage A (DA). In hoofdstuk 1 van Titel I, « Aanvragen en beschikkingen » van bijlage A worden deze gegevens opgenomen in kolom 7b van de tabel met gegevensvereisten. De specifieke gegevenselementen die enkel betrekking hebben op de vergunning gecentraliseerde vrijmaking zijn opgenomen in hoofdstuk I van titel XIII van dezelfde bijlage A. In bijlage I van onderhavige circulaire zijn gegevensvereisten opgenomen die voor de aanvragen en beschikkingen gecentraliseerde vrijmaking moeten worden gebruikt. De gegevens die uitsluitend van toepassing zijn op de aanvraag van de vergunning zijn aangeduid met [*].
14. De aanvraag moet worden opgesteld overeenkomstig de geldende taalwetgeving in België. In voorkomend geval zijn de bepalingen van het Koninklijk Besluit van 18 juli 1966 houdende de coördinatie van de wetten op het taalgebruik in administratieve aangelegenheden (Belgisch Staatsblad van 2 augustus 1966) van toepassing. Indien de inlichtingen worden geleverd in een andere taal dan die van de aanvraag, dient er een vertaling van deze inlichtingen in de taal van de aanvraag te worden bijgevoegd.
15. Hierbij wordt opgemerkt dat de aanvrager verantwoordelijk is voor de juistheid van de geleverde informatie en van de authenticiteit van aangeleverde documenten.

4.2.2. Plaats van de aanvraag

16. De aanvraag voor het bekomen van een beschikking voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking moet, tenzij anders is bepaald, worden ingediend bij de bevoegde douaneautoriteit van de plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden van de aanvrager zich bevindt of waar deze toegankelijk is, en waar op zijn minst een deel van de activiteiten die onder de beschikking moeten vallen, zal worden uitgevoerd (art. 22 DWU).
17. De plaats waar de hoofdadministratie van de aanvrager zich bevindt, waarmee de toepassing van de regeling door de aanvrager kan worden gecontroleerd, is bepalend voor de douaneautoriteit door wie de vergunning gecentraliseerde vrijmaking moet worden verleend. Daarbij wordt als voorwaarde gesteld dat eveneens douaneactiviteiten in de lidstaat waar de hoofdadministratie wordt gehouden moeten plaatsvinden. Indien de lidstaat bevoegd voor het verlenen van de vergunning gecentraliseerde vrijmaking op die wijze niet kan worden bepaald, wordt nagegaan in welke lidstaat de hoofdadministratie kan worden geraadpleegd en waar de douaneactiviteiten of een deel daarvan plaatsvinden.

4.2.3. Termijn voor aanvaarding van de aanvraag

18. Overeenkomstig artikel 22, lid 2 DWU en artikel 11, lid 1 DA bepalen de douaneautoriteiten binnen de 30 dagen na ontvangst van de aanvraag of er voldaan is aan de voorwaarden voor de aanvaarding van die aanvraag.
19. Indien alle benodigde informatie is verstrekt, wordt de goedkeuring van de aanvraag binnen dezelfde termijn bekendgemaakt. Indien dit niet het geval is, heeft de aanvrager uit hoofde van artikel 12, lid 2, IA, een aanvullende termijn van maximaal 30 dagen vanaf het moment dat de douaneautoriteiten om deze informatie hebben verzocht, om deze alsnog te verstrekken.
20. Indien er geen antwoord komt van de douaneautoriteiten met betrekking tot de aanvraag, wordt deze geacht te zijn aanvaard. De datum van aanvaarding is de datum waarop de aanvraag of de aanvullende informatie werd ingediend (artikel 12, lid 3, IA).
(Guidance Simplifications 2.1.1. Application and acceptance phases; part b)).
De bijzonderheden inzake de specifieke raadplegingsprocedure voor gecentraliseerde vrijmaking zijn opgenomen in titel 6.
Het beheer van de aanvragen, beslissingen en opvolging van de vergunningen dient via het DWU-systeem douanebeschikkingen te gebeuren.
21. Tijdens de overgangsperiode kan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de aanvraag voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking afwijzen, wanneer de vergunning tot onevenredige administratieve lasten zou leiden (artikel 20 TDA - zie eveneens 3.3.1. en 6.1. van onderhavige circulaire).

5. Voorwaarden voor het verlenen van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking

5.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 179 DWU

1. De douaneautoriteiten kunnen een persoon, op diens verzoek, vergunning geven om bij het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor de plaats waar hij is gevestigd, een douaneaangifte in te dienen voor goederen die bij een ander douanekantoor bij de douane worden aangebracht.
Voor de in de eerste alinea bedoelde vereiste vergunning kan ontheffing worden verleend wanneer de douaneaangifte wordt ingediend en de goederen bij de douane worden aangebracht onder de verantwoordelijkheid van één douaneautoriteit.
2. De aanvrager van de in lid 1 bedoelde vergunning moet een geautoriseerde marktdeelnemer voor douanevereenvoudigingen zijn.”

Artikel 149 DA (Artikel 179, lid 1, van het wetboek)

1. Er wordt slechts vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking overeenkomstig artikel 179 van het wetboek verleend als de desbetreffende aanvraag betrekking heeft op een van de volgende regelingen:
a) in het vrije verkeer brengen;
b) douane-entrepot;
c) tijdelijke invoer;
d) bijzondere bestemming;
e) actieve veredeling;
f) passieve veredeling;
g) uitvoer;
h) wederuitvoer.
2. Wanneer de douaneaangifte gebeurt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, kan vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking worden verleend onder de in artikel 150 vastgestelde voorwaarden.

5.2. Toelichting

5.2.1. Algemene voorwaarden

22. Wanneer er meer dan één lidstaat betrokken is bij de procedure voor gecentraliseerde vrijmaking, is een vergunning vereist. Dit betekent dat er een formele aanvraag moet worden ingediend en er een voorafgaande bedrijfscontrole moet worden uitgevoerd waarin niet alleen de algemene voorwaarden, maar ook de specifieke aspecten van gecentraliseerde vrijmaking, worden gecontroleerd. (Guidance Simplifications 2.4.2.)

23. Op het moment van de aanvraag van een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking dient de aanvrager over een AEOC vergunning te beschikken (Artikel 179 (2) DWU). De criteria voor de toekenning van de status van “geautoriseerde marktdeelnemer” zijn opgenomen in Artikel 39 DWU:
a) geen ernstige of herhaalde overtredingen van de douanewetgeving en belastingvoorschriften en geen strafblad met zware misdrijven in verband met de economische activiteit van de aanvrager;
b) de aanvrager kan aantonen dat hij zijn handelingen en de goederenstroom goed onder controle heeft dankzij een handels- en, in voorkomend geval, vervoersadministratie die passende douanecontroles mogelijk maakt;
c) financiële solvabiliteit die geacht wordt aangetoond te zijn als de aanvrager een goede financiële positie heeft die hem in staat stelt aan zijn verplichtingen te voldoen, waarbij naar behoren wordt gelet op de kenmerken van het type zakelijke activiteiten in kwestie;
d) met betrekking tot de in artikel 38, lid 2, onder a), bedoelde vergunning (=status van geautoriseerde marktdeelnemer), de praktische vakbekwaamheid of beroepskwalificaties die rechtstreeks samenhangen met de verrichte activiteit;

5.2.2. Aanvullende bepalingen betreffende artikel 25 IA

24. De artikels 24, 25, 26 en 27 IA geven een nadere omschrijving van de voorwaarden vernoemd in de respectievelijke artikels 39, a), 39, b), 39, c) en 39 d) DWU inzake de AEO C status. De aandacht wordt in het bijzonder gevestigd op artikel 25 IA, waarin de voorwaarden zijn opgenomen om te voldoen aan het in artikel 39, b) vastgelegde criterium, zijnde een deugdelijke handels- en vervoersadministratie. Volgens lid 1, b) van dit artikel moet de administratie voor douanedoeleinden worden geïntegreerd in het boekhoudsysteem van de aanvrager of moet het mogelijk maken dat kruiscontroles van de gegevens met het boekhoudsysteem kunnen worden verricht. Nadere toelichting over de geïntegreerde boekhouding is opgenomen in de nota 2019/OPS/CC/D2/00009.

5.2.3. Ontheffing voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking

25. Er kan een ontheffing worden verleend van de verplichting een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking aan te vragen indien de douaneaangifte wordt ingediend en de goederen worden aangebracht bij douanekantoren die onder de verantwoordelijkheid van één douaneautoriteit vallen (artikel 179, lid 1, DWU).
Indien er wel een vergunning vereist is op nationaal niveau, moet de aanvrager een AEO C zijn (artikel 179, lid 2, DWU).
Teneinde het toezicht en de controlemaatregelen in het kader van een nationale toepassing van gecentraliseerde vrijmaking mogelijk te maken, zal steeds een vergunning worden geëist en zal de aanvrager eveneens AEO C dienen te zijn.

5.2.4. Uitsluiting voor het gebruik van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking

26. Een vergunning gecentraliseerde vrijmaking kan niet worden gebruikt voor de regeling douanevervoer of voor het plaatsen van goederen in tijdelijke opslag. (Guidance Simplifications 2.4.4.)

5.2.5. Gecombineerd gebruik van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking

27. Wanneer een vergunning gecentraliseerde vrijmaking gecombineerd wordt met andere vereenvoudigingen of met bijzondere douaneregelingen, gelden de beperkingen van deze vereenvoudigingen en regelingen. Op grond van artikel 149, lid 2 DA zijn de beperkingen van artikel 150 DA van toepassing indien gecentraliseerde vrijmaking wordt gecombineerd met een inschrijving in de administratie van de aangever (Guidance Simplifications 2.4.4.). De voorwaarden en beperkingen die zijn opgenomen in artikel 150 DA, worden verduidelijkt in de circulaire 2017/C/89 betreffende EIDR.

5.3. Voorafgaande audit

28. Er wordt een voorafgaande audit uitgevoerd door de douaneautoriteiten alvorens een vergunning voor een vereenvoudigde procedure kan worden verstrekt, tenzij de resultaten van een eerdere bedrijfscontrole kunnen worden gebruikt. In dit laatste geval moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan:
- de eerdere controle heeft niet meer dan 3 jaar vóór de indiening van de aanvraag plaatsgevonden;
- de voorwaarden voor de douanevergunning zijn dezelfde;
- de wet is niet gewijzigd;
- de activiteiten, interne controles, IT-systemen, producten, enz. van de marktdeelnemer zijn niet veranderd.
In de praktijk kan voor de voorafgaande audit onder meer gebruik worden gemaakt van de AEO-richtsnoeren.
29. Indien de aanvrager van een specifieke vereenvoudiging reeds een AEO C-houder is, wordt hij geacht te voldoen aan de criteria voor alle vereenvoudigingen. Toch moeten bepaalde elementen of aanvullende voorwaarden die verband houden met de specifieke vorm van vereenvoudiging die wordt aangevraagd, worden beoordeeld voordat een vergunning kan worden verleend (artikel 38, lid 5 DWU).
(Guidance Simplifications 2.1.2.a)

5.4. Aanvullende elementen die gedurende de voorafgaande audit worden onderzocht

30. Aanvullende te onderzoeken elementen, vermeld in de Guidance Simplifications (Guidance Simplifications 2.4.3):
- douanekantoren van aanbrenging;
- de verschillende partijen waarop de vergunning van toepassing is;

- het indienen van de aangifte;
- vergunningen voor bijzondere douaneregelingen waarvoor de gecentraliseerde vrijmaking zal worden gebruikt, die eerder of gelijktijdig werden of worden afgegeven;
- vergunningen voor andere vereenvoudigingen (inschrijving in de administratie van de aangever, vereenvoudigde aangifte, zelfbeoordeling) indien deze worden gecombineerd (eerder of gelijktijdig afgegeven);
- wijze van betaling van btw.

5.5. Verslag

30. Het verslag van deze voorafgaande bedrijfscontrole is vergelijkbaar met dat van de AEO (zie 3.III.7.4 van de AEO Richtsnoeren) en moet onder meer een schriftelijke beoordeling bevatten van de vraag of de aanvrager voldoet aan alle criteria en een duidelijke aanbeveling om de vereenvoudiging al dan niet toe te kennen op basis van de resultaten van de controleactiviteiten.
31. Alle werkzaamheden die het douanekantoor verricht om een besluit te nemen omtrent de verlening van een dergelijke vergunning, moeten worden gedocumenteerd en hierbij moeten details worden verschaft over de controles die zijn uitgevoerd door het douanekantoor, de resultaten van het bezoek aan de bedrijfsruimten, de procedures die door de marktdeelnemer zijn overlegd, de organisatie van het bedrijf, informatie over de betrokken goederen, … .
32. Wanneer de aanvrager van de vergunning reeds AEO C houder is, moeten het definitieve verslag en de auditdocumenten die zijn gebruikt voor de verlening van de AEO-vergunning worden gebruikt voor de voorbereiding en de uitvoering van de voorafgaande bedrijfscontrole voor de douanevereenvoudigingen. (Guidance Simplifications 2.1.2.b)

6. Verlenen van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking

6.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 229 IA

Raadplegingsprocedure tussen douaneautoriteiten in het geval van vergunningen voor gecentraliseerde vrijmaking

(Artikel 22 van het wetboek)
1. De raadplegingsprocedure als bedoeld in artikel 15 wordt gevolgd wanneer een douaneautoriteit een aanvraag ontvangt voor een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking als bedoeld in artikel 179 van het wetboek waarbij meer dan één douaneautoriteit is betrokken, tenzij de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit van mening is dat niet aan de voorwaarden voor het verlenen van een dergelijke vergunning is voldaan.
2. Uiterlijk 45 dagen na de datum van aanvaarding de aanvraag stelt de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit de andere betrokken douaneautoriteiten in kennis van:
a) de aanvraag en de ontwerpvergunning, inclusief de termijnen als bedoeld in artikel 231, leden 5 en 6, van deze verordening;
b) in voorkomend geval, een controleprogramma met vermelding van de specifieke controles die door de verschillende betrokken douaneautoriteiten moeten worden uitgevoerd als de vergunning eenmaal is verleend;
c) andere relevante informatie die noodzakelijk wordt geacht door de betrokken douaneautoriteiten.
3. De geraadpleegde douaneautoriteiten delen hun instemming of bezwaren en eventuele wijzigingen in de ontwerpvergunning of het voorgestelde controleprogramma mee binnen 45 dagen na de datum waarop kennis is gegeven van de ontwerpvergunning. Bezwaren moeten naar behoren worden gemotiveerd.
Wanneer er bezwaren worden geuit en er binnen 90 dagen na de datum waarop kennis is gegeven van de ontwerpvergunning geen overeenstemming is bereikt, wordt de vergunning niet verleend voor de delen waarop de bezwaren betrekking hadden.
Wanneer de geraadpleegde douaneautoriteiten geen bezwaren uiten binnen de voorgeschreven termijn, worden zij geacht hun instemming te hebben gegeven.
4. In afwijking van lid 2 en de eerste alinea van lid 3 van dit artikel kunnen de daarin genoemde termijnen door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit met 15 dagen worden verlengd tot de datums waarop respectievelijk de systemen CCI en AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU worden uitgerold.
In afwijking van de tweede alinea van lid 3 van dit artikel kan de daarin genoemde termijn door de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit met 30 dagen worden verlengd.
5. In afwijking van lid 2, onder b), van dit artikel wordt altijd kennis gegeven van het daarin genoemde controleprogramma tot de datum waarop het systeem DWU Douanebeschikkingen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU wordt uitgerold.”

Artikel 233 IA
“Controleprogramma (in het kader van de inschrijving in de administratie van de aangever)

(Artikel 23, lid 5, van het wetboek)
1. De douaneautoriteiten stellen een voor de marktdeelnemer specifiek controleprogramma op wanneer zij een vergunning verlenen om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever in overeenstemming met artikel 182, lid 1, van het wetboek, waarin het toezicht op de in het kader van de vergunning gebruikte douaneregelingen is geregeld, de frequentie van de douanecontroles is bepaald en wordt gewaarborgd dat, onder meer, doeltreffende douanecontroles kunnen worden verricht in alle stadia van de procedure in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.
2. Het controleprogramma houdt in voorkomend geval rekening met de verjaringstermijn voor de mededeling van de douaneschuld zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van het wetboek.
3. Het controleprogramma voorziet in de uit te voeren controle wanneer een ontheffing van de aanbrenging is verleend in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek.
4. In geval van gecentraliseerde vrijmaking wordt in het controleprogramma, waarin de taakverdeling tussen het controlekantoor en het douanekantoor van aanbrenging is gespecificeerd, rekening gehouden met de verboden en beperkingen die van toepassing zijn op de plaats waar het douanekantoor van aanbrenging is gevestigd.”

Artikel 20 (TDA)
“Afwijzing van een aanvraag voor gecentraliseerde vrijmaking

Tot de respectieve datums van de uitrol van het CCI- en het AES-systeem zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU kan de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit aanvragen voor gecentraliseerde vrijmaking afwijzen wanneer de vergunning tot onevenredige administratieve lasten zou leiden.”

6.2. Toelichting

33. De beschikking voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking moet worden verleend overeenkomstig artikel 6 DWU en de bijlage A (DA). In de vergunning moeten de gegevens worden vermeld volgens de bepalingen van bijlage A (DA). In hoofdstuk 1 van Titel I “Aanvragen en beschikkingen” van bijlage A worden deze gegevens opgenomen in kolom 7b van de tabel met gegevensvereisten. De specifieke gegevens die enkel betrekking hebben op de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking zijn opgenomen in hoofdstuk I van titel XIII van dezelfde bijlage A. Bijlage I van onderhavige circulaire bevat een overzicht van de wettelijke gegevensvereisten voor aanvragen en beschikkingen. De gegevenselementen die uitsluitend betrekking hebben op de beschikking zijn aangeduid met [+]. De wettelijke bepalingen hieromtrent zijn opgenomen in Titel 4 van deze circulaire.
34. Overeenkomstig artikel 22, lid 3 DWU dienen de douaneautoriteiten uiterlijk 120 dagen nadat de aanvraag is aanvaard, een beschikking voor een vergunning gecentraliseerde vrijmaking te verlenen.
35. De algemene bepalingen inzake de aanvraag van een vergunning, het beheer van vergunningen naar aanleiding van aanvragen, de nietigverklaring van gunstige vergunningen en de intrekking en wijziging van gunstige vergunningen zijn opgenomen in respectievelijk de artikelen 22, 23, 27 en 28 van het Douanewetboek van de Unie. Deze bepalingen worden toegelicht in de circulaire 2017/C/90 van 22/12/2017.
36. Zoals bepaald in titel II van bijlage A (IA) begint voor België het vergunningsnummer met “BECCL” en wordt aangevuld met een nummer (maximaal 29 alfanumerieke tekens) dat uniek is voor de desbetreffende beschikking.
Het referentienummer van de beschikking moet gecreëerd worden in overeenstemming met de bepalingen die daartoe door de dienst Operaties worden vastgelegd.

6.3. Raadplegingsprocedure

37. Bij het behandelen van een aanvraag tot vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking vindt er een specifieke raadplegingsprocedure plaats tussen de betrokken lidstaten. Krachtens artikel 229 IA dienen de douaneautoriteiten de volgende inlichtingen uit te wisselen (Guidance Simplifications 2.4.5.):

Presentatie van de ontwerpvergunning aan de deelnemende lidstaten

38. De volgende informatie wordt door de vergunningverlenende lidstaat uiterlijk na 45 dagen na de ontvangstdatum van de aanvraag (datum van de aanvaarding van de aanvraag) beschikbaar gesteld aan de deelnemende lidsta(a)t(en):
- De aanvraag van de vergunning
- De ontwerpvergunning
- Het controleprogramma (indien van toepassing)
- Aanvullende informatie
Tot op het ogenblik dat het systeem voor gecentraliseerde vrijmaking (CCI) en het Automated Export System (AES) worden ingevoerd, kan de periode van raadpleging worden verlengd met 15 dagen tot een totaal van 60 dagen (artikel 229, lid 4 IA).

Bezwaren of akkoord van de deelnemende lidstaten

39. De deelnemende lidstaten zullen binnen 45 dagen na de datum waarop zij de ontwerpvergunning hebben ontvangen, te kennen geven of zij akkoord gaan of bezwaren hebben. Deze periode kan eveneens worden uitgebreid met 15 dagen tot een totaal van 60 dagen op basis van artikel 229, lid 4 IA.
40. Wanneer er bezwaren worden geuit en er binnen 90 dagen na de datum waarop kennis is gegeven van de ontwerpvergunning geen overeenstemming is bereikt, wordt de vergunning niet verleend voor de delen waarop de bezwaren betrekking hebben. Een verlenging van 30 dagen is toegestaan op vraag van de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit.
41. De vergunningverlenende lidstaat moet beoordelen of de vergunning goed kan werken zonder volledige instemming van alle deelnemende lidstaten. Indien dit niet het geval is, kan de vergunningverlenende lidstaat besluiten de aanvraag op basis van een goede argumentatie te weigeren.
42. Wanneer een negatieve beschikking wordt getroffen, kan de aanvrager zijn recht uitoefenen om te worden gehoord en eventueel beroep instellen in de lidstaat waar de beschikking werd getroffen (artikel 44 DWU).

Verlenging van de termijn voor de raadplegingsprocedure

43. Op basis van artikel 229, lid 4 IA kan de raadplegingsprocedure op de volgende wijze worden verlengd:
- De wettelijke termijn van 45 dagen kan met 15 dagen worden verlengd door de vergunningverlenende lidstaat om de ontwerpvergunning aan de deelnemende lidstaten te communiceren en met 15 dagen voor de deelnemende lidstaten om akkoord te gaan of bezwaren aan te tekenen. Deze verlenging is mogelijk tot op de datum van de aanvang van de systemen CCI en AES.
- De wettelijke termijn van 90 dagen kan door de beschikkingsbevoegde autoriteit met 30 dagen worden verlengd voor het treffen van de beschikking indien er binnen de 90 dagen geen overeenstemming is bereikt. (Guidance Simplifications 2.4.12.a))

6.4. Controleprogramma

44. Artikel 229, lid 2 IA legt de opmaak van een controleprogramma vast in het kader van het verlenen van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking.
In Bijlage III van de Guidance Simplifications wordt de verdeling van de verantwoordelijkheid tussen de vergunningverlenende en de deelnemende lidstaat weergegeven. Deze bijlage is opgenomen als Bijlage III van onderhavige circulaire.
In bijlage IV van de Guidance Simplifications worden de controleactiviteiten van de douaneautoriteiten die deelnemen aan gecentraliseerde vrijmaking weergegeven. Deze bijlage is opgenomen als Bijlage IV van onderhavige circulaire.
In bijlage V van de Guidance Simplifications wordt het gemeenschappelijk controleprogramma van de vergunningverlenende lidstaat en de deelnemende lidstaat opgenomen. Deze bijlage is opgenomen als Bijlage V van onderhavige circulaire.
In bijlage VI van de Guidance Simplifications wordt het formulier opgenomen om een controle aan te vragen. Deze bijlage is opgenomen als Bijlage VI van onderhavige circulaire.
45. Op grond van artikel 233, leden 1 en 4, IA, is een controleprogramma verplicht indien gecentraliseerde vrijmaking wordt gecombineerd met inschrijving in de administratie van de aangever. In dit geval worden in het controleprogramma de taken omschreven die worden verdeeld tussen de vergunningverlenende lidstaat en de deelnemende lidstaten, en tussen het controlekantoor en het douanekantoor van aanbrenging als bedoeld in artikel 233, lid 4, IA. Het controleprogramma voor de inschrijving in de administratie van de aangever met de specifieke details voor gecentraliseerde vrijmaking, moet altijd worden opgesteld door de vergunningverlenende lidstaat en worden gecommuniceerd aan de deelnemende lidstaten.
46. Ook wordt in het programma rekening gehouden met de verboden en beperkingen die gelden in de lidstaat waar het douanekantoor van aanbrenging is gevestigd.
47. In aanvulling op het controleprogramma voor inschrijving in de administratie van de aangever, worden bepaalde specifieke tabellen of gegevens toegevoegd voor de taken die worden verdeeld tussen de lidstaten en wordt toegelicht hoe moet worden gehandeld bij een vrijstelling van kennisgeving (Guidance Simplifications 2.4.10.). Voor meer informatie inzake het controleprogramma EIDR verwijzen we naar Circulaire 2017/C/89.
48. Tijdens de raadplegingsprocedure is het belangrijk dat de goederen duidelijk worden geïdentificeerd, onder meer om te bepalen of er eventuele verboden en beperkingen van toepassing zijn en om de noodzakelijke controles te kunnen uitvoeren. Indien dit niet mogelijk is, kan er besloten worden om bepaalde goederen uit te sluiten in kader van de vergunning. Het besluit moet worden genomen op grond van de vereisten van de lidsta(a)t(en) waar de goederen zich fysiek bevinden en waar de verboden en beperkingen gelden. (Guidance Simplifications 2.1.6.c)

6.5. Zekerheid

50. De zekerheid maakt geen deel uit van de voorwaarden voor de toekenning van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking. Andere wetsbepalingen van het Douanewetboek van de Unie verwijzen echter wel naar de zekerheid als een noodzakelijke voorwaarde.

51. Om gebruik te kunnen maken van vereenvoudigde procedures voor de in artikel 210, onder b) tot en met d) DWU bedoelde bijzondere regelingen, kan er geen vergunning worden verleend voordat de in artikel 211, lid 1, DWU bedoelde vergunning voor bijzondere regelingen is verstrekt. Voor het verlenen van deze laatste vergunning moet een zekerheid worden gesteld (zie artikel 211, lid 3, onder c), DWU).
52. Wanneer er een douaneschuld is verschuldigd, moet er overeenkomstig artikel 102, lid 4, (uitstel van betaling), artikel 105, leden 1 en 2 (tijdstip van boeking) en artikel 195, lid 1 DWU (vrijgave), ook een zekerheid worden gesteld. Indien toestemming is gegeven voor een uitstel van betaling van douanerechten (artikel 110 DWU), moet een dergelijke zekerheid worden gesteld voordat gebruik kan worden gemaakt van de vereenvoudigingen. Indien dit het geval is, moet een afzonderlijke aanvraag voor de zekerheid en/of voor het uitstel van betaling worden ingediend en moeten deze afzonderlijk worden goedgekeurd. (Guidance Simplifications 2.1.3)
53. Om op een correcte wijze gebruik te kunnen maken van de vereenvoudigingen, wordt aanbevolen een doorlopende zekerheid, zoals gedefinieerd in artikel 95 DWU, te stellen. In overeenstemming met artikel 195, lid 3, DWU, is de vrijgave van de goederen, indien er een doorlopende zekerheid wordt gesteld, niet afhankelijk van het toezicht op deze zekerheid door de douaneautoriteiten.
Wanneer goederen moeten worden vrijgegeven voor het vrije verkeer, houden de douaneautoriteiten in overeenstemming met artikel 157, lid 1, IA, toezicht op het referentiebedrag aan de hand van de aanvullende aangifte.
Wanneer gebruik wordt gemaakt van bijzondere douaneregelingen houden de douaneautoriteiten toezicht door middel van controles in overeenstemming met artikel 157, lid 3 IA.
54. Wanneer er een individuele zekerheid wordt gesteld, is de vrijgave van de goederen echter wel afhankelijk van het toezicht op deze zekerheid. (Guidance Simplifications 2.1.3)

7. Toepassing van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking

7.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 231 IA
“Douaneformaliteiten en - controles met betrekking tot gecentraliseerde vrijmaking

(Artikel 179, lid 4, van het wetboek)
1. De houder van de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking brengt de goederen aan bij het bevoegde douanekantoor dat in deze vergunning is vermeld door een van de volgende zaken in te dienen bij het controlekantoor:
a) een standaard douaneaangifte als bedoeld in artikel 162 van het wetboek;
b) een vereenvoudigde douaneaangifte als bedoeld in artikel 166 van het wetboek;
c) een kennisgeving van aanbrenging als bedoeld in artikel 234, lid 1, onder a), van deze verordening.
2. Wanneer de douaneaangifte geschiedt in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, zijn de artikelen 234, 235 en 236 van deze verordening van toepassing.
3. De toegestane ontheffing van de aanbrenging in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek, is van toepassing op de gecentraliseerde vrijmaking op voorwaarde dat de vergunninghouder die een douaneaangifte indient in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever, aan de verplichtingen in artikel 234, lid 1, onder f), van deze verordening heeft voldaan.
4. Wanneer het controlekantoor de douaneaangifte heeft aanvaard of de in lid 1, onder c), bedoelde kennisgeving heeft ontvangen:
a) verricht het de passende controles om de douaneaangifte of de kennisgeving van aanbrenging te verifiëren;
b) zendt het de douaneaangifte of de kennisgeving en de resultaten van de risicoanalyse onmiddellijk aan het douanekantoor van aanbrenging;
c) deelt het een van de volgende zaken mee aan het douanekantoor van aanbrenging:
i) dat de goederen voor de betreffende douaneregeling kunnen worden vrijgegeven;
ii) dat douanecontroles vereist zijn in overeenstemming met artikel 179, lid 3, onder c), van het wetboek.
5. Wanneer het controlekantoor het douanekantoor van aanbrenging meedeelt dat de goederen kunnen worden vrijgegeven voor de betreffende douaneregeling, deelt het douanekantoor van aanbrenging het controlekantoor binnen de termijn die is vastgesteld in de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking mee of zijn eigen controles, inclusief de controles die betrekking hebben op nationale verboden en beperkingen, van invloed zijn op een dergelijke vrijgave.
6. Wanneer het controlekantoor het douanekantoor van aanbrenging meedeelt dat douanecontroles vereist zijn overeenkomstig artikel 179, lid 3, onder c), van het wetboek, bevestigt het douanekantoor van aanbrenging binnen de in de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking vastgestelde termijn de ontvangst van het verzoek van het controlekantoor om de vereiste controles uit te voeren en stelt het, indien nodig, het controlekantoor in kennis van zijn eigen controles van de goederen, inclusief de controles die betrekking hebben op nationale verboden en beperkingen.
7. Het controlekantoor stelt het douanekantoor van aanbrenging in kennis van de vrijgave van de goederen.
8. Bij uitvoer stelt het controlekantoor bij het vrijgeven van de goederen de gegevens van de aangifte tot uitvoer, in voorkomend geval aangevuld in overeenstemming met artikel 330 van deze verordening, ter beschikking van het opgegeven douanekantoor van uitgang. Het douanekantoor van uitgang stelt het controlekantoor in kennis van het uitgaan van de goederen in overeenstemming met artikel 333 van deze verordening. Het controlekantoor bevestigt de uitgang aan de aangever in overeenstemming met artikel 334 van deze verordening.
9. Voor goederen waarvoor een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking geldt, dient de vergunninghouder of de aangever in afwijking van lid 1 van dit artikel, tot de datums waarop respectievelijk de systemen CCI en AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU worden uitgerold:
a) de goederen aan te brengen op de plaatsen die in de vergunning zijn vastgesteld en overeenkomstig artikel 139 van het wetboek door de douaneautoriteiten zijn aangewezen of goedgekeurd, tenzij overeenkomstig artikel 182, lid 3, van het wetboek ontheffing is verleend van de verplichting om de goederen aan te brengen, en
b) een douaneaangifte in te dienen of de goederen in zijn administratie in te schrijven bij het in de vergunning vermelde douanekantoor.
10. Tot de datums waarop respectievelijk de systemen CCI en AES zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/255/EU worden uitgerold, passen de bevoegde douaneautoriteiten het controleprogramma toe waarin een minimumniveau aan controles is gespecificeerd.
11. Tot de respectieve datums van de uitrol van het AES en van het DWU-systeem Gecentraliseerde inklaring (CCI), zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578, zijn de leden 5 en 6 van dit artikel niet van toepassing.”

Artikel 232 IA
“Gecentraliseerde vrijmaking waarbij meer dan één douaneautoriteit betrokken is

(Artikel 179 van het wetboek)
1. Het controlekantoor zendt het volgende naar het douanekantoor van aanbrenging:
a) elke wijziging of ongeldigmaking van de standaard douaneaangifte die zich heeft voorgedaan na de vrijgave van de goederen;
b) wanneer een aanvullende aangifte is ingediend, deze aangifte en elke wijziging of ongeldigmaking daarvan.
2. Wanneer de douane in overeenstemming met artikel 225 van deze verordening via het IT-systeem van de handelaar toegang heeft tot de aanvullende aangifte, zendt het controlekantoor uiterlijk tien dagen na het einde van de termijn waarop de aanvullende aangifte betrekking heeft, de gegevens en elke wijziging of ongeldigmaking van deze uit het IT- systeem verkregen aanvullende aangifte.”

Artikel 233 IA
“Controleprogramma (in het kader van een inschrijving in de administratie van de aangever)

(Artikel 23, lid 5, van het wetboek)
1. De douaneautoriteiten stellen een voor de marktdeelnemer specifiek controleprogramma op wanneer zij een vergunning verlenen om een douaneaangifte in te dienen in de vorm van een inschrijving in de administratie van de aangever in overeenstemming met artikel 182, lid 1, van het wetboek, waarin het toezicht op de in het kader van de vergunning gebruikte douaneregelingen is geregeld, de frequentie van de douanecontroles is bepaald en wordt gewaarborgd dat, onder meer, doeltreffende douanecontroles kunnen worden verricht in alle stadia van de procedure in de vorm van inschrijving in de administratie van de aangever.
2. Het controleprogramma houdt in voorkomend geval rekening met de verjaringstermijn voor de mededeling van de douaneschuld zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van het wetboek.
3. Het controleprogramma voorziet in de uit te voeren controle wanneer een ontheffing van de aanbrenging is verleend in overeenstemming met artikel 182, lid 3, van het wetboek.
4. In geval van gecentraliseerde vrijmaking wordt in het controleprogramma, waarin de taakverdeling tussen het controlekantoor en het douanekantoor van aanbrenging is gespecificeerd, rekening gehouden met de verboden en beperkingen die van toepassing zijn op de plaats waar het douanekantoor van aanbrenging is gevestigd.”

7.2. Toelichting

55. De gecentraliseerde vrijmaking kan worden gebruikt in combinatie met een standaardaangifte, een vereenvoudigde aangifte en een inschrijving in de administratie van de aangever (EIDR) met kennisgeving van aanbrenging of zonder kennisgeving van aanbrenging.

7.2.1. Combinatie met standaardaangifte of vereenvoudigde aangifte

56. Op basis van artikel 231 IA kan een vergunning gecentraliseerde vrijmaking worden gebruikt in combinatie met het indienen van een standaardaangifte bij het controlekantoor. De aangifte dient te worden ingezonden op het ogenblik dat de goederen op de in die aangifte bepaalde plaats van aanbieding zijn aangebracht. Het kan ook om een vereenvoudigde aangifte gaan (incidenteel of regelmatig gebruikt). Wanneer het een vereenvoudigde aangifte betreft, wordt de aanvullende aangifte (evenals elke wijziging of ongeldigverklaring) eveneens aan het douanekantoor van aanbrenging verstrekt. De vereenvoudigde aangifte en de aanvullende aangifte worden geacht samen één enkele en ondeelbare akte te vormen (artikel 167, lid 4 DWU).
57. Om fiscale en statistische redenen en op basis van artikelen 231 en 232 IA, verzendt het controlekantoor de standaard- en vereenvoudigde aangifte naar het douanekantoor van aanbrenging en doet in een later stadium, na vrijgave van de goederen, hetzelfde met elke wijziging of ongeldigverklaring. (Guidance Simplifications 2.4.7.)

7.2.2. Combinatie met inschrijving in de administratie van de aangever

58. Wanneer de gecentraliseerde vrijmaking wordt gecombineerd met inschrijving in de administratie van de aangever met kennisgeving van aanbrengen, zijn artikels 234, 235, 236 IA van toepassing.
59. Voor de in België verleende vergunningen gecentraliseerde vrijmaking kan voorlopig nog gebruik worden gemaakt van een douaneaangifte type Z die geldt als kennisgeving van aanbrenging.
60. Indien er, in overeenstemming met artikel 182, lid 3, DWU, een ontheffing is verleend van de verplichting om de goederen aan te brengen, moet de vergunninghouder voldoen aan de verplichtingen die zijn opgenomen in artikel 234 lid 1, f) IA:
“de vergunninghouder zal ervoor zorgen dat de houder van de vergunning voor het beheer van de opslagruimten voor tijdelijke opslag over de noodzakelijke informatie beschikt om de beëindiging van de tijdelijke opslag te bewijzen.”
De vergunninghouders dienen daarom onderling te bepalen op welke manier de houder van de vergunning voor tijdelijke opslag, deze tijdelijke opslag in het systeem van een deelnemende lidstaat kan beëindigen.
61. De vorige douaneregeling of de tijdelijke opslag worden aangezuiverd wanneer de goederen onder een nieuwe regeling worden geplaatst. Indien de ontheffing wordt verleend van de verplichting om een kennisgeving toe te zenden of een aanvullende aangifte in te dienen, kunnen de douaneautoriteiten eisen dat het proces voor de aanzuivering van de vorige regeling of tijdelijke opslag in de vergunning wordt beschreven.
Dergelijke afspraken zijn niet nodig in lidstaten waar dit proces van aanzuivering kan gebeuren op basis van een elektronische vrijgavebericht.
Indien de gecentraliseerde vrijmaking wordt gecombineerd met inschrijving in de administratie en een vereenvoudigde aangifte, en de aanvullende aangifte kan worden geraadpleegd door de douane in het IT-systeem van de marktdeelnemer, is het de verantwoordelijkheid van het controlekantoor om de gegevens van deze aangifte naar het douanekantoor van aanbrenging te verzenden (artikel 232, lid 2, IA) voor toezichts-, btw- en statistische doeleinden. (Guidance Simplifications 2.4.8.)

7.3. Gegevens van de douaneaangifte

62. Bijlage B (DA) omvat de gemeenschappelijke gegevensvereisten voor douaneaangiften.
De bijlage B is niet van toepassing tot de respectieve datums van de uitrol of de upgrade van de relevante IT-systemen zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2019/2151. Tot dan zijn de gegevenselementen van bijlage 9 TDA vereist.

7.3.1. Wettelijke bepalingen

BIJLAGE B
GEMEENSCHAPPELIJKE GEGEVENSVEREISTEN VOOR AANGIFTEN, KENNISGEVINGEN EN BEWIJS VAN DE DOUANESTATUS VAN UNIEGOEDEREN
TITEL I
Gegevensvereisten
HOOFDSTUK 1
“Inleidende aantekeningen bij de tabel met gegevensvereisten

(1) De aangifteberichten bevatten een aantal gegevenselementen, waarvan naargelang de gevraagde douaneregeling(en) maar een deel wordt gebruikt.
(2) De gegevenselementen die voor elke regeling kunnen worden gebruikt, zijn vermeld in de tabel met gegevensvereisten. De specifieke bepalingen met betrekking tot elk gegevenselement in titel II doen geen afbreuk aan de status van de in de tabel met gegevensvereisten omschreven gegevenselementen. De bepalingen die van toepassing zijn op alle situaties waarin het betrokken gegevenselement wordt gevraagd, zijn opgenomen onder het opschrift „Alle relevante kolommen van de tabel met gegevensvereisten worden gebruikt”. Daarnaast zijn bepalingen die op specifieke kolommen van de tabel van toepassing zijn, opgenomen in de specifieke delen die precies op die kolommen betrekking hebben. Beide reeksen bepalingen moeten worden gecombineerd om de situatie van elke kolom van de tabel te weerspiegelen.
(3) Onderstaande symbolen „A”, „B” of „C” in deel 3 van hoofdstuk 2 laten onverlet dat bepaalde gegevens alleen worden verstrekt wanneer de omstandigheden dit rechtvaardigen. Zo wordt bv. de opgave van de bijzondere maatstaf (categorie „A”) enkel verlangd wanneer Taric daarin voorziet.
(4) De in deel 3 van hoofdstuk 2 omschreven symbolen „A”, ”B” of „C” kunnen worden aangevuld met voorwaarden of verduidelijkingen die zijn vermeld in de voetnoten bij de tabel met gegevensvereisten in deel 1 van hoofdstuk 3 hieronder.
(5) Als de lidstaat van aanvaarding van de douaneaangifte het toestaat, kan een douaneaangifte (kolommenreeksen B en H) of een vereenvoudigde aangifte (kolommenreeksen C en I) artikelen bevatten die aan verschillende codes voor regelingen worden onderworpen, op voorwaarde dat deze codes voor regelingen allemaal dezelfde, in deel 1 van hoofdstuk 3 omschreven gegevenssets gebruiken en tot dezelfde, in hoofdstuk 2 omschreven kolom van de tabel behoren. Deze mogelijkheid wordt echter niet gebruikt voor douaneaangiften die worden ingediend in het kader van gecentraliseerde vrijmaking overeenkomstig artikel 179, van het wetboek.
(6) Zonder op enigerlei wijze afbreuk te doen aan de verplichtingen om overeenkomstig deze bijlage gegevens te verstrekken en onverminderd artikel 15 van het wetboek, zal de inhoud van de aan de douane verstrekte gegevens voor een bepaalde vereiste gebaseerd zijn op de informatie die bij de marktdeelnemer bekend is op het moment dat deze aan de douane wordt verstrekt.
(7) […]
(8) […]
(9) […]
(10) […]
(11) […]
(12) De in artikel 166 bedoelde vereenvoudigde aangiften bevatten de in de kolommen C1 en I1 vermelde informatie.
(13) De beknopte lijst van gegevenselementen die voor de regelingen in de kolommen C1 en I1 wordt verstrekt, houdt geen beperking in van en doet geen afbreuk aan de vereisten voor de regelingen in de andere kolommen van de tabel met gegevensvereisten, met name ten aanzien van informatie die in een aanvullende aangifte moet worden verstrekt.
(14) De formaten, codes en, indien van toepassing, de structuur van de in deze bijlage beschreven gegevensvereisten zijn gespecificeerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, die overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder a), van het wetboek is vastgesteld.
(15) […]”

7.3.2. Toelichting

63. Wanneer de standaardaangifte wordt gebruikt, moet de douaneaangifte de gegevens bevatten die, naargelang de regeling vermeld zijn in de kolommen B1 t.e.m. B4, H1 t.e.m. H6 van tabel I van Bijlage B (DA).
64. Wanneer de vereenvoudigde aangifte wordt gebruikt, moet de douaneaangifte de gegevens bevatten die, naargelang de regeling zijn vermeld in kolommen C1 (uitvoer) en I1 (invoer)van tabel I van Bijlage B (DA).
65. De kennisgeving van aanbrenging bij inschrijving in de administratie moet de gegevens bevatten die, naargelang de regeling vermeld in kolommen C2 (uitvoer) en I2 (invoer) van tabel I van Bijlage B (DA).
66. Ter identificatie van de vergunning gecentraliseerde vrijmaking dient de TARIC-certificaatcode C513 opgenomen te worden in vak 44 van het Enig document (bijlage A, titel I, hoofdstuk 1, kolom 7b DA). Deze Uniecode wordt gevolgd door het unieke identificatienummer van de desbetreffende vergunning. De verduidelijking (codelijst + commentaar) omtrent de documenten, certificaten en vergunningen van de Unie is opgenomen in bijvoegsel 6b) van de toelichting op het Enig document. De toelichting op het Enig document kan worden geraadpleegd via de internetlink https://financien.belgium.be/nl/douane_accijnzen/ondernemingen/douane/enig-document.

Daarnaast moet er op het Enig document via een specifieke code verwezen worden naar de nationale documenten, certificaten en vergunningen die worden gebruikt ter staving van een douaneaangifte. Een overzicht van deze codes is opgenomen in het bijvoegsel 6d) « Codes voor nationale documenten, certificaten en vergunningen te vermelden in vak 44 » van de toelichting op het Enig document, eveneens te raadplegen via hoger vermelde link. Punt 19 van dit bijvoegsel (grensoverschrijdende vergunningen en vergunningen gecentraliseerde vrijmaking) vereist voor extractie van de lijst betreffende de aangiften voor het vrije verkeer, bedoeld voor de berekening van de te verdelen inningskosten, de vermelding van de code 4011, gevolgd door de landencode (ISO alfa 2) uit bijvoegsel 1 van dezelfde toelichting.

7.4. Procedureregels omtrent de uitwisseling van informatie wanneer de I.T. systemen van de betrokken lidstaten in een vergunning in werking zijn getreden

7.4.1. Procedureregels bij standaard- en vereenvoudigde aangiften

67. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van standaard- en vereenvoudigde aangiften zal het controlekantoor op basis van de douaneaangifte een geautomatiseerde risicoanalyse en passende controles uitvoeren in overeenstemming met artikel 179, lid 3, DWU.
1) De standaard- of vereenvoudigde aangifte wordt naar het douanekantoor van aanbrenging verzonden met de resultaten van de relevante analyses.
2) Het controlekantoor informeert het douanekantoor van aanbrenging over de vrijgave van de goederen of over de douanecontroles die moeten worden uitgevoerd.
3) Het douanekantoor van aanbrenging zal een eigen risicoanalyse uitvoeren op basis van de nationale douanewetgeving (en andere relevante wetgeving) om te bepalen of er nationale controles moeten worden uitgevoerd. Indien dit het geval is, brengt het douanekantoor van aanbrenging het controlekantoor op de hoogte van het feit dat er controles moeten worden uitgevoerd en dat de goederen derhalve niet onmiddellijk kunnen worden vrijgegeven (artikel 231, lid 5, IA).
4) Indien dit niet het geval is, bevestigt het douanekantoor van aanbrenging de ontvangst van het verzoek van het controlekantoor om de vereiste controles uit te voeren (artikel 231, lid 6, IA).
5) Het douanekantoor van aanbrenging voert de controles uit waar door het controlekantoor om is verzocht, evenals de eigen controles, en zal eventuele resultaten naar het controlekantoor verzenden (artikel 179, lid 5, DWU).
6) In overeenstemming met artikel 179, lid 6, DWU, kan alleen het controlekantoor het besluit nemen om de goederen formeel vrij te geven, rekening houdend met de resultaten van de eventuele controles die het zelf heeft uitgevoerd en/of controles die zijn uitgevoerd door het douanekantoor van aanbrenging.
7) Het controlekantoor brengt het douanekantoor van aanbrenging onmiddellijk op de hoogte van de vrijgave van de goederen in overeenstemming met artikel 231, lid 7, IA.
8) De standaardaangifte of de aanvullende aangifte wordt (in overeenstemming met artikel 232, lid 1, onder b) IA, in het geval van een vereenvoudigde aangifte) voor fiscale en statistische doeleinden naar het douanekantoor van aanbrenging verzonden.
9) Elke wijziging of ongeldigverklaring van een standaardaangifte of een aanvullende aangifte moet aan het douanekantoor van aanbrenging worden gecommuniceerd in overeenstemming met artikel 232, lid 1 IA.
Voor uitvoer wordt in artikel 231, lid 8 IA bepaald dat het controlekantoor verantwoordelijk is voor de ESC-berichten die worden uitgewisseld met het vermelde douanekantoor van uitgang.
Het controlekantoor bevestigt het uitgaan van de goederen aan de aangever, in overeenstemming met artikel 334 IA.

7.4.2. Procedureregels bij inschrijving in de administratie van de aangever

68. Wanneer er gebruik wordt gemaakt van een inschrijving in de administratie van de aangever, wordt de kennisgeving van aanbrengen ingediend bij het controlekantoor. Het controlekantoor zal op basis van de ontvangen informatie en het controleprogramma, beslissen of er douanecontroles moeten worden uitgevoerd.
Het controlekantoor zal vervolgens de kennisgeving van aanbrenging, eventueel met een verzoek om controle, naar het douanekantoor van aanbrenging verzenden.
69. Artikel 231, leden 5 tot en met 7, IA is in dit geval van toepassing. Het is echter mogelijk dat het controlekantoor noch het douanekantoor van aanbrenging in staat zijn een geautomatiseerde risicoanalyse uit te voeren op de transactie.
Nadien zijn de stappen 2) tot en met 9) voor de standaard- of vereenvoudigde aangifte mutatis mutandis van toepassing.
70. De voorwaarden voor een inschrijving in de administratie van de aangever bij uitvoer worden omschreven in artikel 150, lid 4, DA. Hier wordt rekening gehouden met het feit dat het douanekantoor van uitvoer in het geval van gecentraliseerde vrijmaking uit hoofde van artikel 1, lid 16, DA, ook het controlekantoor is. (Guidance Simplifications 2.4.11)

7.5. Voorlopige procedure in afwachting van de inwerkingtreding van de I.T. systemen van alle lidstaten

71. Tot op heden is er geen gemeenschappelijk I.T. systeem beschikbaar dat de uitwisseling van informatie tussen controlekantoor en het kantoor van aanbrenging garandeert. In artikel 18, lid 2, TDA wordt bepaald dat de bestaande methoden van informatie-uitwisseling die voor de grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures (SASP) worden toegepast, nog steeds kunnen worden gebruikt, mits aan de bepalingen van artikel 179 DWU wordt voldaan.
72. Artikel 18, lid 1, TDA bepaalt dat de douaneautoriteiten die betrokken zijn bij een vergunning gecentraliseerde vrijmaking, in onderling overleg een regeling vaststellen om de nodige uitwisselingen aangaande de controle en/of de vrijgave van de goederen te garanderen. In dit kader is het niet noodzakelijk dat er voor elke verrichting voorafgaand aan de vrijgave van de goederen informatie moeten worden uitgewisseld, maar er dient wel een overeenstemming te worden bereikt over de manier waarop de vrijgave van de goederen wordt bepaald en de wijze van communicatie tussen de betrokken douanekantoren. (Guidance Simplifications 2.4.12)
73. Om deze informatie-uitwisseling in de praktijk te verzekeren, moeten de modaliteiten en de te gebruiken communicatiekanalen duidelijk worden vastgelegd in de vergunning. Op die manier bestaat er een uniforme werkwijze voor alle betrokken partners (zie eveneens titel 3.3.2, punt c) van onderhavige circulaire).

8. Inningskosten, statistiek, btw bij invoer/uitvoer en accijnsgoederen

8.1. Inningskosten

74. Sedert 16/01/2019 is de overeenkomst inzake gecentraliseerde vrijmaking, betreffende de toewijzing van de nationale inningskosten die worden ingehouden wanneer de traditionele eigen middelen ter beschikking van de EU-begroting worden gesteld, in werking getreden. De overeenkomst kan worden geraadpleegd via de internetlink https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX:42009A0421(01).
75. De overeenkomst is van toepassing op de vergunningen gecentraliseerde vrijmaking en op nog van kracht zijnde grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures (artikel 1 van de overeenkomst).
76. Artikel 4 van de overeenkomst bepaalt dat het bedrag dat door de lidstaat van de vergunningverlenende douaneautoriteiten aan de lidstaat van de assistentie verlenende douaneautoriteiten bij wijze van herverdeling moet worden betaald, gelijk is aan 50% van de ingehouden inningskosten.

8.1.1. Vergunning verleend door de Belgische douaneautoriteiten

77. De lidstaten van de Unie hebben het recht om 20% van de door hen geïnde rechten bij invoer te behouden onder de vorm van inningskosten die ten goede komen aan de nationale schatkist. Wanneer in het kader van een vergunning gecentraliseerde vrijmaking rechten bij invoer worden geïnd voor goederen die zich op het ogenblik van de aangifte voor het vrije verkeer in een andere lidstaat van de Europese Unie bevinden, worden de inningskosten gelijk verdeeld tussen de lidstaat waar de goederen voor het vrije verkeer werden aangegeven en de lidstaat waar de goederen zich bevonden op het ogenblik dat zij in het vrije verkeer worden gebracht.
78. De inningskosten worden maandelijks per vergunning gecentraliseerde vrijmaking, op initiatief van de Centrale Component Operaties Douane 2 via de Belgische Thesaurie-dienst aan de betrokken lidstaten doorgestort. De aangiften voor het vrije verkeer waarop de inningskosten betrekking hebben, worden medegedeeld aan de betrokken lidstaat of ter beschikking van die lidstaat gehouden.
79. De extractie van die lijst betreffende de aangiften voor het vrije verkeer, bedoeld voor de berekening van de te verdelen inningskosten, gebeurt op basis van de landencode die na de code 4011 in vak 44 van die aangifte wordt ingevuld (zie titel 7.3.2. omtrent de nationale codes op het Enig document).
80. Het bedrag van de inningskosten dat aan de lidstaat van aanbieding moet worden afgedragen bedraagt thans 10% van het bedrag van de rechten bij invoer.

8.1.2. Vergunning verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie

81. De bepalingen uit titel 8.1.1. zijn van toepassing, met dien verstande dat de Belgische douane de helft van de inningskosten zal dienen te ontvangen van de lidstaat die de vergunning gecentraliseerde vrijmaking heeft verleend en die het controlekantoor op zijn grondgebied heeft aangeduid waar de formaliteiten voor het in het vrije verkeer brengen worden vervuld.
82. De opvolging van de betaling van die inningskosten wordt door de Centrale Component Operaties Douane 2 verricht aan de hand van de maandelijkse mededelingen die door de lidstaat van afgifte van de vergunning gecentraliseerde vrijmaking aan de Belgische douaneautoriteiten worden toegestuurd. De controle van die maandelijkse betalingen geschiedt op initiatief van de Centrale Component Operaties Douane 2 die daartoe het in de vergunning gecentraliseerde vrijmaking aangeduide Belgisch douanekantoor moet inschakelen.
Een model voor ‘advies inzake inningskosten en mogelijke scenario’s voor het delen van inningskosten’ wordt weergegeven in Bijlage I van de Guidance Simplifications. In onderhavige circulaire is dit model opgenomen in bijlage II.

8.2. Statistiek

83. De Extrastat-wetgeving (Art. 7, lid 2, Extrastat R.471/2009) bepaalt dat de vergunningverlenende lidstaat "door de invoering van een mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens", de gegevens van de douaneaangiften voor statistische doeleinden aan de douane van de andere lidstaat moet verzenden (die deze gegevens vervolgens dient door te sturen aan het nationale bureau voor de statistiek). Het ontvangende bureau voor de statistiek kan de doorgestuurde gegevens vervolgens gebruiken om statistieken over handel buiten de EU op te stellen (evenals nationale statistieken). Bijlage II van de Guidance Simplifications (basis invoervereisten voor de lidstaten en statistische verplichtingen) geeft een overzicht van de toepassingen inzake statistiek van de verscheidene EU-lidstaten, als lidstaat van afgifte en als deelnemende lidstaat.
84. Een voordeel van het toekomstige systeem voor gecentraliseerde inklaring en het AES ten opzichte van de vereisten voor grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures, is dat de vergunninghouder geen contact meer hoeft te hebben met de statistische diensten van de deelnemende lidstaten. (Guidance Simplifications 2.4.9.)

8.3. Btw bij invoer

8.3.1. Algemeen

85. In de vergunning gecentraliseerde vrijmaking of in de bijlage dienen de btw-vereisten opgenomen te worden. Meer bepaald moeten de btw-nummers van de vergunninghouder waaronder de invoerverrichtingen plaatsvinden en de wijze van betaling van de btw bij invoer in elke lidstaat worden vermeld.
Daarom moeten de vergunningverlenende lidstaat en de deelnemende lidstaten de btw-vereisten tijdens de raadplegingsprocedure verduidelijken. De verplichting van de vergunninghouder om in elk van de deelnemende lidstaten een eigen btw-nummer te hebben, moet tijdens de raadplegingsprocedure ook worden verduidelijkt, zodat de aanvrager aan deze eis kan voldoen vooraleer de vergunning wordt verleend.
86. De vergunninghouder dient in elke deelnemende lidstaat invoeraangiften op te maken voor btw-doeleinden en de bij invoer verschuldigde btw in elke lidstaat van aanbrenging te voldoen, overeenkomstig de nationale btw-regelgeving van die lidsta(a)t(en) (werkdocument btw Comité- taxud.c.1(2017)1561748 – Working paper No 924.)

8.3.2. Vergunningen gecentraliseerde vrijmaking vrij verkeer verleend door België

87. Wanneer de voor het vrije verkeer aan te geven goederen zich op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen in België bevinden, moeten meteen ook de btw-formaliteiten voor het ten verbruik aangeven van de goederen worden vervuld. Het vervullen van de douaneformaliteiten voor het in het vrije verkeer brengen (douane) en voor de aangifte ten verbruik (btw) geschiedt met één enkele douaneaangifte. Met dezelfde aangifte worden ook de statistiekformaliteiten vervuld.
De verschuldigde Belgische btw bij invoer wordt voldaan door betaling aan de douane of door inschrijving in de btw-aangifte wanneer de economische operator een vergunning bezit om de btw te verleggen naar zijn periodieke btw-aangifte (ET 14.000).
88. Wanneer bij gecentraliseerde vrijmaking, de goederen zich op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen in een andere deelnemende lidstaat bevinden, moeten de btw-formaliteiten in die lidstaat worden vervuld door de indiening (in de desbetreffende lidstaat) van een individuele of globale douaneaangifte uitsluitend bestemd voor btw-doeleinden.
De in de andere lidstaat verschuldigde btw bij invoer wordt in die lidstaat voldaan op de wijze zoals voorgeschreven in de nationale btw-regelgeving.

8.3.3. Vergunningen gecentraliseerde vrijmaking vrij verkeer verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie

89. Dezelfde basisregels als beschreven in titel 8.3.2 zijn van toepassing op een vergunning verleend door een andere lidstaat dan België. De opvolging van de btw-formaliteiten door het in de vergunning aangeduide Belgisch douanekantoor zal mogelijk worden gemaakt aan de hand van de kopieën van de douaneaangiften van het vrije verkeer die dit kantoor van het in de vergunningen gecentraliseerde vrijmaking aangeduide controlekantoor ontvangt.
90. Voor de goederen die zich in België bevinden op het ogenblik van het in het vrije verkeer brengen, moet voor de 10de van elke maand bij het hulpkantoor vermeld in de grensoverschrijdende vergunning waar de kennisgevingen werden ingediend, een aangifte CO Z voor de in verbruikstelling in België via PLDA te worden ingezonden. Deze douaneaangifte geldt enkel voor btw-doeleinden. De aangifte CO Z moet per vak 37 en op naam van de vergunninghouder worden opgesteld. In vak 44 moeten de naam, het adres en het Belgisch btw- identificatienummer van de vergunninghouder worden vermeld.
De aangifte gaat samen met een XML-bestand of bericht waarin de gedetailleerde gegevens van de zendingen chronologisch zijn opgenomen.
De verschuldigde Belgische btw bij invoer wordt voldaan door betaling aan de douane of door inschrijving in de btw-aangifte indien de vergunninghouder gecentraliseerde vrijmaking in het bezit is van een vergunning om de btw te verleggen naar zijn periodieke btw-aangifte (E.T. 14000).
Met die aangifte moeten de goederen globaal ter verbruik worden aangegeven die in de afgelopen kalendermaand in het vrije verkeer werden gebracht.

8.4. Btw bij uitvoer

8.4.1. Vergunningen gecentraliseerde vrijmaking verleend door België

91. Wanneer een vergunning gecentraliseerde vrijmaking door de Belgische douaneautoriteiten wordt verleend, zijn de gebruikelijke douaneformaliteiten bij uitvoer van toepassing in hoofde van de vergunninghouder, zowel wanneer de goederen vanuit België als vanuit een andere lidstaat worden uitgevoerd. De uitvoeraangifte wordt ingediend via PLDA. In deze situatie zal de vergunninghouder doorgaans in België gevestigd zijn en in België een individueel btw-nummer hebben. Dit individueel btw-nummer moet in vak 44 van de aangifte ten uitvoer worden vermeld, zelfs wanneer de verkoop niet in België plaats vindt. Indien nodig kunnen de eventuele btw-formaliteiten die door de deelnemende lidstaat worden gevraagd in de vergunning of in de bijlage worden opgenomen.

8.4.2. Vergunningen gecentraliseerde vrijmaking verleend door een andere lidstaat van de Europese Unie

92. Voor de uitvoer van goederen door de vergunninghouder vanuit België, wordt de uit-voeraangifte (opgesteld op naam van de vergunninghouder) ingediend bij de douaneautoriteiten van de vergunningverlenende lidstaat. De douaneaangifte gebeurt bijgevolg niet in het PLDA-systeem.
In deze situatie zal de vergunninghouder doorgaans niet in België gevestigd zijn en niet over een individueel btw-nummer in België beschikken. Het eenvoudige feit vanuit België goederen uit te voeren, legt de vergunninghouder geen verplichting op om een Belgisch btw-nummer aan te vragen. De btw-administratie is in deze situatie geen betrokken partij.
In het uitzonderlijke geval dat de vergunninghouder in België wel over een individueel btw-nummer zou beschikken, is de verkoop (door de vergunninghouder) die in België plaatsvindt, onderworpen aan de Belgische btw. In een dergelijke situatie is de btw-administratie wel betrokken partij.
Het feit dat deze uitvoerbewegingen niet in PLDA zijn geregistreerd, heeft tot gevolg dat zij niet direct kunnen worden geraadpleegd door de diensten van de btw-administratie voor controledoeleinden.
Daarom eist de Belgische btw-administratie in deze situatie dat:
- het Belgisch btw-nummer van de vergunninghouder wordt vermeld op de douaneaangifte ten uitvoer in vak 44;
- de uitvoergegevens van de in de betrokken lidstaat ingediende uitvoeraangiften voor goederen die vanuit Belgische locaties worden uitgevoerd op vraag van de Belgische btw-diensten door de operator ter beschikking worden gesteld;
- deze gegevens door de btw diensten telkens aan de douane van de betrokken lidstaat kunnen worden voorgelegd ter bevestiging van de juistheid van de gegevens. De medewerking van de douaneautoriteiten van de betrokken lidstaat dient steeds te worden gegarandeerd;
- de gegevens gedurende 7 jaar bewaard worden door de vergunninghouder.
Deze vereisten moeten worden voorzien in de vergunning gecentraliseerde vrijmaking.

8.5. Accijnsgoederen

93. Bij de invoer van accijnsgoederen verwijst gecentraliseerde vrijmaking alleen naar de centralisering van de douaneformaliteiten die verband houden met de vrijgave voor het vrije verkeer van accijnsgoederen. De vrijgave voor het vrije verkeer vindt fysiek plaats in de lidstaat waar de goederen bij de douane worden aangebracht. Daarom moet het controlekantoor de lidstaat van aanbrenging de noodzakelijke informatie verschaffen. Met dergelijke informatie kunnen de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van aanbrenging een accijnsschuld aan de importeur of zijn vertegenwoordiger opleggen of zich ervan vergewissen dat het concept-e-AD dat door een geregistreerde afzender is ingediend, overeenkomt met de inhoud van de invoeraangifte. De controle varieert indien het de bedoeling is:
- de accijnsgoederen vrij te geven voor het vrije verkeer of voor in verbruikstelling. In dit geval moet accijns worden betaald,
- de goederen vrij te geven voor het vrije verkeer gevolgd door een overbrenging onder een accijnsschorsingsregeling. In dit geval is er bewijs noodzakelijk van de hierop volgende overbrengingen onder EMCS,
- de goederen vrij te geven voor het vrije verkeer en in een belastingentrepot te plaatsen voor schorsing van accijns. In dit geval is er een bewijs nodig van inschrijving in de administratie van het entrepot in het kader van de nationale accijnswetgeving.
94. Bij de uitvoer van accijnsgoederen verwijst gecentraliseerde vrijmaking alleen naar de centralisering van de douaneformaliteiten die verband houden met de uitvoer. Het controlekantoor moet de lidstaat van verzending op de hoogte brengen van de vrijgave. Zodra het controlekantoor de bevestiging heeft ontvangen dat de goederen de EU hebben verlaten, moet het de lidstaat van verzending hiervan op de hoogte brengen zodat de accijnsautoriteiten in de lidstaat van verzending de EMCS-overbrenging kunnen afsluiten.
Meer informatie over kruiscontroles en de daadwerkelijke berichtenstroom kan pas worden verstrekt wanneer niveau 4 van het BPM voor gecentraliseerde vrijmaking stabiel is. (Guidance Simplifications 2.4.9.)

9. Opvolging van de vergunningen en toezicht op de verrichtingen

9.1. Wettelijke bepalingen

Artikel 230 IA
“Verificatie van de vergunning

(Artikel 23, lid 5, van het wetboek)
1. De douaneautoriteiten van de lidstaten stellen de beschikkingsbevoegde douaneautoriteit onmiddellijk in kennis van alle voorvallen die zich na het verlenen van de vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking voordoen en die op de handhaving of de inhoud van de vergunning van invloed kunnen zijn.
2. De beschikkingsbevoegde douaneautoriteit stelt alle relevante informatie waarover zij beschikt, beschikbaar aan de douaneautoriteiten van de andere lidstaten wat betreft de douane gerelateerde activiteiten van de geautoriseerde marktdeelnemer die in aanmerking komt voor gecentraliseerde vrijmaking.”

9.2. Toelichting

9.2.1. Opvolging van de vergunning

95. Uit hoofde van artikel 230 IA moet de douaneautoriteit van de vergunningverlenende lidstaat toezicht houden op de vergunning. De vergunningverlenende lidstaat kan deze opdracht enkel uitvoeren indien alle andere betrokken douaneautoriteiten hun medewerking verlenen.
96. Elke douaneautoriteit moet de vergunningverlenende lidstaat op de hoogte brengen van eventuele wijzigingen die gevolgen hebben voor de vergunning. De vergunningverlenende lidstaat moet onmiddellijk alle relevante informatie met betrekking tot de activiteiten van de vergunninghouder waarover hij beschikt, aan de andere betrokken lidstaten verstrekken.
In de overgangsperiode definiëren de lidstaten de manier waarop zij elkaar op de hoogte houden tijdens de raadplegingsprocedure. (Guidance Simplifications 2.4.13)
De douaneautoriteiten zijn verplicht om de vergunningen op te volgen en toezicht te houden op de verrichtingen.

9.2.2. Toezicht door de douaneautoriteiten

97. De algemene eis om alle douanebeschikkingen te verifiëren is opgenomen in artikel 23, lid 5 DWU, waarin wordt aangegeven dat de douaneautoriteiten de voorwaarden en criteria verifiëren waaraan de houder van een beschikking moet voldoen. Zij moeten tevens nagaan of alle uit de beschikking voortvloeiende verplichtingen worden nagekomen. De verificatie (opvolging) van vergunningen is bedoeld om eventuele signalen van niet-naleving in een vroeg stadium op te merken. Indien er moeilijkheden of gevallen van niet-naleving aan het licht komen, worden onverwijld maatregelen genomen.
98. Het wordt aangeraden ten minste één maal in de drie jaar een risicobeoordeling van de vergunninghouder uit te voeren. Daarnaast dient een risicobeoordeling steeds te gebeuren wanneer er een relevante verandering in het I.T. - systeem of de werkwijze van de economische operator heeft plaatsgevonden die gevolgen heeft voor de uitvoering van de douaneregeling.
Verdere toelichting ter zake kan worden geraadpleegd in Deel 5 van de AEO-Richtsnoeren.
Controles a posteriori zijn onderzoeken van bijvoorbeeld de administratieve, organisatorische of interne procedures en/of interne systemen van een marktdeelnemer, om bewijs te verzamelen dat de marktdeelnemer nog steeds voldoet aan de relevante wet- en regelgeving. (Guidance Simplifications 2.1.5.a)

9.2.3. Toezicht door de marktdeelnemer

99. Regelmatig toezicht is eveneens de verantwoordelijkheid van de marktdeelnemer zelf. Het moet deel uitmaken van zijn interne controlesysteem.
Verdere toelichting ter zake kan worden geraadpleegd in Deel 5 van de AEO-Richtsnoeren.
Het toezicht op vergunningen voor vereenvoudigingen en op de AEO-status moet zo veel mogelijk worden gecoördineerd om dubbel onderzoek te vermijden. Indien de houder van de beschikking minder dan drie jaar is gevestigd, wordt deze in het eerste jaar na het verlenen van de beschikking door de douaneautoriteiten grondig gecontroleerd. (Guidance Simplifications 2.1.5.b)

9.2.4. Toezicht op de verrichtingen

100. De algemene verplichting is opgenomen in artikel 134 DWU. Hieronder vallen controles, met inbegrip van de op risicoanalyse gebaseerde controles en de steekproefcontroles bij de in- en uitklaring van goederen, en de controles a posteriori, in het bijzonder van de aanvullende aangiften, zoals gedefinieerd in artikel 48 DWU. (Guidance Simplifications 2.1.5.c)

9.2.5. Controle

101. Douaneambtenaren moeten instrumenten ontwikkelen waarmee zij de risico's zo veel mogelijk kunnen beperken en afzwakken, zonder dat de voordelen van de vereenvoudigingen hierbij te niet worden gedaan. Douaneautoriteiten moeten over alle elementen beschikken om, wanneer zij dit nodig achten, controles uit te kunnen voeren. (Guidance Simplifications 2.1.4)
102. Het controleprogramma speelt een belangrijke rol bij het toezicht op de bestaande grensoverschrijdende vergunningen voor vereenvoudigde procedures en zal voor de douane het belangrijkste instrument blijven om voldoende samenwerking tussen de betrokken douanekantoren te garanderen. Daarom moet de douane in het controleprogramma de nadruk leggen op het controleren van de voorwaarden en verplichtingen.
Bij het uitvoeren van de op risicoanalyses gebaseerde controles wordt de douane echter niet beperkt door het controleprogramma. (Guidance Simplifications 3.2.4.)

9.2.6. Geschillen tussen de betrokken autoriteiten

Geschillen tussen betrokken autoriteiten

103. Geschillen tussen de betrokken lidstaten met betrekking tot de uitvoering en de werking van de regeling of enige vergunning die daar onder valt, worden zo veel mogelijk via onderling overleg opgelost. De lidstaten die betrokken zijn in een geschil kunnen een bemiddelaar aanwijzen om het geschil op te lossen.
Op basis van deze bepaling kunnen de betrokken douaneautoriteiten problemen in verband met de werking van een gecentraliseerde vrijmaking oplossen via discussie en consensus. De diensten van de Europese Commissie kunnen eventueel als bemiddelaar optreden. Zij zullen waar nodig commentaar leveren op kwesties met betrekking tot de financiële verantwoordelijkheid voor eventuele potentiële derving van traditionele eigen middelen.

Geschillen tussen de houder van een vergunning voor gecentraliseerde vrijmaking en de douaneautoriteiten van de betrokken lidstaat

104. Hoewel er geen officiële geschillenprocedures zijn opgenomen in regelgeving van de gecentraliseerde vrijmaking, wordt verondersteld dat de houder van een vergunning eventuele geschillen doorverwijst naar de vergunningverlenende douanedienst. Het is de verantwoordelijkheid van de vergunningverlenende douanedienst om het geschil op te lossen. De beslissing met betrekking tot de uitvoering van een gecentraliseerde vrijmaking worden meestal genomen door de vergunningverlenende douanedienst. In dergelijke gevallen is de beroepsprocedure van de vergunningverlenende lidstaat van toepassing. (Guidance Simplifications 3.2.5)

9.2.7. Onregelmatigheden

105. Gecentraliseerde vrijmaking laat de marktdeelnemer toe douaneaangiften in te dienen en indien nodig, de douanerechten te betalen in de vergunningverlenende lidstaat, ook al vindt de beweging van de goederen plaats in een andere lidstaat van de Europese Unie.
Indien echter bij invoer of uitvoer onregelmatigheden worden vastgesteld, moet nauwkeurig worden nagegaan welke lidstaat bevoegd is om hieraan gevolg te geven.
De interne verdeling van douaneverantwoordelijkheden binnen een groep van bedrijven moet bovendien worden neergelegd in een overeenkomst tussen de leden van de groep. De vergunningverlenende douaneautoriteiten moeten op de hoogte worden gebracht van deze verdeling van verantwoordelijkheden.
Voorbeelden van onregelmatigheden en de bevoegde lidstaten die de onregelmatigheid dient te behandelen:
1. Onregelmatigheden met mogelijke financiële consequenties met betrekking tot de vergunning
De lidstaat die bevoegd is om de vergunning te verlenen, moet gevolg geven aan de onregelmatigheid.
De lidstaat waarin de bepalingen van de vergunning van toepassing zijn, moet gevolg geven aan de onregelmatigheden die voortvloeien uit de niet-naleving van deze bepalingen (bv. boekhouding, opslagvoorwaarden, verwerking van goederen).
2.Onregelmatigheden, met mogelijke financiële consequenties, met betrekking tot aangiften voor de plaatsing onder of het zuiveren van een regeling
De lidstaat waar de aangifte is ingediend, moet gevolg geven aan de onregelmatigheid overeenkomstig de in die lidstaat geldende wetgeving.
3.Onregelmatigheden met betrekking tot de aard en de hoeveelheid van de opgeslagen goederen
Er moet gevolg worden gegeven aan de onrechtmatige verwijdering of vervanging van goederen overeenkomstig de geldende wetgeving van de lidstaat waar de onregelmatigheid heeft plaatsgevonden.
4.Onregelmatigheden wanneer goederen onder de regeling voor het vrije verkeer worden aangegeven
Er moet gevolg worden gegeven aan onregelmatigheden (materiële fouten) met betrekking tot de douaneaangifte (bijvoorbeeld wanneer deze niet overeenstemt met de bedrijfsadministratie) overeenkomstig de geldende wetgeving in de lidstaat die de vergunning heeft verleend en waar de douaneaangifte werd ingediend. (Guidance Simplifications 3.2.6)

10. Opheffingsbepalingen

106. De instructie SASP-CC (D.I. 542.102 - D.D. 324.401) van 27 januari 2014 wordt opgeheven.

Voor de Administrateur – generaal Douane en Accijnzen
Jo Lemaire
Adviseur-generaal


Bijlage I: Gemeenschappelijke gegevensvereisten voor de aanvraag en/of de vergunning gecentraliseerde vrijmaking

(Kolom 7b bijlage A (DA))

Nr.
G.E.

Naam Gegevenselement

Status
G.E.

Toelichting

1/1

Code soort aanvraag

A

Code vergunning vermelden

1/2

Handtekening/authenticatie

A

Onderscheid tussen papieren of elektronische aanvraag (zie blz. 124 DA)

1/3

Soort aanvraag

A[*]

(zie blz. 124 DA)

1/4

Geografische geldigheid – Unie

A

(zie blz. 125 DA)

1/6

Referentienummer beschikking

A[2]

(zie blz. 125 DA)

1/7

Beschikkende douaneautoriteiten

A[+]

Identificatienummer of naam en adresgegevens van de douaneautoriteit die de beschikking geeft

2/4

Bijgevoegde documenten

A

(zie blz. 126 DA)

3/1

Aanvrager

A[4]

Naam en adresgegevens aanvrager

3/2

Identificatie aanvrager

A

EORI-nummer

3/3

Vertegenwoordiger

A[4]

Relevante informatie

3/4

Identificatie vertegenwoordiger

A

EORI-nummer

3/5

Naam en contactgegevens van de persoon die verantwoordelijk is voor douanezaken

A[*]
[5]

Contactinformatie van de betrokkene (inclusief fax)

3/6

Contactpersoon verantwoordelijk voor de aanvraag

A[*]

Enkel wanneer het gaat om een andere persoon dan 3/5
(zie blz. 128 DA)

3/7

Persoon die aan het hoofd staat van het bedrijf dat de aanvraag heeft ingediend, of die zeggenschap uitoefent over het beheer ervan

A[*]
[5]

(zie blz. 128 DA)

4/1

Plaats

A[7]

Plaats waar de aanvraag werd ondertekend of op andere wijze geauthentiseerd

4/2

Datum

A

Datum van ondertekening of authentisering

4/3

Plaats waar de hoofdadministratie voor douanedoeleinden wordt bijgehouden of toegankelijk is

A[*]
[5]

(zie blz. 128 DA)

4/4

Plaats van administratievoering

A[*]

(zie blz. 129 DA)

4/6

[Gevraagd] Begindatum van de beschikking

C[*]
A[+]

Wanneer de aanvrager een specifieke datum vraagt
(zie blz. 129 DA)

4/8

Plaats van de goederen

A

Aan de hand van code

4/13

Controlekantoor

A[+]

Het bevoegde douanekantoor zoals bedoeld in artikel 1, punt 36

4/16

Termijn

A[+]

Termijn waarbinnen het douanekantoor van aanbrenging het controlekantoor in kennis stelt van zijn voornemen om een controle uit te voeren voordat de goederen worden geacht te zijn vrijgegeven.

5/1

Goederencode

A

(zie blz. 132 DA)

5/2

Omschrijving van de goederen

A

(zie blz. 133 DA)

5/3

Hoeveelheid goederen

A

(zie blz. 134 DA)

6/1

Verboden en beperkingen

A

(zie blz. 136 DA)

6/3

Algemene opmerkingen

A[+]

(zie blz. 136 DA)

7/2

Soort douaneregeling

A

(zie blz. 138 DA)

7/3

Soort aangifte

A

(zie blz. 138 DA)

7/4

Aantal handelingen

A[*]

Schatting van het aantal keer per maand en per lidstaat van aanbrenging dat de aanvrager de vereenvoudiging zal gebruiken

7/5

Gegevens over de voorgenomen werkzaamheden

A

Overzicht van de zakelijke transacties/activiteiten en de overbrenging van goederen onder de regeling gecentraliseerde vrijmaking

8/1

Soort hoofdadministratie voor douanedoeleinden

A[*]

(zie blz. 139 DA)

8/2

Soort administratie

A[*]

(zie blz. 139 DA)

8/5

Aanvullende informatie

C[*]

(zie blz. 140 DA)

8/12

Toestemming voor bekendmaking in de lijst van vergunninghouders

A[*]

(zie blz. 141 DA)

Symbolen in de vakken
A = Verplicht: gegevens die door elke lidstaat worden verlangd.
C = Facultatief voor de aanvrager: gegevens die de aanvrager vrijwillig kan verstrekken, maar waarvan de opgave niet door de lidstaten kan worden verlangd.
[*] = Dit gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken aanvraag gebruikt.
[+] = Dit is gegevenselement wordt uitsluitend voor de betrokken beschikking gebruikt.

Voetnoten

[2]: Dit gegevenselement wordt niet gebruikt in de aanvraag, tenzij het gaat om een aanvraag voor een wijziging, verlenging of intrekking van de beschikking.

[4]: Deze informatie is uitsluitend verplicht wanneer het EORI-nummer van de persoon niet wordt vereist. Wanneer het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt, tenzij een papieren aanvraag of beschikking wordt gebruikt.

[5]: Deze informatie wordt niet verstrekt als de aanvrager een geautoriseerde marktdeelnemer is.

[7]: Deze informatie wordt alleen gebruikt bij een papieren aanvraag.

Specifieke gegevensvereisten
De specifieke gegevens voor de aanvraag vergunning gecentraliseerde vrijmaking zijn opgenomen in TITEL XIII van Bijlage A van Verordening 2015/2446 (DA).

Nr.
G.E.

Naam Gegevenselement

Status
G.E.

Toelichting

XIII/1

Bij de vergunning betrokken bedrijven in andere lidstaten

A [1]

(zie blz.155 DA)

XIII/2

Identificatie van bij de vergunning betrokken bedrijven in andere lidstaten

A

(zie blz.156 DA)

XIII/3

Douanekanto(o)r(en) van aanbrenging

A

(zie blz.156 DA)

XIII/4

Identificatie van de btw-, accijns- en statistische autoriteiten

A[+]
C [*]

(zie blz.156 DA)

XIII/5

Wijze van btw betaling

A[+]

(zie blz.156 DA)

XIII/6

Fiscaal vertegenwoordiger

A [1]

(zie blz.156 DA)

XIII/7

Identificatie fiscaal vertegenwoordiger

A

(zie blz.156 DA)

XIII/8

Code status fiscaal vertegenwoordiger

A

(zie blz.156 DA)

XIII/9

Voor de accijnsformaliteiten verantwoordelijke persoon

A [1]

(zie blz.156 DA)

XIII/10

Identificatie van de voor de accijnsformaliteiten verantwoordelijke persoon

A

(zie blz.156 DA)

[1] Deze informatie is uitsluitend verplicht in de gevallen waarin het EORI-nummer van de betrokkene niet beschikbaar is. Indien het EORI-nummer is verstrekt, hoeft geen naam of adres te worden verstrekt.


Bijlage II: Advies inzake inningskosten en mogelijke scenario’s voor het delen van inningskosten

Advies van gedeelde traditionele eigen middelen per maand

Onderneming

Datum van verwerking in de administratie

Invoerrecht

Terugbetaling

Invoerrecht

Totaal

Innings-kosten

Uiterste betaaldatum

Naam

Vergunning-nummer

Bedrag X

Dossier nr.

Bedrag Y

Bedrag

X - Y

50 % (van 20 %)

Totaal

0,00

0,00

0,00

0,00

0,00

Vergunning-verlenende lidstaat

Onder-steunende lidstaat

Van:

Douane-autoriteiten

Aan:

Douaneautoriteiten

adres

adres

bevoegde deskundige

bevoegde deskundige

e-mail:

e-mail:

Faxnummer:

Bankrekening:

BIC-code:

IBAN-code:


Bijlage III: Verdeling van de verantwoordelijkheid AMS en PMS

Vergunningverlenende lidstaat (AMS)

Deelnemende lidstaat (PMS)

Wijze van verstrekking

Een aanvraag voor een grensoverschrijdende vergunning wordt ingediend bij de verantwoordelijke douaneautoriteiten in de lidstaat waar de belangrijkste stukken worden bijgehouden of beschikbaar zijn.

Nadat de aanvraag is ontvangen, beoordelen de bevoegde douaneautoriteiten de criteria voor het verlenen van de vergunning. Dit proces kan het volgende omvatten:

verificatie of door de onderneming aan de verplichtingen met betrekking tot vereenvoudigde procedures is voldaan;

een controle van het beheer en de interne controle van de onderneming;

een risicoanalyse.

Indien de douaneautoriteiten ervan overtuigd zijn dat aan de vereisten voor verlening van een grensoverschrijdende vergunning is voldaan, wordt een ontwerpvergunning opgesteld en via het IT-systeem opgestuurd naar het/de contactpunt(en) in de deelnemende lidsta(a)t(en) (indien nodig in de juiste vertaling(en)).
Zolang het IT-systeem voor grensoverschrijdende vergunningen nog niet ten uitvoer is gelegd, moet gebruikgemaakt worden van e-mail.

Afhankelijk van de omstandigheden wordt een deel van de voorafgaande bedrijfscontrole uitgevoerd in de deelnemende lidstaat, indien mogelijk in de vorm van een gemeenschappelijke controle.

Na de aanvraag en de ontwerpvergunning te hebben ontvangen, moeten de douaneautoriteiten van de deelnemende lidstaat binnen 30 dagen hun eventuele bezwaren kenbaar maken of hun besluit aan de vergunningverlenende douaneautoriteiten bekendmaken. Indien er meer tijd vereist is om tot een besluit te komen, moet het vergunningverlenende kantoor binnen dezelfde termijn in kennis worden gesteld van de redenen. Gedurende deze periode worden er voorzieningen voor btw en statistieken (en nationale voorschriften) getroffen.
Het besluit wordt via het IT-systeem aan de vergunningverlenende lidstaat bekendgemaakt. Zolang dit systeem nog niet beschikbaar is, moet gebruikgemaakt worden van e-mail.

De vergunning wordt verleend/de aanvraag wordt afgewezen.
De definitieve versie van de vergunning wordt via het IT-systeem opgestuurd naar de deelnemende lidsta(a)t(en) (indien nodig in de juiste vertaling(en)). Zolang dit systeem nog niet beschikbaar is, moet gebruikgemaakt worden van e-mail.


Bijlage IV: Controleactiviteiten door douaneautoriteiten die deelnemen aan de gecentraliseerde vrijmaking

1. Controlemaatregelen

Soort controle

Verantwoordelijk douanekantoor

Belangrijkste reden voor de controle

Andere redenen

Verificatie volgens artikel 188 (a) en (b) DWU

Plaatselijk of vergunningverlenend douanekantoor

Concreet verzoek van het vergunningverlenende douanekantoor of ingeleid door het lokale kantoor uit hoofde van nationale wetgeving

Kennisgeving van de resultaten van de controle aan het vergunningverlenende douanekantoor

Onderzoek en monsterneming volgens artikel 188 (c) en (d) DWU

Plaatselijke douanekantoor

Concreet verzoek van het vergunningverlenende douanekantoor of ingeleid door het lokale kantoor

Kennisgeving van de resultaten van de controle aan het vergunningverlenende douanekantoor

Controles achteraf op procedures van het bedrijf van de vergunninghouder of van de vertegenwoordiger (douanecontrole)

Bevoegde douaneautoriteiten

Concreet verzoek van het vergunningverlenende douanekantoor of ingeleid door het lokale kantoor

Overdracht van de resultaten van de controle aan het vergunningverlenende douanekantoor

Belasting over de toegevoegde waarde (btw) en andere nationale regelgeving.

Het kantoor/de dienst dat/die uit hoofde van de nationale wetgeving verantwoordelijk is voor de controles na vrijgave

Vereist uit hoofde van nationale btw-wetgeving; concreet verzoek van het verantwoordelijke kantoor op grond van de nationale wetgeving

Verzoek om aanvullende informatie van het vergunningverlenende douanekantoor

Controle van de gegevens in de aanvullende aangifte; bijvoorbeeld het bedrag aan invoerrechten

Vergunningverlenend douanekantoor

Wettelijk vereist op grond van de nationale administratieve instructies

In het geval van discrepanties die gevolgen zouden hebben gehad voor de douanerechten en voor de btw in de deelnemende lidstaat, worden de lokale kantoren op de hoogte gebracht.

Het opstellen van een inventaris

Plaatselijk douanekantoor

Douanekantoor: concreet verzoek van het vergunningverlenende douanekantoor

Er wordt een inventaris opgesteld op de plaats van opslag in de deelnemende lidstaat; kennisgeving van de resultaten van de controle aan het vergunningverlenende douanekantoor.

2. Algemene regelingen:

- Elk verzoek en elk antwoord/elke kennisgeving moeten worden afgerond aan de hand van het formulier dat is opgenomen in bijlage X, in de Engelse taal. Indien nodig kan een aanvullend blad worden bijgevoegd. Dit dient waar mogelijk elektronisch te worden gedaan.
- Hoe en waar dienen de verzoeken en antwoorden en/of kennisgevingen te worden ingediend? Dit is om te zorgen dat de informatie wordt doorgegeven aan de beoogde contactpersoon.
- De twee onderstaande personen werken nauw samen om te zorgen voor de controle op en de administratieve vastlegging van de procedure.

3. De contactpersonen zijn:

a) vergunningverlenend douanekantoor:
Naam:
Adres:
Behandelend ambtenaar:
Telefoonnummer:
Faxnummer:
E-mailadres:

b) plaatselijk douanekantoor:
Naam:
Adres:
Behandelend ambtenaar:
Telefoonnummer:
Faxnummer:
E-mailadres:

4. Gegevensbescherming

Overeenkomstig de nationale wetgeving inzake gegevensbescherming en gegevensbeveiliging moet worden gebruikgemaakt van een versleutelcode voor het versturen van informatie over controles tussen de douanebeambten van vergunningverlenende en deelnemende lidstaten.
Duitsland en Finland maken voor de versleuteling bijvoorbeeld gebruik van het freewareprogramma 7-Zip (software).


Bijlage V: Gemeenschappelijk controleprogramma

1. Gemeenschappelijk controleprogramma

Vergunningverlenende lidstaat

Deelnemende lidstaat

De vergunningverlenende douaneautoriteiten en/of het vergunningverlenende kantoor voeren, rekening houdende met:

  • de kenmerken van de onderneming (bijvoorbeeld AEO-status);
  • de in- en uit te voeren goederen; en
  • de relevante gegevens;

een risicoanalyse uit. Het vergunningverlenende kantoor bepaalt vervolgens de meest geschikte strategie om eventuele risico’s te beperken of weg te nemen. Deze strategie wordt opgenomen in een concept-controleprogramma voor de grensoverschrijdende vergunning (zie bijlage IX voor een controleprogramma, met inbegrip van soorten controles, verdeling van de verantwoordelijkheden en procedures).
Over het algemeen omvat het controleprogramma vier soorten controles:

  • audits (administratieve controles);
  • verificatie van de aangifte en overige documenten;
  • fysieke controles van de goederen;[1]
  • controles achteraf.


Het concept-controleprogramma wordt via het IT-systeem verstuurd naar het/de contactpunt(en) in de deelnemende lidsta(a)t(en), zo nodig in een vertaling. Zolang dit systeem nog niet beschikbaar is, moet gebruik worden gemaakt van e-mail.

De contactpunten in de deelnemende lidstaat nemen contact op met het/de plaatselijke douanekanto(o)r(en) en, indien nodig, overige bevoegde autoriteiten.
In het concept-controleprogramma staan alle vereiste speciale kennisgevingen en de domiciliëringsprocedure aangegeven.
Over het algemeen staan de soorten en hoeveelheden te verrichten controles, alsmede de praktische vereisten, zoals de responstijd, vermeld.
Waar van toepassing, informeren de douaneautoriteiten tevens het vergunningverlenende kantoor over de controles die vereist zijn op grond van de nationale wetgeving.

Aanbevolen wordt een bijeenkomst van de douaneautoriteiten van de vergunningverlenende lidstaat en de deelnemende lidsta(a)t(en) te organiseren. Dit zou moeten bijdragen aan een beter wederzijds begrip en biedt de mogelijkheid van het opbouwen van een betere relatie tussen de desbetreffende contactpersonen. .

Het concept-controleprogramma wordt afgerond, waarbij rekening wordt gehouden met de voorstellen en verzoeken die zijn ingediend door de deelnemende lidstaten. Indien nodig kunnen bepaalde procedures worden opgenomen in de vergunning.
Het controleprogramma wordt via het IT-systeem overeengekomen.

In buitengewone omstandigheden kunnen de douaneautoriteiten in de deelnemende lidstaat controles achteraf verrichten.
Het controleprogramma wordt via het IT-systeem overeengekomen. Zolang dit systeem nog niet beschikbaar is, moet gebruikgemaakt worden van e-mail.

2. Materiële controles

Vergunningverlenende lidstaat

Deelnemende lidstaat

De vergunning moet vermelden waar en hoe de goederen die onder de vergunning vallen, worden vrijgegeven voor het vrije verkeer dan wel een andere douaneprocedure, dit in verband met het feit dat invoergoederen door zowel het vergunningverlenende kantoor als door het plaatselijke douanekantoor kunnen worden vrijgegeven voor het vrije verkeer dan wel een andere douaneprocedure.
Vrijgave kan worden verleend:
- na kennisgeving aan het plaatselijke douanekantoor van alle zendingen die worden aangebracht bij de deelnemende lidstaat;
- door centrale invoer van gegevens in de administratie; het plaatselijke douanekantoor hoeft alleen in kennis te worden gesteld gedurende een specifieke termijn of voor specifieke soorten goederen.
Het vergunningverlenende kantoor moet in samenspraak met het plaatselijke douanekantoor beslissen welke controles worden verricht om te zorgen voor toezicht op de procedure en de vrijgave van de goederen in het vrije verkeer of een overige douaneprocedure.
Overeenkomstig het controleprogramma vraagt het vergunningverlenende kantoor het plaatselijke douanekantoor om een aantal (of percentage) fysieke controles te verrichten op de binnenkomende zendingen of specifieke onderwerpen. Doorgaans moet een termijn worden vastgesteld gedurende waarvan het besluit omtrent de noodzaak om de ingevoerde goederen te controleren, wordt gemaakt.[2]

Conform de vergunningprocedure moet de vergunninghouder het plaatselijke douanekantoor in principe altijd in kennis stellen wanneer er aan nationale vereisten moet worden voldaan.
De plaatselijke douanekantoren verrichten de fysieke controles, rekening houdende met de nationale wetgeving en het controleprogramma.
De plaatselijke douanekantoren kunnen op eigen initiatief alle soorten controles (met name zuivering van transitverrichtingen) verrichten.
De resultaten van deze controles worden door het plaatselijke douanekantoor gerapporteerd. Het document in bijlage X kan worden gebruikt om zowel een fysieke controle aan te vragen als de resultaten van controles te rapporteren.

Alleen voor de procedure van vereenvoudigde aangifte:
Voor de PVA dient voor elke invoer een vereenvoudigde aangifte te worden ingediend bij het bevoegde plaatselijke of het vergunningverlenende douanekantoor.

Overige soorten controle

Het vergunningverlenende kantoor verifieert de aangiften, verricht controles achteraf, en controleert en herbeoordeelt de procedures.
Het vergunningverlenende kantoor stelt de deelnemende lidsta(a)t(en) in kennis van alle vastgestelde onregelmatigheden.

Een deel van de controles wordt verricht in de deelnemende lidsta(a)t(en), waar mogelijk in de vorm van een gemeenschappelijke audit, indien dit raadzaam wordt geacht.


Bijlage VI: Verzoek om controle in het kader van gecentraliseerde vrijmaking

Kantoor dat verzoek indient/vergunningverlenend kantoor of plaatselijk kantoor
(naam, adres, naam beambte, telefoon, e-mailadres)

Soort controle (beschrijving van de inhoud van de controle):

Resultaat van de controle:

Kantoor waar de controle is verricht (naam, adres, naam beambte, telefoon, e-mailadres)

Resultaat van de controle:

---------------

Interne ref.: D.I. 532.9/539.1- OEO/DD 015.371


[1] Fysieke controles van de goederen worden uitgevoerd door de lokale kantoren die verantwoordelijk zijn voor de plaats waar de goederen zich bevinden op het moment van invoer/uitvoer.

[2] Wanneer het noodzakelijk is dat een specifieke verzending wordt gecontroleerd, moet dit verzoek rechtstreeks naar het lokale douanekantoor worden doorgestuurd.