Circulaire nr. Ci.RH.331/439.608 dd. 05.06.1992

CIRC 05.06.92/1

Circulaire nr. Ci.RH.331/439.608 dd. 05.06.1992


Bull. nr. 718

GEZINSLAST
Persoon ten laste
Kind ten laste
Alleenstaande belastingplichtige met kind
Voorwaarde van de bestaansmiddelen


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 tot 3

INHOUDSOPGAVE

Nrs.

I. Wettekst. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 1

II. Algemeen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . 2 tot 5

III. Alleenstaande belastingplichtigen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 6

IV. Bedoelde kinderen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 en 8

V. Verhoging van het bedrag van de bestaansmiddelen . . . . . . . . . . . . . . . 9 en 10

VI. Overheveling van personen ten laste. . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . 11 tot 13

V I I . Inwerkingtreding. . . . . . . . . . . . . .. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14

I. WETTEKST

1. Art. 7, W. 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen voegt in art. 82, W.I.B. opnieuw een # 6 in, waarvan de tekst als volgt luidt :

"# 6. De in ## 1 en 5 vermelde bedragen van 60.000 frank worden gebracht op 90.000 frank voor kinderen ten laste van een belastingplichtige die overeenkomstig artikel 1 van de wet van 7 december 1988 houdende hervorming van de in-komstenbelasting en wijziging van de met het zegel gelijkgestelde taksen als een alleenstaande wordt beschouwd, en op 120.000 frank voor kinderen ten laste van eenzelfde belastingplichtige, die voor ten minste 66 % getroffen zijn door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid wegens een of meer aandoeningen of als gehandicapt worden aangemerkt overeenkomstig artikel 6, # 5, van dezelfde wet."

II. ALGEMEEN

2. Een van de in art. 82, # 1, W.I.B. gestelde voorwaarden om als ten laste van de belastingplichtige te kunnen worden beschouwd, is dat de betrokkene gedurende het vorige jaar persoonlijk geen bestaansmiddelen mag hebben genoten van meer dan 60.000 F netto (niet-gendexeerd).

3. Alhoewel die grens van 60.000 F sinds het aj. 1991 geindexeerd wordt overeenkomstig art. 8, hervormingswet 1988, is zij in bepaalde gevallen te laag gebleken, inzonderheid wanneer de belastingplichtige alleen moet instaan voor de op-voeding van een of meer kinderen en die kinderen bestaans-middelen van enige betekenis (bv. een onderhoudsuitkering) hebben.

4. Daarom heeft de wetgever beslist uitsluitend ten gunste van alleenstaande belastingplichtigen de basisbedragen van de nettobestaansmiddelen voor kinderen op te trekken tot 90.000 F (120.000 F indien het zwaar gehandicapte kinderen betreft).

5. De aandacht wordt erop gevestigd dat voor het overige niets is gewijzigd aan de andere voorwaarden die gelden inzake tenlasteneming van kinderen, nl. :

1. deel uitmaken van het gezin van de belastingplichtige op 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd;

2. geen bezoldigingen hebben genoten ten laste van de belastingplichtige.

III. ALLEENSTAANDE BELASTINGPLICHTIGEN

6. Fiscaal worden als "alleenstaanden" beschouwd :

a) ongehuwde personen, met inbegrip van diegenen die een feitelijk gezin vormen;

b) gehuwde personen voor het jaar van hun huwelijk en voor het jaar van overlijden van een der echtgenoten;

c) uit de echt of van tafel en bed gescheiden personen vanaf het jaar waarin het vonnis is uitgesproken (voor zover het binnen de voorgeschreven termijn is overgeschreven);

d) weduwen en weduwnaars (vanaf het jaar van overlijden van hun echtgenoot);

e) feitelijk gescheiden personen vanaf het jaar na dat van de scheiding (indien de scheiding in het belastbare tijdperk niet ongedaan is gemaakt);

f) echtgenoten van wie een van beiden beroepsinkomsten van meer dan 270.000 F (niet-geindexeerd) heeft die bij over-eenkomst vrijgesteld zijn en niet in aanmerking komen voor de berekening van de belasting op de andere gezinsinkomsten.

IV. BEDOELDE KINDEREN

7. Het betreft hier in art. 82, # 1, 2., W.I.B. beoogde kinderen, nl. :

  • de afstammelingen van de belastingplichtige en, in voorkomend geval, van zijn echtgenoot (kinderen, kleinkinderen, achterkleinkinderen en ten volle geadopteerde kinderen);
  • de kinderen die de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft.
8. Voor het begrip "gehandicapte kinderen" wordt verwezen naar nr. II/758 van de circ. nr Ci.D.19/402.192 (20e aflevering, hervormingswet 1988).

V. VERHOGING VAN HET BEDRAG VAN DE BESTAANSMIDDELEN

9. Het (niet-geindexeerd) maximale netto bedrag dat een kind aan bestaansmiddelen mag hebben om als ten laste van een alleenstaande belastingplichtige te worden beschouwd, bedraagt :

  • 120.000 F voor zwaar gehandicapte kinderen; - 90.000 F voor de andere kinderen.
10. De eigenlijk toepasselijke (= geindexeerde) grenzen bedragen respectievelijk :

  • voor het aj. 1992 : 96.000 F en 128.000 F; - voor het aj. 1993 : 99.000 F en 132.000 F.
VI. OVERHEVELING VAN PERSONEN TEN LASTE

11. Daar art. 7, W. 28.12.1990 uitdrukkelijk stelt dat de hierboven bedoelde verhogingen eveneens gelden met betrekking tot het in # 5 van art. 82, W.I.B. (overheveling van personen ten laste) vastgelegde bedrag van 60.000 F, kan de thans in nr. 77/73, Com.I.B. uiteengezette regel voor het bepalen van het aantal over te hevelen personen niet langer op dezelfde wijze als voorheen worden toegepast bij alleenstaande belastingplichtigen met kinderen ten laste, aangezien voortaan drie verschillende grenzen inzake bestaansmiddelen van toepassing zijn (nl. de niet-geindexeerde grenzen van 60.000 F, 90.000 F en 120.000 F).

12. In dergelijk geval moet het aantal over te hevelen personen als volgt worden bepaald :

1. de personen die normaliter ten laste van de belastingplichtige zijn, indelen volgens de toegelaten bestaansmiddelen (60.000 F, 90.000 F of 120.000 F);

2. de bestaansmiddelen van de belastingplichtige en van de personen die normaal te zijnen laste zijn, samentellen;

3. het aldus bekomen resultaat vooreerst verminderen met 60.000 F;

4. van het saldo zoveel maal een bedrag van 60.000 F, 90.000 F en 120.000 F aftrekken als er personen van deze categorieen zijn, en dit, volgens de door de belastingplichtige gekozen orde van aanrekening.

Die personen blijven hoe dan ook ten laste van de belastingplichtige. De andere personen kunnen ten laste genomen worden door het gezinslid dat het meeste tot hun onderhoud bijdraagt.

Voorbeeld (aj. 1992).

13. Het gezin van een alleenstaande belastingplichtige met 369.000 F nettobestaansmiddelen bestaat uit een ascendent (die geen inkomsten heeft) en vier kinderen, van wie twee zwaar gehandicapt zijn en een derde (een zoon) 500.000 F nettoberoepsinkomsten genoten heeft.

1. Indeling, per categorie, van de personen die normaal ten laste van de belastingplichtige zijn :

Tot 64.000 F bestaansmiddelen : de ascendent;

Tot 96.000 F bestaansmiddelen : het niet gehandicapt kind zonder inkomsten;

Tot 128.000 F bestaansmiddelen : beide gehandicapte kinderen.

Het kind dat 500.000 F beroepsinkomsten genoten heeft, kan gelet op het bedrag ervan, niet ten laste zijn.

2. Totaal bedrag van de nettobestaansmiddelen van de belastingplichtige en de personen die normaal te zijnen laste zijn : 369.000 F

3. Bedrag van de bestaansmiddelen dat overblijft na aftrek van 64.000 F (voor de belastingplichtige zelf) :

369.000 F - 64.000 F = 305.000 F

4. Aantal over te hevelen personen (in de veronderstelling dat de belastingplichtige een van de gehandicapte kinderen wil overhevelen naar zijn zoon die inkomsten heeft) :

305.000 F - 64.000 F (voor de ascendent) 241.000 F 241.000 F - 96.000 F (voor het niet gehandicapte kind) 145.000 F 145.000 F - 128.000 F (voor een gehandicapt kind) 17.000 F

Deze drie personen blijven ten laste van de belastingplichtige.

Het andere gehandicapte kind kan ten laste genomen worden door de zoon met 500.000 F beroepsinkomsten.

VII. INWERKINGTREDING

14. Krachtens art. 32, # 5, W. 28.12.1990, is de hierboven besproken bepaling van toepassing met ingang van het aj. 1992.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Inspecteur-generaal,

G.A. DE GROOTE.