Circulaire nr. AFZ/2009-0836-1 (AFZ 10/2010) van 15.06.2010

Personenbelasting

Onroerend inkomen

Materieel en outillering

Vrijstelling

Werkgeversbijdrage en –premie

Investering in beveiliging

Gift

Exploitatie van een uitvinding

Sociale dienstencheques

Elektrisch voertuig

Belastingvermindering op werkloosheidsuitkeringen

Inkomsten van Europese parlementsleden

Fiscaal stelsel van bezoldigde sportbeoefenaars

Pensioenen van niet-inwoners

Bevrijdende voorheffing

Niet-inwonende zeelieden

Eerste commentaar op de wet houdende fiscale en diverse bepalingen van 22 december 2009.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C van de Administratie van fiscale zaken, van de Algemene administratie van de fiscaliteit (sector directe belastingen) en van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.

In bijlage volgt een eerste commentaar inzake personenbelasting betreffende de wet houdende fiscale en diverse bepalingen van 22 december 2009 (verkort W 22-12-2009; BS 31-12-2009, ed. 2), meer bepaald over de bepalingen inzake :

- inkomsten van onroerende goederen materieel en outillering ;

- de vrijstelling voor maaltijdcheques, sport/cultuurcheques en eco-cheques ;

- de aftrek van patronale bijdragen en premies ;

- de verhoogde investeringsaftrek voor de beveiliging van bedrijfsvoertuigen ;

- bepaalde als giften aftrekbare uitgaven ;

- belastingstelsel voor persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding ;

- sociale dienstencheques ;

- de belastingvermindering voor uitgaven met het oog op de verwerving van een elektrisch voertuig ;

- belastingvermindering op werkloosheidsuitkeringen;

- inkomsten van Europese parlementsleden ;

- fiscaal stelsel van bezoldigde sportbeoefenaars ;

- pensioenen van niet-inwoners ;

- bevrijdende voorheffing voor bezoldigingen van niet-inwonende zeelieden.

NAMENS DE MINISTER:

De Adjunct-administrateur-generaal,

Paul NECKEBROECK

I. INKOMSTEN VAN ONROERENDE GOEDEREN – MATERIEEL EN OUTILLAGE

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

II. VRIJGESTELDE INKOMSTEN – SOCIALE EN CULTURELE VRIJSTELLINGEN – VRIJSTELLING VOOR MAALTIJDCHEQUES, SPORT/CULTUURCHEQUES EN ECO-CHEQUES

A. Wettekst

B. Commentaar

1. Wijzigingen aan artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, WIB 92 mbt meewerkende echtgenoten 2 .Invoeging van artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, WIB 92

3. Invoeging van artikel 38/1, WIB 92

a) Algemeen

b) Voorwaarden tot vrijstelling

c) Toepassingsmodaliteiten

4. Wijzigingen inzake artikel 53, 14°, WIB 92

5. Wijzigingen inzake artikel 178, § 5, WIB 92

C. Inwerkingtreding

III. AFTREKBARE BEROEPSKOSTEN – WERKGEVERSBIJDRAGEN EN -PREMIES

A. Wettekst

B. Reglementaire bepaling

C. Commentaar

D. Inwerkingtreding

IV. VERHOOGDE INVESTERINGSAFTREK VOOR BEVEILIGING VAN BEDRIJFSVOERTUIGEN

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

V. GIFTEN

A. Wettekst

B. Commentaar

1. Wijzigingen aan artikel 104, WIB 92

a) Opname van de Koninklijke Muntschouwburg in art. 104, 3°, f, WIB 92

b) Aanpassing van de Belgische belastingwetgeving aan het Europees Verdrag

2. Wijzigingen aan artikel 108, WIB 92

3. Wijzigingen aan artikel 110, WIB 92

C. Inwerkingtreding

VI. DIVERSE INKOMSTEN – BELASTINGSTELSEL VOOR PERSOONLIJKE VERGOEDINGEN UIT DE EXPLOITATIE VAN EEN UITVINDING

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

VII. SOCIALE DIENSTENCHEQUES

VIII.

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

VIII. VERMINDERING VOOR DE UITGAVEN MET HET OOG OP DE VERWERVING VAN EEN ELEKTRISCH VOERTUIG

A. Wettekst

B. Reglementaire bepaling

C. Commentaar

1. Algemeen

2. Bedoelde voertuigen

3. Bedrag van de belastingvermindering

4. Toepassingsmodaliteiten

D. Inwerkingtreding

IX. BELASTINGVERMINDERING VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

X. INKOMSTEN VAN EUROPESE PARLEMENTSLEDEN

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

XI. FISCAAL STELSEL VAN DE BEZOLDIGDE SPORTBEOEFENAARS

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

XII. PENSIOENEN VAN NIET-INWONERS

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

XIII. BEVRIJDENDE VOORHEFFING VOOR BEZOLDIGINGEN VAN NIET-INWONENDE ZEELIEDEN

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

XIV. DIVERSE WIJZIGINGEN

A. Wettekst

B. Commentaar

C. Inwerkingtreding

I. INKOMSTEN VAN ONROERENDE GOEDEREN MATERIEEL EN OUTILLAGE

A. Wettekst

(...)

Art. 2. In artikel 7, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gewijzigd bij de wetten van 30 maart 1994 en 6 april 1995, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996, en bij de wetten van 6 juli 1997 en 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in de bepaling onder 1°, a, eerste streepje, wordende woorden “, materieel en outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, ” ingevoegd tussen de woorden “ongebouwde onroerende goederen” en de woorden “of de in artikel 12, § 3, vermelde woning;”;

b) in de bepaling onder 2°, a, eerste streepje, worden de woorden “of materieel en outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, ” ingevoegd tussen de woorden “ongebouwde onroerende goederen” en het woord “betreft;”;

c) in de bepaling onder 2°, c, worden de woorden “of materieel en outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn, ” ingevoegd tussen de woorden “andere in België gelegen ongebouwde onroerende goederen” en de woorden “betreft, of het kadastraal inkomen verhoogd met 40 pct.”.

(…)

Art. 35.(…) De artikelen 2, 4, 6, A, 9, 10, 23, tot 26, 30 en 33 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangebracht, waardoor 1 euro per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1 februari 2009.

(…)

B. Commentaar

Vroeger volgden het materieel en outillage, op basis van artikel 7, WIB 92, het stelsel van de gebouwde onroerende goederen wat onder andere tot gevolg had dat de verhoging met 40 pct. van het KI moest worden toegepast.

De wetgever had niet de intentie om het materieel en outillage te onderwerpen aan een verhoging van 40 pct. Trouwens in de administratieve praktijk werd deze verhoging niet toegepast. Teneinde deze situatie op legaal vlak op te helderen wordt met de nieuwe bepaling het fiscaal stelsel van het materieel en outillage in het kader van artikel 7, WIB 92 afgestemd op dat van de ongebouwde onroerende goederen.

C. Inwerkingtreding

De wijzigingen betreffende artikel 7, WIB 92, zijn van toepassing vanaf aj. 2010.

II. VRIJGESTELDE INKOMSTEN - SOCIALE EN CULTURELE VRIJSTELLINGEN - VRIJSTELLING VOOR MAALTIJDCHEQUES, SPORT/CULTUURCHEQUES EN ECO-CHEQUES

A. Wettekst

(…)

Art.5.In artikel 38 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

in de inleidende zin van paragraaf 1, eerste lid, 11°, worden de woorden “in artikel 30 vermelde” vervangen door de woorden “in artikel 30, en 2°, bedoelde”;

paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met een bepaling onder 25° die luidt als volgt:

"25° de voordelen die bestaan uit de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de maaltijdcheques, de sport/cultuurcheques of de eco-cheques die beantwoorden aan de in artikel 38/1 vermelde voorwaarden.";

(…)

Art 6. A. In titel II, hoofdstuk II, afdeling IV, onderafdeling II, onderdeel A — Sociale en culturele vrijstellingen, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 38/1 ingevoegd dat luidt als volgt:

"Art. 38/1. § 1. De volgende voordelen vormen een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, voor zover ze niet zijn verleend ter vervanging van de bezoldiging, premies, voordelen van alle aard of van enig andere vergoeding:

1° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de maaltijdcheques die beantwoorden aan de in paragraaf 2 bepaalde voorwaarden;

2° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de sport/cultuurcheques die beantwoorden aan de in paragraaf 3 bepaalde voorwaarden;

3° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de eco-cheques die beantwoorden aan de in paragraaf 4 bepaalde voorwaarden.

§ 2. Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de maaltijdcheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de maaltijdcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen:

1° de toekenning van de maaltijdcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak, of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal werkelijke arbeidsdagen van de werknemer of bedrijfsleider;

de maaltijdcheque wordt op naam van de werknemer of bedrijfsleider afgeleverd;

4° de maaltijdcheque vermeldt duidelijk dat zijn geldigheidsduur beperkt is tot drie maanden en dat hij slechts mag worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding;

5° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in het bedrag van de maaltijdcheque mag ten hoogste 5,91 euro per maaltijdcheque bedragen;

de tussenkomst van de werknemer of de bedrijfsleider bedraagt ten minste 1,09 euro.

§ 3. Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de sport/cultuurcheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de sport/cultuurcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen:

1° de toekenning van de sport/cultuurcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

de sport/cultuurcheque wordt op naam van de werknemer of de bedrijfsleider afgeleverd;

3° op de sport/cultuurcheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 15 maanden beperkt is, van 1 juli van het jaar tot 30 september van het volgende jaar;

4° het totale bedrag van de sport/cultuurcheques toegekend door de werkgever of de onderneming mag per werknemer of bedrijfsleider niet groter zijn dan 100 euro per jaar;

de sport/cultuurcheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld worden omgeruild.

§ 4. Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de eco-cheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de eco-cheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen:

de toekenning van de eco-cheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° de collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst bepaalt de hoogste nominale waarde van de eco-cheque, met een maximum van 10 euro per eco-cheque, evenals de frequentie van toekenning ervan gedurende een kalenderjaar;

de eco-cheque wordt op naam van de werknemer of de bedrijfsleider afgeleverd;

4° op de eco-cheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 24 maanden beperkt is, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer of de bedrijfsleider en dat hij slechts mag worden aangewend voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter als bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst die is afgesloten in de Nationale Arbeidsraad;

de eco-cheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld worden omgeruild;

6° het totale bedrag van de eco-cheques toegekend door de werkgever of de onderneming mag per werknemer of bedrijfsleider niet groter zijn dan 125 euro per jaar.

§ 5. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.”.

A. In artikel 38/1, § 4, 6°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij deze wet, worden de woorden "125 euro" vervangen door de woorden "250 euro".

(...)

Art.9.Artikel 53, 14°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 27 maart 2009, wordt vervangen als volgt:

"14° in artikel 38, § 1, eerste lid, 11° en 25°, bedoelde voordelen met uitzondering van de in voorkomend geval tot 1 euro per maaltijdcheque beperkte tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de maaltijdcheques wanneer die tussenkomst voldoet aan de in artikel 38/1 gestelde voorwaarden;".

(…)

Art.30.In artikel 178, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 8 juni 2008, wordt paragraaf 5 vervangen als volgt:

"§ 5. In afwijking van paragraaf 1, worden de volgende bedragen niet geïndexeerd:

de in artikel 38/1 vermelde bedragen;

het in artikel 53, 14°, vermelde bedrag;

3° de bedragen van het bruto dag- of uurloon bedoeld in artikel 67ter, § 1.".

(…)

Art.35.(…) Artikel 5, en 2°, is van toepassing op de voordelen die vanaf 1 januari 2009 worden verkregen.

(…)

De artikelen 2, 4, 6, A, 9, 10, 23, tot 26, 30 en 33 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangebracht, waardoor 1 euro per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1 februari 2009.

(…)

Artikel 6, B, is van toepassing vanaf aanslagjaar 2011.

B. Commentaar

1. Wijzigingen aan artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, WIB 92 mbt meewerkende echtgenoten

Sociale voordelen die worden toegekend aan personen die bezoldigingen als vermeld in artikel 30, WIB 92, ontvangen of hebben ontvangen, kunnen op grond van artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, WIB 92 onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld worden van belastingen.

In artikel 30, WIB 92 worden drie soorten bezoldigingen opgesomd :

1° bezoldigingen van werknemers;

bezoldigingen van bedrijfsleiders;

bezoldigingen van meewerkende echtgenoten.

Deze laatste categorie van bezoldigingen werd ingevoegd bij artikel 15, Programmawet van 24-12-2002 (BS 31-12-2002, ed. 2), in het kader van de invoering van een nieuw sociaal en fiscaal statuut voor meewerkende echtgenoten.

Het herdefiniëren van de toekenning aan de meewerkende echtgenoot op sociaal vlak als een volledig eigen inkomen van de meewerkende echtgenoot dat als grondslag kan dienen voor de berekening van sociale bijdragen en dat dus ook sociale rechten opent, was enkel werkbaar als het inkomen van de meewerkende echtgenote ook op fiscaal vlak een eigen inkomen vormde. De wetgever heeft er destijds voor geopteerd om het eigen beroepsinkomen van de meewerkende echtgenoot op te nemen bij de bezoldigingen, naar analogie met de bezoldigingen van bedrijfsleiders, om hen de mogelijkheid te bieden om forfaitaire beroepskosten af te trekken.

De sociale voordelen die worden bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, WIB 92 zijn onbelangrijke voordelen die met een uitgesproken sociaal oogmerk door de werkgever worden verstrekt met de bedoeling de betrekkingen tussen het personeel te verbeteren en om de binding van het personeel aan de onderneming te bevorderen, zoals kleine geschenken ter gelegenheid van Sinterklaas, Kerstmis of Nieuwjaar, of geschenken ter gelegenheid van een huwelijk of geboorte, allerhande cheques, … De geholpen en de meewerkende echtgenoot runnen in feite samen als zelfstandigen een onderneming. Gelet op de filosofie achter het toekennen van sociale voordelen, kunnen deze voordelen dus in beginsel niet worden toegekend aan meewerkende echtgenoten.

Bij het invoegen van de notie “bezoldigingen van meewerkende echtgenoten” in artikel 30, 3°, WIB 92 heeft de wetgever de verwijzing naar artikel 30, WIB 92 in artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, WIB 92 echter over het hoofd gezien.

Deze vergetelheid wordt nu rechtgezet.

2. Invoeging van artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, WIB 92

Het hof van beroep van Brussel heeft in een arrest van 6-11-2008 duidelijk gesteld dat maaltijdcheques voordelen van alle aard zijn en geen sociale voordelen omdat die maaltijdcheques niet onder de in artikel 38, § 1, eerste lid, 11°, WIB 92 vermelde categorieën kunnen vallen:

a) voordelen waarvoor het wegens de wijze van toekenning niet mogelijk is het door iedere verkrijger werkelijk verkregen bedrag vast te stellen: een maaltijdcheque heeft voor de verkrijger een duidelijk bepaalbare nominale waarde;

b) voordelen die, alhoewel individualiseerbaar, niet de aard van een werkelijke bezoldiging hebben: het volstaat niet te steunen op het loonbegrip inzake sociale zekerheid om te kunnen stellen dat de maaltijdcheque geen bezoldiging in de zin van het WIB 92 is;

c) geringe voordelen of gelegenheidsgeschenken verkregen uit hoofde of naar aanleiding van gebeurtenissen die niet rechtstreeks in verband staan met de beroepswerkzaamheid: aangezien het aantal maaltijdcheques in functie staat van het aantal gepresteerde arbeidsdagen, is er een rechtstreeks verband tussen de beroepswerkzaamheid en het bekomen voordeel.

Derhalve was het noodzakelijk om, net als op sociaal vlak, in het WIB 92 duidelijk te maken welke voordelen in hoofde van de werknemer of bedrijfsleider van belasting kunnen worden vrijgesteld. Deze vrijstelling wordt uitdrukkelijk opgenomen in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, WIB 92. De voorwaarden die moeten worden vervuld om de vrijstelling te bekomen, worden, gelet op het feit dat die bepalingen niet alleen betrekking hebben op maaltijdcheques maar ook op sport/cultuurcheques en de nieuwste vorm, de eco-cheques, opgenomen in een nieuw artikel 38/1, WIB 92.

3. Invoeging van artikel 38/1, WIB 92

a) Algemeen

Artikel 38/1, WIB 92 legt uitdrukkelijk uit onder welke voorwaarden de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de genoemde cheques als een vrijgesteld voordeel kan worden beschouwd. Tevens wordt aan de Koning een delegatie gegeven om de toepassingsmodaliteiten van deze bepaling vast te leggen. Het gaat hier om de meer praktische regels die ook in de sociale bepalingen zijn opgenomen.

b) Voorwaarden tot vrijstelling

- Maaltijdcheques :

Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de maaltijdcheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, WIB 92, kan worden beschouwd, moeten de maaltijdcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen:

1° de toekenning van de maaltijdcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak, of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers, voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° het aantal toegekende maaltijdcheques moet gelijk zijn aan het aantal werkelijke arbeidsdagen van de werknemer of bedrijfsleider;

de maaltijdcheque wordt op naam van de werknemer of bedrijfsleider afgeleverd;

4° de maaltijdcheque vermeldt duidelijk dat zijn geldigheidsduur beperkt is tot drie maanden en dat hij slechts mag worden gebruikt ter betaling van een eetmaal of voor de aankoop van verbruiksklare voeding;

5° de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in het bedrag van de maaltijdcheque mag ten hoogste 5,91 euro per maaltijdcheque bedragen;

de tussenkomst van de werknemer of de bedrijfsleider bedraagt ten minste 1,09 euro.

- Sport/cultuurcheques :

Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de sport/cultuurcheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, WIB 92, kan worden beschouwd, moeten de sport/cultuurcheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen:

1° de toekenning van de sport/cultuurcheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers, voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

de sport/cultuurcheque wordt op naam van de werknemer of de bedrijfsleider afgeleverd;

op de sport/cultuurcheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 15 maanden beperkt is, van 1 juli van het jaar tot 30 september van het volgende jaar;

4° het totale bedrag van de sport/cultuurcheques toegekend door de werkgever of de onderneming mag per werknemer of bedrijfsleider niet groter zijn dan 100 euro per jaar;

de sport/cultuurcheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld worden omgeruild.

- Eco-cheques :

Opdat de tussenkomst van de werkgever of de onderneming in de eco-cheques als een voordeel als bedoeld in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, kan worden beschouwd, moeten de eco-cheques terzelfder tijd aan alle volgende voorwaarden voldoen:

de toekenning van de eco-cheque moet vervat zijn in een collectieve arbeidsovereenkomst op sectorieel vlak of op ondernemingsvlak of, wanneer het afsluiten van een collectieve overeenkomst niet mogelijk is, in een geschreven individuele overeenkomst met dien verstande dat in een onderneming met werknemers, voor bedrijfsleiders dezelfde regeling moet gelden als voor werknemers;

2° de collectieve arbeidsovereenkomst of individuele overeenkomst bepaalt de hoogste nominale waarde van de eco-cheque, met een maximum van 10 euro per eco-cheque, evenals de frequentie van toekenning ervan gedurende een kalenderjaar;

de eco-cheque wordt op naam van de werknemer of de bedrijfsleider afgeleverd;

4° op de eco-cheque staat duidelijk vermeld dat zijn geldigheid tot 24 maanden beperkt is, vanaf de datum van zijn terbeschikkingstelling aan de werknemer of de bedrijfsleider en dat hij slechts mag worden aangewend voor de aankoop van producten en diensten met een ecologisch karakter als bedoeld in een collectieve arbeidsovereenkomst die is afgesloten in de Nationale Arbeidsraad;

de eco-cheques kunnen geheel noch gedeeltelijk voor geld worden omgeruild;

6° het totale bedrag van de eco-cheques toegekend door de werkgever of de onderneming mag per werknemer of bedrijfsleider niet groter zijn dan 125 euro per jaar.

Het bedrag van 125 euro per jaar waarvan sprake in wordt verhoogd tot 250 euro vanaf aj. 2011.

c) Toepassingsmodaliteiten

Een koninklijk besluit zal de toepassingsmodaliteiten van de voormelde maatregelen vastleggen.

4. Wijzigingen inzake artikel 53, 14°, WIB 92

Hoewel de voordelen bedoeld in artikel 38/1, WIB 92, niet meer bij de sociale voordelen worden gerekend, volgen ze dezelfde fiscale behandeling als de sociale voordelen. Om die reden wordt in artikel 53, 14°, WIB 92 verwezen naar de in artikel 38, § 1, eerste lid, 25°, WIB 92, bedoelde voordelen, waardoor die voordelen, net als de sociale voordelen, geen aftrekbare kost zijn voor de werkgevers of ondernemingen en zijn vrijgesteld in hoofde van de verkrijgers, met name in hoofde van de werknemers, gewezen werknemers of hun rechtverkrijgenden alsook in hoofde van de bedrijfsleiders, met dien verstande dat per maaltijdcheque 1 euro als beroepskost aftrekbaar is (bepaling die is ingevoegd bij artikel 7 van de economische herstelwet van 27-3-2009, BS 7-4-2009).

5. Wijzigingen inzake artikel 178, § 5, WIB 92

De niet-indexering van de verschillende bedragen die vermeld zijn in zowel artikel 38/1 als in artikel 53, 14°, WIB 92 is opgenomen in artikel 178, § 5, WIB 92.

C. Inwerkingtreding

De wijzigingen aan artikel 38, WIB 92 zijn van toepassing op de voordelen die vanaf 1-1-2009 worden verkregen.

De artikelen 38/1, 53, 14° en 178, § 5, WIB 92 zijn van toepassing vanaf aj. 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14°, WIB 92 wordt aangebracht, waardoor 1 EUR per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1-2- 2009.

Het totaalbedrag van de eco-cheques beoogd in artikel 38/1, § 4, 6°, WIB 92, wordt gebracht op 250 EUR vanaf aj. 2011.

III. AFTREKBARE BEROEPSKOSTEN - WERKGEVERSBIJDRAGEN EN -PREMIES

A. Wettekst

(…)

Art.10.Artikel 59, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt aangevuld als volgt:

"Om na te gaan of de in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde begrenzingen in acht genomen zijn, moeten de aldaar bedoelde uitkeringen die in kapitaal worden uitgekeerd, in rente worden omgezet met de gegevens van de door de Koning vastgelegde tabel die, zonder rekening te houden met overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 pct. per jaar te rekenen vanaf hun aanvang, voor onderscheiden leeftijden bij aanvang van de rente, het nodig geachte kapitaal vermeldt voor een per twaalfden na vervallen termijn betaalbare rente van 1 euro. Zo nodig, mogen de gegevens van de tabel worden aangepast om rekening te houden met de overdraagbaarheid of de indexering van de uitgestelde rente binnen de grens van 2 pct. per jaar te rekenen vanaf hun aanvang.

De uitkeringen die overeenkomen met reeds gepresteerde dienstjaren, kunnen worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies. De dienstjaren die buiten de onderneming werden gepresteerd, worden maximaal slechts ten beloop van 10 daadwerkelijk gepresteerde jaren in aanmerking genomen. Uitkeringen die slaan op maximaal 5 jaar van een tot de normale pensioenleeftijd nog uit te oefenen beroepswerkzaamheid kunnen eveneens worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies.".

(…)

Art.35.(...)

De artikelen 2, 4, 6, A, 9, 10, 23, tot 26, 30 en 33 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangebracht, waardoor 1 euro per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1 februari 2009.

(...)

B. Reglementaire bepaling

Koninklijk besluit van 2 juni 2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de begrenzing van de als beroepskosten aftrekbare bijdragen en -premies voor de vorming van een aanvullend pensioen

Artikel1.In artikel 35, § 3, van het KB/WIB 92, ingevoegd en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 1 maart 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

in het tweede lid worden de woorden "deze begrenzing" vervangen door de woorden "de in § 2, 2°, bepaalde begrenzing";

het derde lid wordt opgeheven.

Art.2. Artikel 1 heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2010.

C. Commentaar

De Raad van State heeft in het verleden reeds te kennen gegeven dat het de voorkeur verdiende om de bepalingen van artikel 35, § 3, tweede en derde lid, KB/WIB 92, en eventueel van wijzigingen die daaraan zouden moeten worden aangebracht, op te nemen in artikel 59, WIB 92, omdat die bepalingen en de eventuele wijzigingen niet helemaal in overeenstemming zijn met de aan de Koning gegeven delegatie in artikel 59, § 5, derde lid, WIB 92 om nog verenigbaar te blijven met artikel 172 van de Grondwet.

Daarom worden die bepalingen nu opgenomen in artikel 59, § 1, WIB 92. Die nieuwe bepalingen leggen uit hoe moet worden gehandeld wanneer is vastgelegd dat de uitkeringen onder de vorm van een kapitaal worden uitgekeerd. Verder wordt uiteengezet op welke wijze uitkeringen kunnen worden gefinancierd die rekening houden met reeds gepresteerde dienstjaren of met nog te presteren dienstjaren. Er wordt tevens uitdrukkelijk bepaald dat dergelijke uitkeringen kunnen worden gefinancierd onder de vorm van één of meerdere bijdragen of premies. De bepalingen van artikel 35, § 3, KB/WIB 92 zijn in die zin aangepast, door het onder B vermelde KB van 02-06-2010 (BS 08-06-2010).

D. Inwerkingtreding

De nieuwe bepalingen van artikel 59, § 1, WIB 92 en artikel 35, § 3, KB/WIB 92 zijn van toepassing vanaf aj. 2010.

IV. VERHOOGDE INVESTERINGSAFTREK VOOR BEVEILIGING VAN BEDRIJFSVOERTUIGEN

A. Wettekst

(…)

Art. 11. Artikel 69, § 1, eerste lid, 3º, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007 en 6 mei 2009, wordt aangevuld met de woorden « en van de in artikel 44bis, § 1, derde lid, bedoelde bedrijfsvoertuigen ».

(…)

Art.35.(...)

Artikel 11 is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan aanslagjaar 2010 of een later aanslagjaar.

(...)

B. Commentaar

Wat de maatregel inzake de verhoogde investeringsaftrek voor beveiliging van de beroepslokalen betreft, heeft de transportsector de duidelijke vraag gesteld of ook de beveiliging van het rollend materiaal (vrachtwagens, opleggers, enz.) in aanmerking komt voor die investeringsaftrek.

De wetgever heeft beslist om voor de bedrijfsvoertuigen, andere dan de personenauto’s, auto’s voor dubbel gebruik en minibussen, een verhoogde investeringsaftrek toe te staan voor de investeringen die worden gedaan om die voertuigen te beveiligen.

Het spreekt voor zich dat de regels die van toepassing zijn op de investeringsaftrek ook voor deze investeringen ten volle gelden en dat uitgaven die onmiddellijk in kosten worden geboekt niet in aanmerking komen voor de investeringsaftrek. Sommige van die kosten kunnen dan eventueel in aanmerking komen voor de aftrek aan 120 pct. van de desbetreffende uitgaven voor zover ze binnen de toepassingssfeer van artikel 64ter, WIB 92 vallen.

C. Inwerkingtreding

Deze wijziging is van toepassing op de vaste activa die zijn verkregen of tot stand gebracht tijdens een belastbaar tijdperk dat is verbonden aan aj. 2010 of een later aj.

V. GIFTEN

A. Wettekst

(…)

Art.13.In artikel 104 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

a) in de bepaling onder 3°, a, worden de woorden "of aan de erkende universitaire ziekenhuizen" vervangen door de woorden ", aan de erkende universitaire ziekenhuizen of aan gelijkwaardige instellingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte";

b) in de bepaling onder 3°, b, worden de woorden “of aan gelijkwaardige instellingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op een vergelijkbare wijze zijn erkend, ” ingevoegd tussen de woorden "de programmatie inzake wetenschap behoren, " en de woorden "uitgezonderd de instellingen die rechtstreeks verbonden zijn met een politieke partij of lijst;";

c) de bepaling opgenomen onder 3°, d, wordt vervangen als volgt:

"d) aan door de Koning erkende culturele instellingen die in België zijn gevestigd en waarvan het invloedsgebied één van de gemeenschappen of het gehele land bestrijkt, of aan culturele instellingen die in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte gevestigd zijn, waarvan het invloedsgebied een deelstaat of een gewest van de betrokken Staat of het gehele land bestrijkt en die op een vergelijkbare wijze zijn erkend;";

d) de bepaling onder 3°, e, wordt aangevuld met de woorden "of aan gelijkwaardige instellingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op een vergelijkbare wijze zijn erkend";

e) de bepaling onder 3°, f, wordt vervangen als volgt:

‘f) aan het Rode Kruis van België of aan een nationale afdeling van het Rode Kruis in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, en aan de Koning Boudewijnstichting, aan het Europees Centrum voor Vermiste en Seksueel Uitgebuite Kinderen - België - Stichting naar Belgisch recht, aan het Paleis voor Schone Kunsten en aan de Koninklijke Muntschouwburg;";

f) de bepalingen onder 3°, g tot j, l en 4°, worden telkens aangevuld met woorden “of aan gelijkwaardige instellingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op een vergelijkbare wijze zijn erkend”;

g) de bepaling onder 3°, k, wordt aangevuld met de woorden "of aan gelijkwaardige verenigingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op een vergelijkbare wijze zijn erkend";

h) de bepaling onder 4°bis, wordt aangevuld met de woorden "of aan gelijkwaardige verenigingen of instellingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte die op een vergelijkbare wijze zijn erkend";

i) in de bepaling onder 8° worden de woorden "of volgens een gelijkaardige wetgeving in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte" ingevoegd tussen de woorden "de wetgeving op het behoud van Monumenten en Landschappen" en de woorden ", heeft gedaan".

Art. 14. Artikel 108 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 22 december 1998, wordt aangevuld met een lid, luidende:

"Wat de giften bedoeld in artikel 104, 3° tot 4°bis, aan verenigingen of instellingen uit een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte betreft, moet de belastingplichtige het bewijs ter beschikking houden van de administratie dat de vereniging of instelling uit een andere lidstaat gelijkwaardig is aan een in hetzelfde artikel bedoelde Belgische vereniging of instelling en, in voorkomend geval, dat de vereniging of instelling uit een andere lidstaat op vergelijkbare wijze is erkend, dit wil zeggen volgens dezelfde voorwaarden als de in artikel 110, eerste en tweede lid, bedoelde voorwaarden.".

Art. 15. Artikel 110 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 februari 1995 en gewijzigd bij de wetten van 14 juli 1997, 22 december 1998, 22 december 2003 en 16 november 2004, wordt vervangen als volgt:

"Art. 110. De Koning bepaalt de voorwaarden en de wijze waarop de in artikel 104, 3°, b, d, e, g, i tot l, en 4°bis, vermelde verenigingen en instellingen die in België zijn gevestigd, worden erkend.

Wanneer een vereniging of instelling meer dan één van de in de voornoemde bepalingen vermelde activiteiten uitoefent, moet zij, voor elk van die activiteiten, voldoen aan de voorwaarden om te kunnen worden erkend.

Wanneer de vereniging of instelling binnen haar activiteiten één activiteit uitoefent die wordt vermeld in artikel 104, 3°, d of j, moet zij door de Koning worden erkend.".

(…)

Art.35(...)

De artikelen 13 en 14 zijn van toepassing op de giften die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2009. Artikel 15 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2009.

(…)

B. Commentaar

1. Wijzigingen aan artikel 104, WIB 92

a) Opname van de Koninklijke Muntschouwburg in artikel 104, 3°, f, WIB 92

Er bestaat geen enkele twijfel over het feit dat de Koninklijke Muntschouwburg een culturele instelling is waarvan het invloedsgebied het gehele land bestrijkt. Het feit dat in de wet van 19 april 1963 tot oprichting van een openbare instelling genaamd Koninklijke Muntschouwburg bij haar opdracht werd bepaald dat ze zowel in eigen land als in het buitenland werkzaam is, vormt evenwel een probleem om door de Koning te worden erkend als culturele instelling beoogd in artikel 104, 3°, d, WIB 92.

Daarom wordt de Koninklijke Muntschouwburg in de wet zelf opgenomen als instelling beoogd in artikel 104, 3°, f, WIB 92. Op die wijze kunnen de giften gedaan aan de Koninklijke Muntschouwburg voortaan worden afgetrokken van het totale netto-inkomen van natuurlijke personen of van de winst van vennootschappen.

b) anpassing van de Belgische belastingwetgeving aan het Europees Verdrag

Artikel 104, WIB 92 is verder nog gewijzigd omwille van het gemotiveerd advies vanwege de Commissie van de Europese Gemeenschappen betreffende de onverenigbaarheid van de Belgische belastingwetgeving met het Europees Verdrag inzake de aftrekbaarheid van giften aan niet in België gevestigde instellingen.

Wat dat gemotiveerde advies betreft, werd een eerste verbetering aangebracht aan artikel 104, 3°, d, WIB 92 door de wet van 22 december 2008 houdende diverse bepalingen (I). Uit een eerste informele reactie van de Europese Commissie is gebleken dat die wijziging nog niet voldoende was. De commissie verwijst in die zin naar een arrest van het Europees hof van Justitie van 27 januari 2009 inzake Persche, waarin wordt gesteld dat een instelling die in een lidstaat is gevestigd en voldoet aan de door een andere lidstaat voor de toekenning van fiscale voordelen gestelde voorwaarden, met het oog op de toekenning door laatstgenoemde lidstaat van fiscale voordelen ter bevordering van de betrokken activiteiten van algemeen nut, namelijk in een situatie verkeert die vergelijkbaar is met die van de als van algemeen nut erkende instellingen die in laatstgenoemde lidstaat zijn gevestigd (zie overweging 50 van het arrest).

Tengevolge van dat arrest, is geoordeeld dat er geen argumenten meer zijn om de aftrek van giften aan gelijkwaardige verenigingen of instellingen gevestigd in andere lidstaten van de Europese Economische Ruimte te weigeren. Op verschillende plaatsen in artikel 104, WIB 92, met inbegrip van het recent gewijzigde 3°, d, wordt dan ook een wijziging aangebracht die toelaat ook giften te doen aan gelijkwaardige instellingen gevestigd in een andere Lidstaat van de Europese Economische Ruimte die eventueel op een vergelijkbare wijze zijn erkend. Deze bepaling moet een gelijke behandeling waarborgen ongeacht de plaats waar de begiftigde instelling is gevestigd binnen de genoemde Ruimte.

2. Wijzigingen aan artikel 108, WIB 92.

Artikel 108, WIB 92 wordt gewijzigd teneinde controlemaatregelen te verduidelijken ten aanzien van de giften die worden gestort aan buitenlandse instellingen.

Aangezien de Belgische overheid geen verplichtingen kan opleggen aan buitenlandse instellingen, wordt aan de betrokken belastingplichtige de verplichting opgelegd de nodige bewijsstukken ter beschikking te houden van de administratie. Het gaat hier inzonderheid om de bewijsstukken omtrent de aard van de begiftigde instelling (culturele instelling, enz.), het eventueel erkend zijn van die instelling in het land van vestiging om giften in het hier bedoelde kader te ontvangen volgens dezelfde voorwaarden als deze vereist voor de erkenning van Belgische instellingen, en de bewijsstukken inzake de effectieve betaling van de gift.

Bovendien stelt het Europese hof van Justitie in het reeds aangehaalde arrest “Persche” dat niets de betrokken belastingautoriteiten belet om van de belastingplichtige de bewijzen te verlangen die zij noodzakelijk achten om te beoordelen of is voldaan aan de in de betrokken wettelijke regeling gestelde voorwaarden voor aftrekbaarheid van de uitgaven, en bijgevolg of de gevraagde aftrek al dan niet moet worden toegestaan (zie overweging 54 van dat arrest). De hier gevraagde verantwoording is derhalve in overeenstemming met wat het Europese Hof als aanvaardbaar omschrijft. Daarom wordt het nuttig geacht in artikel 108, WIB 92 uitdrukkelijk te vermelden op welke manier er sprake kan zijn van een “erkenning op vergelijkbare wijze” door middel van de verwijzing naar de bepalingen van artikel 110, WIB 92 met betrekking tot de na te leven voorwaarden, met dien verstande dat het derde lid van dit laatste artikel ingevolge het geciteerde arrest niet van toepassing kan zijn.

3. Wijzigingen aan artikel 110, WIB 92

Vele onbaatzuchtige verenigingen en instellingen zijn op meer dan één terrein actief. Deze toestand vormt evenwel een probleem inzake de erkenning van een dergelijke vereniging of instelling in het kader van artikel 104, 3°, b, d, e, g, i tot l, 4° of bis, WIB 92.

Voorheen kon een vereniging of een instelling slechts worden erkend wanneer zij zich tot één welomschreven activiteit beperkte. Daarom is beslist om het mogelijk te maken dat een vereniging of een instelling wordt erkend zelfs als ze meer dan één activiteit verricht. In dat geval moet de vereniging of de instelling opdat ze zou kunnen worden erkend, per activiteit, alle vereiste voorwaarden vervullen.

Tot slot moet nog worden gezegd dat, wanneer een van de activiteiten van een vereniging of instelling onder de toepassing van artikel 104, 3°, d of j, WIB 92 valt, met name culturele instellingen of instellingen die het behoud van monumenten en landschappen ten doel hebben, die vereniging of instelling verplicht door de Koning moet worden erkend.

C. Inwerkingtreding.

De wijzigingen aan de artikelen 104 en 108, WIB 92 zijn van toepassing op de giften en uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1-1-2009.

De aanpassing van artikel 110, WIB 92 heeft uitwerking m.i.v. 1-1-2009.

VI. DIVERSE INKOMSTEN - BELASTINGSTELSEL VOOR PERSOONLIJKE VERGOEDINGEN UIT DE EXPLOITATIE VAN EEN UITVINDING

A. Wettekst

(…)

Art.16.In artikel 127, 2º, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden "in artikel 90, tot 4º;" vervangen door de woorden "in artikel 90, tot 4º, en 12º;".

(…)

Art. 35. Artikel 16 heeft uitwerking vanaf aanslagjaar 2009. (...)

B. Commentaar

De wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 8 mei 2007 – 3de editie) heeft een specifiek belastingstelsel ingevoerd voor de persoonlijke vergoedingen uit de exploitatie van een uitvinding die aan onderzoekers worden betaald. Deze vergoedingen zijn diverse inkomsten (artikel 90, 12°, WIB 92), waarop een forfaitaire kost van 10 pct. wordt toegekend (artikel 102bis, WIB 92) en die afzonderlijk belastbaar zijn aan 33 pct. (artikel 171, 1°, a, WIB 92).

Gelet op de persoonlijke aard van deze vergoedingen, is geoordeeld dat ze, net als de prijzen en subsidies aan geleerden, schrijvers en kunstenaars (artikel 90, 2°, WIB 92), in beginsel deel moeten uitmaken van het netto-inkomen van de echtgenoot aan wie ze worden betaald of toegekend. De vergoedingen worden dan ook toegevoegd aan de in artikel 127, 2°, WIB 92 bedoelde inkomsten.

C. Inwerkingtreding

De wijziging aan artikel 127, 2°, WIB 92 heeft uitwerking vanaf aj. 2009.

VII. SOCIALE DIENSTENCHEQUES

A. Wettekst

(…)

Art.17.Het opschrift van titel II, hoofdstuk III, afdeling I, onderafdeling IIquater, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2001, wordt aangevuld met de woorden “andere dan sociale dienstencheques”.

Art. 18. In artikel 145^21 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 21 december 1994 en gewijzigd bij de wet van 7 april 1999, de koninklijke besluiten van 20 juli 2000 en 13 juli 2001, de wet van 20 juli 2001 en de programmawet van 22 december 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en –banen, andere dan sociale dienstencheques.";

2º in het derde lid worden de woorden "de in het eerste lid bedoelde" ingevoegd tussen de woorden "betaald met" en het woord "dienstencheques";

3º in het vierde lid worden de woorden "de dienstencheques bedoeld in de wet van 20 juli 2001 tot bevordering van buurtdiensten en –banen" vervangen door de woorden "de in het eerste lid bedoelde dienstencheques".

(…)

Art.35. (...)

De artikelen 17 en 18 zijn van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1 januari 2009. (…)

B. Commentaar

Door de programmawet van 17-6-2009 is de wettelijke basis gelegd om een stelsel van sociale dienstencheques in te voeren. Op die manier wordt aan bepaalde categorieën van de bevolking met een laag inkomen de kans gegeven om tegen een prijs die gelijk is aan of lager dan die van normale dienstencheques na belastingvermindering of belastingkrediet, een beroep te doen op het dienstenchequestelsel. Het is dan ook logisch om de sociale dienstencheques uit te sluiten van het voordeel van de belastingvermindering (programmawet van 17-6-2009, Verslag namens de commissie voor sociale zaken, Doc 52 1967/008, p. 4). Daartoe wordt artikel 145^21, eerste lid, WIB 92 aangepast.

C. Inwerkingtreding

Deze maatregel is van toepassing op de uitgaven die werkelijk zijn betaald vanaf 1-1-2009.

VIII. VERMINDERING VOOR DE UITGAVEN MET HET OOG OP DE VERWERVING VAN EEN ELEKTRISCH VOERTUIG

A. Wettekst

(…)

Art.19.Het opschrift van titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling IInonies, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 9 juli 2004 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt :

"Onderafdeling IInonies. Vermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving van een elektrisch voertuig".

Art. 20. Artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 27 april 2007, wordt hersteld als volgt :

"Art. 145^28. § 1. Er wordt een belastingvermindering verleend voor de uitgaven die werkelijk zijn betaald gedurende het belastbaar tijdperk met het oog op de verwerving in nieuwe staat van een motorfiets, driewieler of vierwieler zoals omschreven in de reglementering inzake inschrijving van motorvoertuigen op voorwaarde dat :

a) ze uitsluitend worden aangedreven door een elektrische motor;

b) ze geschikt zijn voor het vervoer van tenminste twee personen;

c) voor de besturing ervan het bezit van een Belgisch rijbewijs geldig voor voertuigen van categorie A of B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is.

De belastingvermindering is niet van toepassing op de uitgaven die in aanmerking komen voor de toepassing van de korting op factuur bedoeld in artikel 147 van de programmawet van 27 april 2007.

De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aanschaffingswaarde met een maximum van :

- 3 280 euro in geval van aanschaffing van een vierwieler;

- 2 000 euro in geval van aanschaffing van een motorfiets of een driewieler.

§ 2. De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van de belastingvermindering, evenals de wijze waarop het bewijs wordt geleverd dat het voertuig voldoet aan de hiervoor vermelde voorwaarden.

(…)

Art.35. (...)

De artikelen 19 en 20 zijn vanaf 1 januari 2010 van toepassing in geval van verwerving van een elektrisch voertuig als bedoeld in artikel 145^28 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zoals het is hersteld door artikel 20 van deze wet.

(...)

B. Reglementaire bepaling

Koninklijk besluit van 8 maart 2010 tot wijziging van het KB/WIB 92 inzake de belastingvermindering voor de uitgaven met het oog op de verwerving in nieuwe staat van een elektrisch voertuig

Artikel 1. In hoofdstuk I van het KB/WIB 92, wordt afdeling XXVnonies, dat het artikel 63^13 bevat, opgeheven bij koninklijk besluit van 27 januari 2009, hersteld als volgt :

"Afdeling XXVnonies. - Vermindering voor de uitgaven met het oog op het verwerven in nieuwe staat van een elektrisch voertuig (Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, artikel 145^28)

Art. 63^13. § 1. Onder een in nieuwe staat verworven elektrische voertuig als bedoeld in artikel 145^28, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, moet worden verstaan, het voertuig dat nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland op de datum die is vermeld op de aankoopfaktuur van het voertuig.

§ 2. De uitgaven beoogd in artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek worden slechts in aanmerking genomen voor de in dat artikel bedoelde belastingvermindering wanneer de factuur afgeleverd door de verkoper de volgende formule bevat :

"Verklaring in toepassing van artikel 63^13 van het KB/WIB 92 betreffende een elektrisch voertuig beoogd in artikel 145^28 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Ik ondergetekende …… bevestig dat het voertuig beschreven in deze factuur nog niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een inschrijving in België of in het buitenland, en dat het beantwoordt aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 145^28 van het genoemde Wetboek."

§ 3. De belastingplichtige die de in artikel 145^28 van hetzelfde Wetboek beoogde belastingvermindering vraagt, moet de volgende documenten ter beschikking van de Federale Overheidsdienst Financiën houden:

- de aankoopfactuur van het voertuig waarvoor de belastingvermindering wordt gevraagd;

- het bewijs van betaling van het bedrag voorkomend op die factuur. "

Art. 2. Dit besluit is van toepassing in geval van verwerving van een elektrisch voertuig in nieuwe staat beoogd in artikel 1 vanaf 1 januari 2010.

Evenwel mag, voor de uitgaven bedoeld in artikel 63^13, § 2, van het KB/WIB 92, gedaan sinds 1 januari 2010 en tot de bekendmaking van dit koninklijk besluit, de beoogde formule worden opgenomen in een door de verkoper ondertekend afzonderlijk attest.

(…)

C. Commentaar

1. Algemeen

Vandaag is men er zich meer en meer van bewust dat het verkeer voor een aanzienlijk deel verantwoordelijk is voor de toenemende luchtvervuiling in onze steden, met kwalijke gevolgen zowel op lokaal niveau, waar de giftige uitstoot schadelijke gevolgen heeft voor onze gezondheid en omgeving, als op wereldniveau waar het broeikaseffect ons klimaat ongunstig beïnvloedt. Ondanks inspanningen om de uitstoot te verminderen, schaadt het verkeer ons milieu alle dagen meer.

De steeds strenger wordende emissienormen voor voertuigen dwingen de automobielindustrie om de milieu-impact van conventionele diesel- en benzinevoertuigen te reduceren door gebruik te maken van nieuwe technologieën (roetfilters, verbeterde motoren, katalysatoren, enz.).

Naast deze verbeterde conventionele voertuigen, vormen voertuigen met alternatieve aandrijftechnologieën (elektrische voertuigen met batterij) een aantrekkelijke oplossing om een milieuvriendelijker Belgisch wagenpark te bewerkstelligen. Elektrische voertuigen hebben als voordeel dat ze erg weinig lawaai maken en geen uitlaatgassen uitstoten.

De aankoop van elektrische voertuigen moet dan ook sterker worden aangemoedigd.

Artikel 145^28, WIB 92, wordt hersteld teneinde een belastingvermindering toe te kennen voor de verwerving in nieuwe staat van voertuigen uitsluitend aangedreven door een elektrische motor.

2. Bedoelde voertuigen

De regering stelt voor om de belastingvermindering te verlenen voor de aanschaf van de voertuigen die worden bedoeld in artikel 1, 6°, b, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, dit wil zeggen, de motorfietsen, driewielers of vierwielers, waarvoor een rijbewijs A of B of een gelijkwaardig Europees of buitenlands rijbewijs vereist is voor de besturing ervan en die geschikt zijn voor het vervoer van tenminste twee personen.

3. Bedrag van de belastingvermindering

De belastingvermindering is gelijk aan 15 pct. van de aankoopprijs van het voertuig. Deze vermindering wordt beperkt tot een bedrag van 3.280 EUR (niet-geïndexeerd) wanneer een elektrische vierwieler wordt verworven en tot een bedrag van 2.000 EUR (niet-geïndexeerd) bij aankoop van een elektrische motorfiets of driewieler.

4. Toepassingsmodaliteiten

Het onder B vermelde KB van 8-3-2010 (BS 12-3-2010) heeft de toepassingsmodaliteiten van deze belastingvermindering vastgelegd evenals de wijze waarop het bewijs wordt geleverd dat de opgelegde voorwaarden voor die voertuigen zijn vervuld.

D. Inwerkingtreding

Deze maatregel is van toepassing vanaf 1-1-2010 in geval van verwerving van een elektrisch voertuig als bedoeld in artikel 145^28 WIB 92, zoals het is hersteld door artikel 20 van deze wet.

IX. BELASTINGVERMINDERING VOOR WERKLOOSHEIDSUITKERINGEN

A. Wettekst

(…)

Art. 23. In artikel 147 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005, 20 juli 2006, 27 december 2006, 17 mei 2007 en 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

a) in het eerste lid worden de bepalingen onder en opgeheven;

b) in het eerste lid wordt de bepaling onder vervangen als volgt :

"7º als het netto-inkomen uitsluitend uit werkloosheidsuitkeringen bestaat : 1344,57 euro;"

c) in het eerste lid worden in de bepaling onder 8º de woorden “werkloosheidsuitkeringen, met uitsluiting van de in bedoelde werkloosheidsuitkeringen”, telkens vervangen door het woord “werkloosheidsuitkeringen” en worden de woorden “van de in 7º vermelde bedragen, ” vervangen door de woorden “van het in 7º bedoelde bedrag, ”;

d) het derde lid wordt opgeheven.

Art. 24. In artikel 150 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wetten van 23 december 2005 en 27 maart 2009, worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het eerste lid worden de woorden, “met uitzondering van de vermindering voor werkloosheidsuitkeringen als bedoeld in artikel 147, eerste lid, en 8º”, opgeheven;

het tweede en derde lid worden opgeheven.

Art. 25. In artikel 151 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 augustus 2001 en gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de woorden “bedoeld in artikel 147, eerste lid, 5º tot 8º” opgeheven.

(…)

Art33. In artikel 243 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij de wet van 27 maart 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in het tweede lid worden in de bepaling onder 1º de woorden “de in artikel 147, eerste lid, 1º, 5º en 7º, bedoelde bedragen” vervangen door de woorden “de in artikel 147, eerste lid, 1º en 7º, bedoelde bedragen”;

2º het derde lid wordt opgeheven.

(…)

Art. 35. (...)

De artikelen 2, 4, 6, A, 9, 10, 23, tot 26, 30 en 33 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangebracht, waardoor 1 euro per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1 februari 2009.

(…)

B. Commentaar

Door de wet van 10 augustus 2001 houdende hervorming van de personenbelasting werd het principe van de volledige decumul in de personenbelasting ingevoerd in geval van een gemeenschappelijke aanslag en dit vanaf aj. 2005 . Deze fiscale hervorming had immers onder meer tot doel een belastingsysteem te ontwikkelen dat neutraal is ten aanzien van de samenlevingsvorm en maatregelen die ongunstig zijn voor gehuwden te schrappen. De wetgever was immers van oordeel dat een verschil in belastingdruk tussen gehuwde koppels en samenwonenden niet gerechtvaardigd was. (Parl. St., Kamer, 2000-2001, DOC 50-1270/001, pp. 6-7).

Ook voor de berekening van de belastingverminderingen voor vervangingsinkomsten worden de inkomsten van gehuwden en wettelijk samenwonenden vanaf aj. 2005 in principe afzonderlijk in aanmerking genomen. Dat geldt echter niet voor de berekening van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen. Daarvoor worden de inkomsten van de gehuwden en wettelijk samenwonenden immers nog steeds samengevoegd. Ter compensatie geldt in geval van een gemeenschappelijke aanslag een hoger basisbedrag van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen.

In zijn arrest nr. 65/2009 van 2 april 2009 oordeelde het Grondwettelijk Hof echter dat de samenvoeging van de inkomsten van gehuwde of wettelijk samenwonende belastingplichtigen voor de toepassing van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen zoals voorzien in de belastingwetgeving niet in overeenstemming is met de Grondwet. Het Hof is van oordeel dat het verschil in behandeling tussen gehuwden en wettelijk samenwonende werklozen enerzijds en feitelijk samenwonende werklozen anderzijds niet redelijk wordt verantwoord door het streven naar een actieve welvaartstaat. Volgens het Hof kan de wijze van samenleving het streven naar re-integratie op de arbeidsmarkt niet beïnvloeden (punt III B.5. van het arrest nr. 65/2009 van 2 april 2009).

Ingevolge de Economische herstelwet van 27 maart 2009 worden de inkomsten van gehuwden en wettelijk samenwonenden voor de berekening van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen ingevolge tijdelijke werkloosheid vanaf aj. 2010 reeds afzonderlijk in aanmerking genomen. Ten gevolge van het voormeld arrest van het Grondwettelijk Hof is het WIB 92 aangepast zodat vanaf aj. 2010 de belastingvermindering voor alle werkloosheidsuitkeringen steeds per belastingplichtige wordt berekend.

Daartoe worden volgende wijzigingen doorgevoerd :

in artikel 147, eerste lid, 7°, WIB 92 wordt één enkel basisbedrag behouden voor de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen, 1 344,57 euro. Dit bedrag geldt in geval van een gemeenschappelijke aanslag per echtgenoot ;

2° de specifieke bepalingen inzake de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen ingevolge tijdelijke werkloosheid worden opgeheven en de verwijzingen ernaar worden geschrapt;

in artikel 150, WIB 92:

- wordt in het eerste lid het principe van de berekening per echtgenoot voor alle belastingverminderingen ingeschreven en;

- worden het tweede en derde lid die de samenvoeging van de inkomsten van beide echtgenoten voor de berekening van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen in geval van een gemeenschappelijke aanslag omschrijven, opgeheven;

4° in artikel 243 WIB 92 worden de nodige wijzigingen aangebracht zodat de gedecumuleerde berekening van de belastingvermindering voor werkloosheidsuitkeringen ook geldt voor niet met rijksinwoners gelijkgestelde belastingplichtigen in de BNI.

C. Inwerkingtreding

Deze maatregel is van toepassing vanaf aj. 2010.

X. INKOMSTEN VAN EUROPESE PARLEMENTSLEDEN

A. Wettekst

(…)

Art.26.Artikel 155, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 augustus 2001 en 27 december 2005, wordt vervangen als volgt :

"Dit is eveneens het geval voor :

- inkomsten vrijgesteld krachtens andere internationale verdragen of akkoorden, voor zover zij een clausule van progressievoorbehoud bevatten;

- beroepsinkomsten betaald of toegekend aan leden en voormalige leden van het Europees Parlement of hun rechthebbenden en die worden onderworpen aan de Europese Gemeenschapsbelasting.".

(…)

Art. 35. (...) De artikelen 2, 4, 6, A, 9, 10, 23, tot 26, 30 en 33 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangebracht, waardoor 1 euro per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1 februari 2009.

(...)

B. Commentaar

In september 2005 heeft het Europees Parlement het nieuwe statuut van de leden van het Europees Parlement goedgekeurd. Dit nieuw statuut wil de gelijkheid tussen de Europese Parlementsleden uit alle lidstaten van de Europese Unie bevorderen door hen in financieel, sociaal en juridisch opzicht op gelijke wijze te behandelen.

Zo worden de leden van het Europees Parlement vanaf juli 2009 in beginsel niet langer betaald door hun nationale overheden, maar ontvangen ze een bezoldiging (Europese terminologie; internrechtelijk gekwalificeerd als een baat bij toepassing van artikel 27, tweede lid, 5°, WIB 92) ten laste van de begroting van de Europese Unie. Het belastingstelsel van deze bezoldigingen wordt geregeld in artikel 12 van het nieuwe statuut. De bezoldigingen worden aan een Europese Gemeenschapsbelasting onderworpen. Elke lidstaat kan de bezoldigingen van zijn Europese Parlementsleden echter ook onderwerpen aan het nationale belastingrecht, maar moet hierbij dubbele belastingheffing vermijden.

De Belgische regering opteert niet voor het heffen van een bijkomende belasting op de Europese vergoedingen, maar maakt wel gebruik van de mogelijkheid om een vrijstelling onder progressievoorbehoud toe te passen, die expliciet is vastgelegd in het nieuwe statuut. Vermits het nieuwe statuut van de Europese Parlementsleden en bijgevolg ook de clausule inzake progressievoorbehoud niet is opgenomen in een internationaal verdrag of akkoord, is een aanpassing van artikel 155, WIB 92 in die zin noodzakelijk.

De Europese Unie betaalt onder het nieuwe statuut niet enkel de bezoldigingen van de Europese Parlementsleden, maar ook overbruggingstoelagen, pensioenen en overlevingspensioenen aan voormalige Parlementsleden of hun nabestaanden. Deze uitkeringen worden ook onderworpen aan de Europese Gemeenschapsbelasting en komen derhalve eveneens in aanmerking voor de vrijstelling onder progressievoorbehoud.

C. Inwerkingtreding

De aanpassing van artikel 155, 2de lid, WIB 92 is van toepassing vanaf aj. 2010.

XI. FISCAAL STELSEL VAN DE BEZOLDIGDE SPORTBEOEFENAARS

A. Wettekst

(…)

Art.28.In artikel 171 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

de inleidende zin van de bepaling onder 1º, i, wordt als volgt vervangen :

“i) de beroepsinkomsten, met uitzondering van de bezoldigingen van bedrijfsleiders, voor een maximumbedrag van 12300 euro bruto per belastbaar tijdperk die worden betaald of toegekend aan :”; in de bepaling onder 1º, i, worden de woorden “uit hoofde van” telkens vervangen door het woord “voor”;

3º in de bepaling onder 1º, i, in fine, worden de woorden “uit hun voornoemde activiteit als sportbeoefenaar, scheidsrechter, opleider, trainer of begeleider.” vervangen door de woorden “uit het geheel van hun voornoemde activiteiten in de sportsector.”;

4º in de bepaling onder 4º, j, worden de woorden “de bezoldigingen” vervangen door de woorden “de in artikel 30, 1º, bedoelde bezoldigingen” en de woorden “een maximumbedrag van 12300 euro” door de woorden “een maximumbedrag van 12300 euro bruto”.

Art. 29.Artikel 172 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt aangevuld met een lid, luidende :

“Wanneer de inkomsten bedoeld in artikel 171, 1º, i, en 4º, j, uit verschillende bestanddelen bestaan, wordt elk van die bestanddelen verhoudingsgewijs aangerekend op het bruto bedrag van 12300 euro en vervolgens wordt het niet aangerekende saldo belast overeenkomstig het fiscaal regime dat op elk van deze bestanddelen van toepassing is.”.

(…)

Art.35. (...) Artikel 28, 2º, is van toepassing op de inkomsten die zijn betaald of toegekend vanaf 1 januari 2008.

(...)

De artikelen 28, 1º, en 4º, 29, 31, 32 en 34, A, zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2009 worden betaald of toegekend.

(...)

B. Commentaar

Door de wet van 4 mei 2007 betreffende het fiscaal statuut van de bezoldigde sportbeoefenaars, werden in artikel 171, WIB 92 twee bepalingen ingeschreven die in een afzonderlijke taxatie van bepaalde inkomsten uit activiteiten als sportbeoefenaar, als begeleider of opleider van sportbeoefenaars of als scheidsrechter voorzien. Alhoewel het nergens in de voorbereidende werkzaamheden expliciet wordt gesteld, had de wetgever zonder twijfel met de notie "bezoldigingen" de bezoldigingen van werknemers voor ogen. Bovendien wordt er in de toelichting enkel gesproken over inkomsten die worden toegekend door "clubs" en is de maatregel vooral bedoeld om het geld in de "clubs" te houden en zo de “clubs” te helpen om hun opleidingsrol bij jongeren te vervullen (DOC 51-2787/001, p. 6).

De bedoeling van de afzonderlijke taxatie tegen 33 pct. van de inkomsten van begeleiders, opleiders, scheidsrechters, is dat “de vergoedingen van de vrijwilligers die de spil zijn van de sportsector, niet meer globaal worden belast met de inkomsten die ze uit hun voornaamste beroepsactiviteit verkrijgen” en op die manier “alle belastingplichtigen en ook de clubs en federaties waarin ze actief zijn, ertoe aan te moedigen om hun fiscale toestand te regulariseren en uit de “grijze” zone te komen waarin ze zich vandaag al te vaak bevinden” (DOC 51-2787/001, p. 8). Begeleiders, opleiders … die hun activiteiten via een vennootschap uitoefenen kunnen bezwaarlijk als "vrijwilligers" worden beschouwd en werden dus klaarblijkelijk niet geviseerd.

Om beter aan te sluiten bij de bedoeling van de wetgever, wordt het voordeel van de afzonderlijke belastingheffing aan 33 pct. beperkt tot de eerste inkomensschijf van 12.300 euro bruto (te indexeren basisbedrag), in navolging van wat reeds is voorzien voor de jonge sportbeoefenaars in artikel 171, 4°, j, WIB 92.

Na indexering komt dit bruto bedrag ongeveer overeen met het gewaarborgd minimumloon van een betaalde sportbeoefenaar dat wordt bepaald door het Nationaal Paritair Comité voor de sport. Met het oog op vereenvoudiging, wordt om de voorwaarde na te gaan of de inkomsten betrekking hebben op een nevenactiviteit, de vergelijking met de hoofdactiviteit niet langer gemaakt per activiteit als sportbeoefenaar, opleider of begeleider, maar wel met het totaal bedrag aan inkomsten dat werd behaald uit alle sportgerelateerde activiteiten.

Verder wordt er nog een vertaalfout in de Nederlandse tekst verbeterd.

Er wordt eveneens bevestigt dat de jonge sporters die worden bedoeld in artikel 171, 4°, j, WIB 92, enkel diegenen zijn die bezoldigingen van werknemers als bedoeld in artikel 30, 1°, van hetzelfde Wetboek ontvangen.

Artikel 172, WIB 92 wordt aangevuld om te verduidelijken dat wanneer de inkomsten als sportbeoefenaar en daarmee gelijkgestelde inkomsten, uit meerdere verschillende bestanddelen bestaan zoals bv. vervroegd vakantiegeld, achterstallen, opzegvergoedingen en gewone bezoldigingen, elk van deze bestanddelen verhoudingsgewijs wordt aangerekend op het bedrag van 12.300 EUR en dat vervolgens het saldo van elk van die bestanddelen wordt belast volgens het eigen, specifieke belastingstelsel.

C. Inwerkingtreding

De wijzigingen aangebracht aan artikel 171, WIB 92 en de toevoeging aan artikel 172, WIB 92 zijn van toepassing op de inkomsten betaald of toegekend vanaf 1-1-2009, behalve de wijziging aan de terminologie van de Nederlandse tekst van artikel, 171, 1°, i), WIB 92 dat van toepassing is op de inkomsten betaald of toegekend vanaf 1-1-2008.

XII. PENSIOENEN VAN NIET-INWONERS

A. Wettekst

(…)

Art. 31. In artikel 228, § 2, van het hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 6 juli 1994 en 30 januari 1996, bij het koninklijk besluit van 20 december 1996 en bij de wetten van 22 december 1998, 15 december 2004, 25 april 2006, 25 april 2007, 11 december 2008 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º in de aanhef van de bepaling onder 6º, worden de woorden “in artikel 23, § 1, 4º en 5º, vermelde bezoldigingen, pensioenen, renten en toelagen, ” vervangen door de woorden “in artikel 23, § 1, 4º, vermelde bezoldigingen”;

er wordt een bepaling onder 7ºbis ingevoegd, die luidt als volgt :

“ 7ºbis de in artikel 23, § 1, 5º, bedoelde pensioenen, renten en toelagen die worden betaald of toegekend door :

a) een rijksinwoner;

b) een binnenlandse vennootschap of een vereniging, instelling of lichaam met maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België;

c) de Belgische Staat, gemeenschappen, gewesten, provincies, agglomeraties, federaties van gemeenten en gemeenten;

d) een inrichting waarover een in artikel 227 bedoelde niet-inwoner in België beschikt;

e) een andere dan de voorvermelde schuldenaars, wanneer :

- de bijdragen of premies voor het pensioen, de rente of de toelage aanleiding hebben gegeven tot enig fiscaal voordeel in de inkomstenbelasting in hoofde van de schuldenaar van die bijdragen of premies of;

- de beroepsactiviteit uit hoofde waarvan het pensioen, de rente of de toelage wordt betaald of toegekend, geheel of gedeeltelijk in België werd uitgeoefend;”.

Art. 32. In artikel 232, eerste lid, 2º, b, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 28 juli 1992, 25 april 2007 en 22 december 2008, worden de woorden “7º en 9º, h;” vervangen door de woorden “7º, 7ºbis en 9º, h;”

(…)

Art.35. (...)

De artikelen 28, 1º, en 4º, 29, 31, 32 en 34, A, zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2009 worden betaald of toegekend.

(...)

B. Commentaar

Ingevolge artikel 228, § 2, 6°, WIB 92 zijn pensioenen, renten en andere toelagen belastbaar in de BNI/nat. pers. wanneer ze ten laste zijn van een rijksinwoner, een Belgische vennootschap of instelling, Belgische overheden of een Belgische inrichting van een niet-inwoner. De laatste jaren is de internationale mobiliteit enorm toegenomen. Er ontstaan dan ook steeds meer situaties waarin een inwoner van een land X een pensioen ontvangt dat wordt uitbetaald door een pensioenfonds dat in dit land X of in land Y is gevestigd en dat opgebouwd is in het kader van een beroepsactiviteit in land Z. België verleent een fiscaal voordeel voor de bijdragen die worden betaald in het kader van de opbouw van een pensioen, ook indien die bijdragen worden betaald aan een onderneming of een instelling gevestigd in een ander land van de Europese Economische Ruimte of, in bepaalde gevallen, in een land waarmee België een dubbelbelastingverdrag heeft afgesloten. Dit fiscaal voordeel kan worden verleend onder de vorm van een aftrek als beroepskost (doorgaans in hoofde van de werkgever), een aftrekbare besteding of een belastingvermindering. De Belgische overheid is van mening dat het fiscaal voordeel dat wordt verleend in het kader van de opbouw van een pensioen, moet worden gecompenseerd door een belastingheffing op het ogenblik van de betaling of toekenning van dat pensioen. Vandaar dat België tracht om in zijn dubbelbelastingverdragen bepalingen op te nemen die België toelaten om als “bronstaat” in alle gevallen belasting te heffen op pensioenen die worden betaald aan een inwoner van een partnerland en waarvoor in België een fiscaal voordeel werd verleend. Opdat die heffingsbevoegdheid steeds tot een effectieve belastingheffing zou kunnen leiden, moet ook internrechtelijk worden ingegrepen. De pensioenen, renten en toelagen die belastbaar zijn in de BNI/nat. pers. worden voortaan zo breed mogelijke omschreven in een nieuw artikel 228, § 2, bis, WIB 92.

Pensioenen die worden betaald of toegekend door een Belgische schuldenaar blijven zoals voorheen belastbaar in de BNI/nat.pers. De grondslag van de belasting wordt echter uitgebreid tot de pensioenen, renten of toelagen die onder meer door een buitenlandse schuldenaar worden betaald, maar dan enkel wanneer dat pensioen, die rente of toelage verband houdt met een beroepsactiviteit die in België werd uitgeoefend of wanneer de betaling van de bijdragen of premies voor dat pensioen aanleiding heeft gegeven tot een fiscaal voordeel in België. Dit fiscaal voordeel moet zijn verleend in één van de Belgische inkomstenbelastingen (PB, Ven.B of BNI). Het is niet vereist dat het fiscaal voordeel werd verleend in hoofde van de persoon die het pensioen, de rente of de toelage verkrijgt. De vorm waaronder het voordeel is verleend, kan ook heel divers zijn:

- een aftrek als beroepskost (bv. de aftrek als beroepskost van de bijdragen voor een groepsverzekering in hoofde van de werkgever of de aftrek als beroepskost van de bijdragen voor een aanvullend pensioen zelfstandigen of de aftrek als beroepskost van de premies voor een verzekering arbeidsongeschiktheid);

- een aftrekbare besteding (bv. de premie voor een verzekering die dient tot waarborg van een lening voor de enige woning - artikel 104, 9°, WIB 92);

- een belastingvermindering (bv. de belastingvermindering voor de persoonlijke bijdragen voor een groepsverzekering, voor de premies voor een individuele levensverzekering of voor de betalingen voor het pensioensparen - artikel 145^1, 1°, 2°, en 5°, WIB 92).

De bepaling onder het nieuwe artikel 228, § 2, bis, e, tweede streepje, WIB 92 (pensioenen die verband houden met een beroepsactiviteit in België) werd ingevoegd omdat niet alle bijdragen of premies die worden betaald in het kader van de opbouw van een pensioen aanleiding geven tot een fiscaal voordeel. Gelet op de beperkte belastbare grondslag van de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen belastingplichtigen, zijn de bijdragen aan een groepsverzekering bv. geen aftrekbare beroepskost voor deze belastingplichtigen.

De wetgever heeft geoordeeld dat ook deze pensioenen in beginsel in België belastbaar moeten zijn. Het is echter evident dat de toepassing van artikel 228, § 2, 7° bis, WIB 92 zoals het wordt ingevoerd, in veel gevallen zal worden beperkt door de toepassing van dubbelbelastingverdragen die de heffingsbevoegdheid over de aldaar bedoelde pensioenen, renten en toelagen, niet aan België toewijzen, maar aan de woonstaat van de niet-inwoner.

C. Inwerkingtreding

De wijzigingen in de artikelen 228, § 2 en 232, eerste lid, 2°, b, WIB 92 zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1-1-2009 worden betaald of toegekend.

XXIII. BEVRIJDENDE VOORHEFFING VOOR BEZOLDIGINGEN VAN NIET-INWONENDE ZEELIEDEN

A. Wettekst

(…)

Art.34.A. Artikel 248, § 1, tweede lid, 1º, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 22 december 2008, wordt vervangen als volgt :

“1º in afwijking van artikel 232 :

a) op de winst of de baten behaald of verkregen door vennoten of leden van een burgerlijke vennootschap of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid als bedoeld in artikel 229, § 3;

b) op de bezoldigingen verkregen uit hoofde van een werkzaamheid uitgeoefend aan boord van een Belgisch koopvaardijschip door een zeeman die niet is ingeschreven in de Pool van de zeelieden ter koopvaardij;”.

B. In artikel 248, § 1, tweede lid, 1º, b, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij deze wet, worden de woorden “in de Pool van de zeelieden ter koopvaardij” vervangen door de woorden “op de lijst bedoeld in artikel 1ºbis, eerste lid, 1º, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij”.

Art.35. (...)

De artikelen 28, 1º, en 4º, 29, 31, 32 en 34, A, zijn van toepassing op de inkomsten die vanaf 1 januari 2009 worden betaald of toegekend.

Artikel 34, B heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2009.

(...)

B. Commentaar

In de afgelopen jaren heeft de Belgische regering, overeenkomstig de Europese richtsnoeren inzake staatssteun ten gunste van het zeevervoer, een aantal maatregelen genomen om het invlaggen van de koopvaardijvloot te bewerkstelligen. Het gaat hierbij om maatregelen zoals:

- de invoering van het stelsel van de tonnagetaks;

- de vrijstelling van meerwaarden op zeeschepen;

- de vrijstelling van doorstorting van BV ingehouden op de lonen van communautaire zeelieden;

- een aantal sociaalrechtelijke maatregelen.

Deze maatregelen hebben het beoogde effect bereikt: terwijl er in 2001 nagenoeg geen koopvaardijschepen onder Belgische vlag voeren, is dit aantal opgelopen tot meer dan 120 in 2007.

Het overgrote deel van de zeelieden die werkzaam zijn op de Belgische koopvaardijschepen is geen rijksinwoner, maar heeft zijn fiscale woonplaats in landen als de Filippijnen, Zuid-Afrika, Oekraïne, … . De bezoldigingen van zeelieden ter koopvaardij zijn ingevolge de verdragen tot voorkoming van dubbele belastingen doorgaans belastbaar in het land waar de plaats van de werkelijke leiding van de onderneming is gelegen.

In België belastbare bezoldigingen die worden verkregen door een niet-inwoner moeten in beginsel verplicht worden geregulariseerd in een aangifte in de BNI/nat.pers (artikel 232, eerste lid, 2°, WIB 92). De belastingheffing in de BNI/nat.pers. op die bezoldigingen van niet-inwonende zeelieden ter koopvaardij en meer in het bijzonder van zeelieden die geen inwoner zijn van de Europese Unie, blijkt in de praktijk vaak problematisch te zijn. Zo komen de aangiftes dikwijls niet bij de juiste persoon terecht of ze worden niet teruggestuurd omdat de betrokken belastingplichtige het formulier niet kan lezen, laat staan begrijpen. Bij gebrek aan aangifte moet de omslachtige procedure van aanslag van ambtswege worden opgestart, die op dezelfde problemen stuit als het indienen van de aangifte.

De zeelieden ter Belgische koopvaardij kunnen worden opgedeeld in twee categorieën: enerzijds zeelieden die ingeschreven zijn in de “Pool van de zeelieden ter koopvaardij” opgericht bij de wet van 25 februari 1964 ("pool zeelieden") en anderzijds zeelieden waarvoor dit niet het geval is ("non-pool zeelieden").

"Pool zeelieden", waaronder ook alle zeelieden die inwoner zijn van de Europese Unie, zijn onderworpen aan de Belgische Sociale Zekerheid via de Hulp- en Voorzorgskas der Zeevarenden. De rederijen sluiten met deze zeelieden bruto contracten af volgens de barema’s van de Pool.

"Non-pool zeelieden" zijn niet onderworpen aan de Belgische Sociale Zekerheid, maar zijn privé verzekerd of verzekerd in het land van herkomst. De rederijen sluiten met deze zeelieden netto contracten af.

Het is vooral voor deze laatste categorie van de zeelieden dat de procedure inzake belastingheffing vaak moeizaam verloopt. Aan deze problemen wordt een einde gesteld door een stelsel van bevrijdende voorheffing in te voeren voor de bezoldigingen die door die zeelieden worden verkregen. Bezoldigingen die worden verkregen door niet-inwoners moeten overeenkomstig artikel 232, eerste lid, 2°, WIB 92 verplicht worden geregulariseerd in een aangifte in de BNI/nat. pers. Om deze verplichting tot regularisatie op te heffen, wordt in artikel 248, § 1, WIB 92 dat het stelsel van de bevrijdende voorheffing voor bepaalde inkomsten omschrijft, een bijkomende afwijking ingeschreven op artikel 232, WIB 92 (wijziging van artikel 248, § 1, tweede lid, 1°, WIB 92).

In samenspraak met de sector, wordt het stelsel van de bevrijdende voorheffing van toepassing gemaakt op de bezoldigingen die vanaf 1-1- 2009 worden betaald of toegekend.

Vanaf 1-7-2009 is de Pool van de zeelieden ter koopvaardij afgeschaft en geïntegreerd in de Hulp- en Voorzorgskas voor zeevarenden (programmawet van 17-6-2009; BS 26-6-2009). Op sociaal vlak wordt de verwijzing naar de lijst van de Belgische Pool van de zeelieden ter koopvaardij vervangen door een verwijzing naar de Poollijst. De opmaak van deze Poollijst wordt toevertrouwd aan de Hulp- en Voorzorgskas voor Zeevarenden in het nieuw ingevoegde artikel 1bis, eerste lid, 1°, van de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke zekerheid ter koopvaardij. Deze nieuwe verwijzing is reeds verwerkt in artikel 248, § 1, WIB 92.

C. Inwerkingtreding

Deze maatregel is van toepassing op de inkomsten die vanaf 01-01-2009 worden betaald of toegekend, met dien verstande dat de wijziging aan artikel 248, § 1, tweede lid, 1º, b, WIB 92, vervangen bij deze wet , uitwerking hebben vanaf 1-7-2009.

XXIV. DIVERSE WIJZIGINGEN

A. Wettekst

(…)

Art. 3. In artikel 18, eerste lid, 2º, van hetzelfde Wetboek, worden de woorden "overeenkomstig de voorschriften van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen" vervangen door de woorden "overeenkomstig de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen".

Art. 4. In artikel 22, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 24 december 1993, 30 maart 1994 en 24 december 2002, worden de woorden “artikel 171, 2º, f en 2ºbis tot 3ºbis, ” vervangen door de woorden “artikel 171, 2º, f, 2ºbis tot 3ºbis, en 3ºquater, ”.

Art. 5. In artikel 38 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

(…)

in paragraaf 3 worden de woorden “en met het zegel gelijkgestelde taksen” vervangen door de woorden “en inzake diverse rechten en taksen”.

(…)

Art. 7. In artikel 39, § 2, 4º, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 19 juli 2000, worden de woorden “in titel XIII van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen” vervangen door de woorden “in Boek II, titel VIII van het Wetboek diverse rechten en taksen”.

Art. 8. In artikel 40, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 april 2003, worden de woorden “in artikel 183bis van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen, ” vervangen door de woorden “in artikel 183bis van het Wetboek diverse rechten en taksen, ”.

(…)

Art. 12. In artikel 102 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2001, worden de woorden “gerevaloriseerd overeenkomstig artikel 2, 7º.” vervangen door de woorden “gerevaloriseerd overeenkomstig artikel 2, § 1, 7º.”.

(…)

Art. 21. In artikel 145^30, tweede lid, a, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden “genomen zijn” vervangen door de woorden “in aanmerking genomen zijn”.

Art. 22. In artikel 145^31, tweede lid, a, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de programmawet (I) van 27 december 2006, worden de woorden “genomen zijn” vervangen door de woorden “in aanmerking genomen zijn”.

(…)

Art. 35.

(…)

De artikelen 2, 4, 6, A, 9, 10, 23, tot 26, 30 en 33 zijn van toepassing vanaf aanslagjaar 2010, met dien verstande dat de wijziging die door artikel 9 van deze wet aan artikel 53, 14º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 wordt aangebracht, waardoor 1 euro per maaltijdcheque als beroepskost aftrekbaar wordt, slechts uitwerking heeft op 1 februari 2009.

(…)

B. Commentaar

De W 22-12-2009 voorziet in meerdere bepalingen om het WIB 92 te verbeteren of aan te passen en de legistieke wijzigingen daarin te wijzigen :

- in artikel 18, eerste lid, WIB 92, worden de verwijzingen naar de vroegere gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen vervangen door de verwijzing naar het huidige Wetboek van vennootschappen ;

- in artikel 22, § 1, tweede lid, WIB 92, wordt een legistieke verwijzing vervolledigd ;

- in de artikelen 38, 39, § 2 en 40, WIB 92, worden de algemene of specifieke verwijzingen naar het vroegere Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen vervangen door algemene of specifieke verwijzingen naar het nieuwe Wetboek diverse rechten en taksen ;

- in artikel 102, WIB 92, wordt een verwijzing naar artikel 2, WIB 92, verbeterd ;

- in de Nederlandstalige tekst van de artikelen 145^30 en 145^31, WIB 92, wordt een fout verbeterd.

C. Inwerkingtreding

Deze maatregelen treden in werking op 10-1-2010 behalve de wijziging aan artikel 22, §1, 2de lid, WIB 92, dat van toepassing is vanaf aj. 2010.