Circulaire nr. Ci.RH.241/460.408 dd. 26.11.1997
CIRC 26.11.97/1
Circulaire nr. Ci.RH.241/460.408 dd. 26.11.1997
Bull. nr. 778, pag. 63
VOORDEEL VAN ALLE AARD
Forfaitaire raming van de voordelen van alle aard.
Kosteloze beschikking over een autovoertuig.
Kosteloze beschikking over een onroerend goed.
Kosteloze verstrekking van elektriciteit.
Kosteloze verstrekking van verwarming.
Renteloze lening of lening tegen verminderde rentevoet.
Forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard.
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3.
INHOUDSTAFEL Nr. I. WETTEKSTEN A. KB 22.10.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92 1 B. KB 18.2.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens en de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard 2 C. KB 7.3.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard 3 D. KB 5.4.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard 4 II. ALGEMEEN 5 III. RENTELOZE LENING OF LENING TEGEN VERMINDERDE RENTEVOET A. Algemeen 7 B. Hypothecaire leningen 8 C. Niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd 11 D. Niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd 12 IV. KOSTELOZE BESCHIKKING OVER ONROERENDE GOEDEREN OF GEDEELTEN VAN ONROERENDE GOEDEREN A. Algemeen 13 B. Algemene regel 14 C. Gebouwd onroerend goed dat door een rechtspersoon kosteloos ter beschikking wordt gesteld 1. Principes 15 2. Notie "rechtspersoon" 17 3. Gebouwd onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF niet te boven gaat 19 4. Onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF niet te boven gaat a) Principes 20 b) Huurwaarde 22 c) Bijzonder geval van personeelsleden die contractueel verplicht zijn wegens hun functies een woongelegenheid op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan te betrekken 26 D. Woongelegenheid die de persoonlijke behoeften van de betrekker te boven gaat 37 E. Onroerend goed gedurende een gedeelte van het jaar ter beschikking gesteld 40 F. Wijziging van het KI gedurende het jaar 44 G. Gemeubileerd onroerend goed 47 H. Bijdrage van de verkrijger van het voordeel in de kostprijs ervan 48 I. Inwerkingtreding 49 V. KOSTELOZE VERSTREKKING VAN VERWARMING EN VAN ELEKTRICITEIT GEBRUIKT TOT ANDERE DOELEINDEN DAN VERWARMING 50 VI. PERSOONLIJK GEBRUIK VAN EEN KOSTELOOS TER BESCHIKKING GESTELD VOERTUIG 53 BIJLAGE: GECOORDINEERDE TEKST VAN HET ART. 8, § 3, PUNT 2, KB/WIB 92. I. WETTEKSTEN [De wijzigingen aangebracht aan art. 18, § 3, KB/WIB 92 door het KB 6.3.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92 (BS 19.3.1996, V 2446, Bull. 760, blz. 811) evenals door het KB 17.3.1997 tot wijziging, van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard, (BS 27.3.1997, V 2501, Bull. 771, blz. 1054) maken het voorwerp uit van een afzonderlijke circulaire.]
Voorafgaande opmerking
De gecoördineerde tekst van het art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 is opgenomen als bijlage.
A. KB 22.10.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92
Art. 2. In artikel 18, § 3, van hetzelfde besluit (KB/WIB 92) worden de volgende wijzigingen aangebracht:
"Voor de vaststelling van het voordeel, mag het aantal kilometers voor een jaar evenwel niet lager zijn dan 5.000."
.......
§ 2. Artikel 2, 1° tot 3°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1992 toegekende voordelen.
§ 3. Artikel 2, 4°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1993 toegekende voordelen.
.......
B. KB 18.2.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens en de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
Art. 2. In artikel 18, § 3, van hetzelfde besluit (KB/WIB 92), gewijzigd bij het koninklijk besluit van 22 oktober 1993, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
"2. Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen:
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed naargelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
In afwijking van het vorige lid wordt, voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan die ter beschikking worden gesteld door rechtspersonen, het voordeel als volgt vastgesteld:
a) indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF: 100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 1,25;
b) indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed groter is dan 30.000 BEF: 100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 2, [waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed] (De zinsnede "waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed" is vernietigd door het arrest van 16.2.1996, nr. 58.169, van de Raad van State, inzake HURNER Stephen (zie ook de nrs 22 tot 25).)
Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt, behalve voor de beoordeling van de in het tweede lid vermelde grens van 30.000 BEF, het kadastrale inkomen in aanmerking genomen nadat het is geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.";
"a) aan leidinggevend personeel, bestuurders en werkende vennoten: het voordeel wordt geraamd op:
.......
§ 2. Artikel 2, 1°, heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1992.
§ 3. Artikel 2, 2°, 3°, 4° en 6°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1993 toegekende voordelen van alle aard.
§ 4. Artikel 2, 5°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1994 toegekende voordelen van alle aard.
.......
C. KB 7.3.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
3. Art. 1. In artikel 18, § 3, van het KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 oktober 1993 en 18 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de vanaf 1 januari 1994 toegekende voordelen van alle aard.
.......
D. KB 5.4.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard [Er wordt opgemerkt dat het KB van 5.4.1995 het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot vernietiging voor de Raad van State (zie ook de nrs 22 tot 25).]
4. Art. 1. In artikel 18, § 3, punt 2, van het KB/WIB 92, vervangen bij het koninklijk besluit van 18 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
Art. 2. Dit besluit is van toepassing op de vanaf 1 januari 1994 toegekende voordelen van alle aard.
.......
II. ALGEMEEN
5. Het art. 18, § 3, KB/WIB 92, dat de forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard behandelt, is achtereenvolgens gewijzigd door de KB:
6. De wijzigingen die door deze verschillende KB zijn aangebracht betreffen:
III. RENTELOZE LENINGEN OF LENINGEN TEGEN VERMINDERDE RENTEVOET
A. Algemeen
7. De wijzigingen met betrekking tot het belastbare voordeel dat voortkomt uit een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet hebben geen betrekking op de berekeningswijze van dit voordeel maar zijn beperkt tot, enerzijds, de rechtzetting van een materiële vergissing en, anderzijds, de jaarlijkse aanpassing van de in aanmerking te nemen referentierentevoet.
B. Hypothecaire leningen
8. De tabel in art. 18, § 3, punt 1, b, KB/WIB 92 geeft, per jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, de in aanmerking te nemen referentierentevoet om het belastbare bedrag te berekenen van het voordeel dat voortkomt uit een renteloze hypothecaire lening of een hypothecaire lening tegen verminderde rentevoet.
9. De tabel, die in de oorspronkelijke versie van het KB/WIB 92 was opgenomen, bevatte een vergissing met betrekking tot de referentierentevoet voor hypothecaire leningen gesloten in 1985 waarvoor de terugbetaling niet door een gemengde levensverzekering is gewaarborgd, (dat wil zeggen de "andere leningen"). De verkeerde rentevoet van 9,72 % wordt vervangen door 9,75 % met ingang van het aj. 1992 (inkomsten 1991). Het betreft de rentevoet die reeds in het oude KB/WIB was opgenomen.
10. De tabel wordt bovendien aangevuld in die zin dat wordt bepaald dat de referentierentevoet voor hypothecaire leningen gesloten in 1992, 1993 en 1994 respectievelijk wordt vastgelegd op:
C. Niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd
11. Om het belastbare voordeel te berekenen van niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd, die in de jaren 1992, 1993 en 1994 zijn gesloten, wordt de referentierentevoet respectievelijk vastgesteld op basis van een maandelijks lastenpercentage:
D. Niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd
12. De in aanmerking te nemen referentierentevoet is vastgesteld op 12 % voor de bedragen waarover de ontlener gedurende het jaar 1992 heeft kunnen beschikken, op 10,50 % voor de bedragen waarover hij in 1993 heeft kunnen beschikken en op 9,25 % voor de bedragen waarover hij in 1994 heeft kunnen beschikken.
IV. KOSTELOZE BESCHIKKING OVER ONROERENDE GOEDEREN OF GEDEELTEN VAN ONROERENDE GOEDEREN
A. Algemeen
13. De nieuwe tekst van art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 wijzigt de berekeningswijze van het voordeel dat voortkomt uit de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen [Bij wijze van vereenvoudiging zal de term "onroerend goed" worden gebruikt in en op de plaats van "onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen" (zie ook nr 36/49, Com.IB 92 betreffende het KI van een gedeelte van een onroerend goed).] grondig. De wijzigingen betreffen de gebouwde onroerende goederen die door een rechtspersoon ter beschikking worden gesteld.
Deze wijzigingen zijn het gevolg van art. 2, 5°, van het KB 18.2.1994 en het KB 5.4.1995 en zijn van toepassing op de voordelen toegekend vanaf 1.1.1994.
B. Algemene regel
14. Het voordeel wordt, in principe, forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het geïndexeerde KI van het gratis gebruikte onroerend goed, naargelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
Die algemene regel werd niet gewijzigd. Hij is evenwel niet meer van toepassing voor de gebouwde onroerende goederen die ter beschikking worden gesteld door een rechtspersoon.
C. Gebouwd onroerend goed dat door een rechtspersoon kosteloos ter
beschikking wordt gesteld
1. Principes
15. Voor de gebouwde onroerende goederen die door rechtspersonen kosteloos ter beschikking van de verkrijger worden gesteld verschilt de berekeningswijze van het voordeel voortaan naargelang het niet-geïndexeerde KI al dan niet 30.000 BEF te boven gaat.
16. Voor de gevallen waarin het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF te boven gaat, is bovendien een speciale regeling opgesteld om rekening te houden met de bijzondere situatie van personeelsleden die ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moeten zijn.
2. Notie "rechtspersoon"
17. Onder "rechtspersoon", moet worden verstaan, enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling naar Belgisch of buitenlands recht, die rechtspersoonlijkheid bezit, ongeacht of ze een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard.
3. Gebouwd onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF
niet te boven gaat
19. Wanneer het niet geïndexeerde KI van een gebouwd onroerend goed dat kosteloos door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF, bedraagt het voordeel in principe steeds 48.000 BEF per jaar (zie evenwel nrs 40 tot 45 en 48).
4. Onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF te boven gaat
20. Wanneer het (niet geïndexeerde) KI groter is dan 30.000 BEF, is het voordeel in principe gelijk aan het hoogste van de twee volgende bedragen:
21. Dit voordeel wordt evenwel op 144.000 BEF per jaar vastgesteld voor de personeelsleden die, ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn, een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moeten zijn.
22. Het KB 18.2.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens en de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard (zie nr 2) heeft voor de eerste maal een uitdrukkelijke afwijking ingevoerd op de forfaitaire raming van het voordeel verbonden aan de beschikking over een woning, door in art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 te bepalen dat voor gebouwde onroerend goederen met een KI van meer dan 30.000 BEF, die door een rechtspersoon ter beschikking zijn gesteld, het voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed. Die maatregel was van toepassing op de voordelen van alle aard die vanaf 1.1.1994 werden toegekend.
23. Het KB 5.4.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard (zie nr 4), heeft die bepaling met dezelfde datum van inwerkingtreding vervangen, dit evenwel met behoud van de verwijzing naar de huurwaarde.
24. Met zijn arrest van 16.2.1996, nr 58.169, inzake Hürner, heeft de Raad van State in art. 18, § 3, punt 2, 2de lid, b, KB/WIB 92, de woorden "waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed", die werden ingevoegd ingevolge de wijzigingen aangebracht door het KB 18.2.1994, nietig verklaard. Dit arrest heeft met andere woorden in principe geen enkele weerslag op de huidige tekst, die in feit het gevolg is van het KB 5.4.1995.
25. In het kader van het antwoord dat hij heeft gegeven op de parlementaire vraag nr 209 van 27.12.1995 gesteld door Volksvertegenwoordiger DUFOUR (Bulletin Vragen en Antwoorden, Kamer van Volksvertegenwoordiger), Gewone zitting 1995-1996, nr 27, blz. 3195 - Bull. 762, blz. 1305), heeft de Minister van Financiën evenwel gesteld "dat elke vergelijking ten opzichte van de gemiddelde huurwaarde vandaag niet relevant is voor de bepaling van het forfaitair voordeel dat voortvloeit uit het kosteloos ter beschikking stellen van een woning".
Daaruit kan men besluiten dat, in de huidige stand van zaken, het in aanmerking te nemen belastbare voordeel steeds gelijk is aan 10/3 van het geïndexeerde KI wanneer het gaat om een gebouwd onroerend goed met een (niet geïndexeerd) KI dat groter is dan 30.000 BEF en dat door een rechtspersoon gratis ter beschikking wordt gesteld.
Regel
26. De nieuwe tekst van art. 18, § 3, 2, b, KB/WIB 92 bevat een bijzondere regel voor de vaststelling van het belastbare voordeel voor een onroerend goed met een niet geïndexeerd KI van meer dan 30.000 BEF, dat in bijzondere omstandigheden door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld.
27. Die regel is in de volgende omstandigheden van toepassing:
28. In dat geval is het belastbare voordeel dat volgt uit de gratis ter beschikkingstelling steeds gelijk aan 144.000 BEF per jaar (zie evenwel nrs 40, 41 en 48).
Personeelslid
29. Deze maatregel beoogt de personeelsleden, dat wil zeggen, de personen die bezoldigingen van werknemers verkrijgen in de zin van art. 31, WIB 92, met uitsluiting dus van de bestuurders en de werkende vennoten [Art. 1, KB 20.5.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92 heeft de woorden "Bestuurders en werkende vennoten" zoals voorheen vermeld in art. 18, § 3, 4, a, KB/WIB 92, vervangen door de woorden "en bedrijfsleiders" (V 2509, Bull. 774, blz. 1713). Deze wijziging is van toepassing op de vanaf 1.1.1997 toegekende voordelen van alle aard.].
De verplichting het onroerend goed te betrekken moet voortvloeien uit een contract
30. De verplichting het onroerend goed te betrekken moet voortvloeien uit een contractuele band tussen de werkgever, rechtspersoon, en de verkrijger van het voordeel.
Dit contract moet dus het voorwerp uitmaken van een geschrift dat het personeelslid individueel verplicht een bepaalde woning te betrekken.
31. Het contract dat beperkt is tot een bepaling dat het personeelslid aan een meer algemeen reglement onderworpen is, zal worden aanvaard, voor zover dat reglement zelf uitdrukkelijk melding maakt van de verplichting dat personen die een bepaalde functie uitoefenen, het onroerend goed moeten betrekken dat hen door de werkgever ter beschikking wordt gesteld.
De functies van de verkrijger vereisen dat hij blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moet zijn
32. Die voorwaarde houdt in dat de verkrijger van het voordeel functies uitoefent die van die aard zijn dat hij zich op ieder moment en zeer snel naar zijn plaats van tewerkstelling moet kunnen begeven en dat de verplichting om de woning te betrekken voortvloeit uit zijn functies. Dat zou het geval kunnen zijn met name voor onderhoudspersoneel van installaties die onafgebroken werken, voor onderhouds- en bewakingspersoneel in de sectoren van productie en distributie van elektriciteit, gas, water, enz., voor huisbewaarders en voor directeuren van bankagentschappen.
33. De woongelegenheid die ter beschikking van het personeelslid wordt gesteld moet zich bevinden, ofwel op de plaats van tewerkstelling zelf, ofwel in de onmiddellijke omgeving daarvan.
34. De term "in de onmiddellijke omgeving" moet strikt worden geïnterpreteerd. Een woongelegenheid in de buurt of in de wijk van de plaats van het werk beantwoordt aan die voorwaarde. Men mag aannemen dat de woongelegenheid van de werknemers zich in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van het werk bevindt, wanneer hij zich in enkele minuten te voet van die woongelegenheid naar de plaats van het werk kan begeven, zonder een beroep te doen op een of ander vervoermiddel.
35. Er moet dus een onderscheid worden gemaakt tussen de personeelsleden die zich snel op de plaats van hun werk moeten kunnen melden en zij die er blijvend ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving ervan moeten zijn.
36. Wanneer een werknemer bijvoorbeeld contractueel een woongelegenheid binnen een straal van 10 km van de plaats van het werk moet betrekken, moet worden besloten dat zijn aanwezigheid op de plaats van het werk of in de onmiddellijke nabijheid daarvan niet noodzakelijk is.
Daarentegen beantwoordt de bezoldigde filiaalhouder van een bankagentschap, die contractueel verplicht is een appartement boven het agentschap of een er rechtover gelegen gebouw te betrekken, aan de gestelde criteria.
D. Woongelegenheid die de persoonlijke behoeften aan de betrekker te boven gaat
37. Wanneer iemand verplicht is een woning te betrekken waarvan de belangrijkheid duidelijk zijn persoonlijke behoeften, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet het voordeel worden berekend op basis van het KI van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
38. Die regel is echter niet van toepassing op de personeelsleden van een rechtspersoon die contractueel verplicht zijn een woning te betrekken met een niet geïndexeerd KI dat groter is dan 30.000 BEF, omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moeten zijn. Het belastbare voordeel wegens de kosteloze beschikking is derhalve steeds gelijk aan 144.000 BEF per jaar.
39. In de praktijk is die regel evenmin van toepassing op gebouwde onroerende goederen de door een rechtspersoon ter beschikking zijn gesteld en waarvan het (niet geïndexeerde) KI kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF. Het voordeel is dan normaal immers steeds gelijk aan 48.000 BEF per jaar (zie nr 19).
E. Onroerend goed gedurende een gedeelte van het jaar ter beschikking gesteld
40. Indien een onroerend goed slechts gedurende een gedeelte van het jaar ter beschikking wordt gesteld, moet het belastbaar bedrag in functie van het aantal maanden van de bewoning worden vastgesteld, welke ook de berekeningswijze van het belastbaar voordeel mag zijn (op basis van het KI of forfaitair).
41. Indien de terbeschikkingstelling niet op de eerste dag van de maand plaatsvindt, wordt die maand slechts in aanmerking genomen voor de berekening van het voordeel wanneer het onroerend goed op de 16de van de maand in gebruik is genomen. Dezelfde regel is van toepassing voor de maand tijdens dewelke de terbeschikkingstelling ophoudt, wanneer die gebeurtenis niet op de laatste dag van de maand plaatsvindt.
42. Het spreekt voor zich dat men steeds moet uitgaan van het volledige niet geïndexeerde KI om te bepalen of het ter beschikking gesteld onroerend goed, een KI heeft dat 30.000 BEF te boven gaat of niet.
43. Voorbeeld
F. Wijziging van het KI gedurende het jaar
44. Indien het KI van een gebouwd onroerend goed gedurende het jaar ten gevolge van hernieuwingswerken wordt gewijzigd, moet met dit nieuwe KI rekening worden gehouden vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltooiing van de werken. In die omstandigheden, moeten de waarderingsregels die gelden voor een niet geïndexeerd KI tot 30.000 BEF en van meer dan 30.000 BEF dan ook pro rata temporis worden toegepast om het totale belastbare voordeel van alle aard vast te stellen (cf. parlementaire vraag nr 228 van 16.1.1996 gesteld door Volksvertegenwoordiger TAVERNIERS Jozef - Bulletin Vragen en Antwoorden nr 26, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1995-1996, blz. 3016, Bull. 761, blz. 1177).
45. Voorbeeld
Ingevolge verbouwingswerken wordt het (niet geïndexeerde) KI van een woning, die een vennootschap aan één van haar bestuurders ter beschikking stelt vanaf 1.5.1994 van 28.000 BEF op 39.400 BEF gebracht. Het totale belastbare voordeel wordt als volgt vastgesteld:
a) niet geïndexeerd KI 28.000 BEF voordeel:
b) niet geïndexeerd KI van 39.400 BEF voordeel
46. Indien het niet geïndexeerde KI, zowel vóór als na de verbouwingen, hoger is dan 30.000 BEF, moet het voordeel, voor elk van de beide periodes, zoals sub b) van het bovenvermeld voorbeeld worden berekend.
G. Gemeubileerd onroerend goed
47. Het belastbare voordeel wegens de terbeschikkingstelling van een onroerend goed moet steeds met 2/3 worden verhoogd wanneer het een gemeubileerd onroerend goed betreft, welke berekeningswijze ook in aanmerking is genomen om dat voordeel vast te stellen.
H. Bijdrage van de verkrijger van het voordeel in de kostprijs ervan
48. Wanneer een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld van een verkrijger tegen een bijdrage in de kostprijs van het voordeel, moet het belastbare voordeel in principe steeds worden berekend op basis van de kosteloze beschikking en moet daarvan vervolgens de bijdrage van de verkrijger worden afgetrokken.
Het feit dat het voordeel op één van de twee forfaitaire bedragen (48.000 BEF of 144.000 BEF per jaar) zou worden vastgesteld, doet geen afbreuk aan deze regel.
I. Inwerkingtreding
49. De wijzigingen aangebracht aan art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 zijn van toepassing op de voordelen van alle aard toegekend vanaf 1.1.1994 (art. 3, § 4, KB 18.2.1994 en art. 2, KB 5.4.1995).
V. KOSTELOZE VERSTREKKING VAN VERWARMING EN VAN ELEKTRICITEIT GEBRUIKT TOT ANDERE DOELEINDEN DAN VERWARMING
50. Art. 18, § 3, punt 4, KB/WIB 92 stelt het belastbaar bedrag vast van het voordeel dat voortvloeit uit de kosteloze verstrekking van verwarming en elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming.
Dat belastbaar bedrag is voor het leidinggevend personeel hoger dan voor de andere verkrijgers: 48.000 BEF tegenover 24.000 BEF wat de verwarming betreft en 24.000 BEF tegenover 12.000 BEF voor elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming.
De notie "leidinggevend personeel" wordt verduidelijkt in nr. 36/58, Com.IB 92.
51. Aangezien sommigen het feit in twijfel hebben getrokken dat de bestuurders en werkende vennoten [Art. 1 KB 20.5.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92 heeft de woorden "Bestuurders en werkende vennoten" zoals voorheen vermeld in art. 18, § 3, 4, a, KB/WIB 92, vervangen door de woorden "en bedrijfsleiders (V 2509, Bull. 774, blz. 1713). Deze wijziging is van toepassing op de vanaf 1.1.1997 toegekende voordelen van alle aard.].
52. Die bepaling is van toepassing op de voordelen van alle aard toegekend vanaf 1.1.1993 (art. 3, § 3, KB 18.2.1994).
VI. PERSOONLIJK GEBRUIK VAN EEN KOSTELOOS TER BESCHIKKING GESTELD VOERTUIG
53. Art. 2, 4°, KB 22.10.1993 heeft art. 18, § 3, punt 9, KB/WIB 92, aangevuld door daarin de bepalingen op te nemen van art. 1, KB 11.12.1992 tot vaststelling van het minimumvoordeel uit het persoonlijk gebruik van een voertuig dat kosteloos of tegen een bijdrage ter beschikking van de verkrijger is gesteld (V 2211 - Bull. 724, blz. 270).
54. Die bepaling schreef voor dat, voor de vaststelling van het voordeel verbonden aan een dergelijk gebruik, het aantal kilometers dat per jaar in aanmerking moet worden genomen niet lager mag zijn dan 5.000 en heeft reeds het voorwerp uitgemaakt van de circ. 16.12.1993, Ci.RH. 241/452.355 (Bull. 735, blz. 308).
55. Het 2de lid van art. 18, § 3, punt 9, KB/WIB 92, dat is ingevoegd bij voornoemd art. 2, 4°, is van toepassing op de voordelen toegekend vanaf 1.1.1993, die ook de datum van inwerkingtreding is van art. 1, KB 11.12.1992.
BIJLAGE
GECOORDINEERDE TEKST VAN ART. 18, § 3, PUNT 2, KB/WIB 92
"2. Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen.
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed naar gelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
In afwijking van het vorige lid wordt, voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan die ter beschikking worden gesteld door rechtspersonen, het voordeel als volgt vastgesteld:
Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet, behoudens in de gevallen vermeld in b), tweede streepje van het vorige lid, bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
Circulaire nr. Ci.RH.241/460.408 dd. 26.11.1997
Bull. nr. 778, pag. 63
VOORDEEL VAN ALLE AARD
Forfaitaire raming van de voordelen van alle aard.
Kosteloze beschikking over een autovoertuig.
Kosteloze beschikking over een onroerend goed.
Kosteloze verstrekking van elektriciteit.
Kosteloze verstrekking van verwarming.
Renteloze lening of lening tegen verminderde rentevoet.
Forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard.
- Renteloze lening of lening tegen verminderde rentevoet;
- Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen;
- Kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming;
- Persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig.
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1, 2+, 2 en 3.
INHOUDSTAFEL Nr. I. WETTEKSTEN A. KB 22.10.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92 1 B. KB 18.2.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens en de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard 2 C. KB 7.3.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard 3 D. KB 5.4.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard 4 II. ALGEMEEN 5 III. RENTELOZE LENING OF LENING TEGEN VERMINDERDE RENTEVOET A. Algemeen 7 B. Hypothecaire leningen 8 C. Niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd 11 D. Niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd 12 IV. KOSTELOZE BESCHIKKING OVER ONROERENDE GOEDEREN OF GEDEELTEN VAN ONROERENDE GOEDEREN A. Algemeen 13 B. Algemene regel 14 C. Gebouwd onroerend goed dat door een rechtspersoon kosteloos ter beschikking wordt gesteld 1. Principes 15 2. Notie "rechtspersoon" 17 3. Gebouwd onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF niet te boven gaat 19 4. Onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF niet te boven gaat a) Principes 20 b) Huurwaarde 22 c) Bijzonder geval van personeelsleden die contractueel verplicht zijn wegens hun functies een woongelegenheid op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan te betrekken 26 D. Woongelegenheid die de persoonlijke behoeften van de betrekker te boven gaat 37 E. Onroerend goed gedurende een gedeelte van het jaar ter beschikking gesteld 40 F. Wijziging van het KI gedurende het jaar 44 G. Gemeubileerd onroerend goed 47 H. Bijdrage van de verkrijger van het voordeel in de kostprijs ervan 48 I. Inwerkingtreding 49 V. KOSTELOZE VERSTREKKING VAN VERWARMING EN VAN ELEKTRICITEIT GEBRUIKT TOT ANDERE DOELEINDEN DAN VERWARMING 50 VI. PERSOONLIJK GEBRUIK VAN EEN KOSTELOOS TER BESCHIKKING GESTELD VOERTUIG 53 BIJLAGE: GECOORDINEERDE TEKST VAN HET ART. 8, § 3, PUNT 2, KB/WIB 92. I. WETTEKSTEN [De wijzigingen aangebracht aan art. 18, § 3, KB/WIB 92 door het KB 6.3.1996 tot wijziging van het KB/WIB 92 (BS 19.3.1996, V 2446, Bull. 760, blz. 811) evenals door het KB 17.3.1997 tot wijziging, van het KB/WIB 92, op het stuk van de voordelen van alle aard, (BS 27.3.1997, V 2501, Bull. 771, blz. 1054) maken het voorwerp uit van een afzonderlijke circulaire.]
Voorafgaande opmerking
De gecoördineerde tekst van het art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 is opgenomen als bijlage.
A. KB 22.10.1993 tot wijziging van het KB/WIB 92
| 1. | ....... |
| 1° | in de tabel onder punt 1, b, wordt de kolom van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, aangevuld met "1992" en wordt de kolom van de in aanmerking te nemen referentierentevoet aangevuld met "9,25" wat betreft de leningen waarvan de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is gewaarborgd en met "8,25" wat de andere leningen betreft; |
| 2° | in de tabel onder punt 1, c, 2°, wordt de kolom van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, aangevuld met "1992" en wordt de kolom van het maandelijks lastenpercentage aangevuld met "0,46" wat betreft de leningen om de aankoop van een wagen te financieren en met "0,46" wat de andere leningen betreft; |
| 3° | in de tabel onder punt 1, d, worden de kolommen van het jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt en van de in aanmerking te nemen referentierentevoet respectievelijk aangevuld met "1992" en "12"; |
| 4° | punt 9 wordt aangevuld met het volgende lid: |
| Art. | 17. |
§ 2. Artikel 2, 1° tot 3°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1992 toegekende voordelen.
§ 3. Artikel 2, 4°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1993 toegekende voordelen.
.......
B. KB 18.2.1994 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de revalorisatiecoëfficiënt voor kadastrale inkomens en de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
| 2. | ....... |
| 1° | in de tabel onder punt 1, b, wordt, voor een leningsovereenkomst die in 1985 is gesloten, in de kolom van de in aanmerking te nemen referentierentevoet wat betreft de "andere leningen", de referentierentevoet van "9,72" vervangen door "9,75"; |
| 2° | in de tabel onder punt 1, b, wordt de kolom van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, aangevuld met "1993" en wordt de kolom van de in aanmerking te nemen referentievoet aangevuld met "8" wat betreft de leningen waarvan de terugbetaling gewaarborgd is door een gemengde levensverzekering en met "7,65" wat de andere leningen betreft; |
| 3° | in de tabel onder punt 1, c, 2°, wordt de kolom van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, aangevuld met "1993" en wordt de kolom van het maandelijks lastenpercentage aangevuld met "0,42" wat betreft de leningen om de aankoop van een wagen te financieren en met "0,48" wat de andere leningen betreft; |
| 4° | in de tabel onder punt 1, d, worden de kolommen van het jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt en van de in aanmerking te nemen referentierentevoet respectievelijk aangevuld met "1993" en "10,50"; |
| 5° | punt 2 wordt vervangen door de volgende bepaling: |
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed naargelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
In afwijking van het vorige lid wordt, voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan die ter beschikking worden gesteld door rechtspersonen, het voordeel als volgt vastgesteld:
a) indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF: 100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 1,25;
b) indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed groter is dan 30.000 BEF: 100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 2, [waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed] (De zinsnede "waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed" is vernietigd door het arrest van 16.2.1996, nr. 58.169, van de Raad van State, inzake HURNER Stephen (zie ook de nrs 22 tot 25).)
Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
Voor de toepassing van de voorgaande leden wordt, behalve voor de beoordeling van de in het tweede lid vermelde grens van 30.000 BEF, het kadastrale inkomen in aanmerking genomen nadat het is geïndexeerd overeenkomstig artikel 518 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.";
| 6° | punt 4, a, wordt vervangen door de volgende bepaling: |
- verwarming: 48.000 BEF per jaar;
- elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming: 24.000 BEF per jaar;".
| Art. | 3. |
§ 2. Artikel 2, 1°, heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1992.
§ 3. Artikel 2, 2°, 3°, 4° en 6°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1993 toegekende voordelen van alle aard.
§ 4. Artikel 2, 5°, is van toepassing op de vanaf 1 januari 1994 toegekende voordelen van alle aard.
.......
C. KB 7.3.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard
3. Art. 1. In artikel 18, § 3, van het KB/WIB 92, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 22 oktober 1993 en 18 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
| 1° | in de tabel onder punt 1, b, wordt de kolom van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, aangevuld met "1994" en wordt de kolom van de in aanmerking te nemen referentierentevoet aangevuld met "7,25" wat betreft de leningen waarvan de terugbetaling gewaarborgd is door een gemengde levensverzekering en met "7,10" wat de andere leningen betreft; |
| 2° | in de tabel onder punt 1, c, 2°, wordt de kolom van het jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, aangevuld met "1994" en wordt de kolom van het maandelijks lastenpercentage aangevuld met "0,40" wat betreft de leningen om de aankoop van een wagen te financieren en met "0,47" wat de andere leningen betreft; |
| 3° | in de tabel onder punt 1, d, worden de kolommen van het jaar waarin de ontlener over de geleende bedragen heeft beschikt en van de in aanmerking te nemen referentierentevoet respectievelijk aangevuld met "1994" en "9,25". |
.......
D. KB 5.4.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard [Er wordt opgemerkt dat het KB van 5.4.1995 het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot vernietiging voor de Raad van State (zie ook de nrs 22 tot 25).]
4. Art. 1. In artikel 18, § 3, punt 2, van het KB/WIB 92, vervangen bij het koninklijk besluit van 18 februari 1994, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
| 1° | in het tweede lid, a), worden de woorden "100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 1,25" vervangen door de woorden "48.000 BEF per jaar"; |
| 2° | het tweede lid, b) wordt door de volgende bepaling vervangen: "b) indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed groter is dan 30.000 BEF: |
- 100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 2, waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed;
- voor personeelsleden die ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke nabijheid daarvan moeten zijn, wordt het voordeel evenwel vastgesteld op 144.000 BEF per jaar.";
| 3° | in het derde lid worden tussen het woord "moet" en de woorden "bij de vaststelling" de volgende woorden ingevoegd "behoudens in de gevallen vermeld in b), 2e streepje van het vorig lid, ". |
.......
II. ALGEMEEN
5. Het art. 18, § 3, KB/WIB 92, dat de forfaitaire raming van anders dan in geld verkregen voordelen van alle aard behandelt, is achtereenvolgens gewijzigd door de KB:
- 22.10.1993 (BS 29.10.1993 - V 2273 - Bull. 733, blz. 3326);
- 18.2.1994 (BS 26.2.1994) - V 2294 - Bull. 737, blz. 792);
- 7.3.1995 (BS 16.3.1995) - V 2372 - Bull. 749, blz. 1187);
- 5.4.1995 (BS 13.5.1995) - V 2386 - Bull. 751, blz. 1670) [Er wordt opgemerkt dat het KB van 5.4.1995 het voorwerp uitmaakt van een verzoek tot vernietiging voor de Raad van State (zie ook de nrs 22 tot 25).].
6. De wijzigingen die door deze verschillende KB zijn aangebracht betreffen:
- de forfaitaire raming van het voordeel dat voortkomt uit renteloze leningen of leningen tegen verminderde rentevoet (art. 18, § 3, punt 1, KB/WIB 92, gewijzigd door art. 2, 1° tot 3°, KB 22.10.1993, art. 2, 1° tot 4°, KB 18.2.1994 en KB 7.3.1995);
- de forfaitaire raming van het voordeel dat voortkomt uit de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen (art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92, gewijzigd door art. 2, 5°, KB 18.2.1994 en KB 5.4.1995);
- de forfaitaire raming van het voordeel dat voortkomt uit de kosteloze verstrekking van verwarming en van elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming (art. 18, § 3, punt 4, KB/WIB 92, gewijzigd door art. 2, 6°, KB 18.2.1994);
- de forfaitaire raming van het voordeel dat voortkomt uit het persoonlijk gebruik van een kosteloos ter beschikking gesteld voertuig (art. 18, § 3°, punt 9, KB/WIB 92, gewijzigd door art. 2, 4°, KB 22.10.1993).
III. RENTELOZE LENINGEN OF LENINGEN TEGEN VERMINDERDE RENTEVOET
A. Algemeen
7. De wijzigingen met betrekking tot het belastbare voordeel dat voortkomt uit een renteloze lening of een lening tegen verminderde rentevoet hebben geen betrekking op de berekeningswijze van dit voordeel maar zijn beperkt tot, enerzijds, de rechtzetting van een materiële vergissing en, anderzijds, de jaarlijkse aanpassing van de in aanmerking te nemen referentierentevoet.
B. Hypothecaire leningen
8. De tabel in art. 18, § 3, punt 1, b, KB/WIB 92 geeft, per jaar waarin de leningsovereenkomst is gesloten, de in aanmerking te nemen referentierentevoet om het belastbare bedrag te berekenen van het voordeel dat voortkomt uit een renteloze hypothecaire lening of een hypothecaire lening tegen verminderde rentevoet.
9. De tabel, die in de oorspronkelijke versie van het KB/WIB 92 was opgenomen, bevatte een vergissing met betrekking tot de referentierentevoet voor hypothecaire leningen gesloten in 1985 waarvoor de terugbetaling niet door een gemengde levensverzekering is gewaarborgd, (dat wil zeggen de "andere leningen"). De verkeerde rentevoet van 9,72 % wordt vervangen door 9,75 % met ingang van het aj. 1992 (inkomsten 1991). Het betreft de rentevoet die reeds in het oude KB/WIB was opgenomen.
10. De tabel wordt bovendien aangevuld in die zin dat wordt bepaald dat de referentierentevoet voor hypothecaire leningen gesloten in 1992, 1993 en 1994 respectievelijk wordt vastgelegd op:
- 9,25 %, 8 % en 7,25 % wanneer de terugbetaling door een gemengde levensverzekering is gewaarborgd;
- 8,25 %, 7,65 % en 7,10 % wat de andere hypothecaire leningen betreft.
C. Niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd
11. Om het belastbare voordeel te berekenen van niet-hypothecaire leningen met vaste looptijd, die in de jaren 1992, 1993 en 1994 zijn gesloten, wordt de referentierentevoet respectievelijk vastgesteld op basis van een maandelijks lastenpercentage:
- van 0,46, 0,42 en 0,40 wanneer de lening heeft gediend om de aankoop van een wagen te financieren;
- van 0,46, 0,48 en 0,47 indien de lening voor andere doeleinden heeft gediend.
D. Niet-hypothecaire leningen zonder vaste looptijd
12. De in aanmerking te nemen referentierentevoet is vastgesteld op 12 % voor de bedragen waarover de ontlener gedurende het jaar 1992 heeft kunnen beschikken, op 10,50 % voor de bedragen waarover hij in 1993 heeft kunnen beschikken en op 9,25 % voor de bedragen waarover hij in 1994 heeft kunnen beschikken.
IV. KOSTELOZE BESCHIKKING OVER ONROERENDE GOEDEREN OF GEDEELTEN VAN ONROERENDE GOEDEREN
A. Algemeen
13. De nieuwe tekst van art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 wijzigt de berekeningswijze van het voordeel dat voortkomt uit de kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen [Bij wijze van vereenvoudiging zal de term "onroerend goed" worden gebruikt in en op de plaats van "onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen" (zie ook nr 36/49, Com.IB 92 betreffende het KI van een gedeelte van een onroerend goed).] grondig. De wijzigingen betreffen de gebouwde onroerende goederen die door een rechtspersoon ter beschikking worden gesteld.
Deze wijzigingen zijn het gevolg van art. 2, 5°, van het KB 18.2.1994 en het KB 5.4.1995 en zijn van toepassing op de voordelen toegekend vanaf 1.1.1994.
B. Algemene regel
14. Het voordeel wordt, in principe, forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het geïndexeerde KI van het gratis gebruikte onroerend goed, naargelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
Die algemene regel werd niet gewijzigd. Hij is evenwel niet meer van toepassing voor de gebouwde onroerende goederen die ter beschikking worden gesteld door een rechtspersoon.
C. Gebouwd onroerend goed dat door een rechtspersoon kosteloos ter
beschikking wordt gesteld
1. Principes
15. Voor de gebouwde onroerende goederen die door rechtspersonen kosteloos ter beschikking van de verkrijger worden gesteld verschilt de berekeningswijze van het voordeel voortaan naargelang het niet-geïndexeerde KI al dan niet 30.000 BEF te boven gaat.
16. Voor de gevallen waarin het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF te boven gaat, is bovendien een speciale regeling opgesteld om rekening te houden met de bijzondere situatie van personeelsleden die ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moeten zijn.
2. Notie "rechtspersoon"
17. Onder "rechtspersoon", moet worden verstaan, enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling naar Belgisch of buitenlands recht, die rechtspersoonlijkheid bezit, ongeacht of ze een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard.
| 18. | Deze notie omvat bijgevolg: |
- de binnen- en buitenlandse vennootschappen bedoeld in art. 2, § 2, WIB 92;
- lichamen met rechtspersoonlijkheid die naar Belgisch recht zijn opgericht en voor toepassing van de inkomstenbelastingen worden geacht geen rechtspersoonlijkheid te bezitten (art. 2, § 2, 1°, 2e lid, en art. 29, § 2, WIB 92);
- de gemeentespaarkassen bedoeld in art. 179, WIB 92;
- de rechtspersonen die overeenkomstig art. 220, WIB 92, aan de RPB zijn onderworpen, namelijk:
- de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de openbare kerkelijke instellingen;
- de rechtspersonen die ingevolge art. 180, WIB 92, niet aan de Ven.B zijn onderworpen;
- de rechtspersonen die in België hun maatschappelijke zetel, hun voornaamste inrichting of hun zetel van bestuur of beheer hebben en geen onderneming exploiteren of zich niet met verrichtingen van winstgevende aard bezighouden, of ingevolge art. 181 en 182, WIB 92, niet aan de Ven.B zijn onderworpen;
- de rechtspersonen die overeenkomstig art. 227, 2° en 3°, WIB 92, aan de BNI zijn onderworpen.
3. Gebouwd onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF
niet te boven gaat
19. Wanneer het niet geïndexeerde KI van een gebouwd onroerend goed dat kosteloos door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF, bedraagt het voordeel in principe steeds 48.000 BEF per jaar (zie evenwel nrs 40 tot 45 en 48).
4. Onroerend goed waarvan het niet geïndexeerde KI 30.000 BEF te boven gaat
| a) | Principes |
- 100/60 van het geïndexeerde KI, vermenigvuldigd met 2, m.a.w. 10/3 van het geïndexeerde KI;
- de huurwaarde van het onroerend goed.
21. Dit voordeel wordt evenwel op 144.000 BEF per jaar vastgesteld voor de personeelsleden die, ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn, een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moeten zijn.
| b) | Huurwaarde |
23. Het KB 5.4.1995 tot wijziging van het KB/WIB 92, op het stuk van de forfaitaire raming van de anders dan in geld behaalde voordelen van alle aard (zie nr 4), heeft die bepaling met dezelfde datum van inwerkingtreding vervangen, dit evenwel met behoud van de verwijzing naar de huurwaarde.
24. Met zijn arrest van 16.2.1996, nr 58.169, inzake Hürner, heeft de Raad van State in art. 18, § 3, punt 2, 2de lid, b, KB/WIB 92, de woorden "waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed", die werden ingevoegd ingevolge de wijzigingen aangebracht door het KB 18.2.1994, nietig verklaard. Dit arrest heeft met andere woorden in principe geen enkele weerslag op de huidige tekst, die in feit het gevolg is van het KB 5.4.1995.
25. In het kader van het antwoord dat hij heeft gegeven op de parlementaire vraag nr 209 van 27.12.1995 gesteld door Volksvertegenwoordiger DUFOUR (Bulletin Vragen en Antwoorden, Kamer van Volksvertegenwoordiger), Gewone zitting 1995-1996, nr 27, blz. 3195 - Bull. 762, blz. 1305), heeft de Minister van Financiën evenwel gesteld "dat elke vergelijking ten opzichte van de gemiddelde huurwaarde vandaag niet relevant is voor de bepaling van het forfaitair voordeel dat voortvloeit uit het kosteloos ter beschikking stellen van een woning".
Daaruit kan men besluiten dat, in de huidige stand van zaken, het in aanmerking te nemen belastbare voordeel steeds gelijk is aan 10/3 van het geïndexeerde KI wanneer het gaat om een gebouwd onroerend goed met een (niet geïndexeerd) KI dat groter is dan 30.000 BEF en dat door een rechtspersoon gratis ter beschikking wordt gesteld.
| c) | Bijzonder geval van personeelsleden die contractueel verplicht zijn wegens hun functies een woongelegenheid op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan te betrekken |
26. De nieuwe tekst van art. 18, § 3, 2, b, KB/WIB 92 bevat een bijzondere regel voor de vaststelling van het belastbare voordeel voor een onroerend goed met een niet geïndexeerd KI van meer dan 30.000 BEF, dat in bijzondere omstandigheden door een rechtspersoon ter beschikking wordt gesteld.
27. Die regel is in de volgende omstandigheden van toepassing:
- de begunstigde is een personeelslid;
- de begunstigde is contractueel verplicht het onroerend goed dat hem ter beschikking wordt gesteld te betrekken;
- de verplichting om het onroerend goed te betrekken moet voortvloeien uit het feit dat de functies van de begunstigde zijn blijvende aanwezigheid op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan vereisen.
28. In dat geval is het belastbare voordeel dat volgt uit de gratis ter beschikkingstelling steeds gelijk aan 144.000 BEF per jaar (zie evenwel nrs 40, 41 en 48).
Personeelslid
29. Deze maatregel beoogt de personeelsleden, dat wil zeggen, de personen die bezoldigingen van werknemers verkrijgen in de zin van art. 31, WIB 92, met uitsluiting dus van de bestuurders en de werkende vennoten [Art. 1, KB 20.5.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92 heeft de woorden "Bestuurders en werkende vennoten" zoals voorheen vermeld in art. 18, § 3, 4, a, KB/WIB 92, vervangen door de woorden "en bedrijfsleiders" (V 2509, Bull. 774, blz. 1713). Deze wijziging is van toepassing op de vanaf 1.1.1997 toegekende voordelen van alle aard.].
De verplichting het onroerend goed te betrekken moet voortvloeien uit een contract
30. De verplichting het onroerend goed te betrekken moet voortvloeien uit een contractuele band tussen de werkgever, rechtspersoon, en de verkrijger van het voordeel.
Dit contract moet dus het voorwerp uitmaken van een geschrift dat het personeelslid individueel verplicht een bepaalde woning te betrekken.
31. Het contract dat beperkt is tot een bepaling dat het personeelslid aan een meer algemeen reglement onderworpen is, zal worden aanvaard, voor zover dat reglement zelf uitdrukkelijk melding maakt van de verplichting dat personen die een bepaalde functie uitoefenen, het onroerend goed moeten betrekken dat hen door de werkgever ter beschikking wordt gesteld.
De functies van de verkrijger vereisen dat hij blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moet zijn
32. Die voorwaarde houdt in dat de verkrijger van het voordeel functies uitoefent die van die aard zijn dat hij zich op ieder moment en zeer snel naar zijn plaats van tewerkstelling moet kunnen begeven en dat de verplichting om de woning te betrekken voortvloeit uit zijn functies. Dat zou het geval kunnen zijn met name voor onderhoudspersoneel van installaties die onafgebroken werken, voor onderhouds- en bewakingspersoneel in de sectoren van productie en distributie van elektriciteit, gas, water, enz., voor huisbewaarders en voor directeuren van bankagentschappen.
33. De woongelegenheid die ter beschikking van het personeelslid wordt gesteld moet zich bevinden, ofwel op de plaats van tewerkstelling zelf, ofwel in de onmiddellijke omgeving daarvan.
34. De term "in de onmiddellijke omgeving" moet strikt worden geïnterpreteerd. Een woongelegenheid in de buurt of in de wijk van de plaats van het werk beantwoordt aan die voorwaarde. Men mag aannemen dat de woongelegenheid van de werknemers zich in de onmiddellijke nabijheid van de plaats van het werk bevindt, wanneer hij zich in enkele minuten te voet van die woongelegenheid naar de plaats van het werk kan begeven, zonder een beroep te doen op een of ander vervoermiddel.
35. Er moet dus een onderscheid worden gemaakt tussen de personeelsleden die zich snel op de plaats van hun werk moeten kunnen melden en zij die er blijvend ter plaatse of in de onmiddellijke omgeving ervan moeten zijn.
36. Wanneer een werknemer bijvoorbeeld contractueel een woongelegenheid binnen een straal van 10 km van de plaats van het werk moet betrekken, moet worden besloten dat zijn aanwezigheid op de plaats van het werk of in de onmiddellijke nabijheid daarvan niet noodzakelijk is.
Daarentegen beantwoordt de bezoldigde filiaalhouder van een bankagentschap, die contractueel verplicht is een appartement boven het agentschap of een er rechtover gelegen gebouw te betrekken, aan de gestelde criteria.
D. Woongelegenheid die de persoonlijke behoeften aan de betrekker te boven gaat
37. Wanneer iemand verplicht is een woning te betrekken waarvan de belangrijkheid duidelijk zijn persoonlijke behoeften, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet het voordeel worden berekend op basis van het KI van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
38. Die regel is echter niet van toepassing op de personeelsleden van een rechtspersoon die contractueel verplicht zijn een woning te betrekken met een niet geïndexeerd KI dat groter is dan 30.000 BEF, omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke omgeving daarvan moeten zijn. Het belastbare voordeel wegens de kosteloze beschikking is derhalve steeds gelijk aan 144.000 BEF per jaar.
39. In de praktijk is die regel evenmin van toepassing op gebouwde onroerende goederen de door een rechtspersoon ter beschikking zijn gesteld en waarvan het (niet geïndexeerde) KI kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF. Het voordeel is dan normaal immers steeds gelijk aan 48.000 BEF per jaar (zie nr 19).
E. Onroerend goed gedurende een gedeelte van het jaar ter beschikking gesteld
40. Indien een onroerend goed slechts gedurende een gedeelte van het jaar ter beschikking wordt gesteld, moet het belastbaar bedrag in functie van het aantal maanden van de bewoning worden vastgesteld, welke ook de berekeningswijze van het belastbaar voordeel mag zijn (op basis van het KI of forfaitair).
41. Indien de terbeschikkingstelling niet op de eerste dag van de maand plaatsvindt, wordt die maand slechts in aanmerking genomen voor de berekening van het voordeel wanneer het onroerend goed op de 16de van de maand in gebruik is genomen. Dezelfde regel is van toepassing voor de maand tijdens dewelke de terbeschikkingstelling ophoudt, wanneer die gebeurtenis niet op de laatste dag van de maand plaatsvindt.
42. Het spreekt voor zich dat men steeds moet uitgaan van het volledige niet geïndexeerde KI om te bepalen of het ter beschikking gesteld onroerend goed, een KI heeft dat 30.000 BEF te boven gaat of niet.
43. Voorbeeld
| 1. | Een vennootschap stelt een woonhuis met een niet geïndexeerd KI van 28.000 BEF ter beschikking van één van haar werknemers, vanaf 7.3.1994. Voor aj. 1995 bedraagt het belastbaar voordeel 48.000 BEF x 10/12 = 40.000 BEF. |
| 2. | Zelfde voorbeeld, maar het niet geïndexeerde KI bedraagt 36.000 BEF Geïndexeerd KI op jaarbasis (na afronding): 36.000 BEF x 1,1398 = 41.000 BEF Bedrag van het belastbaar voordeel: 41.000 BEF x 10/3 x 10/12 = 113.889 BEF. |
44. Indien het KI van een gebouwd onroerend goed gedurende het jaar ten gevolge van hernieuwingswerken wordt gewijzigd, moet met dit nieuwe KI rekening worden gehouden vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de voltooiing van de werken. In die omstandigheden, moeten de waarderingsregels die gelden voor een niet geïndexeerd KI tot 30.000 BEF en van meer dan 30.000 BEF dan ook pro rata temporis worden toegepast om het totale belastbare voordeel van alle aard vast te stellen (cf. parlementaire vraag nr 228 van 16.1.1996 gesteld door Volksvertegenwoordiger TAVERNIERS Jozef - Bulletin Vragen en Antwoorden nr 26, Kamer van Volksvertegenwoordigers, gewone zitting 1995-1996, blz. 3016, Bull. 761, blz. 1177).
45. Voorbeeld
Ingevolge verbouwingswerken wordt het (niet geïndexeerde) KI van een woning, die een vennootschap aan één van haar bestuurders ter beschikking stelt vanaf 1.5.1994 van 28.000 BEF op 39.400 BEF gebracht. Het totale belastbare voordeel wordt als volgt vastgesteld:
a) niet geïndexeerd KI 28.000 BEF voordeel:
- op jaarbasis: 48.000 BEF
- voor 4 maanden (tot 30.4.1994):
48.000 BEF x 4/12 = 16.000 BEF
b) niet geïndexeerd KI van 39.400 BEF voordeel
- op jaarbasis na indexering afgerond KI:
39.400 BEF x 1,1398 = 44.900 BEF
44.900 BEF x 10/3 = 149.667 BEF - voor 8 maanden (vanaf 1.5.1994)
149.667 BEF x 8/12 = 99.778 BEF
| c) | totaal belastbaar voordeel: 16.000 BEF + 99.778 BEF = 115.778 BEF |
G. Gemeubileerd onroerend goed
47. Het belastbare voordeel wegens de terbeschikkingstelling van een onroerend goed moet steeds met 2/3 worden verhoogd wanneer het een gemeubileerd onroerend goed betreft, welke berekeningswijze ook in aanmerking is genomen om dat voordeel vast te stellen.
H. Bijdrage van de verkrijger van het voordeel in de kostprijs ervan
48. Wanneer een onroerend goed ter beschikking wordt gesteld van een verkrijger tegen een bijdrage in de kostprijs van het voordeel, moet het belastbare voordeel in principe steeds worden berekend op basis van de kosteloze beschikking en moet daarvan vervolgens de bijdrage van de verkrijger worden afgetrokken.
Het feit dat het voordeel op één van de twee forfaitaire bedragen (48.000 BEF of 144.000 BEF per jaar) zou worden vastgesteld, doet geen afbreuk aan deze regel.
I. Inwerkingtreding
49. De wijzigingen aangebracht aan art. 18, § 3, punt 2, KB/WIB 92 zijn van toepassing op de voordelen van alle aard toegekend vanaf 1.1.1994 (art. 3, § 4, KB 18.2.1994 en art. 2, KB 5.4.1995).
V. KOSTELOZE VERSTREKKING VAN VERWARMING EN VAN ELEKTRICITEIT GEBRUIKT TOT ANDERE DOELEINDEN DAN VERWARMING
50. Art. 18, § 3, punt 4, KB/WIB 92 stelt het belastbaar bedrag vast van het voordeel dat voortvloeit uit de kosteloze verstrekking van verwarming en elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming.
Dat belastbaar bedrag is voor het leidinggevend personeel hoger dan voor de andere verkrijgers: 48.000 BEF tegenover 24.000 BEF wat de verwarming betreft en 24.000 BEF tegenover 12.000 BEF voor elektriciteit gebruikt tot andere doeleinden dan verwarming.
De notie "leidinggevend personeel" wordt verduidelijkt in nr. 36/58, Com.IB 92.
51. Aangezien sommigen het feit in twijfel hebben getrokken dat de bestuurders en werkende vennoten [Art. 1 KB 20.5.1997 tot wijziging van het KB/WIB 92 heeft de woorden "Bestuurders en werkende vennoten" zoals voorheen vermeld in art. 18, § 3, 4, a, KB/WIB 92, vervangen door de woorden "en bedrijfsleiders (V 2509, Bull. 774, blz. 1713). Deze wijziging is van toepassing op de vanaf 1.1.1997 toegekende voordelen van alle aard.].
52. Die bepaling is van toepassing op de voordelen van alle aard toegekend vanaf 1.1.1993 (art. 3, § 3, KB 18.2.1994).
VI. PERSOONLIJK GEBRUIK VAN EEN KOSTELOOS TER BESCHIKKING GESTELD VOERTUIG
53. Art. 2, 4°, KB 22.10.1993 heeft art. 18, § 3, punt 9, KB/WIB 92, aangevuld door daarin de bepalingen op te nemen van art. 1, KB 11.12.1992 tot vaststelling van het minimumvoordeel uit het persoonlijk gebruik van een voertuig dat kosteloos of tegen een bijdrage ter beschikking van de verkrijger is gesteld (V 2211 - Bull. 724, blz. 270).
54. Die bepaling schreef voor dat, voor de vaststelling van het voordeel verbonden aan een dergelijk gebruik, het aantal kilometers dat per jaar in aanmerking moet worden genomen niet lager mag zijn dan 5.000 en heeft reeds het voorwerp uitgemaakt van de circ. 16.12.1993, Ci.RH. 241/452.355 (Bull. 735, blz. 308).
55. Het 2de lid van art. 18, § 3, punt 9, KB/WIB 92, dat is ingevoegd bij voornoemd art. 2, 4°, is van toepassing op de voordelen toegekend vanaf 1.1.1993, die ook de datum van inwerkingtreding is van art. 1, KB 11.12.1992.
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal van financiën,
V. KINDT
BIJLAGE
GECOORDINEERDE TEKST VAN ART. 18, § 3, PUNT 2, KB/WIB 92
"2. Kosteloze beschikking over onroerende goederen of gedeelten van onroerende goederen.
Het voordeel wordt forfaitair vastgesteld op 100/60 of 100/90 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed naar gelang het een gebouwd of een ongebouwd onroerend goed betreft.
In afwijking van het vorige lid wordt, voor gebouwde onroerende goederen of gedeelten daarvan die ter beschikking worden gesteld door rechtspersonen, het voordeel als volgt vastgesteld:
| a) | indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed kleiner is dan of gelijk is aan 30.000 BEF: 48.000 BEF per jaar; |
| b) | indien het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed groter is dan 30.000 BEF: |
- 100/60 van het kadastrale inkomen van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed, vermenigvuldigd met 2, [waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed] (De uitdrukking "waarbij dat voordeel niet lager mag zijn dan de huurwaarde van het onroerend goed of het gedeelte van het onroerend goed" moet als onbestaande worden beschouwd (zie nrs 22 tot 26).);
- voor personeelsleden die ingevolge een met hun werkgever gesloten contract verplicht zijn een bepaalde woongelegenheid te betrekken omdat zij wegens hun functies blijvend op de plaats van het werk of in de onmiddellijke nabijheid daarvan moeten zijn, wordt het voordeel evenwel vastgesteld op 144.000 BEF per jaar.
Nochtans, wanneer het betrekken van een goed wordt opgelegd en de belangrijkheid van dat goed duidelijk de persoonlijke behoeften van de betrekker, rekening houdend met zijn maatschappelijke stand en de samenstelling van zijn gezin, te boven gaat, moet, behoudens in de gevallen vermeld in b), tweede streepje van het vorige lid, bij de vaststelling van het belastbare voordeel slechts rekening worden gehouden met het kadastrale inkomen van een onroerend goed dat aan de werkelijke behoeften van de betrekker beantwoordt.
Wanneer het een gemeubileerde woning betreft, wordt het overeenkomstig de voorgaande leden vastgestelde voordeel met 2/3 verhoogd.
Bron: FisconetPlus
