Circulaire nr. 6/2016 d.d. 25.07.2016

OPMERKING: wordt vernietigd en vervangen door de circulaire 2018/C/62 van 22.05.2018

Waals Gewest - Successierecht - Overdracht van landbouwgronden

Federale Overheidsdienst Financiën
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie

Operationele Expertise en Ondersteuning

Juridische Expertise

Dossier L. 288w

Bijlagen: 2

Decreet van 17 december 2015 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2016

Successierecht

Inleiding

In het Belgisch Staatsblad van 30 december 2015 (ed. 2, p. 81.354) werd het decreet van 17 december 2015 houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2016 bekendgemaakt (hierna: decreet).

Het "begrotingsdecreet" heeft wijzigingen aangebracht inzake registratierecht en successierecht. Inzake successierecht heeft het decreet het stelsel van de overdracht door overlijden van landbouwgronden gewijzigd.

Deze circulaire geeft toelichting bij de wijzigingen die zijn aangebracht inzake successierecht. Een andere circulaire geeft toelichting bij de maatregelen inzake registratierecht.

Aangezien het een begrotingsdecreet is, gelden deze fiscale maatregelen slechts voor het jaar 2016. De parlementaire voorbereiding bevat geen memorie van toelichting.

De tekst van het Waals decreet inzake het W.Succ.W is opgenomen als bijlage 1. De geconsolideerde tekst van het gewijzigde artikel is opgenomen als bijlage 2 en op www.fisconetplus.be.

De wijzigingen zijn in werking getreden op 1 januari 2016.

Commentaar

Overdracht van landbouwgronden (art. 60bis W.Succ.W)

Het begrotingsdecreet van 17 december 2015 heeft bepaalde regels inzake de overdracht door overlijden van landbouwgronden gewijzigd.

De algemene regel werd behouden. De overdracht door overlijden van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de activiteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechte lijn, tussen echtgenoten en wettelijk samenwonenden blijft beschouwd als een overdracht door overlijden van goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelszaak vormen, op voorwaarde dat die gronden het voorwerp van een pacht uitmaken (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid W.Succ.W).

De vormvoorwaarden (attest afgeleverd door de administratie en afgifte door de erfgenamen, legatarissen of begiftigden aan de ontvanger(1) en de voorwaarden voor het behoud(2) zijn eveneens niet gewijzigd(3).

Er wordt een voorwaarde toegevoegd van voorafgaande afstand van de landbouwactiviteit die wordt uitgeoefend op de grond die door overlijden wordt overgedragen. De overdracht van landbouwgronden van meer dan 150 ha wordt ook in twee opzichten gewijzigd.

1. Nieuwe voorwaarde: voorafgaande afstand van elke quotiteit van de landbouwactiviteit uitgeoefend op de landbouwgrond die wordt overgedragen door overlijden (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid nieuw W.Succ.W)

De Waalse wetgever bevestigt de interpretatie van de federale administratie op basis van de parlementaire voorbereiding(4), in die zin dat de overdracht van de landbouwgronden volgt op de voorafgaande overdracht van de landbouwexploitatie. De toepassing van het verlaagd tarief uitbreiden tot de overdracht van landbouwgronden beoogt het geval waarbij de oorspronkelijke uitbater de landbouwexploitatie aan een persoon overdraagt, waarbij de oorspronkelijke uitbater zich de eigendom van de landbouwgronden heeft voorbehouden en dat de de cujus de gronden wil overdragen aan de huidige uitbater.

De overdracht van de landbouwgronden moet noodzakelijk voorafgegaan zijn door de afstand, door de de cujus, van de op die gronden uitgeoefende activiteit. Die voorafgaande afstand moet slaan op alle rechten die betrekking hebben op de activiteit.

Het begrip activiteit in de zin van artikel 60bis, § 1, 1°, derde lid nieuw W.Succ.W verwijst naar het geheel van goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelszaak uitmaken waarmee de de cujus een activiteit uitoefent (art. 60bis, § 1, 1°, eerste lid W.Succ.W). Een zakelijk recht op de goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelszaak uitmaken, moet voorafgaandelijk overgedragen zijn, zelfs indien de de cujus, alleen of samen met andere personen, geheel of gedeeltelijk de landbouwactiviteit uitoefent.

De overdracht door overlijden van de goederen bedoeld in artikel 60bis, § 1, 1°, eerste lid nieuw W.Succ.W in blote eigendom wordt gelijkgesteld met een overdracht van een onderneming die het verlaagd tarief kan genieten. De overdracht door overlijden van de landbouwgronden kan eveneens het verlaagd tarief genieten, zelfs als de de cujus zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden van de goederen (andere dan de overgedragen gronden) die vooraf werden overgedragen.

2. Verhoogd tarief van 3 % voor de overdracht door overlijden van landbouwgronden met een oppervlakte van meer dan 150 hectaren (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid nieuw W.Succ. W)

Een overdracht door overlijden van landbouwgronden met een oppervlakte gelijk aan of kleiner dan 150 hectaren blijft verder het tarief van 0 % genieten.

Een overdracht door overlijden van landbouwgronden met een oppervlakte die groter is dan 150 hectaren valt voortaan onder het verhoogd tarief van 3 % (en niet 0 %).

Om te bepalen of de drempel van 150 hectaren overschreden is wordt rekening gehouden met:

  • de gronden die door schenking werden overgedragen binnen de vijf jaar vóór het overlijden (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid nieuw W.Succ.W).
  • de door overlijden verkregen landbouwgronden.

In tegenstelling de wijzigingen inzake schenking van landbouwgronden, is niet bepaald dat enkel de schenkingen onder het stelsel van de overdracht van onderneming in aanmerking worden genomen. Bijgevolg dienen alle landbouwgronden die werden overgedragen binnen de vijf jaar vóór het overlijden, in aanmerking te worden genomen, ongeacht het tarief dat werd toegepast op deze overdrachten.

Er wordt daarentegen geen rekening gehouden met de vroegere verkopen, door de de cujus, van een deel van de landbouwgronden.

Inzake de overdracht door overlijden van landbouwgronden is het de de cujus (en niet zijn rechtsopvolgers) die fictief wordt geacht een landbouwactiviteit uit te oefenen met deze gronden. De voorwaarde inzake de oppervlakte moet dus gecontroleerd worden bij de de cujus (en niet bij de erfgenaam, legataris of begiftigde).

In geval van overdracht door overlijden van landbouwgronden met een oppervlakte die groter is dan 150 hectaren (voorbeeld overdracht door overlijden van landbouwgronden van 250 hectaren), is het tarief van 3 % toepasselijk op het geheel en niet alleen op het deel van de gronden dat 150 hectaren overtreft.

In geval van overdracht door overlijden van landbouwgronden die worden samengevoegd met gronden die zijn overgedragen binnen de vijf jaar vóór het overlijden, is het tarief van 3 % slechts toepasselijk op de op dat ogenblik door overlijden verkregen gronden (en niet op de reeds eerder overgedragen gronden). Het tarief van 0 %, toepasselijk op de gronden die al werden overgedragen door schenking binnen de vijf jaar vóór het overlijden, en die in aanmerking worden genomen om uit te maken of de drempel van 150 hectaren al dan niet overschreden is, blijft ongewijzigd. Indien bijvoorbeeld landbouwgronden met een oppervlakte van 80 hectaren door overlijden worden overgedragen, en drie jaar en vijf jaar daarvóór gronden werden overgedragen met een totale oppervlakte van 120 hectaren, is het tarief van 3 % slechts toepasselijk op de overdracht door overlijden van landbouwgrond met een oppervlakte van 80 hectaren. Het tarief van 0 %, toepasselijk op de schenkingen verricht binnen de vijf voorgaande jaren, blijft ongewijzigd.

3. Verlengde exploitatietermijn van 15 jaar voor de overdracht door overlijden van landbouwgronden groter dan 150 hectaren (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid nieuw W.Succ.W)

In geval van overdracht door overlijden van landbouwgronden groter dan 150 hectaren, wordt de exploitatievoorwaarde van die gronden op 15 jaar gebracht (en niet meer 5 jaar(5) te rekenen vanaf het overlijden. Met andere woorden, de voorwaarde van landbouwexploitatie van die gronden moet worden voortgezet gedurende een termijn van minimum 15 jaar te rekenen vanaf het overlijden (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid W.Succ.W).

De landbouwonderneming van de werkelijke uitbater moet de landbouwactiviteit die op die gronden wordt uitgeoefend verderzetten (art. 60bis, § 1, 1°, derde lid W.Succ.W).

4. Sanctie bij niet-naleving van de exploitatievoorwaarde

In geval van niet-vervulling van de voorwaarde tot behoud (voortzetting van de exploitatie gedurende 15 jaar), zijn de progressieve rechten bedoeld in de art. 48 tot 60(6) W.Succ.W verschuldigd vanaf het ogenblik dat de voorwaarden tot behoud niet meer vervuld zijn (art. 60bis, § 4, eerste lid W.Succ.W). Bij verlies van het verlaagd tarief, moeten de voortzetters - dit zijn de rechtsopvolgers die het verlaagd tarief genoten hebben - een nieuwe aangifte indienen op het kantoor dat het verlaagd tarief heeft toegepast (art. 60bis, § 4, tweede lid W.Succ.W).

De voortzetters kunnen het verlaagd recht behouden indien overmacht voor hen wordt aanvaard (art. 60bis, § 4, eerste lid W.Succ.W).

Het gewoon recht is evenmin verschuldigd als de voortzetters, door indiening van een nieuwe aangifte, hebben aangeboden om het gewoon recht vervroegd te betalen (art. 60bis, § 5 W.Succ.W).

5. Inwerkingtreding

De wijzigingen inzake de overdracht door overlijden van landbouwgronden zijn toepasselijk op alle nalatenschappen die vanaf 1 januari 2016 openvallen (art. 49, vierde lid decreet).

NAMENS DE MINISTER:

De adviseur-generaal

André DE BRUYNE


(1) Art. 60bis, § 1bis, 3° W.Succ.W

(2) Art. 60bis, § 3 W.Succ.W

(3) Zie circulaire 5/2010 van 26 maart 2010 (www.fisconetplus.be).

(4) Zie Memorie van Toelichting, Doc. Waals Parlement, 2009-2010, nr. 118//1, 60.

(5) Artikel 60bis § 3, 1° W.Succ.W (zie circulaire 5/2010 van 26 maart 2010, punt 2.1.2, www.fisconetplus.be)

(6) Het preferentieel tarief van artikel 60ter W.Succ.W (woning die tot hoofdverblijfplaats dient) is niet toepasselijk op landbouwgronden.

Bijlage 1

VERTALING

WAALS GEWEST

17 DECEMBRE 2015 - Decreet houdende de algemene ontvangstenbegroting van het Waals Gewest voor het begrotingsjaar 2016 (1)

Uittreksel uit het BS (30 december 2015, ed. 2, p. 81.354)

(...)

HOOFDSTUK IV. - Maatregelen inzake successierecht

Art. 32. In artikel 60bis van het Wetboek der Successierechten, wordt paragraaf 1, 1°, derde lid, ingevoegd bij het decreet van 17 december 1997, vervangen bij het decreet van 15 december 2005, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 december 2009, gewijzigd bij het decreet van 10 mei 2012, vervangen als volgt:

"In geval van successorale overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de overlijdensdatum een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de overlijdensdatum het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1bis, en in paragraaf 3, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht tot 3% en de landbouwkundige exploitatievoorwaarde van deze gronden wordt gebracht tot 15 jaar vanaf de overlijdensdatum. Voor de bepaling van deze 150 ha, wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren vóór de overlijdensdatum gecumuleerd met de gronden ontvangen bij erfopvolging.".

Art. 33. In artikel 60bis van hetzelfde Wetboek wordt het eerste lid van paragraaf 4, ingevoegd bij decreet van 3 februari 2005, vervangen bij decreet van 15 december 2005, gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, aangevuld met wat volgt:

"en in geval van een successorale overdracht bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid, als ze ophouden hebben met de exploitatie vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar voorgeschreven bij paragraaf 1, 1°, derde lid, het geheel of een gedeelte van de gronden bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid.".

Art. 34. In artikel 60bis van hetzelfde Wetboek, wordt paragraaf 5 aangevuld met een derde lid, luidend als volgt:

"Het eerste lid en het tweede lid zijn mutatis mutandis van toepassing op het stelsel ingesteld bij paragraaf 1, 1°, derde lid, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld bij deze bepaling."

(...)

HOOFDSTUK IX. - Inwerkingtreding

Art. 49. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2016, met uitzondering van de artikelen 36 en 37 die in werking treden op 1 april 2016.

(...)

De artikelen 32 tot 34 zijn van toepassing op alle erfenissen die vanaf 1 januari 2016 worden opengevallen.

(...)

Bijlage 2

W.Succ.W

Geconsolideerde teksten(7)

Artikel 60bis.

§ 1. In afwijking van artikel 48 wordt het successierecht en het recht van overgang bij overlijden verlaagd tot 0 % voor het verkrijgen van een nettoaandeel in een onderneming, indien de erfopvolging of de vereffening van het huwelijksvermogensstelsel ten gevolge van het overlijden:

1° een zakelijk recht bevat op goederen die een universaliteit van goederen of een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de de cujus alleen of samen met andere personen op de dag van het overlijden een nijverheids-, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwactiviteit, een vrij beroep of een ambt of post uitoefende.

Het in de artikelen 48 tot 60 en 60ter vastgestelde recht blijft niettemin toepasselijk op de overdrachten van zakelijke rechten op onroerende goederen die geheel tot bewoning worden aangewend op het ogenblik van het overlijden. Het in de artikelen 48 tot 60 en 60ter vastgestelde recht blijft eveneens toepasselijk op de overdrachten van zakelijke rechten op onroerende goederen die gedeeltelijk tot bewoning worden aangewend op het ogenblik van het overlijden, in de mate van de verkoopwaarde van het deel van het onroerend goed dat voor bewoning wordt aangewend in verhouding tot de totale verkoopwaarde van het onroerend goed;

In geval van successorale overdracht van landbouwgronden aan de uitbater of medeuitbater van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, alsook in rechtstreekse lijn, tussen echtgenoten en wettelijke samenwonenden, worden die gronden, naar aanleiding van de overdracht van elke quotiteit van de landbouwactiviteit die er uitgeoefend wordt, desalniettemin beschouwd als goederen die een universaliteit van goederen, een bedrijfstak of een handelsfonds uitmaken, waarmee de schenker alleen of samen met andere personen op de overlijdensdatum een landbouwactiviteit uitoefent op voorwaarde dat die gronden op de overlijdensdatum het voorwerp van een pacht uitmaken overeenkomstig Afdeling 3 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, van het Burgerlijk Wetboek. In dat geval is de onderneming, in de zin van de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1bis, en in paragraaf 3, 1°, 2° en 3°, het landbouwbedrijf van de effectieve uitbater van de landbouwactiviteit die op die gronden uitgeoefend wordt, waarbij die onderneming beschouwd wordt in haar geheel en in haar toestand na overdracht van de gronden. Voor de overdracht van landbouwgronden van een oppervlakte groter dan 150 ha, wordt het tarief bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, echter gebracht tot 3% en de landbouwkundige exploitatievoorwaarde van deze gronden wordt gebracht tot 15 jaar vanaf de overlijdensdatum. Voor de bepaling van deze 150 ha, wordt er rekening gehouden met de gronden die door schenking zijn overgedragen binnen de 5 voorgaande jaren vóór de overlijdensdatum gecumuleerd met de gronden ontvangen bij erfopvolging.

2° een zakelijk recht bevat op:

a) effecten van een vennootschap waarvan de effectieve directiezetel gevestigd is in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en die zelf of samen met haar dochtervennootschappen als hoofdberoep een industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwonderneming uitbaat of een vrij beroep, een ambt of een post uitoefent, op geconsolideerde basis voor de vennootschap en haar dochtervennootschappen, voor het lopende boekjaar van de vennootschap en voor elk der beide laatste boekjaren van de vennootschap, afgesloten op het ogenblik van het overlijden van de de cujus;

b) schuldvorderingen op een in voorgaande a) bedoelde vennootschap.

§ 1bis. De vermindering van het recht, vastgesteld bij § 1, wordt ondergeschikt gemaakt aan de naleving van gezamenlijke volgende voorwaarden:

1° dient een onderneming te betreffen, ofwel in hoofde van de in § 1, 1° bedoelde onderneming, ofwel in hoofde van de vennootschap zelf of van de vennootschap en van haar dochtervennootschappen bedoeld in § 1, 2°, a):

- die op de datum van het overlijden personeel aangeworven op grond van een arbeidscontract in de Europese economische ruimte tewerkstelt;

- ofwel waarin de uitbater(s) en hun echtgenote, hun wettelijk samenwonende, hun bloed- en aanverwanten in de eerste graad de enige in de Europese economische ruimte tewerkgestelde werknemers van de onderneming zijn, aangesloten zijn bij een Sociale Verzekeringskas voor Zelfstandigen op de datum van het overlijden;

2° als het gaat om de effecten en schuldvorderingen bedoeld in § 1, 2°, moeten de volgende voorwaarden vervuld worden:

- het geheel van de overgedragen effecten moet op de overlijdensdatum minstens 10 % van de stemrechten in de algemene vergadering bedragen;

- als het geheel van de bij bedoelde successie overgedragen effecten minder bedraagt dan 50 % van de stemrechten in de algemene vergadering, moet bovendien een aandeelhouderschapsovereenkomst gesloten worden voor een minimumperiode van vijf jaar die ingaat op de overlijdensdatum, en betrekking hebben op minstens 50 % van de stemrechten in de algemene vergadering. Door het sluiten van deze overeenkomst verplichten de partijen zich ertoe te voldoen aan de voorwaarden bedoeld in § 3.

Dit streepje is evenwel niet toepasselijk als het geheel van de stemrechten van de algemene vergadering in het bezit van de overledene, zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, door de bloedverwanten in de opgaande lijn of de afstammelingen van de overledene en zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, alsook hun echtgenoten of wettelijke samenwonenden, door broers en zusters van de overledene en zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, alsook hun echtgenoten of wettelijke samenwonenden, en door de afstammelingen van de broers en zusters van de overledene en zijn echtgeno(o)t(e) of wettelijke samenwonende, alsook hun echtgenoten of wettelijke samenwonenden, minstens 50 % bereikt op de dag van het overlijden;

3° de erfgenamen, legatarissen en begiftigden die om de toepassing van het verlaagde recht verzoeken, dienen de bevoegde ontvanger een attest afgeleverd door de Regering van het Waalse Gewest over te maken waarin bevestigd wordt dat de vereiste voorwaarden voor de daarin vermelde erfgenamen, legatarissen en begiftigden vervuld zijn. Wanneer het attest niet overgemaakt wordt aan de ontvanger uiterlijk terzelfder tijd als de successieaangifte, worden de rechten berekend tegen het tarief van de artikelen 48 tot 60 en 60ter onder voorbehoud van een teruggave onder de voorwaarden van artikel 135, 8°, in welk geval artikel 60bis van toepassing is op de goederen waarvoor het recht teruggeven wordt.

Voor de toepassing van dit artikel worden die erfgenamen, legatarissen en begiftigden die om de toepassing van het verlaagde recht verzoeken en die houder van dat attest zijn, "opvolgers" genoemd.

De wijze waarop dat attest wordt aangevraagd en afgeleverd, evenals de stukken die erbij gevoegd dienen te worden, worden door de Regering van het Waalse Gewest bepaald.

§ 1ter. Onder "effecten" wordt verstaan:

a. de aandelen, winstaandelen, intekeningsrechten en winstbewijzen van een vennootschap;

b. de certificaten die betrekking hebben op effecten bedoeld onder a.:

- wanneer ze worden uitgegeven door rechtspersonen die gevestigd zijn in één van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte en die houder zijn van de effecten waarop de certificaten betrekking hebben;

- wanneer de uitgever van de certificaten alle rechten gebonden aan de effecten waarop ze betrekking hebben, met inbegrip van het stemrecht, uitoefent;

- en wanneer dit certificaat bepaalt dat zijn titularis elk product of inkomen gebonden aan de effecten onderworpen aan de certificering van de uitgever van de effecten kan eisen.

§ 1quater. Onder "schuldvorderingen" wordt verstaan elke geldlening al dan niet in de vorm van effecten, gegeven door de overledene aan een vennootschap waarvan hij aandelen of effecten bezit, wanneer deze lening rechtstreeks is gebonden aan de behoeften van de industriële, handels-, ambachts-, landbouw- of bosbouwactiviteit, van het vrij beroep of van het ambt of post uitgeoefend ofwel door de vennootschap ofwel door de vennootschap zelf en haar dochtervennootschappen.

De bovenvermelde schuldvorderingen worden evenwel uitgesloten voor zover het totale nominale bedrag van de schuldvorderingen hoger is dan het deel van het sociaal kapitaal dat werkelijk vrijgemaakt wordt en dat niet het voorwerp uitmaakt van een vermindering, noch van een terugbetaling in hoofde van de overledene op de datum van diens overlijden. De andere winsten dan de verdeelde en als dusdanig belaste winsten die in het kapitaal worden ingelijfd, worden niet beschouwd als vrijgemaakt kapitaal.

§ 2. Onder nettoaandeel dient de waarde te worden verstaan van het geheel van de zakelijke rechten op de goederen bedoeld in § 1, 1°, of de waarde van de zakelijke rechten op de effecten of schuldvorderingen bedoeld in § 1, 2°, verminderd met de schulden en de begrafeniskosten verstaan, met uitsluiting van:

- de schulden die in het bijzonder betrekking hebben op andere goederen dan die welke zijn overgedragen met toepassing van het verlaagde recht;

- de schulden die in het bijzonder betrekking hebben op een onroerend goed dat gedeeltelijk is overgedragen met toepassing van het verlaagde recht, gezien de gedeeltelijke bestemming ervan als woning, in dezelfde verhouding als die, welke bestaat tussen het aandeel in dat deel van het onroerend goed dat voor bewoning wordt bestemd en de totale verkoopwaarde van het onroerend goed.

§ 3. Het verlaagde recht van § 1 wordt enkel behouden op voorwaarde dat:

1° de onderneming verder actief blijft zoals toegelaten bij § 1 tijdens minstens vijf jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de de cujus, ofwel als onderneming zoals bedoeld in § 1, 1°, ofwel als onderneming zelf of als onderneming samen met haar dochtervennootschappen bedoeld in artikel § 1, 2°, a);

2° het totaalaantal werknemers en het totaalaantal zelfstandigen die voldoen aan de voorwaarden van § 1bis, 1°, waarbij dat totaalaantal uitgedrukt wordt in voltijdse eenheden, tijdens de vijf eerste jaren te rekenen van het overlijden van de cujus in jaargemiddelden op minstens 75 pct. van zijn bestand behouden blijft, ofwel als onderneming zelf bedoeld in § 1, 1°, of als onderneming zelf samen met haar eventuele dochtervennootschappen bedoeld in § 1, 2°, a). Dat gemiddelde wordt berekend door het totaal van de jaargemiddelden van de voltijdse eenheden door 5 te delen voor de bovenvermelde vijf jaar.

Als een jaargemiddelde van de voltijdse eenheden geen geheel getal is, wordt het afgerond naar beneden of naar boven al naar gelang zijn eerste decimaal al dan niet gelijk is aan of hoger is dan 5;

3° het tegoed dat in een activiteit, een vrij beroep of een ambt of post zoals bedoeld in § 1, 1°, geïnvesteerd wordt of het maatschappelijk kapitaal van een vennootschap bedoeld in § 1, 2°, niet afnemen ten gevolge van vooruitnemingen of verdelingen tijdens de vijf eerste jaren te rekenen van de authentieke schenkingsakte;

4° de opvolgers die niet aangeboden hebben om het verschuldigde recht zoals bedoeld in § 5 te betalen, na afloop van de periode van vijf jaar na het overlijden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven, een ondertekend attest verstrekken waaruit blijkt dat de voorwaarden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven en in lid 2 verder nageleefd worden. De wijze waarop dat attest wordt opgemaakt, wordt door de Regering van het Waalse Gewest bepaald;

5° bij elke vordering door de personeelsleden aangewezen door de Waalse Regering tijdens de periode van vijf jaar na het overlijden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven, delen de opvolgers die niet aangeboden hebben om het verschuldigde recht te betalen zoals bedoeld in § 5 schriftelijk binnen de maand na de datum waarop de aanvraag is verstuurd, waarbij die termijn om gegronde redenen verlengd kan worden, de bestanddelen aan de hand waarvan vastgesteld kan worden dat de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het verlengde recht verder nageleefd worden indien uit aanwijzingen kan blijken dat de voorwaarden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven of in lid 2, niet meer vervuld zouden zijn.

In de aanvraag worden de aanwijzingen waaruit kan blijken dat de voorwaarden bedoeld onder de nrs. 1° tot en met 3° hierboven of in lid 2, niet meer vervuld zouden zijn, nader bepaald.

Wat betreft de zakelijke rechten op onroerende goederen die met het voordeel van het verlaagde recht zoals bedoeld in artikel § 1, 1°, worden overgedragen, wordt dat verlaagde recht enkel behouden op voorwaarden dat die onroerende goederen niet bestemd worden voor bewoning, noch geheel noch gedeeltelijk, tijdens een ononderbroken duur van vijf jaar te rekenen van de datum van het overlijden van de de cujus. Indien de bewoning van het onroerende goed dat met het voordeel van het verlaagde recht gedeeltelijk overgedragen wordt, een nieuwe of bijkomende bestemming krijgt, wordt het verlaagde recht enkel ingetrokken in de mate van de verkoopwaarde van het deel van het onroerend goed dat de nieuwe of bijkomende bestemming als bewoning kreeg, in verhouding tot de totale verkoopwaarde van het onroerend goed dat is overgedragen met het voordeel van het verlaagde recht.

§ 4. Behalve in geval van overmacht wordt het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter verschuldigde recht ten laste van de opvolgers eisbaar vanaf het ogenblik waarop de voorwaarden van § 3 niet meer vervuld zijn, behalve voor de opvolgers die gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om voor te stellen om het bij § 5, leden 1 en 2, bepaalde verschuldigde recht, vóór dat ogenblik te betalen en in geval van een successorale overdracht bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid, als ze ophouden hebben met de exploitatie vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar voorgeschreven bij paragraaf 1, 1°, derde lid, het geheel of een gedeelte van de gronden bedoeld in paragraaf 1, 1°, derde lid.

Indien het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter verschuldigde recht eisbaar wordt overeenkomstig vorig lid, moeten de opvolgers bij het kantoor waar het verschuldigde recht geheven is, een nieuwe aangifte in de zin van artikel 37 indienen binnen de termijn van artikel 40 te rekenen van het verstrijken van het jaar waarin één van de oorzaken van de verschuldigdheid van dat recht opgetreden is.

§ 5. Elke opvolger die in aanmerking is gekomen voor de verlaging van het recht kan voorstellen om het verschuldigde recht te betalen overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter vóór verstrijken van de termijn van vijf jaar waarin de voorwaarden van §3 in stand gehouden moeten worden en vóór aanbreken van het ogenblik vermeld in § 4, lid 1.

In dit geval moet de opvolger die in aanmerking is gekomen voor de verlaging van het recht bij het kantoor waar het verschuldigde recht geheven is, een nieuwe aangifte in de zin van artikel 37 indienen waarmee de samenstelling en de waarde van de goederen waarvoor hij het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter wenst te betalen, bepaald wordt.

Het eerste lid en het tweede lid zijn mutatis mutandis van toepassing op het stelsel ingesteld bij paragraaf 1, 1°, derde lid, vóór het verstrijken van de termijn van vijftien jaar bedoeld bij deze bepaling.

§ 6. De verklaringen bepaald bij de §§ 4 en 5, ondertekend door de betrokken opvolger(s), worden in twee exemplaren opgemaakt, waarvan één in het registratiekantoor blijft en het andere, voorzien door het registratiekantoor van een bericht van ontvangst van die nieuwe verklaring, door de betrokken opvolger(s) verstuurd wordt naar de dienst van de Waalse Regering die het attest bedoeld in § 1bis, 3°, afgeleverd heeft.

In die verklaringen worden naam, voornaam, geboorte- en overlijdensdatum en laatste woonplaats van de de cujus vermeld, evenals het nieuwe feit waardoor de verschuldigdheid van het overeenkomstig de artikelen 48 tot en met 60 en 60ter verschuldigde recht en alle bestanddelen die noodzakelijk zijn voor de vereffening van de belasting, bepaald wordt.


(7)De wijzigingen zijn vet gedrukt.