Aanschrijving nr. 6 dd. 05.06.1997

AANSCHRIJVING 97-006/2

Aanschrijving nr. 6 dd. 05.06.1997


telecommunicatie
plaats van de dienst
definitie telecommunicatie
telefoon
dienst


Onderwerp van de aanschrijving.

Deze aanschrijving heeft tot doel een samenvatting en een eerste commentaar te verstrekken (z. bijlage 1) op de bepalingen vervat in het koninklijk besluit van 27 mei 1997 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2 en 3, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (Belgisch Staatsblad van 31 mei 1997).

Dit besluit zet de Beschikking 97/200/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 om in Belgisch recht. Door die beschikking wordt het Koninkrijk België gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 9 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting.

De tekst van het besluit (1) is als bijlage 2 en die van de beschikking (2) als bijlage 3 toegevoegd.

(1) Z. Revue 129 (2) Z. Revue 128BIJLAGE 1

Belasting over de toegevoegde waarde

I. Context van het koninklijk besluit

1. Het hierna besproken koninklijk besluit werd getroffen in uitvoering van artikel 3, § 1, 2 en 3, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, dat aan de Koning bepaalde machten verleent waaronder het nemen van maatregelen om :

- de belastingen, taksen, rechten, retributies, accijnzen, boeten en andere ontvangsten aan te passen, op te heffen, te wijzigen of te vervangen en inzonderheid de grondslag, het tarief, de nadere regels voor heffing en inning en de procedure, met uitsluiting van de rechtsprekende procedures;

- alle vormen van oneigenlijk gebruik en misbruik te bestrijden en een correcte inning van de ontvangsten en een efficiënte controle van de ontvangsten en de uitgaven te waarborgen.

2. Met dit koninklijk besluit wordt gevolg gegeven aan de Beschikking 97/200/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 waarbij België wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 9 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting (hierna beschikking genoemd).

Een zelfde beschikking werd genomen voor elk van de veertien andere lidstaten van de Europese Unie.

Deze beschikking, evenals het koninklijk besluit dat er de omzetting in de Belgische BTW-wetgeving van verzekert, heeft tot doel de reglementering inzake plaatsbepaling van de telecommunicatiediensten en bijgevolg het stelsel van belasting van die diensten te wijzigen.

II. Redenen en doel van de beschikking.

3. Onder het oude stelsel dat vóór 1 juni 1997 van toepassing was, was de plaats van een telecommunicatiedienst de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn inrichting heeft volgens de algemene regel van artikel 21, § 2, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna Wetboek genoemd). Deze algemene regel van plaatsbepaling van dienstverrichtingen bepaalt dat als plaats van een dienst wordt aangemerkt de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats. Deze bepaling is de omzetting in Belgisch recht van artikel 9, § 1 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde : uniforme grondslag (3). De telecommunicatiediensten vonden plaats en werden, in principe, belast op de plaats waar de dienstverrichter de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting had gevestigd van waaruit de diensten werden verricht.

(3) Z. BTW-Revue 30/263.

4. Zoals vermeld in het Verslag aan de Koning dat in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd samen met het advies van de Raad van State en het voornoemde koninklijk besluit, werd deze regel aangenomen op het ogenblik (einde van de zeventiger jaren) dat telecommunicatiediensten gewoonlijk werden verricht door staatsinstellingen (Administratie der Posterijen, RTT, ...) die in de regel in hetzelfde land van de gebruiker of de consument waren gevestigd.

De mondialisering en de bliksemsnelle evolutie die de industrie van de telecommunicatie de laatste jaren zowel op technisch als op commercieel vlak heeft gekend, heeft tot gevolg gehad dat :

- door middel van het gebruik van moderne technieken (transmissie via satelliet, GSM, ...), de dienstverrichters diensten van telecommunicatie konden verrichten zonder in het land te zijn gevestigd waar het verbruik plaatsvond,

- de consumenten een zeer breed gamma van diensten ter beschikking hadden alsook alternatieve bronnen om ze aan te schaffen.

Deze situatie liet het werkelijke gebruik toe van telecommunicatiediensten in de Europese Unie en derhalve in België zonder betaling van de belasting, gezien die verrichtingen werden beschouwd als zijnde plaatsgevonden buiten het toepassingsgebied van de communautaire BTW van zodra de dienstverrichter in een derde land ten opzichte van de Europese Unie was gevestigd.

Sommige categorieën van gebruikers die in principe op een definitieve wijze de belasting op die dienstverrichtingen hadden moeten ondergaan (particulieren, niet-belastingplichtige rechtspersonen, belastingplichtigen zonder volledig recht op aftrek van de hen in rekening gebrachte belasting), konden de betaling van de BTW vermijden door zich te wenden tot dienstverrichters die hun diensten aanboden binnen de Gemeenschap maar er niet waren gevestigd.

Dergelijke toestand die ernstige concurrentieverstoringen teweegbracht tussen communautaire en niet-communautaire operatoren en bovendien fiscale ontwijking en een stijgend verlies aan budgettaire inkomsten veroorzaakte, maakte een wijziging van de nationale wetgeving noodzakelijk die in overeenstemming was met het gemeenschapsrecht.

5. Het is om die redenen dat België, evenals de andere lidstaten, bij de Europese Commissie, en trouwens op haar voorstel, een aanvraag tot vereenvoudiging van de inning van de belasting en tot het vermijden van fiscale ontwijking wat betreft de telecommunicatiediensten heeft ingediend.

6. Volgens dezelfde overwegingen, laat de Beschikking van de Raad van 17 maart 1997 België alsook de andere lidstaten van de E.U. toe voortaan gebruik te maken van de bijkomende regel van de plaats van vestiging van de ontvanger van de dienst bedoeld in van artikel 9, § 2, e, van de Zesde Richtlijn om de plaats van de telecommunicatiediensten te bepalen. Deze beschikking houdt bovendien bepaalde schikkingen in die toelaten deze nieuwe belastinglijn te versterken en die hierna zullen vermeld worden bij de uiteenzetting van de materie.

Maar deze afwijking is tijdelijk : ze kan slechts worden toegepast tot en met 31 december 1999 of, indien een richtlijn houdende wijziging van de plaats van belastingheffing op telecommunicatiediensten op een eerdere datum in werking treedt, tot die datum.

III. Nieuw stelsel van belastingheffing van telecommunicatiediensten.

A. Definitie van telecommunicatiediensten.

7. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 27 mei 1997 past artikel 18, § 1, tweede lid, 14, van het BTW-Wetboek aan om er tekstueel de definitie van telecommunicatiediensten, vermeld in artikel 1, tweede lid, van de beschikking, in op te nemen.

In onderhavig geval, worden als telecommunicatiediensten beschouwd, de diensten die betrekking hebben op de transmissie, uitzending of ontvangst van signalen, tekst, beelden en geluiden of informatie van allerlei aard, via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische systemen, daaronder begrepen de overdracht en het verlenen van het recht om gebruik te maken van capaciteit voor een dergelijke transmissie, uitzending of ontvangst.

Zelfs indien een uitgebreider commentaar de betreffende diensten beter zou doen begrijpen, biedt deze definitie ten minste het voordeel dat ze op internationaal niveau is aanvaard aangezien ze is overgenomen uit het Verdrag van Melbourne, dat werd afgesloten tussen de nationale telecommunicatiebedrijven met als doel de telecommunicatie op internationaal vlak te regelen.

Het is in elk geval van belang te preciseren dat deze definitie alleen de "overdracht" van de telecommunicatiediensten omvat en niet de "inhoud" ervan. Wat dit laatste betreft, en meer in het bijzonder de informatieverwerking en -verschaffing, wordt verwezen naar artikel 21, § 3, 7, d, van het Wetboek (criterium van plaatsbepaling gesteund op de plaats van vestiging van de ontvanger).

In dit verband wordt er de aandacht op gevestigd dat bovenbedoelde definitie eveneens het verlenen van toegang tot Internet omvat, zoals dat telecommunicatienetwerk momenteel bestaat, maar niet de aanvullende diensten die via dat net kunnen worden aangeboden.

B. Plaatsbepaling van telecommunicatiediensten.

a. Algemene regel : plaats van vestiging van de dienstverrichter.

8. Onder het nieuwe stelsel, van toepassing vanaf 1 juni 1997, wordt de plaats van telecommunicatiediensten, in principe, nog steeds geacht de plaats te zijn waar de dienstverrichter gevestigd is (Wetboek, art. 21, § 2).

Wanneer dus de dienstverrichter en de ontvanger van de dienst allebei in België gevestigd zijn, is de algemene regel van toepassingen zoals voorheen en wordt de plaats van dienst geacht zich in België te bevinden.

b. Bijzondere regel : plaats van vestiging van de ontvanger van de dienst.

9. Niettemin, wordt de toepassing van de regel uiteengezet in punt 8 beperkt door de invoering, vanaf 1 juni 1997, van twee afwijkende criteria waarvan het gemeenschappelijk kenmerk is de plaats van vestiging van de ontvanger van de dienst.

10. Inderdaad, verzekerd door de toelating voorzien in artikel 1, eerste lid, eerste zin, van voornoemde beschikking, voegt artikel 2, A, van het wijzigende koninklijk besluit eerst de telecommunicatiediensten in in het toepassingsgebied van artikel 21, § 3, 7 van het Wetboek, onder de nieuwe letter i. Vanaf 1 juni 1997 wordt de plaats van de dienst geacht zich te bevinden op de plaats van vestiging van de ontvanger, indien die diensten worden verstrekt :

- aan een ontvanger gevestigd buiten de Europese Gemeenschap, zonder andere voorwaarde ;

- aan een ontvanger die in de Gemeenschap, doch buiten het land van de dienstverrichter is gevestigd, op voorwaarde dat de ontvanger handelt voor de doeleinden van zijn economische activiteit.

In het eerste geval heeft de hoedanigheid van de ontvanger weinig belang, terwijl in het tweede geval enkel de belastingplichtigen worden bedoeld die handelen voor de behoeften van hun economische activiteit.

11. De tweede afwijking op de algemene regel van artikel 21, § 2, van het Wetboek werd ingevoerd door artikel 2, B en C van het wijzigende besluit. Deze maatregel, ingeschreven in artikel 21, § 3, 9, nieuw, van het Wetboek, heeft tot gevolg dat de telecommunicatiediensten in België worden geacht plaats te vinden wanneer ze worden verricht door dienstverrichters gevestigd buiten de Gemeenschap en verstrekt aan ontvangers die hun zetel, vaste inrichting, woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in België hebben en die niet handelen in de hoedanigheid van belastingplichtige voor de behoeften van een economische activiteit.

Het gaat om een toepassing op de telecommunicatiediensten van artikel 9, § 3, b, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG, waarnaar artikel 1, eerste lid, tweede zin, van de beschikking uitdrukkelijk verwijst. De tekst van artikel 9, § 3, van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG, is bovendien overgenomen in artikel 21, § 4, van het Wetboek, dat aan de Koning de mogelijkheid geeft afwijkingen toe te staan voor dienstverrichtingen bedoeld in § 3, 7, van dit artikel 21. De afwijking werd evenwel rechtstreeks in de wet ingeschreven.

Daar waar men in artikel 21, § 3, 7, i, nieuw, van het Wetboek, de belastingplichtigen bedoelt die handelen in het kader van hun economische activiteit, beoogt artikel 21, § 3, 9, nieuw, de personen die niet vallen onder de voornoemde bepaling, te weten de niet-belastingplichtigen, zowel rechtspersonen als fysieke personen, alsook belastingplichtigen die niet handelen voor de behoeften van een economische activiteit. Door de combinatie van de punten 7 en 9 van artikel 21, § 3, wordt iedereen, welke ook zijn hoedanigheid is, behandeld op voet van gelijkheid, wat tegemoet komt aan een van de doelstellingen van voornoemde beschikking.

IV. Bepaling van de plaats van de telecommunicatiediensten op het tijdstip van de wijziging van het stelsel. Belastbaar feit voor de belasting : afwijkende en tijdelijke bepalingen.

12. Om uit te maken of de plaats van de dienst ten gevolge van de wijziging van de geldende regeling moet worden bepaald rekening houdend met het oude criterium of met de nieuwe criteria, moet men zich plaatsen op het tijdstip waarop het belastbare feit en de andere oorzaken van eventuele verschuldigdheid van de belasting over telecommunicatiediensten zich hebben voorgedaan. Het is immers op dat tijdstip dat, naargelang van de plaats van de dienst, het probleem van het belasten van de dienst zich stelt.

13. Krachtens artikel 22, § 1, eerste lid, van het Wetboek, doet het belastbaar feit zich voor op het ogenblik dat de dienst voltooid is. De telecommunicatiediensten worden, in regel, geacht beëindigd of voltooid te zijn op het tijdstip dat de dienstverrichter zijn hoofdverplichtingen is nagekomen.

Wanneer de telecommunicatiediensten handelingen zijn die het karakter hebben van een doorlopende dienst die aanleiding geeft tot opeenvolgende afrekeningen of betalingen, worden de diensten als voltooid beschouwd bij het verstrijken van elke periode waarop een afrekening of betaling betrekking heeft (Wetboek, art. 22, § 1, tweede lid).

Wanneer rekening moet gehouden worden met het belastbaar feit, zijn de nieuwe criteria ten aanzien van plaatsbepaling bijgevolg van toepassing, al naar het geval, hetzij dat de dienst voltooid is, hetzij dat de termijn vervalt, na 31 mei 1997.

14. Zoals hiervoor werd aangeduid, voorziet artikel 22, § 2, tweede en derde lid, van het Wetboek, eveneens in bijkomende oorzaken van opeisbaarheid van de belasting (facturering, ontvangen of vervallen van de prijs of een deel ervan), wanneer deze plaatsvinden voor het belastbaar feit. Indien deze oorzaken zich voordoen op een datum die voorafgaat aan het belastbaar feit, is het in principe op die datum dat men zich moet plaatsen om de plaats van de dienst te bepalen, in functie van de criteria geldig op die datum, om zodoende te bepalen of de dienst moet worden belast tot beloop van de gefactureerde, ontvangen of vervallen bedragen.

Artikel 3 van het wijzigende koninklijk besluit heeft echter een nieuwe § 4 toegevoegd aan artikel 22 van het Wetboek, met het doel om een afwijking in te voeren op de regels van opeisbaarheid van de BTW vervat in § 2, tweede en derde lid van dit artikel. Deze nieuwe bepaling, gebaseerd op artikel 2, tweede zin, van voormelde beschikking, vermeldt in onderhavig geval dat : "In afwijking van § 2, tweede en derde lid, wordt op telecommunicatiediensten verricht na 31 mei 1997, de belasting slechts opeisbaar op het tijdstip dat het belastbaar feit zich voordoet, indien de prijs van de dienst werd gefactureerd of ontvangen vóór 1 juni 1997 of indien het contractueel bepaalde tijdstip voor de gehele of gedeeltelijke betaling van de prijs zich situeert vóór deze datum.".

Door deze afwijkende bepaling wordt vermeden dat, ondanks de hoger genoemde nieuwe regels krachtens dewelke de plaats van de telecommunicatiedienst wordt geacht zich in België te bevinden, er toch een mogelijkheid zou bestaan om aan de Belgische BTW te ontsnappen om reden van een facturering, een ontvangen van de prijs of het optreden van een vervaldag vóór 1 juni 1997.

V. Enkele gevolgen van het nieuwe belastingstelsel.

A. Schuldenaar van de belasting.

15. Overeenkomstig artikel 51, § 1, 1, van het Wetboek, is, in de regel, de belasting verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare dienst verricht die in België plaatsheeft, t.t.z. door de dienstverrichter.

16. In afwijking van de hierboven vermelde regel is de belasting evenwel verschuldigd door de ontvanger van de dienst wanneer de dienstverrichter een buiten België gevestigde belastingplichtige is en de plaats van de dienst krachtens artikel 21, § 3, 7, van het Wetboek geacht wordt zich in België te bevinden (Wetboek, art. 51, § 2, 1, a).

Daar de telecommunicatiediensten voortaan onder artikel 21, § 3, 7, i, nieuw, van het Wetboek vallen, wordt deze afwijking opgelegd aan de ontvanger van de dienst die in België is gevestigd wanneer, op grond van de nieuwe criteria van de plaatsbepaling van bedoelde dienst, de plaats van de dienst zich in België bevindt.

Het past echter op te merken dat de medecontractant (de dienstverrichter) van de persoon (ontvanger van de dienst) die aldus schuldenaar van de belasting wordt, met deze persoon hoofdelijk gehouden blijft tot voldoening van de belasting in de omstandigheden bedoeld in artikel 51bis, § 1, 1 en 4, van het Wetboek.

17. Daartegenover is de ontvanger van de dienst niet de schuldenaar van de belasting ten aanzien van de telecommunicatiediensten welke krachtens artikel 21, § 3, 9, nieuw, van het BTW-Wetboek in België plaatsvinden. Inderdaad, in dit geval is de algemene regel om de schuldenaar van de belasting te bepalen van toepassing : de belasting is verschuldigd door de dienstverrichter, zelfs indien, in de hypothese die overwogen wordt, hij buiten de Europese Gemeenschap is gevestigd.

Naar aanleiding hiervan is er reden toe om op te merken dat de dienstverrichter niet geacht wordt in de Gemeenschap gevestigd te zijn wanneer hij in de Gemeenschap niet de zetel van zijn economische activiteit of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit hij de dienst verricht of, bij gebrek aan een dergelijke zetel of vaste inrichting, zijn woonplaats of zijn gebruikelijke verblijfplaats (Zesde Richtlijn 77/388/EEG, art. 9, § 1).

In dat geval wordt, in principe, de betaling van de belasting verzekerd door bemiddeling van de in België gevestigde aansprakelijke vertegenwoordiger die de belastingplichtige voordien heeft laten erkennen overeenkomstig artikel 55 van het Wetboek. Voor meer bijzonderheden wordt verwezen naar het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1992 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door niet in België gevestigde belastingplichtigen, en naar de nrs. 85 tot 89, 108 tot 110 en 113 tot 115 van de aanschrijving nr. 30/1975 van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen.

Indien de dienstverrichter evenwel binnen de Gemeenschap een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit de telecommunicatiediensten worden verstrekt aan ontvangers in België die niet handelen in de hoedanigheid van belastingplichtige voor de behoeften van een economische activiteit, wordt de plaats van de diensten bepaald overeenkomstig de algemene regel van artikel 21, § 2, van het Wetboek. In dat geval is de belasting verschuldigd in de lidstaat waar de dienstverrichter deze inrichting heeft en volgens de regels van toepassing in die Staat.

B. Telecommunicatiediensten die worden geacht in België plaats te vinden bij toepassing van artikel 21, § 3, 7, i, van het Wetboek. Betaling van de belasting door de ontvanger.

18. Indien de telecommunicatiediensten worden geacht in België plaats te vinden bij toepassing van artikel 21, § 3, 7, i, van het Wetboek, is de schuldenaar van de belasting de ontvanger van de dienst (zie punt 16). Volgens de algemene regels van toepassing inzake BTW, moet met name deze persoon de belastbare handeling aangeven en de over die handeling verschuldigde belasting aan de Schatkist voldoen.

Zoals er hiervoor eveneens werd aan herinnerd, is de ontvanger waarover het gaat een belastingplichtige in de zin van artikel 4 van het Wetboek, zonder onderscheid of hij al dan niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften.

Dit onderscheid is belangrijk ten aanzien van de verplichting om de handeling aan te geven en de belasting te voldoen.

19. In de eerste hypothese, als belastingplichtige gehouden tot het indienen van periodieke aangiften, moet de ontvanger, enerzijds, in de periodieke aangifte in te dienen uiterlijk de twintigste van de maand die volgt op de desbetreffende aangifteperiode het bedrag vermelden van de ontvangen telecommunicatiediensten waarvoor hij schuldenaar van de belasting is en, anderzijds, binnen deze termijn de verschuldigde belasting voldoen (Wetboek, art. 53, eerste lid, 3 en 4; K.B. 1, art. 18).

20. In de tweede hypothese, indien het gaat om een belastingplichtige die niet gehouden is tot het indienen van periodieke aangiften, zijnde :

- een belastingplichtige die enkel leveringen van goederen of diensten verricht die zijn vrijgesteld door artikel 44 van het Wetboek, en die hem geen recht op aftrek verlenen ;

- een belastingplichtige die geniet van de vrijstellingsregeling bedoeld in artikel 56, § 2, van het Wetboek ;

- een belastingplichtige die geniet van de bijzondere regeling van toepassing op landbouwondernemingen (Wetboek, artikel 57).

Die belastingplichtigen, die niet gehouden zijn tot het indienen van periodieke aangiften, moeten niettemin, als schuldenaars van de belasting verschuldigd op de diensten die geacht worden in België plaats te vinden en hun verstrekt door dienstverrichters gevestigd buiten België, het bedrag van die diensten vermelden in een bijzondere aangifte in te dienen uiterlijk de twintigste van de maand die volgt op het desbetreffende kalenderkwartaal en de verschuldigde belasting voldoen binnen die termijn (Wetboek, art. 53ter, 1 en 2; K.B. 1, art. 18). Deze bijzondere aangifte moet in principe slechts worden ingediend indien er zich belastbare handelingen hebben voorgedaan gedurende een kalenderkwartaal.

VI. BTW-tarief van toepassing op telecommunicatiediensten.

21. De telecommunicatiediensten zijn onderworpen aan het normale BTW-tarief dat thans 21 pct. bedraagt.

VII. Vrijstellingen.

22. Het nieuwe belastingstelsel van de telecommunicatiediensten vormt geen hinderpaal voor de toepassing van de vrijstellingen, bepaald in artikel 42 van het Wetboek, op die diensten.

VIII. Inwerkingtreding.

23. Het koninklijk besluit van 27 mei 1997 is in werking getreden op 1 juni 1997. De bepalingen die het bevat verstrijken uiterlijk op 31 december 1999, tenzij de Raad van de Europese Unie vóór die datum een wijziging van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG aanneemt.

IX. Slotopmerking.

24. Het nieuwe belastingstelsel van de telecommunicatiediensten is in werking getreden op 1 januari 1997 in Frankrijk en in Duitsland en op 1 april 1997 in Oostenrijk en in Italië. Het zal, in principe, in de andere lidstaten worden ingevoerd op 1 juli 1997.

De omzetting in hun wetgeving door bepaalde lidstaten, vóór 1 juli 1997 van de machtiging inzake telecommunicatiediensten kan aanleiding geven tot een dubbele belasting van eenzelfde dienst. In dit geval zal de lidstaat die de omzetting van de machtiging heeft gedaan vóór 1 juli 1997 de BTW niet heffen.Bijlage 2

27 mei 1997. - Koninklijk besluit tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, met toepassing van de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2ø en 3ø, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (1)

(1) (B.S. nr. 101, blz. 14460).

Albert II, Koning der Belgen,

Aan allen die nu zijn en hierna wezen zullen, Onze Groet.

Gelet op de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie, inzonderheid op de artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2 en 3;

Gelet op het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, inzonderheid op artikel 18, § 1, tweede lid, 14, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, op artikel 21, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 22 december 1995, en op artikel 22, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992;

Gelet op de Beschikking 97/200/EG van de Raad van de Europese Unie van 17 maart 1997 waarbij het Koninkrijk België wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 9 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting;

Gelet op het advies van de Inspecteur van Financiën uitgebracht op 26 maart 1997;

Gelet op het akkoord van de Minister van Begroting gegeven op 3 april 1997;

Gelet op de hoogdringendheid gemotiveerd door de omstandigheid dat de voorgestelde maatregelen zo spoedig mogelijk in werking moeten treden ten einde zonder uitstel de fiscale ontwijking in de sector van de telecommunicatie en het verlies aan fiscale inkomsten dat er het gevolg van is te stuiten, en eveneens zonder uitstel een einde te maken aan de erg belangrijke concurrentieverstoringen die voortvloeien uit het behoud van het huidig stelsel van exclusieve belastingheffing in het land van de verrichter van telecommunicatiediensten, daarin begrepen de gevallen waarbij deze laatste buiten de Europese Unie is gevestigd;

Gelet op het advies van de Raad van State gegeven op 30 april 1997, overeenkomstig artikel 84, eerste lid, 2ø, van de geco.rdineerde wetten op de Raad van State;

Gelet op de gecoördineerde wetten op de Raad van State, inzonderheid op artikel 3bis, § 1;

Op de voordracht van Onze Minister van Financiën en op het advies van Onze in Raad vergaderde Ministers,

Hebben wij besloten en besluiten wij:

Artikel 1. Artikel 18, § 1, tweede lid, 14, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992, wordt vervangen door de volgende bepaling:

"14 diensten inzake radiodistributie en inzake telecommunicatie. Als telecommunicatiediensten worden beschouwd diensten die betrekking hebben op de transmissie, uitzending of ontvangst van signalen, tekst, beelden en geluiden of informatie van allerlei aard, via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische systemen, daaronder begrepen de overdracht en het verlenen van het recht om gebruik te maken van capaciteit voor een dergelijke transmissie, uitzending of ontvangst;".

Art. 2. In artikel 21, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 28 december 1992 en bij het koninklijk besluit van 22 december 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

A) § 3, 7, wordt aangevuld als volgt:

"i) telecommunicatiediensten;";

B) op het einde van § 3, 8, wordt het punt vervangen door een puntkomma;

C) § 3 wordt aangevuld als volgt:

"9 in België, indien het gaat om telecommunicatiediensten, verricht door dienstverrichters, gevestigd buiten de Gemeenschap, en verstrekt aan ontvangers die hun zetel, vaste inrichting, woonplaats of gebruikelijke verblijfplaats in België hebben en die niet handelen in de hoedanigheid van belastingplichtige voor de behoeften van een economische activiteit.".

Art. 3. Artikel 22, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd door de wet van 28 december 1992, wordt aangevuld als volgt:

"§ 4. In afwijking van § 2, tweede en derde lid, wordt op telecommunicatiediensten verricht na 31 mei 1997, de belasting slechts opeisbaar op het tijdstip dat het belastbaar feit zich voordoet, indien de prijs van de dienst werd gefactureerd of ontvangen voor 1 juni 1997 of indien het contractueel bepaalde tijdstip voor de gehele of gedeeltelijke betaling van de prijs zich situeert voor deze datum.".

Art. 4. Dit besluit treedt in werking op 1 juni 1997.

Art. 5. Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Brussel, 27 mei 1997.

Van Koningswege: De Minister van Financiën,

Ph. Maystadt

Bijlage 3.

17 maart 1997. -Beschikking van de raad van 17 maart 1997 waarbij het Koninkrijk België wordt gemachtigd een maatregel toe te passen die afwijkt van artikel 9 van de Zesde Richtlijn 77/388/EEG betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting. (1)

(1) Deze beslissing van de raad is indentiek aan de" beslissingen van de raad met als nummers 97/201/EG tot 97/214/EGgenomen op dezelfde datum ten gunste van de andere (veertien) Lidstaten (Z. PBEG nr. 86 van 28.03.1997).

De raad van de Europese Unie,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op de Zesde Richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (1), inzonderheid op artikel 27,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende dat de Raad, volgens artikel 27, lid 1, van Richtlijn 77/388/EEG, op voorstel van de Commissie, met eenparigheid van stemmen elke lidstaat kan machtigen bijzondere, van die richtlijn afwijkende maatregelen te treffen om de belastingsheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen;

Overwegende dat het Koninkrijk Belgi. bij brief, die op 10 september 1996 bij de Commissie is geregistreerd, heeft verzocht om machtiging tot het invoeren van een maatregel die afwijkt van artikel 9 van Richtlijn 77/388/EEG;

Overwegende dat de andere lidstaten op 20 december 1996 van het verzoek van het Koninkrijk Belgi. in kennis zijn gesteld;

Overwegende dat de maatregel noodzakelijk is om het effect van belastingontwijking tegen te gaan dat ertoe heeft geleid dat een toenemend aantal communautaire belastingplichtigen en niet-belastingplichtigen zich buiten de Gemeenschap van telecommunicatiediensten voorzien met als enig doel de betaling van BTW te vermijden; dat de maatregel te dien einde bovendien noodzakelijk is om leveranciers van telecommunicatiediensten die in een lidstaat gevestigd zijn, te ontmoedigen om zich buiten de Gemeenschap te vestigen;

Overwegende dat de maatregel voorts strekt tot vereenvoudiging van de procedure voor de belastingheffing, aangezien zij de klanten van telecommunicatiediensten aan eenzelfde belastingplicht onderwerpt, ongeacht of de diensten worden verricht door binnen of buiten de Gemeenschap gevestigde leveranciers;

Overwegende dat de afwijkingen, behoudens in een te verwaarlozen mate, niet van invloed zijn op het bedrag van de bij het eindverbruik verschuldigde belasting en derhalve geen nadelige gevolgen hebben voor de uit de belasting over de toegevoegde waarde afkomstige eigen middelen van de Europese Gemeenschappen;

Overwegende dat deze maatregel moet worden getroffen met ingang van 1 januari 1997, teneinde zo spoedig mogelijk verandering te brengen in een situatie die het concurrentievermogen van de Europese telecommunicatiemaatschappijen ondermijnt; dat de klanten en leveranciers van telecommunicatiediensten vanaf 1 januari 1997 geen gewettigd vertrouwen meer hadden in de verlenging van de op die datum geldende regelgeving;

Overwegende dat het wenselijk is de afwijking toe te staan tot en met 31 december 1999, of, indien een richtlijn houdende wijziging van de plaats van belastingheffing op telecommunicatiediensten op een eerdere datum in werking treedt, tot die datum, om de Raad in staat te stellen om, op voorstel van de Commissie, een algemene communautaire oplossing te vinden,

(1) PB nr. L 145 van 13.6.1977, blz. 1. Richtlijn laatselijk gewijzigd bij Richtlijn 96/95/EG (PB nr. L 338 van 28.12.1996, blz. 89).

Heeft de volgende beschikking vastgesteld:

Artikel 1

In afwijking van artikel 9, lid 1, van Richtlijn 77/388/EEG wordt het Koninkrijk België gemachtigd om telecommunicatiediensten op te nemen in het toepassingsgebied van artikel 9, lid 2, onder e), van deze richtlijn. Indien een lidstaat gebruikmaakt van deze mogelijkheid, zijn de bepalingen van artikel 9, lid 3, onder b), van Richtlijn 77/388/EEG eveneens van toepassing op deze diensten.

Als telecommunicatiediensten worden beschouwd diensten die betrekking hebben op transmissie, uitzending of ontvangst van signalen, tekst, beelden en geluiden of informatie van allerlei aard, via draad, radiogolven, optische of andere elektromagnetische systemen, daaronder begrepen de overdracht en het verlenen van het recht om gebruik te maken van capaciteit voor een dergelijke transmissie, uitzending of ontvangst.

Artikel 2

Deze beschikking kan worden toegepast op telecommunicatiediensten waarvoor het belastbare feit heeft plaatsgevonden na 1 januari 1997. Zij is eveneens van toepassing op vooruitbetalingen voor telecommunicatiediensten die zijn gedaan voor de datum van tenuitvoerlegging van deze beschikking door de lidstaat, indien die vooruitbetalingen betrekking hebben op de levering van telecommunicatiediensten die na de datum van tenuitvoerlegging hebben plaatsgevonden.

Artikel 3

De in deze beschikking vervatte machtiging is van toepassing tot en met 31 december 1999 of, indien een richtlijn houdende wijziging van de plaats van belastingheffing op telecommunicatiediensten op een eerdere datum in werking treedt, tot die datum.

Artikel 4

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk België.

Gedaan te Brussel, 17 maart 1997.

Voor de Raad : De Voorzitter, G. Zalm