Aanschrijving nr. 1 dd. 03.05.2000

AANSCHRIJVING 00/001

Aanschrijving nr. 1 dd. 03.05.2000


Gebruik van voertuigen in België
Regeling van overbrenging en niet-overbrenging


ONDERWERP VAN DE AANSCHRIJVING

1. Onderhavige aanschrijving heeft tot doel om de gevolgen op het vlak van de BTW toe te lichten in de situatie waarin een BTW-belastingplichtige een voertuig dat tot zijn bedrijf behoort vanuit een andere Lidstaat dan België brengt met het oog op het tijdelijk gebruik ervan op het Belgisch grondgebied.

Buiten beschouwing blijven derhalve alle andere vormen van verzendingen van voertuigen vanuit een andere Lidstaat naar België (bv. verzending van een voertuig naar België in het kader van een levering of met het oog op de latere verkoop ervan, e.d.). De verzending van voertuigen in de omgekeerde zin, nl. vanuit België naar een andere Lidstaat blijft eveneens buiten beschouwing in onderhavige aanschrijving.

EERSTE AFDELING - BEGINSELEN

Overbrenging

2. Wanneer een in een andere Lidstaat gevestigde onderneming (of een in België gevestigde onderneming die in een andere Lidstaat over een bedrijfszetel of een vaste inrichting beschikt), die handelt in het kader van haar economische activiteit waarvoor ze de hoedanigheid van BTW-belastingplichtige bezit, een voertuig dat behoort tot de onderneming vanuit een andere Lidstaat naar België brengt met het oog op het gebruik van dit voertuig op Belgisch grondgebied, verricht deze onderneming in de regel een overbrenging van dat goed. Deze overbrenging wordt met een levering onder bezwarende titel gelijkgesteld in de Lidstaat van verzending, zodat de handeling er in beginsel onderworpen is aan de de BTW vermits zij het werk is van een als zodanig handelende belastingplichtige (Zesde richtlijn, art. 28bis, vijfde lid, b, eerste alinea; cf. BTW-Wetboek, art. 12bis, eerste lid). Deze verzending wordt evenwel in de Lidstaat van vertrek vrijgesteld van de belasting op grond van de bepalingen van artikel 28quater, A, d, van de Zesde richtlijn (cf. BTW-Wetboek, art. 39bis, eerste lid, 4°), voor zover er aan alle voorwaarden voor de toepassing van deze vrijstelling is voldaan.

Voorts wordt nog opgemerkt dat hoewel de overbrenging het werk moet zijn van de belastingplichtige/eigenaar van het goed, het overbrengen zelf niet materieel door hem moet worden verricht. Het volstaat dat het goed wordt overgebracht door een aangestelde van de belastingplichtige of door een derde die handelt voor rekening van de belastingplichtige, of nog, door de afnemer van de dienst die handelt met toestemming van de betrokken belastingplichtige dienstverrichter (bv. een huurder van het goed).

Belastbare bestemming

3. De overbrenging vanuit een andere Lidstaat naar België van een voertuig voor de doeleinden van de economische activiteit van betrokken belastingplichtige wordt hier te lande gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel op grond van artikel 25quater, § 1, eerste lid van het BTW-Wetboek (cf. Zesde richtlijn, art. 28bis, zesde lid). In beginsel is derhalve de BTW opeisbaar over deze verwervingen (BTW-Wetboek, art. 3bis, 25bis en 25ter).

Niet-overbrenging

4. Wanneer echter de handeling in de Lidstaat van bestemming op grond van artikel 12bis, tweede lid van het BTW-Wetboek (cf. Zesde richtlijn, art. 28bis vijfde lid, b, tweede alinea) uitdrukkelijk niet wordt gelijkgesteld met een overbrenging (men spreekt in dat geval van een niet-overbrenging), vindt er in België geen bestemming plaats die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel op grond van artikel 25quater, § 1, tweede lid van het BTW-Wetboek. Deze laatste bepaling kan elke Lidstaat op soevereine wijze toepassen, zodat de Lidstaat van bestemming (in casu België) die handeling als een niet-overbrenging zal beschouwen, voor zover de verzending van het voertuig vanuit België naar een andere Lidstaat eveneens als een niet-overbrenging wordt aangemerkt.

5. De twee gevallen van niet-overbrenging die zich kunnen voordoen bij verzending van een voertuig vanuit een andere Lidstaat naar België om hier tijdelijk te worden gebruikt, zijn de gevallen die worden beoogd door de bepalingen vervat in artikel 12bis, tweede lid, 6° en 7° van het BTW-Wetboek.

Meer bepaald, wanneer een voertuig dat behoort tot de onderneming van een BTW-belastingplichtige door deze laatste vanuit een andere Lidstaat naar België wordt verzonden, wordt deze handeling aangemerkt als een niet-overbrenging:



a)ofwel op grond van artikel 12bis, tweede lid, 6° van het BTW-Wetboek, indien het voertuig door de belastingplichtige tijdelijk op het Belgische grondgebied wordt aangewend voor het verrichten van een dienst (bv. een personen- of een goederenvervoer). Deze situatie wordt toegelicht in afdeling 2, hierna;
b)ofwel op grond van artikel 12bis, tweede lid, 7° van het BTW-Wetboek, indien het voertuig door de belastingplichtige op het Belgische grondgebied tijdelijk, met name voor een periode van ten hoogste 24 maanden, wordt aangewend voor andere bedrijfsdoeleinden dan deze vermeld onder punt a, hiervoor (bv. ter gelegenheid van allerhande beroepsverplaatsingen of met het oog op het verrichten van een levering van een goed door de belastingplichtige zelf) of, bijkomend, voor doeleinden die in wezen vreemd zijn aan de economische activiteit van de belastingplichtige voor zover voor het gebruik van dat voertuig in België aanspraak kon worden gemaakt op de regeling van de tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten mocht de verzending van het voertuig vanuit een derde land zijn geschied.
6. Indien het gebruik van dat voertuig niet geschiedt onder toepassing van één van voormelde gevallen vervat in artikel 12bis, tweede lid van het BTW-Wetboek, heeft men in de regel te maken met een overbrenging in de Lidstaat van vertrek en een bestemming voor de doeleinden van de economische activiteit van betrokken belastingplichtige in België (bv. verzendingen in het kader van een overbrenging van een goederenvoorraad). Deze bestemming wordt gelijkgesteld met een belastbare intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (zie nr. 3, hiervoor), tenzij zich ter zake een ander geval van niet-overbrenging zou hebben voorgedaan.

AFDELING 2. HET VOERTUIG WORDT UITSLUITEND AANGEWEND DOOR DE BELASTINGPLICHTIGE VOOR HET VERRICHTEN VAN EEN DIENST

7. Door de gecombineerde toepassing van de artikelen 12bis, tweede lid, 6° en 25quater van het BTW-Wetboek wordt de verzending van het voertuig vanuit een ander Lidstaat naar België aangemerkt als een niet-overbrenging, wanneer volgende voorwaarden samen vervuld zijn:



a)het voertuig wordt door de belastingplichtige uitsluitend verzonden met het oog op het uitvoeren van een dienstverrichting, ongeacht de plaats waar de dienst overeenkomstig artikel 21 van het BTW-Wetboek geacht wordt plaats te vinden;
b)het voertuig moet een goed zijn van zijn onderneming. De belastingplichtige moet het voertuig derhalve in eigendom bezitten. Van een overbrenging kan immers geen sprake zijn in hoofde van een huurder of leasingnemer, doch wel in hoofde van de verhuurder of leasinggever als eigenaar van het goed;
c)het goed moet teruggezonden worden buiten België, m.a.w. het gebruik in België dient tijdelijk te zijn. In dit verband wordt erop gewezen dat er geen tijdslimiet voor een dergelijk tijdelijk gebruik wordt vastgesteld. Tijdelijk is derhalve elk gebruik van het tot het bedrijf behorend goed dat door de aard van de dienstverrichting die ermee wordt verricht (bv. uitvoeren van werken, verhuur, e.d.), steeds kan geacht worden terug te keren naar degene die het verzonden heeft. Indien het voertuig na het beëindigen van de dienstverrichting België niet verlaat, wordt de niet-overbrenging op grond van artikel 12bis, derde lid van het BTW-Wetboek omgezet in een overbrenging en is de belasting opeisbaar in België (zie nr. 3, hiervoor).
8. Wanneer het voertuig niet uitsluitend wordt aangewend voor het verrichten van diensten door de belastingplichtige, dient de overbrenging van het voertuig in zijn geheel beoordeeld te worden op grond van de criteria die vastgesteld zijn voor de toepassing van het artikel 12bis, tweede lid, 7° van het BTW-Wetboek (zie afdeling 3 hierna). Dit is bv. het geval wanneer een voertuig, dat aan een in een andere Lidstaat gevestigde belastingplichtige toebehoort, door deze laatste ter beschikking wordt gesteld van een werknemer of zaakvoerder die in België is gevestigd met het oog op het verrichten van werkelijke dienstverplaatsingen in opdracht van de buitenlandse onderneming, doch daarnaast eveneens voor het verrichten van het woon-werkverkeer en de privé-verplaatsingen van de werknemer of zaakvoerder. Voor het gebruik van dergelijk voertuig in België kan bijgevolg het attest waarvan sprake onder het nr. 16, hierna, worden verkregen voor zover aan alle voorwaarden vervat in het nr. 15 is voldaan.

9. Wanneer een voertuig dat gehuurd of geleasd wordt ter beschikking wordt gesteld door een buitenlandse werkgever met het oog op een gebruik ervan door een Belgisch ingezetene/werknemer die aanspraak kan maken op de bijzondere regeling waarvan sprake in de nrs. 14 en 15, hierna, beschikt laatstgenoemde eveneens over de mogelijkheid om een attest aan te vragen onder de aldaar gestelde voorwaarden en mits naleving van de vastgestelde formaliteiten. Zodoende zal de Belgische gebruiker van het voertuig steeds in staat zijn om de niet-overbrenging in hoofde de van de eigenaar van het voertuig (de verhuurder of leasinggever) aan te tonen. De aanvraag van het attest geschiedt op de wijze uiteengezet onder de nrs. 16 en 17, hierna).

AEDELING 3. - HET VOERTUIG WORDT NIET AANGEWEND VOOR HET VERRICHTEN VAN EEN DIENST

10. Indien het voertuig niet uitsluitend voor het verrichten van een dienst wordt aangewend, wordt de verzending ervan naar België met het oog op het tijdelijk gebruik, slechts als een niet-overbrenging aangemerkt en bijgevolg niet gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel in België, indien aan de twee volgende voorwaarden wordt voldaan:



a)het voertuig wordt slechts tijdelijk gebruikt voor een periode van ten hoogste 24 maanden op het Belgisch grondgebied. Op de interpretatie en wijze van toepassing van dit tijdelijk gebruik voor voertuigen wordt nog teruggekomen onder het nr. 18, hierna;
b)het voertuig zou aan alle voorwaarden beantwoorden om de regeling inzake tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten te genieten, mocht het zijn verzonden vanuit een derde land.
11. De regeling inzake tijdelijke invoer van vervoermiddelen met volledige vrijstelling van invoerrechten wordt vastgelegd in de artikelen 717 t.e.m. 719 van de Toepassingsbepalingen van het Communautair douanewetboek (Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993). Ten aanzien van deze laatste bepaling, dringt zich een onderscheid op naargelang het voertuig al dan niet uitsluitend voor beroepsdoeleinden of de doeleinden van de economische activiteit kan worden aangewend. In algemene bewoordingen kan immers worden gesteld dat de toepassingsvoorwaarden verschillen naargelang het voertuig al dan niet ook voor privé-doeleinden kan worden gebruikt.

A. Het voertuig kan uitsluitend worden aangewend voor beroepsdoeleinden of, meer algemeen, voor doeleinden van een economische activiteit

12. Het betreft hier voertuigen die alleen voor het verrichten van vervoer over de weg (van goederen of personen) voor eigen rekening of voor rekening van een derde kunnen worden aangewend, m.a.w. voor de bedrijfsdoeleinden van de betrokken gebruiker van het voertuig. Hetgeen voorafgaat impliceert dat voor de toepassing van deze aanschrijving onder deze afdeling alleen deze vervoermiddelen vallen die wegens hun aard uitsluitend als een bedrijfsvoertuig kunnen worden gebruikt. Hier kunnen worden genoemd de vrachtwagens, lichte vrachtwagens, autobussen, e.d.

Voor deze voertuigen is de verzending naar België, waarvoor op grond van artikel 718, leden 1 t.e.m. 7, van de Toepassingsbepalingen van het Communautair douanewetboek de vrijstelling bij tijdelijke invoer kan worden toegepast, aan te merken als een niet-overbrenging op grond van artikel 12bis, tweede lid, 7° van het BTW-Wetboek wanneer ze worden aangewend voor de beroepsdoeleinden van een in een andere Lidstaat gevestigde onderneming. Het voertuig mag evenwel worden bestuurd door een persoon die in België is gevestigd (bv. een Belgisch ingezetene/werknemer bestuurt de vrachtwagen van een Nederlands leverancier/werkgever op Belgisch grondgebied om in opdracht van zijn werkgever goederen te leveren). In die omstandigheden wordt de bestemming in Belgie niet gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel (BTW-Wetboek, artikel 25quater, § 1, tweede lid).

13. De hier bedoelde voertuigen mogen bovendien door een Belgische ingezetene/natuurlijk persoon, die werknemer is van een werkgever gevestigd in een andere Lidstaat, op incidentele en bijkomstige wijze voor privé-doeleinden worden gebruikt indien in dit gebruik is voorzien in de arbeidsovereenkomst (bv. een Belgische ingezetene gebruikt louter toevallig met toelating van zijn in een andere Lidstaat gevestigde werkgever een vrachtwagen voor particuliere doeleinden). In dit laatste geval kan een attest zoals voorzien is in de nrs. 16 e.v. worden aangevraagd, mits aan al de daartoe gestelde voorwaarden is voldaan. Wanneer er echter uitsluitend beroepsgebruik is van het voertuig, wordt dit attest zelfs afgeleverd aan de zaakvoerder of bestuurder van de handelsvennootschap zonder dat deze hoeft aan te tonen dat hij een band van ondergeschiktheid heeft ten opzichte van deze onderneming (zie ibid.).

B. Het voertuig wordt niet uitsluitend aangewend voor beroepsdoeleinden of, meer algemeen, voor de doeleinden van een economische activiteit

Algemeen kader van de bijzondere regeling van niet-overbrenging

14. De hier bedoelde voertuigen zijn alle motorvoertuigen die als bedrijfsvoertuig niet beantwoorden aan de definitie gegeven onder nr. 12, hiervoor. Het gaat hier onder meer om de personenwagens, auto's voor dubbel gebruik, minibussen, alle-terreinvoertuigen, enz.

Wanneer dergelijke voertuigen door natuurlijke personen die in België verblijven voor beroepsredenen in opdracht van hun in een andere Lidstaat gevestigde werkgever worden aangewend, is onder bepaalde voorwaarden ten aanzien van die voertuigen het stelsel van de niet-overbrenging op grond van artikel 12bis, tweede lid, 7°, van het BTW-Wetboek van toepassing, voor zover de regeling van de tijdelijke invoer met volledige vrijstelling van invoerrechten van toepassing zou zijn mocht dit voertuig vanuit een derde land naar België zijn verzonden. Het is bovendien eveneens toegestaan dat dit voertuig door de in België residerende werknemer voor privé-doeleinden wordt aangewend voor zover dit privé-gebruik een bijkomstig en occasioneel karakter heeft in verhouding met het beroepsgebruik en voor zover in dit gebruik is voorzien in de arbeidsovereenkomst.

Ten aanzien van deze voertuigen wordt de bijzondere regeling van vrijstelling bij tijdelijke invoer, en ipso facto van het stelsel der niet-overbrengingen, slechts geacht van toepassing te zijn indien is voldaan aan de strikte voorwaarden die hierna zijn omschreven in het nr. 15.

Toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling

15. De voordelen van de regeling worden ten aanzien van de voertuigen bedoeld in het nr. 14, afhankelijk gesteld van het terzelfder tijd naleven van navolgende voorwaarden:



a)de werkgever is gevestigd in een andere Lidstaat van de Gemeenschap en heeft geen zetel, noch een vaste inrichting in België. Wanneer de werkgever die gevestigd is in de andere Lidstaat een zusterbedrijf heeft dat in België is gevestigd, is het voordeel van de bijzondere regeling niet uitgesloten, doch dient er te worden aangetoond dat de Belgische ingezetene/werknemer uitsluitend voor het buitenlands bedrijf prestaties in loonverband verricht;
b)het voertuig moet eigendom zijn van de werkgever. Ten aanzien van verhuurde of geleasde voertuigen wordt evenwel verwezen naar het nr. 9, hiervoor;
c)het voertuig moet door de werknemer gebruikt worden voor beroepsdoeleinden (woon-werkverkeer en beroepsverplaatsing, in opdracht van de werkgever) en mag slechts bijkomstig voor privé-doeleinden worden gebruikt. Dit privé-gebruik dient uitdrukkelijk in de arbeidsovereenkomst te zijn voorzien. De echtgeno(o)te en de kinderen die fiscaal te laste zijn en onder hetzelfde dak wonen zijn eveneens gemachtigd het voertuig bijkomstig te gebruiken. Het bijkomstig karakter van het privé-gebruik van het voertuig impliceert eveneens dat van die regeling slechts gebruik kan worden gemaakt voor één voertuig per werknemer;
d)het gebruik van het voertuig moet voorzien zijn in de arbeidsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer. Deze voorwaarde slaat niet alleen op een formele overeenkomst met betrekking tot de terbeschikkingstelling, doch sluit eveneens elk gebruik van het voertuig door de werknemer uit voor een andere bezoldigde activiteit of voor een activiteit als zelfstandige of als bestuurder in een andere vennootschap dan deze die het voertuig heeft ter beschikking gesteld. De bijzondere regeling kan eveneens worden geweigerd indien blijkt dat de werkgever geen enkele daadwerkelijke economische activiteit ontplooit in de Lidstaat waar hij gevestigd is;
e)de begunstigde moet een natuurlijk persoon zijn die werknemer of bedrijfsleider is van een onderneming waaraan hij verbonden is door een arbeidsovereenkomst. Ten einde misbruiken te vermijden dient de arbeidsovereenkomst die met een werkgever gevestigd in het Groot-Hertogdom Luxemburg werd gesloten te worden vergezeld van een attest uitgaande van het "Office de sécurité sociale luxembourgeois" (Luxemburgs kantoor voor sociale zekerheid). Dit attest vervangt in geen geval het attest waarvan sprake onder nr. 16, hierna;
f)wanneer de begunstigde een bedrijfsleider is (zaakvoerder of bestuurder van de onderneming), kan hij slechts op de bijzondere regeling beroep doen in de mate dat hij het statuut van werknemer bezit en bijgevolg voor zover hij aantoont dat er een echte band van ondergeschiktheid tegenover de onderneming bestaat. Het bestaan van een band van ondergeschiktheid impliceert dat de betrokken bedrijfsleider aantoont dat hij onderworpen is aan het gezag van een ander gemandateerd persoon of orgaan van de onderneming (raad van bestuur, directiecomité, raad van beheer, ..) op wiens gezagspositie hij geen beslissende invloed kan uitoefenen, in die zin zijn beheerders van éénmanszaken, vennoten-oprichters van een vennootschap of vennoten-hoofdaandeelhouders in ieder geval uitgesloten van de bijzondere regeling;
g)de voordelen van de bijzondere regeling inzake niet overbrengingen zijn slechts voor een periode van 24 maanden geldig. De betreffende regeling kan voor eenzelfde voertuig bij verloop van die periode worden hernieuwd voor zover wordt aangetoond dat het voertuig in de afgelopen twee jaar op geregelde wijze in de andere Lidstaat voor de beroepsdoeleinden van de werkgever werd gebruikt voor de activiteit die betrokken werkgever aldaar nog steeds ontplooit (zie nr. 18, hierna).
Aanvraag en aflevering van een attest

16. Wanneer voor het betrokken voertuig aan alle hiervoor vermelde voorwaarden is voldaan, geldt ten aanzien van het naar België gebrachte voertuig het stelsel van de niet-overbrenging en geeft deze handeling er geen aanleiding tot een met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel gelijkgestelde bestemming van het goed in hoofde van de belastingplichtige onderneming die gevestigd is in de andere Lidstaat.

De betrokken werknemer kan een attest bekomen (kopie verkrijgbaar op aanvraag) waaruit blijkt dat aan de grondvoorwaarden voor toepassing van de regeling inzake niet-overbrenging is voldaan. Dit attest geldt om het gebruik van het voertuig onder vreemde nummerplaat op Belgisch grondgebied door een bestuurder, die Belgisch ingezetene is, te legitimeren.

17. De aanvraag dient te worden gedaan op een formulier volgens bijgevoegd model (kopie verkrijgbaar op aanvraag) en dient te worden gericht aan de Eerstaanwezend inspecteur van de BTW binnen wiens ambtsgebied de woonplaats van betrokken werknemer is gelegen.

Bij de aanvraag dient de betrokkene volgende stukken te voegen:



a)een afschrift van de arbeidsovereenkomst waaruit tevens de ter beschikkingstelling van het voertuig door de werkgever blijkt;
b)desgevallend, het attest waarvan sprake onder nr. 15, e, hiervoor, indien de werkgever in het Groot-Hertogdom Luxemburg is gevestigd;
c)een afschrift van de aankoopfactuur van het voertuig indien dit door de werkgever werd aangekocht;
d)een afschrift van de huur- of leasingovereenkomst indien de werkgever een door hem gehuurd of in leasing genomen voertuig ter beschikking stelt,
e)een afschrift van de statuten van de onderneming indien de begunstigde een zaakvoerder of bestuurder van de onderneming is die het reëel bestaan van een band van ondergeschiktheid jegens de onderneming wenst aan te tonen;
f)een stuk waaruit de omvang van de economische activiteit van de betrokken werkgever in de Lidstaat waar deze gevestigd is blijkt (bv. uittreksel uit de meest recente resultatenrekening).
Hernieuwing van het attest

18. Het afgeleverde attest is geldig voor een periode van 24 maand vanaf de datum van uitreiking.

De geldigheidsduur kan echter worden verlengd voor een nieuwe periode van 24 maand mits betrokkene aantoont:



a)nog steeds te beantwoorden aan alle in nr. 15, hiervoor, gestelde toekenningsvoorwaarden;
b)het voertuig gedurende de afgelopen 24 maand op geregelde wijze in de Lidstaat waar de werkgever is gevestigd te hebben gebruikt. Dit bewijs kan worden geleverd door het samen voorleggen van de arbeidsovereenkomst en het bewijs van het bestaan van een economische activiteit uitgeoefend door de werkgever in diens Lidstaat van vestiging.
Het is eveneens verplicht een hernieuwing van het attest aan te vragen telkens wanneer zich een wijziging voordoet in de elementen die van aard zijn de voldoening aan de voorwaarden vermeld in nr. 15, hiervoor, te beïnvloeden (bv. werknemer wijzigt van statuut).

Voertuigen waarvoor niet is voldaan aan de voorwaarden

19. Indien niet is voldaan aan al de voorwaarden vervat in het nr. 15, hiervoor, ten aanzien van een voertuig dat van de Belgische ingezetene ter beschikking werd gesteld, verricht de buitenlandse belastingplichtige een overbrenging die in België aanleiding zal geven tot een belastbare intracommunautaire verwerving (zie nrs. 2 en 3, hiervoor). Wanneer de in een andere Lidstaat gevestigde werkgever in België geen enkele andere belastbare handeling stelt buiten voormelde intracommunautaire verwerving van het ter beschikking gestelde voertuig, kan deze verwerving bij wijze van vereenvoudiging worden aangegeven via een bijzondere aangifte nr. 446, als bedoeld in het artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 46, van 29 december 1992, waardoor hij ervan wordt ontslagen ten aanzien van die handeling in België een aansprakelijk vertegenwoordiger te laten erkennen. Deze bijzondere aangifte nr. 446 dient te worden ingevuld op zicht van het stuk bedoeld in artikel 9, § 1 van het koninklijk besluit nr. 1, van 29 december 1992, en dient vervolgens te worden ingereikt op naam van de buitenlandse belastingplichtige onderneming op een douanekantoor naar keuze. De aangifte en het stuk kunnen naderhand worden aangewend om het recht op aftrek van deze belastingplichtige uit te oefenen volgens de bepalingen van de Achtste richtlijn (BTW-Wetboek, art. 76, § 2; art. 3, 5° van het kon. besl. nr. 3, van 10 december 1969), rekening houdend met de beperkingen opgelegd in artikel 45, § 2 van het BTW-Wetboek.

Einde van de regeling inzake niet-overbrenging

20. Indien voor een voertuig waarvoor de regeling inzake niet-overbrenging werd toegepast, de omstandigheden zodanig wijzigen dat niet langer aan de grondvoorwaarden zoals uiteengezet in het nr. 15, hiervoor, is voldaan, dient de werknemer onmiddellijk het uitgereikte attest in te leveren bij de Eerstaanwezend inspecteur van het BTW-controlekantoor die het heeft uitgereikt en wordt het betreffende voertuig beschouwd als zijnde overgebracht naar België vanaf het tijdstip waarop aan de hiervoor genoemde grondvoorwaarden niet meer wordt voldaan. De regularisatie waartoe de buitenlandse belastingplichtige, werkgever is gehouden wegens wijziging van de fiscale toestand van het betrokken voertuig van niet-overbrenging naar overbrenging die wordt gelijkgesteld met een intracommunautaire verwerving onder bezwarende titel, geschiedt op de wijze zoals omschreven in nr. 19, hiervoor. Dit laatste is evenwel niet het geval wanneer het een geleasd of gehuurd voertuig betreft. In dergelijke situatie dient alleen het uitgereikte attest te worden ingeleverd.

Opheffingsbepalingen

21. Deze aanschrijving vervangt de aanschrijving nr. 9 van 13 juni 1995, vanaf de publicatiedatum van onderhavige aanschrijving.

Namens de Minister:

Voor de Directeur-generaal,
R. SUCAET
Directeur-generaal