Circulaire 2018/C/10 betreffende de wet van 22.10.2017 houdende diverse fiscale bepalingen I
Administratieve commentaar met betrekking tot artikel 12 van de wet van 22 oktober 2017 houdende diverse fiscale bepalingen I tot opheffing van het gebruik van de prijscourant voor de taks tot vergoeding der successierechten ("VZW-taks")
taks tot vergoeding der successierechten ; VZW-taks ; heffingsgrondslag van de taks ; financiële instrumenten
FOD Financiën, 25.01.2018
Algemene Administratie van de Patrimoniumdocumentatie
1. Inleiding
In het Belgisch Staatsblad van 10 november 2017 is de wet van 22 oktober 2017 gepubliceerd, houdende diverse fiscale bepalingen I. De tekst van de wet gaat als bijlage 1. De geconsolideerde tekst van het gewijzigd artikel gaat als bijlage 2.
Boek II van het W.Succ. betreft de taks tot vergoeding van de successierechten (ook VZW-taks genoemd). In tegenstelling tot het boek I is deze taks een federale bevoegdheid. Artikel 150 W.Succ. bevat de bepalingen betreffende de heffingsgrondslag van deze taks. Deze bepalingen verwezen naar boek I om de belastbare grondslag te bepalen, waaronder artikel 21, III, W.Succ. betreffende de prijscourant.
De federale wetgever wenst geen gebruik meer te maken van de prijscourant om de financiële instrumenten te waarderen die op binnen- of buitenlandse markten worden verhandeld, en heeft dus het vierde lid van artikel 150 W.Succ. gewijzigd om een nieuwe waarderingsregeling in te voeren voor deze financiële instrumenten.
Deze nieuwe regeling is vergelijkbaar met de regeling die de gewesten reeds toepassen voor de successierechten. Aangezien de nieuwe waarderingsregel niet meer verwijst naar Boek I (gewestelijke bevoegdheid), maar rechtstreeks in artikel 150 W.Succ. is ingeschreven (Boek II, federale bevoegdheid), is ze echter alleen van toepassing in het kader van de taks op de VZW's.
2. Nieuwe waarderingsregeling voor financiële instrumenten
2.1. Financiële instrumenten
Alleen de beoogde financiële instrumenten ontsnappen aan de bepalingen van boek 1 die de heffingsbasis betreffen en zijn onderworpen aan de nieuwe regeling.
Het zijn de financiële instrumenten "die toegelaten zijn tot verhandeling op Belgische of buitenlandse gereglementeerde markten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en voor Belgische of buitenlandse multilaterale handelsfaciliteiten als bedoeld in artikel 2, eerste lid, 4°, van de voormelde wet".
De regeling betreft de waardering van E.E.R.-effecten, hetgeen ruimer is dan alleen de effecten die op de Brusselse beurs zijn genoteerd.
2.2. Heffingsgrondslag: de beurswaarde
De heffingsgrondslag van deze financiële instrumenten bestaat uit hun beurswaarde. M.a.w. "de slotkoers van een financieel instrument, zoals die als koersinformatie beschikbaar is in de gespecialiseerde pers of in gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen".
2.3. Bron
De bron van de beurswaarde van de financiële instrumenten bestaat uit de gespecialiseerde pers of de gespecialiseerde elektronisch raadpleegbare bronnen. Om de controletaak van de administratie te vergemakkelijken moet de aangever opgave doen van de voor de beurswaarden geraadpleegde bron.
2.4. Referentiedatum
"De waarden moeten worden aangegeven overeenkomstig de beurswaarde ervan op de eerste openingsdag van de beurs in de maanden januari, februari of maart."
De aangever kan dus kiezen voor hetzij de eerste openingsdag van de beurs in de maand januari, hetzij in de maand februari, hetzij in de maand maart. Deze keuze is uitsluitend: de aangever kan slechts één enkele van deze data kiezen voor al de aan te geven waarden. De aangever heeft tevens de verplichting de gekozen datum te vermelden in zijn aangifte, teneinde controle door de administratie mogelijk te maken.
Als er geen enkele notering is op één van deze data "kunnen de waarden ook worden aangegeven volgens de beurswaarde ervan op de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld". De aangever moet dus de eerstvolgende dag nemen waarop het financieel instrument genoteerd is.
In de mate waarin voor eenzelfde aangever sommige financiële instrumenten een notering hebben en andere niet, zijn dezelfde regels toepasselijk als voor de referentiedata. Voor de financiële instrumenten waarvoor de notering gekend is, is de aan te geven beurswaarde deze van de eerste opening van de beurs in de maanden januari, februari of maart. De financiële instrumenten die geen notering hebben op de gekozen datum moeten worden aangegeven volgens hun beurswaarde op de eerstvolgende dag waarop een notering bestaat.
Belangrijke opmerking:
Er is een verschil tussen de Nederlandse en de Franse tekst van de wet wat betreft de datum van de te gebruiken notering in geval van gebrek aan notering op de eerste openingsdag van de beurs in de maanden januari, februari of maart. Terwijl in de Nederlandse tekst sprake is van "de eerstvolgende dag waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld”, wordt in de Franse tekst vermeld: "du premier jour qui suit celui durant lequel une cotation est à nouveau établie" (m.a.w. de eerste dag die volgt op diegene waarop er opnieuw een notering wordt vastgesteld).
In afwachting van een wetswijziging terzake zal aan de aangevers de keuze worden gelaten tussen de Nederlandse of de Franse tekst, op voorwaarde dat deze keuze in de aangifte wordt vermeld, en de gekozen referentiedatum wordt gehanteerd voor alle aan te geven waarden.
