Circulaire nr. 16/2003 (Dos. - EE/L132) d.d. 29.07.2003

Testamentaire begunstiging
Erfrecht langstlevende echtgenoot


In het Belgisch Staatsblad van 22 mei 2003 (Ed.2) werden twee wetten van 22 april 2003 bekendgemaakt. Het betreft enerzijds de wet tot wijziging van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek en anderzijds de Wet tot wijziging van enkele bepalingen van het Burgerlijk Wetboek in verband met het erfrecht van de langstlevende echtgenoot. Deze teksten hebben voornamelijk gevolgen op burgerrechtelijk gebied en indirecte gevolgen voor wat de heffing van de successierechten betreft.

In bijlage worden de gecoördineerde teksten van de gewijzigde artikelen van het Burgerlijk Wetboek meegedeeld.

De teksten zijn in werking getreden op 1 juni 2003.

De Administrateur-generaal van de
Patrimoniumdocumentatie,

D. DE BRONE.

BIJLAGE

Gecoördineerde teksten van de artikelen 791, 915bis, 1130, 1388 en 1394 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 791 :

Men kan, zelfs bij huwelijkscontract, de nalatenschap van een persoon die nog in leven is, niet verwerpen, noch de toekomstige rechten vervreemden die men op zodanige nalatenschap mocht hebben, tenzij in gevallen bij de wet bepaald.

Artikel 915bis :

§ 1. Niettegenstaande elke andersluidende bepaling verkrijgt de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik van de helft van de goederen van de nalatenschap.

§ 2. Giften bij akte onder de levenden of bij testament mogen niet tot gevolg hebben dat de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik verliest van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad.

In geval van feitelijke scheiding van de echtgenoten heeft dit vruchtgebruik betrekking op het onroerend goed waarin de echtgenoten hun laatste echtelijke verblijfplaats hadden gevestigd en op het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de langstlevende echtgenoot daar is blijven wonen of tegen zijn wil verhinderd werd dat te doen en de toewijzing van dit vruchtgebruik voldoet aan de eis van de billijkheid.

Dat vruchtgebruik wordt toegerekend op het vruchtgebruik dat de langstlevende echtgenoot verkrijgt ingevolge §1, evenwel zonder daartoe beperkt te zijn.

§ 3. De rechten bedoeld in §§ 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater, vóór zijn overlijden, bij een gerechtelijke akte als eiser of als verweerder een afzonderlijk verblijf had gevorderd en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.

Deze bepaling is niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht.

§ 4. Wanneer de langstlevende echtgenoot opkomt samen met erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, wordt zijn voorbehouden erfdeel naar evenredigheid toegerekend op dat van de medeërfgenamen en op het beschikbaar gedeelte.

§ 5. Van het bepaalde in dit artikel kan worden afgeweken in het geval als bedoeld in artikel 1388, tweede lid.

Artikel 1130 :

Toekomstige zaken kunnen het voorwerp van een verbintenis uitmaken.

Men kan echter een nalatenschap die nog niet is opengevallen, niet verwerpen en evenmin omtrent zodanige nalatenschap enig beding maken, zelfs niet met toestemming van hem wiens nalatenschap het betreft, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.

Artikel 1388 :

De echtgenoten mogen niet afwijken van de regels die hun wederzijdse rechten en verplichtingen bepalen, noch van de regels betreffende het ouderlijk gezag en de voogdij noch van de regels die de wettelijke orde van erfopvolging bepalen.

De echtgenoten kunnen bij huwelijkscontract of bij wijzigingsakte, wanneer op dat tijdstip een van hen één of meer afstammelingen heeft die voortkomen uit een andere relatie van voor hun huwelijk of die geadopteerd werden voor hun huwelijk, of afstammelingen van de geadopteerden, geheel of ten dele, zelfs zonder wederkerigheid, een regeling treffen over de rechten die de ene in de nalatenschap van de andere kan uitoefenen. Deze regeling doet geen afbreuk aan het recht van de ene, om bij testament of bij akte onder de levenden te beschikken ten gunste van de andere en kan in geen geval aan de langstlevende het recht van vruchtgebruik ontnemen van het onroerend goed dat bij het openvallen van de nalatenschap van de eerststervende het gezin tot voornaamste woning diende en van het daarin aanwezige huisraad, volgens de voorwaarden bepaald in artikel 915bis, §§2 tot 4.

Artikel 1394 :

De echtgenoten kunnen tijdens het huwelijk hun huwelijksvermogensstelsel wijzigen naar goeddunken en zelfs een ander stelsel aannemen.

De akte houdende wijziging van het huwelijksvermogensstelsel wordt vooraf gegaan door :

1. een beschrijving van alle roerende en onroerende goederen en van de schulden van de echtgenoten ;

2. een regeling van hun wederzijdse rechten, waaromtrent het hun vrij staat een vergelijk te treffen.

Beide worden vastgesteld bij notariële akte.

De boedelbeschrijving en de regeling van de wederzijdse rechten zijn niet vereist, wanneer de wijziging van het huwelijksvermogensstelsel niet de vereffening van het vorige stelsel of een dadelijke verandering van de samenstelling van de vermogens tot gevolg heeft, of wanneer de wijziging zich beperkt tot herroeping, in onderlinge overeenstemming tussen de echtgenoten, van de schenkingen die zij aan elkaar hebben gedaan of die de ene echtgenoot aan de andere heeft gedaan in het huwelijkscontract, of zich beperkt tot een regeling zoals bepaald in artikel 1388, lid 2.

De boedelbeschrijving en de regeling van wederzijdse rechten zijn evenmin vereist wanneer een wijziging wordt aangebracht in het gemeenschappelijk vermogen, zonder dat voor het overige het huwelijksvermogensstelsel dermate wordt gewijzigd dat het volledig moet worden vereffend. Op verzoek van een van de echtgenoten of van de rechtbank dient evenwel een boedelbeschrijving en een regeling van de wederzijdse rechten te worden opgemaakt.



Gecoördineerde tekst van artikel 909 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 909 :

Doctors in de genees-, heel- en verloskunde, officieren van gezondheid en apothekers, die een persoon hebben behandeld gedurende de ziekte waaraan hij overleden is, kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament, die hij, in de loop van die ziekte, te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt.

Beheerders en personeelsleden van rustoorden, rust- en verzorgingstehuizen alsmede van om het even welke collectieve woonstructuur ook voor bejaarden kunnen geen voordeel genieten van beschikkingen onder de levenden of bij testament die een persoon die in hun instelling heeft verbleven gedurende zijn verblijf aldaar te hunnen behoeve mocht hebben gemaakt.

Hiervan zijn uitgezonderd : 1° de beschikkingen tot vergelding van diensten, onder bijzondere titel gemaakt, met inachtneming van het vermogen van de beschikker en van de bewezen diensten ; 2° de algemene beschikkingen ten voordele van bloedverwanten tot en met de vierde graad, mits de overledene geen erfgenamen in de rechte lijn achterlaat; tenzij degene ten voordele van wie de beschikking gemaakt is, zelf tot die erfgenamen behoort ; 3° de beschikkingen ten voordele van de echtgenoot, de wettelijk samenwonende of de persoon met wie de beschikker een feitelijk gezin vormt.

Dezelfde regels worden in acht genomen ten aanzien van de bedienaren van de erediensten en andere geestelijken, alsmede ten aanzien van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad.