Circulaire nr. Ci.RH.863/547.570 (AOIF 6/2002) dd. 01.03.2002
Bull. nr. 825, pag. 1230-1245
GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
Vertegenwoordiging van de Staat
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet
Circulaire van de Administrateur-generaal van de belastingen met betrekking tot de artikelen 3 en 9 van de wet van 10.12.2001 tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken.
Aanwijzing van de ambtenaren die de Staat in rechte zullen vertegenwoordigen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2+.
Hierbij gaat de circulaire van de Administrateur-generaal van de belastingen van 15.2.2002 betreffende het bovenvermelde onderwerp.
Voor de Directeur-generaal :
De Directrice,
M. BALLEUX
Bijlage
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2+.
Ons kenmerk : 441W/5/1614
Onderwerp : Commentaar op de artikelen 3 en 9 van de wet van 10 december 2001.
Aanwijzing van de ambtenaren die de Staat in rechte zullen vertegenwoordigen.
Bijlage : 1
I. INLEIDING
1. Deze circulaire geeft in de eerste plaats commentaar op de artikelen 3 en 9 van de wet van 10 december 2001 (BS 22.12.2001, blz. 44653), die alle ambtenaren van een belastingadministratie toelaten om vanaf 1 april 2001 de Staat te vertegenwoordigen.
Anderzijds zet zij de principes uiteen die gevolgd moeten worden om de ambtenaren aan te wijzen die de gerechtelijke geschillendossiers inzake inkomstenbelastingen moeten behandelen en, overeenkomstig de nieuwe bepalingen, in naam van de Staat voor de rechtbanken van eerste aanleg moeten verschijnen.
II. WETTEKST
2. W 10.12.2001 tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken, wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken.
Art. 3
Artikel 379 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgeheven door de wet van 15 maart 1999, wordt in de volgende lezing hersteld:
"Art. 379. Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie."
Art. 9
Artikel 3 van deze wet treedt in werking met ingang van 1 april 2001.
III. OORSPRONG EN GEVOLGEN VAN DE NIEUWE WET
3. De mogelijkheid van de Staat om inzake geschillen met betrekking tot de inkomstenbelastingen voor de rechtbanken van eerste aanleg te verschijnen door middel van zijn ambtenaren kadert in het door de Regeringscommissaris voorgestelde plan inzake de vereenvoudiging van de fiscale procedure en de strijd tegen de grote fiscale fraude.
Dat voornemen werd evenwel reeds uitgedrukt bij de uitwerking van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (V 2673 - BB 792) en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (V 2674 - BB 792). Het ontwerp met betrekking tot de tweede wet voorzag oorspronkelijk in de invoeging in artikel 728, Gerechtelijk Wetboek, van een bepaling die de Minister van Financiën zou toelaten zich te laten vertegenwoordigen door een ambtenaar daartoe aangewezen.
Tijdens de parlementaire werkzaamheden werd geoordeeld dat een uitdrukkelijke bepaling inzake de vertegenwoordiging van de Staat voor de rechtbanken overbodig was, gelet op het feit dat artikel 703, GW uitdrukkelijk bepaalt dat rechtspersonen in rechte optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen en dat "de ambtenaar, die overeenkomstig de administratieve rechtsregels behoorlijk is gemachtigd, voor de nieuwe fiscale kamers van de rechtbank van eerste aanleg in de hoedanigheid van orgaan van de Staat verschijnt" (Doc. Senaat, 1998 - 1999, nr. 1-966/11 blz. 97).
Het doel dat de wetgever onderliggend aan de hervormingswet van de gerechtelijke geschillenprocedure beoogde werd geconcretiseerd door een beslissing van de Minister van Financiën van 28 maart 2001, die stelde dat, voor wat de nieuwe geschillen betreft, vanaf 1 april 2001 de administratie zich zelf zal verdedigen voor de rechtbanken van eerste aanleg en dat de vertegenwoordiging van de Staat door een advocaat vanaf die datum voorbehouden is aan geschillen betreffende belangrijke en ingewikkelde principekwesties.
Aangezien de verschijning in rechte in naam van de Staat steunde op de orgaantheorie, werd beslist die taak voorlopig toe te vertrouwen aan de gewestelijk directeurs (DB) die de beslissing over het administratief beroep hebben genomen of ze moesten nemen binnen de redelijke termijn bepaald door de wetgever (6 maand of 9 maand in geval van aanslag van ambtswege), of aan de door hen gedelegeerde ambtenaren die het administratief beroep hebben onderzocht en die of de beslissing hebben genomen, of ze moesten nemen (instructie 11 april 2001). Dezelfde richtlijnen werden op de controlecentra toepasselijk gemaakt door een circulaire van 23.7.2001 (nr. Ci.RH.861/543.369).
Die methode werd evenwel betwist, zowel door de rechtsleer als door een aantal rechtbanken van eerste aanleg, om de reden dat bij gebrek aan een welbepaalde wetsbepaling uitsluitend de Minister van Financiën zelf, als orgaan, gemachtigd zou zijn om de verschijning in persoon te verzekeren voor de Belgische Staat voor de rechtbanken van de rechterlijke macht. Andere rechtbanken, daarentegen, hebben geoordeeld dat de gewestelijk directeur de vereiste hoedanigheid bezat aangezien hij door de wet bekleed is enerzijds met de macht om een uitvoerbare titel op te maken en anderzijds om ingekohierde aanslagen naar aanleiding van een bezwaarschrift te ontheffen.
Artikel 3 van de wet van 10 december 2001 heeft tot doel een einde te maken aan die tegenstrijdige interpretaties en een wettelijke basis te verlenen aan de vertegenwoordiging van de Staat door zijn ambtenaren. Daartoe schrijft artikel 379 WIB 92, nieuw, uitdrukkelijk voor dat in betwistingen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, de verschijning in persoon in naam van de Staat kan worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.
4. De inwerkingtreding op 1 april 2001 van artikel 379 WIB 92, nieuw, heeft tot gevolg dat, vanaf die datum, de vertegenwoordiging van de Staat door de (gewestelijke) directeurs en de ambtenaren die gedelegeerd zijn om te beslissen over de administratieve beroepen geldig is verklaard. Overeenkomstig het beoogde doel, dat meerdere malen bevestigd werd door de heer Minister tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 10 december 2001 (cf. met name, Verslag Kamer nr. 176/3, blz. 5; Verslag Senaat nr. 2-865/3, blz. 2), laten de uitermate algemene bewoordingen van die bepaling ook toe dat de verdediging van de Staat in rechte kan toevertrouwd worden aan de ambtenaren die aan de oorsprong liggen van de betwiste aanslagen.
5. Tijdens de parlementaire werkzaamheden heeft de Minister zich verbonden de vertegenwoordiging van de Staat enkel toe te vertrouwen aan de ambtenaren van de niveaus 1 en 2+ (Verslag Senaat nr. 2-865/3, blz. 22; Annalen Senaat nr. 2-160, 29 november 2001).
IV. AANWENDING VAN DE NIEUWE BEPALING
A. Algemeenheden
6. De bepalingen die volgen geven nauwkeurig aan wie de ambtenaren zijn die op grond van artikel 379 WIB 92, nieuw, in verschillende concrete situaties belast zijn met de verdediging van de Staat in rechte.
Ze betreffen alleen de geschillen die rijzen in het kader van de vestiging van de belasting. Niettemin kan in sommige gevallen de medewerking van de Administratie van de invordering, de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen of de Administratie der douane en accijnzen, vereist zijn (zie hierna, nrs. 16 en 17).
Die bepalingen zijn niet van toepassing op de vorderingen ingeleid tegen de aanslagen gevestigd op het initiatief van de BBI. Tot nader order, worden de gerechtelijke geschillen met betrekking tot deze aanslagen behandeld overeenkomstig de richtlijnen uiteengezet in de gemeenschappelijke circulaire AOIF/BBI van 26.6.2001, Ci.RH.861/542.864 (de overgangsbepaling vermeld in punt 4, 3° lid is niet meer van toepassing).
B. Inkomstenbelastingen
B. 1. Controlecentra
Herziening van de belastingtoestand van de belastingplichtige
7. In geval van een herziening van de fiscale toestand van de belastingplichtige wordt de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg verdedigd door degene die verantwoordelijk is voor de uitgevoerde herziening, te weten de taxatieambtenaar van niveau 1 of 2+ die, ofwel het bericht van wij ziging, ofwel de kennisgeving van aanslag van ambtswege ondertekend heeft.
Akkoord van de belastingplichtige
8. Wanneer de belastingaangifte werd verbeterd met akkoord van de belastingplichtige tijdens een bezoek aan zijn woonplaats of maatschappelijke zetel zal de verdediging van de geschillen die niettemin voor de rechtbank van eerste aanleg zouden worden gebracht gebeuren door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die het betwiste akkoord heeft bekomen.
Vordering ingediend vóór enige taxatie
9. Wanneer een belastingplichtige een vordering inleidt bij de rechtbank van eerste aanleg vóór de inkohiering van een aanslag (bv. betwisting betreffende het bestaan van aanwijzingen van fraude door de administratie meegedeeld met toepassing van artikel 333, lid 3, WIB 92, teneinde binnen de bijkomende termijn van 2 jaar, voorzien in die bepaling, onderzoeken te kunnen uitvoeren) komt de verdediging voor de rechtbank toe aan de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die de betwiste handeling heeft gesteld (in voormeld voorbeeld, diegene die de kennisgeving van de aanwijzingen van fiscale fraude ondertekend heeft).
B.2. Klassieke taxatiediensten
Herzieningen uitgevoerd door de administratie
10. In het geval van een herziening van de fiscale toestand door de klassieke taxatiediensten zijn de hiervoor ontwikkelde principes voor de controlecentra mutatis mutandis van toepassing. De verdediging gebeurt door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft ondertekend of die het later voor de recht bank opgezegde akkoord heeft bekomen.
Vergissingen van de administratie
11. Indien de vordering van de belastingplichtige zijn oorsprong vindt in een vergissing van de administratie (bv. naar aanleiding van een vergissing van gegevensinvoering) wordt die vergissing in principe rechtgezet langs administratieve weg.
Indien de door de administratie begane vergissing niet verwant is met een materiële vergissing en niet kan rechtgezet worden door middel van een ontheffing van ambtswege, zal de verschijning voor de rechtbank op het betrokken diensthoofd rusten. Niettemin zal in dit geval de tussenkomst van die laatste zich in de meeste gevallen beperken tot de opstelling van akkoordconclusies waarin de grief als gegrond wordt erkend.
Belastingplichtige komt terug op zijn aangifte
12. Indien de belastingplichtige een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg inleidt en aanvoert dat zijn aangifte verkeerd is, komt de verdediging van die dossiers eveneens toe aan de betrokken leider van de taxatie dienst.
C. Administratieve boeten
13. Inzake administratieve boeten gebeurt de verdediging van de Staat door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die aan de overtreder het bericht (formulier 279 F2) heeft gezonden waarmee hij ingelicht werd over de aard van de overtreding en het bedrag van de opgelegde boete.
D. Bedrijfsvoorheffing - Roerende voorheffing
D.l. In geval van inkohiering
14. Voor de geschillen betreffende de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing ingekohierd wegens gebrek aan aangifte of in geval van overtreding van de bepalingen van het WIB, wordt de verdediging van die dossiers toevertrouwd aan de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege ondertekend heeft.
Indien de BV ingekohierd is wegens niet-betaling van de door de belastingschuldige aangegeven bedragen, hetzij geautomatiseerd (systeem ICPC), hetzij door het documentatiecentrum ("dringende" inkohiering op verzoek van de ontvanger), gebeurt de verdediging van de Staat door de gewestelijk directeur of de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing over het administratief beroep heeft genomen of moest nemen.
Dat is ook het geval voor wat de geschillen betreft inzake aanslagen in de roerende voorheffing ingekohierd wegens gebrek aan betaling van de aangegeven bedragen.
D.2. Bij gebrek aan inkohiering
15. Voor de geschillen inzake de aan de bron ingehouden bedrijfsvoorheffing staat de ambtenaar die toezicht houdt over het documentatiecentrum (inspecteur A) in voor de verdediging voor de rechtbank.
Voor de niet ingekohierde roerende voorheffing wordt de verdediging voor het gerecht toegewezen aan de ambtenaar die over het voorafgaand administratief beroep een beslissing heeft genomen of moest nemen (in principe de inspecteur A).
E. Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en eurovignet
16. Inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verkeersbelasting en samenhangende belastingen, belasting op spelen en weddenschappen, belasting op automatische ontspanningstoestellen) en het eurovignet, staat in principe de gewestelijk directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar die de beslissing over het voorafgaand administratief beroep heeft genomen of moest nemen in voor de verdediging voor de rechtbank.
Niettemin zal, indien de behandeling van de overtredingen inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen toegekend is aan een taxatiedienst DB (spelen en weddenschappen, automatische ontspanningstoestellen), de Staat worden vertegenwoordigd door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft ondertekend.
In de gevallen waarin de diensten van de Administratie der douane en accijnzen belast zijn met het opstellen van processen-verbaal inzake VB of eurovignet en indien de belastingplichtige een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg indient zonder de beslissing van de gewestelijk directeur DB of de door hem gedelegeerde ambtenaar af te wachten, kan de medewerking van die administratie gevraagd worden voor de voorbereiding van het gerechtelijk dossier.
In de voormelde zaken kan ook de medewerking van de Administratie van de invordering gevraagd worden indien de noodzakelijke inlichtingen om de opgeworpen grieven te weerleggen niet tijdens de administratieve fase van het geschil konden worden bekomen bij de bevoegde ontvanger.
Indien het onderzoek van het administratief beroep is toevertrouwd aan een specifieke dienst (bv. de dienst Belastingen - Auto's te Brussel voor de VB op de geautomatiseerde voertuigen) en indien de gewestelijk directeur DB op het moment van de inleiding van de gerechtelijke vordering nog geen beslissing heeft genomen, is de in het voorgaande lid vermelde medewerking noodzakelijk voor het opstellen van de conclusies.
F. Onroerende voorheffing
17. De verdediging van de Staat voor de rechtbank gebeurt door de gewestelijk directeur of de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing heeft genomen of ze moest nemen.
Indien de belastingplichtige een vordering inleidt zonder de beslissing van de gewestelijk directeur of zijn gedelegeerde ambtenaar af te wachten en indien het onderzoek toevertrouwd is aan de Administratie van de invordering (bv. vragen 179.1) of aan de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen (bv. bezwaarschrift tegen KI, aanslag op naam van de vroegere eigenaar, enz.) is de medewerking van die administraties noodzakelijk voor het opstellen van de conclusies.
G. Bijstand
18. De ambtenaren gespecialiseerd inzake geschillen kunnen aan de ambtenaren die de Staat voor de rechtbank moeten verdedigen bijstand verlenen voor het voorbereiden van het dossier (opstellen van conclusies, pleitnota's, enz.).
In de controlecentra wordt de in vorig lid vermelde bijstandsfunctie uitgeoefend door de afdeling V ("geschillen") (zie vademecum met betrekking tot de organisatie van de controlecentra van 31 juli 1997, nrs. 212 en 215).
Behalve wanneer de bijstand van een andere administratie vereist is komt, wanneer de verdediging van de Staat verzekerd wordt door de gewestelijk directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar, die taak toe aan de ambtenaren van de directies die nu belast zijn met de dossiers met betrekking tot de vorderingen voor de rechtbank van eerste aanleg. Zij zullen eveneens bijstand verlenen aan de ambtenaren van de klassieke diensten die belast zijn met de vertegenwoordiging van de Staat.
Overigens spreekt het vanzelf dat de ambtenaren belast met de voorbereiding van de gerechtsdossiers, in het geval van bijzondere moeilijkheden, zich steeds kunnen wenden tot de directies IV/1 en IV/2 van de centrale diensten van de AOIF.
H. Plaatsvervanging
19. Wanneer de ambtenaar aangewezen op basis van de bepalingen die voorafgaan om wettige redenen verhinderd is, verschijnt de persoon die hem ingevolge de regels van de hiërarchie van ambtswege vervangt voor de rechtbank van eerste aanleg.
Wanneer de verdediging in rechte wordt verzekerd door de door de gewestelijk directeur gedelegeerde ambtenaar op grond van de artikelen 375 en 376 WIB 92 en deze om wettige redenen is verhinderd, vervangt de gewestelijk directeur of zijn plaatsvervanger die ambtenaar daar elke overdracht van delegatie verboden is.
Indien de ambtenaar die wordt opgeroepen op de dag van de zitting niet meer in dienst is, wordt de Staat vertegenwoordigd ofwel door de door de (gewestelijk) directeur aangewezen "ad interim", ofwel door de nieuw benoemde ambtenaar in die betrekking, ofwel door de dienstleider.
20. De ambtenaren (van niveau 1 of 2+) die een bijstandsfunctie uitoefenen zullen in bepaalde gevallen de ambtenaren die geroepen zijn om voor de rechtbank van eerste aanleg te verschijnen vervangen, ofwel omdat ze niet het vereiste niveau bekleden (bv. in geval van akkoord ter plaatse bekomen door een ambtenaar van niveau 2), ofwel omdat de verschijning van de betrokken ambtenaar onmogelijk of moeilijk blijkt wegens de bepalingen die het gebruik der talen in gerechtszaken regelen. De (gewestelijke) directeurs moeten zelf oordelen of een ambtenaar de zaak in de taal van de procedure kan verdedigen.
V. INWERKINGTREDING
21. Volgens de bepalingen van artikel 9 van de wet van 10 december 2001 is artikel 379 WIB 92, nieuw, van kracht vanaf 1 april 2001. Niettemin zijn de voorafgaande richtlijnen slechts van toepassing op de geschillen die hun oorsprong vinden in de vanaf 1 januari 2002 uitgevoerde verificaties (behalve de aanslagen gevestigd op initiatief van de BBI : zie hierboven nr. 6). In de gevallen waarin er geen verificatie plaats vond (bv. indien de belastingplichtige terugkomt op zijn aangifte, gevallen van aan de bron ingehouden voorheffingen, enz.), zijn de nieuwe richtlijnen van toepassing op de vorderingen in rechte die voortvloeien uit de vanaf 1 januari 2002 ingediende bezwaarschriften.
Wat de vroeger dan voormelde data ingediende vorderingen betreft blijft de huidige handelswijze van toepassing (verdediging voor de rechtbank door de (gewestelijk) directeur of de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing over het administratief beroep heeft genomen of moest nemen), tot aan de afloop van het geschil voor de rechtbank van eerste aanleg.
22. Meer bijzondere richtlijnen zullen worden verstrekt in een circulaire tot wijziging van de praktische bepalingen vervat in de circulaire van de AOIF van 18 september 2000, nr. Ci.RH.863/530.827. Onder andere zullen bijkomende richtlijnen de modaliteiten van bijstand tussen de verschillende administraties verduidelijken (zie nrs. 16 en 17 van de huidige circulaire).
De Administrateur-generaal
van de belastingen,
H. DE GREEF
Samenvattende tabel
GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
Vertegenwoordiging van de Staat
WETBOEK VAN DE INKOMSTENBELASTINGEN 1992
Wijzigingswet
Circulaire van de Administrateur-generaal van de belastingen met betrekking tot de artikelen 3 en 9 van de wet van 10.12.2001 tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken.
Aanwijzing van de ambtenaren die de Staat in rechte zullen vertegenwoordigen.
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2+.
Hierbij gaat de circulaire van de Administrateur-generaal van de belastingen van 15.2.2002 betreffende het bovenvermelde onderwerp.
Voor de Directeur-generaal :
De Directrice,
M. BALLEUX
Bijlage
| MINISTERIE VAN FINANCIEN KABINET VAN DE ADMINISTRATEUR-GENERAAL VAN DE BELASTINGEN Financietoren Kruidtuinlaan 50 - bus 65 1010 Brussel | Brussel, 15.2.2002 Tel. 02/210.64.89 Fax. 02/210.64.85 |
Ons kenmerk : 441W/5/1614
Onderwerp : Commentaar op de artikelen 3 en 9 van de wet van 10 december 2001.
Aanwijzing van de ambtenaren die de Staat in rechte zullen vertegenwoordigen.
Bijlage : 1
I. INLEIDING
1. Deze circulaire geeft in de eerste plaats commentaar op de artikelen 3 en 9 van de wet van 10 december 2001 (BS 22.12.2001, blz. 44653), die alle ambtenaren van een belastingadministratie toelaten om vanaf 1 april 2001 de Staat te vertegenwoordigen.
Anderzijds zet zij de principes uiteen die gevolgd moeten worden om de ambtenaren aan te wijzen die de gerechtelijke geschillendossiers inzake inkomstenbelastingen moeten behandelen en, overeenkomstig de nieuwe bepalingen, in naam van de Staat voor de rechtbanken van eerste aanleg moeten verschijnen.
II. WETTEKST
2. W 10.12.2001 tot wijziging van verscheidene belastingwetboeken, wat de voorziening in cassatie betreft en de vertegenwoordiging van de Staat voor de hoven en rechtbanken.
Art. 3
Artikel 379 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgeheven door de wet van 15 maart 1999, wordt in de volgende lezing hersteld:
"Art. 379. Inzake de geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, kan de verschijning in persoon in naam van de Staat worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie."
Art. 9
Artikel 3 van deze wet treedt in werking met ingang van 1 april 2001.
III. OORSPRONG EN GEVOLGEN VAN DE NIEUWE WET
3. De mogelijkheid van de Staat om inzake geschillen met betrekking tot de inkomstenbelastingen voor de rechtbanken van eerste aanleg te verschijnen door middel van zijn ambtenaren kadert in het door de Regeringscommissaris voorgestelde plan inzake de vereenvoudiging van de fiscale procedure en de strijd tegen de grote fiscale fraude.
Dat voornemen werd evenwel reeds uitgedrukt bij de uitwerking van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (V 2673 - BB 792) en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (V 2674 - BB 792). Het ontwerp met betrekking tot de tweede wet voorzag oorspronkelijk in de invoeging in artikel 728, Gerechtelijk Wetboek, van een bepaling die de Minister van Financiën zou toelaten zich te laten vertegenwoordigen door een ambtenaar daartoe aangewezen.
Tijdens de parlementaire werkzaamheden werd geoordeeld dat een uitdrukkelijke bepaling inzake de vertegenwoordiging van de Staat voor de rechtbanken overbodig was, gelet op het feit dat artikel 703, GW uitdrukkelijk bepaalt dat rechtspersonen in rechte optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen en dat "de ambtenaar, die overeenkomstig de administratieve rechtsregels behoorlijk is gemachtigd, voor de nieuwe fiscale kamers van de rechtbank van eerste aanleg in de hoedanigheid van orgaan van de Staat verschijnt" (Doc. Senaat, 1998 - 1999, nr. 1-966/11 blz. 97).
Het doel dat de wetgever onderliggend aan de hervormingswet van de gerechtelijke geschillenprocedure beoogde werd geconcretiseerd door een beslissing van de Minister van Financiën van 28 maart 2001, die stelde dat, voor wat de nieuwe geschillen betreft, vanaf 1 april 2001 de administratie zich zelf zal verdedigen voor de rechtbanken van eerste aanleg en dat de vertegenwoordiging van de Staat door een advocaat vanaf die datum voorbehouden is aan geschillen betreffende belangrijke en ingewikkelde principekwesties.
Aangezien de verschijning in rechte in naam van de Staat steunde op de orgaantheorie, werd beslist die taak voorlopig toe te vertrouwen aan de gewestelijk directeurs (DB) die de beslissing over het administratief beroep hebben genomen of ze moesten nemen binnen de redelijke termijn bepaald door de wetgever (6 maand of 9 maand in geval van aanslag van ambtswege), of aan de door hen gedelegeerde ambtenaren die het administratief beroep hebben onderzocht en die of de beslissing hebben genomen, of ze moesten nemen (instructie 11 april 2001). Dezelfde richtlijnen werden op de controlecentra toepasselijk gemaakt door een circulaire van 23.7.2001 (nr. Ci.RH.861/543.369).
Die methode werd evenwel betwist, zowel door de rechtsleer als door een aantal rechtbanken van eerste aanleg, om de reden dat bij gebrek aan een welbepaalde wetsbepaling uitsluitend de Minister van Financiën zelf, als orgaan, gemachtigd zou zijn om de verschijning in persoon te verzekeren voor de Belgische Staat voor de rechtbanken van de rechterlijke macht. Andere rechtbanken, daarentegen, hebben geoordeeld dat de gewestelijk directeur de vereiste hoedanigheid bezat aangezien hij door de wet bekleed is enerzijds met de macht om een uitvoerbare titel op te maken en anderzijds om ingekohierde aanslagen naar aanleiding van een bezwaarschrift te ontheffen.
Artikel 3 van de wet van 10 december 2001 heeft tot doel een einde te maken aan die tegenstrijdige interpretaties en een wettelijke basis te verlenen aan de vertegenwoordiging van de Staat door zijn ambtenaren. Daartoe schrijft artikel 379 WIB 92, nieuw, uitdrukkelijk voor dat in betwistingen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, de verschijning in persoon in naam van de Staat kan worden gedaan door elke ambtenaar van een belastingadministratie.
4. De inwerkingtreding op 1 april 2001 van artikel 379 WIB 92, nieuw, heeft tot gevolg dat, vanaf die datum, de vertegenwoordiging van de Staat door de (gewestelijke) directeurs en de ambtenaren die gedelegeerd zijn om te beslissen over de administratieve beroepen geldig is verklaard. Overeenkomstig het beoogde doel, dat meerdere malen bevestigd werd door de heer Minister tijdens de voorbereidende werkzaamheden van de wet van 10 december 2001 (cf. met name, Verslag Kamer nr. 176/3, blz. 5; Verslag Senaat nr. 2-865/3, blz. 2), laten de uitermate algemene bewoordingen van die bepaling ook toe dat de verdediging van de Staat in rechte kan toevertrouwd worden aan de ambtenaren die aan de oorsprong liggen van de betwiste aanslagen.
5. Tijdens de parlementaire werkzaamheden heeft de Minister zich verbonden de vertegenwoordiging van de Staat enkel toe te vertrouwen aan de ambtenaren van de niveaus 1 en 2+ (Verslag Senaat nr. 2-865/3, blz. 22; Annalen Senaat nr. 2-160, 29 november 2001).
IV. AANWENDING VAN DE NIEUWE BEPALING
A. Algemeenheden
6. De bepalingen die volgen geven nauwkeurig aan wie de ambtenaren zijn die op grond van artikel 379 WIB 92, nieuw, in verschillende concrete situaties belast zijn met de verdediging van de Staat in rechte.
Ze betreffen alleen de geschillen die rijzen in het kader van de vestiging van de belasting. Niettemin kan in sommige gevallen de medewerking van de Administratie van de invordering, de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen of de Administratie der douane en accijnzen, vereist zijn (zie hierna, nrs. 16 en 17).
Die bepalingen zijn niet van toepassing op de vorderingen ingeleid tegen de aanslagen gevestigd op het initiatief van de BBI. Tot nader order, worden de gerechtelijke geschillen met betrekking tot deze aanslagen behandeld overeenkomstig de richtlijnen uiteengezet in de gemeenschappelijke circulaire AOIF/BBI van 26.6.2001, Ci.RH.861/542.864 (de overgangsbepaling vermeld in punt 4, 3° lid is niet meer van toepassing).
B. Inkomstenbelastingen
B. 1. Controlecentra
Herziening van de belastingtoestand van de belastingplichtige
7. In geval van een herziening van de fiscale toestand van de belastingplichtige wordt de Belgische Staat voor de rechtbank van eerste aanleg verdedigd door degene die verantwoordelijk is voor de uitgevoerde herziening, te weten de taxatieambtenaar van niveau 1 of 2+ die, ofwel het bericht van wij ziging, ofwel de kennisgeving van aanslag van ambtswege ondertekend heeft.
Akkoord van de belastingplichtige
8. Wanneer de belastingaangifte werd verbeterd met akkoord van de belastingplichtige tijdens een bezoek aan zijn woonplaats of maatschappelijke zetel zal de verdediging van de geschillen die niettemin voor de rechtbank van eerste aanleg zouden worden gebracht gebeuren door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die het betwiste akkoord heeft bekomen.
Vordering ingediend vóór enige taxatie
9. Wanneer een belastingplichtige een vordering inleidt bij de rechtbank van eerste aanleg vóór de inkohiering van een aanslag (bv. betwisting betreffende het bestaan van aanwijzingen van fraude door de administratie meegedeeld met toepassing van artikel 333, lid 3, WIB 92, teneinde binnen de bijkomende termijn van 2 jaar, voorzien in die bepaling, onderzoeken te kunnen uitvoeren) komt de verdediging voor de rechtbank toe aan de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die de betwiste handeling heeft gesteld (in voormeld voorbeeld, diegene die de kennisgeving van de aanwijzingen van fiscale fraude ondertekend heeft).
B.2. Klassieke taxatiediensten
Herzieningen uitgevoerd door de administratie
10. In het geval van een herziening van de fiscale toestand door de klassieke taxatiediensten zijn de hiervoor ontwikkelde principes voor de controlecentra mutatis mutandis van toepassing. De verdediging gebeurt door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft ondertekend of die het later voor de recht bank opgezegde akkoord heeft bekomen.
Vergissingen van de administratie
11. Indien de vordering van de belastingplichtige zijn oorsprong vindt in een vergissing van de administratie (bv. naar aanleiding van een vergissing van gegevensinvoering) wordt die vergissing in principe rechtgezet langs administratieve weg.
Indien de door de administratie begane vergissing niet verwant is met een materiële vergissing en niet kan rechtgezet worden door middel van een ontheffing van ambtswege, zal de verschijning voor de rechtbank op het betrokken diensthoofd rusten. Niettemin zal in dit geval de tussenkomst van die laatste zich in de meeste gevallen beperken tot de opstelling van akkoordconclusies waarin de grief als gegrond wordt erkend.
Belastingplichtige komt terug op zijn aangifte
12. Indien de belastingplichtige een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg inleidt en aanvoert dat zijn aangifte verkeerd is, komt de verdediging van die dossiers eveneens toe aan de betrokken leider van de taxatie dienst.
C. Administratieve boeten
13. Inzake administratieve boeten gebeurt de verdediging van de Staat door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die aan de overtreder het bericht (formulier 279 F2) heeft gezonden waarmee hij ingelicht werd over de aard van de overtreding en het bedrag van de opgelegde boete.
D. Bedrijfsvoorheffing - Roerende voorheffing
D.l. In geval van inkohiering
14. Voor de geschillen betreffende de bedrijfsvoorheffing en de roerende voorheffing ingekohierd wegens gebrek aan aangifte of in geval van overtreding van de bepalingen van het WIB, wordt de verdediging van die dossiers toevertrouwd aan de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die het bericht van wijziging of de kennisgeving van aanslag van ambtswege ondertekend heeft.
Indien de BV ingekohierd is wegens niet-betaling van de door de belastingschuldige aangegeven bedragen, hetzij geautomatiseerd (systeem ICPC), hetzij door het documentatiecentrum ("dringende" inkohiering op verzoek van de ontvanger), gebeurt de verdediging van de Staat door de gewestelijk directeur of de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing over het administratief beroep heeft genomen of moest nemen.
Dat is ook het geval voor wat de geschillen betreft inzake aanslagen in de roerende voorheffing ingekohierd wegens gebrek aan betaling van de aangegeven bedragen.
D.2. Bij gebrek aan inkohiering
15. Voor de geschillen inzake de aan de bron ingehouden bedrijfsvoorheffing staat de ambtenaar die toezicht houdt over het documentatiecentrum (inspecteur A) in voor de verdediging voor de rechtbank.
Voor de niet ingekohierde roerende voorheffing wordt de verdediging voor het gerecht toegewezen aan de ambtenaar die over het voorafgaand administratief beroep een beslissing heeft genomen of moest nemen (in principe de inspecteur A).
E. Met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen en eurovignet
16. Inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen (verkeersbelasting en samenhangende belastingen, belasting op spelen en weddenschappen, belasting op automatische ontspanningstoestellen) en het eurovignet, staat in principe de gewestelijk directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar die de beslissing over het voorafgaand administratief beroep heeft genomen of moest nemen in voor de verdediging voor de rechtbank.
Niettemin zal, indien de behandeling van de overtredingen inzake de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen toegekend is aan een taxatiedienst DB (spelen en weddenschappen, automatische ontspanningstoestellen), de Staat worden vertegenwoordigd door de ambtenaar van niveau 1 of 2+ die de kennisgeving van aanslag van ambtswege heeft ondertekend.
In de gevallen waarin de diensten van de Administratie der douane en accijnzen belast zijn met het opstellen van processen-verbaal inzake VB of eurovignet en indien de belastingplichtige een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg indient zonder de beslissing van de gewestelijk directeur DB of de door hem gedelegeerde ambtenaar af te wachten, kan de medewerking van die administratie gevraagd worden voor de voorbereiding van het gerechtelijk dossier.
In de voormelde zaken kan ook de medewerking van de Administratie van de invordering gevraagd worden indien de noodzakelijke inlichtingen om de opgeworpen grieven te weerleggen niet tijdens de administratieve fase van het geschil konden worden bekomen bij de bevoegde ontvanger.
Indien het onderzoek van het administratief beroep is toevertrouwd aan een specifieke dienst (bv. de dienst Belastingen - Auto's te Brussel voor de VB op de geautomatiseerde voertuigen) en indien de gewestelijk directeur DB op het moment van de inleiding van de gerechtelijke vordering nog geen beslissing heeft genomen, is de in het voorgaande lid vermelde medewerking noodzakelijk voor het opstellen van de conclusies.
F. Onroerende voorheffing
17. De verdediging van de Staat voor de rechtbank gebeurt door de gewestelijk directeur of de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing heeft genomen of ze moest nemen.
Indien de belastingplichtige een vordering inleidt zonder de beslissing van de gewestelijk directeur of zijn gedelegeerde ambtenaar af te wachten en indien het onderzoek toevertrouwd is aan de Administratie van de invordering (bv. vragen 179.1) of aan de Administratie van het kadaster, de registratie en de domeinen (bv. bezwaarschrift tegen KI, aanslag op naam van de vroegere eigenaar, enz.) is de medewerking van die administraties noodzakelijk voor het opstellen van de conclusies.
G. Bijstand
18. De ambtenaren gespecialiseerd inzake geschillen kunnen aan de ambtenaren die de Staat voor de rechtbank moeten verdedigen bijstand verlenen voor het voorbereiden van het dossier (opstellen van conclusies, pleitnota's, enz.).
In de controlecentra wordt de in vorig lid vermelde bijstandsfunctie uitgeoefend door de afdeling V ("geschillen") (zie vademecum met betrekking tot de organisatie van de controlecentra van 31 juli 1997, nrs. 212 en 215).
Behalve wanneer de bijstand van een andere administratie vereist is komt, wanneer de verdediging van de Staat verzekerd wordt door de gewestelijk directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar, die taak toe aan de ambtenaren van de directies die nu belast zijn met de dossiers met betrekking tot de vorderingen voor de rechtbank van eerste aanleg. Zij zullen eveneens bijstand verlenen aan de ambtenaren van de klassieke diensten die belast zijn met de vertegenwoordiging van de Staat.
Overigens spreekt het vanzelf dat de ambtenaren belast met de voorbereiding van de gerechtsdossiers, in het geval van bijzondere moeilijkheden, zich steeds kunnen wenden tot de directies IV/1 en IV/2 van de centrale diensten van de AOIF.
H. Plaatsvervanging
19. Wanneer de ambtenaar aangewezen op basis van de bepalingen die voorafgaan om wettige redenen verhinderd is, verschijnt de persoon die hem ingevolge de regels van de hiërarchie van ambtswege vervangt voor de rechtbank van eerste aanleg.
Wanneer de verdediging in rechte wordt verzekerd door de door de gewestelijk directeur gedelegeerde ambtenaar op grond van de artikelen 375 en 376 WIB 92 en deze om wettige redenen is verhinderd, vervangt de gewestelijk directeur of zijn plaatsvervanger die ambtenaar daar elke overdracht van delegatie verboden is.
Indien de ambtenaar die wordt opgeroepen op de dag van de zitting niet meer in dienst is, wordt de Staat vertegenwoordigd ofwel door de door de (gewestelijk) directeur aangewezen "ad interim", ofwel door de nieuw benoemde ambtenaar in die betrekking, ofwel door de dienstleider.
20. De ambtenaren (van niveau 1 of 2+) die een bijstandsfunctie uitoefenen zullen in bepaalde gevallen de ambtenaren die geroepen zijn om voor de rechtbank van eerste aanleg te verschijnen vervangen, ofwel omdat ze niet het vereiste niveau bekleden (bv. in geval van akkoord ter plaatse bekomen door een ambtenaar van niveau 2), ofwel omdat de verschijning van de betrokken ambtenaar onmogelijk of moeilijk blijkt wegens de bepalingen die het gebruik der talen in gerechtszaken regelen. De (gewestelijke) directeurs moeten zelf oordelen of een ambtenaar de zaak in de taal van de procedure kan verdedigen.
V. INWERKINGTREDING
21. Volgens de bepalingen van artikel 9 van de wet van 10 december 2001 is artikel 379 WIB 92, nieuw, van kracht vanaf 1 april 2001. Niettemin zijn de voorafgaande richtlijnen slechts van toepassing op de geschillen die hun oorsprong vinden in de vanaf 1 januari 2002 uitgevoerde verificaties (behalve de aanslagen gevestigd op initiatief van de BBI : zie hierboven nr. 6). In de gevallen waarin er geen verificatie plaats vond (bv. indien de belastingplichtige terugkomt op zijn aangifte, gevallen van aan de bron ingehouden voorheffingen, enz.), zijn de nieuwe richtlijnen van toepassing op de vorderingen in rechte die voortvloeien uit de vanaf 1 januari 2002 ingediende bezwaarschriften.
Wat de vroeger dan voormelde data ingediende vorderingen betreft blijft de huidige handelswijze van toepassing (verdediging voor de rechtbank door de (gewestelijk) directeur of de gedelegeerde ambtenaar die de beslissing over het administratief beroep heeft genomen of moest nemen), tot aan de afloop van het geschil voor de rechtbank van eerste aanleg.
22. Meer bijzondere richtlijnen zullen worden verstrekt in een circulaire tot wijziging van de praktische bepalingen vervat in de circulaire van de AOIF van 18 september 2000, nr. Ci.RH.863/530.827. Onder andere zullen bijkomende richtlijnen de modaliteiten van bijstand tussen de verschillende administraties verduidelijken (zie nrs. 16 en 17 van de huidige circulaire).
De Administrateur-generaal
van de belastingen,
H. DE GREEF
Samenvattende tabel
| Oude bezwaarschriften | Verdediging voor de rechtbank |
| 1. Administratieve beroepen behandeld door de diensten DB | |
|
|
| |
| - aanslagen niet gevestigd op initiatief van de BBI |
|
| - aanslagen gevestigd op initiatief van de BBI |
|
| 2. Administratieve beroepen behandeld door de CC |
|
| Nieuwe bezwaarschriften (behalve aanslagen gevestigd op initiatief van de BBI : zie oude Bezwaarschriften) | Verdediging voor de rechtbank (ambtenaren van de niveaus 1 en 2+) |
| IB | |
| 1. CC | |
|
|
|
|
|
|
| 2. Klassieke taxatiediensten | |
|
|
|
|
|
|
|
|
| Administratieve boeten | |
| |
|
|
| Bedrijfsvoorheffing | |
| Roerende voorheffing | |
| 1. Ingekohierd | |
|
|
| |
| - BV - RV |
|
| 2. Aan de bron gestort | |
|
|
|
|
| Gelijkgestelde belastingen en eurovignet | |
|
|
|
|
| Onroerende voorheffing | |
|
|
|
|
Bron: FisconetPlus
