Aanschrijving nr. 4 dd. 12.01.1973

AANSCHRIJVING 73-004/2

Aanschrijving nr. 4 dd. 12.01.1973


Onroerende verhuur
Verhuur
Terbeschikkingstelling
Onroerend goed
Hotel
Zaal
Studentenkamer
Gemeubeld logies
Kampeerterrein
Recht op toegang
Inrichting voor cultuur
Inrichting voor sport
Inrichting voor vermaak
Gebruik
Recht op gebruik
Restaurant
Drankslijterij
Tafelhouder
Traiteur
Tentoonstelling
Tentoonstellen
Zaal voor het tentoonstellen
Kunstwerk
Standplaats
Handelsbeurs
Overdracht van een recht
Overdracht recht om beroepswerkzaamheid uit te oefenen
Overdracht van recht om producten uit grond te halen
Werkaanneming


Doel

1. De aanschrijving heeft ten doel de BTW-regeling nader te bepalen, die van toepassing is op de onroerende verhuur en op andere handelingen die de terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen meebrengen.

EERSTE HOOFDSTUK

INLEIDING

Definitie van onroerende verhuur

2. Onder onroerende verhuur wordt voor de toepassing van deze aanschrijving verstaan de overeenkomst waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een uit zijn aard onroerend goed te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een vergoeding die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen.

3. Het essentiële voorwerp van de overeenkomst is het aan de huurder verschaffen van het gebruik en het genot van de in huur gegeven zaak. Bovendien heeft dat genot en dat gebruik betrekking op een uit zijn aard onroerend goed.

Regel

4. De verhuur die uit hun aard onroerende goederen tot voorwerp heeft, valt in de regel buiten de werkingssfeer van de belasting. Het genot heeft immers betrekking op goederen die niet worden bedoeld in artikel 9, § 1, van het Wetboek.

5. Bovendien werd tot nog toe geen enkel koninklijk besluit genomen ter uitvoering van artikel 18, § 3, van het Wetboek, dat de Koning de bevoegdheid geeft om, in de door Hem te bepalen gevallen en onder de door Hem te stellen voorwaarden, als een dienst aan te merken, de verhuur van andere onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden dan die welke het voorwerp zijn van een contract van financieringshuur.

Afwijkingen

6. Sommige handelingen die volgens het burgerlijk recht onroerende verhuur kunnen zijn, vallen echter uitzonderlijk binnen de werkingssfeer van de belasting. Dat is het geval voor :

1° de terbeschikkingstelling ten behoeve van gebruikers, van stalling voor rijtuigen door de exploitanten van een parking of een garage, zelfs wanneer het bepalend bestanddeel van het contract niet de bewaking, maar het gebruik van een deel van een onroerend goed is (Wetboek, art. 18, § 1, 8°; aanschr. 46/ 1972) (1);

(1) (Z. Revue nr. 8, blz. 354.)

2° de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen, zelfs wanneer het bepalend bestanddeel niet de bewaking, maar het gebruik van een deel van een onroerend goed is (Wetboek, art. 18, § 1, 9°);

3° de terbeschikkingstelling van plaats door de exploitanten van kampeerterreinen (Wetboek, art. 18, § 1, 10°);

4° de verhuur van brandkasten die onroerend uit hun aard zijn (Wetboek, art. 18, § 1, 13°);

5° de financieringshuur van onroerende goederen voor nijverheids- of handelsdoeleinden (Wetboek, art. 18, § 2) .

Toepassingsmoeilijkheden

7. De moeilijkheden die zich op dit stuk voordoen hebben hoofdzakelijk twee oorzaken.

1° Het onderscheid tussen de onroerende verhuur en andere handelingen die wel in het Wetboek worden bedoeld, is niet steeds gemakkelijk. Dat probleem wordt behandeld in hoofdstuk II.

2° Anderdeels gaat een werkelijke onroerende verhuur vaak gepaard met andere leveringen of diensten die wel bedoeld kunnen zijn in het Wetboek. Dat probleem wordt behandeld in hoofdstuk III.

HOOFDSTUK II

ONDERSCHEID TUSSEN DE ONROERENDE VERHUUR EN ANDERE IN HET WETBOEK BEDOELDE HANDELINGEN

Eerste afdeling.-- Verschaffen van gemeubeld logies

Wetsbepaling

8. Luidens artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek, is het verschaffen van gemeubeld logies door de exploitant van een hotelinrichting en, meer algemeen, door al wie een inrichting drijft waar aan betalende gasten onderdak wordt verschaft, een dienst in de zin van het Wetboek.

Exploitatie van een hotel of van een ermee gelijkgestelde inrichting

9. De toepassing van artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek, vereist het bestaan van een exploitatie van een hotel of van een ermee gelijkgestelde inrichting.

De exploitatie van een hotel wordt gekenmerkt door een permanente organisatie die de mensen en het materieel omvat die het mogelijk maken aan gasten aan wie onderdak wordt verschaft, diensten te verlenen zoals de ontvangst van de reizigers, het te hunner beschikking stellen van een gemeubelde kamer, het onderhoud en het schoonmaken van de kamers, met inbegrip van het verschaffen van huishoudelijk linnengoed (beddelakens, dekens, handdoeken, enz.) en, eventueel, het verschaffen van het ontbijt.

Het is niet noodzakelijk dat al die diensten verricht worden. Het volstaat dat sommige ervan geregeld worden verleend aan degenen die hun intrek nemen in de inrichting. Om artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek te kunnen toepassen moet echter in ieder geval gemeubeld logies worden verschaft.

De belasting is niettemin verschuldigd krachtens artikel 18, § 1, 10°, wanneer een reiziger of ieder ander persoon maaltijden gebruikt in een hotelinrichting zonder dat hij er logeert.

10. De inrichtingen die als hotelinrichtingen worden aangemerkt voor de toepassing van de wet van 19 februari 1963 houdende statuut van hotelinrichtingen, zoals hotels, gasthoven, motels en pensions, zijn zonder enige twijfel bedoeld in artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek.

De toepassing van die bepaling is echter niet beperkt tot die inrichtingen alleen. Bedoeld worden eveneens :

1° de inrichtingen die geregeld aan betalende gasten onderdak verlenen voor een kortere tijdsduur dan een nacht, zelfs wanneer noch spijzen, noch dranken worden verschaft;

2° de vakantietehuizen;

3° de tehuizen die geregeld retraites in internaatsverband organiseren;

4° de bejaardentehuizen die de vrijstelling van artikel 44, § 2, 2°, van het Wetboek niet genieten (z. nr. 15, 2°).

Terbeschikkingstelling van een zaal

11. De exploitant van een hotelinrichting kan een zaal die van zijn exploitatie deel uitmaakt, exclusief ter beschikking stellen van een persoon of van een groepering.

De regeling die op dat geval van toepassing is, wordt nader omschreven in de nrs. 35 tot 41.

Verhuur van gemeubelde studentenkamers

12. Wanneer particulieren, voor een betrekkelijk lange duur, gemeubelde kamers ter beschikking stellen van studenten, verkrijgen zij niet de hoedanigheid van belastingplichtige voor zover de bijkomstige service beperkt wordt tot het verschaffen van het ontbijt en het schoonmaken van de kamers.

De door die particulieren verrichte diensten vallen bijgevolg buiten de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek.

Niet bedoelde handelingen

13. De verhuur van gemeubelde appartementen en huizen valt buiten de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek.

Wat de verhuur van gemeubelde appartementen en huizen onderscheidt van het verschaffen van gemeubeld logies bedoeld in artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek, is het feit dat de diensten welke geregeld door de exploitanten van hotelinrichtingen worden verricht, hier niet worden verleend (z. nr. 9).

14. De regeling die van toepassing is op de verhuur van gemeubelde appartementen en huizen wordt nader omschreven in nr. 91.

Verschaffen van gemeubeld logies met vrijstelling van belasting

15. De diensten die binnen de werkingssfeer vallen van artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek zijn vrijgesteld van de belasting in de volgende gevallen :

1° wanneer die diensten worden verricht door ziekenhuizen, psychiatrische inrichtingen en klinieken aan personen aan wie onderdak wordt verschaft om er te worden verzorgd, en aan personen die de zieken en gewonden vergezellen (z. Wetboek, art. 44, § 2, 1°);

2° wanneer die diensten worden verricht door bejaardentehuizen, erkend krachtens de wet van 12 juli 1966 (Wetboek. art. 44, § 2, 2°);

3° wanneer die diensten worden verricht door kinderbewaarplaatsen en zuigelingentehuizen (Wetboek, art. 44, § 2. 2°);

4° wanneer die diensten worden verricht door instellingen erkend door het bevoegde Ministerie, die, ingevolge hun statuten, in hoofdzaak tot doel hebben het toezicht over jongelui en de zorg voor hun onderhoud, opvoeding en vrijetijdsbesteding (Wetboek, art. 44, § 2, 2°);

5° wanneer die diensten worden verricht door onderwijsinrichtingen en door kostscholen en internaten die eraan toegevoegd zijn of ervan afhangen (Wetboek, art. 44, § 2, 4°).

Plaats van gebruik

16. Op grond van artikel 1, 11°, van het koninklijk besluit nr. 5, wordt het verschaffen van gemeubeld logies als een hier te lande gebruikte dienst aangemerkt, wanneer het logies hier te lande is gelegen.

Tarief

17. Op grond van rubriek XXX, nummer I, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, is het verschaffen van gemeubeld logies bedoeld in artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek, onderworpen aan het tarief van 6 pct.

De bedragen die de exploitanten van hotelinrichtingen aan hun klanten aanrekenen voor bijkomende diensten zoals het gebruik van de telefoon of van een parkeergelegenheid, of het reserveren van plaatsen in een schouwburg, zijn eveneens onderworpen aan het tarief van 6 pct. Wanneer de aangerekende bedragen echter betrekking hebben op leveringen van goederen, zoals de verkoop van prentbriefkaarten, van bloemen of van reukwerk, zijn ze onderworpen aan het tarief dat van toepassing is volgens de aard van de geleverde goederen.

Afdeling 2. -- Terbeschikkingstelling van een kampeerplaats

Wetsbepaling

18. Luidens artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek is de terbeschikkingstelling van plaats door de exploitant van een kampeerterrein een aan de belasting onderworpen dienst.

Exploitatie van een kampeerterrein

19. De toepassing van artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek vereist dat de terbeschikkingstelling gebeurt door de exploitant van een kampeerterrein.

20. Volgens de wetgeving op het kamperen wordt onder kamperen verstaan, het als woongelegenheid gebruiken door andere personen dan kermisexploitanten of nomaden die als zodanig handelen, van een van de volgende verblijven : tent, caravan, woonaanhangwagen of welk ander verblijf ook, en onder kampeerterrein ieder terrein waarop wordt gekampeerd door meer dan tien personen tegelijk, of waarop meer dan drie verblijven staan als bedoeld hierboven. Indien de exploitant van een kampeerterrein er chalets, bungalows, huisjes of andere soortgelijke verblijven optrekt die niet onderworpen zijn om als vaste woning te dienen, blijft dat terrein trouwens een kampeerterrein.

21. Onder exploitant van een kampeerterrein wordt iedere persoon of iedere groepering verstaan die een kampeerterrein exploiteert, zoals het in nr. 20 wordt gedefinieerd.

22. De personen die houder zijn van een bij de wetgeving op het kamperen voorgeschreven kampeervergunning en die van die vergunning gebruik maken, moeten als exploitanten van kampeerterreinen worden aangemerkt voor de toepassing van artikel 18, § 1, 10°, van het Wetboek. Maar voor de toepassing van de BTW heeft iedere persoon die zonder vergunning en met overtreding van die wetgeving een kampeerterrein exploiteert dat beantwoordt aan de in nr. 20 beschreven criteria, eveneens die hoedanigheid.

Niet bedoelde handelingen

23. Als een exploitant van een kampeerterrein hoeft niet te worden aangemerkt, hij die gedurende maximum zestig dagen per jaar een kampeerterrein ter beschikking stelt van georganiseerde groepen kampeerders die onder toezicht van een of meer monitors staan en alleen tenten als kampeerverblijf gebruiken.

24. Als een exploitant van een kampeerterrein hoeft evenmin te worden aangemerkt, de pachter die, zelfs tegen vergoeding, aan een of twee gezinnen het recht geeft hun verblijven op te richten in een weide waarvan hij het genot heeft.

Plaats van gebruik

25. Op grond van artikel 1, 11°, van het koninklijk besluit nr. 5 wordt de terbeschikkingstelling van een kampeerplaats aangemerkt als een hier te lande gebruikte dienst wanneer die plaats hier te lande is gelegen.

Tarief

26. Op grond van rubriek XXX, nummer 3, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, is de terbeschikkingstelling van plaats door de exploitant van een kampeerterrein onderworpen aan het tarief van 6 pct.

Het tarief van 6 pct. is eveneens van toepassing op de bedragen die de exploitant van een kampeerterrein aanrekent voor bijkomende leveringen zoals water- en elektriciteitsvoorziening.

Afdeling 3. --Toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak; toekenning van het recht gebruik ervan te maken

Wetsbepaling

27. Luidens artikel 18, § 1, 12°, van het Wetboek zijn de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, diensten in de zin van het Wetboek.

Bedoelde inrichtingen

28. Een inrichting voor cultuur, sport of vermaak wordt gekenmerkt door het bestaan van een zaal of tenminste van een onroerende plaats waartoe het publiek toegang heeft. De inrichting mag trouwens tijdelijk zijn, zoals dat het geval is voor foorkramen en voor wielerwedstrijden georganiseerd op de openbare weg.

29. Bovendien moet de inrichting bestemd zijn voor cultuur, sport of vermaak.

Die bestemming hebben onder meer : toneelzalen, bioscopen, circussen, schouwburgen in het algemeen, concertzalen, musea, tentoonstellingszalen, handelsbeurzen, balzalen, zwembaden, stadions, solariums, golfterreinen, bowlingbanen, vis- of roeivijvers, automobielcircuits, wielerbanen, grotten, lunaparken, enz.

Niet bedoelde inrichtingen

30. Sommige inrichtingen waarvoor een toegangsrecht wordt aangerekend, zijn geen inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak. Dat is onder meer het geval voor de perrons van de stations van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen .

De bedragen die gevraagd worden voor de toegang tot dergelijke inrichtingen zijn bijgevolg niet onderworpen aan de BTW.

Bedoelde handelingen

31. De bedoelde handelingen zijn de overeenkomsten waarbij de exploitant van een in de nrs. 28 en 29 beschreven inrichting aan personen, individueel of in groep, tegen betaling van een vergoeding, het recht geeft om de inrichting binnen te gaan en er samen met andere personen gebruik van te maken overeenkomstig de bestemming ervan.

Die overeenkomsten worden normaal gesloten met een persoon of een groep personen die geen exclusief recht van genot op de inrichting verkrijgen.

Het kan echter gebeuren dat een persoon of een groepering van de exploitant een exclusief recht van gebruik en genot op de inrichting verkrijgt . De regeling die op dat geval van toepassing is wordt in de nrs. 42 tot 49 nader omschreven.

Vrijstelling

32. De in artikel 18, § 1, 12°, van het Wetboek bedoelde diensten zijn vrijgesteld van de belasting :

1° wanneer ze worden verricht door de exploitant van een sportinrichting of een inrichting voor lichamelijke opvoeding aan personen die er aan lichamelijke ontwikkeling of aan sport doen, voor zover de ontvangsten van de onderneming uitsluitend worden gebruikt om de kosten ervan te dekken (z. Wetboek, art. 44, § 2, 3°);

2° wanneer ze worden verstrekt aan de bezoekers door de exploitanten van musea, monumenten, natuurmonumenten, plantentuinen en dierentuinen, met betrekking tot al of niet geleid bezoek, op voorwaarde dat de ontvangsten van de exploitatie uitsluitend dienen tot dekking van de kosten ervan (z. Wetboek, art. 44, § 2, 7°);

3° wanneer ze worden verricht door organisatoren van toneel-, ballet- of filmvoorstellingen, van tentoonstellingen, concerten of conferenties, die erkend zijn door het Ministerie van Nationale Opvoeding en Cultuur, op voorwaarde dat de inkomsten die zij verkrijgen uit die werkzaamheid uitsluitend dienen om de kosten ervan te bestrijden (z. Wetboek, art. 44, § 2, 9°).

Plaats van gebruik

33. Op grond van artikel 1, 13°, van het koninklijk besluit nr. 5, wordt de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, en de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, als een hier te lande gebruikte dienst aangemerkt wanneer de inrichting hier te lande gelegen is.

Tarief

34. Op grond van rubriek XXVIIl, nummer I, van tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, is de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, en de toekenning van het recht gebruik ervan te maken, onderworpen aan het tarief van 6 pct.

Afdeling 4.--Terbeschikkingstelling van een zaal door de exploitant van een hotelinrichting, van een restaurant of van een drankslijterij of door een tafelhouder (traiteur)

Te beschouwen gevallen

35. Het komt voor dat de exploitant van een hotelinrichting, van een restaurant of van een drankslijterij of een tafelhouder een zaal exclusief ter beschikking stelt van een persoon of een groepering.

In die onderstelling kunnen er zich twee gevallen voordoen.

36. In het eerste geval verschaft de exploitant of de tafelhouder, naast de terbeschikkingstelling van de zaal, spijzen of dranken om ter plaatse te worden verbruikt.

37. In het tweede geval beperkt die exploitant of die tafelhouder er zich toe het gebruik en het genot van de zaal te verlenen zonder andere diensten te verrichten dan die welke noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal.

Terbeschikkingstelling van een zaal met verschaffen van spijzen of dranken om ter plaatse te worden verbruikt

38. Wanneer de exploitant van een hotelinrichting, van een restaurant of van een drankslijterij of een tafelhouder een zaal ter beschikking stelt van een persoon of een groepering om er een vergadering, een receptie of gelijk welke bijeenkomst te organiseren, terwijl hij ook de spijzen of dranken verschaft om ter plaatse te worden verbruikt, verleent de exploitant of de tafelhouder aan die persoon of groepering een dienst bedoeld in artikel 18, § 1, 11°, van het Wetboek. Die dienst is onderworpen aan de belasting tegen het tarief van 6 pct. over het totaalbedrag van de vergoeding, wanneer, welteverstaan, de zaal hier te lande is gelegen.

39. Het feit dat een afzonderlijke prijs werd bedongen voor het genot van de zaal of het feit dat de verbruikers de prijs van de consumpties rechtstreeks in handen van de exploitant of van de tafelhouder voldoen, heeft geen invloed op de verschuldigdheid van de belasting.

Terbeschikkingstelling van een zaal zonder verschaffen van spijzen of dranken om ter plaatse te worden verbruikt

40. Wanneer de exploitant van een hotelinrichting, van een restaurant of van een drankslijterij of een tafelhouder zich beperkt tot het ter beschikking stellen van een zaai aan een persoon of een groepering die er een vergadering houdt, zonder andere diensten te verrichten dan die welke noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal, valt de handeling buiten de werkingssfeer van het Wetboek in de mate waarin ze betrekking heeft op het genot van de zaal zelf en op de diensten die noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal. De handeling wordt daarentegen bedoeld in artikel 18, § 1, 4°, van het Wetboek, in de mate waarin het genot betrekking heeft op lichamelijke roerende goederen of op goederen die slechts onroerend zijn door bestemming. De belasting is verschuldigd tegen het tarief van 18 pct. over het prijsgedeelte dat betrekking heeft op de verhuur van de lichamelijke roerende goederen en de onroerende goederen door bestemming.

Wanneer een enige prijs werd bedongen moet de exploitant of de tafelhouder die prijs uitsplitsen onder toezicht van de administratie .

Diensten die noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal

41. Onder de diensten die noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal, waarvan sprake in nr. 40, moeten worden gerangschikt, het verschaffen van de verlichting en van de airconditioning in de zaal. het onderhoud en het reinigen van de zaal en de diensten van het personeel voor de vestiaires en de toiletten.

Afdeling 5.-- Terbeschikkingstelling van een zaal door de exploitant van inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak

Te beschouwen gevallen

42. Het komt voor dat de exploitant van een inrichting voor cultuur, sport of vermaak een zaal exclusief ter beschikking stelt van een persoon of een groepering die de bedoeling heeft er een vergadering te houden of er een schouwspel of vertoning te organiseren.

In die onderstelling kunnen twee gevallen worden beschouwd.

43. In het eerste geval komt de exploitant tussenbeide in het schouwspel of de vertoning die in de zaal georganiseerd wordt.

44. In het tweede geval komt de exploitant niet tussenbeide in de vertoning of het schouwspel maar hij verstrekt andere diensten.

Terbeschikkingstelling van een zaal met tussenkomst in de vertoning of het schouwspel

45. Wanneer de exploitant van een inrichting voor cultuur, sport of vermaak een zaal exclusief ter beschikking stelt van een persoon of een groepering en tussenbeide komt in de vertoning of het schouwspel die er wordt georganiseerd, wordt de door de exploitant verrichte dienst bedoeld in artikel 18, § 1, 12°, van het Wetboek.

46. De belasting is verschuldigd tegen het tarief van 6 pct. over het totale bedrag van de vergoeding die de exploitant ontvangt.

Er hoeft geen onderscheid te worden gemaakt naargelang al of niet een afzonderlijke prijs voor het genot van de zaal werd bedongen.

Tussenkomst in de vertoning of het schouwspel

47. De exploitant wordt geacht tussenbeide te komen in de vertoning of het schouwspel wanneer hij zorgt voor de artiesten of de sportlui die aan het schouwspel of de vertoning hun medewerking verlenen of nog wanneer hij de films verschaft die geprojecteerd worden.

Terbeschikkingstelling van een zaal zonder tussenkomst in de vertoning of het schouwspel

48. Wanneer de exploitant alleen een zaal exclusief ter beschikking stelt van een persoon of een groepering zonder tussenbeide te komen in de vertoning, valt de handeling buiten de werkingssfeer van het Wetboek in de mate waarin ze betrekking heeft op het genot van de zaal zelf en op de diensten die noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal. De handeling wordt daarentegen bedoeld in artikel 18, § 1, 4°, van het Wetboek in de mate waarin het genot betrekking heeft op lichamelijke roerende goederen of op goederen die slechts onroerend zijn door bestemming, en in artikel 18, § 1, 1°, van het Wetboek in de mate waarin de exploitant zorgt voor het personeel dat instaat voor de decors of voor de projectietoestellen.

De belasting die verschuldigd is op het belastbaar gedeelte van de prijs wordt berekend tegen het tarief van 18 pct. Wanneer een enige prijs werd bedongen moet de exploitant die prijs uitsplitsen onder toezicht van de administratie.

Diensten die noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal

49. Onder de diensten die noodzakelijk zijn voor het onderhouden van de zaal en die worden bedoeld in nr. 48, moeten worden gerangschikt, het verschaffen van de verlichting en van de airconditioning in de zaal, het onderhoud en het reinigen van de zaal, de diensten van het personeel voor de vestiaires en de toiletten en de diensten van het personeel belast met het aanwijzen van de plaatsen aan de toeschouwers.

Afdeling 6. -- Terbeschikkingstelling van een zaal voor het tentoonstellen van kunstwerken

Te beschouwen gevallen

50. Sommige personen stellen geregeld zalen ter beschikking van andere personen die kunstwerken wensen te verkopen of tentoon te stellen. De exploitanten van die tentoonstellingszalen beperken zich over het algemeen niet tot het verlenen van het genot van de zaal aan de exposanten. Zij verlenen gewoonlijk andere diensten, zoals de verwarming, de verlichting, de bewaking van de zaal en van de tentoongestelde goederen, de ontvangst van de bezoekers en zelfs ook de tussenkomst in de verkoop van de tentoongestelde kunstwerken.

In deze afdeling worden niet bedoeld de personen die verkoopzalen exploiteren waar geregeld tweedehandse roerende goederen al of niet openbaar worden verkocht, zelfs wanneer zij ook kunstwerken verkopen.

51. Twee gevallen moeten worden beschouwd :

A. de exploitant van de zaal verleent tussenkomst in de verkoop van de tentoongestelde voorwerpen;

B. de exploitant van de zaal verleent geen tussenkomst in de verkoop van de tentoongestelde voorwerpen.



A. De exploitant van de zaal verleent tussenkomst in de verkoop van de tentoongestelde voorwerpen

Regeling

52. Wanneer de exploitant van de zaal waar de voorwerpen aan het publiek worden getoond, tussenkomst verleent in de verkoop van die voorwerpen, heeft de overeenkomst die wordt gesloten tussen de exploitant van de zaal en de exposant, niet het genot van een uit zijn aard onroerend goed tot voorwerp. De banden tussen die twee personen zijn of wel die welke bestaan tussen koper en verkoper, of wel die welke ontstaan tussen een makelaar of lasthebber en zijn committent.

Tussenkomst in de verkoop

53. De exploitant van de tentoonstellingszaal wordt geacht tussenkomst te verlenen in de verkoop van de tentoongestelde werken niet alleen wanneer hij optreedt als verkoopcommissionair of wanneer hij zich uitdrukkelijk belast met het vinden van kopers, maar ook wanneer onder partijen werd overeengekomen dat de exploitant een bepaald percentage op de verkochte werken zal ontvangen. Dat geldt zelfs wanneer een vast minimumbedrag werd bepaald en de exploitant uiteindelijk slechts dat bedrag ontvangt omdat er geen werken verkocht werden.

Koop en verkoop

54. Wanneer de exploitant van de zaal de tentoongestelde goederen verkoopt of op grond van artikel 13 van het Wetboek geacht wordt ze te verkopen zijn de banden tussen de exploitant van de zaal en de exposant die welke bestaan tussen een koper en een verkoper.

55. Aan te stippen valt dienaangaande dat de exploitant van de zaal geacht wordt de tentoongestelde goederen te verkopen niet alleen wanneer hij werkelijk optreedt als verkoopcommissionair, maar ook wanneer hij aan de kopers van de tentoongestelde goederen een op zijn naam gestelde factuur, debetnota of ander daarmee gelijkstaand stuk uitreikt.

Heffing van de belasting in geval van koop en verkoop

56. De belasting die in de betrekkingen tussen de exploitant van de zaal en de kopers verschuldigd is ter zake van de verkoop van de tentoongestelde voorwerpen wordt door de exploitant voldaan door het bedrag van de verkoopprijzen in te schrijven in de vakken 01 tot 04 van zijn aangifte en het BTW-bedrag in vak 11 van die aangifte.

57. Wanneer de exposant een belastingplichtige is, is de belasting in de regel verschuldigd in de betrekkingen tussen de exploitant en de exposant en ze moet worden voldaan door de exposant die trouwens aan de exploitant van de zaal een factuur moet uitreiken. De belasting wordt berekend over het bedrag van de verkoopprijzen, verminderd met de bedragen die de exploitant ontvangt voor zijn tussenkomst en voor de terbeschikkingstelling van de zaal. Wanneer het bedrag van de verkopen kleiner is dan het bedrag dat aan de exploitant van de zaal toekomt, reikt deze laatste aan de exposant een debetnota zonder BTW uit.

58. Wanneer de belasting aldus wordt geheven is er geen BTW meer verschuldigd over de som die door de exploitant aan de exposant wordt aangerekend voor de terbeschikkingstelling van de zaal.

59. Wanneer de exposant een niet-belastingplichtige is, is er geen BTW verschuldigd in de betrekkingen tussen de exposant en de exploitant, ook niet wegens de terbeschikkingstelling van de zaal.

60. Dienaangaande mag niet uit het oog worden verloren dat kunstschilders, beeldhouwers, keramisten, enz., die geregeld door hen vervaardigde kunstwerken verkopen, zelfs door bemiddeling van de exploitanten van tentoonstellingszalen, belastingplichtigen zijn.

Makelaar of lasthebber

61. Wanneer de exploitant van de tentoonstellingszaal op zulke wijze tussenkomst verleent in de verkoop van de tentoongestelde werken dat hij kan worden aangemerkt als een makelaar of een lasthebber voor de toepassing van het Wetboek (z. nr. 55), dan zijn de banden tussen de exploitant van de zaal en de exposant die welke bestaan tussen een makelaar of lasthebber enerzijds, en zijn committent anderzijds. De exploitant van de zaal speelt de rol van makelaar of lasthebber en de exposant die van lastgever of committent.

Heffing van de belasting in geval van lastgeving of makelarij

62. In dat geval is de belasting verschuldigd tegen het tarief van 18 pct. over het totaalbedrag van de sommen die de exploitant van de zaal ontvangt voor zijn tussenkomst, daarin begrepen de som die hij aanrekent om de zaal ter beschikking van de exposant te hebben gesteld. De exploitant moet normaal aan de exposant een factuur uitreiken.

Hoedanigheid van de exploitant van de zaal

63. Wanneer de exploitant van de tentoonstellingszaal geregeld tussenkomst verleent in de verkoop van de tentoongestelde voorwerpen, hetzij als koper-wederverkoper, hetzij als makelaar of lasthebber, is hij een belastingplichtige.

Hij is dus gehouden tot alle verplichtingen die normaal op de belastingplichtigen rusten. Maar hij mag eveneens, met de beperkingen van het gemene recht, de BTW geheven van zijn beroepsuitgaven in aftrek brengen. Wanneer hij optreedt als koper-wederverkoper, mag hij de belasting die verschuldigd is in zijn betrekkingen met de exposanten (z. nr. 57), in aftrek brengen.

B. De exploitant van de zaal verleent geen tussenkomst in de verkoop van de tentoongestelde voorwerpen

Regeling

64. Wanneer de exploitant van de zaal waar de voorwerpen zijn tentoongesteld, geen tussenkomst verleent in de verkoop van die voorwerpen, is de regeling van toepassing bedoeld in de aanschrijving van 30 juni 1971, nr. 106 (Z. Revue nr 4, blz. 426.), ten aanzien van het organiseren van handelsbeurzen en tentoonstellingen.

Niet-tussenkomst in de verkopen

65. Dit geval doet zich voor wanneer de tentoonstelling niet is georganiseerd met het oog op de verkoop en ook wanneer men zich niet bevindt in één van de gevallen vermeld in nr. 53.

Afdeling 7.- Terbeschikkingstelling van standplaatsen in handelsbeurzen en tentoonstellingen

Regeling

66. De regeling die van toepassing is op de terbeschikkingstelling van standplaatsen in handelsbeurzen en tentoonstellingen wordt nader omschreven in de aanschrijving van 30 juni 1971, nr. 106.

Afdeling 8.--De overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen

Wetsbepaling

67. Luidens artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek is de overdracht van of het verlenen van al dan niet exclusieve rechten op het recht een beroepswerkzaamheid uit te oefenen een dienst in de zin van het Wetboek.

Bedoelde handelingen

68. Artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek bedoelt meerdere verschillende gevallen.

Het is vooreerst van toepassing op de overeenkomst waarbij iemand, tegen betaling van een vergoeding, aan een ander het recht overdraagt of rechten verleent op het recht om een handelsinrichting of een andere inrichting te exploiteren, met dien verstande dat het essentiële voorwerp van de overeenkomst het recht is om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen en niet het genot van de inrichting.

69. Binnen de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek valt onder meer de overeenkomst waarbij iemand die een internationale tentoonstelling organiseert aan een ander, tegen betaling van een vergoeding, het recht verleent een restaurant te exploiteren in een van de paviljoenen van de tentoonstelling.

70. Artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek beoogt eveneens het geval waarbij iemand die een handelscomplex of een ander complex exploiteert, aan een ander het al dan niet exclusief recht verleent een beroepswerkzaamheid binnen dat complex uit te oefenen.

71. In het geval bedoeld in nr. 70 bevinden zich onder meer :

1° de exploitant van een hotel, van een restaurant of van een toneelzaal, die aan een ander persoon het recht verleent om de vestiaire, de toiletten of een verkoopstand te exploiteren in de inrichting (hotel, enz.);

2° de exploitant van een warenhuis die aan een ander persoon het recht verleent zijn eigen produkten in het warenhuis tentoon te stellen of te verkopen;

3° de exploitant van een stadion die aan andere personen het recht verleent om in het stadion sommige produkten te verkopen (dranken, suikergoed, frieten, kranten, enz.);

4° de exploitant van een spoorwegnet die aan een ander persoon het recht verleent om buffetten en restaurants in de stations te exploiteren;

5° de exploitant van een spoorwegnet die aan een ander persoon het recht verleent reclame te maken op het net;

6° de organisator van een tentoonstelling die aan een ander persoon het recht verleent om binnen de ruimte van de tentoonstelling een beroepswerkzaamheid uit te oefenen.

72. Artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek beoogt ook nog de handeling waarbij iemand die een sportwedstrijd of een andere voorstelling organiseert, aan een ander, tegen betaling van een vergoeding, het recht om tijdens de wedstrijd of de voorstelling een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, overdraagt of al dan niet exclusieve rechten op dat recht verleent.

73. In dat laatste geval bevindt zich onder meer de organisator van een wielerwedstrijd die aan een handelsfirma, tegen betaling van een vergoeding, het recht verleent om te haren bate reclame te maken tijdens de wedstrijd.

Onderscheid met de onroerende verhuur

74. De onroerende verhuur wordt niet bedoeld in, artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek en het onderscheid tussen de onroerende verhuur en de handeling bedoeld in artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek, is soms moeilijk.

Deze handelingen verschillen nochtans van elkaar door hun essentieel voorwerp. Wanneer dat essentiële voorwerp het genot van een uit zijn aard onroerend goed is, is de handeling een verhuur (z. nrs. 2 en 3). Wanneer dat essentiële voorwerp daarentegen bestaat in het recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen, wordt de handeling bedoeld in artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek.

75. Wanneer iemand zijn beroepswerkzaamheid uitoefent in een handelscomplex of een ander complex dat door een ander wordt geëxploiteerd, ongeacht of het een warenhuis, een winkelgalerij, een tentoonstelling, een hotel, een restaurant, een schouwburg, of een stadion betreft, kan men in de regel het bestaan van een verhuur slechts aanvaarden, indien de eerstgenoemde een exclusief recht van genot op gesloten lokalen heeft waartoe hij vrije toegang heeft wanneer het hem goeddunkt. Zelfs in dat laatste geval is het bovendien noodzakelijk dat de partijen de huurovereenkomst niet uitdrukkelijk hebben uitgesloten.

Beroepswerkzaamheid

76. Opdat artikel 18. § 1, 6°, van het Wetboek van toepassing kan zijn, moet het overgedragen of verleende recht de uitoefening van een beroepswerkzaamheid in de ruime betekenis van het woord tot voorwerp hebben. Aan een firma het recht verlenen om voor haar eigen produkten reclame te maken valt bijvoorbeeld binnen de werkingssfeer van artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek. Het is overigens niet noodzakelijk dat degene die zijn werkzaamheid uitoefent dat doet om winst te maken. Zo is artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek van toepassing op de overeenkomst waarbij de organisator van een tentoonstelling, tegen betaling van een vergoeding, aan een vereniging zon der winstoogmerk het recht verleent in de tentoonstellingsruimte brochures te verkopen, waarin haar filosofisch ideaal wordt verdedigd.

Bijzondere gevallen

77. De overeenkomst waarbij de eigenaar of de huurder van een plaats die onroerend is uit haar aard, aan een ander persoon, tegen betaling van een vergoeding, het recht verleent die welbepaalde plaats te gebruiken om er plakbiljetten of andere reclamedragers op aan te brengen, valt buiten de werkingssfeer van het Wetboek.

78. De overeenkomst waarbij een firma, tegen betaling van een vergoeding, het recht verkrijgt om niet nader bepaalde plaatsen te gebruiken om er reclame te maken door middel van aanplakbiljetten of op een andere wijze, wordt daarentegen wel bedoeld in artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek. Dat is eveneens het geval voor de overeenkomst waarbij die firma op haar beurt het recht verleent om die plaatsen te gebruiken, zelfs wanneer het verlenen van rechten in dat geval welbepaalde plaatsen tot voorwerp heeft.

Plaats van gebruik

79. Op grond van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 5, wordt de in artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek bedoelde dienst geacht hier te lande te zijn gebruikt, wanneer de persoon aan wie het recht werd overgedragen of verleend, hier te lande is gevestigd.

Tarief

80. Het tarief dat van toepassing is op de in artikel 18, § 1, 6°, van het Wetboek bedoelde dienst is 18 pct.

Afdeling 9.-De overdracht van of het verlenen van rechten op het recht om produkten uit de grond te halen

Beoogde gevallen

81. Wanneer een eigenaar van een stuk grond, tegen betaling van een vergoeding, aan iemand het recht verleent uit dat stuk grond grondstoffen te halen (steenbakkersklei, natuursteen, klei, kaoline, dolomiet, zand, enz.), kan men te maken hebben hetzij met een onroerende verhuur, hetzij met een verkoop van op te graven produkten.

Regeling

82. Wanneer de handeling door de partijen als een onroerende verhuur wordt voorgesteld, valt ze buiten de werkingssfeer van het BTW-wetboek. Deze interpretatie zal niet worden aangevochten zelfs al heeft de medecontractant het recht de in concessie gegeven laag uit te putten.

83. Wanneer de handeling wordt voorgesteld als een verkoop van op te graven produkten gaat het om een levering in de zin van artikel 10 van het Wetboek. Die verkoop is aan de belasting onderworpen, indien de verkoper een belastingplichtige is. Zelfs indien er maar één verkoop plaatsvindt verleent deze in de regel de hoedanigheid van belastingplichtige aan degene die de produkten verkoopt, gelet op de belangrijkheid van de handeling en door het feit dat ze gespreid is in de tijd.

Afdeling 10.--Onroerende verhuur of werkaanneming.

Terbeschikkingstelling van een inrichting

84. Het komt voor dat een belastingplichtige die zich belast met een bepaald werk zoals het opnemen op grammofoonplaat of band, aan degene voor wie hij het werk verricht, een bepaalde som aanrekent wegens de terbeschikkingstelling van de opnamestudio. Welteverstaan zorgt de exploitant van de studio uiteraard ook voor de technici.

In dat geval heeft men niet te maken met een onroerende verhuur. Het essentiële voorwerp van het contract is niet het gebruik en het genot van een lokaal, maar wel de uitvoering van een werk. De persoon voor wiens rekening het werk wordt verricht, oefent trouwens geen enkel recht van genot op de lokalen uit.

De som die door de exploitant van de studio in rekening wordt gebracht voor de terbeschikkingstelling van een lokaal is één van de bestanddelen van de prijs van de dienst en bijgevolg onderworpen aan de belasting tegen het op die dienst van toe passing zijnde tarief.

Terbeschikkingstelling van reclameborden door een reclamebureau

85. Het komt voor dat het bureau dat de reclamecampagne voert aan de adverteerder een som in rekening brengt voor het gebruik van reclameborden. Welteverstaan belast het reclamebureau zich persoonlijk met het aanbrengen van de aanplakbiljetten op die borden.

De som die voor die borden wordt aangerekend is een bestanddeel van de prijs van de door het reclamebureau aan de adverteerder verleende dienst.

HOOFDSTUK III ONROERENDE VERHUUR GEPAARD MET ANDERE DIENSTEN

Probleemstelling

86. De eigenlijke onroerende verhuur gaat vaak gepaard met andere diensten zoals de verhuur van roerende goederen of van door hun bestemming onroerende goederen waarmee het verhuurde onroerend goed is uitgerust, de verlichting, de verwarming, het reinigen en het onderhouden van de verhuurde goederen. In dat geval kunnen de partijen trouwens al of niet een afzonderlijke prijs bedingen voor de diensten die gepaard gaan met het essentiële voorwerp van de overeenkomst met name het genot van het onroerend goed.

Principe

87. Wanneer een verhuurder zich tegenover de huurder verbindt hem, naast het genot van het onroerend goed, diensten te verstrekken die in het BTW-wetboek zijn bedoeld, is de verhuurder in de regel een belastingplichtige ten aanzien van die diensten. Door het verrichten van die diensten is de belasting bijgevolg verschuldigd over het gedeelte van de prijs dat erop betrekking heeft. Indien dat gedeelte van de prijs niet bij overeenkomst werd bepaald, moeten de betrokkenen de prijs uitsplitsen onder toezicht van de administratie.

Afwijkingen

88. Van die regel wordt echter afgeweken voor de verhuur van gemeubelde appartementen en huizen en voor de zogenoemde bijkomende diensten waarmee een onroerende verhuur vaak gepaard gaat.

Verhuur van goederen bedoeld in artikel 9, § 1, van het Wetboek

89. Wanneer het verhuurde onroerend goed voorzien is van lichamelijke roerende goederen of van door hun bestemming onroerende goederen, valt de handeling binnen de werkingssfeer van de belasting in de mate waarin ze betrekking heeft op de lichamelijke roerende goederen of op de door hun bestemming onroerende goederen.

De verhuurder verkrijgt de hoedanigheid van belastingplichtige in die mate en de belasting is verschuldigd tegen het tarief van 18 pct. op het gedeelte van de prijs dat betrekking heeft op het genot van de lichamelijke roerende goederen en van de door hun bestemming onroerende goederen. Indien dat gedeelte van de prijs niet bij overeenkomst werd bepaald, moeten de betrokkenen de prijs uitsplitsen onder toezicht van de administratie.

90. De in nr. 89 vermelde regel is onder meer van toepassing in het geval waarin de exploitant van een schouwburg zijn zaal verhuurt aan een groepering die er een galafilmvoorstelling zal geven voor een liefdadig doel (z. nr. 48).

Verhuur van gemeubelde huizen, appartementen en kamers

91. In afwijking van wat gebeurt bij de onroerende verhuur in het algemeen, valt de verhuur van gemeubelde huizen, appartementen of kamers volledig buiten de werkingssfeer van het Wetboek, op voorwaarde dat die lokalen bestemd zijn om door mensen te worden bewoond, ongeacht trouwens de hoedanigheid van de verhuurder, voor zover deze geen hotelhouder of een exploitant van een met een hotel gelijkgestelde inrichting is (Wetboek, art. 18, § 1, 10°; z. nrs. 9 en 10).

Deze afwijking is onder meer van toepassing op de verhuur van gemeubelde kamers, van gemeubelde appartementen en van gemeubelde huizen in vakantieoorden.

92. De verhuur die betrekking heeft op lokalen welke bestemd zijn voor handel- of nijverheidsdoeleinden of voor de uitoefening van enig beroep is daarentegen onderworpen aan de regeling van het gemene recht (z. nr. 89).

Verhuur van gemeubelde kamers aan studenten

93. In nr. 12 van deze aanschrijving wordt de regeling vermeld die van toepassing is op de verhuur van gemeubelde kamers aan studenten.

Onroerende verhuur met zogenoemde bijkomende diensten

94. Wanneer de verhuurder van een uit zijn aard onroerend goed zich tegenover de huurder verbindt hem zogenoemde bijkomende diensten te verlenen, valt de handeling in de regel volledig buiten de werkingssfeer van de belasting. De prijs van die diensten is bijgevolg niet aan de belasting onderworpen in de betrekkingen tussen de verhuurder en de huurder.

95. Die zogenoemde bijkomende diensten mogen echter aan de belasting onderworpen worden wanneer ze door de verhuurder zelf aan de huurder worden verleend en er een afzonderlijke prijs voor werd bedongen.

96. In het geval bedoeld in nr. 95 moet de belasting worden geheven tegen het tarief dat van toepassing is op de verleende dienst en is de verhuurder ten aanzien van die dienst gehouden tot alle verplichtingen die normaal op een belastingplichtige rusten.

De zogenoemde bijkomende diensten

97. Voor de toepassing van nr. 94 worden als bijkomende diensten aangemerkt :

1° de verwarming en de airconditioning van de lokalen;

2° de verlichting van de lokalen;

3° de watervoorziening;

4° de bewaking van het onroerend goed;

5° het reinigen van de privatief gebruikte lokalen, met inbegrip van het glazenwassen aan de buitenzijde;

6° het gebruik van gemeenschappelijke diensten, zoals de ontvangstdiensten, de telefoon en de andere telecommunicatiediensten;

7° het reinigen van de gemeenschappelijke delen en het onderhoud van de lift.