Aanschrijving nr. 3/1997 d.d. 29.04.1997

OPMERKING: deze circulaire wordt opgeheven door de circulaire 2021/C/2 van 07.01.2021, BEHALVE de punten 7, 10, b) en 13.2 welke van kracht blijven

Wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst

Onderwerp van de aanschrijving



1. De wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst (Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1992) heeft het wettelijk stelsel van de verzekeringsovereenkomst grondig gewijzigd, rekening houdend in het bijzonder met de recente ontwikkeling van het verzekeringsrecht inzake de levensverzekering.

Artikel 1 van het Koninklijk besluit van 24 augustus 1992 (Belgisch Staatsblad van 11 september 1992) heeft de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 vastgesteld : de bepalingen betreffende de rechten van de verzekeringsnemer en van de begunstigde en deze betreffende de levensverzekeringen - die het onderwerp uitmaken van de hiernavolgende gedetailleerde commentaar - zijn in werking getreden op 21 september 1992.

Een uittreksel uit de wet van 25 juni 1992 en de tekst van het Koninklijk besluit van 24 augustus 1992 gaan hierbij als bijlage.

Onderhavige aanschrijving heeft tot doel de gevolgen op burgerlijk en fiscaal vlak uiteen te zetten van de wet van 25 juni 1992, in de mate waarin zij een invloed kunnen hebben op de berekening van de successierechten wanneer een levensverzekering is afgesloten door de overledene of door een derde (W.Succ., art.8).

UITEENZETTING
Hoofdstuk 1. - Verzekeringspolissen aan order of aan toonder (artikel 94 van de wet)

2. Volgens de termen van artikel 94 van de wet van 25 juni 1992, moeten de polissen van levensverzekering op naam van de verzekeringsnemer worden gesteld; zij kunnen niet aan order of aan toonder zijn.

De polissen aan order of aan toonder - die toelaten de rechten voortkomende van een overeenkomst, door endossering of door eenvoudige afgifte van de titel over te dragen - zijn bijgevolg niet meer geldig. Aangezien de bepalingen van deze wet dwingend zijn, moeten verzekeringsovereenkornsten afgesloten na 21 september 1992 op naam zijn, op straffe van nietigheid.

De vraag is te weten welk lot is weggelegd voor overeenkomsten aan order of aan toonder die zijn afgesloten vóór deze datum.

Moet men ervan uitgaan dat de op 21 september 1992 lopende overeenkomsten aan order of aan toonder vanaf die datum niet meer geldig zijn ?

In principe kunnen, volgens artikel 148 van de wet, de wijzigingen die voortvloeien uit de aanpassing van de bestaande overeenkomsten aan deze wet, de opzegging van de overeenkomst niet rechtvaardigen.

Anderzijds, indien deze overeenkomsten nietig zijn geworden, gaat het om een betrekkelijke nietigheid en zal de Administratie waarschijnlijk geen standpunt moeten innemen.

Hoofdstuk II. - Aanwijzing van de begunstigde van een levensverzekering

A. Afwezigheid van een aangewezen begunstigde (artikelen 106 en 107)

3. De begunstigde van de overeenkomst moet niet bij name worden aangewezen op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst, maar hij moet identificeerbaar zijn wanneer de verzekerde prestaties opeisbaar worden.

Wanneer geen begunstigde is aangewezen, of wanneer de aanwijzing van de begunstigde is herroepen, is de verzekeringsprestatie verschuldigd aan de verzekeringsnemer of aan zijn nalatenschap.

4. Vanuit fiscaal oogpunt maakt het recht op prestaties dus deel uit van de nagelaten erfenis en is het successierecht verschuldigd, bij toepassing van de algemene principes, door de personen die het voordeel van de overeenkomst 'Jure hereditario" ontvangen.

B. Herroeping van de begunstigde (artikel 112)

5. Zolang zij niet door de aangewezen begunstigde is aanvaard, is de verzekeringsnemer, en hij alleen, gerechtigd de begunstiging te herroepen vóór de opeisbaarheid van de prestaties.

Deze bepaling heeft dus een einde gesteld aan de discussie over het recht van de erfgenamen van de bedinger om het beding gedaan door laatstgenoemde te herroepen : het recht op herroeping behoort uitsluitend toe aan de verzekeringsnemer.

C. Begunstigde echtgenoot (artikel 108)

6. Er kan een probleem ontstaan wanneer er ten gevolge van een nieuw huwelijk dat de verzekeringsnemer aangaat in de loop van de overeenkomst, een tegenstrijdigheid bestaat op het ogenblik van de opeisbaarheid van de verzekerde prestaties tussen de in de overeenkomst vermelde begunstigde echtgenoot en de werkelijke echtgenoot op dat ogenblik.

Wanneer hij bij name als begunstigde wordt aangewezen, behoudt de echtgenoot volgens de termen van artikel 108 in principe zijn recht op prestatie wanneer de verzekeringsnemer een nieuw huwelijk aangaat, tenzij deze het tegendeel heeft bedongen of artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek toepassing vindt, krachtens hetwelk de echtgenoot tegen wie de echtscheiding is toegestaan alle voordelen verliest bedongen ten gunste van hem en in het bijzonder het voordeel van een levensverzekeringsovereenkomst. Wordt de echtgenoot niet bij name als begunstigde aangewezen, dan komt het recht op prestatie toe aan hem die bij het opeisbaar worden van de verzekerde prestaties de hoedanigheid van echtgenoot heeft.



7.Fiscaal regime :
  • Het tarief van de successierechten zal verschillend zijn naargelang de echtgescheiden echtgenoot al dan niet kinderen of afstammelingen heeft geboren uit zijn huwelijk met de verzekeringsnemer.

    Artikel 50 van het Wetboek der successierechten bepaalt inderdaad dat het percentage van het recht tussen echtgenoten niet van toepassing is wanneer de echtgenoten uit de echt of van tafel en bed gescheiden zijn en geen gerneenschappelijke kinderen of afstammelingen hebben.
  • Wat betreft de heffingsgrondslag, is het de vraag te weten of de vierde alinea van artikel 8 van het Wetboek der successierechten van toepassing is op uit de echt gescheiden echtgenoten die gehuwd waren onder een stelsel van gemeenschap.

    Wanneer de overledene gehuwd was onder een stelsel van gemeenschap van goederen, worden volgens de termen van deze alinea de sommen die aan de echtgenoot toevallen ingevolge een door deze echtgenoot, door de overledene of door een derde afgesloten levensverzekering, geacht slechts voor de helft als legaat te zijn verkregen, als deze sommen de tegenwaarde zijn van gemeenschappelijke goederen. Men gaat er inderdaad van uit dat wanneer de echtgenoten getrouwd zijn onder een stelsel van gemeenschap, de premies betaald zijn door het gemeenschappelijk vermogen, tenzij het tegenbewijs geleverd wordt. De begunstigde heeft dus voor de helft bijgedragen in de betaling van de premies. Wanneer uit de echt gescheiden echtgenoten gehuwd waren onder een stelsel van gemeenschap, moet bijgevolg de uit de echt gescheiden begunstigde echtgenoot in principe belast worden op de helft van het kapitaal dat overeenstemt met de tijdens het huwelijk gestorte premies (periode gedurende dewelke hij geacht wordt voor de helft te hebben bijgedragen in de betaling van de premies) en op de geheelheid van het kapitaal dat overeenstemt met de na de echtscheiding gestorte premies en dat zonder onderscheid of de uit de echt gescheiden echtgenoten wel of niet gemeenschappelijke afstammelingen hebben.
Deze uitsplitsing moet worden gedaan door de erfgenamen of de legatarissen in de aangifte van nalatenschap.

D. Aanwijzing van de kinderen of gezamenlijke aanwijzing van de echtgenoot en de kinderen als begunstigden (artikelen 109 en 110)

8. Een moeilijkheid deed zich voor wanneer, op het ogenblik van de opeisbaarheid van de prestaties, een begunstigd kind vóóroverleden was.

Artikel 109 van de wet bepaalt dat zijn recht op prestaties niet aanwast bij dat van de andere begunstigde kinderen, maar door het spel van de erfelijke plaatsvervulling toekomt aan de afstammelingen in rechte lijn van het vóóroverleden kind.

Indien de veizekeringsnemer zijn echtgenoot en zijn kinderen heeft aangewezen als begunstigden, moeten de prestaties niet worden verdeeld in hoofdelijke aandelen, maar voor de helft aan de echtgenoot en voor de helft aan de kinderen, tenzij anders is bedongen.

Hoofdstuk III. - Vóóroverlijden van de begunstigde (artikel 111)

9. De vraag of het recht op het verzekerde kapitaal al dan niet kan worden overgedragen aan de erfgenamen van de vóóroverleden begunstigde heeft lang het voorwerp uitgemaakt van betwisting; sommige auteurs meenden dat het recht op de verzekerde prestaties eigen is aan de begunstigde, die het bijgevolg kan overdragen aan zijn erfgenamen, anderen daarentegen meenden dat de aanwijzing van een begunstigde "intuitu personae" gebeurt dit wil zeggen rekening houdende met de persoon van de begunstigde en met de jegens hem bijzondere gevoelens die de bedinger hiertoe aanzetten.

Artikel 111 van de wet heeft de vraag opgelost door te bepalen dat het recht op prestaties onoverdraagbaar is en dat in geval van vóóroverlijden van de begunstigde de prestaties verschuldigd zijn aan de verzekeringsnemer of aan diens nalatenschap, tenzij een subsidiaire begunstigde werd aangewezen.



10.Deze regel heeft talrijke toepassingen op fiscaal vlak :
Bij overlijden van de ondertekenaar, kunnen zich twee hypothesen voordoen :



a)de prestaties zijn opeisbaar bij het overlijden.
Indien de begunstigde vóóroverleden is en geen enkele subsidiaire begunstigde werd aangewezen, worden de prestaties, krachtens de algemene principes, onmiddellijk belast in de nalatenschap van de verzekeringsnemer, ten laste van de erfgenamen.



b)de prestaties moeten worden uitgevoerd op een datum na het overlijden (Verzekering op termijn).
In dit geval is de begunstigde van de verzekering slechts zeker de prestaties te ontvangen wanneer hij leeft tot bij de datum van de uitvoering van de prestaties. Indien hij overlijdt tussen de datum van het overlijden en die van de uitvoering van de prestaties, gaat het recht dat hij bezat over op de subsidiaire begunstigde indien er één is aangewezen, of op de nalatenschap van de ondertekenaar in het tegenovergesteld geval.

De heffing van de successierechten moet gebeuren op de volgende manier :

  • Bij overlijden van de verzekeringsnemer bezit de aangewezen begunstigde een schuldvordering die op termijn is wat betreft haar uitvoering en die onderworpen is aan de ontbindende voorwaarde van vóóroverlijden van de begunstigde.
  • De schuldvordering moet dus worden aangegeven en moet onmiddellijk worden belast in zijnen hoofde.
  • Indien de begunstigde overleeft tot bij de opeisbaarheid van de prestaties, is de vereffening definitief en zal de heffing niet worden herzien op het ogenblik van de uitvoering van de prestaties.
  • Indien de begunstigde overlijdt tussen het overlijden van de ondertekenaar en de opeisbaarheid van de prestaties, brengt dit overlijden de vervulling van een ontbindende voorwaarde tot stand. Het legaat is bijgevolg retroactief ontbonden en de verandering van devolutie die hieruit voortvloeit, zal een herziening van de heffing met zich meebrengen.
Tot besluit kan men dus zeggen dat alle verzekeringen op termijn waarvan de termijn nog niet is verstreken bij het overlijden beschouwd moeten worden, op fiscaal vlak, als legaten op termijn tevens voorzien van een ontbindende voorwaarde : de schuldvordering zal uitgedoofd zijn als de voorwaarde vervuld wordt. De subsidiaire begunstigde zelf, of bij gebrek hieraan de ondertekenaar of zijn erfgenamen beschikken slechts over een recht waarvan het ontstaan afhangt van een onzekere gebeurtenis. Dit recht is bijgevolg onderworpen aan een opschortende voorwaarde : het vóóroverlijden van de hoofdbegunstigde.

Hoofdstuk IV. - Verzekering tussen in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoten (artikelen 127 en 128)

11. Volgens de termen van artikel 127 van de wet is de aanspraak ontleend aan de verzekering, zelfs wanneer de echtgenoten in gemeenschap van goederen zijn getrouwd, een eigen goed van de begunstigde echtgenoot.

In het huwelijksstelsel ingevoerd door de wet van 14 juli 1976, bepaalde artikel 1400, 7°, van het Burgerlijk Wetboek dat de rechten verbonden aan een personenverzekering gesloten door de begunstigde zelf, die hij verkreeg bij het overlijden van zijn echtgenoot of na de ontbinding van het stelsel, eigen waren.

Indien, daarentegen, de ondertekenende echtgenoot het kapitaal ontving tijdens de duur van het wettelijk stelsel, viel het kapitaal in het gemeenschappelijk vermogen.

Voortaan zijn alle vanaf de inwerkingtreding van de wet van 25 juni 1992 (21 september 1992) gestorte sommen eigen aan de begunstigde, zelfs indien het gaat om een groepsverzekering.

12. Artikel 128 van deze wet stelt dat geen enkele vergoeding verschuldigd is aan het gemeenschappelijk vermogen omwille van de door dat vermogen betaalde premies, behalve wanneer ze de normen duidelijk te boven gaan.

In het vroegere stelsel stelde artikel 43, alinea 3, van de wet van 11 juni 1874 dat geen enkele vergoeding verschuldigd was aan het gemeenschappelijk vermogen, omwille van door de verzekerde gedane stortingen als ze tenminste de mogelijkheden van de verzekeringsnemer niet kennelijk te boven gingen.

Bijgevolg was een vergoeding verschuldigd zodra de door de verzekerde gedane premiestortingen kennelijk de mogelijkheden van zijn vermogen te boven gingen. Met andere woorden, als de voorwaarde vervuld was, was de vergoeding gelijk aan de bedragen van de gestorte premies.

Daarentegen moeten de woorden "voor zover" van artikel 128 begrepen worden in die zin dat de gestorte premies slechts het voorwerp zullen uitmaken van een vergoeding in de mate dat ze de mogelijkheden van het gemeenschappelijk vermogen te boven gaan. Bijgevolg is het bedrag van de vergoeding niet noodzakelijk gelijk aan het bedrag van de gestorte premies; het bedrag kan lager zijn wanneer de premies slechts gedeeltelijk overdreven zijn.

13. Op fiscaal vlak blijft de vierde alinea van artikel 8 van het Wetboek der successierechten evenwel volledig van toepassing op echtgenoten getrouwd onder een stelsel van gemeenschap :



1.Indien een echtgenoot een levensverzekering heeft afgesloten op zijn hoofd ten voordele van zijn echtgenoot, is het recht op de verzekeringsprestatie eigen aan deze laatste bij het overlijden van de verzekeringsnemer, maar de successierechten zullen slechts verschuldigd zijn op de helft van de prestaties tenzij wordt aangetoond dat de premies werden betaald met de penningen eigen aan de ene of de andere echtgenoot.
2.Indien een echtgenoot een verzekering heeft afgesloten ten voordele van zichzelf, voor een vaste termijn waarvan de termijn nog niet is verstreken bij overlijden van zijn echtgenoot, zal de helft van de afkoopwaarde die het contract op het ogenblik van het overlijden vertegenwoordigt, moeten worden aangegeven in het actief van de nalatenschap van de eerststervende. Door de uitwerking van zijn huwelijksstelsel wordt hij inderdaad verondersteld te hebben bijgedragen voor de helft in de betaling van de premies.
3.De oplossing zou identiek zijn in het geval waarin de door de echtgenoot ontvangen verzekering zou zijn afgesloten door een derde.
Namens de Minister :
De Directeur-generaal,
F. BURNONVILLE
BIJLAGE 1

WET VAN 25 JUNI 1992 OP DE LANDVERZEKERINGSOVEREENKOMST (uittreksels)

TITEL I. - DE LANDVERZEKERINGSOVEREENKOMST IN HET ALGEMEEN

HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepalingen



Artikel1. Begripsbepalingen
In deze wet wordt verstaan onder :

A. Verzekeringsovereenkomst :

een overeenkomst, waarbij een partij, de verzekeraar, zich er tegen betaling van een vaste of veranderlijke premie tegenover een andere partij, de verzekeringnemer, toe verbindt een in de overeenkomst bepaalde prestatie te leveren in het geval zich een onzekere gebeurtenis voordoet waarbij, naargelang van het geval, de verzekerde of de begunstigde belang heeft dat die zich niet voordoet.

B. Verzekerde :

a) bij schadeverzekering : degene die door de verzekering is gedekt tegen verrnogensschade;

b) bij persoonsverzekering : degene in wiens persoon het risico van het zich voordoen van het verzekerde voorval gelegen is.

C. Begunstigde :

degene in wiens voordeel verzekeringsprestaties bedongen zijn.

D. Benadeelde :

in een aansprakelijkheidsverzekering, degene aan wie schade is toegebracht waarvoor de verzekerde aansprakelijk is.

E. Premie :

iedere vorm van vergoeding door de verzekeraar gevraagd als tegenprestatie voor zijn verbintenissen.

F. Verzekeringsprestatie :

het door de verzekeraar uit te betalen bedrag of de door hem te verstrekken dienst ter uitvoering van de verzekeringsovereenkomst.

G. Schadeverzekering :

verzekering waarbij de verzekeringsprestatie afhankelijk is van een onzeker voorval dat schade veroorzaakt aan iemands vermogen.

H. Persoonsverzekering :

verzekering waarbij de verzekeringsprestatie of de premie afhankelijk is van een onzeker voorval dat iemands leven, fysische integriteit of gezinstoestand aantast.

I. Verzekering tot vergoeding van schade

verzekering waarbij de verzekeraar zich ertoe verbindt de prestatie te leveren die nodig is om de schade die de verzekerde geleden heeft of waarvoor hij aansprakelijk is, geheel of gedeeltelijk te vergoeden.

J. Verzekering tot uitkering van een vast bedrag :

verzekering waarbij de prestatie van de verzekeraar niet afhankelijk is van de omvang van de schade.

K. Verzekeringsaanvraag :

een formulier dat uitgaat van de verzekeraar waarbij deze laatste aanbiedt het risico voorlopig ten laste te nemen op verzoek van de verzekeringnemer.

L. Verzekeringsvoorstel :

een formulier dat uitgaat van de verzekeraar en in te vullen door de verzekeringnemer met het doel de verzekeraar in te lichten over de aard van de verrichting en over de feiten en de omstandigheden die voor hem gegevens zijn voor de beoordeling van het risico.

M. Voorafgetekende polis :

een verzekeringspolis die vooraf door de verzekeraar ondertekend is en houdende aanbod tot het sluiten van een overeenkomst onder de voorwaarden die erin beschreven zijn, eventueel aangevuld met de nadere bijzonderheden die de verzekeringnemer aanduidt op de daartoe voorziene plaatsen.

N. Vermindering bij de verzekering tot vergoeding van schade :

sanctie waardoor de verzekeraar zijn prestatie vermindert, gelet op de tekortkoming door de verzekeringnemer of de verzekerde aan een van de verplichtingen die voortvloeien uit de verzekeringsovereenkomst.



Art.2. Toepassingsgebied
§ 1. Deze wet is van toepassing op alle landverzekeringen voor zover er niet wordt van afgeweken door bijzondere wetten.

Zij is niet van toepassing op de herverzekering, noch op de verzekeringen van goederenvervoer dat niet hoofdzakelijk over land geschiedt.

§ 2. Deze wet is van toepassing op de onderlinge verzekeringsverenigingen.

Om rekening te houden met de bijzondere kenmerken van deze verzekeringsvorm kan de Koning evenwel de bepalingen aangeven die niet op die verenigingen van toepassing zijn en de wijze bepalen waarop andere bepalingen dat wel zijn.



Art.3. Dwingende regels
De bepalingen van deze wet zijn van dwingend recht, tenzij uit de bewoordingen zelf blijkt dat de mogelijkheid wordt gelaten om er van af te wijken door bijzondere bedingen.

(...)

TITEL III. - PERSOONSVERZEKERINGEN

HOOFDSTUK I. - Gemeenschappelijke bepalingen



Art.94. Naamgebondenheid van de polis.
De polis moet op naam van de verzekeringnemer worden gesteld; zij kan niet aan order of aan toonder zijn.

HOOFDSTUK II. - Levensverzekeringsovereenkomsten

Afdeling 1. - Algemene bepalingen



Art.97. Toepassingsgebied
Dit hoofdstuk is van toepassing op alle persoonsverzekeringen waarbij het zich voordoen van het verzekerd voorval alleen afhankelijk is van de menselijke levensduur. Die verzekeringen zijn uitsluitend verzekeringen tot uitkering van een vast bedrag.



Art.98. Samenloop en niet-indeplaatsstelling.
Voor de toepassing van dit hoofdstuk is elk tegenstrijdig beding, toegelaten door de artikelen 49 en 50, nietig.

Afdeling II. - Verzekerd risico



Art.99. Onbetwistbaarheid
Zodra de levensverzekeringsovereenkomst in werking treedt, kan de verzekeraar zich niet meer beroepen op het onopzettelijk verzwijgen of het onopzettelijk onjuist meedelen van gegevens door de verzekeringnemer of de verzekerde.

De Koning kan de partijen toestaan om de onbetwistbaarheid uit te stellen onder de voorwaarden die Hij bepaalt.



Art.100. Dwaling omtrent de leeftijd van de verzekerde
Wanneer de leeftijd van de verzekerde onjuist is opgegeven, worden de prestaties van elke partij vermeerderd of verminderd in verhouding tot de werkelijke leeftijd die in acht had moeten genomen worden.



Art.101. Uitgesloten risico's
§ 1. Tenzij het tegendeel is bedongen, dekt de verzekering de zelfmoord van de verzekerde niet die gebeurt minder dan één jaar na de inwerkingtreding van de overeenkomst. Het bewijs van de zelfmoord moet door de verzekeraar worden geleverd.

§ 2. Tenzij anders is bedongen, dekt de verzekeraar de dood van de verzekerde niet :



wanneer de dood het gevolg is van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke veroordeling tot de doodstraf;
wanneer de dood zijn onmiddellijke en rechtstreekse oorzaak vindt in een misdaad of een wanbedrijf, door de verzekerde als dader of mededader opzettelijk gepleegd en waarvan de gevolgen door hem konden worden voorzien.
Art.102. Het zich voordoen van een uitgesloten risico
Indien de verzekerde overleden is ten gevolge van een uitgesloten risico, betaalt de verzekeraar de begunstigde de opbrengst terug van de kapitalisatie van de premies die betrekking hebben op de periode na de datum van het overlijden, en beperkt tot de verzekerde prestatie bij overlijden.

Afdeling III. - Betaling van de premies en inwerkingtreding van de overeenkomst



Art.103. Betaling van de eerste premie
Tenzij anders is bedongen, treedt de levensverzekeringsovereenkomst eerst in werking op de dag dat de eerste premie wordt betaald.



Art.104. Niet-betaling van een premie
Niet-betaling van een premie geeft geen aanleiding tot enige vordering tot gedwongen tenuitvoerlegging vanwege de verzekeraar; volgens de door de Koning vastgestelde voorschriften brengt niet-betaling alleen de ontbinding van de overeenkomst mee of de vermindering van de prestaties van de verzekeraar.



Art.105. Verplichting tot betaling van de premies
De verzekeringnemer kan door een andere overeenkomst dan de levensverzekeringsovereenkomst die hij heeft aangegaan, er zich toe verbinden om binnen het verband van de laatstgenoemde overeenkomst te blijven door er de premies van te betalen.

Afdeling IV. - Rechten van de verzekeringnemer

A. Begunstiging.



Art.106. Aanwijzing van de begunstigde
§ 1. De verzekeringnemer heeft het recht één of meer begunstigden aan te wijzen. Dat recht komt uitsluitend aan hem toe en kan noch door de echtgenoot, noch door zijn wettelijke vertegenwoordigers, noch door zijn erfgenamen of rechthebbenden, noch door zijn schuldeisers worden uitgeoefend.

Het bewijs van het recht van de begunstigde wordt geleverd overeenkomstig artikel 10.

§ 2. De begunstigde moet identificeerbaar zijn wanneer de verzekerde prestaties opeisbaar worden.

§ 3. De verzekeraar is van iedere verbintenis bevrijd door de uitkering die hij te goeder trouw aan de begunstigde heeft gedaan voordat hij enig geschrift heeft ontvangen waarbij de aanwijzing wordt gewijzigd.



Art.107. Geen begunstigde
Wanneer bij de verzekering geen begunstigde is aangewezen of wanneer de aanwijzing van de begunstigde geen gevolgen kan hebben of herroepen is, is de verzekeringsprestatie verschuldigd aan de verzekeringnemer of aan zijn nalatenschap.



Art.108. Aanwijzing van de echtgenoot
Wanneer de echtgenoot bij name als begunstigde wordt aangewezen, behoudt hij zijn recht op prestatie wanneer de verzekeringnemer een nieuw huwelijk aangaat, tenzij deze het tegendeel heeft bedongen of artikel 299 van het burgerlijk Wetboek toepassing vindt.

Wordt de echtgenoot niet bij name als begunstigde aangewezen, dan komt het recht op prestatie toe aan hem die bij het opeisbaar worden van de verzekerde prestaties die hoedanigheid heeft.



Art.109. Aanwijzing van de kinderen
Wanneer de kinderen niet bij name als begunstigden worden aangewezen, dan wordt het recht op prestaties verleend aan de personen die bij het opeisbaar worden van de prestaties deze hoedanigheid hebben. De afstammelingen in rechte lijn van een vooroverleden kind komen bij plaatsvervulling op.

Art. 110. Gezamenlijke aanwijzing van de kinderen en van de echtgenoot als begunstigden

Wanneer de echtgenoot en de kinderen al of niet bij name gezamenlijk als begunstigden worden aangewezen, dan wordt het recht op prestaties voor de helft verleend aan de echtgenoot en voor de helft aan de kinderen, tenzij anders is bedongen.



Art.111. Vooroverlijden van de aangewezen begunstigde
Indien de begunstigde overlijdt vóór het opeisbaar worden van de verzekeringsprestatie en zelfs indien de begunstigde had aanvaard, komt het recht op prestatie aan de verzekeringnemer of aan zijn nalatenschap toe, tenzij hij subsidiair een andere begunstigde heeft aangewezen.

B. Herroeping van de begunstiging



Art.112. Recht van herroeping
Zolang zij niet door de aangewezen begunstigde is aanvaard, is de verzekeringnemer gerechtigd de begunstiging te herroepen totdat de verzekerde prestaties opeisbaar worden.

De herroeping wordt bewezen overeenkomstig artikel 10.

Het recht van herroeping komt uitsluitend toe aan de verzekeringnemer. Het kan alleen door hem worden uitgeoefend en niet door zijn echtgenoot, wettelijke vertegenwoordigers, schuldeisers en behoudens het geval van artikel 957 van het Burgerlijk Wetboek, door zijn erfgenamen of rechthebbenden.



Art.113. Gevolgen van de herroeping
Herroeping van de begunstiging doet het recht op de verzekerde prestaties vervallen.

Afdeling V. - Rechten van de begunstigde

A. Recht op de verzekeringsprestaties



Art.121. Recht op de verzekeringsprestaties
De begunstigde heeft door het enkele feit van zijn aanwijzing recht op de verzekeringsprestaties.

Dat recht wordt onherroepelijk door de aanvaarding van de begunstiging, onverminderd de herroeping van de schenkingen, overeenkomstig de artikelen 953 tot 958 en 1096 van het Burgerlijk Wetboek en behoudens toepassing van artikel 111.

B. Aanvaarding van de begunstiging



Art.122. Recht van aanvaarding
De begunstigde kan de begunstiging te allen tijde aanvaarden, ook nadat de verzekeringsprestaties opeisbaar zijn geworden.

Het recht van aanvaarding komt uitsluitend toe aan de begunstigde. Het kan niet worden uitgeoefend door zijn echtgenoot of zijn schuldeisers.



Art.123. Vormvoorschrift
Zolang de verzekeringnemer leeft kan de aanvaarding slechts geschieden door een bijvoegsel bij de polis met de handtekening van de begunstigde, de verzekeringnemer en de verzekeraar.

Na het overlijden van de verzekeringnemer kan de aanvaarding uitdrukkelijk of stilzwijgend geschieden. Ten aanzien van de verzekeraar echter heeft de aanvaarding eerst gevolg nadat hem daarvan schriftelijk kennis is gegeven.

C. Rechten van de erfgenamen van de verzekeringnemer ten aanzien van de begunstigde.

Art. 124. Inbreng of inkorting in geval van overlijden van de verzekeringnemer.

In geval van overlijden van de verzekeringnemer, zijn de premies die hij heeft betaald, niet aan inbreng of inkorting onderworpen, behalve voor zover het betaalde kennelijk buiten verhouding staat tot zijn vermogenstoestand, in welk geval de inbreng of de inkorting het bedrag van de opeisbare prestaties niet mag overschrijden.

D. Rechten van de schuldeisers van de verzekeringnemer ten aanzien van de begunstigde.



Art.125. Verzekeringsprestaties
De schuldeisers van de verzekeringnemer hebben geen enkel recht op verzekeringsprestaties die aan de begunstigde verschuldigd zijn.



Art.126. Terugbetaling van de premies
De schuldeisers van de verzekeringnemer kunnen van de begunstigde om niet, geen terugbetaling vorderen van de premies, behalve voor zover deze kennelijk buiten verhouding staan tot de vermogenstoestand van de verzekeringnemer en voor zover ze betaald zijn met bedrieglijke benadeling van hun rechten in de zin van artikel 1167 van het Burgerlijk Wetboek.

Die terugbetaling mag het bedrag van de aan de begunstigde verschuldigde verzekeringsprestaties niet overschrijden.

Afdeling VI. Verzekering tussen in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoten

Onderafdeling I. - Algemene bepalingen



Art.127. Verzekeringsprestaties
De aanspraken, ontleend aan de verzekering die een in gemeenschap van goederen getrouwde echtgenoot ten behoeve van de andere of van zichzelf heeft bedongen, is een eigen goed van de begunstigde echtgenoot.



Art.128. Vergoeding van premiebetalingen
Aan het gemeenschappelijk vermogen is geen vergoeding verschuldigd behalve voor zover de premiebetalingen die ten laste van dat vermogen zijn gedaan, kennelijk de mogelijkheden ervan te boven gaan.

Onderafdeling II. Gevolgen van echtscheiding of van scheiding van tafel en bed

A. Echtscheiding op grond van bepaalde feiten

Art. 129. Rechten van de verzekeringnemer gedurende de echtscheidingsprocedure

De rechten die aan de verzekeringnemer toekomen krachtens de artikelen 106 tot 120, blijven gedurende de echtscheidingsprocedure behouden, behoudens toepassing van de artikelen 1280 en 1283 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 130. Recht op verzekeringsprestaties gedurende de echtscheidingsprocedure.

De verzekeringsprestaties die opeisbaar worden gedurende de echtscheidingsprocedure, worden rechtsgeldig betaald aan de als begunstigde aangewezen echtgenoot, behoudens toepassing van de artikelen 1280 en 1283 van het Gerechtelijk Wetboek.

Art. 131. Recht op verzekeringsprestaties die opeisbaar worden na de overschrijving van de echtscheiding

De verzekeringsprestaties die opeisbaar worden na de overschrijving van de echtscheiding worden rechtsgeldig betaald aan de uit de echt gescheiden echtgenoot die als begunstigde is aangewezen, behoudens toepassing van artikel 299 van het Burgerlijk Wetboek.

B. Echtscheiding door onderlinge toestemming



Art.132. Rechten van de verzekeringnemer gedurende de proeftijd
De rechten die krachtens de artikelen 106 tot 120 aan de verzekeringnemer toekomen, blijven gedurende de proeftijd behouden, tenzij de echtgenoten anders hebben bedongen in hun echtscheidingsconvenant, bedoeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek. De overeenkomst kan slechts aan de verzekeraar worden tegengeworpen nadat hij daarvan op de hoogte werd gesteld.

Art. 133. Recht op verzekeringsprestaties die opeisbaar worden tijdens de proeftijd

De verzekeringsprestaties die opeisbaar worden tijdens de proeftijd, worden rechtsgeldig betaald aan de als begunstigde aangewezen echtgenoot, tenzij de echtgenoten anders hebben bedongen in hun echtscheidingsconvenant, bedoeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek, en zij de verzekeraar op de hoogte hebben gebracht van de nieuwe aanwijzing.

Art. 134. Recht op verzekeringsprestaties die opeisbaar worden na de overschrijving van de echtscheiding

De verzekeringsprestaties die opeisbaar worden na de overschrijving van de echtscheiding, worden rechtsgeldig betaald aan de uit de echt gescheiden echtgenoot die als begunstigde is aangewezen, tenzij de echtgenoten in hun echtscheidingsconvenant, bedoeld in artikel 1287 van het Gerechtelijk Wetboek, anders hebben bedongen en zij de verzekeraar op de hoogte hebben gebracht van de nieuwe aanwijzing.

C. Scheiding van tafel en bed



Art.135. Scheiding van tafel en bed
§ 1. In geval van scheiding van tafel en bed op grond van bepaalde feiten zijn de artikelen 129 tot 131 van toepassing.

§ 2. In geval van scheiding van tafel en bed door onderlinge toestemming zijn de artikelen 132 tot 134 van toepassing.

(...)

TITEL IV. - SLOTBEPALINGEN

(...)



Art.148. Overgangsbepalingen
§ 1. De bepalingen van deze wet zijn op de verzekeringsovereenkomsten, die aangegaan zijn vóór de inwerkingtreding van die bepalingen, eerst van toepassing vanaf de dag van de wijziging, de vernieuwing, de verlenging of de omzetting van de overeenkomst.

§ 2. De in § 1 bedoelde overeenkomsten die niet gewijzigd, vernieuwd, verlengd of omgezet zijn" vallen onder deze wet vanaf de eerste dag van de vijfentwintigste maand volgend op die waarin de wet is bekendgemaakt.

§ 3. De bepalingen van deze wet zijn op de lopende levensverzekeringsovereenkomsten van toepassing vanaf de inwerkingtreding van de wet.

§ 4. Artikel 30 van deze wet wordt toegepast op de bestaande overeenkomsten vanaf zijn inwerkingtreding. De wijzigingen die voortvloeien uit de aanpassing van de bestaande overeenkomsten aan deze wet, kunnen de opzegging van de overeenkomst niet rechtvaardigen.



Art.149. Inwerkingtreding
De Koning bepaalt voor elk artikel van deze wet de dag waarop het in werking treedt.

BIJLAGE 2

24 AUGUSTUS 1992. - Koninklijk besluit tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding van de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

(...)

Artikel 1. De artikelen 1 tot 3, 5 tot 7, 8, lid 1 en 3, 9, 10, §§ 1 en 3, 11 tot 14, 18 tot 27, 29, § 1, lid 1, 32 tot 43, 45 tot 51, 53, 58 tot 64, 66, 67, §§ 1 en 4, 68 en 69, 77, 79 tot 85, 89 tot 95, 97 en 98, 100, 101, § 2, 102 en 103, 105 tot 113, 117 tot 136, 138 tot 141, 143 tot 145, 148 en 149 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst treden in werking op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.

Art. 2. De artikelen 30, 31, 44, 52, 67, §§ 2 en 3, 70 tot 76, 96, 99, 104, 114 tot 116 en 137 van dezelfde wet treden in werking op de datum bepaald door de uitvoeringsbesluiten van deze artikelen en, in elk geval, op 1 januari 1993.

Art. 3. De overige bepalingen van dezelfde wet, met uitzondering van artikel 142, treden in werking op 1 januari 1993.

Art. 4. Artikel 142 van dezelfde wet treedt in werking al naar gelang de bepalingen van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst in werking treden.

Art. 5. Onze Minister van Justitie en Economische Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.

Gegeven te Motril, 24 augustus 1992.

BOUDEWIJN Van Koningswege : De Minister van Justitie en Economische Zaken, M. WATHELET.