Circulaire nr. Ci.RH.421/483.766 dd. 26.07.1996

CIRC 26.07.96/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/483.766 dd. 26.07.1996


Bull. nr. 763, pag. 1480

DIENSTENCENTRUM
Toegelaten activiteit.
Vaststelling van de belastbare winst.


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

INHOUDSTAFEL Nr. I. Algemene draagwijdte .......................................... 1 II. Bedoelde ondernemingen ........................................ 4 III. Toegelaten activiteiten ....................................... 6 A. Werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben ...................... 8 B. Activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten .. 9 C. Activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen ....................................... 10 D. Activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren ................................................. 11 E. Opmerkingen ................................................ 12 IV. Vaststelling van de belastbare winst A. Dienstencentra onderworpen aan de Ven.B 1. Algemeen .................................................. 14 2. "Cost plus"-methode ....................................... 18 3. "Resale minus"-methode .................................... 23 4. Gecombineerde toepassing van beide methodes ............... 26 5. Voorbeelden ............................................... 27 B. Dienstencentra onderworpen aan de BNI/ven .................... 37 V. Toe te passen belastingtarief ................................... 38 VI. Toepassingsmodaliteiten ......................................... 39

I.ALGEMENE DRAAGWIJDTE
Om multinationale ondernemingen ertoe aan te zetten hun activiteiten bij voorkeur in België te concentreren en dientengevolge alhier investeringen en tewerkstelling te creëren, is, rekening houdend met wat reeds in bepaalde landen bestaat, beslist een bijzonder aanslagstelsel in te stellen ten voordele van entiteiten die als dienstencentra werkzaam zijn.

Dit stelsel vult het gamma van de fiscale stimuli aan die tot doel hebben de ontwikkeling van het economisch geheel te bevorderen en het steunt op dezelfde logica als de maatregelen die van kracht zijn voor, enerzijds de coördinatiecentra, en anderzijds de distributiecentra. Het nieuwe stelsel voor de dienstencentra is in werkelijkheid rechtstreeks afgeleid van datgene wat reeds voor de distributiecentra bestaat (zie dienaangaande circ. 30.11.1994, nr Ci.RH.421/463.062 - Bull. 745) gelet op bepaalde gelijkenissen inzake structuur en werking die deze beide categorieën van entiteiten kenmerken, maar waarvoor het niettemin belangrijk is onmiddellijk te benadrukken dat het doel en de activiteiten vanzelfsprekend niet dezelfde zijn.

2. Zonder de bestaande wettelijke bepalingen te wijzigen, komt het nieuwe stelsel er samengevat op neer dat een binnenlandse vennootschap (of in voorkomend geval de Belgische inrichting van een buitenlandse vennootschap) die de aard heeft van een dienstencentrum (d.w.z. waarvan de activiteiten overeenstemmen met die welke in de rubriek III hierna worden omschreven) en waarvan de belastbare winst moet worden vastgesteld volgens de gewone regels die inzake Ven.B (of BNI/ven.) van toepassing zijn, geacht zal worden geen abnormale of goedgunstige voordelen te verlenen aan de andere ondernemingen waarmee ze verbonden is, wanneer de vergoeding voor haar diensten in het totaal een bepaald niveau bereikt.

3. Het stelsel is facultatief en wordt slechts toegestaan na een voorafgaande aanvraag door de geïnteresseerde onderneming bij de administratie.

Dat stelsel wordt in principe toegestaan voor een periode van vijf jaar, die eventueel kan worden verlengd.



II.BEDOELDE ONDERNEMINGEN
4. Voor de toepassing van het in deze circulaire behandelde bijzondere stelsel moet onder dienstencentrum worden verstaan de aan de Ven.B of aan de BNI/ven. onderworpen zelfstandige entiteit die :

  • enerzijds deel uitmaakt van een Belgische of buitenlandse groep van verbonden vennootschappen, in de zin van het KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van ondernemingen (zie de bijlage van het voormelde besluit, Hoofdstuk III, Deel 1, rubriek IV.A. Verbonden ondernemingen);
  • en anderzijds alle of een gedeelte van de in de rubriek III opgesomde activiteiten uitoefent.


5. De aandacht wordt erop gevestigd dat onafhankelijke ondernemingen, d.w.z. diegene welke geen deel uitmaken van een groep van verbonden vennootschappen, in elk geval van het bijzondere aanslagstelsel zijn uitgesloten, zelfs wanneer hun benaming en hun uitgeoefende activiteiten gelijken op deze van een dienstencentrum.



III.TOEGELATEN ACTIVITEITEN
6. In tegenstelling met de activiteiten van een distributiecentrum, die hoofdzakelijk gericht zijn op de opslag, het beheer en de behandeling van grond- en hulpstoffen, van gerede produkten of handelsgoederen, situeren deze van een dienstencentrum zich eerder op het intellectuele vlak in de ruime betekenis van het woord.

Het spreekt vanzelf dat het hier onmogelijk is om de volledige lijst van de activiteiten te vermelden die door een dienstencentrum zouden kunnen worden uitgeoefend.

7. De aandacht wordt er evenwel op gevestigd dat zuivere commerciële activiteiten (directe verkoop, marketing, enz.), alsmede elke tussenkomst in het produktieproces niet als toegelaten activiteiten worden aangemerkt.

Onder dit voorbehoud kunnen de activiteiten die voor de toelating in aanmerking kunnen komen in vier grote categorieën worden ingedeeld, zulks rekening houdend met de aard van hun bijdrage in de verwezenlijking van het maatschappelijke doel van de vennootschappen van de groep. Er wordt evenwel op gewezen dat het uitoefenen van die activiteiten niet ipso facto recht geeft op de toepassing van het bijzondere aanslagstelsel, daar dit stelsel slechts zal worden toegestaan na een voorafgaand onderzoek door de administratie van de door het dienstencentrum uitgeoefende (of in uitzicht gestelde) activiteiten.

A. Werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben (In de zin van het artikel 5, § 4, d en e van de fiscale OESO-modelovereenkomst)

8. Dienaangaande moet geval per geval worden onderzocht of de uitgeoefende werkzaamheden op zich een essentieel en aanzienlijk deel van de activiteiten van de groep uitmaken, met dien verstande dat die werkzaamheden geen toegevoegde waarde aan de verkochte goederen of aan de verstrekte diensten mogen geven.

Kunnen bijvoorbeeld tot deze categorie van activiteiten behoren:

  • het beheer, ten voordele van een groep van luchtvaartmaatschappijen, van een gegevensbank die de door de klanten afgelegde vliegafstanden bijhoudt;
  • de logistieke verrichtingen inherent aan de permanente beroepsvorming van het personeel van de vennootschappen van de groep;
  • het beheer van operationele communicatiestromen (met uitsluiting van elke commerciële tussenkomst) binnen (d.w.z. tussen de vennootschappen) of buiten de groep (relaties met de openbare overheden, enz.);
  • de centralisatie van aankopen van handelsgoederen verricht voor rekening van de vennootschappen van de groep;
  • de verrichtingen op het gebied van het wetenschappelijk onderzoek, voor zover zij van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheid hebben.




B.Activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten
9. Tot deze categorie behoren inzonderheid de activiteiten die erin bestaan vragen van klanten te beantwoorden op het vlak van hulpverlening (b.v. herstellingen over de telefoon op het gebied van de informatica) of inzake het verstrekken van inlichtingen betreffende de door de vennootschappen van de groep verkochte goederen of verstrekte diensten (b.v. de beschikbaarheid van een produkt in de voorraad, leveringstermijnen, enz.).

C. Activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen

10. Een passieve bijdrage impliceert dat het dienstencentrum over geen autonome beslissingsbevoegdheid beschikt en dat het derhalve uitsluitend in naam en voor rekening van de vennootschappen van de groep handelt. Het draagt bijgevolg geen ondernemingsrisico.

Bij wijze van voorbeeld kan het opnemen (of het bevestigen) van bestellingen gedaan door niet-leden van de groep worden aangehaald. In het onderhavige geval mag het dienstencentrum noch op enige wijze onderhandelen, noch de verkoop zelf aanvaarden, maar moet het een rol van een passieve tussenschakel vervullen.



D.Activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren
11. Het kan gebeuren dat een dienstencentrum werkelijk optreedt als een tussenpersoon bij de verkoop van goederen of het leveren van diensten die door de vennootschappen van de groep worden aangeboden. In het onderhavige geval treedt het centrum op voor rekening van deze vennootschappen maar in eigen naam. Het centrum kan bijvoorbeeld bevoegd zijn om een bestelling te aanvaarden waarvan de voorwaarden (prijs, hoeveelheid, termijn, enz.) voorafgaand werden vastgesteld.

De verrichtingen die er hoofdzakelijk in bestaan de omzet van de vennootschappen van de groep te verhogen zijn evenwel altijd uitgesloten (televerkoop, klantenwerving, enz.).



E.Opmerkingen
12. Het dienstencentrum mag in principe geen of slechts een verwaarloosbaar ondernemingsrisico dragen. De taak van het centrum moet beperkt blijven tot die van een eenvoudige "interface" tussen de externe klanten en de vennootschappen van de groep, alsmede tussen de vennootschappen van de groep zelf.

Wat betreft de activiteiten die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren (zie nr 11), zal het centrum er evenwel toe gehouden zijn in eigen naam de vennootschappen van de groep waarvan het deel uitmaakt te verbinden. In dat geval en bij gebreke aan een conventionele clausule die in de overdracht van elk commercieel of financieel risico naar de opdrachtgever voorziet, moet het verzoekschrift om het bijzondere aanslagstelsel te bekomen een nauwkeurige omschrijving bevatten van de aard en de omvang van het gedragen risico, dat in eik geval beperkt dient te zijn. In datzelfde verzoekschrift moet eveneens worden uiteengezet op welke wijze het centrum voor de geleverde diensten zal worden vergoed (in voorkomend geval zullen de overeenkomsten tussen het centrum en de vennootschappen van de groep moeten worden overgelegd).

Er wordt eveneens gewezen op het intra-muros karakter van de prestaties van het centrum, waarvan de eigen klanten - in voorkomend geval te onderscheiden van de werkelijke gebruiker van de diensten - in principe uitsluitend uit vennootschappen van de groep mogen bestaan.

13. Het dienstencentrum mag de uitrusting aanschaffen en het technisch en administratief personeel aanwerven dat nodig is voor het uitvoeren van de toegelaten activiteiten, alsmede alle ermee gepaard gaande administratieve, financiële en fiscale formaliteiten vervullen.

IV. VASTSTELLING VAN DE BELASTBARE WINST


A. Dienstencentra onderworpen aan de Ven.B


1. Algemeen


14. Overeenkomstig de bepalingen van art. 185, WIB 92 en art. 74, KB/WIB 92, is de belastbare winst van een aan de Ven.B onderworpen dienstencentrum gelijk aan het totale bedrag van de belastbare gereserveerde winst, de verworpen uitgaven en de uitgekeerde dividenden. Deze winst wordt eventueel verminderd met de vrijgestelde en de niet belastbare bestanddelen en in voorkomend geval met de vorige beroepsverliezen.

15. Wanneer het centrum het bijzondere aanslagstelsel geniet, bestaat de enige afwijking tot hetgeen in nr. 14 is uiteengezet hierin dat het centrum, wegens onvoldoend omzetcijfer, geacht wordt geen abnormale of goedgunstige voordelen in de zin van de art. 26 en 79, WIB 92, te hebben verleend aan de vennootschappen van de groep waartoe het behoort, wanneer dat omzetcijfer niet lager is dan het totaal (A + B) waarbij:

  • A gelijk is aan de werkingskosten betreffende de activiteiten die geen actieve tussenkomst in de verkopen impliceren (zie nrs 8 tot 10), verhoogd met een bepaald percentage daarvan ("Cost plus"-methode);
  • B gelijk is aan een bepaald percentage van de omvang van de verkopen waarvoor het centrum is tussengekomen in de hoedanigheid van actief tussenpersoon ("Resale minus"-methode).


16. Het spreekt voor zich dat de minimale vergoeding voor het dienstencentrum ten opzichte van elke vennootschap van de groep afzonderlijk moet worden beoordeeld.

17. Er wordt evenwel opgemerkt dat, alhoewel een dienstencentrum in weze voornamelijk een kostencentrum is, het niettemin uit bepaalde verrichtingen financiële resultaten (b.v. bankinteresten) en/of uitzonderlijke resultaten (b.v. verwezenlijkte meerwaarden bij de overdracht van vaste activa) kan behalen.

In voorkomend geval en voor zover kan worden aangenomen dat de verrichtingen waaruit de voormelde resultaten voortkomen in het normale beheer kaderen en derhalve geen speculatief karakter vertonen, moet voor de vaststelling van de eventuele abnormale of goedgunstige voordelen als bedoeld in nr. 15 met deze bestanddelen, die als zodanig deel uitmaken van de boekhoudkundige winst, geen rekening worden gehouden.



2."Cost-plus"-methode
18. Deze methode bestaat erin 100 % van de werkingskosten in aanmerking te nemen die met de desbetreffende activiteiten verband houden en hierop een bepaald percentage X toe te passen. Het omzetcijfer wordt derhalve bekomen door deze werkingskosten met de coëfficiënt (100 + X)/100 te vermenigvuldigen.

Het percentage X is in principe een vast tarief dat kan variëren van 5 tot 15 % en dat geval per geval voor eik dienstencentrum onder het toezicht van de administratie zal worden vastgesteld in functie van de belangrijkheid van de werkelijk uitgeoefende activiteiten.



19.De methode is van toepassing voor:
  • de werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben (zie nr. 8): richtpercentage = 5 % (coëfficiënt 1,05);
  • de activiteiten inzake informatieverstrekking aan de klanten (zie nr. 9): richtpercentage = 10 % (coëfficiënt 1,1);
  • de activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen (zie nr. 10) : richtpercentage = 15 % (coëfficiënt 1,15).


20. De werkingskosten waarop de voormelde coëfficiënten van toepassing zijn, omvatten het totale bedrag van de kosten opgenomen onder de rekeningen 60 tot 64, MAR (Minimumindeling van het Algemeen Rekeningenstelsel). Evenwel kan worden aanvaard dat zonder een marge (percentage 0 % - coëfficiënt 1) aan de vennootschappen van de groep worden doorgefactureerd of aangerekend:

  • de personeelskosten, die alle kosten van het personeel omvatten, zoals inzonderheid de toegekende bezoldigingen en de rechtstreekse sociale voordelen, de werkgeversbijdrage voor sociale zekerheid en de werkgeverspremies voor bovenwettelijke verzekeringen;
  • de kostprijs van diensten die door derden aan het centrum worden geleverd, mits het gaat om diensten die rechtstreeks hadden kunnen worden gefactureerd aan de vennootschappen van de groep waartoe het centrum behoort en die door de verstrekken tegen een prijs met inbegrip van een normale winstmarge worden gefactureerd.


21. De coëfficiënt 1 is bijvoorbeeld van toepassing op telecommunicatiekosten ingevolge "gratis" telefoonoproepen naar een dienstencentrum van het type "call-center", die door dit centrum worden gedragen ten voordele van vennootschappen van de groep.

De door het centrum gedragen kosten voor diensten die het centrum zelf heeft verstrekt, alsmede de kosten die door een andere vennootschap van de groep tegen kostprijs of met een te lage winstopslag werden gefactureerd, moeten daarentegen aan de passende coëfficiënt worden onderworpen.

22. Moeten, voor zover ze er nog in terug te vinden zijn, in elk geval uit de werkingskosten worden gesloten :

a) in voorkomend geval het bedrag van het eigen omzetcijfer dat opnieuw aan de vennootschappen van de groep wordt afgestaan (voor meer uitleg, zie nr 24);



b)de kosten die onder de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen;
c) de voorzieningen en reserves die als belastbare reserves moeten worden aangemerkt (De bedoelde sommen moeten, op het ogenblik dat ze later de aard van beroepskosten zullen verkrijgen, in aanmerking worden genomen voor de berekening van het minimum omzetcijfer, met dien verstande dat ze dan niet meer in het bedrag van de belaste reserves moeten voorkomen).



3."Resale minus"-methode
23. Deze methode is uitsluitend voorbehouden voor de gevallen waarin het dienstencentrum activiteiten uitoefent die een actieve tussenkomst in de verkopen impliceren (zie nr. 11) en strekt ertoe de minimale vergoeding vast te stellen dat het centrum zich onder de vorm van een marge had moeten toekennen voor zijn activiteit als tussenpersoon in de verkoop van goederen of diensten voor rekening van de vennootschappen van de groep.

Die vergoeding wordt bepaald door een bepaald percentage Y toe te passen op het in Belgische franken uitgedrukte bedrag van de verkopen waarvoor het centrum als tussenpersoon is tussengekomen. Dit percentage wordt geval per geval vastgesteld in functie van de werkelijke aard van de bijdrage van het dienstencentrum, alsmede van het door dat centrum gedragen risico, zonder 5 % te overtreffen.

24. Wanneer het centrum de bedragen van het door zijn tussenkomst op het niveau van de vennootschappen van de groep behaalde omzetcijfer in zijn eigen resultatenrekening heeft opgenomen, moet worden nagegaan of de tenlasteneming van het opnieuw aan de voormelde vennootschappen afgestane bedrag niet meer bedraagt dan het verschil tussen het totaal van het omzetcijfer dat via het centrum is doorgestroomd en de vergoeding hiervoor.

Het aldus vastgestelde minimum omzetcijfer mag in elk geval niet lager zijn dan het totaal van de betreffende de bedoelde activiteit onder de rekeningen 60 tot 64, MAR opgenomen kosten, met uitsluiting van de kosten die onder de verworpen uitgaven moeten worden opgenomen en de voorzieningen en reserves die als belastbare reserves moeten worden aangemerkt.

25. Ongeacht de weerhouden boekingswijze (overdracht via de resultatenrekening van het bedrag van de aankopen bestemd voor de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep, dan wel een eenvoudige inschrijving als opbrengsten van de ontvangen commissielonen), mag de uit dergelijke verrichtingen behaalde winstmarge niet lager zijn dan het bedrag dat wordt bekomen door de in het nr. 23, 2e lid, beschreven formule toe te passen.



4.Gecombineerde toepassing van beide methodes
26. Wanneer een dienstencentrum activiteiten uitoefent die enerzijds een tussenkomst in naam en voor rekening van de vennootschappen van de groep, en anderzijds een tussenkomst in eigen naam, maar voor rekening van de vennootschappen van de groep impliceren, moet het minimum omzetcijfer worden vastgesteld door eerst de vereiste uitsplitsing te maken van de kosten per desbetreffende groep van activiteiten en daarna voor elk geval de passende berekeningsmethode ("Cost plus" of "Resale minus ") toe te passen.



5.Voorbeelden
Voorbeeld 1

27. De volgende gegevens zijn ontleend aan de resultatenrekening van een dienstencentrum van het type "call-center", dat zich beperkt tot enerzijds werkzaamheden die van voorbereidende aard zijn of het karakter van hulpwerkzaamheden hebben (zie nr. 8), en anderzijds activiteiten die op een passieve wijze bijdragen tot verkoopverrichtingen (zie nr. 10): 70. Omzet : 146.600.000 75. Financiële opbrengsten : 350.000 ----------- Totaal van de opbrengsten : 146.950.000 60. Verbruikte aankopen : 300.000 61. Diensten en diverse goederen : 55.000.000 62. Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : 85.000.000 63. Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten : 1.500.000 64. Andere bedrijfskosten : 450.000 65. Financiële kosten : 150.000 67. Belastingen op het resultaat (Ven.B) : 1.600.000 ----------- Totaal van de kosten : 144.000.000 TE BESTEMMEN WINST VAN HET BOEKJAAR 2.950.000 Het omzetcijfer bedraagt in het onderhavige geval 146.600.000 F. De bedrijfskosten (rekeningen 60 tot 64, MAR) bedragen 142.250.000 F (zijnde 300.000 F aankopen, 55.000.000 F diensten en diverse goederen, 85.000.000 F bezoldigingen, 1.500.000 F afschrijvingen en 450.000 F andere bedrijfskosten) en omvatten :

  • telecommunicatiekosten (begrepen in post 61) door derden aan het dienstencentrum gefactureerd tegen een normale prijs : 35.000.000 F;
  • diverse verworpen uitgaven (eveneens begrepen in post 61) ten bedrage van 100.000 F;
  • een voorziening (begrepen in post 63) van 60.000 F, waarvan 10.000 F als reserve te belasten is.


Het resultaat wordt als volgt verwerkt : - wettelijke reserve : 150.000 - over te dragen winst : 2.700.000 - dividenden : 100.000 --------- - totaal : 2.950.000 De in beginsel belastbare winst (vóór aftrek van de vrijgestelde en de niet belastbare bestanddelen) moet als volgt worden vastgesteld : - gereserveerde winst : - wettelijke reserve : 150.000 - over te dragen winst : 2.700.000 - belastbare voorziening : 10.000 --------- TOTAAL : 2.860.000 - verworpen uitgaven (V.U.) - Ven.B : 1.600.000 - andere V.U. : 100.000 --------- TOTAAL : 1.700.000 - uitgekeerde dividenden : 100.000 --------- - in beginsel belastbare winst : 4.660.000 28. Rekening houdend met de werkelijk door het dienstencentrum uitgeoefende activiteiten werd de in nr. 18 bedoelde coëfficiënt op 9 % vastgesteld. Derhalve mag het omzetcijfer in geen geval minder bedragen dan het totaal van de volgende bedragen :

"COST PLUS"-METHODE a) Doorrekening tegen 100 % - Telecommunicatiekosten (begrepen in post 61) : 35.000.000 - Personeelskosten (post 62) : 85.000.000 ---------- TOTAAL : 120.000.000 b) Doorrekening tegen 109 % - Kosten (posten 60 tot 64, MAR) : 142.250.000 - Reeds onder a) bedoelde kosten : - 120.000.000 - V.U. (begrepen in post 61) : - 100.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : - 10.000 ----------- TOTAAL : 22.140.000 - Vaststelling van de winstmarge : (109 % van 22.140.000) = 24.132.600 MINIMUM OMZETCIJFER : 120.000.000 + 24.132.600 = 144.132.600 Aangezien dit bedrag van 144.132.600 F lager is dan hetgeen uit de boekhouding van het centrum blijkt (146.600.000 F), moet geen rechtzetting van de belastbare winst worden verricht.

Wanneer het boekhoudkundige omzetcijfer daarentegen lager zou zijn geweest dan het referentiebedrag (144.132.600 F), zou het verschil tussen de twee bedragen een abnormaal of goedgunstig voordeel hebben gevormd dat :

  • in geval dat voordeel zou toegekend zijn aan een buitenlandse vennootschap van de groep, op grond van art. 26, WIB 92, onder de verworpen uitgaven van het dienstencentrum moet worden opgenomen;
  • in aanmerking moet worden genomen voor de toepassing van de art. 79 en 207, tweede lid, WIB 92, indien een binnenlandse vennootschap het voordeel zou hebben genoten.


Voorbeeld 2

29. Een dienstencentrum werd opgericht om uitsluitend een activiteit uit te oefenen als tussenpersoon bij de verkoop van door bepaalde (in het buitenland gevestigde) vennootschappen van de groep aangeboden diensten, in zijn eigen naam maar voor hun rekening (activiteit bedoeld in nr. 11). Bovendien blijkt ondermeer dat de tussen het centrum en de ermee verbonden vennootschappen gesloten commerciële overeenkomsten een clausule bevatten inzake de overdracht van het ondernemingsrisico naar de opdrachtgevers.

Op het einde van het boekjaar zijn inzonderheid de volgende kosten in de resultatenrekening van het centrum opgenomen :

  • telecommunicatiekosten (begrepen in post 61) door derden aan het dienstencentrum gefactureerd tegen een normale prijs voor een bedrag van 35.000.000 F;
  • diverse verworpen uitgaven (eveneens begrepen in post 61) ten bedrage van 500.000 F;
  • een voorziening (begrepen in post 63) van 600.000 F, waarvan 100.000 F als reserve te belasten is.


Gelet op wat voorafgaat en in de veronderstelling dat, rekening houdend met het door het centrum gedragen risico, het in nr. 23 bedoelde percentage op 1,5 % mag worden vastgesteld, kunnen meerdere hypotheses in aanmerking worden genomen.

Hypothese 1 :

30. Er wordt vastgesteld dat door bemiddeling van het centrum een omzetcijfer van 2.000.000.000 F werd verwezenlijkt op het niveau van het geheel van vennootschappen van de groep. Het centrum heeft het bedrag van de voor rekening van de vennootschappen van de groep verkochte diensten als opbrengsten geboekt en draagt aan deze laatsten een bedrag over dat overeenstemt met het verschil tussen het door zijn tussenkomst behaalde omzetcijfer en de vergoeding voor zijn prestatie.

De totale kosten van het centrum bedragen 2.100.000.000 F, waarin begrepen 2.050.000.000 F bedrijfskosten, die 1.980.000.000 F aankopen bestemd voor de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep (begrepen in post 60) omvatten.

Vooreerst is het aangewezen te onderzoeken wat de belangrijkheid is van de wederafstand van het omzetcijfer aan de vennootschappen van de groep : Werkelijke vergoeding : (2.000.000.000 - 1.980.000.000) = 20.000.000 Minimale vergoeding : (2.000.000.000 x 1,5 %) = 30.000.000 ---------- NEGATIEF VERSCHIL 10.000.000 Hieruit volgt dat het door het dienstencentrum ten laste genomen bedrag van de aankopen bestemd voor de vennootschappen van de groep de in toepassing van nr. 23 vastgestelde referentiewaarde met 10.000.000 F overtreft.

Vervolgens moet de grootte van het omzetcijfer worden vergeleken met de in nr. 24 bedoelde grens, met name het totaal van de onder de rekeningen 60 tot 64 opgenomen kosten, met uitsluiting van de V.U. en de belastbare reserves : BOEKHOUDKUNDIG OMZETCIJFER verwezenlijkt op het niveau van de vennootschappen van de groep door de tussenkomst van het centrum tegen een vergoeding : 2.000.000.000 MINIMUM OMZETCIJFER: - Totale kosten 60 tot 64, MAR : 2.050.000.000 - V.U. (begrepen in post 61) : - 500.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : 100.000 ------------- Totaal : 2.049.400.000 Aldus wordt een negatief verschil bekomen tussen het boekhoudkundig omzetcijfer en het minimum omzetcijfer ten bedrage van (2.000.000.000 - 2.049.400.000 =) 49.400.000 F.

Aangezien het vastgestelde tekort ingevolge de toepassing van het tarief van de minimale winstmarge (10.000.000 F) lager is dan het tekort dat voortvloeit uit de vergelijking van het boekhoudkundig omzetcijfer met het totaal van de bedrijfskosten (49.400.000 F), zal het bedrag van 49.400.000 F als V.U. in de belastbare basis moeten worden opgenomen.

Hypothese 2:

31. Zelfde gegevens als in hypothese 1 (zie nr. 30) met dit verschil dat het centrum een totaal bedrag aan kosten van 1.998.000.000 F heeft geboekt, waarin begrepen 1.994.500.000 F bedrijfskosten, die 1.970.000.000 F aankopen bestemd voor de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep (begrepen in post 60) omvatten.

Uit het onderzoek van de belangrijkheid van de wederafstand van het omzetcijfer aan de vennootschappen van de groep blijkt het volgende : Werkelijke vergoeding : (2.000.000.000 - 1.970.000.000) = 30.000.000 Minimale vergoeding : (2.000.000.000 x 1,5 %) = 30.000.000 ---------- VERSCHIL : 0 Vervolgens moet het boekhoudkundig omzetcijfer worden vergeleken met het totaal van de bedrijfskosten, waarvan de V.U. en de belastbare reserves zijn afgetrokken : BOEKHOUDKUNDIG OMZETCIJFER verwezenlijkt op het niveau van de vennootschappen van de groep door de tussenkomst van het centrum tegen een vergoeding : 2.000.000.000 MINIMUM OMZETCIJFER - Totale kosten 60 tot 64, MAR : 1.994.500.000 - V.U. (begrepen in post 61) : - 500.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : - 100.000 ------------- Totaal : 1.993.900.000 Aldus wordt een positief verschil bekomen tussen het boekhoudkundig omzetcijfer en het minimum omzetcijfer ten bedrage van (2.000.000.000 - 1.993.900.000 =) 6.100.000 F.

In dat geval zijn de bepalingen van art. 26, WIB 92, niet van toepassing aangezien :

  • enerzijds het bedrag van de aankopen bestemd voor de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep overeenstemt met de in toepassing van nr. 23 vastgestelde waarde;
  • en anderzijds het boekhoudkundig omzetcijfer in ruime mate de gedragen bedrijfskosten compenseert.


Hypothese 3 :

32. Zelfde gegevens als in hypothese 1 (zie nr. 30) met dit verschil dat het totaal van de door het centrum gedragen kosten 2.035.250.000 F bedraagt, waarin begrepen 2.003.000.000 F bedrijfskosten, die 1.975.000.000 F aankopen bestemd voor de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep omvatten.

Uit het onderzoek van de belangrijkheid van de wederafstand van het omzetcijfer aan de vennootschappen van de groep en van de voldoende dekking van de bedrijfskosten blijkt het volgende : Werkelijke vergoeding : (2.000.000.000 - 1.975.000.000) = 25.000.000 Minimale vergoeding : (2.000.000.000 x 1,5 %) = 30.000.000 ---------- NEGATIEF VERSCHIL : 5.000.000 BOEKHOUDKUNDIG OMZETCIJFER verwezenlijkt op het niveau van de vennootschappen van de groep door de tussenkomst van het centrum tegen een vergoeding : 2.000.000.000 MINIMUM OMZETCIJFER : - Totale kosten 60 tot 64, MAR : 2.003.000.000 - V.U. (begrepen in post 61) : - 500.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : - 100.000 ------------- Totaal : 2.002.400.000 Aldus wordt eveneens een negatief verschil bekomen tussen het boekhoudkundig omzetcijfer en het minimum omzetcijfer ten bedrage van (2.000.000.000 - 2.002.400.000 =) 2.400.000 F.

Derhalve zal een bedrag van 5.000.000 F als een abnormaal of goedgunstig voordeel, bedoeld in art. 26, WIB 92, onder de V.U. aan de belastbare basis worden toegevoegd.

Hypothese 4:

33. Ook hier is door bemiddeling van het centrum een omzetcijfer van 2.000.000.000 F verwezenlijkt op het niveau van het geheel van de vennootschappen van de groep.

Evenwel is in dit geval het omzetcijfer dat via het centrum is behaald op het niveau van de vennootschappen van de groep niet langs de resultatenrekening van het centrum zelf verlopen. Derhalve werd enkel de vergoeding voor de tussenkomst van het centrum, in onderhevig geval 30.000.000 F, als omzetcijfer geboekt. Bovendien bedragen de door het centrum geboekte bedrijfskosten 42.250.000 F.

De minimale vergoeding aan het centrum voor zijn tussenkomst in de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep bedraagt 30.000.000 F (1,5 % van 2.000.000.000 F). Dat bedrag stemt overeen met de door het centrum geboekte omzetcijfer.

Uit de controle van de tweede grens betreffende de dekking van de bedrijfskosten blijkt evenwel het volgende :

BOEKHOUDKUNDIG OMZETCIJFER : 30.000.000 MINIMUM OMZETCIJFER : - Totale kosten 60 tot 64, MAR : 42.250.000 - V.U. (begrepen in post 61 ) : - 500.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : - 100.000 ---------- Totaal : 41.650.000 Het negatieve verschil tussen het boekhoudkundig omzetcijfer en het minimum omzetcijfer, dat (30.000.000 - 41.650.000 =) 11.650.000 F bedraagt, moet onder de V.U. worden opgenomen.

Voorbeeld 3

34. De volgende gegevens zijn ontleend aan de resultatenrekening van een dienstencentrum van het type "call-center", dat tegelijkertijd een activiteit inzake informatieverstrekking aan klanten (zie nr. 9) en een activiteit van actieve tussenkomst in de verkopen (zie nr. 11) verricht: 70. Omzet : 2.146.600.000 75. Financiële opbrengsten : 350.000 ------------- Totaal van de opbrengsten : 2.146.950.000 60. Verbruikte aankopen : 300.000 Aankopen bestemd voor de verkoop voor rekening van de vennootschappen van de groep : 1.940.000.000 61. Diensten en diverse goederen : 55.000.000 62. Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen : 85.000.000 63. Afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen voor risico's en kosten : 1.500.000 64. Andere bedrijfskosten : 450.000 65. Financiële kosten : 150.000 67. Belastingen op het resultaat (Ven.B) : 25.820.000 ------------- Totaal van de kosten : 2.108.220.000 TE BESTEMMEN WINST VAN HET BOEKJAAR 38.730.000 Het omzetcijfer bedraagt in het onderhavige geval 2.146.600.000 F, waarvan een bedrag van 2.000.000.000 F overeenstemt met het door de bemiddeling van het centrum behaalde omzetcijfer op het niveau van het geheel van de vennootschappen van de groep.

De bedrijfskosten (posten 60 tot 64, MAR) bedragen 2.082.250.000 F en omvatten :

  • telecommunicatiekosten (begrepen in post 61) door derden aan het dienstencentrum gefactureerd tegen een normale prijs : 35.000.000 F;
  • diverse verworpen uitgaven (eveneens begrepen in post 61) ten bedrage van 1.000.000 F;
  • een voorziening (begrepen in post 63) van 600.000 F, waarvan 100.000 F als reserve te belasten is.


Het resultaat wordt als volgt verwerkt : - wettelijke reserve : 2.000.000 - over te dragen winst : 31.730.000 - dividenden : 5.000.000 ---------- - totaal : 38.730.000 De in beginsel belastbare winst (vóór aftrek van de vrijgestelde en de niet belastbare bestanddelen) moet als volgt worden vastgesteld : - gereserveerde winst : - wettelijke reserve : 2.000.000 - over te dragen winst : 31.730.000 - belastbare voorziening : 100.000 ---------- TOTAAL : 33.830.000 - verworpen uitgaven (V.U.) : - Ven.B : 25.820.000 - andere V.U. : 1.000.000 ---------- TOTAAL : 26.820.000 - uitgekeerde dividenden : 5.000.000 ---------- - in beginsel belastbare winst : 65.650.000 35. De uitsplitsing van de werkingskosten in functie van de activiteiten waarop ze betrekking hebben heeft tot gevolg dat kan worden beschouwd dat 30 % van deze kosten toe te rekenen zijn aan de activiteit inzake informatieverstrekking aan klanten (zie nr. 9) en 70 % aan de activiteit van actieve tussenkomst in de verkopen (zie nr. 11). De in de nrs. 18 ("Cost plus") en 23 ("Resale minus") bedoelde percentages werden respectievelijk op 10 % en 3 % bepaald. Derhalve mag het omzetcijfer niet minder bedragen dan het totaal van de volgende bedragen :

"COST PLUS"-METHODE

a) Doorrekening tegen 100 % - Telecommunicatiekosten (begrepen in post 61) : 35.000.000 - Personeelskosten (post 62) : 85.000.000 ----------- TOTAAL: 120.000.000 - gedeelte dat betrekking heeft op de activiteit inzake informatieverstrekking : (30 % van 120.000.000) : 36.000.000 b) Doorrekening tegen 110 % - Kosten (posten 60 tot 64, MAR) : 2.082.250.000 - Reeds onder a) begrepen kosten : - 120.000.000 - Aankopen bestemd voor de groep (begrepen in post 60) : - 1.940.000.000 - V.U. (begrepen in post 61) : - 1.000.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : - 100.000 ------------- TOTAAL : 21.150.000 - Winstmarge toegepast op het gedeelte van de andere werkingskosten betreffende de activiteit inzake informatieverstrekking : 21.150.000 x 30 % = 6.345.000 6.345.000 x 110 % = 6.979.500 "RESALE MINUS"-METHODE: 2.000.000.000 36. Het bedrag van het omzetcijfer dat opnieuw aan de vennootschappen van de groep werd afgestaan mag niet meer bedragen dan :
[2.000.000.000 F - (2.000.000.000 F x 3 %)] = 1.940.000.000 F.

Bovendien moet het gedeelte van het omzetcijfer betreffende de activiteiten onderworpen aan het "Resale minus"-stelsel (2.000.000.000 F) ten minste gelijk zijn aan het volgende bedrag :

Totaal van de kosten 60 tot 64, MAR : 2.082.250.000 - V.U. (begrepen in post 61) : - 1.000.000 - Belastbare voorziening (begrepen in post 63) : - 100.000 - Gedeelte betreffende de activiteiten onderworpen aan het stelsel van de "Cost plus" : (36.000.000 + 6.345.000 =) - 42.345.000 ------------- VERSCHIL : 2.038.805.000 Het tekort op dit niveau bedraagt 38.805.000 F (2.038.805.000 F - 2.000.000.000 F) en beïnvloedt op een positieve wijze het minimum omzetcijfer dat (36.000.000 F + 6.979.500 F + 2.038.805.000 F =) 2.081.784.500 F moet bedragen.

Aangezien dit bedrag van 2.081.784.500 F lager is dan hetgeen uit de boekhouding van het centrum blijkt (2.146.600.000 F), moet geen rechtzetting van de belastbare winst worden verricht.



B.Dienstencentra onderworpen aan de BNI/ven.
37. Het hiervoor beschreven bijzondere aanslagstelsel ten voordele van de dienstencentra onderworpen aan de Ven.B is, met bepaalde aanpassingen (ondermeer door in voorkomend geval rekening te houden met de overeenkomsten tot voorkoming van dubbele belasting), eveneens van toepassing op de dienstencentra die zijn opgericht in de vorm van Belgische inrichtingen van buitenlandse vennootschappen.



V.TOE TE PASSEN BELASTINGTARIEF
38. De gewone regels (basistarief, vermeerderingen ingeval geen of ontoereikende voorafbetalingen zijn gedaan, bijzondere afzonderlijke aanslag op niet verantwoorde kosten, enz.) zijn strikt van toepassing.



VI.TOEPASSINGSMODALITEITEN
39. De belastingplichtigen die het hierboven beschreven stelsel wensen te genieten moeten, ofwel vóór de oprichting van het dienstencentrum, ofwel tijdens het boekjaar voorafgaand aan datgene waarvoor het geïnteresseerde centrum voor de eerste maal dat stelsel wenst te genieten, een aanvraag indienen.

40. Die aanvraag, waarin inzonderheid de zetel van de (op te richten) vennootschap of inrichting, zomede alle nuttige beoordelingselementen m.b.t. de uit te voeren activiteiten dienen vermeld te zijn, alsmede in voorkomend geval een afschrift van de tussen het dienstencentrum en de vennootschappen van de groep gesloten commerciële overeenkomsten en een nauwkeurige toelichting wat betreft de aard en de omvang van de door het dienstencentrum gedragen commerciële risico's (zie dienaangaande inzonderheid nr. 12), moeten aan het volgende adres worden toegezonden : Hoofdbestuur der directe belastingen Directie II/1 Financietoren Kruidtuinlaan 50, bus 32 1010 BRUSSEL Tel. : +32(0)2/210.22.11 Fax : +32(0)2/210.41.18 41. De beslissing die de belastingplichtige toelaat het bijzondere aanslagstelsel te genieten en waarin de toe te passen percentages inzake de vaststelling van de minimumvergoeding worden vermeld (zie nrs. 18 en 23) is geldig voor een periode van 5 jaar, tenzij de belastingplichtige andere dan de toegelaten activiteiten uitoefent of de exploitatievoorwaarden zodanig wijzigt dat hierdoor de belangrijkheid van de toegelaten activiteiten worden beïnvloed.

42. De in nr. 41 bedoelde periode van 5 jaar is verlengbaar, voor zover het betrokken dienstencentrum hiertoe tijdig een schriftelijke aanvraag indient bij de dienst van de administratie waarvan het adres in nr. 40 is vermeld.

NAMENS DE MINISTER :
De Directeur-generaal,


J.C. TILLIET