Circulaire 2019/C/33 betreffende de automatisering van de uitvoerbare titel inzake btw

De wet van 26 november 2018 wijzigt het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (verder WBTW) voor wat betreft de vestiging van de uitvoerbare titel in geval van niet-betaling van btw-schulden: de administratieve dwangbevelen inzake btw worden vervangen door een innings- en invorderingsregister

Uitvoerbare titel; innings- en invorderingsregister; dwangbevel; uitvoering; vervolgingen; verjaring; stuiting; schorsing; aanmaning tot betaling; aangetekende brief; voorrecht; wettelijke hypotheek; bewarend beslag; nalatigheidsinteresten; moratoriuminteresten

FOD Financiën, 25.04.2019

Algemene Administratie van de Inning en de Invordering

I.Doelstelling van de wet

II.Het innings- en invorderingsregister, nieuwe uitvoerbare titel btw

Voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld

Opname van de btw-schulden in een innings- en invorderingsregister in geval van niet-betaling

Verzending van een innings- en invorderingsbericht

Uitvoerbare kracht van het innings- en invorderingsregister ten aanzien van de medeschuldenaars

III.Verjaring van de in een innings- en invorderingsregister opgenomen btw-schuld

Uitstel van de verjaring van 5 jaar te rekenen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister

Stuiting van de verjaring door verzending per aangetekende brief van een aanmaning tot betaling

IV.Aanpassing van de invorderingsprocedures en de procedures tot administratief bewarend beslag

Algemeen voorrecht en wettelijke hypotheek

Uitvoering van de vervolgingen door een gerechtsdeurwaarder

Bewarende of waarborgmaatregelen voor de betwiste btw-schuld

Nalatigheidsinteresten en moratoriuminteresten

Administratief bewarend beslag (art. 52bis WBTW)

V.Inwerkingtreding en overgangsmaatregel

I.Doelstelling van de wet

Met het oog op de harmonisering van de invorderingsprocessen van de fiscale schulden, wijzigt de wet van 26 november 2018[1] het WBTW teneinde de individuele administratieve dwangbevelen inzake btw te vervangen door een algemene uitvoerbare titel – een “innings- en invorderingsregister” – die periodiek en op een geautomatiseerde wijze wordt opgemaakt, zoals het kohier inzake de inkomstenbelastingen.

Daarnaast harmoniseert deze wet eveneens de regels inzake de btw-interesten om ze te doen aansluiten bij deze met betrekking tot de interesten inzake inkomstenbelastingen.

Uit zorg voor administratieve vereenvoudiging, zijn nog recente wijzigingen[2] aangebracht aan artikel 85 van het WBTW inzake de kennisgeving van de verantwoording van btw-schulden. Deze wijzigingen zijn al in deze circulaire geïntegreerd omdat ze op dezelfde datum in werking treden als de wet van 26 november 2018.

De aanpassingen aan de koninklijke besluiten nrs. 4, 15, 24, 31, 41 en 56 tot uitvoering van het WBTW zijn louter technisch en worden daarom hieronder niet besproken[3].

II.Het innings- en invorderingsregister, nieuwe uitvoerbare titel btw

Voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld

Aangezien het innings- en invorderingsregister op geautomatiseerde wijze wordt opgemaakt en slechts een beperkte inhoud heeft, moet de administratie aan de belastingschuldige de verantwoording van de btw-schuld ter kennis brengen, op eender welk ogenblik maar ten laatste een maand voordat de btw-schuld in een innings- en invorderingsregister wordt opgenomen[4]. De datum van kennisgeving is de derde werkdag volgend op de datum waarop de verantwoording van de btw-schuld werd afgegeven aan de aanbieder van de universele postdienst[5].

De minimumtermijn van een maand is evenwel niet van toepassing wanneer de rechten van de Schatkist in het gedrang komen (b.v. nakende verjaring, geschokt krediet van de belastingschuldige, staking van betaling, aanstaand vertrek naar het buitenland, faillissement, enz.). In dat geval moet de kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld gebeuren ten laatste op het ogenblik van haar opname in een innings- en invorderingsregister.

Wanneer de belastingschuldige, natuurlijke persoon, geen gekende woonplaats (meer) heeft in België of in het buitenland, wordt de verantwoording van de btw-schuld verzonden naar de Procureur des Konings te Brussel.

Bovendien zal de verantwoording van de btw-schuld, mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige en volgens de door de Koning te bepalen toepassingsmodaliteiten, hem ter kennis kunnen worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval zal de terbeschikkingstelling op elektronische wijze gelden als geldige kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld.

De kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld gebeurt in het kader van de uitdrukkelijke motivering van het innings- en invorderingsregister en bestaat uit de kennisgeving aan de belastingschuldige van de overwegingen in rechte en in feite – met name het voorwerp en de grondslag – van de in het innings- en invorderingsregister opgenomen btw-schuld.

Zoals onder het stelsel van het administratief dwangbevel inzake btw, kunnen deze overwegingen in rechte en in feite (de verantwoording) van de btw-schuld worden opgenomen hetzij in een bijzondere rekening, hetzij in een proces-verbaal, hetzij in elk ander document, zoals een regularisatie-opgave, waarmee de ambtenaren van de administratie die bevoegd is voor de belasting over de toegevoegde waarde (taxatiediensten) aan de belastingschuldigen het bestaan van een btw-schuld meedelen.

De administratie is echter vrijgesteld van de verzending van de verantwoording van de btw-schuld wanneer de schuld in hoofdsom (de belasting) voortvloeit uit de aangifte van de belastingplichtige, ongeacht of het gaat om een periodieke of een bijzondere aangifte, in elektronische of papieren vorm, of wanneer de belastingplichtige zelf de belastingschuld in hoofdsom heeft erkend. In dat geval geldt de aangifte of de schulderkenning als kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld niet enkel voor de belasting in hoofdsom, maar ook voor de nalatigheidsinteresten, de toebehoren en de proportionele fiscale geldboeten, die ermee samenhangen[6].

Tenslotte is de verplichting tot voorafgaande kennisgeving van de verantwoording van de btw-schuld niet van toepassing in geval van een ambtelijke aanslag. Artikel 67, tweede lid WBTW en artikel 1 van het KB nr. 9 van 12 maart 1970 met betrekking tot de ambtelijke aanslag inzake btw voorzien reeds in de kennisgeving van het bedrag en de verantwoording van de belasting een maand voor de ambtelijke aanslag.

Opname van de btw-schulden in een innings- en invorderingsregister in geval van niet-betaling

In geval van niet-betaling van een btw-schuld, wordt deze voortaan opgenomen in een innings- en invorderingsregister, dat - in de plaats van het administratief dwangbevel inzake btw – de uitvoerbare titel vormt voor de invordering van de btw-schuld en deze concretiseert[7].

In tegenstelling tot het dwangbevel inzake btw, dat een individuele uitvoerbare titel is, is een innings- en invorderingsregister evenwel een algemene lijst die periodiek en op een geautomatiseerde wijze wordt opgemaakt en die de btw-schulden van verschillende belastingschuldigen bevat, zelfs al verhindert niets dat een innings- en invorderingsregister, in bepaalde gevallen, slechts een enkele btw-schuld bevat.

Hoewel de innings- en invorderingsregisters inzake btw in principe op een geautomatiseerde wijze worden opgemaakt, is er geen enkele wettelijke bepaling die verbiedt dat een dergelijk register, in bijzondere omstandigheden, manueel zou worden opgemaakt, zoals dit ook kan voorkomen met het kohier inzake inkomstenbelastingen.

De innings- en invorderingsregisters:

-kunnen het voorwerp uitmaken van verbeteringen (verbeterende innings- en invorderingsregisters) wanneer de in het register opgenomen bedragen moeten worden herzien (b.v. in geval van materiële vergissingen bij het opmaken van het innings- en invorderingsregister)[8];

-worden opgemaakt en uitvoerbaar verklaard door de administrateur-generaal van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde (taxatiediensten) of door de door hem gedelegeerde ambtenaar[9].

Verzending van een innings- en invorderingsbericht

De belastingschuldige wordt in kennis gesteld van de opname van de btw-schuld in een innings- en invorderingsregister – dat wil zeggen in een uitvoerbare titel met het oog op de invordering van zijn schuld – door de verzending van een innings- en invorderingsbericht[10]. Dit bericht, dat hem per gewone brief wordt verzonden, herneemt met name:

-zijn identificatiegegevens;

-het bedrag van zijn btw-schuld, zijnde de belasting, geldboeten, interesten, en toebehoren, zoals deze is opgenomen in het innings- en invorderingsregister;

-de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister.

In regel wordt eveneens een uitnodiging tot betaling van de verschuldigde sommen gehecht aan het innings- en invorderingsbericht.

In navolging van de verantwoording van de btw-schuld, zal het innings- en invorderingsbericht, mits de uitdrukkelijke toestemming van de belastingschuldige en volgens door de Koning te bepalen toepassingsmodaliteiten, hem ter kennis kunnen worden gebracht op elektronische wijze. In dat geval zal de terbeschikkingstelling op elektronische wijze gelden als geldige verzending van het innings- en invorderingsbericht.

Uitvoerbare kracht van het innings- en invorderingsregister ten aanzien van de medeschuldenaars

Net als het kohier inzake inkomstenbelastingen[11], is het innings- en invorderingsregister niet enkel uitvoerbaar tegenover de persoon die er met naam is in opgenomen (de hoofdschuldenaar), maar ook tegenover de personen die er niet zijn in aangeduid in de mate dat zij gehouden zijn tot de betaling van de btw-schuld (of van een deel ervan) op grond van het WBTW en van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht[12] (de medeschuldenaars).

Kunnen bijvoorbeeld de hoedanigheid van medeschuldenaar hebben:

-de medecontractant van de belastingschuldige van de belasting in toepassing van artikel 51bis, § 1 WBTW;

-de leden van een btw-eenheid in toepassing van artikel 51ter WBTW;

-de aansprakelijke vertegenwoordiger in toepassing van artikel 55, § 4 WBTW;

-de daders of medeplichtigen van misdrijven in toepassing van artikel 73sexies WBTW;

-de overdrager van een geheel van goederen in toepassing van artikel 93undecies B, § 2 WBTW;

-de vennoot van een coöperatieve vennootschap met onbeperkte aansprakelijkheid in toepassing van artikel 352 van het Wetboek van vennootschappen.

De ontvanger kan dus op basis van het op naam van de hoofdschuldenaar opgemaakte innings- en invorderingsregister vervolgingen instellen ten laste van een medeschuldenaar. Het gaat enkel om een mogelijkheid voor de ontvanger: de administratie kan de btw-schuld (of van een deel ervan) eveneens opnemen in een innings- en invorderingsregister op naam van de medeschuldenaar zelf.

Wanneer de vervolgingen zijn gebaseerd op een op naam van de hoofdschuldenaar opgemaakt innings- en invorderingsregister, kan de btw-schuld (of van een deel ervan) evenwel maar worden ingevorderd door middelen van tenuitvoerlegging ten laste van de medeschuldenaar na het verstrijken van een termijn van één maand vanaf de 3de werkdag volgend op de datum van de verzending aan de medeschuldenaar van een aanmaning tot betaling die een afschrift bevat van het innings- en invorderingsbericht, de wettelijke of reglementaire gronden en het bedrag van de schuld te zijnen laste[13]. Deze wachttermijn van een maand is niet van toepassing in gevallen waarin de rechten van de Schatkist in het gedrang komen (b.v. nakende verjaring, geschokt krediet van de medeschuldenaar, aanstaand vertrek naar het buitenland, enz.).

Omwille van wettelijke of reglementaire redenen, moet de wettelijke of reglementaire grond op basis waarvan de medeschuldenaar gehouden is tot de betaling van het geheel of een deel van de btw-schuld van de hoofdschuldenaar en de grondslag van deze btw-schuld worden meegedeeld. Over het algemeen wordt daarom een kopie van de verantwoording van de btw-schuld gehecht aan de aanmaning tot betaling.

Deze aanmaning tot betaling wordt per gewone brief verzonden aan de medeschuldenaar. Wanneer de medeschuldenaar, natuurlijke persoon, geen gekende woonplaats (meer) heeft in België of in het buitenland, wordt de aanmaning tot betaling verzonden naar de Procureur des Konings te Brussel.

Deze aanmaning tot betaling is slechts vereist voor het overgaan tot middelen van gedwongen tenuitvoerlegging zoals voorzien in het Vijfde deel, Titel III van het Gerechtelijk Wetboek (gemeenrechtelijke uitvoerende beslagen met inbegrip van het voorafgaand bevel tot betalen) en het vereenvoudigd derdenbeslag bedoeld in artikel 85bis WBTW[14].

De administratie moet deze aanmaning dus niet verzenden aan de medeschuldenaar om lastens hem over te gaan tot andere middelen om de betaling te verkrijgen of om de invordering van de btw-schuld te waarborgen, zoals bijvoorbeeld de aanwending van terug te geven of te betalen sommen zoals bedoeld in artikel 334 van de programmawet van 27 december 2004, de inschrijving van de wettelijke hypotheek, of nog een bewarend beslag volgens het Gerechtelijk Wetboek.

III.Verjaring van de in een innings- en invorderingsregister opgenomen btw-schuld

Uitstel van de verjaring van 5 jaar te rekenen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister

Wanneer de btw-schuld wordt opgenomen in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister, is de verjaring van de vordering tot voldoening van deze schuld voortaan slechts verkregen na het verstrijken van een termijn van vijf jaar vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister[15].

Het gaat dus om een uitstel van het verstrijken van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn zoals bepaald door artikel 81bis WBTW[16]. Wanneer een btw-schuld dus bijvoorbeeld oorspronkelijk verjaart op 31 december 2020 maar is opgenomen in innings- en invorderingsregister uitvoerbaar verklaard op 10 juni 2019, is de verjaring van deze btw-schuld verkregen op 10 juni 2024.

Het uitstel van het verstrijken van de verjaringstermijn van de btw-schuld vindt dus plaats op de dag waarop het innings- en invorderingsregister, waarin zij is opgenomen, uitvoerbaar wordt verklaard, ongeacht de datum waarop het innings- en invorderingsbericht is verzonden aan de belastingschuldige.

Dit uitstel van het verstrijken van de verjaringstermijn:

-vindt slechts plaats voor zover de opname van de btw-schuld in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister gebeurt voor het verstrijken van de (oorspronkelijke) verjaringstermijn van deze schuld16. Een btw-schuld die reeds verjaard zal zijn op het ogenblik van haar opname in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister zal dus verjaard blijven;

-vormt geen beletsel dat deze verjaringstermijn van 5 jaar te rekenen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister eveneens zou worden gestuit of geschorst overeenkomstig artikel 83 WBTW.

Stuiting van de verjaring door verzending per aangetekende brief van een aanmaning tot betaling

De kennisgeving, bij aangetekende brief, van een aanmaning tot betaling van de in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister opgenomen btw-schuld, samen met een afschrift van het innings- en invorderingsbericht, stuit de verjaring van de invordering van deze schuld[17]. Deze kennisgeving maakt het voor de ontvanger mogelijk om de verjaringstermijn te stuiten bij het naderen van het einde van de verjaringstermijn, waarbij eveneens de gerechtskosten worden beperkt in het belang van de belastingschuldige.

De afgifte van het stuk aan de post (huidige aanbieder van de universele postdienst) geldt als kennisgeving vanaf de 3de daaropvolgende werkdag.

Deze kennisgeving wordt verzonden bij aangetekende brief aan de in België of in het buitenland gevestigde bestemmeling.

Wanneer de bestemmeling, natuurlijke persoon, geen gekende woonplaats (meer) heeft in België of in het buitenland, wordt de kennisgeving per aangetekende brief verzonden naar de Procureur des Konings te Brussel.

IV.Aanpassing van de invorderingsprocedures en de procedures tot administratief bewarend beslag

Algemeen voorrecht en wettelijke hypotheek

Rekening houdend met de draagwijdte van de uitvoerbare kracht van het innings- en invorderingsregister, beschikt de administratie over een algemeen voorrecht en een wettelijke hypotheek ten overstaan van de belastingschuldigen van de btw-schuld, met inbegrip van iedere persoon die niet is opgenomen in een innings- en invorderingsregister, maar die gehouden is tot de betaling van de schuld op grond van het WBTW en van de besluiten genomen ter uitvoering ervan of van het gemeen recht[18]. Zoals onder het stelsel van het administratief dwangbevel inzake btw[19], doet het er niet toe of het om een belastingschuldige als hoofdschuldenaar gaat of om een belastingschuldige als medeschuldenaar.

Voor wat betreft de inschrijving van de wettelijke hypotheek, kan de ontvanger– en niet langer de Minister van financiën of zijn gedelegeerde – deze voortaan vorderen vanaf de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister, op voorlegging van een afschrift van het innings- en invorderingsbericht[20].

Uitvoering van de vervolgingen door een gerechtsdeurwaarder

Voor uitvoering van de maatregelen van gedwongen tenuitvoerlegging van het Gerechtelijk Wetboek (gemeenrechtelijke uitvoerende beslagen met inbegrip van het voorafgaand bevel tot betalen), overhandigt de ontvanger aan de gerechtsdeurwaarder een afschrift van het innings- en invorderingsbericht[21].

De overhandiging van dit document aan de gerechtsdeurwaarder is voortaan het dwingend mandaat dat hem wordt gegeven om de uitvoerbare titel uit te voeren, en de basis van de middelen tot gedwongen tenuitvoerlegging.

Bovendien kan, zoals voor het administratief dwangbevel inzake btw, de tenuitvoerlegging van het innings- en invorderingsregister maar worden gestuit door een vordering in rechte[22].

Bewarende of waarborgmaatregelen voor de betwiste btw-schuld

Zoals het ter kennis gebrachte of betekende dwangbevel inzake btw dit tot op heden mogelijk maakt, kan de ontvanger, ingeval van een vordering in rechte, op basis van een afschrift van het innings- en invorderingsbericht overgaan tot het nemen van bewarende maatregelen of alle andere maatregelen die ertoe strekken de invordering van de betwiste btw-schuld te waarborgen (b.v. inschrijving van de wettelijke hypotheek)[23].

De ontvanger moet dus geen voorafgaandelijke toelating vragen aan de beslagrechter om voor de betwiste btw-schuld via een gerechtsdeurwaarder over te gaan tot een bewarend beslag, ongeacht de vorm. Het bewarend beslag moet vanzelfsprekend voldoen aan alle vereiste voorwaarden voor bewarend beslag[24].

Nalatigheidsinteresten en moratoriuminteresten

Er worden verschillende wijzigingen aangebracht aan de regels inzake de interesten die zijn opgenomen in artikel 91 WBTW om ze te doen aansluiten met de interesten inzake inkomstenbelastingen:

de terminologie wordt aangepast:

-de door de belastingschuldige te betalen interest op de in te vorderen sommen, ongeacht hun aard (b.v. de geldboeten), wordt voortaan “nalatigheidsinterest” genoemd, terwijl de interest die wordt toegekend door de Staat op sommen die moeten worden teruggegeven, ongeacht hun aard, voortaan “moratoriuminterest” wordt genoemd;

-het begrip “interest vastgesteld in burgerlijke zaken” wordt vervangen door “wettelijke rentevoet in fiscale zaken”[25], zonder dat dit een invloed heeft op de rentevoet die momenteel 7 % per jaar bedraagt;

er is voortaan geen nalatigheidsinterest verschuldigd door de belastingschuldige en er wordt geen moratoriuminterest toegekend door de Staat wanneer deze interest geen 5 euro (in plaats van 2,50 euro) per maand bedraagt. Deze minimale maandelijkse interest is niet van toepassing voor de moratoriuminterest bedoeld in het nieuwe artikel 91, § 4 WBTW, waarvoor de regels geldende in burgerlijke zaken van toepassing zijn;

de nalatigheidsinterest op de in te vorderen sommen die niet zijn bedoeld in artikel 91, § 1 en 2 WBTW (b.v. de geldboeten) is, overeenkomstig het nieuwe artikel 91, § 2bis WBTW, voortaan van rechtswege verschuldigd door de belastingschuldige vanaf[26]:

-de datum van uitvoerbaarverklaring van het innings- en invorderingsregister wanneer de sommen in een innings- en invorderingsregister opgenomen zijn;

-het ogenblik waarop de gerechtelijke beslissing houdende veroordeling tot betaling van deze sommen in kracht van gewijsde is getreden in de andere gevallen. Dit betreft de zeldzame gevallen waarin een gerechtelijke beslissing uitdrukkelijk de veroordeling van de belastingschuldige tot betaling van de sommen die niet bedoeld zijn in artikel 91, § 1 en 2 WBTW uitspreekt.

Deze nalatigheidsinterest wordt om de maand berekend aan de wettelijke rentevoet in fiscale zaken over het totaal van de verschuldigde sommen, afgerond op het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 10 euro. Ieder begonnen tijdvak van een maand wordt voor een gehele maand gerekend (en de minimale maandelijkse interest bedraagt 5 euro).

De door de Staat toegekende moratoriuminterest over de terug te geven sommen die niet bedoeld zijn in artikel 91, § 3 WBTW, blijft zoals tot op heden verschuldigd tegen de wettelijke rentevoet vastgesteld in fiscale zaken (momenteel 7 % per jaar) volgens de regels geldende in burgerlijke zaken[27].

Tot slot is de adviseur-generaal voortaan uitdrukkelijk bevoegd om vrijstelling toe te staan van nalatigheidsinteresten die, overeenkomstig het nieuwe artikel 91, § 2bis WBTW, verschuldigd zijn door de belastingschuldige op de in te vorderen sommen die niet zijn bedoeld in artikel 91, § 1 en 2 WBTW (b.v. de geldboeten)[28].

Administratief bewarend beslag (art. 52bis WBTW)

Gelet op de vervanging van het administratief dwangbevel inzake btw door een innings- en invorderingsregister, wordt de procedure aangepast van het bewarend beslag op roerende goederen door ambtenaren van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde (taxatiediensten) wanneer zij ter gelegenheid van hun onderzoeken, feiten vaststellen die een geheel van overeenstemmende aanwijzingen van ernstige fraude, al dan niet georganiseerd, uitmaken.

Onder het stelsel van het administratief dwangbevel inzake btw moet een dergelijk dwangbevel met betrekking tot de btw-schuld, op straffe van nietigheid van het beslag, worden uitgevaardigd binnen 3 maanden na de kennisgeving van het proces-verbaal van beslag. Het kan maar worden ter kennis gebracht of betekend aan de beslagene na de bekrachtiging van het beslag door de beslagrechter. Door de loutere kennisgeving of betekening van dit dwangbevel wordt het bewarend beslag omgezet in een uitvoerend beslag.

In de toekomst moet de btw-schuld, op straffe van nietigheid, binnen dezelfde termijn van 3 maanden worden opgenomen in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister, en kan het innings- en invorderingsbericht maar worden verzonden aan de beslagene na de bekrachtiging van het beslag door de beslagrechter. Dit innings- en invorderingsbericht moet in dit geval aan de beslagene ter kennis worden gegeven bij aangetekende zending, waarbij de afgifte van het stuk bij de post (huidige aanbieder van de universele postdienst) geldt als kennisgeving vanaf de 3de daaropvolgende werkdag. Voortaan wordt door de loutere kennisgeving van dit innings- en invorderingsbericht het bewarend beslag omgezet in een uitvoerend beslag[29].

V.Inwerkingtreding en overgangsmaatregel

De voormelde wet van 26 november 2018 tot wijziging van het WBTW, de recente wijzigingen aan artikel 85 van het WBTW inzake de kennisgeving van de verantwoording van btw-schulden[30], en de gelijktijdige wijzigingen aan de uitvoeringsbesluiten van het WBTW treden in werking op 1 april 2019.

Teneinde evenwel de rechtszekerheid te garanderen van door de administratie reeds gestelde handelingen, zijn de aan het WBTW en aan de uitvoeringsbesluiten ervan aangebrachte wijzigingen niet van toepassing op administratieve dwangbevelen inzake btw die werden ter kennis gebracht of betekend voor 1 april 2019[31]. Wat betreft deze dwangbevelen blijven de oude bepalingen van het WBTW en van de uitvoeringsbesluiten ervan van toepassing.

Dit impliceert eveneens dat elke btw-schuld waarvoor vanaf 1 april 2019 een uitvoerbare titel moet worden opgemaakt ten overstaan van een belastingschuldige moet worden opgenomen in een uitvoerbaar verklaard innings- en invorderingsregister en niet langer het voorwerp mag uitmaken van een administratief dwangbevel inzake btw.

Wanneer, bijvoorbeeld, een administratief dwangbevel inzake btw wordt vernietigd of ingetrokken, kan de administratie – vanaf 1 april 2019 – maar een nieuwe uitvoerbare titel voor de betreffende btw-schuld opmaken door de opname ervan in een innings- en invorderingsregister, voor zover evenwel de verjaring van de vordering tot voldoening nog niet is verkregen.


[1] Wet van 26 november 2018 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde wat de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde betreft, BS van 4 december 2018.

[2] Hoofdstuk 5 van de Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde, wordt weldra in het BS gepubliceerd.

[3] Koninklijk besluit van 17.03.2019 tot wijziging van de koninklijke besluiten nr. 4, 15, 24, 31, 41 en 56 aangaande de belasting over de toegevoegde waarde, met het oog op de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde, BS 08.04.2019.

[4] Art. 85, § 1, derde lid, nieuw, WBTW.

[5] Art. 85, § 1, zesde lid, nieuw, WBTW.

[6] Art. 85, § 1, vierde en vijfde lid, nieuw, WBTW.

[7] Art. 85, § 1, eerste lid, nieuw, WBTW.

[8] Art. 85, § 1, tweede lid, nieuw, WBTW.

[9] Art. 85, § 2, eerste lid, nieuw, WBTW.

[10] Art. 85, § 3, nieuw, WBTW.

[11] Art. 393, § 2, WIB1992.

[12] Art. 85, § 6, eerste lid, nieuw, WBTW.

[13] Art. 85, § 6, tweede lid, nieuw, WBTW.

[14] Art. 85, § 6, derde lid, nieuw, WBTW.

[15] Art. 85, § 4, nieuw, WBTW.

[16] (oorspronkelijke) verjaringstermijn die eventueel reeds werd gestuit of geschorst overeenkomstig artikel 83 WBTW (b.v. stuiting door een afstand van de reeds verlopen termijn van de verjaring of door de betekening van een bewarend beslag, schorsing door een rechtsvordering) voordat de btw-schuld wordt opgenomen in een innings- en invorderingsregister.

[17] Art. 83, § 2 en 85, § 5, nieuw, WBTW.

[18] Art. 86, nieuw, WBTW.

[19] De kennisgeving of betekening van een administratief dwangbevel inzake btw aan een medeschuldenaar maakt de tenuitvoerlegging van dit dwangbevel mogelijk, ongeacht of het gaat om het nemen van bewarende of uitvoerende maatregelen of om de uitoefening van rechten verbonden aan het algemeen voorrecht of aan de wettelijke hypotheek.

[20] Art. 88, nieuw, WBTW; ministerieel besluit 28.02.2019 tot opheffing van het ministerieel besluit nr. 14 van 17 oktober 1980, met betrekking tot de inschrijving van de wettelijke hypotheek tot zekerheid van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, van de interesten en van de kosten verschuldigd aan de Schatkist, BS 08.04.2019.

[21] Art. 89, eerste lid, nieuw, WBTW.

[22] Art. 89, tweede lid, nieuw, WBTW.

[23] Art. 89bis, nieuw, WBTW.

[24] Zie art. 1413 en 1415 Ger.W.

[25] Zie art. 2, § 2, eerste lid van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest.

[26] Onder het stelsel van het administratief dwangbevel inzake btw begint deze interest in regel te lopen vanaf de kennisgeving of de betekening van het dwangbevel, die geldt als ingebrekestelling volgens de regels van het burgerlijk recht.

[27] Art. 91, § 4, nieuw, WBTW.

[28] Wijzigingen aangebracht aan art. 84bis WBTW.

[29] Art. 52bis, § 3 nieuw, WBTW.

[30] Hoofdstuk 5 van de Wet houdende diverse bepalingen inzake belasting over de toegevoegde waarde, wordt weldra in het BS gepubliceerd.

[31] Art. 19 van de voormelde wet van 26 november 2018; art. 17 van het koninklijk besluit tot wijziging van de koninklijke besluiten nr. 4, 15, 24, 31, 41 en 56 aangaande de belasting over de toegevoegde waarde, met het oog op de automatisering van de uitvoerbare titel inzake de belasting over de toegevoegde waarde ; art. 2 van het ministerieel besluit tot opheffing van het ministerieel besluit nr. 14 van 17 oktober 1980, met betrekking tot de inschrijving van de wettelijke hypotheek tot zekerheid van de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, van de interesten en van de kosten verschuldigd aan de Schatkist.