Circulaire 2017/C/68 betreffende auteursrechten die worden verworven om duurzaam te worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteit

Deze circulaire heeft betrekking op een aantal boekhoudkundige en fiscale bepalingen in verband met auteursrechten die worden verworven om duurzaam te worden gebruikt voor de bedrijfsactiviteit

Inkomstenbelastingen ; vennootschapsbelasting ; belasting van niet-inwoners/vennootschappen ; belastbare grondslag in de VenB en de BNI/ven ; boeking van auteursrechten

FOD Financiën, 06.11.2017
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Vennootschapsbelasting

Inhoudstafel

I. Inleiding

II. Bepalingen van het wetboek van economisch recht

III. Boekhoudkundige bepalingen

A. Algemeen
B. De verwerving van auteursrechten

IV. Fiscale bepalingen

A. Algemeen
B. Fiscaal aftrekbare afschrijvingen

I. Inleiding

1. Deze circulaire strekt ertoe de aandacht te vestigen op de toepassing van een aantal boekhoudkundige en fiscale bepalingen met betrekking tot de verwerving van vermogensrechten zoals bedoeld in art. XI.167, §§ 1 en 3 van het Wetboek van economisch recht.

II. Bepalingen van het wetboek van economisch recht

2. Hierna worden een aantal relevante bepalingen inzake auteursrechten van het Wetboek van economisch recht opgenomen (1).

(1)Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de bepalingen van het Wetboek van economisch recht onder de bevoegdheid vallen van de FOD Economie.

Art. XI. 165, § 1.

Alleen de auteur van een werk van letterkunde of kunst heeft het recht om het op welke wijze of in welke vorm ook, direct of indirect, tijdelijk of duurzaam, volledig of gedeeltelijk te reproduceren of te laten reproduceren.

Art. XI. 166, § 1.

Na het overlijden van de auteur blijft het auteursrecht gedurende zeventig jaar bestaan ten voordele van de persoon die hij daartoe heeft aangewezen of, indien dat niet is gebeurd, ten voordele van zijn erfgenamen, overeenkomstig artikel XI. 171.

Art. XI. 167, § 1.

De vermogensrechten zijn roerende rechten die overgaan bij erfopvolging en vatbaar zijn voor gehele of gedeeltelijke overdracht, volgens de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek. Zij kunnen onder meer worden vervreemd of in een gewone of exclusieve licentie worden ondergebracht.

Ten aanzien van de auteur worden alle contracten schriftelijk bewezen.

Voor elke exploitatiewijze moeten de vergoeding voor de auteur, de reikwijdte en de duur van de overdracht uitdrukkelijk worden bepaald.

Art. XI 167, § 3.

Wanneer een auteur werken tot stand brengt ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een statuut, kunnen de vermogensrechten worden overgedragen aan de werkgever voor zover uitdrukkelijk in die overdracht van rechten is voorzien en voor zover de creatie van het werk binnen het toepassingsgebied van de overeenkomst of het statuut valt.

3. De vermogensrechten van de auteurs zijn intellectuele rechten die aan de houders van het auteursrecht de mogelijkheid geven om inkomsten te verwerven uit hun literaire of artistieke werken. Die rechten verlenen immers aan de auteur het exclusieve recht om zijn werk te exploiteren. Het zijn onlichamelijke (roerende) rechten die onder meer kunnen worden vervreemd of in licentie worden gegeven. De belangrijkste vermogensrechten zijn het reproductierecht en het recht van mededeling aan het publiek.

Eens het recht is overgedragen, wordt de cessionaris (natuurlijke persoon of rechtspersoon) titularis.

4. De 'overdracht van rechten' moet ruim worden begrepen en omvat meer bepaald (2):

- de handeling waardoor de rechten kosteloos of tegen vergoeding worden overgedragen aan een andere persoon, ongeacht of de auteur de werken tot stand heeft gebracht in uitvoering van een arbeidsovereenkomst

- de handeling waardoor een gewone of exclusieve licentie (exploitatievergunning) wordt verleend aan een andere persoon.

(2) Zie inzonderheid de website van de FOD Economie.

5. Voor een betere leesbaarheid wordt in deze circulaire in het algemeen gesproken over auteursrechten waaronder hier wordt verstaan de auteursrechten en naburige rechten, evenals de licentieovereenkomsten die ermee verband houden.

6. De inkomsten uit de cessie of de concessie van auteursrechten en naburige rechten, alsook van de wettelijke en verplichte licenties, zoals bedoeld in boek XI van het Wetboek van economisch recht of in overeenkomstige bepalingen in het buitenlands recht, zijn belastbaar als inkomsten van roerende goederen en kapitalen (zie art. 17, § 1, 5°, WIB 92).

III. Boekhoudkundige bepalingen

A. Algemeen

7. Onder de immateriële vaste activa moet worden verstaan, de ondernemingsmiddelen van onlichamelijke aard die bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit te worden gebruikt, en die naar verwachting toekomstige economische voordelen voor de onderneming zullen opleveren.

De rubriek 'Immateriële vaste activa' omvat inzonderheid de concessies, octrooien, licenties, knowhow, merken en soortgelijke rechten waarvan de vennootschap eigenares is of ingeval zij de rechten tot exploitatie ervan heeft verworven (3). Voorbeelden van rechten die onder die noemer kunnen vallen, zijn computersoftware en auteursrechten, met inbegrip van de licentieovereenkomsten.

(3) Zie art. 95 van het KB 30.01.2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen en het CBN-advies 2012/13 van 10.10.2012 - De boekhoudkundige verwerking van immateriële vaste activa.

B. De verwerving van auteursrechten

8. Wanneer een vennootschap auteursrechten verwerft, worden ze onder de vaste activa opgenomen indien ze bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit te worden gebruikt.

Uit de samenlezing van de richtlijn 2013/34/EU (4), de IAS 16 norm (5) en het CBN-advies 2012/13 (6) volgt dat in onderhavig geval onder het begrip 'duurzaam' wordt begrepen, het verwerven van auteursrechten waarvan de vennootschap verwacht dat ze langer dan 1 periode (7) zullen worden gebruikt.

(4) Richtlijn 2013/34/EU van 26.06.2013 van het Europees Parlement en van de raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de raad en tot intrekking van richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de raad.

(5) International Accounting Standard (IAS) 16 norm: Materiële vaste activa.

(6) CBN-advies 2012/13 van 10.10.2012 van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen: De boekhoudkundige verwerking van immateriële vaste activa.

(7) Overeenkomstig art. 9 van de Boekhoudwet van 17.07.1975 en art. 92, § 1 van het Wetboek van vennootschappen zijn de vennootschappen verplicht om minstens éénmaal per jaar een inventaris op te maken en een jaarrekening op te stellen (zie ook het CBN-advies 2010/10 van 14.07.2010). Op fiscaal vlak wordt hier het belastbare tijdperk bedoeld.

De verworven auteursrechten worden beschouwd als ondernemingsmiddelen van onlichamelijke aard, en, in geval van duurzame bestemming, moeten ze worden opgenomen in de rubriek van de immateriële vaste activa. Bovendien moet er worden vanuit gegaan dat het bestaan van auteursrechten in de tijd beperkt is (zie hiervoor art. XI. 166, § 1, van het Wetboek van economisch recht).

9. De bepalingen inzake de waardering en de afschrijvingen zoals opgenomen in de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen zijn er in principe op van toepassing. Dat betekent inzonderheid dat de verwerving van een auteursrecht moet worden gewaardeerd tegen de aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans worden opgenomen, onder aftrek van de afschrijvingen die erop betrekking hebben (8) en berekend volgens de regels die zijn genomen door de vennootschap. Aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen kunnen worden geboekt ingevolge de technische ontwaarding van het immaterieel vast actief of wegens de wijziging van economische of technologische omstandigheden.

(8) Zie de art. 35 en 61, § 1, eerste en tweede lid, van het KB 30.01.2001 tot uitvoering van het wetboek van vennootschappen.

IV. Fiscale bepalingen

A. Algemeen

10. Het begrip 'immateriële vaste activa', heeft de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen (zie art. 2, WIB 92).

B. Fiscaal aftrekbare afschrijvingen

11. Onverminderd de toepassing van art. 49, WIB 92, worden de afschrijvingen als beroepskosten beschouwd in de mate dat:

- ze gegrond zijn op de aanschaffings- of beleggingswaarde

- en voor zover ze noodzakelijk zijn

- en samengaan met een waardevermindering die zich in het belastbare tijdperk werkelijk heeft voorgedaan (art. 61, WIB 92).

12. Daarenboven, met uitzondering van de investeringen in audiovisuele middelen, moeten de immateriële vaste activa worden afgeschreven met vaste annuïteiten waarvan het aantal niet minder dan 3 mag bedragen wanneer het investeringen in onderzoek en ontwikkeling betreft en niet minder dan 5 in de andere gevallen (zie art. 63, WIB 92).

De toepassing van de bepalingen van art. 63, WIB 92, houdt inzonderheid het volgende in:

- de verworven auteursrechten in de rubriek van de immateriële vaste activa mogen niet in éénmaal of degressief worden afgeschreven. Alleen de afschrijving met vaste annuïteiten (of lineaire afschrijving) is toegestaan

- de afschrijvingsperiode bedraagt voor die activa ten minste 5 jaar.

13. Wanneer i n strijd met de fiscale bepalingen, activabestanddelen worden ondergewaardeerd, dan moeten die onderwaarderingen worden behandeld als 'onzichtbare reserves'.

Er ontstaat fiscaal een onzichtbare reserve wanneer verworven auteursrechten die bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsactiviteit te worden gebruikt:

- niet worden geactiveerd overeenkomstig het boekhoudrecht en onmiddellijk voor het geheel ten laste worden gelegd van het resultaat in hetzelfde boekjaar of

- boekhoudkundig over minder dan 5 jaar worden afgeschreven.

Overeenkomstig art. 24, eerste lid, 4°, WIB 92, is de vastgestelde onzichtbare reserve een belastbare winst.

Interne ref.: 710.053