Circulaire nr. CI.RH.863/530.827 dd. 18.09.2000
ADMINISTRATIEVE GESCHILLENPROCEDURE - Bezwaarschrift - Beslissing van de directeur - Bezwaartermijn - Indienen van het bezwaarschrift - Nieuwe bezwaren - Onderzoek van het bezwaarschrift - Ontvangstbewijs van het bezwaarschrift - Uitbreiding van ambtswege - GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING - Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg - Vordering bij de rechtbank van eerste aanleg - HERVORMING VAN DE FISCALE PROCEDURE - ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE - Toepassingsvoorwaarde van een ontheffing van ambtswege - VONNIS VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG - Hoger beroep - Verzet tegen verstekvonnis - Voorziening in cassatie - VORDERING BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG - Bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg - Procedure voor de rechtbank van eerste aanleg - Rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg - Toelaatbaarheidsvoorwaarden voor de vordering bij de rechtbank van eerste aanleg
Wet van 15.03.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen
Wet van 23.03.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken
Koninklijk besluit van 25.03.1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23.03.1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken
Aan al de ambtenaren van de niveaus 1 en 2+
INHOUDSTAFEL
VOORWOORD
1. Het eerste deel van deze circulaire geeft commentaar op de bepalingen van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen (Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999, blz. 9882) in zover zij de bepalingen van titel VII, hoofdstuk VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vervolledigen, wijzigen of opheffen (artikelen 366 tot 392 WIB 92) (administratieve geschillenprocedure).
Het tweede deel belicht de wijzigingen die de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken heeft aangebracht aan het Gerechtelijk Wetboek (BS van 27 maart 1999, blz. 9894), aangevuld door het Koninklijk besluit van 25 maart 1999 (BS van 27 maart 1999, blz. 9897) (gerechtelijke geschillenprocedure).
Aangezien de geschillen die voor de bevoegde rechterlijke macht worden gebracht in hoofdzaak beheerst worden door het gerechtelijk recht, worden de regels hiervan kort besproken. De invalshoek hierbij is de toepassing van het gerechtelijk recht op de fiscale geschillen. In een derde deel worden tenslotte algemene richtlijnen gegeven voor de behandeling van de dossiers betreffende de administratieve geschillen en de gerechtelijke geschillen "nieuw stelsel".
INLEIDING
2. Twee grote beginselen beheersen de hervorming van de fiscale procedure. Enerzijds het herstel van het evenwicht tussen de rechten van de Staat en die van de belastingplichtige die voortaan voor alle directe en indirecte belastingen over een dubbele aanleg beschikt met de toepassing van het Gerechtelijk Wetboek als gemeen procesrecht. Anderzijds het behoud, inzake inkomstenbelastingen, van de bezwaarprocedure en de procedure van ontheffing van ambtswege.
De procedure voor de gewestelijke directeur verliest evenwel zijn jurisdictioneel karakter en wordt nog slechts opgevat als een administratieve filter. Voortaan is het bezwaarschrift nog slechts een hiërarchisch beroep van louter administratieve aard.
Om te antwoorden op een herhaalde kritiek op de beroepsprocedure voor de directeur, die de belastingplichtige machteloos liet ten aanzien van de toevallige omstandigheden van die procedure ingevolge de afwezigheid van een dwingende termijn om te beslissen, neemt de hervorming de gelegenheid te baat om de duur van de bezwaarprocedure te verkorten door de termijnen in te krimpen. Zo wordt de termijn om een bezwaarschrift in te dienen verminderd tot drie maanden vanaf de verzending van het aanslagbiljet. Daarentegen krijgt de belastingplichtige het recht om zich tot de bevoegde rechtbank te wenden wanneer geen administratieve beslissing is genomen na zes maanden of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege.
Tenslotte lost de hervorming het probleem op van de feitelijk gescheiden echtgenoot die niet in het kohier is opgenomen. De hervormingswet geeft die echtgenoot voortaan het recht om een bezwaarschrift in te dienen zodra het bestuur voornemens is de aanslag op diens goederen in te vorderen.
EERSTE DEEL - ADMINISTRATIEVE GESCHILLENPROCEDURE
HOOFDSTUK 1: WIJZIGING VAN DE OPSCHRIFTEN VAN HOOFDSTUK VII EN VAN AFDELING II VAN TITEL VII, WIB 92
3. Artikel 23 van de wet van 15 maart 1999 heeft het opschrift van hoofdstuk VII van titel VII van het WIB 92, dat het "Bezwaar, ontheffing van ambtswege en voorziening" beoogde, vervangen door de meer algemene term "Rechtsmiddelen".
Daarenboven wordt het opschrift van afdeling I, "Bezwaar", vervangen door het opschrift "Administratief beroep" en vervalt het opschrift "Afdeling II - Ontheffing van ambtswege". De onderverdeling van afdeling I in onderafdelingen vervalt eveneens.
Die wijzigingen die het gevolg zijn van een regeringsamendement hebben tot doel "aan te tonen dat zowel het bezwaar als de in artikel 376, WIB 92 bedoelde aanvraag tot ontheffing, voor de toepassing van de inkomstenbelastingen, een administratief verhaal vormen" (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/15, blz. 8).
HOOFDSTUK 2: BEZWAARRECHT VAN DE FEITELIJK GESCHEIDEN ECHTGENOOT
4. Gewijzigde tekst:
Art. 366 - De belastingplichtige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, kan tegen het bedrag van de gevestigde aanslag, opcentiemen, verhogingen en boeten inbegrepen, schriftelijk bezwaar indienen bij de directeur der belastingen in wiens ambtsgebied de aanslag, de verhoging en de boete zijn gevestigd.
(Art. 24, Wet van 15.03.1999)
Inwerkingtreding: in zover zij een recht van bezwaar toekent aan de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag, gevestigd op naam van de andere echtgenoot, wordt ingevorderd, treedt die bepaling in werking met ingang van de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad, te weten 27 maart 1999 (Art. 97, lid 2, Wet 15.03.1999).
5. Vroeger had alleen de belastingschuldige, dat wil zeggen de persoon opgenomen in het kohier, een bezwaarrecht. De feitelijk gescheiden echtgenoot die niet in het kohier was opgenomen beschikte niet over dat recht (Cass., 19.05.1995, F.J.F. Nr 96/16; Cass., 01. 12.1995, F.J.F. Nr 96/99).
Voortaan kent artikel 366, WIB 92 aan de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd uitdrukkelijk het recht toe om een bezwaar in te dienen.
Volgens de voorbereidende werken volgt die verduidelijking uit de wil om "tegemoet te komen aan de rechtspraak van het arrest nr 39/96 van 27 juni 1996 van het Arbitragehof" (Parl. St. Kamer, zitting 1997- 1998, nr 1341/1, blz. 7).
Het Arbitragehof had geoordeeld dat het weigeren van een bezwaarrecht aan de feitelijk gescheiden echtgenoot terwijl deze verplicht is de belastingschuld te betalen die is gevestigd op naam van de andere echtgenoot, in strijd is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (BS van 09.08.1996, blz. 21304).
Gelet op dat arrest van het Arbitragehof was het trouwens aangewezen reeds voor de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999, het bezwaarschrift van de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag werd ingevorderd als ontvankelijk te beschouwen.
6. Eveneens tijdens de voorbereidende werken heeft de Minister van Financiën verklaard dat de feitelijk gescheiden echtgenoot "alle rechten krijgt die thans aan een bezwaarindiener worden toegekend: recht om gehoord te worden, inzagerecht van de stukken met betrekking tot de betwisting (...) en dat hij zich na de beslissing van de directeur der belastingen tot de bevoegde rechtbank van eerste aanleg kan wenden" (Parl. St. Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/17, blz. 23 en 24).
7. Artikel 337, lid 3, WIB 92, zoals gewijzigd door artikel 12 van de wet van 15 maart 1999, heft het beroepsgeheim op van de ambtenaren van de administratie der directe belastingen wanneer zij met betrekking tot de fiscale toestand van een belastingplichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd (zie de circulaire van de Administratie van Fiscale Zaken, nr AFZ/99-0792 van 11 oktober 1999, blz. 7, nr 12). Die bepaling is in werking getreden op 6 april 1999, te weten de tiende dag na haar publicatie in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999 (art. 4, lid 2 van de wet van 31 mei 1961).
HOOFDSTUK 3: UITBREIDING VAN HET BEZWAARSCHRIFT TOT ANDERE AANSLAGEN
8. Gewijzigde tekst:
Art. 367 - Het bezwaarschrift gericht tegen een aanslag die gevestigd is op betwiste bestanddelen, geldt van ambtswege voor de andere aanslagen gevestigd op dezelfde bestanddelen of als supplement voor de beslissing van de directeur der belastingen of van de door hem gedelegeerd ambtenaar, zelfs wanneer de termijnen tot bezwaar tegen die andere aanlagen zouden zijn verstreken.
(Art. 25, Wet 15.03.1999)
Inwerkingtreding: vanaf het aanslagjaar 1999 (art. 97, lid 1, eerste streepje, Wet 15.03.1999).
9. Die bepaling bevat slechts een terminologische aanpassing door de vervanging van het woord "belasting" door "aanslag".
De term "aanslag" beoogt, in tegenstelling met de term "belasting", over het algemeen het kohier (zie Claeys-Bouuaert, De aanslag, blz. 29, nr 6).
HOOFDSTUK 4: FORFAITAIR IN AANMERKING GENOMEN WINST EN BATEN VOOR DRIE OPEENVOLGENDE AANSLAGJAREN
10. Artikel 368, WIB 92 wordt opgeheven door artikel 26, Wet 15.03.1999.
Er wordt verwezen naar de voormelde circulaire van de AFZ, blz. 12, nr 27.
HOOFDSTUK 5: ONTVANGSTBEWIJS VAN HET BEZWAARSCHRIFT
11. Gewijzigde tekst:
Art. 370 - Aan de bezwaarindiener wordt ontvangstbewijs uitgereikt dat de datum van ontvangst van het bezwaarschrift vermeldt.
(Art. 27, Wet 15.03.1999)
Inwerkingtreding: vanaf het aanslagjaar 1999 (art. 97, lid 1, eerste streepje, Wet 15.03.1999).
12. Voortaan is uitdrukkelijk voorgeschreven dat het ontvangstbewijs dat naar de belastingplichtige wordt gestuurd, de datum van ontvangst van het bezwaarschrift moet vermelden.
Die tekstaanvulling houdt verband met zowel de opschorting van de nalatigheidsinterest vanaf de zevende maand die volgt op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift (art. 414, § 2, WIB 92 zoals gewijzigd door artikel 42, Wet 15.03.1999), als met de mogelijkheid die de belastingplichtige heeft om na het verstrijken van een bepaalde termijn zich tot de bevoegde rechtbank te wenden zonder de beslissing van de directeur af te wachten.
In het systeem dat werd ingevoerd door artikel 1 385undecies van het Gerechtelijk Wetboek (art. 9 van de wet van 23 maart 1999, zie nr 136 hierna) is het immers de datum van ontvangst van het administratief beroep die de termijn van zes of negen maanden voorgeschreven in die bepaling doet lopen. Het is dus nodig dat de belastingschuldige (of zijn feitelijk gescheiden echtgenoot) kennis krijgt van de datum waarop de diensten van de bevoegde gewestelijke directie het bezwaarschrift hebben ontvangen.
13. Zoals verder wordt uiteengezet is de regeling van artikel 1 385undecies eveneens van toepassing op de bezwaarschriften gericht tegen aanslagen gevestigd voor de aanslagjaren 1998 en vroeger indien op 31 maart 2001 terzake nog geen beslissing is genomen. In die veronderstelling moet de bezwaarindiener eveneens het verstrijken van de termijn van zes of negen maanden na de indiening van het administratief beroep afwachten alvorens een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg te kunnen inleiden (zie nr 137).
Betreffende bezwaarschriften gericht tegen aanslagen gevestigd voor de aanslagjaren 1998 en vroeger, moet de datum van ontvangst dus op de ontvangstberichten worden vermeld wanneer het bezwaarschrift werd ingediend vanaf 30 juni 2000 (voor de aanslagen die van ambtswege werden gevestigd) of 30 september 2000 (in de andere gevallen)(zie nr 222, praktische toepassing).
14. Om die reden mag de postkaart 440D niet meer worden gebruikt voor de bezwaarschriften betreffende het aanslagjaar 1999 en volgende (en die betreffende de aanslagjaren 1998 en vorige in de omstandigheden beschreven in het vorige lid). Het model van de ontvangstmelding gaat als bijlage 1. In geval van niet ondertekende of ongemotiveerde bezwaarschriften blijft de ontvangstmelding volgens het model opgenomen onder nr 375/16 Com. IB 92 voort van toepassing.
15. Voor de bezwaarschriften betreffende de toepassing van artikel 257,4°, WIB 92 (aanslagen in de onroerende voorheffing voor de gemeenten gelegen in het Brussel Hoofdstedelijk Gewest of het Waalse gewest) en in de veronderstelling dat de onproductiviteit, het ontbreken van het genot of het verlies ervan gedurende ten minste 90 dagen betrekking heeft op het lopende jaar, moet binnen het raam van de beginselen van behoorlijk bestuur in de ontvangstmelding worden vermeld:
- dat gelet op de betrokken artikelen van het WIB 92, de bevoegde gewestelijke directeur niet kan beslissen voor het einde van het jaar;
- dat die bijzondere procedure in het belang is van de belastingplichtige aangezien de eventuele ontheffing berekend wordt rekening houdend met de termijn van onproductiviteit, van het ontbreken van het genot of het verlies ervan gedurende het ganse jaar.
(zie nr 225, praktische toepassing).
HOOFDSTUK 6: DE BEZWAARTERMIJN
16. Gewijzigde tekst:
Art. 371. - De bezwaarschriften moeten worden gemotiveerd en op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet waarop de bezwaartermijn vermeld staat of van de kennisgeving van de aanslag of vanaf de datum van de inning van de belastingen op een andere wijze dan per kohier.
(Art. 28, Wet 15.03.1999)
Inwerkingtreding: vanaf het aanslagjaar 1999 (art. 97, lid 1, eerste streepje, Wet 15.03.1999).
Afdeling 1 - Beginselen
17. De inperking van de bezwaartermijn werd hoofdzakelijk gerechtvaardigd door de zorg om de procedure te bespoedigen. Ook werd de vergelijking gemaakt met andere vormen van verhaal waarvoor de termijnen nog korter zijn (bijvoorbeeld 60 dagen om een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State in te dienen). Tenslotte werd gesteld dat de belastingschuldige binnen het raam van een gerechtelijk beroep bezwaren zal kunnen aanvoeren die niet aan de directeur werden voorgelegd (Parl. St. Senaat, zitting 1998-1999, nr 1966/11, blz. 126 en 127).
De Minister van Financiën heeft eveneens verklaard dat "dit een redelijk voorstel lijkt aangezien de belastingplichtige eerst beschikt over een termijn van twee maanden om hetzij het volledige bedrag van de belasting, hetzij het gedeelte ervan dat hij niet betwist te betalen. Een en ander brengt mee dat hij tijdens de maand die volgt op de uiterste datum van betaling zijn bezwaarschrift nog mag indienen" (Parl. St. Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/23, blz. 3).
Afdeling 2 - Vertrekpunt van de bezwaartermijn
18. Het vertrekpunt van de bezwaartermijn wordt bepaald door de verzendingsdatum van het aanslagbiljet, precies zoals dat het geval was voor de minimumtermijn van zes maanden (zie Com. IB 92, nr 371/8).
In de praktijk wordt de datum vermeld op het aanslagbiljet beschouwd als die van zijn verzending (zie Com. IB 92 nr 371/8). In geval van betwisting over de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift kan men evenwel niet voorbij aan de rechtspraak van het Hof van Cassatie. Dat hof heeft immers beslist dat enerzijds het bestuur het bewijs moet leveren van de verzendingsdatum van het aanslagbiljet (Cass. 12 januari 1960, Pas., I, blz. 536) en dat anderzijds de verzending regelmatig moet zijn; is niet regelmatig de verzending naar een adres waar de belastingplichtige niet meer gedomicilieerd is (Cass. 17 november 1988, F.J.F.; nr 89/49).
Er werd eveneens geoordeeld dat wanneer het bestuur niet bewijst dat het aanslagbiljet aangetekend werd verzonden en de belastingplichtige volhoudt dat hij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen, het bezwaarschrift slechts als laattijdig kan worden beschouwd indien het bestuur aantoont dat het aanslagbiljet de belastingplichtige heeft bereikt. Wanneer deze erkent het bezwaarschrift te hebben ontvangen maar op een tijdstip zover na de verzendingsdatum vermeld op het aanslagbiljet dat hij zijn bezwaarrecht niet heeft kunnen uitoefenen binnen de termijn van artikel 371, WIB 92 en het bestuur het tegenbewijs niet levert, moet aan de belastingschuldige een verlenging van de bezwaartermijn worden toegekend aangezien die hypothese kan worden gelijkgesteld met overmacht (Cass. 7 januari 1993, F.J.F. nr 93/95 en 93/96).
Het bestuur kan de verzending van het aanslagbiljet bewijzen met alle rechtsmiddelen, waaronder de vermoedens (Brussel, 25.10.1988, J.D.F., 1989, blz. 250; Bergen 20.10.1989, F.J.F., nr 90/38; Antwerpen 31.03.1998, F.J.F., nr 99/23).,
19. Wanneer het bestuur vaststelt dat het bezwaarschrift laattijdig is, is het aangewezen, alvorens een beslissing te nemen, de belastingplichtige hiervan in kennis te stellen en hem te verzoeken zijn opmerkingen hierover te laten kennen. Op die manier kan in de mate van het mogelijke worden vermeden dat voor de rechtbanken een debat over de ontvankelijkheid wordt gevoerd.
20. De wet schrijft uitdrukkelijk voor dat het aanslagbiljet de bezwaartermijn moet vermelden. Een dergelijke verplichting bestond reeds krachtens artikel 2, § 4 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (BS 11.04.1994, Bull., nr 741, blz. 1689). In dat artikel wordt gesteld dat elk document waarmee een beslissing of administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen moet vermelden en dat bij ontstentenis daarvan de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt.
21. Voor de feitelijk gescheiden echtgenoot vangt, volgens de voorbereidende werken, de bezwaartermijn aan "vanaf de dag waarop de ontvanger de niet in het kohier opgenomen echtgenoot inlicht nopens zijn voornemen om de belastingschuld, gevestigd op naam van de feitelijk gescheiden echtgenoot, daadwerkelijk in te vorderen" (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/15, blz. 13).
Overeenkomstig de tekst van artikel 371, WIB 92 moet de voornoemde "inlichting", om de termijn te doen lopen, niettemin de aard hebben van een kennisgeving van aanslag, dat wil zeggen een document dat aan de belastingplichtige ter kennis wordt gebracht en dat alle vermeldingen bevat die nodig zijn om het bestaan van een uitvoerbare titel te bewijzen en de belastingplichtige in staat te stellen bezwaar in te dienen (Cass., 03.11.1995, Bull. nr 768, blz. 182). De kennisgeving van een bevel tot betaling doet de bezwaartermijn lopen (Cass., 17.11.1988, F.J.F. nr 89/42 en Arr.Cass. 1988-1989, I, blz. 333, nr 163).
Afdeling 3 - Ontvangst van het bezwaarschrift door de directeur
22. Zoals vroeger is een bezwaarschrift pas werkelijk ingediend wanneer de directeur er kennis kan van nemen, dus op het ogenblik waarop het bezwaarschrift bij de bevoegde dienst toekomt (zie Com. IB 92; nr 371/30 en of van beroep te Luik, 15.06.1988, Bull. nr 684, blz. 1243).
Overigens is het de datum van ontvangst die op de ontvangstmelding moet worden vermeld en die bepalend is voor de schorsing van de nalatigheidsinterest en voor de berekening van de termijn van zes of negen maanden alvorens de belastingplichtige een vordering bij de rechtbank kan inleiden (zie nr 10, hiervoor).
Afdeling 4 - Eindbemerking voor de toepassing van artikel 371, WIB 92
23. Voor alle aspecten die niet uitdrukkelijk in deze circulaire worden behandeld blijven de bepalingen van de Com. IB 92 betreffende de vorm en de bezwaartermijn van toepassing en dat eveneens voor de aanslagjaren 1999 en volgende.
24. De nadruk wordt erop gelegd dat voor de aanslagjaren 1998 en vorige de termijn van artikel 371, WIB 92 oud van toepassing blijft.
Voorbeelden
1. Aanslag betreffende het aanslagjaar 1998 gevestigd op 25 mei 1999. Laatste dag voor de indiening van een bezwaarschrift: 30 april 2000.
2. Aanslag betreffende het aanslagjaar' 1999 ingekohierd op 7 januari 2000, aanslagbiljet verzonden op 10 januari 2000. Laatste dag voor de indiening van een bezwaarschrift: 10 april 2000.
3. Aanslag betreffende het aanslagjaar 1997 ingekohierd op 27 december 2003 met toepassing van artikel 358, § 1, 3° en § 2, 3°, WIB 92 ingevolge een rechtsvordering die is ingesteld op 16 januari 2002 en waarover definitief is beslist op 30 december van hetzelfde jaar. Verzending van het aanslagbiljet: 4 januari 2004. Laatste dag voor de indiening van het bezwaarschrift: 4 juli 2004.
4. Inkohiering op 30 december 2000 van een belasting voor het aanslagjaar 1998 en een belasting voor het aanslagjaar 1999. Verzending van de aanslagbiljetten op 6 januari 2001. Het eventuele bezwaarschrift tegen de belasting gevestigd voor het aanslagjaar 1999 moet worden ingediend uiterlijk op 6 april 2001 terwijl het bezwaarschrift tegen de aanslag gevestigd voor het aanslagjaar 1998 nog tot en met 6 juli 2001 kan worden ingediend.
HOOFDSTUK 7: NIEUWE BEZWAREN
25. Gewijzigde tekst:
Art. 372 - Zolang geen beslissing is gevallen mag de belastingschuldige of zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, zijn oorspronkelijk bezwaarschrift aanvullen met nieuwe, schriftelijk geformuleerde bezwaren, zelfs als deze buiten de in artikel 371 gestelde termijn worden ingediend.
(Art. 29, Wet 15.03.1999)
Inwerkingtreding: vanaf het aanslagjaar 1999 (art. 97, lid 1, eerste streepje, Wet 15.03. 1999).
26. Die bepaling wijzigt de vroegere rechten van de belastingplichtige niet (zie Com. IB 92 nr 372/1 en 2) behoudens dat de feitelijk gescheiden echtgenoot uitdrukkelijk het recht krijgt om het bezwaarschrift aan te vullen.
Opdat nieuwe bezwaren zouden kunnen worden ingediend moet het oorspronkelijk bezwaarschrift natuurlijk ontvankelijk zijn. Een ongemotiveerd en dus onontvankelijk bezwaarschrift kan later niet worden aangevuld (Brussel,03.04.1984, J.D.F., 1985, blz. 99).
De nieuwe bezwaren moeten worden ingediend vooraleer een beslissing is genomen. Het gaat dus om de datum van de beslissing en niet om de datum van de kennisgeving (zie Cardyn, Depret en Loockx, Procédure fiscale contentieuse, 3de uitgave, blz. 70, nr 52).
27. Nieuwe bezwaren die rechtstreeks aan de onderzoekende ambtenaar worden voorgelegd nadat het onderzoek is afgerond moeten, gelet op de beginselen van behoorlijk bestuur, steeds ter kennis worden gebracht aan de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar, opdat die bezwaren zouden kunnen ingewilligd worden in de beslissing of het onderwerp vormen van een bijkomend onderzoek.
28. Op te merken valt dat artikel 97, lid 2, van de wet van 15.03.1999dat het recht van de feitelijk gescheiden echtgenoot om bezwaar in te dienen in werking laat treden met ingang van de publicatie van de wet, niet uitdrukkelijk in de mogelijkheid voorziet om het oorspronkelijk bezwaarschrift aan te vullen zoals bepaald in artikel 372, WIB 92. Volgens het bestuur beschikt de niet in het kohier vermelde echtgenoot niettemin over dat recht, zelfs voor de aanslagjaren 1998 en vorige. Die stelling is gesteund op het voormelde arrest van het Arbitragehof van 27 juni 1996. Dat arrest impliceert dat de feitelijk gescheiden echtgenoot een gelijkwaardig bezwaarrecht heeft als de belastingschuldige zelf.
De Minister van Financiën heeft trouwens verklaringen in die zin afgelegd tijdens de voorbereidende werken (zie hierboven en Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, blz. 23 en 24).
HOOFDSTUK 8: CORRELATIEVE OVERBELASTING
29. Gewijzigde tekst:
Art. 373 - Wanneer een aanvullende aanslag voor een bepaald aanslagjaar gevestigd wordt krachtens artikel 353 of 354 en de nieuwe aanslag ten name van dezelfde belastingschuldige voor één of meer aanslagjaren een correlatieve overbelasting doet ontstaan, kan de belastingschuldige, alsmede zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, binnen een termijn van drie maanden met ingang van de verzendingsdatum van het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat, een bezwaarschrift tegen bedoelde overbelasting indienen.
(Art. 30, Wet 15.03.1999)
Inwerkingtreding: met ingang van het aanslagjaar 1999 (art. 97, lid 1, eerste streepje, Wet 15.03.1999).
30. De tekst bevat een terminologische aanpassing in dezelfde zin als in het artikel 367, WIB 92, met name de vervanging van de term belastingsupplement door de termen aanvullende aanslag.
Daarenboven verkort de nieuwe tekst de bezwaartermijn tegen de correlatieve overbelasting van zes naar drie maanden met ingang van de verzendingsdatum van het aanslagbiljet dat de aanvullende aanslag omvat.
31. Zoals voor de meeste bepalingen betreffende het administratief beroep, is artikel 373 nieuw van toepassing met ingang van het aanslagjaar 1999. Hiermee wordt de aanslag beoogd die buiten de gewone termijnen kan worden gevestigd en niet die welke de overbelasting doet ontstaan.
Voorbeeld
Aanslagen voor de aanslagjaren 1998 en 1999, ingekohierd op grond van de aangifte in de personenbelasting. Verificatie in de loop van het jaar 2000 en vaststelling van een onderschatting van de inventaris op 31.12.1997. Vestiging van een supplementaire aanslag voor het aanslagjaar 1998 op 27 september 2000. Om de correlatieve overbelasting die voortspruit uit de vermindering van de belastbare inkomsten van het jaar 1998 (aanslagjaar 1999) aan de directeur te onderwerpen beschikt de belastingschuldige over een termijn van drie maanden (en niet van zes maanden) vanaf de verzending van het aanslagbiljet betreffende het aanslagjaar 1998.
Tenslotte wordt opgemerkt dat artikel 373 nieuw, aan de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, een bijzondere bezwaartermijn toekent die theoretisch in werking treedt vanaf het aanslagjaar 1999. Zoals voor het aanvoeren van nieuwe bezwaren wordt aangenomen dat dit recht ingevolge het voornoemde arrest van 27 juni 1996 van het Arbitragehof ook bestaat voor vroegere aanslagjaren.
HOOFDSTUK 9: ONDERZOEK VAN DE BEZWAARSCHRIFTEN
33. Gewijzigde tekst:
Art. 374 - Ten einde de behandeling van het bezwaarschrift te verzekeren beschikt een ambtenaar van de administratie der directe belastingen, met een hogere graad dan die van controleur, over de bewijsmiddelen en de bevoegdheden die aan de administratie zijn verleend bij de artikelen 315 tot 319, 322 tot 330, 333 tot 336, 339 tot 343 en 346.
Bovendien kan hij, in het kader van dat bezwaarschrift, van de kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut en het toezicht op de kredietinstellingen alle inlichtingen vorderen waarvan zij kennis hebben en welke nuttig kunnen zijn.
Wanneer de bezwaarindiener zulks in zijn bezwaarschrift heeft gevraagd, zal hij worden gehoord. Te dien einde zal hij worden uitgenodigd zich binnen een termijn van dertig dagen aan te melden.
(Art. 31, Wet 15.03.1999
Inwerkingtreding: met ingang van het aanslagjaar 1999 (art. 97, .lid 1, eerste streepje, Wet 15.03.1999).
Afdeling 1 - Het recht om te worden gehoord
34. In de versie die van toepassing is tot het aanslagjaar 1998, stelt artikel 374, lid 3, WIB 92 enkel dat de bezwaarindiener schriftelijk moet vragen om te worden gehoord. Vanaf het aanslagjaar 1999 moet de vraag om te worden gehoord gedaan worden in het bezwaarschrift.
Tijdens de voorbereidende werken heeft de Minister van Financiën verklaard dat "de beperking waarin artikel 374, derde lid, voorziet, past in het streven naar snelheid. (...). Nadat de belastingplichtige gehoord is, beschikken de ambtenaren nog over vijf maanden om zich uit te spreken. Indien niet bepaald wordt dat de belastingplichtige het verhoor in zijn bezwaar moet aanvragen, dan zouden de ambtenaren kunnen aanvoeren dat ze zich niet kunnen uitspreken omdat het verhoor te laat aangevraagd is." (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr l- 966/11, blz. 165).
De nieuwe verplichting van artikel 374, lid 3, WIB 92 spruit.dus voort uit de mogelijkheid die aan de belastingschuldige wordt gegeven om een vordering in rechte in te leiden wanneer geen beslissing is genomen binnen een termijn van zes maanden (of negen maanden) vanaf de datum van ontvangst van het bezwaarschrift (art. 1385undecies, Ger.W, art. 9, Wet 23.03.1999, zie hierna, deel II).
Dat recht bestaat eveneens voor de bezwaarschriften betreffende de aanslagjaren 1998 en vorige, wanneer geen beslissing is genomen op 31 maart 2001. Voor die aanslagjaren moet de bezwaarindiener zijn vraag om te worden gehoord evenwel niet hebben vermeld in zijn bezwaarschrift. Hij kan dit ook vragen in een afzonderlijke brief. De vraag is ontvankelijk zolang geen beslissing is genomen (Com. IB 92, nr 374/29).
35. Tijdens de voorbereidende werken heeft de Minister van Financiën eveneens verklaard "dat het niet mag gaan om een schijnvertoning" (Parl. St. Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 165). Het horen van de bezwaarindiener of zijn gevolmachtigde mag dus nooit de vorm aannemen vaneen zinloze formaliteit (toepassing van het algemeen beginsel van het "effectief karakter van de procedure"; zie Flamme, Droit administratif, Deel I, nr 167, blz. 393). Het horen van de bezwaarindiener of zijn gevolmachtigde moet steeds worden gedaan door de ambtenaar die het bezwaarschrift onderzoekt (zie Com. IB 92, nr 374/31 en Parlementaire Vraag van Volksvertegenwoordiger M. Van Hoorenbeke van 22 oktober 1999, Bull. Vr. Antw., Kamer, zitting 1999-2000, blz. 1664).
36. Zoals vroeger wordt de bezwaarindiener, wanneer hij daarom heeft gevraagd, gehoord binnen een termijn van dertig dagen. De Minister van Financiën heeft terzake verklaard dat "die termijn ingaat vanaf de datum van ontvangst van de door de administratie verstuurde uitnodiging" (Parl. St., Kamer, zitting 1998-1999, nr 1341/23, blz. 34) en dat "de door de administratie gestuurde oproep de belastingplichtige voldoende tijd moet laten om zich aan te dienen en hem meteen de keuze moet laten tussen verschillende data die hem het best passen" (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 167).
In de praktijk heeft het recht om te worden gehoord voor de bezwaarindiener slechts nut indien de met het onderzoek belaste ambtenaar het geschil, al was het summier, ten gronde heeft bekeken (zie Com. IB 92, nr 374/32). Dat neemt niet weg dat het nodig is de rechtszekerheid voor de belastingplichtige te verzoenen met de snelle afhandeling die de nieuwe wet voorstaat. Wanneer de belastingplichtige vraagt om te worden gehoord moet bijgevolg, zo spoedig mogelijk na de ontvangst van het bezwaarschrift, een oproeping worden verzonden waarin verschillende datums (datum en uur) worden voorgesteld binnen de termijn van dertig dagen. Het onderhoud vindt plaats op de datum die de belastingplichtige verkiest. Indien geen enkele van de voorgestelde datums de belastingplichtige bevalt, is het aangewezen in overleg met de bezwaarindiener een andere datum vast te leggen die, behoudens ernstige redenen, binnen de termijn van dertig dagen valt met ingang van de dag waarop hij de oorspronkelijke oproeping heeft ontvangen. Voor de berekening van de termijn van dertig dagen wordt verwezen naar nr 374/35, Com. IB 92.
37. Het model van oproeping onder nr 374/35, Com. IB 92 kan voort worden gebruikt. De vermeldingen moeten evenwel worden aangepast aan hetgeen hiervoor is gezegd en er moet rekening mee worden gehouden dat de datum waarop de bezwaarindiener wordt gehoord en die waarop hij inzage neemt van het dossier kunnen verschillen (zie nr 42, hierna). Dat is ook het geval voor het formulier onder nr 374/39, Com. IB 92, dat bepaalde bijzondere vermeldingen moet bevatten wanneer de belastingplichtige kennis heeft genomen van het dossier (zie nr 52, hierna).
Afdeling 2 - Inzagerecht van het administratief dossier
A. Beginselen
38. De nieuwe versie van artikel 374, lid 3, WIB 92, schrijft niet meer voor dat de bezwaarindiener "inzage kan krijgen, zonder verplaatsing, van de stukken met betrekking tot de betwisting waarvan hij geen kennis had ".
Aan de oorsprong van die wijziging ligt een regeringsamendement ingediend tijdens de voorbereidende werken dat ertoe strekt "aan het Wetboek van de inkomstenbelastingen een regel te onttrekken die thans al is opgenomen in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur" (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1- 966/7, blz. 5).
De Minister van Financiën heeft eveneens verduidelijkt dat "de belastingplichtige het recht behoudt om zijn dossier in te zien bij de belastingdienst, een recht dat hem gewaarborgd wordt door de wet op de openbaarheid van de bestuurshandelingen en binnen de perken van die wet. Hier is het gemene recht van toepassing" (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 165).
39. In een arrest van 9 juli 1999 (nr 81.740, inzake Scheppers de Bergstein - geciteerde stukken vertaald door de redactie) heeft de Raad van State eraan herinnerd dat "het recht om elk bestuurlijk document te raadplegen en er kopie van te krijgen, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden die in de wet zijn vermeld, een fundamenteel recht is dat wordt gewaarborgd door artikel 32 van de Grondwet, dat eenieder een actueel belang heeft om te handelen met het oog op de naleving van die wet en om de weigering om hem het dossier te laten raadplegen te doen vernietigen; (...) dat een van de nuttige gevolgen van de wet van 11 april 1994 erin bestaat dat de personen die een bezwaar willen indien tegen een bestuurlijke beslissing, in dit geval een beslissing tot gedeeltelijke beperking van de invordering van de belasting, kennis kunnen nemen van het dossier en met kennis van zaken een bezwaar kunnen indienen." en dat "de uitzonderingen waarin artikel 6 van de wet voorziet limitatief worden opgesomd en strikt moeten worden geïnterpreteerd, en niet op systematische wijze kunnen worden aangevoerd om de inzage van een belastingdossier te weigeren zonder het beginsel van de openbaarheid van de bestuurlijke documenten uit te hollen".
B. Toepassing van de wet van 11 april 1994 binnen het raam van het administratief beroep
a. Algemene regel: toegang tot het administratief dossier
40. De wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (BS, 30.06.1999; Bull. nr 741, blz. 1689) is volledig van toepassing zowel in het stadium van de vestiging van de belasting als in het stadium van de betwisting.
Er kan dus worden verwezen naar de circulaire van de Administratievan Fiscale Zaken betreffende de toepassing van de wet op de openbaarheid van bestuur in de verhouding tussen het bestuur en de belastingplichtigen (zie circulaire nr Ci.RH.835/502.739 van 09.01.1999, Bull. nr 779, blz. 251). De verwijzing in die circulaire naar de jurisdictionele aard van de bezwaarprocedure moet evenwel worden genegeerd, gelet op de artikelen 32 en 98 van de wet van 15 maart 1999 die het administratief karakter van de opdracht van de directeur bevestigen.
41. Overeenkomstig artikel 5 van de wet van 11 april 1994 moet de aanvraag schriftelijk worden gericht aan de betrokken overheid.
De belastingplichtige mag de aanvraag doen in het bezwaarschrift of in een latere brief aan de directeur, aan de inspecteur belast met het onderzoek van het bezwaarschrift of aan elke ambtenaar die de aanvraag zal doorsturen naar de bevoegde persoon (zie Com. IB 92, nr 374/3l). Hij kan de aanvraag ook doen door middel van een geschrift dat wordt afgegeven op het ogenblik dat hij wordt gehoord door de ambtenaar die het bezwaarschrift onderzoekt.
Aangezien de inzage van het dossier niet meer, zoals in het verleden, gebeurt binnen het strikte raam van het onderzoek van het bezwaarschrift en de wet van 11 april 1994 geen enkele beperking terzake bevat, moet er worden van uitgegaan dat de belastingplichtige het recht heeft het administratief dossier op elk ogenblik te raadplegen (of opnieuw te raadplegen), d.w.z. ook nadat de directeur een beslissing heeft genomen en vooraleer een eventuele vordering in rechte wordt ingeleid (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1- 966/11, blz. 36). Die mogelijkheid moet natuurlijk verenigbaar blijven met de organisatie van de betrokken diensten.
42. Het recht om inzage van het administratief dossier te krijgen mag worden uitgeoefend zelfs als de belastingplichtige niet wordt gehoord omdat hij daarom niet gevraagd heeft in zijn bezwaarschrift (Parl St., Kamer, zitting 1998-1999, nr 1341/23, blz. 35).
Die regel wijkt niet af van de vroegere praktijk in de mate waarin reeds werd aangenomen dat het recht om te worden gehoord en het recht om inzage te krijgen van de stukken twee afzonderlijke rechten zijn die de belastingplichtige afzonderlijk kon uitoefenen (Luik, 26.03. 1986, F.J.F., 1987, blz. 209; Gent, 23.04.1991, F.J.F., 91/155).
43. De vraag om inzage moet duidelijk het betrokken onderwerp en indien mogelijk de betrokken bestuurlijke documenten vermelden (art. 5, Wet 11.04.1994). In belastingzaken kunnen de belastingplichtigen in beginsel inzage krijgen van het volledig individueel belastingdossier (zie advies van de Commissie voor de toegang tot de bestuursdocumenten nr I/CAD/94/26 van 24.10.1994).
b. Uitzonderingen
44. Zoals in het stadium van de vestiging van de belasting mag het bestuur zich steunen op de uitzonderingen van artikel 6 van de wet van 11 april 1994 om de vraag om inzage of mededeling in afschrift van bepaalde documenten te weigeren.
45. Zoals in het verleden blijft het nodig uit het dossier de stukken verwijderen die het beroepsgeheim zouden kunnen schenden waartoe de belastingambtenaren gehouden zijn krachtens artikel 337, WIB 92 (art. 6, § 2, Wet 11.04.1994 en voornoemde circ. AFZ, nr 3.8.1.B.2.). Zo mogen meer bepaald geen gegevens worden medegedeeld die het mogelijk maken de vergelijkingspunten te identificeren (zie Com. IB 92, nr 374/33).
Die uitzondering op de openbaarheid is absoluut. Wanneer de ambtenaar belast met het onderzoek het beroepsgeheim aanvoert moet hij geen afweging maken van de belangen die op het spel staan (zie voornoemde circ. AFZ, nr 3.8.1.B.2.). Hij moet nochtans steeds zijn beslissing tot weigering motiveren door de toepasselijke wettelijke bepaling te vermelden alsook de redenen waarom de mededeling van de gevraagde stukken in strijd zou zijn met het beroepsgeheim. Daarenboven moet elke beslissing de beroepsmogelijkheden vermelden evenals de vormen en termijnen die moeten worden in acht genomen (zie art. 2, 4°, Wet 11.04.1994). Ten slotte mogen slechts de delen van het document die door een uitzondering worden getroffen aan de openbaarheid worden onttrokken (art. 6, § 4, Wet 11.04.1994; zie R.v.S. 18.06.1997, nr 66.860, Matagne). In voorkomend geval moet dus het gedeelte van het document dat onder het beroepsgeheim valt, worden bedekt.
46. Overeenkomstig artikel 337, lid 3, WIB 92, zoals gewijzigd door artikel 12 van de wet van 15 maart 1999, wordt het beroepsgeheim van de ambtenaren van de administratie der directe belastingen opgeheven wanneer zij met betrekking tot de fiscale toestand van een belastingplichtige een vraag om raadpleging, uitleg of mededeling inwilligen van de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd (zie nr 7, hiervoor).
Rekening houdend met het doel van die wetswijziging mag een vraag tot raadpleging of kopiename vanwege de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, van stukken met betrekking tot de fiscale toestand van de echtgenoot, worden ingewilligd zonder de schriftelijke toestemming van deze laatste en dat los van het feit dat de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk zou kunnen doen aan zijn persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 6, § 2, 1° van de wet van 11 april 1994 (contra, maar voor de inwerkingtreding van artikel 12 van de wet van 15 maart 1999: circ. AFZ, nr 3.8.1. B. 1).
De Raad van State heeft dat beginsel toegepast in zijn voornoemd arrest van 9 juli 1999 (nr 81.740, Scheppers de Bergstein - vertaling door de redactie) door te beslissen dat "zo inzake het respect voor de persoonlijke levenssfeer van de vroegere echtgenoot (N.B.: feitelijk gescheiden echtgenoot op het ogenblik van de vestiging van de belasting), artikel 6, § 2, 1° van de wet van 11 april 1994 de administratieve overheid verplicht, behoudens schriftelijk akkoord van de betrokkene, de toegang tot een bestuurlijk document te weigeren (...) wanneer de openbaarmaking ervan afbreuk doet aan de persoonlijke levenssfeer, het in beginsel vertrouwelijk karakter van het belastingdossier nochtans niet rechtvaardigt dat men zou afwijken van het fundamenteel recht van de belastingplichtige om de gegrondheid van een schuld die het bestuur op hem verhaalt te betwisten, hetgeen met zich het recht brengt inzage te krijgen van de gegevens die nodig zijn om de elementen die het bestuur naar voor schuift te begrijpen en eventueel te betwisten". Zelfs zo die beslissing is genomen in het raam van de toepassing van artikel 394bis, WIB 92 (opgeheven bepaling door de wet van 15.03.1999), heeft de Raad van State niettemin duidelijk beslist dat het recht op respect voor de persoonlijke levenssfeer van de feitelijk gescheiden echtgenoot ondergeschikt is aan het fundamenteel recht van de belastingplichtige om inlichtingen te bekomen over de belastingtoestand van de andere echtgenoot om hem in staat te stellen de elementen waarop het belastingbestuur zich steunt te betwisten.
47. De inlichtingen die het bestuur krijgt en die in het belastingdossier voorkomen vormen bestuurlijke documenten in de zin van artikel 1, lid 2, 2° van de wet van 11 april 1994 zelfs indien de eventuele fiscale rechtzetting zijn oorsprong vindt in het resultaat van de onderzoeken die naar aanleiding van die inlichting werden gevoerd en niet in de inlichting zelf.
Het bestuur zou nog tegen de belastingplichtige het vroeger aangenomen motief om dergelijke documenten niet te moeten mededelen kunnen aanvoeren, met name de zorg om de verstandhouding tussen de burgers te bewaren (zie Com. IB 92 nr 374/33), maar ditmaal onder het oogpunt van de bescherming van de openbare orde (art. 6, § 1, 4°, wet van 11.04.1994). In dat geval moet iedere weigering individueel worden gemotiveerd. Een algemene motivering met loutere verwijzing naar de uitzonderingen die de wet voorschrijft is onvoldoende (zie R.v.S., 02.10.1997, nr 68.610, Delwart, F.J.F., nr 98/152). De op het spel staande belangen moeten dus zorgvuldig worden afgewogen en de weigeringsbeslissing moet de redenen vermelden waarom de openbaarmaking van de inlichtingsbrief de openbare orde kan schaden (bijvoorbeeld omdat de belastingplichtige zonder twijfel de opsteller van de brief zal identificeren ...).
Wanneer de inlichting ondertekend is door de opsteller kan het bestuur steeds de uitzondering van artikel 6, § 1, 8° van de wet van 11.04.1994 aanvoeren. Dat artikel laat toe de identiteit geheim te houden van de persoon die het document of de inlichting vertrouwelijk aan de administratieve overheid heeft medegedeeld ter aangifte van een strafbaar feit of een strafbaar geacht feit. Maar zelfs in dat geval zal de ambtenaar moeten aantonen waarom de bescherming van de identiteit van de aangever het haalt op het belang van de openbaarmaking.
48. Het verslag van de ambtenaar die het bezwaarschrift heeft onderzocht moet daarentegen steeds deel uitmaken van het dossier dat aan de belastingplichtige ter inzage wordt gegeven. Dat document beantwoordt immers aan de brede definitie van het bestuurlijk document waarop de openbaarheid van toepassing is (art. 1, lid 2, 2°, wet van 11.04.1994) en de traditionele beperking gegrond op de jurisdictionele functie van de directeur kan niet worden gehandhaafd gelet op de artikelen 32 en 98 van de wet van 15.03.1999.
Het bestuur zal terzake de uitzondering van artikel 6, § 3, 2° van de wet van 11 april 1994 niet kunnen aanvoeren waarin gesteld wordt dat de overheid een vraag tot inzage kan weigeren wanneer ze "een advies of een mening betreft die uit vrije wil en vertrouwelijk aan de overheid is meegedeeld" (zie circulaire AFZ, nr 3.8.1.C.2.).
49. Zo ook moet aan de bezwaarindiener inzage worden gegeven van de documenten en inlichtingen die met de toestemming van de procureur-generaal of de auditeur-generaal uit een gerechtsdossier werden geput maar met uitzondering van de stukken die betrekking hebben op andere belastingplichtigen en die van die aard zijn dat ze het beroepsgeheim opgelegd door artikel 337, WIB 92 kunnen schenden (contra: voormelde circ. AFZ, nr 3.8.1.A.5. in fine; onder het stelsel van artikel 374, WIB 92: Circ. nr Ci.RH.861/335.640 van 31.08.1982, Bull. nr 610, blz. 2457).
De raad van State heeft geoordeeld dat, zodra ze deel uitmaken van het belastingdossier, het bestuur de openbaarmaking van de documenten verkregen uit een strafrechtelijk dossier niet kan weigeren door zich te beroepen op de uitzondering voorgeschreven door artikel 6, § 1, 5° van de wet van 11 april 1994, dat toelaat de openbaarmaking te weigeren in het belang van de opsporing of vervolging van strafbare feiten. Het belastingdossier heeft alleen de vaststelling van de belasting tot doel en bevat normaal gezien geen documenten die verband houden met de opsporing of de vervolging van strafbare feiten. In de veronderstelling dat er nog sporen in terug te vinden zijn van datgene waarvoor zij eerst dienden staat het de administratie vrij deze weg te laten uit het medegedeelde dosssier (R.v.S., 18.06.1997, Nr 66.861, Matagne, J.T., 1998, blz. 256).
Op te merken valt dat zelfs dan geval per geval moet vermeld worden waarin het verbergen van een deel van het document gerechtvaardigd is in het belang van de opsporing of vervolging van strafbare feiten.
50. Persoonlijke nota's zonder rechtstreeks verband met de betwisting mogen uit het dossier worden weggelaten op grond van artikel 6, § 3, 1° en 2° van de wet van 11 april 1994.
C. Aanslagjaren 1998 en vorige
51. Artikel 374, lid 3, WIB 92 treedt in werking vanaf het aanslagjaar 1999. Nochtans moet, zoals later wordt uiteengezet, het beroep bij de directeur der belastingen als een zuiver administratief beroep worden beschouwd en dat reeds voor de inwerkingtreding van de wet van 15 maart 1999 (art. 98, wet 15.03.1999). De rechtspraak die de wet van 11 april 1994 niet van toepassing verklaarde op de bezwaarprocedure omdat die procedure geacht werd van jurisdictionele aard te zijn (R.v.S., 29.08.1995, S.A. La Hersautoise, nr 54.901; R.v.S., 08.03.1996, nr 58.514, Tarabict), verliest dus zijn bestaansreden.
Hieruit volgt dat de verplichtingen van de wet van 11 april 1994 alsook die welke voortvloeien uit het Koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument, onmiddellijk van toepassing zijn. Dat slaat ook op de betwistingen die betrekking hebben op de aanslagjaren 1998 en vorige.
Artikel 13 van de wet van 11 april 1994 waarin gesteld wordt dat "deze wet geen afbreuk doet aan de wetsbepalingen die in een ruimere openbaarheid van bestuur voorzien" is hier niet van toepassing. Artikel 374, lid 2, WIB 92 beoogde in theorie immers slechts de stukken met betrekking tot de betwisting waarvan de bezwaarindiener geen kennis had.
D. Praktische regels
52. Voor de wijze waarop in de praktijk inzage wordt gegeven van een dossier, wordt verwezen naar de richtlijnen vermeld in de nummers 3.5 en 3.7 van de circulaire Ci.RH.835/502.739 van de AFZ. Op te merken valt dat het houden van een register van vragen tot inzage zoals voorgeschreven door artikel 5, lid 3 van de wet betreffende de openbaarheid van bestuur verplicht is voor elke federale administratieve overheid. Die verplichting strekt zich dus ook uit tot de diensten die de bezwaarschriften onderzoeken. Het formulier waarvan sprake in nr 374/39, Com. IB 92, kan voort worden gebruikt maar moet voortaan de vermeldingen bevatten die zijn opgenomen in nr 3.7. 1. van de voormelde circulaire.
53. De prijs van de fotokopieën die de belastingplichtige heeft gevraagd moet worden geïnd overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 augustus 1996 tot vaststelling van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument (BS, 20.09.1996) en niet meer volgens de richtlijnen van nr 374/36 Com. IB 92 (10 frank per bladzijde).
In dat verband wordt erop gewezen dat overeenkomstig artikel 2 van liet voormeld koninklijk besluit "het bedrag van de vergoeding wordt berekend per bestuursdocument en per aanvraag, met een minimum van vijftig frank". De vergoeding voor een document op A4-formaat bedraagt twee frank per bladzijde maar die vergoeding wordt teruggebracht tot 1 frank per bladzijde vanaf de honderd en eerste (art.3).
Afdeling 3 - Beroep
54. De betwistingen over het recht om door het bestuur te worden gehoord (art. 374, lid 3, WIB 92) slaan op de individuele toepassing van een fiscale regel en kunnen bijgevolg worden voorgelegd aan de rechtbank van eerste aanleg (art. 596, lid 1, 32°, Ger.W) (zie nr 100).
55. Wat betreft de mededeling van het administratief dossier.
Vanaf het aanslagjaar 1999 volgt het recht tot toegang van het dossier uitsluitend uit de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (zie nr 38, hiervoor). De belastingschuldige die geconfronteerd wordt met een definitieve weigering tot toegang van het administratief dossier kan dus overeenkomstig artikel 8, § 2 van de wet van 11 april 1994 een beroep tot schorsing of vernietiging instellen bij de Raad van State. (op voorwaarde aan de betrokken dienst een verzoek tot heroverweging te hebben gestuurd en aan de Commissie voor toegang tot bestuursdocumenten advies te hebben gevraagd; zie de procedure beschreven in punt 5 van de voormelde circulaire van 09.01.1998 van de AFZ).
Wanneer het bezwaarschrift betrekking heeft op de aanslagjaren 1998 en vorige staat het recht tot inzage van het administratief dossier vermeld in artikel 374, lid 3, WIB 92. Daaruit volgt dat de eventuele betwistingen terzake op de toepassing van de belastingwet slaan (ongeacht het feit dat de wet van 11 april 1994 onmiddellijk van toepassing is: zie nr 51, hiervoor). De rechtbank van eerste aanleg is bijgevolg bevoegd (zie nrs 100 en 117, hierna) en het bestaan van een wettelijk georganiseerd beroep voor de rechterlijke macht sluit de bevoegdheid uit van de Raad van State uit (Salmon, Le Conseil d'Etat, Brussel, 1994, T.I, blz. 239: R.v.S. 09.11.1976, nr 17.882, Muller).
Afdeling 4 - Andere wijzigingen aan artikel 374, WIB 92
56. Artikel 374, WIB 92 nieuw, verwijst thans ook naar artikel 319 en geeft de onderzoekende ambtenaar dan ook de bevoegdheid om van natuurlijke personen of rechtspersonen, tijdens de uren dat er een werkzaamheid wordt uitgeoefend, vrije toegang te eisen tot hun beroepslokalen, om de aard, de belangrijkheid en de hoeveelheid van de voorraden en voorwerpen van alle aard vast te stellen welke die personen er bezitten of er om welke reden ook onder zich hebben.
Dat artikel kent ook een nieuwe formulering inzake het opheffen van het bankgeheim tijdens het onderzoek: thans spreekt men van "kredietinstellingen onderworpen aan de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen".
HOOFDSTUK 10: BESLISSING VAN DE DIRECTEUR
57. Art. 375 - § 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar doet, als administratieve overheid, uitspraak bij met reden omklede beslissing nopens de bezwaren aangevoerd door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
De kennisgeving van de beslissing geschiedt bij ter post aangetekende brief. Deze beslissing is onherroepelijk wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de in artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek vermelde termijn.
§ 2. Het is hem niet toegelaten bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen, noch de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
(Art. 32, Wet 15.03.1999)
Inwerkingtreding: vanaf het aanslagjaar 1999.
De directeur van de belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar beslist over de bezwaarschriften in zijn hoedanigheid van administratieve overheid.
(Art. 98, Wet 15.03.1999)
Afdeling 1 - Beginselen
58. De nieuwe tekst van artikel 375, lid 1, WIB 92 vloeit voort uit een regeringsamendement om "uit het arrest R. Walgraffe de besluiten te trekken over de administratieve aard van de beslissing van de belastingdirecteur" (Parl. St. Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/23, blz. 35; Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 169).
Artikel 98 van de wet van 15 maart 1999 vindt zijn oorsprong in een ander regeringsamendement om "ingevolge het op 10 juni 1998 verleende arrest nr 67/98 van het Arbitragehof, de interpretatie te bevestigen volgens welke de thans bestaande procedure van bezwaarschriften reeds voor de goedkeuring van deze wet, een administratief beroep vormde bij een administratieve overheid" (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 210).
Die twee bepalingen zijn dus gerechtvaardigd door het feit dat de jurisdictionele bevoegdheid die aan de directeur der belastingen werd toegeschreven door het Hof van Cassatie sinds het arrest van 16.02.1954 (Pas., I, blz. 641) in vraag gesteld is door het voormelde arrest van het Arbitragehof van 10.06.1998 (BS 12.09.1998) en op Europees vlak door een arrest van 14.12.1995 van het Hof van Justitie (J.L.M.B., 1996, blz. 1616).
Artikel 32 van de wet van 15 maart 1999 is van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. Artikel 98 is volgens de voorbereidende werken daarentegen een interpretatieve bepaling (Parl St., Kamer, zitting 1997-1998, Verslag opgesteld namens de commissie voor financiën en begroting, nr 1341/23, blz. 43).
Als interpretatieve wet heeft ze een retroactief effect in die zin dat de handelingen die verricht zijn voor de inwerkingtreding beheerst blijven door de geïnterpreteerde wet, maar in de betekenis zoals gedefinieerd door de nieuwe wet (Velu, Droit public, 1986, nr 386, blz. 587; Mast, Overzicht van het Belgisch grondwettelijk recht, 7° druk, 1983, nr 385, blz. 586).
De wetgever heeft aldus betwistingen over de aard van de beslissingen genomen voor de inwerkingtreding van de nieuwe wet willen vermijden. Die beslissingen moeten eveneens beschouwd worden als loutere administratieve handelingen.
Het interpretatief karakter van artikel 98 van de wet van 15 maart 1999 is door het Hof van Cassatie bevestigd in een arrest van 20.02.2000 (Berger - Noiroux, onuitgegeven).
Door uitdrukkelijk te stellen dat de directeur geen jurisdictionele functie meer heeft worden we teruggeplaatst in de toestand zoals die bestond voor 16.02.1954. Voor die datum was het Hof van Cassatie van oordeel dat de directeur geen enkele jurisdictionele functie uitoefende (Cass. 22.06.1936, Pas., I, blz. 310; Cass., 08.06.1939, Pas., I, blz. 197). Die oude rechtspraak van het Hof van Cassatie stelt ons in staat sommige bijzondere problemen op te lossen betreffende de opdracht die de directeur der belastingen heeft.
59. Het beroep beoogd bij artikel 366, WIB 92 moet als een georganiseerd administratief beroep worden beschouwd dat voor een hiërarchische overheid wordt gebracht die een bevoegdheid heeft inzake geschillen (zie Lewalle, Contentieux administratif, 1997, nr 5, blz. 32).
Bij een georganiseerd beroep is de hiërarchische overheid niet alleen verplicht de betwiste handeling te heroverwegen, maar moet de bestuurde, binnen de opgelegde termijnen, de zaak aan de overheid overleggen alvorens een contentieus beroep te kunnen instellen (Flamme, Droit administratif, T.I., nr 188, blz. 437; in deze is het beroep van contentieuze aard vanaf de eerste aanleg). Dat beginsel wordt uitdrukkelijk bevestigd door artikel 1 385undecies nieuw van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet slechts bij de rechtbank van eerste aanleg kunnen worden ingeleid indien de eiser voorafgaandelijk het door de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld (zie nr 114 hierna).
De directeur heeft een geschillenbeslechtende bevoegdheid: artikel 375, § 1, WIB 92 bepaalt immers dat de directeur uitspraak doet over de bezwaren die de belastingplichtige aanvoert. Hij heeft dus de macht om geschillen te beslechten die op subjectieve rechten slaan. Daaruit volgt dat de directeur het geschil moet onderzoeken onverminderd het recht van de belastingplichtige om rechtstreeks naar de rechtbank te stappen na verloopvan een bepaalde termijn. Tot slot gaat het om een hiërarchisch beroep (hoewel in het administratief recht die term over het algemeen slaat op een niet georganiseerd beroep die open staat voor elke burger, zelfs wanneer een specifieke beroepsprocedure ontbreekt - zie Lewalle, op. cit. blz. 165 en 193).
Afdeling 2 - Gevolgen van het administratief karakter van de beslissing.
A. Naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur
a. Algemeen
60. Als administratieve overheid is de directeur der belastingen onderworpen aan het beginsel van behoorlijk bestuur, dat een algemeen rechtsbeginsel is.
Die regel die verschillende keren werd aangehaald in de voorbereidende werken van de wet van 15 maart 1999 (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/17, blz. 103, nr 1341/23, blz. 2) moet nauwgezet worden toegepast aangezien het administratief beroep bij de directeur een verplichting is voor de belastingplichtige die zijn geschil met het belastingbestuur niet rechtstreeks aan de rechtbank kan voorleggen.
Het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur kan worden onderverdeeld in sub-beginselen die slaan op de openbaarheid van bestuur, de rechtszekerheid, het gelijkheidsbeginsel of het discriminatieverbod, het zuiver oogmerk of het verbod van machtsafwending, de zorgvuldigheidplicht, het fair play beginsel, de motiveringsplicht en de onpartijdigheid.
61. Er valt nochtans op te merken dat in het fiscaal recht het algemeen belang dat elke administratieve overheid moet nastreven om niet in willekeur te vervallen, samenvalt met de juiste heffing van de belasting en dus met de juiste toepassing van de wet. Hieruit volgt dat een wet van openbare orde voorrang heeft op het beginsel van behoorlijk bestuur. Dat beginsel is herhaaldelijk door de rechtspraak bevestigd (zie not.; Cass. 08.01.1993, F.J.F., nr 93/230; Cass. 21.11,1996, Arr. Cass., 1996, nr 447, blz 1072; Cass. 04.06.1998, Pas, I, blz. 287; Antwerpen, 27.01.1994, F.J.F., nr 94/103; Brussel, 24.05.1996, onuitgegeven, dat op een bijzonder heldere wijze beslist dat "de machtsoverschrijding die bestaat in een onwettige ontheffing van belastingen nooit een beginsel van behoorlijk bestuur kan vormen").
62. De wet zelf legt enkele "beginselen van behoorlijk bestuur" op aan de directeur en de ambtenaren die de bezwaarschriften onderzoeken.
Zo vinden we de algemene verplichting om de bestuurde te horen alvorens een beslissing te nemen (audi alteram partem) terug in artikel 374, lid 3, WIB 92 (zie nr 34, hiervoor), het recht om het belastingdossier te raadplegen in de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur (zie nr 38, hiervoor) en de verplichting tot motivering in artikel 375, lid 1, WIB 92.
b. Motivering van de beslissing
63. De Minister van Financiën heeft gesteld dat de beslissing van de directeur "(...) duidelijk moet worden gemotiveerd. De belastingadministratie moet de bestaande rechtsregels op een feitelijke situatie toepassen" (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/23 blz. 3).
Aangezien het om een administratieve handeling gaat valt de beslissing van de directeur daarenboven onder de toepassing van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (BS 12.09.1991, Bull., nr 710, blz. 2490). De motivering moet dus niet alleen expliciet in rechte en in feite zijn, maar ook afdoende (zie Circ. Ci.RH.81/439.496 van 27.07.1992, Bull., nr 719, blz. 2187).
c. Beginsel van onpartijdigheid
64. Het beginsel van onpartijdigheid blijft van toepassing, niet meer omwille van het jurisdictioneel karakter van de opdracht van de directeur maar omwille van het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Er wordt unaniem aangenomen dat in het raam van een administratieve geschillenprocedure het beginsel van behoorlijk bestuur moet worden nageleefd (zie Pâques, L'application de la loi fiscale - Principes de bonne administration en droit administratif et en droit fiscal. Présentation et mise en oeuvre, Act. Dr., blz. 433).
65. Zoals in het, verleden is het dus aangewezen een ambtenaar die betrokken geweest is bij de vestiging van de belasting, niet te belasten met het onderzoek van het bezwaarschrift tegen die aanslag, Com. IB 92, nr 374/4).
Daarentegen is de -rechtspraak die verbood dat een ambtenaar die het onderzoek van het bezwaarschrift had gevoerd vervolgens zelf de beslissing nam als gedelegeerde ambtenaar van de directeur, zonder bestaansreden geworden (Brussel, 21.01.1999, F.J.F., nr 99/59).
d. Effectief karakter van de procedure
66. Op grond van het beginsel van het "effectief karakter van de procedure", mag het door de wet voorgeschreven en georganiseerd administratief beroep niet verworden tot een zinloze formaliteit"(zie Flamme, Droit administratif, T.I., nr 167, blz. 393).
Er moet dus voor gezorgd worden dat het verplicht administratieberoep inzake inkomstenbelastingen werkelijk als filter dient zoals de wetgever het heeft beoogd. Het doel is immers te vermijden dat talrijke belastingplichtigen naar de gerechtelijke procedure grijpen, hetgeen onvermijdelijk de rechtbanken zou overbelasten, een negatieve invloed hebben op de invorderingvan de belastingen en de juridische cellen zou bedelven onder een lawine vangeschillen.
e. Het rechtszekerheidsbeginsel
67. Onder de beginselen van behoorlijk bestuur die van toepassing zijn op het belastingbestuur vinden we ook het rechtszekerheidsbeginsel. Dat beginsel houdt meer bepaald in dat de burger moet kunnen vertrouwen op wat door hem niet anders kan worden opgevat dan als een vaste gedrags- of beleidslijn van de overheid. Hieruit volgt dat de openbare diensten in beginsel de gewettigde verwachtingen die zij bij de burger hebben gewekt, dienen in te lossen (Cass. 13.02.1997, Bull., nr 775, blz. 2272).
68. Wanneer aldus de ambtenaar die een bezwaarschrift behandelt en de bezwaarindiener zonder enig voorbehoud een akkoord sluiten over een feitenkwestie (bijvoorbeeld over de hoegrootheid van het belastbaar inkomen in het kader van een aanslag van ambtswege), is de ambtenaar die een beslissing moet nemen over het bezwaarschrift, gebonden door dat akkoord, tenzij dat dit akkoord op een dwaling of een ander wilsgebrek zou berusten of dat na het sluiten ervan nieuwe elementen aan het licht zouden zijn gekomen en dat het akkoord geen rekening zou houden met het juiste bedrag van de belastbare inkomsten (Cass. 13.02.1997, voornoemd).
Daarom is het nodig dat akkoorden over feitenkwesties in het kadervan het onderzoek van het bezwaarschrift zouden worden gesloten onder voorbehoud van goedkeuring door de directeur.
Daarentegen verzetten het feit dat de belastingwet van openbare orde is en het beginsel van de wettigheid van de belasting (art. 170 van de Grondwet en het beginsel van de gelijkheid voor de belastingwet - art. 10 en 172 van de Grondwet) er zich tegen dat akkoorden worden gesloten over rechtskwesties. Zo bindt een akkoord over de kwalificatie van bepaalde inkomsten of over de aftrekbaarheid van kosten die dat ingevolge de wettekst uitdrukkelijk niet zijn, de directeur niet bij het nemen van zijn beslissing. Maar zelfs in dat geval moet de directeur duidelijk de redenen vermelden waarom hij een andere beslissing neemt dan tijdens het onderzoek is vooropgesteld.
Ook is het zo dat het belastingbestuur, gelet op het beginsel van de annualiteit van de belasting, voor een bepaald aanslagjaar een ander standpuntkan innemen dan voor eerdere aanslagjaren en dat de belastingplichtige geen verworven recht verkrijgt uit het feit dat het belastingbestuur voorheen een bepaalde verrichting zou hebben aangenomen, wanneer het nieuwe standpunt niet in strijd met de wet is. Het rechtszekerheidsbeginsel is er immers niet opgericht om onregelmatigheden in hoofde van de belastingplichtige te dekken (Cass. 21.11.1996, Arr. Cass., 1996, deel 7, nr 447, blz. 1072; Antwerpen 21.04.1994, F.J.F., 1994, 94/203; Luik, 10.05.1995, Courtois, onuitgegeven). De algemene beginselen van behoorlijk bestuur kunnen niet worden ingeroepen indien die leiden tot een beleid dat tegen de wettelijke bepalingen ingaat (Cass. 14.06.1999, Belgische Staat, Staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie tegen Willekens, R.W. 1999-2000, nr 42, 17 juni 2000, blz. 1450 en Arr. Cass., 1999, 352).
f. Bijzondere probleemstelling inzake circulaires
69. In het raam van een administratief beroep, onderworpen aan een administratieve overheid, kan aan de directeur niet worden verweten dat hij zijn overheid volgt en dat hij zonder meer de richtlijnen van het hoofdbestuur toepast of volgt, zelfs als die richtlijnen zijn verkregen ingevolge een vraag om advies(contra onder de vroegere wetgeving: Antwerpen 23.03.1988, F.J.F., nr 88/218). Tijdens de voorbereidende werken is duidelijk gesteld dat de behandeling van het administratief beroep dient te gebeuren "met naleving van de regels van de interne bestuurlijke hiërarchie" (Parl. St., Kamer, zitting 1998-1999, nr 1341/23, blz.3).
In dat verband wordt er op gewezen dat de circulaires bestemd zijn om de ambtenaren die belast zijn met de dagelijkse toepassing van de belastingwetten voor te lichten en te leiden, maar geen bron van recht vormen voor de belastingplichtigen. Niettemin concretiseert de eenvormige toepassing van een rechtsregel door het belastingbestuur het beginsel van het discriminatieverbod en wanneer de circulaire openbaar wordt gemaakt (bijvoorbeeld via de publicatie in het Bulletin der belastingen) mogen de belastingplichtigen ervan uitgaan dat zij voor "een vaste gedrags- en beleidslijn staan" (zie nr 67, hiervoor).
Wanneer het lot van een bezwaarschrift "bij voorbaat" vastligt wegens de strikte toepassing van een circulaire, is het moeilijk verdedigbaar geen beslissing te nemen binnen een redelijke termijn. Wordt in dat geval geen beslissing genomen binnen een redelijke termijn dan wordt het beginsel van behoorlijk bestuur miskend.
g. Verplichting om binnen een redelijke termijn te beslissen
70. Zoals onder het vroegere stelsel legt geen enkele bepaling de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar de verplichting op om binnen een bepaalde termijn te beslissen.
Het ontbreken van een beslissingstermijn wordt nochtans getemperd door de mogelijkheid die de belastingplichtige heeft om de dialoog te staken wanneer hij van oordeel is dat hij na verloop van een redelijke termijn nog steeds niet het "laatste woord" van het belastingbestuur kent
Artikel 1385undecies nieuw van het Gerechtelijk Wetboek stelt immers dat de belastingplichtige na zes (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) een vordering bij de bevoegde rechtbank kan inleiden zonder te moeten wachten op de beslissing van de directeur, waardoor het bestuur zijn beslissingsbevoegdheid verliest.
Die bepaling is evenwel slechts van toepassing vanaf het aanslagjaar 1999. Voor de bezwaarschriften betreffende de vroegere aanslagjaren heeft de wetgever in een overgangsperiode voorzien. Voor die bezwaarschriften kan de belastingplichtige die reeds meer dan zes (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) op een beslissing wacht pas vanaf 1 april 2001 een vordering inleiden bij de rechtbankvan eerste aanleg.
71. Het spreekt vanzelf dat niet alle belastingplichtigen na zes maanden de dialoog met het belastingbestuur zullen afbreken. In bepaalde gevallen zou dat trouwens in hun nadeel zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval voor bezwaarschriften inzake onroerende voorheffing wegens onproductiviteit of het verlies van het genot van inkomsten gedurende het belastbaar tijdperk, dewelke bijgevolg pas op het einde van het belastbaar tijdperk kunnen worden onderzocht.
Toch moeten we aannemen dat in de ogen van de wetgever de redelijke termijn om over een bezwaarschrift te beslissen zes maanden bedraagt. De Minister van Financiën heeft zich trouwens duidelijk in die zin uitgesproken door te verklaren dat de termijn van zes maanden "moet worden beschouwd als de redelijke termijn waarbinnen de administratie een beslissing moet kunnen nemen" (Parl. St., Kamer, zitting 1998-1999, nr 1341/23, blz. 16)"rekening houdend met het feit dat de duur van die termijn in sommige gevallen kan schommelen naargelang van het belang of de aard van het geschil" (Parl. St., Kamer, nr 1341/23, blz. 46).
Alles moet dus in het werk worden gesteld om de oude geschillen op te lossen en om over de bezwaarschriften betreffende de aanslagjaren 1999 en volgende binnen de termijn van zes maanden te beslissen.
Zo ten slotte de belastingplichtige niet verplicht is een vordering in rechte in te stellen na zes of negen maanden, moet hij niettemin in staat worden gesteld om met kennis van zaken zijn keuze te bepalen. Daarom is het essentieel, in het raam van het behoorlijk bestuur, aan de belastingplichtige (of zijn lasthebber) die daarom vraagt, de redenen mee te delen die de directeur beletten te beslissen.
h. Procedurele samenwerking
72. Overeenkomstig het beginsel van de "procedurele samenwerking" (zie Flamme, Droit administratif, 1989, T.I, blz. 362, nr 152) moeten de richtlijnen vermeld in de Com. IB 92, nr 366/33 (bezwaarschriften betreffende voorheffingen ingediend door de verkrijgers van de inkomsten), nr 366/35 (bezwaarschriften niet ingediend bij de bevoegde directeur) en nr 375/16 (onontvankelijke bezwaarschriften omdat ze niet in de wettelijke vormen zijn ingediend), strikt worden nageleefd
i. Vermelding van de beroepsmogelijkheden
73. Dat beginsel staat uitdrukkelijk vermeld in artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 (Bull., nr 741, blz. 1698). Met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang.
Als administratieve beslissing valt de beslissing van de directeur voortaan onder de toepassing van die bepaling (zie Parl St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/17, blz. 68).
74. Voortaan moet de kennisgeving van de beslissing de volgende tekst bevatten:
"Alleen een vordering ingeleid bij de Rechtbank van eerste aanleg te (.) (zie nr 105, hierna) belet dat deze beslissing definitief wordt.
De vordering wordt voor de rechter gebracht bij verzoekschrift op tegenspraak.
Dat verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van de bestreden beslissing.
De vordering moet worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de bestreden beslissing.
Dit verzoekschrift op tegenspraak moet met zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn; het moet de griffie bereiken voor de bovenvermelde termijn van drie maanden verstrijkt".
B. Onherroepelijk karakter van de beslissing van de directeur - Gezag van administratief gewijsde
75. Het tweede gevolg van administratie opdracht die de directeur thans vervult bestaat erin dat de beslissing genomen op grond van artikel 375, § 1, WIB 92, geen gezag van gewijsde meer heeft aangezien dit een kenmerk is van een rechterlijke beslissing.
We moeten er ons nochtans van bewust zijn dat het "gezag van het gewijsde" dat aan de directeursbeslissing werd toegeschreven een zeer precieze zin had, verbonden aan het eigen karakter van de belastingen. Het gezag verbonden aan wat door de directeur der belastingen is beslist vormt "een grond van niet-ontvankelijkheid die de directeur of de rechter op definitieve wijze belet de grondslag van de betwiste aanslag te onderzoeken en die zich in elke stand van het geding tegen de vestiging van de aanslag verzet".
Het gezag van het gewijsde inzake directe belastingen vindt zijn wettelijke grondslag in de algemene beginselen die de vestiging van de belasting beheersen en volgens dewelke een aanslag slechts kan worden gevestigd gedurende bepaalde termijnen, en, behoudens de uitzonderingen in de wet voorgeschreven, slechts een maal per aanslagjaar. Het gezag van het gewijsde heeft dus als essentiële uitwerking dat belet wordt dat ten aanzien van dezelfde belastingplichtige een nieuwe aanslag wordt gevestigd die geheel of gedeeltelijk onverenigbaar is met wat over een vroegere aanslag werd "gevonnist" (Cass. 03.09.1968, Pas., 1969, I, blz. 4 en de conclusies van het openbaar ministerie; Cass. 03.05.1973, Bull., nr 519, blz. 1228).
Vanuit die invalshoek wordt de draagwijdte van de beslissing van de directeur over een bezwaarschrift niet fundamenteel in vraag gesteld door het feit dat die beslissing voortaan als een loutere administratieve beslissing moet worden beschouwd. Wanneer de beslissing immers definitief wordt blijft zij de inkohiering van een nieuwe belasting die onverenigbaar is met wat werd beslist verhinderen.
Het staat vast dat de beslissingen van de directeur, zelfs ontdaan van hun jurisdictioneel karakter in de strikte zin van het woord, "definitief kunnen worden ingevolge de bijzondere wetten die de bevoegdheden van de directeur der belastingen regelen" (zie Cardyn, Depret en Loockx, Procédure fiscale contentieuse, 3° uitgave, Deel II, blz. 151, nr 109).
Dat beginsel wordt in uitdrukkelijke bewoordingen bevestigd door artikel 375, § 1, lid 2, WIB 92, dat stelt dat de beslissing die ter kennis is gebracht van de belastingschuldige onherroepelijk is wanneer geen vordering is ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg binnen de daartoe voorgeschreven termijn. Daaruit volgt dat na het verstrijken van die termijn de beslissing kracht van "administratief gewijsde" krijgt en de aanslag onaantastbaar wordt, onverminderd het recht van het belastingbestuur om een aanvullende aanslag te vestigen indien de wettelijke aanslagtermijnen nog niet verstreken zijn.
Voor het overige wordt erop gewezen dat de directeur "uitspraak doet nopens de bezwaren" en geschillen over subjectieve rechten beslecht. Aangezien zijn beslissing een geschil oplost dat, krachtens een wetsbepaling, tot zijn bevoegdheid behoort, krijgt die beslissing gezag van "administratief gewijsde" in die zin dat niemand nog de uitvoerbare kracht van het kohier in combinatie met de definitief geworden beslissing, kan aantasten (zie het advies voorafgaand aan Cass. 08.06.1938, Pas., I, blz. 198).
76. Aangezien de kohieren slechts voor 1 jaar uitvoerbaar worden verklaard gelden de administratieve contentieuze beslissingen die de belastingen vastleggen slechts voor het betrokken aanslagjaar. Het gezag van het administratief gewijsde is beperkt tot de aanslagen beoogd in de beslissing van de directeur en strekt zich, bij gebreke aan identiteit in voorwerp, niet uit tot aanslagen betreffende latere aanslagjaren (zie op grond van dezelfde motieven, Cass., 26.01.1965, Pas., I, blz. 515).
Het gebeurt dat een beslissing van de directeur er zich toe beperkt een betwiste aanslag volledig te ontheffen wegens het bestaan van vroegere verrekenbare beroepsverliezen die het bedrag van de belastbare inkomsten van het aanslagjaar volledig opslorpen. In dat geval mag de belastingplichtige, in het raam van een bezwaarschrift ingediend voor latere aanslagjaren, het bewijs leveren van het bestaan van een hoger verliessaldo, zelfs als de eerste beslissing definitief is geworden omdat geen gerechtelijk beroep is ingesteld (Brussel, 17.12.1999, S.A. Sobelair, onuitgegeven).
Wanneer de beslissing van de directeur evenwel het saldo van de vroegere beroepsverliezen die kunnen worden aangerekend op de inkomstenvan de betwiste aanslagjaren heeft vastgelegd en de belastingplichtige de betwisting niet voor de bevoegde rechter heeft gebracht, waardoor de beslissing definitief wordt, kan hij het aldus vastgestelde bedrag van de beroepsverliezen niet meer betwisten in het raam van een bezwaarschriftbetreffende een later aanslagjaar om grotere verliezen te kunnen aanrekenen dan die welke vastgelegd werden in de beslissing van de directeur (Cass.,15.09.1994, F.J.F., nr 94/223, Arr. Cass., 1994, deel 5, nr 379, impliciete oplossing; zie ook Brussel, 06.04.1963, Bull. nr 408, blz. 1164).
Zo ook kan de belastingplichtige, wanneer een beslissing betreffende een vroeger aanslagjaar definitief is geworden, geen punt meer in vraag stellen waarover de directeur definitief heeft beslist rekening houdend met alle feitelijke en juridische argumenten die de belastingplichtige heeft aangevoerd. Zo zal bijvoorbeeld de definitieve beslissing van de directeur die het bestaan van een kapitaal op een bepaalde datum heeft vastgesteld, gezag van administratief gewijsde hebben voor de volgende aanslagjaren (Luik,17.12.1971, Rev. fiscale, 1972, blz. 318 en Luik, 09.06.1982, J.D.F., 1983, blz. 290).
C. Bevoegdheidsverlies van het belastingbestuur
a. In geval van beslissing door de directeur
77. De begripsverschuiving van gezag van rechterlijk gewijsde naar "kracht van administratief gewijsde" leidt niet tot het opgeven van het beginsel dat de directeur onbevoegd wordt eens de beslissing is genomen (Com. IB 92, nr 375/13 en 17).
De algemene beginselen van de veranderlijkheid van de bestuurshandelingen kunnen in deze materie niet als dusdanig worden overgebracht.
Zo kan de directeur zijn beslissing niet intrekken gedurende de termijn van drie maanden beoogd in artikel 1385undecies, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek en een andere beslissing in de plaats stellen.
Wanneer de beslissing geheel of ten dele gunstig is voor de belastingplichtige volgt die oplossing uit het door artikel 375, § 2, WIB 92 ingestelde verbod om een aanvullende aanslag te vestigen of om de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag. De directeur kan dus niet terugkomen op ontheffingen die werden toegestaan ingevolge een beslissing die hij verkeerd acht.
Wanneer de beslissing ongunstig is voor de belastingplichtigen zouden sommigen onder hen ertoe geneigd kunnen zijn, eerder dan rechtstreeks een vordering bij de rechtbank in te leiden, aan de directeur een heroverweging te vragen via het "willig" beroep, door nieuwe middelen aan te voeren of zelfs door nieuw bewijsmateriaal voor te leggen waarover zij niet beschikten tijdens het onderzoek van het bezwaarschrift (het voorleggen van nieuwe bezwaren is "a contrario" uitgesloten door de tekst van artikel 372, WIB 92).
Die mogelijkheid kan om de volgende redenen niet worden aanvaard.
Enerzijds moet men er rekening mee houden dat, zelfs in het administratief recht, het algemeen administratief beroep dat het willig beroep bij de auteur van de betwiste handeling vormt, en dat over het algemeen openstaat voor de bestuurden tegen de administratieve handelingen die hun belangen schaden, uitgesloten is wanneer een tekst een bijzonder beroep organiseert, met naleving van specifieke procedures en termijnen (Lewalle, Contentieux administratif, Luik, 1997, blz. 189, nr 165 en de vermelde rechtspraak).
Anderzijds heeft het Hof van Cassatie, lang voordat het een rechtsprekende functie aan de directeur toeschreef, over die vraag moeten oordelen. In zijn arrest van 08.06.1938 (Pas., I, blz. 197) oordeelt het hof dat, "geen enkele wetsbepaling (...) inzake de inkomstenbelastingen aan de directeur der belastingen het recht geeft een beslissing die hij heeft genomen te herroepen of te vernietigen en ze te vervangen door een nieuwe beslissing; (...) dat eens de beslissing is genomen en aan de bezwaarindiener per aangetekende brief is ter kennis gebracht, zij het belastingbestuur bindt" en dat" "(de beslissing) slechts ten aanzien van de belastingschuldige niet definitief is" (nu deze over een termijn van 40 dagen beschikt om een voorziening bij het hof van beroep in te leiden).
In het raam van de voorbereidende werken van de wet van 15 maart 1999 verklaarde de Minister van Financiën terzake dat "als de belastingplichtige het niet eens is met de beslissing van de directeur, hij het geschil voor de rechtbank moet brengen in plaats van een verzoek tot herziening in te dienen in de vorm van een verzoek om ontheffing. Dat is de betekenis van "kracht van gewijsde": men moet voor de rechter verschijnen en niet opnieuw voor dezelfde persoon" en dat "Door de directeur de mogelijkheid te geven om op ( zijn beslissing terug te komen, schept men rechtsonzekerheid. Alleen de rechter kan een beslissing van de directeur herzien" (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 169).
b. In geval van gerechtelijk beroep
78. Wanneer een gerechtelijk beroep is ingesteld tegen een beslissing van de directeur is de zaak door dat feit zelf aan de administratie als bestuursoverheid onttrokken. De twee procedures, de administratieve en de gerechtelijke, kunnen immers nooit samengaan.
Tijdens de voorbereidende werken heeft de Minister van Financiën dienaangaande verklaard dat "(.) alleen de rechter de oorspronkelijke beslissing kan herzien. Niets belet de partijen om een akkoord te treffen. Als de directeur zijn beslissing wil "wijzigen" moet hij dat aan de rechter meedelen. " (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 169).
Datzelfde beginsel is van toepassing wanneer de belastingschuldige verkiest een vordering in rechte in te leiden zonder op de beslissing van de directeur te wachten. De beslissingsbevoegdheid wordt hierdoor aan het belastingbestuur onttrokken (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/23 blz. 20 en Senaat, zitting 1998-1999, nr 1- 966/11, blz. 128 en 169).
Er moet evenwel worden onderzocht of de vordering in rechte niet voorbarig is. Een vordering ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg voor het verstrijken van de termijn van zes of negen maanden is onontvankelijk en belet de directeur niet te beslissen. In dat geval moet de belastingschuldige een nieuwe vordering inleiden binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing (zie Afschrift, Th., La procédure fiscale après les lois des 15 et 23 mars 1999, J.T., 1999, nr 54, blz. 498).
79. Op te merken valt dat de beslissingsbevoegdheid aan het belastingbestuur wordt onttrokken op het ogenblik waarop het gerechtelijk beroep wordt ingesteld en niet op het ogenblik waarop de griffie kennis geeft van het verzoekschrift of waarop de directeur de gerechtsbrief ontvangt. Wanneer eenbeslissing wordt genomen tussen de neerlegging van het verzoekschrift bij de rechtbank van eerste aanleg en de kennisgeving ervan aan de directeur door de griffie, is de beslissing van de administratie niet rechtsgelding aangezien zij niet langer bevoegd is op het ogenblik waarop het beroep wordt ingesteld (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341 /23, blz. 20). In die veronderstelling komt het de rechter toe te oordelen over de wettigheid van de betwiste belasting, zonder rekening te houden met de laattijdige administratieve beslissing. Het spreekt nochtans voor zich zelf dat de motivering van de beslissing zal kunnen worden overgenomen in de conclusies die worden neergelegd.
Die stelling is zelfs van toepassing wanneer de beslissing genomen na de neerlegging van het verzoekschrift een vernietiging of een ontheffing van de kwestieuze aanslag inhield. Zodra het beroep is ingeleid kan de directeur de aanslag niet meer in het voordeel van de belastingplichtige wijzigen daar het enkel aan de rechter toekomt de aanslag te herzien. Dat belet aan de partijen uiteraard niet om akkoordconclusies neer te leggen (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 169).
80. Wanneer het geschil aan het belastingbestuur is onttrokken en het onderzoek van het bezwaarschrift of de vraag tot ontheffing van ambtswege niet is beëindigd, moet zo snel mogelijk over het verzoekschrift een standpunt worden ingenomen en aan de advocaat die voor het departement optreedt worden medegedeeld. Deze laatste deelt dit standpunt dan via conclusies mee aan de rechtbank en aan de tegenpartij.
Wanneer soortgelijke betwistingen voor een deel bij de rechtbank berusten terwijl over andere nog geen beslissing is genomen, is het aangewezen de beslissing niet uit te stellen. Het belastingbestuur moet een standpunt innemen in de rechtszaak en, behoudens bijzondere gevallen, verhindert niets zo snel mogelijk een beslissing te nemen over de andere zaken. Een dergelijke houding is zelfs wenselijk gelet op de opschorting van de nalatigheidsinteresten vanaf de zevende maand volgend op de ontvangst van het bezwaarschrift (zie artikel 414, § 2, nieuw, WIB 92; zie ook nr 10).
Afdeling 3 - Eindbemerkingen over de beslissing van de directeur
81. Vooreerst wordt benadrukt dat, hoewel de bezwaarprocedure gelijkenis vertoont met een hiërarchisch beroep, artikel 375, WIB het beginsel handhaaft volgens hetwelk het aan de directeur niet toegelaten is bij zijn beslissing een aanvullende aanslag te vestigen of de compensatie te verwezenlijken tussen een rechtmatig bevonden ontheffing en een ontoereikendheid van aanslag die zou zijn vastgesteld.
82. Daarenboven moet rekening worden gehouden met de rechtspraakvan het Hof van Cassatie die stelt dat krachtens artikel 2 van het GerechtelijkWetboek, artikel 32 van datzelfde wetboek van toepassing is op de inkomstenbelastingen (Cass. 20.02.1998, Communauté européenne de Charbon et de l' Acier, Arr. Cass. 1998, deel 2, nr 103 en Cass. 18.01.1999, Belgische Staat tegen Hubaux, onuitgegeven).
Bijgevolg kan worden gesteld dat de kennisgeving van de beslissing van de directeur niet gebeurt door de aanbieding van de aangetekende brief die de kopie van de beslissing bevat (zie nr 375/34 en volgende Com. IB 92)maar door de verzending ervan naar de woonplaats of de maatschappelijke zetel van de bezwaarindiener. Die wijziging is van groot belang voor de berekening van het vertrekpunt van de termijn voor het inleiden van eenvordering in rechte bij de bevoegde rechtbank (zie nr 133, hierna).
HOOFDSTUK 11: DE ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
83. Art. 376 - § 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de over belastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat:
1° die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting werd gevestigd;
2° de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond.
§ 2. Als nieuw gegeven wordt niet beschouwd een nieuw rechtsmiddel of een wijziging in de jurisprudentie.
§ 3. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ook ambtshalve ontheffing:
1° van het overschot van de voorheffingen en vooral betalingen als bedoeld in artikel 304, § 2, voor zover dit overschot door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarmede deze voorheffingen en voorafbetalingen zijn te verrekenen;
2° van de verminderingen voortvloeiend uit de toepassing van de artikelen 88, 131 tot 135, 138, 139, 146 tot 156 en 257 voor zover het tot die verminderingen aanleiding gevend feit door de administratie werd vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werd bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het aanslagjaar waartoe de belasting behoort waarop de verminderingen moeten worden verleend.
§ 4. De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder en de wijze waarop ambtshalve teruggave wordt verleend van de in de artikelen 157 tot 168 en 175 tot 177 genoemde voorafbetalingen die nog niet met de werkelijk verschuldigde belasting werden verrekend.
84. De tekst van artikel 376, WIB 92 blijft nagenoeg onveranderd met dien verstande dat nu de mogelijkheid tot het vragen van een ontheffing van ambtswege wordt uitgebreid tot de feitelijk gescheiden echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd.
De volgende wijziging werd eveneens aangebracht. In zijn vroegere versie schreef artikel 376, § 2 voor dat niet als nieuw gegeven beoogd in § 1 wordt beschouwd, een nieuw rechtsmiddel of een wijziging in de administratieve of rechterlijke jurisprudentie. Beide termen "administratieve of rechterlijke" werden geschrapt aangezien door "de opheffing van de jurisdictionele functie die vroeger is toegekend aan de directeur der belastingen, de verwijzing naar een administratieve jurisprudentie haar bestaansredenen verliest" (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/15, blz. 14).
85. De procedure van ontheffing van ambtswege heeft zijn plaats in afdeling I van hoofdstuk VII, WIB 92 en vormt dus, zoals de bezwaarprocedure, een administratief beroep. Aangezien het een administratief beroep betreft zijn, zelfs zo de wet het niet uitdrukkelijk voorschrijft, de regels die de bestuurshandelingen beheersen van toepassing. In hoofdzaak gaat het om de wet betreffende demotivering van de bestuurshandelingen en de wet betreffende de openbaarheid van bestuur.
Zo heeft de belastingplichtige krachtens de wet van 11 april 1994 het recht om inzage van zijn dossier te vragen en dat recht wordt onder dezelfde voorwaarden uitgeoefend als die welke gelden inzake de bezwaarprocedure (zie nr 38 en volgende).
Hoewel het recht om te worden gehoord 'niet vermeld wordt in artikel 376, WIB 92, is het duidelijk dat de ambtenaar die de vraag tot ontheffing van ambstwege onderzoekt de belastingplichtige mag oproepen wanneer het dossier zulks rechtvaardigt (zie PV nr 285 van 12.08.1991, Bull., nr 712). Vanaf het aanslagjaar 1999 moet de belastingplichtige, naar analogie met artikel 374, lid 3, en dit om een gelijke behandeling te verzekeren, in beginsel de toepassing van die administratieve maatregel vragen in de vraag tot ontheffing van ambtswege zelf.
Zoals in het verleden heeft de wetgever niet voorgeschreven dat ontvangst moet worden gemeld van de vragen tot ontheffing van ambtswege, hoewel dit een uitzonderlijke procedure is die slechts in een beperkt aantal gevallen kan worden toegepast (zie Cass. 16.01.1980, Arr. Cass. 1979-1980, deel II, nr 294).
De gewestelijke directeur die een vraag tot ontheffing van ambtswege krijgt moet binnen een redelijke termijn een beslissing nemen. De wetgever heeft de belastingschuldige immers de mogelijkheid gegeven om een vordering in rechte in te leiden na zes maanden (negen maanden in geval van aanslag van ambtswege) vanaf de ontvangst van het administratief beroep indien binnen die termijn geen beslissing is genomen. Gelet op de beginselen van behoorlijk bestuur is het vanaf het aanslagjaar 1999 aangewezen aan de belastingplichtigen die een vraag tot ontheffing van ambtswege hebben gedaan, een ontvangstbewijs uit te reiken dat de datum van ontvangst van de vraag vermeldt (zie, nr 223, praktische toepassing).
Wanneer een andere ambtenaar dan de bevoegde directeur der belastingen een vraag tot ontheffing van ambtswege krijgt, moet hij daarvan ontvangst melden door middel van het formulier dat voorkomt als bijlage 3 bij deze circulaire. De datum van ontvangst is die waarop de vraag bij die ambtenaar is toegekomen. De ambtenaar die niet bevoegd is om over die vraag te beslissen moet de vraag onmiddellijk doorsturen naar de bevoegde gewestelijke directeur met een kopie van het ontvangstbericht en moet de belastingplichtige hiervan in kennis stellen.
86. Om dezelfde redenen als die welke worden uiteengezet inzake de beslissing genomen op grond van artikel 375, WIB 92, bindt de beslissing die een vraag van de belastingplichtige tot ontheffing van ambtswege gegrond verklaart of afwijst, het belastingbestuur. Die beslissing kan enkel worden hervormd dan door het instellen van een vordering in rechte.
Die oplossing werd door het Hof van Cassatie reeds voor de wet van 15 maart 1999 in aanmerking genomen. Nooit is betwist dat de gewestelijke directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar, bij het nemen van eenbeslissing binnen het raam van artikel 376, WIB 92, uitsluitend handelde als administratieve overheid en niet binnen het raam van de jurisdictionele functie die de rechtspraak hem toeschreef wanneer hij besliste over een bezwaarschrift. Het Hof heeft niettemin geoordeeld, na te hebben vastgesteld dat een beslissing van de directeur der belastingen uitdrukkelijk had gesteld dat de artikelen 277, §§ 1 en 3, WIB 64 (art. 376, §§ 1 en 3, WIB 92) niet van toepassing waren, "dat het hier een formele en klare beslissing betrof die de belastingplichtige dient te bestrijden via de wettelijk beroepsmogelijkheden en niet door een nieuw bezwaarschrift in te dienen" (Cass. 05.06.1997, L D Fiduciaire, onuitgegeven).
Het is dus niet meer mogelijk zoals in nr 376/41, Com. IB 92. te stellen dat "betreffende één zelfde grief verschillende opeenvolgende beslissingen kunnen worden getroffen die met elkaar onverenigbaar zijn en waarbij de ene impliciet door de daaropvolgende wordt opgeheven" (zie ook nr 376/37, Com. IB 92).
87. Aangezien het ook een administratief beroep in betwiste zaken betreft, is het beginsel van de onpartijdigheid van toepassing op de directeur of de door hem gedelegeerde ambtenaar die moet beslissen. Zoals in het verleden is het aanbevolen dat geen ambtenaar een beslissing tot afwijzing van de vraag tot ontheffing van ambtswege neemt over een aanslag die hij als aanslagambtenaar heeft gevestigd. De andere aanwijzingen van nr 376/1, Com. IB 92, blijven daarentegen wel van toepassing.
88. De beslissingen genomen op grond van artikel 376, WIB 92 moeten worden gemotiveerd en aan de belastingplichtige ter kennis gebracht en dat op dezelfde wijze als de beslissingen die worden genomen over een klassiek bezwaarschrift (zie eveneens Com. IB 92, nr 376/40, lid 2). Aangezien het bovendien een administratieve beslissing betreft die beoogd wordt door artikel 2, § 4 van de wet van 11 april 1994 moet zij de beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de vormen en termijnen vermelden. Bij ontstentenis daarvan neemt de termijn om een beroep in te dienen geen aanvang.
89. Tot slot wordt er aan herinnerd dat de ontheffing van ambtswege een uitzonderingsprocedure is en dus van strikte interpretatie. Het Hof van Cassatie heeft immers beslist dat wanneer geen regelmatig bezwaarschrift is ingediend binnen de wettelijke termijn, de aanslag definitief wordt ten aanzien van de belastingplichtige (Cass. 18.06.1963, Pas., I, blz. 1103; Cass.,11.05.1965, Pas., I, blz. 972) en dat artikel 376, WIB 92 slechts een uitzondering op die regel vormt door enkel ontheffingen toe te staan in de gevallen die dat artikel voorschrijft (Cass., 16.01.1980, Arr. Cass. 1979-1980, deel II, nr 294).
Zo laat de bevoegdheid om overeenkomstig artikel 376, § 3, 1° WIB 92 ambtshalve ontheffing te verlenen van het overschot van de voorheffingen en de voorafbetalingen, de directeur der belastingen en het hof van beroep in geval van voorziening niet toe na te gaan of bepaalde aanslagbestanddelen al dan niet terecht in aanmerking werden genomen om de belastbare grondslag te bepalen van de belastingheffing nadat de aanslag definitief is geworden bij gebrek aan tijdig en regelmatig bezwaarschrift (Cass. 01.12.1999, Belgische Staat tegen Lambertz-Dombret).
TWEEDE DEEL - GERECHTELIJKE GESCHILLENREGELING
HOOFDSTUK 1: ALGEMEEN - TOEPASSELIJKE WETSBEPALINGEN
90. Volgens artikel 569, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals aangevuld door artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken (BS 27 maart 1999, blz. 9894), behorende geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet tot de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg, die uitspraak doet ongeacht het bedrag van de betwisting.
Wanneer een administratief beroep door of krachtens de wet wordt georganiseerd, is de eiser verplicht een dergelijk beroep in te dienen alvorens een toelaatbare vordering bij de rechterlijke macht te kunnen inleiden. Een vordering in rechte kan evenwel worden ingediend wanneer het belastingbestuur niet binnen een bepaalde termijn beslist.
Tegen de vonnissen van de rechtbanken van eerste aanleg kunnende door het gemeen procesrecht voorgeschreven rechtsmiddelen worden ingesteld.
91. In beginsel verloopt de procedure voor de rechtbank van eerste aanleg volgens de gewone regels van het Gerechtelijk Wetboek in burgerlijke zaken. De wet van 23 maart 1999 bevat nochtans enkele bijzondere regels om rekening te houden met de aard van de geschillen en om de procedureregels te vereenvoudigen.
HOOFDSTUK 2: INWERKINGTREDING VAN HET NIEUW STELSEL OVERGANGSBEPALINGEN
Afdeling 1 - Beginselen
92. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken is in werking getreden op 6 april 1999, te weten de tiende dag na zijn publicatie in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999 (art. 4, lid 2 van de wet van 31 mei 1961).
Er moet nochtans rekening worden gehouden met de artikelen 34 en 97, lid 9 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, die de bepalingen van titel VII, hoofdstuk VII, afdeling III van het WIB 92 (art. 377 tot 392) hebben opgeheven met ingang van 1 maart 1999.
93. De wetgever heeft in drie overgangsmaatregelen voorzien.
Overeenkomstig artikel 11, lid 1 van de wet van 23 maart 1999 worden de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, vervolgd en afgehandeld met toepassing van de voor 1 maart 1999 geldende regels.
Dat artikel schrijft eveneens voor dat wanneer de in artikel 379, WIB 92 bedoelde beroepstermijn, zoals die bestond voor de afschaffing door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, niet verstreken is op de datum van 1 maart 1999, de vordering voor de rechtbank van eerste aanleg kan worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving (de wetgever spreekt in de Nederlandse versie geheel ten onrechte van "betekening") van de beslissing met, betrekking tot het administratief beroep.
Ten slotte stelt artikel 97, laatste lid van de wet van 15 maart 1999 dat de artikelen 377 tot 392, WIB 92, zoals ze bestonden voor hun opheffing door artikel 34 van dezelfde wet, van toepassing blijven op de beroepen die voor 1 maart 1999 zijn ingeleid.
Afdeling 2 - Gevolgen
De gezamenlijke toepassing van die bepalingen leidt tot het volgende.
94. Krachtens artikel 97, lid 9 van de wet van 15 maart 1999 blijven de voorzieningen in beroep tegen de beslissingen van de directeur der belastingen die werden ingeleid voor 1 maart 1999 (in de praktijk dus tot en met vrijdag 26 februari 1999) beheerst door de artikelen 377 tot 385, WIB 92 (art. 278 tot 286, WIB 64). De dossiers betreffende die beroepen worden dus afgehandeld overeenkomstig de richtlijnen gegeven in de nrs 377/1 tot 385/19, Com. IB 92.
95. Voorzieningen in beroep ingeleid vanaf 1 maart 1999 op grond van de opgeheven artikelen 377 tot 385, WIB 92 missen een wettelijke basis. Zij moeten dus niet ontvankelijk worden verklaard terwijl die voorzieningen ontvankelijk waren volgens de van kracht zijnde wetgeving op het ogenblikvan hun inleiding.
Dat gevolg mag temeer worden afgeleid uit het feit dat, vanaf de publicatie van de nieuwe wet (27 maart 1999), de belastingschuldigen die een dergelijke voorziening in beroep hadden ingeleid en waarvoor de beroepstermijn niet verstreken was op 1 maart 1999, de mogelijk hadden een rechtsgeldige vordering in te leiden binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing van de directeur (zie art. 11 1 lid 3, wet van 23.03.1999). Het belastingbestuur heeft trouwens alle betrokkenen aangeschreven om hun aandacht erop te vestigen dat het hof van beroep niet meer bevoegd was om kennis te nemen van voorzieningen ingeleid vanaf 1 maart 1999 en om hen te verzoeken, binnen de termijn van drie maanden die de nieuwe wet toekent, een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg in te leiden (zie de instructie van 30.03.1999, nr Ci.RH.861/520.599).
Het Hof van Cassatie heeft die stelling bevestigd door te beslissen dat "de opheffing van de artikelen 377 tot 392, WIB 92, in verband kan worden gebracht met het feit dat tegen beslissingen van het bestuur waarbij het bezwaarschrift wordt afgewezen, vanaf 1 maart 1999, een beroepmogelijk is voor de rechtbank van eerste aanleg (noot: krachtens artikel 11, lid 3, wet van 23.03.1999), zodat de vroeger bestaande cassatieprocedure en procedure voor het hof van beroep in dat kader doelloos wordt (Cass.21.06.1999, F.J.F. nr 99/183).
Op te merken valt dat de voorzieningen bij het hof van beroep ingeleid vanaf 1 maart 1999 niet rechtsgeldig kunnen worden verklaard op grond van artikel 11, lid 1 van de wet van 23 maart 1999, aangezien de directeur der belastingen die zijn beslissing neemt als administratieve overheid niet beoogd wordt door de "andere instanties" waarvan sprake in dat artikel.
Door daarenboven op specifieke wijze het beroep tegen de beslissingvan de directeur der belastingen waarvan de termijn op 1 maart 1999 niet verstreken was te regelen (zie art. 11, lid 3, hierboven), heeft de wetgever opstilzwijgende maar zekere wijze te kennen gegeven dat de bepaling vervat in artikel 11, lid 1 in deze niet toepasselijk is en aan de voorziening in beroep ingeleid vanaf 1 maart 1999 geen wettelijke basis geeft.
Die stelling is bevestigd door een arrest van 8 mei 2000 van het hofvan beroep te Bergen (Calarese - Delcourt, onuitgegeven).
Wanneer belastingschuldigen die reeds een voorziening bij het hof van beroep hadden ingeleid op 1 maart 1999 of waarvoor de termijn van artikel 379, WIB 92, oud, op die datum nog niet verstreken was, daadwerkelijk een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg hebben ingeleid, is het aangewezen hen te verzoeken afstand van geding te doen. Doen zij dit niet dan moet de onbevoegdheid van het hof van beroep worden aangevoerd op grond van de bovenvermelde beginselen. Dat is ook het geval wanneer belastingplichtigen in weerwil van de aanmaning van het belastingbestuur hun zaak niet hebben ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg.
96. Vanaf 1 maart 1999 neemt uitsluitend de rechtbank van eerste aanleg kennis van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Tegen de vonnissen van die rechtbank staan de gewone rechtsmiddelen open (verzet en hoger beroep).
97. Krachtens artikel 97, lid 9 van de wet van 15 maart 1999 blijft het Hof van Cassatie volgens de oude procedure bevoegd voor de voorzieningen die bij het Hof voor 1 maart 1999 werden ingediend (dus toepassing van de nrs 386/1 tot 391/13, Com. IB 92).
98. De bepalingen van de artikelen 386 tot 391, WIB 92, oud, blijven eveneens van toepassing op de voorzieningen in cassatie gedaan vanaf 1 maart 1999 tegen arresten geveld overeenkomstig de artikelen 377 tot 385 WIB 92 (d.w.z. arresten over voorzieningen voor het hof van beroep ingeleid voor 1 maart 1999).
Volgens het Hof van Cassatie beoogt artikel 11, lid 1 van de wet van 23 maart 1999 immers alle geschillen die op de dag van de inwerkingtreding van de wet, dat is 6 april 1999, nog niet definitief beslecht zijn, te laten afhandelen volgens de eerder geldende regels. Wanneer aldus voor die datum een geding reeds voor een rechtscollege is gebracht moet de vroegere procedure worden gevolgd, ook wat de rechtsmiddelen betreft.
Artikel 97, lid 9 van de wet van 15 maart 1999 strijdt niet met de voormelde bepaling van artikel 11 van de wet van 23 maart 1999 aangezien het eerstgenoemd artikel tot strekking heeft nader te preciseren dat de fiscale voorzieningen die voor het hof van beroep voor 1 maart 1999 zijn ingeleid, nog steeds beheerst worden door de regels van de artikelen 377 tot 392, WIB 92. Gelet op de samenhang met de wet van 23 maart 1999 houdt zulks in dat cassatieberoepen tegen beslissingen gewezen op voorzieningen ingeleid voor 1 maart 1999, nog volledig beheerst worden door de oude wet (Cass. 21.06.1999, F.J. F., nr 99/183).
De voormelde regel heeft niet alleen betrekking op alle gedingen waarover op 6 april 1999 nog geen arrest was geveld maar ook op de arresten waarvan de cassatietermijn op die datum nog niet was verstreken.
Krachtens artikel 11, lid 1 van de wet van 23 maart 1999 zal in geval van cassatie, het hof van verwijzing ook oordelen overeenkomstig de artikelen 377 tot 385, WIB 92 evenals het Hof van cassatie dat opnieuw zou gevat worden door een voorziening in cassatie.
Hieruit volgt dat enkel de voorzieningen in cassatie tegen arresten van het hof van beroep geveld volgens het nieuw stelsel (dus geveld op beroepen tegen vonnissen van de rechtbanken van eerste aanleg) beheerst worden door het Gerechtelijk Wetboek.
HOOFDSTUK 3: BEVOEGDHEID VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG IN FISCALE ZAKEN
Afdeling 1. - Vereist belang om een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg in te leiden
99. 0vereenkomstig de artikelen 17 en 18 van het Gerechtelijk Wetboek is een vordering in rechte bij de rechtbank van eerste aanleg slechts toelaatbaar indien de eiser een reeds verkregen en dadelijk belang heeft. Samengevat: geen belang, geen vordering in rechte.
Afdeling 2. - Materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg
100. De materiële bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg wordt door artikel 569, lid 1, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek zeer breed omschreven. Die bepaling die is ingevoegd door artikel 4 van de wet van 23 maart 1999 schrijft immers voor dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt "van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet".
Volgens de voorbereidende werken "Vormt dit artikel de kern van de (.) hervorming: integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg. Het gebruik van de notie "geschillen over de toepassing van een belastingwet" heeft (...) tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het een welke individuele toepassing van een belastingnorm" (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 134/11, blz. 35).
101. De term "belastingwet" moet in de materiële betekenis worden verstaan, dus elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/1 - 1342/1, blz. 35).
De termen "geschillen over de toepassing van een belastingwet" beogen dus de belastingwetgeving in zijn geheel, met inbegrip van de boeten en administratieve sancties. Zij omvatten niet alleen elk geschil betreffende de vestiging en de invordering van de belasting maar ook verschillende andere toestanden. De volgende voorbeelden werden aangehaald tijdens de voorbereidende werkzaamheden:
- het al dan niet toestaan van termijnverlengingen (art. 311, WIB 92);
- het al dan niet toestaan van uitstel van betaling van de "onbetwistbaar verschuldigde belasting" (art. 410, lid 3, WIB 92);
- het niet vrijstellen van de betaling van nalatigheidsinteresten (art. 417, WIB 92);
- het opleggen van een zekerheids- of borgstelling (art. 420, WIB 92); (zie Parl. St., Kamer, zitting 1341/ - 1342/1, blz. 35).
De rechtbank mag eveneens worden gevat over betwistingen betreffende de toepassing van artikel 374, WIB 92 (zie nr 55):
- weigering van het recht om te worden gehoord door de ambtenaar belast met het onderzoek van het bezwaarschrift;
- weigering van inzagerecht van het administratief dossier, maar uitsluitend voor de bezwaarschriften betreffende de aanslagjaren 1998 en vorige.
Er is zelfs gesteld dat beslissingen over de erkenning of de weigering van een douane-entrepot, van een coördinatiecentrum of van het statuut van buitenlands kaderlid, onder de bevoegdheid van de rechtsmacht vielen.
102. De voorzitter van de rechtbank zetelend in kort geding of de beslagrechter zijn afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg en kunnen dus worden gevat binnen de grenzen van hun bijzondere bevoegdheden. Bij problemen hierover wordt het incident voorgelegd aan de voorzitter van de rechtbank die bevoegd is voor de regeling van de zaken tussen de afdelingen en de kamers van zijn rechtbank.
103. De rechtbank van eerste aanleg is bevoegd voor alle vorderingen, met inbegrip van de vorderingen waarvan het bedrag 75.000 frank niet te boven gaat (toepassing van artikel 590, lid 1, Ger.W die de bevoegdheid van de vrederechter uitsluit voor de vorderingen die de wet aan zijn rechtsmacht onttrekt, inzonderheid de vorderingen beoogd in artikel 569, Ger.W).
Afdeling 3. - De territoriale bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg
A. Beginselen
104. Overeenkomstig artikel 632 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 "staat ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming van de rechter die zitting houdt ter zetel van het Hof van beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd.
De koning kan andere rechters in het rechtsgebied van het hof van beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is."
De mogelijkheid van artikel 632, lid 2, nieuw, Ger.W werd toegepast in het koninklijk besluit van 25 maart 1999 (BS 27.03.1999)
B. Toepassing
105. De territoriale bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg ziet er als volgt uit.
| Ligging ontvangkantoor | Rechtbank |
| Antwerpen (Art. 632, lid 1, Ger.W) | Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen Gerechtsgebouw Britselei 55 2000 ANTWERPEN |
| Limburg (Art. 1, KB van 25.03.1999) | Rechtbank van eerste aanleg te Hasselt Gerechtsgebouw Havermarkt 10 3500 HASSELT |
| Oost-Vlaanderen (Art. 632, lid 1, Ger.W) | Rechtbank van eerste aanleg te Gent Gerechtsgebouw Koophandelsplein 23 9000 GENT |
| Vlaams-Brabant (Art. 1, KB van 25.03.1999) | Rechtbank van eerste aanleg te Leuven Gerechtsgebouw Smoldersplein 5 3000 LEUVEN |
| West-Vlaanderen (Art. 1, KB van 25.03.1999) | Rechtbank van eerste aanleg te Brugge Gerechtsgebouw Kazernevest 3 8000 BRUGGE |
| Administratief arrondissement Brussel-hoofdstad (19 gemeenten) (Art. 632, lid 1, Ger.W) | Rechtbank van eerste aanleg te Brussel Justitiepaleis Poelaertplein 1 1000 BRUSSEL |
| Henegouwen (Art. 632, lid 1, Ger.W) | Tribunal de première instance de Mons Palais de Justice Rue de Nimy 35 7000 MONS |
| Luik (met uitzondering van de procedure in het Duits) (Art. 632, lid 1, Ger.W) | Tribunal de première instance de Liège Palais de Justice Place Saint-Lambert 16 4000 LIEGE |
| Luik (procedure in het Duits) (Art. 632, lid 1, Ger.W) | Tribunal de première instance de Eupen Staatsanwaltschaft 4700 EUPEN |
| Luxemburg (Art. 1, KB van 25.03.1999) | Tribunal de première instance d'Arlon Palais de Justice Place Léopold 6700 ARLON |
| Namen (Art. 1, KB van 25.03.1999) | Tribunal de première instance de Namur Palais de Justice 5000 NAMUR |
| Waals-Brabant (Art. 1, KB van 25.03.1999) | Tribunal de première instance de Nivelles Palais de Justice Place Albert I 1400 NIVELLES |
106. Inzake de vennootschappen en andere rechtspersonen met maatschappelijke zetel in Waals-Brabant (administratief arrondissement Nijvel) die onder het ontvangkantoor Namen IV vallen overeenkomstig de beslissing van de Secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën van 23 november 1989, is het aangewezen in de formule van kennisgeving van de beslissing te vermelden dat een eventuele vordering in rechte moet ingeleid worden bij de rechtbank van eerste aanleg te Namen (zie art. 2, § 4 van de wet van 11 april 1994; zie nr 74).
We moeten nochtans oog hebben voor de rechtspraak van het hof van beroep te Luik die deze beslissing ongrondwettelijk heeft verklaard en de zaken bijgevolg naar het hof van beroep te Brussel heeft verwezen door voorrang te geven aan het beginsel van de nabije rechtspleging (art. 156, Grondwet) ten aanzien van de maatschappelijke zetel (zie inzonderheid Luik 25.06.1999, S.A. Walter Benelux, onuitgegeven; Luik, 22.03.2000, A.S.B.L Festival de Wallonie, onuitgegeven).
Aangezien het niet uitgesloten is dat de rechtbank van eerste aanleg te Namen dezelfde redenering volgt, verzet het bestuur zich niet tegen de verwijzing van de zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel indien de eiser dit vraagt. In dezelfde zin zal het bestuur geen enkele exceptie van onbevoegdheid aanvoeren wanneer vennootschappen of andere rechtspersonen met maatschappelijke zetel in Waals-Brabant onmiddellijk een zaak inleiden bij de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel in de plaats van bij de rechtbank van eerste aanleg te Namen.
C. Geschillen van bevoegdheid - aanhangigheid - samenhang
107. De onbevoegdheid van de rechter kan in iedere stand van het geding worden aangevoerd (art. 854, Ger.W). De partij die de onbevoegdheid aanvoert dient evenwel de rechter mede te delen die wel bevoegd is (art. 855, Ger.W).
Betwistingen over de bevoegde rechter worden beslecht door de arrondissementsrechtbank (art. 639, Ger.W). Die rechtbank is samengesteld uit de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de rechtbank var koophandel en de arbeidsrechtbank. Er is een arrondissementsrechtbank per gerechtelijk arrondissement.
Tegen de beslissing van de arrondissementsrechtbank kan door partijen geen hoger beroep worden ingesteld (art. 642, Ger.W).
Indien de administratie als verweerder de exceptie van onbevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg aanvoert, kan de eiser de verwijzing naar de arrondissementsrechtbank vragen.
Indien de eiser die verwijzing niet vraagt, zal de rechter voor wie de zaak aanhangig is, uitspraak doen over de bevoegdheid. Indien de vordering bij een niet bevoegde rechtbank werd ingediend zal de rechtbank de zaak doorverwijzen naar de bevoegde rechter die zij aanwijst (art. 660, Ger.W). Binnen acht dagen na de uitspraak van de beslissing zendt de griffier het dossier van de rechtspleging naar de griffier van de rechter naar wie de zaak is verwezen (art. 661, Ger.W). Na een nieuwe oproeping tot verschijnen door de griffier, wordt het geding voortgezet in de staat waarin het zich laatstelijk bevond (art. 662, Ger.W).
De excepties van samenhang en aanhangigheid (art. 854 en 856, Ger.W) moeten voor elk verweer aangaande de zaak zelf ("in limine litis") en tegelijk worden voorgedragen, d.w.z. in eerste conclusies.
De begrippen aanhangigheid en samenhang worden in het Gerechtelijk Wetboek gedefinieerd. Overeenkomstig artikel 29, Ger.W bestaat er aanhangigheid telkens wanneer vorderingen met hetzelfde voorwerp en wegens dezelfde oorzaak worden ingesteld tussen dezelfde partijen die in dezelfde hoedanigheid optreden voor verschillende rechtbanken, bevoegd om daarvan kennis te nemen en geroepen om in eerste aanleg uitspraak te doen. Art. 30, Ger.W stelt dat rechtsvorderingen als samenhangend kunnen worden behandeld, wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen en te berechten, teneinde oplossingen te vermijden die onverenigbaar kunnen zijn wanneer de zaken afzonderlijk worden berecht (zie ook Com. IB 92, nrs 377/12 en 13). Om de rechtbank vast te stellen die de voorkeur verdient moeten de regels worden toegepast die deel uitmaken van de artikelen 563 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
108. In geval van gelijksoortige betwistingen waarvan sommigen bij de rechtbank aanhangig zijn terwijl over anderen nog geen beslissing is genomen (en die door de belastingschuldige nog niet bij de rechtbank aanhangig zijn gemaakt) moet vermeden worden de beslissing uit te stellen. Het belastingbestuur moet voor de rechter een standpunt innemen en behoudens uitzonderlijke omstandigheden belet niets een beslissing te nemen over de hangende bezwaarschriften. Die houding is zelfs aan te bevelen aangezien de nalatigheidsinteresten worden opgeschort vanaf de zevende maand die volgt op de datum van ontvangst van het bezwaarschrift (zie nr 12).
HOOFDSTUK 4: TOELAATBAARHEIDSVOORWAARDEN VOOR DE VORDERING BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG
Afdeling 1. - Wie mag een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg inleiden ?
109. De vordering bij de rechtbank van eerste aanleg mag worden ingeleid door de belastingschuldige (of zijn gevolmachtigde) en door de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd. Zoals voor de belastingschuldige zelf is de vordering van de echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd slechts toelaatbaar nadat een administratief beroep is ingesteld (zie de nrs 4 en 114).
110. Het belastingbestuur kan geen vordering in rechte inleiden bij de rechtbank van eerste aanleg. Tijdens de voorbereidende werkzaamheden heeft de Minister van Financiën verklaard dat "wanneer een door de belastingplichtige ingediend bezwaar door de directeur der belastingen wordt aanvaard, geen enkele andere fiscale administratieve overheid (ook niet de bijzondere belastinginspectie) tegen deze uitspraak bij de rechtbank beroep kan aantekenen" (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/17, blz. 68) en in antwoord op een parlementaire vraag heeft hij die stelling herhaald (PV nr 108 van 08.10.1999 gesteld door M. Istasse, Bull. V A, Senaat, zitting 1999- 2000, blz. 262).
Die stelling is overigens in overeenstemming met de oude cassatierechtspraak (Cass. 08.06.1938, Pas., I, blz. 197; zie ook Cass., 03.01.1961, Pas., I, blz. 476.
111. Inzake inkomstenbelastingen is het vorderingsrecht persoonlijk. De vordering die de schuldeisers van de belastingschuldige in zijn plaats op grond van artikel 1166 van het Burgerlijk Wetboek bij de rechtbank van eerste aanleg zouden inleiden is ontoelaatbaar (onder de oude wetgeving: Van Orshoven, Behoorlijke rechtsbedeling bij geschillen over directe rijksbelastingen, 1987, blz. 345, nr 283; Cardyn, Depret en Loockx, Procédure fiscale contentieuse, 1992, blz. 242, nr 177).
112. In tegenstelling echter met wat gold voor de voorzieningen in beroep onder het oude stelsel (gelet op de tekst zelf van artikel 378, WIB 92; zie Com. IB 92, nr 378./4), lijkt geen enkele wettekst zich te verzetten tegen de inleiding van een vordering in naam van de belastingschuldige door een bijzonder gevolmachtigde die geen advocaat is. In dat geval spreekt het vanzelf dat alle regels betreffende de inleiding van een vordering in rechte door een lasthebber van toepassing zijn op de vorderingen in rechte bij de rechtbank van eerste aanleg zetelend in fiscale zaken (zo moet de lasthebber steeds de identiteit van zijn lastgever bekend maken: zie Fettweiss, Manuel de Procedure civile, blz. 49, nr 39; Rouard, Traité élémentaire de droit judiciaire privé, Deel II, blz. 85, nr 76 en B. Maes, Overzicht van het gerechtelijk privaatrecht, 1998, blz. 98). De bijzondere lasthebber kan evenwel nooit de belastingplichtige ter terechtzitting vertegenwoordigen (zie nr 158).
113. Daarenboven zijn de richtlijnen van de nrs 378/5 tot 378/16 Com. IB 92, mutatis mutandis van toepassing.
Afdeling 2. - Het voorafgaandelijk administratief beroep
114. Artikel 1385undecies, lid 1 van het Gerechtelijk Wetboek (ingevoegd door artikel 9 van de wet van 23 maart 1999) stelt dat "tegen de belastingadministratie de vordering inzake geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts wordt toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld".
Met het nieuwe artikel 1 385undecies van het Gerechtelijk Wetboek wordt een beginsel van het administratief contentieux, ontwikkeld in de rechtspraak van de afdeling administratie van de Raad van State, toegepast: de burger kan zich slechts tot de rechter wenden - voor zover nog nodig, en juist daarom - nadat hij de hem ter beschikking staande beroepen bij de administratie zelf heeft uitgeput (Parl. St., Kamer, zitting 1997-1998, nr 1341/1 en 1342/1, blz. 37).
Inzake inkomstenbelastingen en met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen bestaan door de wet georganiseerde administratieve beroepen: het betreft het bezwaarschrift georganiseerd door de artikelen 366 tot 375, WIB 92 en de vraag tot ontheffing van ambtswege georganiseerd door artikel 376, WIB 92.
115. Indien de vordering rechtstreeks bij de rechtbank van eerste aanleg wordt ingeleid zonder voorafgaand administratief beroep zal de vordering onontvankelijk worden verklaard (exceptie van onontvankelijkheid van een fiscale vordering "omissio medio", d.w.z. wegens niet-uitputting van het ter beschikking staande beroep bij de administratie - zie P. Van Orshoven in De hervorming van de fiscale procedure, Maklu 1999, blz. 255).
Om een zaak geldig bij de rechtsmacht aanhangig te maken is het bovendien nodig dat het voorafgaand administratief regelmatig is ingediend. Die stelling volgt uit de termen zelf van artikel 1 385undecies van het Gerechtelijk Wetboek (het administratief beroep moet worden ingediend conform de wettelijke regels die het organiseren). Daaruit volgt dat wanneer een bezwaarschrift of een vraag tot ontheffing van ambtswege door de directeur onontvankelijk is verklaard omdat het na het verstrijken van de wettelijke termijnen werd ingediend, de belastingschuldige nog steeds de mogelijk heeft om naar de rechtbank te stappen, maar dat die eerst de argumenten zal onderzoeken betreffende het al dan niet terecht verwerpen van het administratief beroep (overmacht, enz.). Wanneer de rechtbank de stelling van het belastingbestuur volgt betreffende de onontvankelijkheid van het administratief beroep wordt de betwisting niet meer ten gronde onderzocht
Dezelfde oplossing is van toepassing op alle gevallen waarin het administratief beroep onregelmatig is of nietig: voortijdig bezwaarschrift (zie Com. IB 92 nr 371/19); niet ondertekend bezwaarschrift (Com. IB 92, nrs 366/28 en 375/16); niet gemotiveerd bezwaarschrift (Com. IB 92, nrs 371/2 en 375/16); gericht aan de verkeerde ambtenaar (Com. IB 92, nrs 366/30 en 366/35); ingediend in strijd met de wet op het taalgebruik in bestuurszaken (Com. IB 92, nr 366/29).
Wanneer de belastingschuldige aan zijn bezwaarschrift of zijn vraag tot ontheffing van ambtswege verzaakt, zal de vordering in rechte slechts toelaatbaar verklaard worden om te kunnen vaststellen of de verzaking is aangetast door een wilsgebrek. Indien de eiser dat bewijs niet kan leveren zal de vordering door de rechter onontvankelijk verklaard worden.
Behoudens in de bijzondere gevallen waarin de rechter moet oordelen over de wettelijkheid van de beslissing vanwege de gewestelijke directeur tot onontvankelijkheid, is het in beginsel de aanslag zoals die door de directeur der belastingen uitvoerbaar is verklaard die aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen en niet meer zijn beslissing zelf zoals in de oude procedure voor het hof van beroep.
116. De indiending van een voorafgaandelijk administratief beroep is slechts vereist wanneer een dergelijk beroep "door of krachtens de wet is georganiseerd". In dat verband wordt erop gewezen dat het wetboek van de inkomstenbelastingen slechts tegen de aanslag een voorafgaand administratief beroep organiseert. Daaruit volgt dat wanneer de betwisting betrekking heeft op een geval beoogd in nummer 101 en dus niet op de aanslag als dusdanig slaat, de belastingschuldige zich rechtstreeks tot de rechtbank van eerste aanleg kan wenden.
Zo kan een belastingschuldige aan wie het recht om krachtens artikel 374, lid 3, WIB 92 te worden gehoord, geweigerd wordt, die kwestie voorleggen aan de rechtbank van eerste aanleg, zonder op de beslissing van de directeur te moeten wachten. Het spreekt voor zichzelf dat hij eveneens de kennisgeving van de beslissing of het verstrijken van de termijn van artikel 1 385undecies, lid 2, Ger.W kan afwachten om een vordering in rechte in te leiden. In dat geval kan hij naast de bezwaren aangevoerd tegen de aanslag eveneens aanvoeren dat hij in strijd met artikel 374, lid 3, WIB 92, zijn standpunt niet heeft kunnen uiteenzetten bij de onderzoekende ambtenaar.
117. Op te merken valt dat bij uitdrukkelijke of impliciete weigering om de bestuursdocumenten te laten raadplegen, artikel 8 van de wet van 11 april 1994 stelt dat de verzoeker een verzoek tot heroverweging kan richten tot de betrokken federale administratieve overheid. Terzelfder tijd verzoekt hij de Commissie voor de toegang tot de bestuursdocumenten een advies uit te brengen.
Op straffe van onontvankelijkheid moet de belastingplichtige dat door de wet georganiseerd administratief beroep uitoefenen alvorens een zaak bij de rechtbank van eerste aanleg te kunnen inleiden (ingeval van betwistingen over de raadpleging van het administratief dossier tijdens het onderzoek van de bezwaarschriften over de aanslagjaren 1999 en volgende vormen de in het vorige lid vermelde beroepen een voorafgaande voorwaarde om een beroep bij de Raad van State te kunnen instellen, zie nr 55 en Circ. AFZ van 09.01.1998, nr Ci.RH.835/502.739, Bull., nr 779, blz. 251, nr 5).
Wanneer het standpunt van de betrokken dienst definitief is geworden, te weten na mededeling van de beslissing over de vraag tot heroverweging of ingevolge het verstrijken van de termijn waarbinnen die dienst een beslissing diende te nemen (zie de voormelde circ. van de AFZ), moet de belastingplichtige niet wachten op de beslissing van de directeur over de aanslag, om de weigering tot raadpleging van het administratief dossier aan de rechtbank van eerste aanleg over te maken (zie vorig nummer).
Afdeling 3. - Vormvoorwaarden
A. Instelling van de vordering - Verplichte vermeldingen
118. In geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet wordt de vordering tegen het belastingbestuur ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak (art. 1 385undecies, lid 1, Ger.W) d.w.z. door een verzoekschrift dat bij aangetekende brief aan de griffie wordt toegezonden of ter griffie neergelegd en door de griffier bij gerechtsbrief aan de tegenpartij wordt ter kennis gebracht.
Het betreft een uitzondering op de algemene regel volgens dewelke hoofdvorderingen bij dagvaarding voor de bevoegde rechter worden gebracht (Art. 700, Ger.W).
Artikel 1 385decies verwijst naar titel Vbis van boek II van het vierde deel van het Gerechtelijk Wetboek (ingevoegd door de wet van 3 augustus 1992) dat het "gemeen recht" vormt inzake het verzoekschrift op tegenspraak.
119. Op straffe van nietigheid moet het verzoekschrift het volgende vermelden (art. 1034ter, Ger.W):
- de dag, de maand en het jaar
- de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
- het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
- de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
- de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
De wetgever heeft willen afwijken van de artikelen 1034ter en 1034quater, Ger.W door de verzoeker niet te verplichten "de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanigheid van de persoon die moet worden. opgeroepen" te vermelden en evenmin te verplichten een getuigschrift van woonplaats van de op te roepen personen bij zijn verzoekschrift te voegen.
Die formaliteit is vervangen door de verplichting, voorgeschreven op straffe van nietigheid, om bij elk exemplaar van het verzoekschrift een afschrift van de bestreden beslissing te voegen (art. 1 385decies, lid 3, Ger.W).
Wanneer het belastingbestuur geen beslissing heeft genomen binnen de termijn van zes of negen maanden, moet de verzoeker bij zijn verzoekschrift een afschrift van het administratief beroep en van de ontvangstmelding van dat beroep voegen (art. 1 385decies, lid 4, Ger.W). Artikel 1 385decies, lid 4, Ger.W, vermeldt niet dat die formaliteit op straffe van nietigheid is voorgeschreven maar dat is niettemin de sanctie voor de niet naleving ervan aangezien de afwijking ingevoerd door lid 4 slechts slaat op de aard van de bijlagen van het verzoekschrift.
120. Overeenkomstig artikel 703, Ger.W treden rechtspersonen in rechte op door tussenkomst van hun bevoegde organen en is het om van hun identiteit te doen blijken in de dagvaarding voldoende hun benaming, hun rechtsvorm en hun maatschappelijke zetel op te geven.
Die bepaling die bestaat ten aanzien van de dagvaarding, heeft een algemene draagwijdte: zij slaat op elke akte van de rechtspleging (Fettweiss, Manuel de procedure civile, 1985, nr 194, blz. 168). De identificatie van de rechtspersoon in het verzoekschrift op tegenspraak mag dus overeenkomstig artikel 703, Ger.W gebeuren. Die oplossing was trouwens van toepassing voor de voorziening in beroep beoogd in artikel 378, WIB 92 (Com. IB 92, nr 378/13 tot 16, die mutatis mutandis kunnen worden toegepast).
Artikel 703, Ger.W stelt eveneens dat de tegenpartij mag eisen dat de rechtspersoon haar de identiteit meedeelt van de natuurlijke personen die zijn organen zijn. Zolang aan die vraag niet is voldaan kan het vonnis over de zaak worden uitgesteld.
B. Motivering van het verzoekschrift op tegenspraak
121. Het verzoekschrift op tegenspraak moet worden gemotiveerd (in tegenstelling tot de voorziening in beroep onder het oude stelsel: zie Com. IB 92 nr 378/1). Het moet het onderwerp en een korte samenvatting van de middelen van de vordering bevatten, d.w.z. de feitelijke gegevens die aan de vordering ten grondslag liggen (naar analogie, Cass. 24.11.1978, Arr.Cass. 1978-1979, Deel I, blz. 341). Die wettelijke verplichting is van kapitaal belang wanneer het erop aankomt te onderzoeken in welke mate de belastingschuldige zijn oorspronkelijk verzoek zal kunnen uitbreiden met nieuwe bezwaren (zie nr 145 en volgende).
C. Neerlegging ter griffie of verzending naar de griffie
122. Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd (art. 1 034quinquies, Ger.W).
De datum die in aanmerking moet worden genomen om te oordelen of de termijn van drie maanden voorgeschreven in artikel 1 385undecies, lid 2, Ger.W is nageleefd, is de datum van neerlegging ter griffie of de datum van afgifte aan de post van de aangetekende brief naar de griffie (zie Cass. 09.01.1978, Arr. Cass. 1978, nr 5-6, blz. 544).
D. Aan wie moet het verzoekschrift ter kennis worden gebracht ?
123. Overeenkomstig artikel 42, Ger.W worden de betekeningen aan de Staat gedaan op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of "op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar". Overeenkomstig artikel 705, Ger.W wordt de Staat gedagvaard aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort (of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar).
Onder de term "gedagvaard" moeten alle vormen worden verstaan waarop een vordering in rechte kan worden ingeleid.
In beginsel zal de griffier die het verzoekschrift moet ter kennis brengen zich laten leiden door de regels die bestaan inzake dagvaarding en zal hij dus kennis geven aan het kabinet van de Minister van Financiën. Door middel van een ministerieel besluit zal deze laatste de ambtenaren aanwijzen die bevoegd zijn om de kennisgevingen van de verzoekschriften in ontvangst te nemen met betrekking tot geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet, zoals bepaald in artikel 1385decies, lid 1, Ger.W.
Merk nochtans op dat, zelfs als dat besluit wordt genomen, de griffie niet verplicht is kennis te geven aan de door de Minister aangewezen ambtenaar. In de praktijk is het evenwel zo dat ondanks het ontbreken van een ministerieel besluit terzake, sommige griffies zowel het kabinet van de Minister in kennis stellen als de ambtenaar die de beslissing heeft genomen (met als gevolg dat zij aan de belastingplichtige een bijkomende kopie van het verzoekschrift vragen).
E. Dagvaarding
124. Hoewel de wettekst voorschrijft dat de vordering wordt ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, is een inleiding van het geding bij dagvaarding geldig (Cass. 01.10.1990, Arr. Cass. 1990- 1991, deel I, nr 52, blz. 111)
De tekst zelf van artikel 1 385decies, Ger.W leidt trouwens tot die mogelijkheid aangezien gesteld wordt dat "bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing wordt gevoegd". De eiser zal er in dat geval evenwel de kosten van moeten dragen (Fettweiss, op. cit., nr 177, blz. 159).
Uit de combinatie van de artikelen 700, 716 en 717, Ger.W volgt dat wanneer de rechtsingang bij dagvaarding plaatsvindt, de zaak bij de rechter aanhangig is gemaakt op de datum van de betekening van de dagvaarding, voor zover de zaak op de algemene rol is ingeschreven voor de zitting in de dagvaarding aangewezen (Cass. 01.10.1990, voormeld en de nota van J.F. Romain, J.T., 1992, blz. 475).
F. De vordering bij de rechtbank van eerste aanleg en het gebruik in gerechtszaken
a. Beginsel
125. Overeenkomstig de artikelen 1 tot 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verloopt de procedure uitsluitend:
- in het Nederlands voor de vorderingen ingeleid bij de rechtbanken van eerste aanleg te Antwerpen, Brugge, Gent, Hasselt en Leuven;
- in het Frans voor de vorderingen ingeleid bij de rechtbanken van eerste aanleg te Aarlen, Bergen, Namen, Nijvel en Luik;
-in het Duitsvoor de vorderingen ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.
Bij die rechtbanken moet de inleidende vordering dus opgesteld worden in de taal gebruikt door de rechtbank.
Bij de rechtbank van eerste aanleg te Brussel wordt het verzoekschrift opgesteld in het Nederlands of het Frans, volgens de taalkeuze van de verzoeker (met dien verstande dat de verweerder gevestigd is in een van de negentien gemeenten van de Brusselse agglomeratie) en de procedure verloopt in de taal van de inleidende vordering (art. 4, § 1, lid 2 en 3, wet van 15 juni 1935). De eiser mag dus zijn verzoekschrift in het Nederlands opstellen zelfs indien de beslissing in het Frans is gesteld en omgekeerd.
b. Verwijzing naar het gerecht van dezelfde rang dat in een ander taalgebied gevestigd is
126. Overeenkomstig artikel 7 van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken mogen de partijen eenstemmig vragen dat de rechtspleging wordt voortgezet in een andere nationale taal dan die van de aangesproken rechtbank van eerste aanleg. In dat geval wordt de zaak verwezen naar het gerecht met dezelfde rang dat in een ander taalgebied gevestigd is en het meest nabij is of naar het gerecht van dezelfde rang uit dat ander taalgebied dat door de partijen gezamenlijk wordt gekozen.
De aanvraag om de rechtspleging in een andere taal voort te zetten dan die van de aangesproken rechtbank moet door de eiser worden gedaan in de inleidende akte.
Het belastingbestuur heeft als regel aangenomen zich bij de gerechtelijke procedure niet te verzetten tegen de taalkeuze van de belastingplichtige.
Daarenboven is beslist dat de Belgische Staat geen exceptie van onbevoegdheid (ook wel afwijzende of "declinatoire" exceptie genoemd) zal aanvoeren in het geval waar belastingplichtigen die gevestigd zijn in een gemeente met bijzonder taalstatuut, zich wenden tot de dichtstbijzijnde rechtbank van eerste aanleg (volgens de bovenvermelde regels), in de plaats van de normaal bevoegde rechtbank gelet op de ligging van het ontvangkantoor of de belastingdienst.
G. Sancties voor het niet naleven van de vormvoorschriften
127. De regels Van de artikelen 1034ter en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid.
Overeenkomstig artikel 861 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter evenwel een proceshandeling alleen dan nietig verklaren indien het aangeklaagde verzuim of de aangeklaagde onregelmatigheid de belangen schaadt van de partij die de exceptie opwerpt. Het belastingbestuur zal dus moeten bewijzen dat de verzuimde of de onregelmatig verrichte vorm zijn belangen heeft geschaad. De belangenschade van de partij die de exceptie opwerpt zal door de rechter hoofdzakelijk beoordeeld worden in het licht van de rechten van de verdediging
Zo zal het feit dat bij het verzoekschrift geen afschrift van de administratieve beslissing of van het administratief beroep is gevoegd, enkel de nietigheid van de inleidende vordering met zich brengen voor zover de Belgische Staat aantoont dat dit verzuim zijn belangen heeft geschaad. Dat zou bijvoorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de griffie de gerechtsbrief naar het kabinet van de Minister van Financiën stuurt en het op grond van de vermeldingen in het verzoekschrift niet mogelijk is de beslissing van de directeur of de betwiste belasting te identificeren (zie Afschrift, op. cit., nr 51, blz. 498)
128. Overeenkomstig artikel 862 van het Gerechtelijk Wetboek geldt de regel van artikel 861 evenwel niet voor bepaalde limitatief opgesomde verzuimen en onregelmatigheden. Artikel 862 beoogt meer bepaald:
- de ondertekening van de akte door de partij of haar advocaat;
- de vermelding van de datum van de akte wanneer die noodzakelijk is om de gevolgen van de akte te beoordelen en meer bepaald de geldigheid van de akte gelet op de termijnen;
- de aanwijzing van de rechter die van de zaak kennis moet nemen.
Wanneer een dergelijk verzuim of een dergelijke onregelmatigheid zich voordoet mag de Staat de nietigheid van de inleidende vordering opwerpen zelfs als zijn belangen niet zijn geschaad.
129. In feite houdt alleen het ontbreken van de ondertekening de absolute nietigheid van de gebrekkige proceshandeling in (zie o.m. Afschrift, op. cit. J.T., 1999, nr 51)
In de twee andere gevallen kan immers het verzuim of de onregelmatigheid van de vorm van de proceshandeling of van de vermelding van een vorm niet tot nietigheid leiden, wanneer uit de gedingstukken blijkt ofwel dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt, ofwel dat die niet-vermelde vorm werkelijk in acht is genomen (art. 867, Ger. W, vervangen bij de wet van 3 augustus 1992 en gewijzigd bij de wet van 23 november 1998). De bewijslast ligt bij de partij die de exceptie opwerpt.
Die laatste twee gevallen van nietigheid worden evenwel vermeden door het loutere feit dat de griffie over het algemeen een stempel aanbrengt met de vermelding van de aangesproken rechtbank en de datum van neerlegging van het verzoekschrift, hetgeen voldoende lijkt om te beantwoorden aan het voorschrift van artikel 1034quater, Ger.W (Afschrift, J.T., 1999, op. cit., nr 51).
De rechtspraak heeft die bepaling trouwens toegepast inzake het verzoekschrift beoogd in artikel 378, WIB 92, door te beslissen dat het verzuim de aangesproken rechter te vermelden in het verzoekschrift bij het hof van beroep geen nietigheid van de procedure met zich brengt wanneer uit het geheel van de stukken blijkt dat de rechter die van de zaak kennis moet nemen op duidelijke en ondubbelzinnige manier is aangewezen. In deze zaak betrof het de aanwijzing van de rechter op de briefomslag van het verzoekschrift en het aanbrengen van de stempel van de griffie van het hof van beroep, geauthentiseerd door de handtekening van de griffier op het verzoekschrift, op de briefomslag en op de originele betekening (Luik, 25 april 1990, Wymeersch - Oger, onuitgegeven).
130. In beginsel moet elke exceptie van onbevoegdheid in limine litis, d.w.z. vóór eik verweer aangaande de zaak zelf, worden voorgedragen, zoniet zijn de nietigheden die tegen proceshandelingen kunnen worden aangevoerd, gedekt (art. 864, lid 1, Ger.W).
Nochtans zijn het verval en de nietigheid zoals bepaald in artikel 862, Ger.W pas gedekt wanneer een vonnis of arrest op tegenspraak, behalve datgene dat een maatregel van inwendige aard inhoudt, is gewezen zonder dat het verval of de nietigheid door de partij is voorgedragen of door de rechter ambtshalve is uitgesproken (art. 864, lid 2, Ger.W).
131. De regels betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken zijn voorgeschreven op straffe van nietigheid. Deze wordt van ambtswege door de rechter uitgesproken (art. 40, lid 1, Wet van 15.06.1935).
De regels voorgeschreven in de artikelen 861 en 867, Ger.W zijn hier niet van toepassing. Het belastingbestuur moet dus niet bewijzen dat de schending van de wet op het taalgebruik in gerechtszaken zijn belangen heeft geschaad. De nietigheid zal worden uitgesproken zelfs als de eiser aantoont dat de handeling het doel heeft bereikt dat de wet ermee beoogt.
Overeenkomstig artikel 40, lid 2 van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken dekt elk niet zuiver voorbereidend vonnis of arrest dat op tegenspraak werd gewezen niettemin de nietigheid van het geheel van de akten van de rechtspleging die het vonnis of het arrest zijn voorafgegaan.
Daarenboven stuit overeenkomstig artikel 40, lid 3 van de voormelde wet, de inleidende akte die in de verkeerde taal is opgesteld, de verjaring alsook de termijnen van de rechtspleging toegekend op straffe van verval. Daaruit volgt dat een nieuw verzoekschrift opgesteld in de vereiste taal ontvankelijk is indien het wordt ingeleid alvorens vonnis is geveld over de eerste vordering in rechte (zie cas. 05.05.197 1, Arr. Cass. 1971, blz. 881).
Afdeling 4. - Beroepstermijnen
132. Wettelijke bepalingen:
Art. 1385undecies, lid 2 en 3, Ger.W, ingevoegd door art. 9, wet van 23.03.1999 - De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.
De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd.
Art. 11, lid 2, wet van 23.03.1999 - In afwijking van artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, is de mogelijkheid om ten vroegste zes maanden of negen maanden na de datum van ontvangst van het administratief beroep een vordering in te leiden zo over dat beroep geen uitspraak is gedaan, niet van toepassing wanneer dat beroep betrekking heeft op een aanslag betreffende het aanslagjaar 1998 of een vorig aanslagjaar, voor wat de inkomstenbelastingen en de met de inkomsten gelijkgestelde belastingen betreft. Voor de bezwaarschriften die nog bij de administratie hangende zijn en waarover op 31 maart 2001 geen beslissing is genomen, vervalt deze bepaling.
Art. 11, lid 3, wet van 23.03.1999 - Wanneer de in artikel 379 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 bedoelde beroepstermijn, zoals die bestond voor de afschaffing door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, niet verstreken is op de datum van 1 maart 1999, kan het in artikel 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd door artikel 9 van deze wet, bedoelde beroep worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de betekening (sic) van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep.
A. Ingeval van administratieve beslissing
a. Beginsel
133. Wanneer over het administratief beroep een beslissing is genomen moet de vordering, op straffe van nietigheid, uiterlijk worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot dat beroep.
Op grond van de arresten van het Hof van Cassatie van 20.02.1998 en 18.01.1999 (zie nr 82) vangt de termijn van drie maanden aan, de dag na de kennisgeving zoals gedefinieerd in artikel 32 van het Gerechtelijk Wetboek, te weten de toezending van de briefomslag met beslissing. Die oplossing is temeer van toepassing daar de termijn voor het inleiden van een vordering in rechte bij de rechtbank van eerste aanleg niet meer geregeld wordt door een bepaling van het WIB maar door het Gerechtelijk Wetboek.
Gelet evenwel op de vroegere rechtspraak (zie Com. IB 92 nr 375/34) is het ingeval van twijfel over de ontvankelijkheid van de vordering in rechte aangewezen bij de Postontvanger navraag te doen betreffende de datum van effectieve aanbieding aan de belastingplichtige van de aangetekende brief met de beslissing van de directeur, om een onweerlegbaar bewijs te verkrijgen van de laattijdigheid van de vordering (zie de Instructie van 01.10.1993, nr Ci.RH.863/449.510).
De termijn wordt berekend overeenkomstig de beginselen voorgeschreven in de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek (zie Com. IB 92, nr 379/7).
De termijn van drie maanden kan niet worden verlengd omwille van de afstand wanneer een partij in België geen woonplaats, geen verblijfplaats noch gekozen woonplaats heeft. Artikel 55, Ger.W die deze verlenging regelt is immers slechts van toepassing wanneer de wet zulks bepaalt, hetgeen niet het geval is in artikel 1 385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.
Daarenboven zijn noch artikel 56, Ger.W (schorsing van de termijn ingeval van overlijden; contra, onder de oude procedure, Com. IB 92, nr 379/10 tot 12), noch artikel 50, lid 2, Ger.W (verlenging van de termijn omwille van de gerechtelijke vakantie) van toepassing op de procedure in eerste aanleg. Daarentegen kan de termijn van drie maanden worden verlengd bij overmacht (zie Com. IB 92, nr 379/9).
De termijn van artikel 1 385undecies, Ger.W is van openbare orde en is voorgeschreven op straffe van verval (zie Com. IB 92, nr 379/3). De rechtbank moet dus van ambtswege onderzoeken of de vordering ontvankelijk is gelet op de termijn waarbinnen het vorderingsrecht is uitgeoefend.
b. Toepassing van artikelen. 11, lid 3, Wet van 23.03.1999
134. Overeenkomstig artikel 11, lid 3 van de wet van 23 maart 1999 kan, wanneer de in artikel 379, WIB 92 beoogde beroepstermijn (zoals die bestond voor de opheffing door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999) niet verstreken is op 1 maart 1999, de vordering in rechte bij de rechtbank van eerste aanleg worden ingeleid binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving (het wetsartikel spreekt ten onrechte van betekening) van de beslissing met betrekking tot het administratief beroep.
135. In de praktijk kunnen zich verschillende situaties voordoen:
- De termijn van 40 dagen (art. 379, WIB 92 oud) is niet verstreken op 1 maart 1999 maar er is reeds een voorziening bij het hof van beroep ingeleid. Dat beroep wordt afgehandeld volgens de oude procedure (zie nr 94).
- De termijn van 40 dagen was niet verstreken op 1 maart 1999 en de belastingschuldige heeft geen voorziening bij het hof van beroep ingediend. Hij kan een tijdige vordering inleiden bij de rechtbank van eerste aanleg binnen een termijn van 3 maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing.
- De termijn van 40 dagen was niet verstreken op 1 maart 1999 en de belastingschuldige heeft een voorziening bij het hof van beroep ingeleid voor het verstrijken van de termijn van 40 dagen (op 1 maart of een later datum). Het is aangewezen de belastingschuldige te verzoeken afstand te doen van geding of de onbevoegdheid van het hof van beroep aan te voeren, zelfs als de betrokkene de rechtbank van eerste aanleg niet heeft aangesproken (zie nr 95).
- De termijn van 40 dagen was niet verstreken op 1 maart 1999 en de belastingschuldige heeft na die datum een (laattijdige) voorziening bij het hof van beroep ingeleid.De belastingschuldige kan nog een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg inleiden binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing. In dat geval is de voorziening bij het hof van beroep om twee redenen onontvankelijk: onbevoegdheid en laattijdigheid.
- De termijn van 40 dagen was verstreken op 1 maart 1999 (d.w.z. de voorziening in beroep had uiterlijk op vrijdag 26 februari 1999 moeten zijn neergelegd). Een vordering ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg, zelfs binnen de termijn van drie maanden na de kennisgeving van de beslissing, is onontvankelijk wegens laattijdigheid.
B. Ingeval een administratieve beslissing ontbreekt
136. Wanneer de belastingplichtige regelmatig het door de wet verplichte administratief beroep heeft ingediend, is hij niet meer verplicht, zoals onder het oude stelsel, te wachten op een beslissing. "Na verloop van een periode van 6 maanden ontvangt de belastingplichtige als het ware een "toestemming om te dagvaarden", dwz. hij kan het geschil met de administratie voor de rechtbank brengen" (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, nr 1-966/11, blz. 136).
137. Wat de aanslagen betreffende de aanslagjaren 1999 en volgende betreft, kan de vordering ten vroegste worden ingeleid zes maanden na de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dat beroep binnen die termijn geen uitspraak is gedaan. De termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege is gevestigd (art. 1 385undecies, lid 2 en 3, Ger.W, ingevoegd door art. 9 van de wet van 23 maart 1999).
Voor de aanslagen verbonden aan de aanslagjaren 1998 en vorige laat het feit dat de termijn van zes (of negen maanden) na de datum van ontvangst van het bezwaarschrift verstreken is, de belastingschuldige niet toe zich onmiddellijk tot de rechtbank van eerste aanleg te wenden. Hij verkrijgt dat recht pas als op 31 maart 2001 nog geen beslissing is genomen (in feite vrijdag 30 maart 2001). Dat blijkt uit artikel 11, lid 2 van de wet van 23 maart 1999. In dat geval kan de belastingschuldige een vordering inleiden vanaf 1 april 2001 (in feite maandag 2 april 2001). Wanneer de termijn van zes (of negen) maanden op 31 maart 2001 nog niet verstreken is moet de belastingschuldige uiteraard wachten tot het verstrijken van die termijn alvorens een vordering in rechte te kunnen inleiden.
Die maatregel beoogt een onmiddellijke overbelasting van de rechtbanken van eerste aanleg te voorkomen in de veronderstelling dat een groot gedeelte van de bezwaarschriften die nog bij de gewestelijke directeurs in behandeling zijn terstond voor de rechter zouden worden gebracht.
Artikel 11, lid 2, beoogt slechts de bezwaarschriften. Het is niet van toepassing op de vragen tot ontheffing van ambtswege betreffende de aanslagjaren 1998 en vorige. Die aanvragen kunnen slechts na een beslissing van, de directeur bij de rechtbank worden ingeleid.
De wachttermijn van artikel 1 385undecies, lid 2 en 3, Ger.W wordt, berekend overeenkomstig de artikelen 52 tot 54, Ger.W.
138. Voorbeelden
1. Bezwaarschrift tegen een aanslag voor het aanslagjaar 1996. Datum van ontvangst van het bezwaarschrift: 1 februari 1998. Indien geen beslissing is genomen op 31 maart 2001 (in feite vrijdag 30 maart 2001) kan de belastingschuldige vanaf 1 april 2001 (in feite maandag 2 april 2001) de rechtbank van eerste aanleg aanspreken.
2. Bezwaarschrift tegen een aanslag voor het aanslagjaar 1998. Datum van ontvangst van het bezwaarschrift: 1 februari 2001. Indien geen beslissing is genomen op 1 augustus 2001 kan de belastingschuldige vanaf 2 augustus een vordering in rechte inleiden.
3. Bezwaarschrift tegen een aanslag van ambtswege gevestigd voor het aanslagjaar 1998. Datum van ontvangst van het bezwaarschrift: 21 augustus 2000. Indien geen beslissing is genomen op 21 mei 2001 kan de betrokkene vanaf 22 mei 2001 de zaak bij de rechtbank inleiden.
4. Bezwaarschrift tegen een aanslag voor het aanslagjaar 1999, ingekohierd op 29 juni 2000. Datum van ontvangst van het bezwaarschrift: 14 juli 2000. Indien geen beslissing is genomen op maandag 15 januari 2001 (14 januari 2001 is een zondag en overeenkomstig artikel 53, lid 2, Ger.W wordt de vervaldag, indien deze dag een zaterdag, zondag of wettelijke feestdag is, verplaatst op de eerstvolgende werkdag), mag de belastingschuldige vanaf 16 januari 2001 de rechtbank aanspreken.
HOOFDSTUK 5: RECHTSMACHT EN BEVOEGDHEID VAN DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG
Afdeling 1. - Beginsel
139. De rechtsmacht van de rechtbank van eerste aanleg volgt in de eerste plaats uit de wet: artikel 569, lid 1, 32° Ger.W schrijft immers voor dat zij kennis neemt "van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet". In tegenstelling met de procedure beheerst door de artikelen 377 tot 385, WIB 92, wordt niet meer de beslissing van de directeur van de rechterlijke macht onderworpen maar wel "het belastinggeschil" in zijn geheel.
Wanneer het geschil op een aanslag betrekking heeft (hetgeen niet steeds het geval zal zijn: zie nr 101) en behoudens de gevallen waarin de rechter de wettigheid van de beslissing van de directeur moet onderzoeken, wordt in beginsel de aanslag aan het oordeel van de rechter onderworpen, zoals die door de directeur der belastingen is vastgesteld. Wanneer de directeur niet binnen een bepaalde termijn een beslissing neemt en de belastingschuldige verkiest niet langer te wachten en naar de rechtbank te stappen, neemt de rechtbank kennis van de aanslag zonder dat een administratieve beslissing is genomen. (zie nr 136 en volgende).
Daaruit volgt dat de rechtsmacht van de rechtbank niet meer beperkt wordt door de omvang van de vraag binnen het raam van het administratief beroep.
De belastingplichtige mag dus in zijn verzoekschrift bezwaren formuleren die niet bij de directeur werden aangevoerd of waarover deze zich niet van ambtswege heeft uitgesproken (Parl. St., Senaat, zitting 1998-1999, 1-966/11 blz. 233).
Daarenboven is, zoals in elke andere aangelegenheid, de rechtsmacht van de rechter bepaald door de eis die de partijen hebben geformuleerd. De rechtbank kan evenwel bepaalde precieze grieven ambtshalve onderzoeken.
Ten slotte moeten de regels van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de uitbreiding of de wijziging van de vordering die bij de rechter aanhangig is, worden nageleefd (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr 1341/1, blz. 67) en moet rekening worden gehouden met de rechtsmacht van de rechtbank in fiscale zaken.
Afdeling 2. - Algemene regel: onbeperkte bezwaren
140. De rechter wordt aangesproken voor de betwisting in zijn geheel. Bezwaren kunnen dus "onbeperkt" worden geformuleerd in het verzoekschrift.
Zo kan bijvoorbeeld de belastingplichtige die voor een bepaald aanslagjaar een bezwaarschrift heeft ingediend stellende dat de aanslagambtenaar zijn beroepskosten niet heeft aanvaard, in zijn inleidend verzoekschrift voor de eerste keer onder meer aanvoeren dat andere sommen niet van de bruto-inkomsten werden afgetrokken (investeringsaftrek, onderhoudsuitkeringen, aftrekbare giften enz.).
141. In die zienswijze bestaat er theoretisch geen bezwaar tegen dat bij de rechter een vordering zou worden ingeleid hoewel de directeur alle bezwaren die bij hem waren ingediend heeft aanvaard, op voorwaarde dat de belastingplichtige aantoont dat hij belang heeft bij een vordering tegen de aanslag die op zijn naam is gevestigd.
Afdeling 3. - Geen ambtshalve uitbreiding van de eis door de rechter en uitzonderingen
142. Zelfs als het erom gaat regels van openbare orde toe te passen, zou de rechter het beschikkingsrecht overschrijden wanneer hij aan een partij een voordeel toekent waarom niet werd gevraagd (Krings, "Het ambt van de rechter bij de leiding van het rechtsgeding ", R.W. 1983-1984, 337 e.v.).
Die regel is eveneens in belastingzaken van toepassing: de rechter mag onder de dekmantel van het feit dat de belastingen van openbare orde zijn, geen uitspraak doen over niet gevorderde zaken en niet meer toekennen dan er gevraagd is (uitspraak "ultra petita")
143. In het gemeen recht is de rechtspraak van het Hof van Cassatie op dit gebied zeer strikt. Het Hof van Cassatie heeft steeds het traditionele standpunt gehuldigd waarbij de oorzaak wordt gelijkgesteld met de juridische grondslag van de vordering. Wanneer het Hof van Cassatie stelt dat het aan de rechter toekomt op de regelmatig aan zijn beoordeling onderworpen feiten de rechtsregels toe te passen op grond waarvan hij de vordering zal aannemen of verwerpen, dan is het steeds "op voorwaarde dat hij het voorwerp of de oorzaak van de vordering niet wijzigt" (Cass., 20.01.1983, Arr. Cass., 1982-1983, deel II, nr 292, blz. 672; Cass. 22.03.1990, Arr. Cass., 1989-1990, deel III, nr 438, blz. 942). Daarbij wordt onder oorzaak verstaan de juridische titel waarop wordt gesteund om de gevraagde veroordeling te verkrijgen. Daaruit volgt dat de rechter die ambtshalve elementen van het dossier herkwalificeert om er een andere rechtsnorm op toe te passen dan die welke werd aangevoerd ter ondersteuning van de vordering, de oorzaak van de vordering wijzigt en het recht van de partijen schendt om de grenzen van de vordering zelf te bepalen.
Dat is het geval bij de rechter die ambtshalve de vordering wegens onrechtmatige daad vervangt door een vordering wegens het verbreken van het evenwicht tussen naburige eigendommen (Cass.20.03.1980, Arr. Cass., 1979-1980, deel III, nr 458, blz. 903) of die een veroordeling laat steunen op artikel 1384, BW in de plaats van op het door de eiser aangevoerde artikel 1382, BW (Cass. 29.02.1980, Arr. Cass., 1979-1980, deel II, nr 412, blz. 813; zie eveneens in dezelfde zin, Cass. 22.12.1983, Arr. Cass., 1983-1984, deel II, nr 219, blz. 470 en Cass. 05.12.1997, Arr. Cass., 1997, deel 8, nr 531, blz. 1287).
144. De bovenvermelde regels kunnen in fiscale aangelegenheden worden overgebracht. Er moet nochtans rekening worden gehouden met de rechtspraak van het Hof van Cassatie met betrekking tot de rechtsmacht van het hof van beroep binnen het raam van de oude procedure. Het Hof van Cassatie aanvaardde 4 uitzonderingen die de rechter ambtshalve mocht onderzoeken, te weten, de verjaring, de vrijwillige niet naleving door het bestuur van de termijn van één maand om te antwoorden op een bericht van wijziging of een bericht van aanslag van ambtswege, de overmacht en het gezag van gewijsde (zie Com. IB 92 nr 377/23 tot 27). Het ziet ernaar uit dat die rechtspraak moet worden behouden in het raam van de nieuwe procedure.
Zo ook moeten we hier het bezwaar aan toevoegen dat gesteund is op de schending van het Europees gemeenschapsrecht, gelet op de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen. Dat hof heeft beslist dat het gemeenschapsrecht zich verzet tegen de toepassing van nationale procesregels, zoals de oude artikelen 377, lid 2, 378, lid 2 en 381, WIB 92, die de in het kader van zijn bevoegdheid geadieerde nationale rechter verbieden ambtshalve de verenigbaarheid te onderzoeken van een handeling van nationaal recht met een gemeenschapsbepaling (Hof van Justitie., 14.12.1995, Jurisprudentie van het Hof van Justitie., 1995-11, zaak C-312/93, blz. 4599).
Afdeling 4. - Toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
A. Artikel 807, Ger. W
145. De toepassing van het gemeen recht houdt eveneens in dat de eiser het verzoekschrift ingeleid bij de rechtbank van eerste aanleg slechts onder de voorwaarden beschreven in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek kan uitbreiden of wijzigen.
In beginsel kan, behoudens de toestemming van de partijen, het voorwerp en de oorzaak van de vordering niet worden gewijzigd in de loop van de procedure. Om de rechtszekerheid en de rechten van de verdediging te waarborgen is de rechtsmacht van de rechter beperkt door de eis zoals die geformuleerd is in de inleidende vordering (Fettweiss, Manuel de procédure civile, Luik, 1985, nr 64, blz. 83).
Artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek schrijft evenwel voor dat "een vordering die voor de rechter aanhangig is kan uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is."
146. Een nieuwe vordering door wijziging van het voorwerp (of "onderwerp") van de oorspronkelijke vordering is dus op twee voorwaarden mogelijk (zie Fettweiss, op. cit., nr 70, blz. 88):
1) de vordering moet hetzelfde voorwerp hebben als de oorspronkelijke vordering, d.w.z. gegrond zijn "op een feit of akte aangevoerd in de dagvaarding";
2) de nieuwe vordering moet ingesteld zijn bij conclusies op een ogenblik waarop de procedure tegensprekelijk is.
Voorbeelden uit het gemeen recht
147. Werden door de rechtspraak (in burgerlijke zaken en in handelszaken) onontvankelijk verklaard:
- de nieuwe vordering tot nietigverklaring van een ouderlijke boedelverdeling wegens gebrek aan instemming, terwijl de rechter kennis nam van een vordering tot nietigverklaring wegens benadeling voor meer dan een vierde van die verdeling en het feit waaruit het gebrek aan instemming was afgeleid niet in de dagvaarding was aangevoerd (Cass. 23.11.1978, Arr. Cass., 1978-1979, deel I, blz. 535);
- de nieuwe eis tot veroordeling van de verweerder tot betaling van sommen met betrekking tot terugbetaling van een huurwaarborg, de onroerende voorheffing en het waterverbruik, terwijl de oorspronkelijke vordering enkel strekte tot de betaling van sommen voor huurschade, voor schade berokkend aan de gemeenschappelijke delen van een gebouw en voor onproductiviteit gedurende werken (Vredegerecht Elsene, 2 de kanton, 19.02.1971, J.T., 1972, blz. 12; zie ook Cass. 17.02.1989, Arr. Cass., 1988-1989, deel II, nr 341, blz. 690);
- de vordering tot hernieuwing van een handelshuurovereenkomst waarin de eiser, in het raam van artikel 14 van de wet op de handelshuurovereenkomsten en ingevolge een door de rechter bevolen deskundigenonderzoek, een hogere huur had aangeboden dan de offerte vermeld in de inleidende vordering (Vredegerecht Luik, 2de kanton, 24.09.1970, Jur. Liège, 1970-1971, blz. 70);
- de eis geformuleerd in conclusies waaruit bleek dat de redenen van de aan de huurder betekende opzegging gewijzigd waren ten aanzien van die welke in de dagvaarding werden uiteengezet (Vredegerecht Luik, 2de kanton, 22.01.1970, Jur. Liège, 1969-1970, blz. 239);
- de vordering tot beëindiging van de huurovereenkomst op grond van opzegging, terwijl de oorspronkelijke vordering strekte tot ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestaties van de huurder (Cass. 05.05.1988, Arr. Cass., 1987-1988, deel III, nr 548, blz. 1134).
148. Inzake inkomstenbelastingen moet de onontvankelijkheid worden aangevoerd van de nieuwe vorderingen die de belastingschuldige in de loop van de procedure formuleert en die uitsluitend gegrond zijn op feiten die niet voorkomen in de inleidende vordering.
De motivering van het verzoekschrift mag niet beperkt zijn tot het aanvoeren van het willekeurig karakter van de aanslag. Er moet gemotiveerd worden waarom de aanslag willekeurig is. Zo ook kan de eiser zich niet beperken tot het vragen van de vernietiging of de ontheffing van de aanslag. Het verzoekschrift moet gemotiveerd zijn en het volstaat niet zich te beperken tot algemene termen om nadien te pogen in conclusies feiten aan te voeren die niet in het verzoekschrift voorkomen onder het voorwendsel dat het om nieuwe middelen gaat.
Voorbeelden uit het fiscaal recht
- de belastingschuldige die zich in zijn inleidende vordering beperkt heeft tot het aanvoeren dat de aanslagambtenaar en, eventueel, de gewestelijke directeur, de aftrek van de in de aangifte vermelde beroepskosten hebben geweigerd, zou later in zijn conclusies niet kunnen aanvoeren dat hij eveneens recht heeft op de investeringsaftrek of de vrijstelling voor bijkomend personeel voor wetenschappelijk onderzoek enz.;
- de belastingplichtige die van ambtswege is aangeslagen, geeft in zijn inleidende vordering de elementen om het bewijs te leveren van het juiste bedrag van zijn belastbare inkomsten; hij zou in de loop van de procedure de vernietiging van de aanslag niet kunnen nastreven om reden dat de belastbare grondslag door het bestuur op willekeurige wijze is vastgesteld indien hij hierbij steunt op feiten die niet zijn aangevoerd in de inleidende vordering (zie naar analogie, Antwerpen, 02.03.1992, FJF, nr 83/7);
- de eiser betwist de aanslag volgens tekenen en indiciën en beroept zich in zijn inleidende vordering op bepaalde gegevens om het tegenbewijs te leveren: daarbij beweert hij een lening te hebben afgesloten gedurende het belastbaar tijdperk en gedurende diezelfde periode een handgift te hebben gekregen van een familielid; hij kan in de loop van de procedure, in conclusies, niet meer de tekenen en indiciën als dusdanig betwisten (bijvoorbeeld de hoegrootheid van de huishoudelijke uitgaven; zie naar analogie, Antwerpen, 30.03.1982, FJF, nr 83/8) noch andere verantwoordingsstukken aanvoeren (bijvoorbeeld een lening door een ander familielid);
- mutatis mutandis kan de rechtspraak van het Hof van Cassatie worden toegepast die in het kader van de oude procedure het bezwaar onontvankelijk verklaarde dat voor de eerste keer voor het hof van beroep werd aangevoerd en dat een element van de indiciaire taxatie in vraag stelde dat niet betwist werd in het bezwaarschrift, aangezien elk element van de indiciaire taxatie een belastbaar feit is dat op zichzelf -staat (Cass, . 08.02.1990, Arr. Cass., 1989-1990, deel II, nr 356, blz. 756 en Cass. 27.11.1991, Pas., I, blz. 85).
149. Het is belangrijk in conclusies de onontvankelijkheid van elke nieuwe eis aan te voeren daar artikel 807, Ger.W niet van dwingend recht is en de openbare orde niet raakt (Cass. 23.05.1985, Arr. Cass., 1984-1985, deel III, nr 576, blz. 1318) zodat partijen uitdrukkelijk of stilzwijgend kunnen overeenkomen de vorderingen uit te breiden. Wanneer in conclusies wordt geantwoord op een nieuwe vordering zonder de onontvankelijkheid ervan te hebben aangevoerd, is de rechter verplicht over die nieuwe vordering te beslissen.
Om dezelfde reden kan de schending van artikel 807, Ger. W betreffende de uitbreiding en de wijziging van de vordering niet voor het eerst voor het Hof van Cassatie worden aangevoerd (Cass. 01.10.1990, Arr. Cass. 1990- 1991, deel I, nr 49, blz. 107).
Voor het overige spreekt het vanzelf dat de bezwaren die de rechter ambtshalve kan onderzoeken (zie nr 144) door de partijen op elk ogenblik van de procedure kunnen worden aangevoerd.
Ten slotte valt op te merken dat artikel 807, Ger.W slechts van toepassing is op de eiser. Er werd bijgevolg geoordeeld dat artikel 807, Ger.W niet toepasselijk is op de door verweerder ingestelde tussenvordering (Cass. 26.05.1976, Arr. Cass., 1976, blz. 1067). Bijgevolg zou het belastingbestuur in conclusie een tegenvordering kunnen instellen die niet steunt op een in het verzoekschrift vermeld feit. Daarbij mag echter niet uit het oog worden verloren dat het belastingbestuur de toestand van de belastingplichtige niet mag verzwaren en dat de tegenpartij er moet kunnen op antwoorden.
B. Artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek
150. Voor de toepassing van artikel 1 385undecies van het Gerechtelijk Wetboek kan een vordering voor de rechtbank van eerste aanleg betreffende bepaalde aanslagen, niet in de loop van de procedure worden uitgebreid tot andere aanslagen inzake inkomstenbelastingen waarvoor de belastingschuldige geen bezwaarschrift of een vraag tot ontheffing van ambtswege heeft ingediend (zie Afschrift, J.T., op. cit., blz. 500, nr 62).
Daarentegen zou het mogelijk zijn de vordering uit te breiden tot andere belastingen waarvoor de wet geen administratief beroep organiseert; bijvoorbeeld een BTW vastgesteld op dezelfde omzet als die waarop de in de inleidende vordering betwiste inkomstenbelastingen zijn gevestigd (zie Afschrift, op. cit., blz. 500, nr 64)
C. Artikel 808 van het Gerechtelijk Wetboek
151. Het spreekt vanzelf dat partijen steeds de tussenvorderingen beoogd in artikel 808, Ger.W kunnen instellen, te weten die welke "in het onmiddellijke verlengde liggen van de inleidende vordering, die deze vordering aanvullen met een bijkomend bezwaar of die deze vordering doen evolueren om rekening te houden met de feiten die sinds de dagvaarding zijn voorgekomen Men en die een gevolg zijn van de feiten die werden aangevoerd" (Fettweiss, cit., nr 68, blz. 86).
Artikel 808, Ger.W, geeft geen definitie van de tussenvordering. Dat artikel beperkt zich ertoe een aantal voorbeelden op te sommen: "interesten, rentetermijnen, huurgelden en elk toebehoren (.) de later bewezen schadevergoedingen ".
Zo zou bijvoorbeeld de belastingschuldige zijn oorspronkelijke vordering kunnen aanvullen door in de loop van de procedure aan de rechter te vragen de Staat te veroordelen tot het betalen van moratoriuminteresten of schadevergoeding.
De tussenvordering kan hoe dan ook worden ingesteld, zelfs bij verstek of in beroep.
Er werd geoordeeld dat artikel 808, Ger.W niet toelaat dat andere eisen dan aanvullingen op de oorspronkelijke eisen zouden worden ingesteld, en de rechter mag niet-buiten de grenzen van die bepaling treden (Cass. 20.05.1999, J.T., 2000, blz. 230; zie in het stadium van het beroep nr 213).
D. Artikel 14 van het Gerechtelijk Wetboek
152. Ten slotte kunnen zowel de eiser als de Staat tegenvorderingen instellen.
Artikel 14, Ger.W definieert de tegenvordering als "een tussenvordering die de verweerder instelt om tegen de eiser een veroordeling te doen uitspreken".
De tegenvordering wordt ingesteld bij conclusies (art. 809, Ger.W). De tegenvordering ingesteld in eerste aanleg is aan geen enkele bijzondere ontvankelijkheidsvoorwaarde onderworpen, behoudens de gewone voorwaarden van belang en hoedanigheid. De tegenvordering is ontvankelijk tot bij de sluiting van de debatten.
Het belastingbestuur mag dus bij conclusies schadevergoeding vragen voor tergend en roekeloos geding als het van oordeel is dat de door de belastingplichtige ingestelde vordering duidelijk opschortend is.
Afdeling 5. - Bijzonderheden betreffende de rechtsmacht van de rechtbank in fiscale zaken
153. Aangezien de belastingen van openbare orde zijn kan de rechtbank van eerste aanleg (en het hof van beroep ingeval van hoger beroep) ambtshalve alle elementen aanvoeren die de aanslag rechtvaardigen (zie Com. IB 92, nr 377/31).
154. Ingeval van aanslag van ambtswege heeft de rechter slechts de macht om een andere belastbare grondslag in de plaats te stellen van die waarop de aanslag is gevestigd, indien de belastingplichtige het juiste cijfer van zijn belastbare inkomsten bewijst. Wanneer de rechter vaststelt dat een aanslag van ambtswege onwettig is wegens zijn willekeurig karakter, maar de eiser niet in staat is het juiste bedrag van zijn belastbare inkomsten te bewijzen, kan hij de aanslag niet verbeteren maar moet hij die vernietigen (zie naar analogie Cass. 26.01.1989, Arr. Cass, 1988-1999, deel II, nr 311, blz. 633, Cass. 15.09.1997, Bull. Nr 791, blz. 860 en Com. IB 92, nr.377/33).
155. Overigens kan de rechter, zoals in het verleden, de toestand van de eiser niet verzwaren. Het karakter van het geding blijft er zich tegen verzetten dat aan de fiscus meer wordt toegestaan dan het bedrag waarover het in de eventuele beslissing van de gewestelijke directeur gaat (zie Com. IB 92, nr 377, lid 1 en de geciteerde referenties).
Op te merken valt nochtans dat de nodige reserves bestaan ten aanzien van de ontvankelijkheid van het administratief beroep, dat door het belastingbestuur bij de rechtbank in vraag zou kunnen worden gesteld ingeval de directeur ten onrechte dat beroep ontvankelijk heeft verklaard (contra Cass. 05.05.1941, Pas., I, blz 177) of dat zelfs door de rechter ambtshalve zou kunnen worden aangevoerd aangezien de rechtbank zich slechts bevoegd kan verklaren wanneer er voordien een regelmatig administratief beroep is ingediend.
HOOFDSTUK 6: DE PROCEDURE VOOR DE RECHTBANK VAN EERST AANLEG
Afdeling 1. - Inschrijving op de rol
156. Op de griffie van ieder gerecht wordt een algemene rol gehouden, waarop iedere zaak in volgorde van binnenkomst wordt ingeschreven (art. 711, Ger.W).
Onmiddellijk na de inschrijving op de rol legt de griffier een dossier aan dat alle processtukken bevat (art. 720 en 721, Ger.W).
Vorderingen op verzoekschrift worden op een bijzondere rol ingeschreven (art. 712, Ger.W).
Afdeling 2. - Inleidende zitting
157. Bij zaken die worden ingeleid bij verzoekschrift op tegenspraak worden de partijen door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen voor een inleidende zitting die de rechter bepaalt. Bij de oproeping wordt een afschrift van het verzoekschrift gevoegd (art. 1 034sexies, Ger.W).
A. Verschijning in persoon of bij advocaat
158. Op het ogenblik van de rechtsingang (en later) dienen de partijen in persoon of bij advocaat te verschijnen (art. 728, Ger.W). De belastingplichtige kan zich dus niet door een fiscaal raadgever (of welke gevolmachtigde ook), die geen advocaat is, laten vertegenwoordigen (zie bij analogie, Com. IB 92, nr 378/3).
De orgaantheorie zou de gewestelijke directeur die de beslissing heeft genomen moeten toelaten de Minister van Financiën te vertegenwoordigen (zie bij analogie, Com. IB 92 nr 388/3). Indien de directeur verhinderd is zou zijn plaatsvervanger dit kunnen doen. Er werd evenwel beslist de huidige regels betreffende de procesvertegenwoordiging van de Staat niet te wijzigen en de zaak, onmiddellijk na ontvangst van de kennisgeving van het verzoekschrift, aan een advocaat die het departement vertegenwoordigt, toe te vertrouwen.
B. Verwijzing naar de rol of behandeling ter inleidende zitting
159. Betwistingen in fiscale zaken zullen slechts uitzonderlijk bij de inleidende zitting kunnen worden gepleit. In de meeste gevallen zal de zaak "naar de rol" worden verwezen, om de mededeling van het dossier en de uitwisseling van de conclusies tussen de partijen mogelijk te maken. In de regel wordt geen dossier neergelegd op de inleidende zitting.
De zaak zal aan een andere kamer van de rechtbank worden toegewezen wanneer de zaak "in staat" is, d.w.z. wanneer alle stukken aan elkaar zijn overgelegd en de conclusies zijn genomen, neergelegd en uitgewisseld.
160. Nochtans kunnen overeenkomstig artikel 735, § 1 tot 3, Ger.W, de zaken waarvoor slechts korte debatten nodig zijn, worden behandeld op de inleidende zitting of verdaagd opdat er op een nabije datum zou worden over gepleit.
Die procedure wordt slechts toegepast wanneer daartoe een met reden omkleed verzoek is gedaan door de eiser in de akte van rechtsingang (in casu dus het verzoekschrift op tegenspraak) of door de verweerder op de inleidende zitting. Wanneer partijen daarmee akkoord gaan, moet de zaak in korte debatten worden behandeld. In die hypothese bepaalt de rechter de duur van de debatten.
In de gevallen waarbij de vereenvoudigde procedure wordt toegepast, kan het vonnis worden gewezen zonder dat er conclusies zijn neergelegd. De partijen mogen nochtans conclusies nemen en stukken neerleggen tot bij de sluiting van de debatten.
161. Aldus is het mogelijk vanaf de inleidende zitting:
- sommige "eenvoudige" zaken te pleiten;
- een akkoordvonnis te vellen;
- verstekvonnis te vellen indien de tegenpartij afwezig is;
- een verdaging "op vaste datum" te bekomen, hetgeen het eventueel mogelijk maakt later verstek te nemen.
C. Verklaring van vertegenwoordiging in rechte
Beginsel
162. Wanneer de zaak niet bij de inleiding kan worden gepleit, kunnen advocaten in onderlinge overeenstemming de verschijning op het ogenblik van de rechtsingang vervangen door een "schriftelijke verschijning". Daartoe richten zij vooraf een brief aan de griffier waarin zij zich aanmelden. Die verklaring wordt aangetekend op het zittingsblad.
Die procedure die aan advocaten nutteloze verplaatsingen wil besparen en die uitsluitend aan hen is voorbehouden, bestaat er in feite in bij gewone brief aan de griffier te vragen dat de zaak zonder meer naar de rol zou worden verwezen.
In die omstandigheden is de gewestelijke directeur niet verplicht aan de advocaat van de tegenpartij de identiteit mede te delen van de advocaat die de Belgische Staat zal vertegenwoordigen. De advocaat van de Belgische Staat staat hiervoor zelf in.
D. Verwijzing naar een kamer met drie rechters
163. In de regel worden de vorderingen in burgerlijke zaken toegewezen aan kamers met één rechter. Indien een partij, vóór elk verweer, hierom schriftelijk verzoekt op de dag van de inleiding van de zaak, kan de rechter de doorverwijzing bevelen naar een kamer met drie rechters (art. 91, Ger.W).
Om de afhandeling van de fiscale geschillen te bespoedigen wordt die stap voorbehouden aan belangrijke zaken of aan betwistingen over principekwesties. Ingeval van twijfel raadpleegt de directeur de centrale diensten.
Afdeling 3. - Mededeling van de stukken
A. Beginsel
164. Een essentieel onderdeel van de rechtspleging bestaat in zijn tegensprekelijk karakter: de partijen moeten elkaar van tevoren inzage verschaffen van alle stukken waarop men als partij wil steunen. Daarom schrijft artikel 736 van het Gerechtelijk wetboek voor dat "de partijen aan elkaar hun stukken moeten overleggen alvorens er gebruik van te maken anders wordt de rechtspleging ambtshalve geschorst".
B. Wijze van overlegging van de stukken
165. De partijen kunnen de stukken op twee manieren aan elkaar overleggen:
- door neerlegging van de stukken ter griffie, waar de partijen er ter plaatse inzage van kunnen nemen (art. 737, lid 1, Ger.W). In dat geval moeten de stukken vooraf door de partij of door haar advocaat worden gebundeld en op een inventaris ingeschreven.
In beginsel bestaat de "bundeling" van de stukken in het verzamelen ervan in een map (Rouard, Traité élémentaire de droit judiciaire privé, tweede deel, Deel III, nr 61, blz. 73). Wanneer de tekst stelt dat de stukken in een "inventaris" moeten worden opgenomen betekent dit dat een gedetailleerde en beschrijvende opsomming, artikel per artikel, moet worden gegeven van de aangebrachte stukken (Rouard, op. cit., nr 62, blz 73)
- in der minne, zonder formaliteiten, behalve de kennisgeving aan de griffier opdat de datum van die overlegging in het dossier van de rechtspleging zou kunnen worden opgenomen (art. 737, lid 2 en 731, 2° Ger.W). In dat geval leggen de advocaten in het dossier van de rechtspleging een afschrift neer van de brief waarbij . de toezending van de stukken aan de advocaat van de tegenpartij wordt gemeld en geven zij elkaar de stukken terug, uiterlijk binnen de termijn om conclusies te nemen.
166. Om elk verschil in behandeling te vermijden tussen belastingplichtigen die door een advocaat worden verdedigd en zij die zichzelf verdedigen en om elk risico op verlies van de stukken te voorkomen, heeft het belastingbestuur besloten in alle geschillen de overlegging van de stukken te verwezenlijken door neerlegging ter griffie van een kopie van die stukken (de originele stukken blijven ter directie en worden slechts voorgelegd als de kopie wordt betwist), gepaard gaande met een gedetailleerde inventaris (zie Com. IB 92, nr 380/5). Het spreekt vanzelf dat de departementsadvocaat die eveneens een kopie van die stukken ontvangt, zijn dossier aan de tegenpartij die daarom vraagt mag mededelen, ongeacht of de tegenpartij door een advocaat wordt vertegenwoordigd of niet.
167. In het gemeen recht moet een partij slechts de stukken mededelen waarop zij zich beroept. Het belastingbestuur zou dus niet verplicht zijn het volledige belastingdossier neer te leggen maar enkel de stukken met betrekking tot de bezwaren geformuleerd in het verzoekschrift, terwijl onder de vroegere wetgeving artikel 380, WIB 92 voorschreef dat alle stukken met betrekking tot de betwisting dienden te worden neergelegd.
Aangezien echter het recht om het administratief dossier te raadplegen een grondwettelijk recht is, heeft het belastingbestuur besloten het volledige belastingdossier met betrekking tot de betwisting ter griffie neer te leggen. Dat standpunt is in overeenstemming met de ministeriële verklaringen tijdens de voorbereidende werken (Parl. St., Sen. 1988-1999, nr 1-966/11, blz. 5)
C. Termijn om de stukken mede te delen
168. De eiser moet zijn stukken mededelen binnen acht dagen na de inleiding van de zaak, behoudens wanneer het een zaak betreft die op de inleidende zitting wordt behandeld of die verdaagd wordt om er op een nabije datum over te pleiten.
De termijn van acht dagen is geen uiterste termijn (Rouard, op.cit., nr 58, blz. 71) maar hij doet wel de termijn van een maand lopen waarover de verweerder beschikt om zijn conclusies te nemen (art. 747, § 1, Ger.W).
169. De verweerder moet in beginsel zijn stukken aan de eiser mededelen uiterlijk samen met de overlegging van zijn conclusies (art. 736, lid 2, Ger.W).
Het belastingbestuur heeft besloten ambtshalve een kopie van het administratief dossier aan de departementsadvocaat te bezorgen binnen twee maanden vanaf de ontvangst van de kennisgeving van het inleidend verzoekschrift en uiterlijk wanneer de samenvattende nota van het geschil is opgesteld, een kopie van het dossier samen met die nota ter griffie neer te leggen (zie nr 232 en 235)
In elk geval worden de stukken die na de neerlegging van de conclusies worden overgelegd, ambtshalve uit de debatten geweerd. Slechts met toestemming van de partijen mag de rechter er acht op slaan (art. 740, Ger.W).
Afdeling 4. - De conclusies en het in staat stellen van de zaak
A. Beginsel
170. Conclusies zijn geschriften die door de partijen of hun advocaten zijn ondertekend waarin zij hun eisen uiteenzetten of hun verweer aanvoeren (Fettweiss, op. cit. blz. 225, nr 281 A; zie ook B. Maas, Overzicht van het gerechtelijk privaatrecht, editie 1998, blz. 143).
De conclusies bevatten:
- de identificatie van de partijen (art. 744, Ger.W).
- het nummer van de zaak op de algemene rol (art. 743, lid 1, Ger.W).
- een relaas van de feiten;
- een duidelijke formulering van de feitelijke en juridische middelen;
- een beschikkend gedeelte waarin de partij die de conclusies heeft opgesteld haar eisen samenvat en de gerechtskosten en de rechtsplegingsvergoeding uiteenzet.
171. De conclusies worden aan de tegenpartij of aan haar advocaat gezonden terzelfder tijd als zij ter griffie worden neergelegd (art. 745, lid 1, Ger.W). Het origineel van de conclusies wordt naar de griffie gezonden of aldaar neergelegd (art. 742, lid 1, Ger.W).
De neerlegging geldt als betekening (art. 746, Ger.W). Indien een tegenvordering wordt ingesteld moet een eventuele verjaring tijdig worden gestuit.
De overlegging van de conclusies wordt geacht te zijn verricht vijf dagen na de toezending (art. 745, lid 2, Ger.W). Dat vermoeden mag worden omvergeworpen inzonderheid door het voorleggen van een ontvangstbewijs. Het komt de afzender immers toe de datum waarop de conclusies werden verstuurd te bewijzen of een ontvangstbewijs over te leggen daar het in bepaalde omstandigheden belangrijk is te bewijzen dat de conclusies binnen de vereiste termijn werden medegedeeld.
B. Termijn voor de mededeling van de conclusies en bepaling van de rechtsdag
a. Gewone procedure
172. In de regel beschikt de verweerder over één maand na de overlegging van de stukken om zijn conclusies te nemen. De eiser beschikt over één maand om hem te antwoorden en de verweerder over vijftien dagen voor zijn wederantwoord. Het gaat evenwel niet om dwingende bepalingen en de partijen kunnen de termijnen in der minne wijzigen (art. 747, § 1, Ger.W).
173. In deze aangelegenheid geldt de neerlegging door het belastingbestuur van een kopie van het volledige dossier van de betwisting, vergezeld van de "samenvattende nota" die inzonderheid antwoordt op de middelen uiteengezet in het verzoekschrift (zie nr 235), als mededeling en verplicht ze de eiser om als eerste te concluderen (zie naar analogie, Brussel, 17.03.1994, Galeyn, onuitgegeven).
174. Wanneer de partijen van oordeel zijn dat ze hun argumenten voldoende hebben uiteengezet (conclusies, aanvullende conclusies, tweede aanvullende conclusies enz ... ) kunnen zij gezamenlijk om de bepaling van een rechtsdag verzoeken (art. 750, § 1, Ger.W). Het verzoek wordt gericht aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak is toegewezen en wordt ter griffie neergelegd. De griffier brengt, bij gewone brief, de rechtsdag ter kennis van de partijen en hun advocaten.
175. Wanneer alle partijen daarentegen hun conclusies hebben neergelegd maar niet tot een akkoord kunnen komen over de vaststelling. van een rechtsdag, kan de meest gerede partij een verzoek tot bepaling van de rechtsdag richten aan de voorzitter van de kamer waaraan de zaak is toegewezen (art. 750, § 2, Ger.W). Daarvoor moet natuurlijk de termijn verstreken zijn waarover de verweerder beschikt voor zijn wederantwoord.
Dat verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er partijen zijn. Bij het verzoekschrift wordt een afschrift van de brief gevoegd waarbij aan de andere partijen of, in voorkomend geval, aan hun advocaten is voorgesteld op gezamenlijk verzoek de rechtsdag te laten bepalen. De griffier geeft bij gerechtsbrief kennis van dit alles aan de andere partijen. Die kunnen binnen vijftien dagen na de verzending van de gerechtsbrief hun opmerkingen aan de voorzitter doen toekomen. De voorzitter kan dan eventueel de partijen horen die bij gerechtsbrief worden opgeroepen. De voorzitter bepaalt de datum van de rechtsdag. De griffier brengt deze ter kennis van de partijen bij gewone brief aan hun advocaten. Heeft een partij geen advocaat, dan verwittigt de griffier hem rechtstreeks bij gerechtsbrief.
b. Vaststelling van conclusietermijnen (art. 747, § 2, Ger.W)
176. Wanneer een partij nalaat conclusies te nemen kan de andere partij op grond van artikel 747, § 2, Ger.W de rechtbank verzoeken conclusietermijnen te bepalen.
Dat verzoek moet worden gericht aan de voorzitter van de rechtbank door middel van een verzoekschrift dat de reden bevat waarom termijnen zouden moeten worden bepaald en dat de gewenste termijnen aangeeft. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de advocaat van de partij of, bij diens ontstentenis, door de partij zelf en het wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn. Het wordt door de griffier bij gerechtsbrief aan de andere partijen ter kennis gebracht en, in voorkomend geval, bij gewone brief aan hun advocaten. De andere partijen kunnen binnen vijftien dagen na de verzending van de gerechtsbrief, hun opmerkingen aan de voorzitter doen toekomen. Deze doet binnen acht dagen uitspraak op stukken, behalve wanneer hij het noodzakelijk acht de partijen te horen. In dat geval worden de partijen bij gerechtsbrief opgeroepen en de beschikking wordt binnen acht dagen na de zitting gewezen. De voorzitter bepaalt de termijnen om conclusie te nemen en de rechtsdag. Tegen zijn beschikking staat geen enkel rechtsmiddel open.
De door de rechter opgestelde kalender is van dwingend recht. De conclusies die zijn overgelegd na het verstrijken van de termijnen worden ambtshalve uit de debatten geweerd (art. 747, § 2, laatste lid, Ger.W).
c. Vraag om een vonnis op tegenspraak (art. 751, Ger.W)
177. De meest gerede partij kan eveneens op grond van artikel 751, Ger.W, eenzijdig vaststelling van rechtsdag vragen.
In dat geval moet ze de andere partij laten verwittigen van de plaats, de dag en het uur waarop het vonnis zal worden gevorderd, met de mededeling dat dit vonnis zelfs bij haar afwezigheid, een vonnis op tegenspraak zal zijn.
De griffier verwittigt de verweerder van de rechtsdag bij gerechtsbrief die de tekst van artikel 751, Ger.W bevat. In voorkomend geval verwittigt de griffier ook de advocaat van verweerder bij enkele kennisgeving.
De verwittigde partij beschikt over een termijn van twee maanden vanaf de kennisgeving om haar conclusies ter griffie neer te leggen. De conclusies die na die termijn zijn neergelegd worden ambtshalve uit de debatten geweerd. Wanneer die termijn evenwel tijdens de gerechtelijke vakantie verstrijkt, wordt hij verlengd tot op de vijftiende dag van het nieuwe gerechtelijk jaar (te weten 15 september).
De rechtsdag wordt bepaald ten vroegste één maand en uiterlijk twee maanden na het verstrijken van de conclusietermijn van twee maanden vanaf de kennisgeving, waarover de verwittigde partij beschikt.
178. Wanneer de verwittigde partij niet binnen de termijn concludeert kan de andere partij op de rechtsdag een op tegenspraak gewezen vonnis vorderen.
Wanneer de verwittigde partij binnen de termijn concludeert kan zich de volgende situatie voordoen:
- de andere partij die reeds geconcludeert heeft is van oordeel niet te moeten antwoorden op die conclusies. Over de zaak zal op de vastgestelde rechtsdag beknopt worden gepleit of, ingeval van overbezetting op "een nabije zitting";
- de andere partij wil antwoorden op die conclusies. Zij kan uiterlijk tien dagen vóór de rechtsdag om verwijzing naar de rol verzoeken;
- de andere- partij legt vóór de vastgestelde rechtsdag antwoordconclusies neer. In dat geval kan de verwittigde partij verzoeken de zaak naar de rol te verwijzen of ze te verdagen tot een nabije datum.
d. Toepassing van artikel 748, Ger.W
179. Conclusies mogen niet meer worden neergelegd en zullen in voorkomend geval ambtshalve uit de debatten worden geweerd:
- wanneer op gezamenlijk verzoek van de partijen rechtsdag is bepaald (art. 750, § 1, Ger.W);
- wanneer rechtsdag is bepaald op verzoek van de meest gerede partij (art. 750, § 2, Ger.W);
- wanneer de conclusietermijn vastgesteld op grond van artikel 747, § 2, Ger.W is verstreken;
- wanneer de conclusietermijn is verstreken ingeval van eenzijdige vaststelling van de rechtsdag met toepassing van artikel 751, Ger.W.
180. Overeenkomstig artikel 748, § 1, Ger.W mogen de partijen evenwel steeds, enerzijds afwijken van dat verbod en dus instemmen met de laattijdige neerlegging van de conclusies door de tegenpartij en anderzijds conclusies neerleggen die zich ertoe beperken het voorwerp van de initiële eis uit te breiden op grond van artikel 808, Ger.W.
181. Daarenboven mag de partij die na de conclusietermijn een nieuw en terzake dienend stuk of feit heeft ontdekt dat nieuwe conclusies rechtvaardigt, om een nieuwe termijn verzoeken om op grond van dat stuk of feit te concluderen.
Dat verzoek moet worden gedaan uiterlijk dertig dagen vóór de rechtsdag, door middel van een verzoekschrift gericht aan de rechter waarin het nieuwe stuk of feit alsook de invloed ervan op het onderzoek van het geschil nauwkeurig worden aangegeven (art. 748, § 2, Ger.W). Het verzoekschrift wordt ter griffie neergelegd in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn en door de griffier aan hen ter kennis gebracht. De partijen kunnen binnen vijftien dagen na de verzending van de gerechtsbrief hun opmerkingen aan de rechter doen toekomen. De rechter doet steeds uitspraak op stukken door middel van een beschikking. Hij mag de partijen niet oproepen. Indien hij de aanvraag inwilligt, bepaalt hij de termijnen om conclusie te nemen en wijzigt hij zo nodig de rechtsdag.
Afdeling 5. - Het pleidooi en de sluiting van de debatten
182. In beginsel wordt de zaak mondeling behandeld in openbare zitting. In dat geval pleit de eiser eerst en vervolgens de verweerder; eventueel antwoordt de eiser bondig.
De partijen of hun advocaten mogen evenwel gezamenlijk tot de schriftelijke rechtspleging besluiten. Na hun memories, nota's, stukken en conclusies vooraf overgelegd te hebben, leggen zij die dan ter griffie, gebundeld en met een inventaris, neer. Ook in dat geval mag de rechter mondelinge opheldering vragen over de punten die hij aanwijst (art. 755, Ger.W).
Bij een mondelinge behandeling in openbare zitting kunnen partijen ofwel in persoon, ofwel via een advocaat hun zaak bepleiten voor de rechter (art. 728 en 758, Ger.W). De rechtspersonen kunnen in rechte optreden door tussenkomst van hun bevoegde organen of bij advocaat (art. 703, Ger.W).
183. Na de pleidooien beveelt de rechter de sluiting van de debatten en neemt hij de zaak in beraad (art. 769 en 770, Ger.W). Hij bepaalt tevens een datum voor de uitspraak. Die uitspraak moet in beginsel gebeuren binnen één maand en maximum binnen drie maanden na de sluiting van de debatten.
Afdeling 6.-Tussenkomst van de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor van de belastingplichtige
184. Artikel 728 van het Gerechtelijk Wetboek werd met een paragraaf 2bis aangevuld die als volgt luidt: (art. 8, Wet van 23.03.1999)
"Op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige of van zijn advocaat, ingediend bij conclusie, kan de rechter de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor horen in zijn schriftelijke of mondelinge toelichting ter terechtzitting.
Het oproepen van de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor staat ter beoordeling van de rechter, die onderzoekt of het opportuun is in deze zaak raad in te winnen over elementen die slechts betrekking kunnen hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
Onder de in het vorige lid bedoelde accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor wordt verstaan de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure".
185. De nieuwe tekst wijkt geenszins af van de regel die stelt dat de eiser ter zitting slechts door een advocaat kan worden vertegenwoordigd (zie nr 158). Die tekst geeft enkel de mogelijkheid de accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor te horen, in welbepaalde domeinen, en met de goedkeuring van de rechter.
Alleen de belastingplichtige of zijn advocaat kunnen om de tussenkomst van de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor verzoeken. Het belastingbestuur heeft dat recht niet en de rechter kan die tussenkomst niet ambtshalve bevelen. Het spreekt vanzelf dat de Staat of zijn advocaat de opportuniteit van een dergelijke raadpleging niet kan betwisten.
Het verzoek moet ingediend zijn bij conclusie. Het mag dus niet voorkomen in het inleidend verzoekschrift of in een gewone brief gericht aan de rechtbank.
Mogen uitsluitend worden gehoord:
- ofwel de persoon die zich gewoonlijk met de boekhouding van de belastingplichtige bezighoudt;
- ofwel de persoon die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte;
- ofwel de persoon die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure.
De tussenkomst van de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor van de belastingplichtige beperkt zich tot het toelichten van de rechter, ofwel over feiten, ofwel over rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
Afdeling 7. - Heropening van de debatten
186. Na het sluiten van de debatten mogen geen stukken, nota's of conclusies meer worden neergelegd (art. 771, Ger.W). Indien een verschijnende partij evenwel gedurende het beraad een nieuw stuk of feit van overwegend belang ontdekt, kan zij, zolang het vonnis niet is uitgesproken, de heropening van de debatten vragen (art. 772, Ger.W).
De vraag tot heropening van de debatten wordt gedaan door middel van een verzoekschrift dat ter griffie wordt neergelegd. In het verzoekschrift moet enkel het nieuw stuk of feit nauwkeurig worden aangegeven, zonder nadere toelichting.
187. De rechter kan ook ambtshalve de heropening van de debatten bevelen (art. 774, Ger.W.). Hij zal dat doen wanneer hij meent onvoldoende over de zaak geïnformeerd te zijn en hij van oordeel is dat de partijen zich moeten verduidelijken over een punt dat hij preciseert in het vonnis tot heropening van de debatten.
188. De heropening van de debatten is verplicht wanneer de rechter de vordering geheel of gedeeltelijk wil afwijzen op grond van een voor hem niet aangevoerde exceptie.
Het gaat in hoofdzaak om de excepties van nietigheid, onbevoegdheid, verjaring of ontoelaatbaarheid die de rechter ambtshalve moet opwerpen.
189. Wanneer de heropening van de debatten wordt bevolen, bepaalt de rechter de dag en het uur van de zitting. De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief verwittigd.
Tegen de beslissing van de rechter over de aanvraag tot heropening van de debatten staat geen hoger beroep open.
Bij de heropening moet de rechtbank zijn samengesteld uit de rechters die alle zittingen over de zaak bijgewoond hebben, zoniet moet het debat volledig worden hernomen.
Afdeling 8. - De incidenten
A. Afstand van geding
190. Afstand van geding is de handeling waarbij de eiser afziet van de rechtspleging die hij is begonnen. De afstand doet evenwel geen afbreuk aan het recht zelf. Theoretisch zou de eiser dus een nieuwe vordering in rechte kunnen inleiden indien de termijn daartoe niet is verstreken.
De afstand van geding die wordt aanvaard houdt van rechtswege in dat de partijen ermee instemmen dat "de zaken over en weder in dezelfde staat worden teruggebracht alsof er geen geding geweest is" (art. 826, Ger.W). Indien de tegenpartij reeds een conclusie heeft genomen, is de afstand van geding slechts geldig als hij door de partij aan wie hij is betekend, wordt aangenomen (art. 825, Ger.W).
De gewestelijke directeur zal zich moeten uitspreken op de voorstellen tot afstand van geding die de belastingplichtige of zijn advocaat (die daartoe over een bijzondere volmacht moet beschikken) doet. Hij moet daarbij de regel benadrukken dat iedere afstand de verplichting meebrengt de kosten te betalen (art. 827, Ger.W). De aanvaarding kan gebeuren, ofwel, bij afzonderlijke conclusie, ofwel door ondertekening voor akkoord van de conclusies van de tegenpartij.
B. Afstand van rechtsvordering
191. Bij afstand van rechtsvordering ziet de eiser zowel af van de rechtspleging als van het recht zelf. Afstand van rechtsvordering doet het recht teniet om te handelen met betrekking tot de aanspraak die voor de rechter was gebracht (art. 821, Ger.W).
Aangezien de belastingzaken de openbare orde raken, is in deze materie de afstand van rechtsvordering verboden (Cardyn, Depret en Loockx, op. cit. nr 264, blz. 312).
C. Doorhaling van de zaak
192. Een zaak kan op de algemene rol worden doorgehaald met instemming van de partijen (art. 730, Ger.W). Doorhaling doet het geding vervallen.
Sommige hoven van beroep hebben besloten tot ambtshalve weglating van de algemene rol wanneer de curator van een failliete vennootschap, niettegenstaande het bestaan van een fiscaal verhaal, beslist het faillissement te sluiten wegens ontoereikend actief. Dat laat toe te besluiten tot de ondubbelzinnige verzaking aan de vordering en aan de instemming om de zaak op de algemene rol door te halen. Daarenboven brengt de sluiting van het faillissement van een vennootschap wegens ontoereikend actief het einde van de vennootschap met zich mee door het tenietgaan van de zaak overeenkomstig artikel 1865, 2° van het Burgerlijk Wetboek (thans artikel 39, 2° van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999) (Brussel, 10.12.1992, S.A.Promosol; 23.03.1993, S.P.R.L. Fidexco; 05.10.1995, S.A. Viaene Productions; Luik 28.05.1997, S.A. Aprilia Belgium, onuitgegeven). Die stelling wordt versterkt sinds de inwerkingtreding van artikel 83 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (BS van 28.10.1997) dat stelt dat de beslissing tot niet-verschoonbaarheid van de gefailleerde rechtspersoon, uitgesproken overeenkomstig artikel 80, onmiddellijk een einde maakt aan zijn bestaan (zie Hof van beroep van Gent, 25.05.2000. inzake BVBA lmexpro, onuitgegeven).
D. Andere incidenten
193. Voor de andere incidenten die tijdens de rechtspleging kunnen voorkomen, wordt mutatis mutandis, verwezen naar de bepalingen van de Com. IB 92, nr 385/2 tot 7 en, 385/ 9 tot 11.
Afdeling 9. - Het vonnis
A. Toezending en/of afgifte door de -griffier van een uitgifte van het vonnis
194. Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis, zendt de griffier ambtshalve en bij gewone brief, een niet ondertekend afschrift van het vonnis aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten (art. 792, Ger.W).
De partijen die erom verzoeken kunnen ook een uitgifte van het vonnis bij de griffier bekomen, dat wil zeggen een integraal afschrift van het vonnis, ondertekend door de griffier en aangevuld met het formulier van tenuitvoerlegging. (art. 791, Ger.W).
B. Het verstekvonnis
195. Indien een van de partijen niet op de inleidende zitting verschijnt (art. 802, Ger.W) of op de zitting waarop de zaak is bepaald of waartoe zij is verdaagd (art. 804, lid 1, Ger.W) kan tegen haar vonnis bij verstek worden gevorderd.
Het verstekvonnis mag niet worden uitgesproken vóór het einde van de zitting waarop het verstek is vastgesteld en voor zover dit verstek voordien niet gezuiverd is. Het verstek is gezuiverd en het geding wordt voortgezet op tegenspraak, indien de partijen dit samen verzoeken tijdens de zitting waarop het verstek is gevorderd (art. 805, Ger.W).
Elk verstekvonnis moet binnen een jaar betekend worden, anders wordt het als niet bestaande beschouwd (art. 806, Ger.W). Dat betekent dat dit verstekvonnis geen gevolgen meer heeft, maar de procedure blijft bestaan en de grondslag van het recht wordt niet gewijzigd. De partij die een verstekvonnis laat verstrijken moet het proces herbeginnen (Arbeidsrechtbank Brussel, 09.10.1998, J.T.T., 1999, blz. 207).
De rechtspleging kan worden voortgezet door een nieuwe rechtsdag aan te vragen zonder nieuwe dagvaarding. De partij die het verstreken vonnis heeft bekomen kan de zaak opnieuw voor de rechter brengen. Zij moet niet wachten tot de bij verstek veroordeelde partij de exceptie tegen haar aanvoert (Arbeidsrechtbank Brussel, 09.10.1998, loc. cit.).
Wanneer de eiser in verzet een tweede maal verstek laat gaan, is een nieuw verzet niet meer ontvankelijk (art. 1049, Ger.W).
C. Uitlegging van de vonnissen
196. Overeenkomstig artikel 793 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter die een onduidelijke of dubbelzinnige beslissing heeft gewezen, die beslissing uitleggen, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.
In dat verband wordt verwezen naar de Com. IB 92, nr 385/18.
D. Verbetering van de vonnissen
197. Overeenkomstig artikel 794 van het Gerechtelijk Wetboek kan de rechter de verschrijvingen of misrekeningen die in een door hem gewezen beslissing voorkomen, verbeteren, zonder evenwel de daarin bevestigde rechten uit te breiden, te beperken of te wijzigen.
In dat verband wordt verwezen naar de Com. IB 92, nr 385/19
Afdeling 10. - Uitgaven en kosten
198. Het fiscaal beroep wordt niet meer zoals onder de oude procedure bij gerechtsdeurwaardersexploot aan de directeur der belastingen betekend. Zoals hiervoor is vermeld wordt het verzoekschrift ter griffie neergelegd die het ter kennis brengt aan de partijen.
Anderzijds zijn de procedurehandelingen in fiscale zaken vrijgesteld van zegel-, griffie- en registratierechten.
199. Nochtans zijn de regels van het gerechtelijk recht van toepassing. Partijen kunnen dus een omstandige opgave indienen van hun onderscheiden kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding bepaald in het KB van 30.11.1970 (BS van 03.12.1970) genomen ter uitvoering van artikel 1022, Ger.W. In dat geval worden de kosten in het vonnis vereffend. (art. 1021, lid 1, Ger.W).
Werden de kosten in het vonnis niet of slechts gedeeltelijk vereffend, dan wordt de beslissing over de kosten, waarover niet werd gestatueerd, geacht te zijn aangehouden. In dat geval geschiedt de vereffening, op vordering van de meest gerede partij, door de rechter die de uitspraak heeft gedaan, voor zover zijn beslissing niet werd bestreden; de rechtspleging wordt hervat en voortgezet overeenkomstig artikel 750 en volgende van het Gerechtelijk Wetboek.
200. De rechtsplegingsvergoeding is een bedrag dat beschouwd wordt als kosten toegestaan aan de partij die erom verzoekt en voor zover zij dooreen advocaat is bijgestaan. Zij vormt geen forfait voor de erelonen van de advocaat, maar komt enkel aan de partij ten goede.
De rechtspraak die stelde dat geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is in fiscale zaken, is niet meer van toepassing op de procedurevoor de rechtbank van eerste aanleg aangezien artikel 392, WIB 92 werd opgeheven door de wet van 15 maart 1999.
Vanaf 1 april 1999 bedraagt de rechtsplegingsvergoeding 2. 100 F bij vorderingen van minder dan 10.000 F, 4.200 F bij vorderingen van 10.000 F tot 25.000 F, 6.300 F bij vorderingen van 25.000 F tot 100.000 en 12.600 F voor vorderingen van meer dan 100.000 F.
De rechtsplegingsvergoeding wordt met 3/4 verminderd wanneer de verweerder de vordering inwilligt door betaling van hoofdsom, interesten en kosten nadat de zaak is ingeschreven op de algemene rol.
201. leder eindvonnis verwijst de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen de partijen (art. 1017, Ger.W).
Het instellen van een beroep (verzet, hoger beroep of een voorziening in cassatie) schorst de uitvoering van het vonnis en de eisbaarheid van de uitgaven en kosten.
HOOFDSTUK 7: DE RECHTSMIDDELEN
Afdeling 1. - Algemene regels
202. Behoudens bijzondere bepalingen, zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen (art. 1042, Ger.W).
203. Overeenkomstig artikel 1043 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de partijen de rechter verzoeken akte te nemen van de overeenkomst die zij gesloten hebben ter oplossing van het geschil dat bij hem regelmatig aanhangig is gemaakt. In beginsel staat tegen dat vonnis geen voorziening open.
204. De partijen kunnen eveneens in een vonnis berusten. Berusten in een beslissing is afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend(art. 1044, Ger.W).
Afdeling 2. - Het verzet
205. In belastingzaken kan tegen ieder verstekvonnis verzet worden gedaan (art. 1047, Ger.W) behalve als het vonnis geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen (art. 751, Ger.W). Het verzet heeft tot gevolg dat de zaak opnieuw wordt voorgelegd aan de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen.
Op te merken valt dat de betekening van het verstekvonnis zowel de termijn van verzet als de termijn van hoger beroep doet lopen (Arbeidsrechtbank Antwerpen, 24.06.1998, J.T.T., 1999, blz. 202). Zowel de belastingplichtige als de Staat kunnen hoger beroep instellen tegen een verstekvonnis. De samenvoeging van beide rechtsmiddelen is evenwel verboden (Fettweiss, op. cit., nr 710, blz. 479).
Behoudens bijzondere omstandigheden is het niet aangewezen hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij de Staat bij verstek wordt veroordeeld aangezien het bestuur zich aldus een gewoon rechtsmiddel ontzegt.
206. De termijn om verzet aan te tekenen is één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis en loopt vanaf de dag van de betekening (art. 1048, lid 1 en 57, Ger.W).
De termijn wordt berekend overeenkomstig de regels uiteengezet in de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek (zie mutatis mutandis, Com. IB 92, nr 379/7).
Wanneer de niet verschenen partij geen woonplaats of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, dan wordt de termijn van verzet verlengd met vijftien dagen wanneer de partij in een aangrenzend land of in het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittanië verblijft, met dertig dagen wanneer zij in een ander land van Europa verblijft en met tachtig dagen wanneer zij in een ander werelddeel verblijft. (art. 55 en 1 048, Ger.W).
Het overlijden van de partij schorst het verloop van de termijn die haar was verleend om in verzet of hoger beroep te komen. Die termijn begint pas opnieuw te lopen na een nieuwe betekening onder de voorwaarden vermeld in artikel 56 van het Gerechtelijk Wetboek.
Indien de termijn van verzet binnen de gerechtelijke vakantie begint te lopen en ook verstrijkt, wordt hij verlengd tot de vijftiende dag van het nieuw gerechtelijk jaar (art. 50, lid 2, Ger.W).
Het verzet wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot, dat dagvaarding inhoudt om te verschijnen voor de rechter die het verstekvonnis heeft gewezen. Met instemming van de partijen kan hun vrijwillige verschijning die formaliteit vervangen (art. 1047, Ger.W).
De akte van verzet moet, op straffe van nietigheid, de middelen van de eiser in verzet bevatten (art. 1047, Ger.W), dat wil zeggen het verweer ten gronde dat hij zou gevoerd hebben indien hij was verschenen.
Krachtens artikel 377, WIB 92, zoals vervangen door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999, schorsen zowel de termijn van verzet als het verzet zelf, de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
Afdeling 3. - Het beroep
207. Krachtens artikel 6 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken "zijn de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, steeds vatbaar voor hoger beroep".
Tegen vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg kan dus steeds hoger beroep worden ingesteld, zelfs als zij betrekking hebben op een vordering waarvan het bedrag 75.000 F niet overschrijdt.
208. Tegen vonnissen die akte nemen van de overeenkomst die partijen hebben gesloten (zie nr 203) staat voor de gedingvoerende partijen geen voorziening open, tenzij de overeenkomst niet wettelijk is tot stand gekomen(art. 1043, Ger.W).
Geen hoger beroep is mogelijk tegen beslissingen of maatregelen van inwendige aard, zoals bepaling van rechtsdag, uitstel, weglating van de rol en doorhaling (art. 1046, Ger.W).
209. Zowel de belastingplichtige als de Belgische Staat hebben het recht hoger beroep in te stellen.
De termijn om hoger beroep aan te tekenen bedraagt één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis en loopt vanaf de dag van de betekening (art. 1051, lid 1 en 57, Ger.W).
De termijn wordt berekend overeenkomstig de regels uiteengezet in de artikelen 52 tot 54 van het Gerechtelijk Wetboek (zie mutatis mutandis, Com. IB 92, nr 379/7).
De termijn van hoger beroep kan worden verlengd omwille van de afstand (zie nr 206; art. 55 en 1051, lid 3, Ger.W; contra onder de vroegere procedure: Com. IB 92, nr 379/8) en de gerechtelijke vakantie. De termijn wordt geschorst wanneer de partij overlijdt (zie nr 206; Com. IB 92, nr 379/10 tot 12).
Op te merken valt dat zowel de belastingplichtige als de Belgische Staat, geïntimeerden in hoger beroep, incidenteel beroep kunnen instellen tegen de punten waarop zij voor de eerste rechter niet volledig in het gelijk werden gesteld, zelfs indien de geïntimeerde, alvorens het hoofdberoep werd ingesteld, in het vonnis a quo had berust of het zonder voorbehoud had betekend (art. 1054, lid 1, Ger.W).
Het incidenteel beroep kan op elk ogenblik, tot de sluiting van de debatten worden ingesteld (Fettweiss, op. cit. nr 784, blz. 514; Cass. 14.10.1977, Arr. Cass. 1978, deel 2, blz. 206) zelfs na het verstrijken van de wettelijke termijn voor het instellen van het hoofdberoep.
Aangezien het incidenteel beroep zich op het hoofdberoep ent, is het voor de toelaatbaarheid van het incidenteel beroep vereist dat het hoofdberoep zelf tijdig en regelmatig werd ingesteld (art. 1054, lid 2, Ger.W).
210. Hoger beroep wordt ingesteld (art. 1056, Ger.W):
- bij akte van een van een gerechtsdeurwaarder die aan de tegenpartij wordt betekend (sinds de wet van 22 maart 1999, Belgisch Staatsblad van 05.10.1999 is die vorm niet meer verplicht wanneer de bestreden beslissing bij verstek is gewezen tegen de gedaagde in hoger beroep);
- bij verzoekschrift dat ingediend wordt op de griffie van het gerecht in hoger beroep en dat door de griffier aan de gedaagde partij en, in voorkomend geval, aan haar advocaat bij gerechtsbrief ter kennis wordt gebracht uiterlijk de eerste werkdag nadat het is ingediend. Het verzoekschrift moet ondertekend zijn door de partij of door haar advocaat. Het verzoekschrift moet ter griffie worden ingediend vóór het verstrijken van de termijn van hoger beroep (zie mutatis mutandis, Com. IB 92, nr 384/2);
- Bij conclusie, ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig is of vertegenwoordigd is. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn bij het instellen van incidenteel beroep vanwege de verweerder of bij het instellen van een navolgend hoofdberoep door de eiser (zie Fettweiss, op. cit. nr 767, blz. 506).
Op te merken valt dat in de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen bij aangetekende brief, gezonden aan de griffie (art. 1056, § 3, Ger.W niet is voorzien in fiscale aangelegenheden.
211. Met uitzondering van het geval waarin het hoger beroep bij conclusie wordt ingesteld, vermeldt de akte van hoger beroep, op straffe van nietigheid (art. 1057, Ger.W):
- de dag, de maand en het jaar;
- de naam, de voornaam, het beroep en de woonplaats van de eiser in hoger beroep;
- de naam, de voornaam en de woonplaats of, bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats van de gedaagde in hoger beroep;
- de beslissing waartegen in hoger beroep wordt gekomen;
- de rechter in hoger beroep;
- de plaats waar de gedaagde in hoger beroep akte moet laten nemen van zijn verklaring van verschijning;
- de uiteenzetting van de grieven;
- de plaats, de dag en het uur van verschijnen.
De akte vermeldt eventueel ook de naam van de advocaat van de eiser in hoger beroep.
Overeenkomstig artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, wordt voor al de rechtscolleges in hoger beroep, voor de rechtspleging, de taal gebruikt waarin de bestreden beslissing is gesteld.
Voor de voorzieningen in hoger beroep die worden ingeleid in een andere taal dan die van de bestreden beslissing zal dus de onontvankelijkheid moeten worden aangevoerd (zie Com. IB 92, nr 378/2, lid 2; zie eveneens de gevolgen van de nietig verklaarde akten: Com.IB 92, nr 378/2, lid 3 en 4).
212. Overeenkomstig artikel 1060 van het Gerechtelijk Wetboek heeft de akte van hoger beroep geen gevolg indien de eiser de zaak niet op de rol heeft laten inschrijven vóór de datum van verschijning die in de akte is vermeld. Die regel is slechts van toepassing op de instelling van hoger beroep bij gerechtsdeurwaardersexploot. Wanneer hoger beroep is ingesteld bij verzoekschrift gaat de griffier ambtshalve over tot inschrijving op de rol.
De verklaring van verschijning van de gedaagde in hoger beroep geschiedt op de zitting, tenzij de advocaten van de partijen overeenkomen schriftelijk aan de griffier te laten weten dat zij in de zaak optreden (art. 729, Ger.W, zie nr 162).
213. Daarenboven zijn de regels van het geding toepasselijk op de rechtsmiddelen, voor zover een bijzondere, bepaling er niet van afwijkt (zie nr 202 en art. 1042, Ger.W).
Dat is niet alleen het geval voor de regels met betrekking tot de samenstelling van het dossier van de rechtspleging, de verschijning van de partijen en de mededeling van de stukken, maar ook voor de regels die de eventuele tussenkomst regelen van de accountant, de beroepsboekhouder of de bedrijfsrevisor dewelke eveneens mogelijk is voor het hof van beroep.
De uitbreiding en de wijziging van de vordering zijn in hoger beroep toegelaten voor zover de voorwaarden bepaald in artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek zijn vervuld. De ontvankelijkheid van de nieuwe vorderingen moet natuurlijk worden beoordeeld in het licht van de wijze waarop het inleidend verzoekschrift in eerste aanleg is geformuleerd.
Op te merken valt dat artikel 808 van het Gerechtelijk Wetboek geen andere vorderingen dan aanvullingen op de hoofdvorderingen toelaat en de rechter mag de grenzen van die bepalingen niet overschrijden, zelfs niet in hoger beroep (Cass. 20.05.1999, J.T., 2000, blz. 230).
Er werd eveneens geoordeeld dat de tegenvordering in hoger beroep moet beantwoorden aan de kenmerken van de nieuwe vordering, dat wil zeggen dat zij moet berusten op een feit of akte die is aangevoerd in het verzoekschrift (Cass. 10.04.1978, Arr. Cass. 1978, deel 9-10, blz. 917).
214. Een bepaling van het gemeen recht is in deze evenwel niet van toepassing. Het betreft artikel 1398 van het Gerechtelijk Wetboek dat stelt dat, behoudens de uitzonderingen die de wet bepaalt, de rechter de voorlopige tenuitvoerlegging van de vonnissen kan toestaan, niettegenstaande de mogelijke rechtsmiddelen. Overeenkomstig artikel 377, WIB 92, zoals vervangen door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999, schorsen zowel de termijn van hoger beroep als het hoger beroep zelf, de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.
Afdeling 4. - De voorziening in cassatie
215. Behalve voor de voorzieningen in beroep die op 6 april 1999 nog hangende waren (zie nr 98) wordt in de toekomst, behoudens afwijkende bepalingen, de procedure bij het Hof van Cassatie beheerst door het gemeen recht.
De voorziening wordt ingesteld door op de griffie van het Hof van Cassatie (en dus niet meer op de griffie van het hof van beroep dat de bestreden beslissing heeft genomen: zie het oude artikel 388, lid 2, WIB 92) een verzoekschrift in te dienen dat vooraf wordt betekend aan de partij tegen wie de voorziening is gericht (art. 1079, lid 1 en 1080, Ger.W).
Het verzoekschrift bevat de uiteenzetting van de middelen van de eiser, zijn conclusie en de vermelding van de wettelijke bepalingen waarvan de schending wordt aangevoerd, een en ander op straffe van nietigheid (art. 1080, Ger.W). Terzake wordt verwezen naar de Com. IB 92, nr 388/19 tot 21.
Wat betreft het gebruik der talen wordt verwezen naar de Com. IB 92, nr 388/25 en 26.
216. In tegenstelling met wat artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek voorschrijft moet het verzoekschrift niet ondertekend zijn door een advocaat bij het Hof van Cassatie.
Die afwijking van het gemeen recht komt voort uit artikel 378, WIB 92, zoals vervangen door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999 dat bepaalt dat het verzoekschrift voor de eiser door een advocaat mag ondertekend en neergelegd worden. Daaruit volgt dat het verzoekschrift tot cassatie mag worden ingediend door de eisende partij in persoon of door een advocaat of door een lasthebber die over een bijzondere volmacht beschikt (zie Com. IB 92, nr 388/1).
217. De termijn om een voorziening in cassatie in te dienen bedraagt drie maanden, te rekenen van de dag waarop de bestreden beslissing is betekend (art. 1073 en 57, Ger.W).
De voorziening wordt niet-toelaatbaar verklaard, wanneer meer dan vijftien dagen zijn verlopen tussen de betekening van het verzoekschrift en de indiening op de griffie, ook al is de termijn voor het instellen van de voorziening niet verstreken bij de indiening van het verzoekschrift (art. 1079, lid 2, Ger.W). Door die maatregel wordt dus in feite de cassatietermijn verkort.
Ten aanzien van de niet verschenen partij loopt de termijn eerst vanaf de dag waarop verzet tegen de bij verstek gewezen beslissing niet meer toelaatbaar is (art. 1076, Ger.W).
Indien de eiser geen woon- of verblijfplaats of geen gekozen woonplaats in België heeft, wordt die termijn verlengd overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek (art. 1073, lid 2, Ger.W; zie ook nr 206).
Het overlijden van de partij schorst het verloop van de termijn die haar was verleend om in cassatie te komen (art. 56, Ger.W). Wanneer daarentegen degene tegen wie de voorziening moet worden ingesteld, overlijdt binnen de termijn waarover de eiser beschikt, wordt die termijn met twee maanden verlengd (art. 1074, Ger.W).
De termijn wordt niet verlengd omwille van de gerechtelijke vakantie (art. 50, lid 2, Ger.W).
De termijn loopt niet tegen de partij die de betekening heeft laten doen (Cass. 14.06.1996, Arr. Cass. 1996, deel 4, nr 236, blz. 594). Indien er geen betekening is, bedraagt de termijn tien jaar.
Het is door de indiening van het verzoekschrift dat het Hof van Cassatie wordt gevat. niet door de betekening. De voorafgaande betekening van het verzoekschrift tot cassatie is evenwel een substantiële vormvereiste en de niet naleving ervan brengt de niet- toelaatbaarheid van de voorziening met zich mee (Cass. 07.04.1997, Arr. Cass. 1997, deel 3, nr 173, blz. 418).
218. Bij het verzoekschrift moet, op straffe van nietigheid, het exploot waarbij de voorziening is betekend, worden gevoegd (art. 1081, Ger.W) dat aan de op straffe van nietigheid door artikel 43, Ger.W, voorgeschreven vormvoorwaarden moet voldoen. De nietigheid die is voorgeschreven door artikel 1081 van het Gerechtelijk Wetboek is niet van openbare orde. De artikelen 861 en 867 van het Gerechtelijk Wetboek zijn dus van toepassing.
De bij het verzoekschrift gevoegde stukken moeten door de eiser of zijn gevolmachtigde worden genummerd en geparafeerd en samen met hun inventaris ter griffie van het Hof van Cassatie worden neergelegd, terzelfder tijd als het verzoekschrift. Zij moeten niet aan de partijen worden betekend. De partijen kunnen er inzage van nemen op de griffie (art. 1098, Ger.W).
In beginsel schrijft artikel 1098 van het Gerechtelijk Wetboek voor dat de stukken die bij het verzoekschrift tot cassatie worden gevoegd, moeten worden genummerd en geparafeerd door een advocaat bij het Hof van Cassatie. Aangezien de tussenkomst van een advocaat bij het Hof van Cassatie niet vereist is voor het opstellen van het verzoekschrift, is het logisch dat de afwijking die voorkomt in artikel 378, WIB 92 zich uitstrekt tot de stukken die bij het verzoekschrift worden gevoegd.
Voor de Staat moet het administratief dossier en zijn inventaris dus ter griffie van het Hof van Cassatie worden neergelegd door de gewestelijke directeur. Zij worden niet meer zoals in het verleden doorgestuurd door de griffie van het hof van beroep (zie het oude artikel 388, WIB 92). Die griffie zendt slechts de stukken door die zich in het dossier van de rechtspleging bevinden.
219. De termijn waarover de verweerder beschikt om te antwoorden bedraagt niet meer 40 dagen zoals in de oude procedure (art. 389, WIB 92), maar drie maanden te rekenen van de dag waarop het inleidend verzoekschrift of de memorie van toelichting is betekend. Die termijn wordt overeenkomstig artikel 55 van het Gerechtelijk Wetboek eventueel verlengd omwille van de afstand (art. 1093, lid 1 en 2, Ger.W).
Op te merken valt dat de memorie van antwoord steeds ondertekend moet zijn door een advocaat bij het Hof van Cassatie. Zij wordt daarenboven betekend aan de tegenpartij of haar advocaat (art. 1092, Ger.W).
Wanneer de verweerder een middel van niet-ontvankelijkheid tegen de voorziening heeft opgeworpen (niet-toelaatbaarheid, gebruik der talen in gerechtszaken, enz.), kan de eiser hierop antwoorden met inachtneming van artikel 1079 van het Gerechtelijk Wetboek. Dat antwoord moet vooraf aan de advocaat van de verweerder worden betekend en, op straffe van verval, binnen een maand na de betekening van de memorie van de verweerder ter griffie worden ingediend (art. 1094, Ger.W).
220. Overeenkomstig artikel 377, WIB 92, zoals vervangen door artikel 34 van de wet van 15 maart 1999, schorsen zowel de termijn van cassatie als de voorziening in cassatie, de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing
DERDE DEEL - PRAKTISCHE RICHTLIJNEN
HOOFDSTUK 1. - HET ADMINISTRATIEF BEROEP
Afdeling 1. - De ontvangstmelding
A. Bezwaarschriften
221. Vanaf het aanslagjaar 1999 moet het belastingbestuur op het ontvangstbewijs dat naar de belastingplichtige wordt gestuurd, de datum van ontvangst van het bezwaarschrift vermelden (zie nr 11 en volgende).
Er moet onmiddellijk ontvangst worden gemeld door middel van het ontvangstbewijs waarvan het model is weergegeven als bijlage (zie bijlage 1 en de instructie van 30.03.1999, nr Ci.RH.861/520.599). Een kopie van het ontvangstbewijs wordt in het administratief dossier bewaard.
In het geval beoogd in de Com. IB 92, nr 366/33 (bezwaarschriften betreffende voorheffingen ingediend door de verkrijgers van die inkomsten) moet de gewestelijke directeur die het bezwaarschrift ontvangt, de ontvangst melden (zie bijlage 1) met de mededeling dat het bezwaarschrift werd doorgestuurd naar de bevoegde directeur (uitgaande van die zienswijze is de verzending bij aangetekende brief, vermeld in de Com. IB 92, nr 366/33, niet meer nodig).
222. De belastingplichtigen die een bezwaarschrift betreffende het aanslagjaar 1998 of vroeger hebben ingediend vanaf 30 juni 2000 indien de aanslag van ambtswege werd gevestigd, of vanaf 30 september 2000 in de andere gevallen, zullen een vordering bij de rechtbank van eerste aanleg kunnen inleiden vanaf 1 april 2001 indien de termijn van zes of negen maanden, beoogd in artikel 1385undecies, van het Gerechtelijk Wetboek is verstreken (zie nr 137).
Het is bijgevolg nodig onmiddellijk ontvangst te melden van de bezwaarschriften gericht tegen de aanslagen betreffende het aanslagjaar 1998 en vorige die ingediend zijn vanaf 30 juni 2000, zonder rekening te houden met het feit of de aanslagen al dan niet van ambtswege zijn gevestigd (dit om het bijkomend werk te vermijden dat een dergelijk onderzoek met zich zou brengen).
Voor de voormelde bezwaarschriften die ingediend worden tussen 30 juni en 29 september 2000 moet de ontvangstmelding evenwel vermelden dat de rechtbank van eerste aanleg slechts kan worden aangesproken vanaf 1 april 2000 (zie bijlage 2).
Voor de bezwaarschriften die worden ingediend vanaf 30 september 2000 is deze precisering nutteloos en mag het formulier vermeld als bijlage 2 gebruikt worden.
Voor de bezwaarschriften die betreffende het aanslagjaar 1999 en vorige worden ingediend tussen 30 juni 2000 en 29 september 2000, moet slechts één ontvangstmelding worden verstuurd die is aangepast aan de concrete omstandigheden.
Voorbeeld:
Bezwaarschrift ingediend op 1 september 2000 tegen twee aanslagen, de ene aanslag ingekohierd voor het aanslagjaar 1998 de andere voor het aanslagjaar 1999. De ontvangst moet worden gemeld met het formulier beoogd als bijlage 1, maar aan de belastingschuldige moet worden gemeld dat hij voor het aanslagjaar 1998, slechts vanaf 1 april 2001 de rechtbank van eerste aanleg kan aanspreken indien geen beslissing is genomen op 31 maart 2001.
B. Vragen tot ontheffing van ambtswege
223. De mogelijkheid om de rechtbank van eerste aanleg aan te spreken wanneer geen beslissing is genomen binnen zes of negen maanden, bestaat slechts voor de vragen tot ontheffing van ambtswege betreffende het aanslagjaar 1999 en volgende, (zie nr 85 en 137; de hypothese beoogd in nr 222 is dus niet van toepassing inzake de ontheffing van ambtswege).
Wanneer de vraag tot ontheffing van ambtswege gericht is aan de gewestelijke directeur moet onmiddellijk ontvangst worden gemeld met het formulier vermeld als bijlage 3.
Worden als dusdanig beschouwd, de vragen die uitdrukkelijk verwijzen naar artikel 376, WIB 92 of verwijzen naar de gevallen waarvoor dat artikel ontheffing mogelijk maakt. Is dat niet het geval dan moeten de aanvragen als bezwaarschriften worden behandeld en moet ontvangst worden gemeld.
224. Wanneer de belastingplichtige een vraag die kan beschouwd worden als beoogd in artikel 376, WIB 92, indient bij een andere dienst dan die van de bevoegde gewestelijke directeur, moet de ambtenaar die de vraag tot ontheffing van ambtswege krijgt, de ontvangst ervan melden aan de belastingplichtige met vermelding van de datum waarop hij die vraag heeft ontvangen. Indien die ambtenaar niet bevoegd is om te beslissen over de vraag tot ontheffing, moet hij die vraag onmiddellijk doorsturen naar de bevoegde gewestelijke directeur samen met een kopie van de ontvangstmelding en de belastingplichtige hiervan op de hoogte brengen (zie bijlage 4).
C. Bijzondere gevallen
225. a. Wanneer een bezwaarschrift wordt ingediend bij een andere ambtenaar dan de gewestelijke directeur, blijven de richtlijnen van de Com. IB 92, nr 366/35 van toepassing. Bij het terugsturen van het bezwaarschrift naar de belastingplichtige moet evenwel ontvangst worden gemeld en moet de belastingplichtige erop worden gewezen dat zijn bezwaarschrift slechts zal kunnen worden onderzocht op grond van artikel 376, WIB 92 indien geen regelmatig bezwaarschrift wordt ingediend bij de directeur (zie bijlage 5). De kopie van de ontvangstmelding moet bij de stukken worden gevoegd die naarde directeur worden gestuurd. Het spreekt vanzelf dat wanneer de betrokkene een regelmatig bezwaarschrift indient, de diensten van de directeur ontvangst ervan moeten melden en een nieuwe termijn van zes of negen maanden begint te lopen.
b. Wanneer inzake onroerende voorheffing, het onderzoek van het bezwaarschrift de tussenkomst van de Administratie van het Kadaster nodig maakt, moet bij de ontvangstmelding de belastingplichtige hierop attent worden gemaakt, alsook op het feit dat in bepaalde gevallen die administratie slechts een verslag kan opstellen dan na het verstrijken van het belastbaar tijdperk.
Er moet op dezelfde wijze gehandeld worden telkens de bevoegde gewestelijke directeur geen beslissing kan nemen voor het einde van het lopende jaar (bijvoorbeeld bij de toepassing van de artikelen 15 en 257, 4°, WIB 92; zie ook nr 15 en de bijlage nr 6).
Afdeling 2. - Doorzending van de dossiers inzake bezwaarschriften en ontheffingen van ambtswege naar de diensten belast met het onderzoek
226. Tussen de ontvangst van de verzoekschriften, hun ontvangstmelding en hun doorsturing naar de diensten die ze moeten onderzoeken, mag in beginsel niet meer dan vijf dagen verlopen. Het zal dus nodig zijn alle maatregelen te treffen om die dwingende termijn na te leven.
Rekening houdend met de strikte termijnen die de nieuwe procedure heeft ingesteld, dringt de Administratie van het Kadaster er bijzonder op aan dat haar de "bezwaarkaders" uiterlijk binnen vijftien dagen na de ontvangst van de bezwaarschriften waarvan het onderzoek haar tussenkomst vereist, zouden bereiken en dat de toezendingen geval per geval zouden gebeuren (geen globale toezending).
Afdeling 3. - Openbaarheid van bestuur en toepassing van artikel 374, WIB 92 tijdens het onderzoek van het bezwaarschrift
227. Vanaf het aanslagjaar 1999 moet de vraag om het administratief dossier te raadplegen, schriftelijk worden gedaan. Die vraag mag evenwel worden gedaan in elk stadium van de procedure (zie nr 41) terwijl de vraag om te worden gehoord in het bezwaarschrift zelf moet worden gedaan (zie nr 34).Er wordt aan herinnerd dat de belastingplichtige moet worden verzocht zich binnen een termijn van dertig dagen aan te melden.
In het raam van een goed beheer van het dossier moet de belastingplichtige die zowel gevraagd heeft om inzage te krijgen van het dossier als om te worden gehoord, worden verzocht zich aan te melden na onderzoek van het bezwaarschrift door de ambtenaar belast met dat onderzoek, behalve indiende belastingplichtige aandringt om sneller het dossier te raadplegen. In dat laatste geval moet hij later worden uitgenodigd om te worden gehoord.
Kopies moeten worden verstrekt tegen het tarief dat is vastgesteld bij het KB van 30.08.1996 tot vaststelling van de vergoeding verschuldigd voor het ontvangen van een afschrift van een bestuursdocument (zie nr 53).
HOOFDSTUK 2: HET GERECHTELIJK BEROEP
Afdeling 1. - Inleiding van de vordering
A. Aanwijzing van de advocaat
228. Zodra de gewestelijke directeur der directe belastingen, van de griffie of via het kabinet, kennis krijgt van het verzoekschrift op tegenspraak, wijst hij de advocaat aan die de belangen van de Belgische Staat zal verdedigen.
Hij kiest tussen de advocaten van het departement die tot op heden met de administratie der directe belastingen hebben samengewerkt op het vlak van de vestiging van de belasting. Elke advocaat is bevoegd in een bepaald domein dat is vastgesteld in het ministerieel benoemingsbesluit (zie bijlage 7, en de bijlage aan de brief van 07.05.1999, nr Ci.RH.861/522.187).
Inzake geschillen die teweeggebracht worden door de controlecentra van de A.O.I.F. en die de tussenkomst vereisen van advocaten die in beide materies bevoegd zijn (inkomstenbelastingen en BTW) mag een beroep worden gedaan op advocaten die samenwerken met de administratie op het gebied van de BTW (zie bijlage 7).
Het is aangewezen een en dezelfde advocaat aan te wijzen voor dezelfde rechtbank voor zaken van dezelfde aard of voor samenhangen zaken.
In het raam van de nieuwe fiscale procedure kunnen de advocaten worden verzocht de Belgische Staat te vertegenwoordigen, zowel in eerste aanleg als in beroep, binnen het rechtsgebied van het hof van beroep waarvoor zij zijn aangewezen.
Voor het opstellen van de jaarlijkse statistiek is het nodig aantekening te houden van de toewijzing van de zaken.
229. De advocaten die naar een rechtbank van eerste aanleg moeten gaan die buiten hun gerechtelijk arrondissement is gelegen, kunnen om de terugbetaling van hun reiskosten vragen. Een dergelijke vergoeding wordt evenwel niet betaald voor de reiskosten naar het hof van beroep als de zaak voor dat hof wordt gebracht. De vergoeding van de. advocaten gebeurt op de wijze die is voorgeschreven in het KB van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten (D.I. 323.11). De vergoedingen worden berekend op grond van de werkelijke afstand in kilometers volgens de gevolgde weg tussen het advocatenkantoor en de rechtbank van eerste aanleg. De vergoedingen worden betaald op voorlegging van een verklaring op erewoord gestaafd door een omstandige opgave van het aantal afgelegde kilometers. Het bedrag van de kilometervergoeding is gekoppeld aan de spilindex 119, 53.
Voor de personen die geen deel uitmaken van het staatspersoneel bedraagt het maximumvermogen van het voertuig dat voor de vergoeding van de kosten in aanmerking komt, 7 PK.
De advocaat moet elk trimester (31/03, 30/06, 30/09 en 31/12 een schuldvordering in drie exemplaren indienen bij de gewestelijke directeur die voor akkoord moet tekenen. De directeur zendt dan het dossier naar de Centrale diensten van de AOIF (Dienst VII/4) die na visum het dossier in drie exemplaren voorleggen aan de Dienst Comptabiliteit en Begroting van het Algemeen Secretariaat, die instaat voor de betaalbaarstelling.
B. Bestemming te geven aan de inleidende vordering
230. De gewestelijke directeur neemt onmiddellijk twee kopieën van de gerechtsbrief, het inleidend verzoekschrift en zijn bijlagen en stuurt het origineel naar de departementsadvocaat die verzocht wordt op de inleidende zitting te verschijnen (eventueel wordt een kopie per fax verstuurd).
Indien de termijn tussen de ontvangst van de kennisgeving en de datum van verschijning te kort is, moet de directeur naargelang het geval:
- per bode, aan de departementsadvocaat het origineel van de voormelde stukken laten bezorgen om op de zitting te kunnen verschijnen;
- in persoon verschijnen indien het gelet op de termijn vermeld in de, kennisgeving, materieel onmogelijk is om de advocaat te contacteren.
C. Instructie van de advocaat
231. De directeur vraagt in zijn brief aan de advocaat om de zaak naar de rol te laten verwijzen teneinde het dossier te kunnen mededelen en conclusies te kunnen uitwisselen.
Betreffende de volgende punten moet evenwel een eerste onderzoek van het dossier plaatsvinden:
- Verwijzing van de zaak naar een kamer met drie rechters. Een dergelijk verzoek moet schriftelijk worden gedaan op de dag van de inleiding van de zaak (zie nr 163) en de advocaat moet daarvan dus onmiddellijk worden op de hoogte gesteld. Om de afhandeling van de fiscale geschillen te bespoedigen wordt die stap voorbehouden aan belangrijke zaken of aan betwistingen over principekwesties (bijvoorbeeld wanneer een circulaire wordt aangevochten). Ingeval van twijfel moet de directeur de centrale diensten raadplege.
- Gebruik der talen. Eventueel moet de directeur akkoord gaan met de keuze die de belastingplichtige heeft gemaakt in zijn inleidende vordering (zie nr 126).
- Ontoelaatbaarheid van de vordering in rechte. Wanneer de vordering manifest ontoelaatbaar is, moet aan de advocaat worden gevraagd te pleiten op de inleidende zitting.
- Wanneer de eiser in zijn verzoekschrift om korte debatten vraagt (d.w.z. dat onmiddellijk of in een nabije toekomst zou worden gepleit) moet op de argumentatie van het verzoekschrift worden geantwoord om de zaak naar de rol te kunnen laten verwijzen.
Afdeling 2. - Na de inleidende zitting
A. Samenstelling en mededeling van het administratief dossier
232. Het is aangewezen vanaf het instellen van de vordering met de samenstelling van het administratief dossier te beginnen.
Er wordt aan herinnerd dat het belastingbestuur besloten heeft het volledig fiscaal dossier met betrekking tot de betwisting, mede te delen (zie nr 167).
Daarom moeten de stukken worden genummerd (zie naar analogie Com. IB 92, nr 380/3) en in een omstandige inventaris worden opgenomen (zie Com. IB 92, nr 380/5 en 7). Tevens moeten van het dossier twee kopieën worden gemaakt. Een kopie is bestemd voor de departementsadvocaat, de andere kopie voor de griffie van de rechtbank.
In afwachting dat nieuwe mappen worden gedrukt mogen de bestaande mappen 246 voort worden gebruikt, met dien verstande dat de vermeldingen op die map worden aangepast. Alle stukken die ter griffie worden neergelegd moeten in beginsel vooraf worden gebundeld (art. 737, lid 1, Ger.W). Voor zover dit nog niet zou gebeurd zijn, dient elke gewestelijke directie contact op te nemen met de griffier van de betrokken rechtbank voor de praktische regeling op lokaal vlak.
Behoudens uitzonderlijke omstandigheden moet het materiële werk worden afgerond binnen twee maanden vanaf de ontvangst van de kennisgeving van het verzoekschrift (en niet zoals in het verleden binnen drie maanden- zie Com. IB 92, nr 380/12)
In dit stadium moet geen samenvattende nota van het geschil worden opgesteld.
De kopie van het dossier bestemd voor de departementsadvocaat wordt hem onmiddellijk aangetekend toegestuurd. Dat moet hem in staat stellen kopie te sturen naar de advocaat van de tegenpartij.
De andere kopie wordt ter griffie tegen ontvangstbewijs neergelegd of aangetekend verstuurd op het ogenblik dat de samenvattende nota van het geschil is opgesteld overeenkomstig de hiernavolgende richtlijnen.
De neerlegging ter griffie van het dossier en de samenvattende nota van het geschil moet onmiddellijk gebeuren wanneer de belastingplichtige niet wordt vertegenwoordigd door een advocaat. In het tegenovergestelde geval moet rekening worden gehouden met de plaatselijke gebruiken, maar moet op zijn minst het dossier worden neergelegd uiterlijk op het ogenblik van de neerlegging van de conclusies voor de Belgische Staat.
Het origineel dossier van de betwisting, dat het belastingdossier betreffende het betwiste aanslagjaar bevat, moet ter directie worden bewaard gedurende de volledige rechtspleging. Ingeval stukken die ter griffie werden neergelegd worden betwist, moet het origineel aan de rechtbank worden voorgelegd terwijl een kopie van het overgelegde stuk ter directie wordt bewaard.
B. Onderzoek van het dossier, opstelling van de samenvattende nota van het geschil en opvolging van het dossier
233. Alvorens een onderzoek ten gronde te beginnen, moet worden onderzocht of excepties kunnen worden aangevoerd. Het is aangewezen alle excepties in de samenvattende nota te vermelden, zelfs indien sommigen ervan kunnen worden aangevoerd in elk stadium van de rechtspleging.
Zij betreffen:
- het vereiste belang om een vordering in rechte in te leiden (zie nr 99);
- de hoedanigheid van diegene die vordert (heeft de eiser het recht om een vordering in rechte in te leiden?; zie nr 109 en volgende);
- de materiële bevoegdheid (bevoegdheid "ratione materiae") van de rechtbank van eerste aanleg (zie nr 100 en volgende);
- de territoriale bevoegdheid (bevoegdheid "ratione loci") van de aangesproken rechter (zie nr 104 en volgende);
- het voorafgaand regelmatig administratief beroep (zie nr 114 en volgende);
- de vormvoorwaarden van de inleidende vordering (zie nr 118 en volgende);
- het gebruik der talen (zie nr 125);
- de termijnen voor de inleiding van de vordering (zie nr 132 en volgende);
- ingeval van aanhangigheid of samenhang met een andere zaak voor een andere rechtbank, moet de vraag tot verwijzing eveneens worden geformuleerd in de eerste conclusies (zie nr 107).
234. Wanneer de vordering in rechte laattijdig is, moet onmiddellijk bij de postdiensten navraag worden gedaan omtrent de juiste datum van aanbieding van de beslissing, om een onweerlegbaar vermoeden betreffende de laattijdigheid van de vordering te bekomen.
Na het systematisch onderzoek van de mogelijke excepties moet het onderzoek naar de grond van de zaak worden aangevat, rekening houdend met de bezwaren die de belastingplichtige in zijn inleidende vordering heeft aangevoerd.
235. De samenvattende nota moet worden opgesteld overeenkomstig de richtlijnen vermeld in de Com. IB 92, nr 380/6, en een kopie ervan wordt naarde griffie gestuurd om bij het administratief dossier te worden gevoegd (zie nr 232). Er moet eveneens een kopie naar de departementsadvocaat worden gestuurd. Het origineel (de "minuut") wordt bij het origineel administratief dossier gevoegd.
236 In beginsel behoort het beheer en de opvolging van de dossiers voor de rechtbanken van eerste aanleg tot de exclusieve bevoegdheid van de gewestelijke directies, in samenwerking met de departementsadvocaten. In beginsel moeten de gewestelijke directeurs evenmin aan de centrale diensten de voorstellen tot ontheffing voorleggen die voortspruiten uit de inwilliging van de aangevoerde grieven.
Wanneer zich bijzondere moeilijkheden voordoen, zowel op het procedurele vlak als op het vlak van de weerlegging van de grieven geformuleerd in de inleidende vordering of in conclusies, mag de directeur de centralediensten om advies vragen (A.I.O.F., Directie IV/1 of IV/2).
C. Weerlegging van de conclusies van de tegenpartij
237. Het belastingbestuur is van oordeel dat de neerlegging ter griffie van het administratief dossier met de samenvattende nota van het geschil, de eiser verplicht als eerste te concluderen (zie nr 173).
238. Zodra de tegenpartij conclusies heeft neergelegd stuurt de departementsadvocaat een kopie ervan naar de directie. Die onderzoekt die conclusies met de grootste zorg en ziet na of geen nieuwe grieven worden geformuleerd ten opzichte van de grieven die voorkomen in de inleidende vordering.
Is dat het geval dan moet aandachtig worden onderzocht of artikel 807 van het Gerechtelijk Wetboek is nageleefd en moet de onontvankelijkheid van de grieven die niet gegrond zijn op een feit of akte die is aangevoerd in het verzoekschrift worden opgeworpen (zie nr 145 en volgende). Het blijft evenwel nodig die nieuwe grieven in subsidiaire orde te bestrijden.
De gewestelijke directie moet daarenboven antwoorden op de nieuwe argumenten die de tegenpartij aanvoert ter ondersteuning van de bezwaren die hij heeft aangevoerd bij de directeur of in zijn verzoekschrift.
In dat verband moet elke verwijzing naar een rechterlijke beslissing gepaard gaan met de vermelding van het tijdschrift of het werk waarin die beslissing is gepubliceerd. Eenieder die geconfronteerd wordt met een citaat uit een rechterlijke beslissing moet kunnen nagaan of het citaat juist is weergegeven en of de omstandigheden eigen aan de gevonniste zaak vergelijkbaar zijn met de kwestieuze zaak.
Wanneer de aangevoerde rechtspraak nog niet is gepubliceerd, moet een fotokopie van die rechtspraak bij het dossier van de rechtspleging worden gevoegd.
239. Zodra de nota met de weerlegging klaar is, wordt ze bij gewone brief naar de departementsadvocaat gestuurd met het verzoek om ontwerpconclusies op te stellen. Die ontwerpconclusies moeten steeds aan de directeur worden voorgelegd om na te gaan of zij moeten worden gewijzigd of aangevuld. Na goedkeuring door de directie, deelt de advocaat de conclusiesmee aan de tegenpartij en legt hij ze neer ter griffie.
240. Wanneer de tegenpartij niet binnen een redelijke termijn concludeert (drie maanden vanaf de neerlegging van het dossier ter griffie), vraagt de gewestelijke directie aan de departementsadvocaat om, zonder langer te wachten, te concluderen op grond van de samenvattende nota.
De tegenpartij heeft het recht om te antwoorden op de conclusies die de departementsadvocaat heeft neergelegd. De betrokken dienst moet er echter over waken dat het proces niet door opeenvolgende aanvullende conclusies verzandt.
Wanneer de directie vaststelt dat de tegenpartij nalaat conclusies te nemen, zelfs nadat de conclusies voor de Belgische Staat werden neergelegd, moet aan de departementsadvocaat worden gevraagd om de rechtbank te verzoeken conclusietermijnen te bepalen en om eventueel tegen de eiser een op tegenspraak geacht vonnis te vorderen op grond van artikel 751 van het Gerechtelijk Wetboek (zie nr 176 tot 178).
Ten slotte moet de directie nagaan of het niet aangewezen is een tegenvordering in te stellen wegens tergend en roekeloos geding. Die stapmoet evenwel de uitzondering blijven.
Afdeling 3. - Houding van het bestuut na het vonnis - procedure van verzet en hoger beroep - opvolging - opvolging van het dossier
241.Binnen acht dagen na de uitspraak van het vonnis zendt de griffier bij gewone brief een niet ondertekend afschrift van het vonnis aan elke partij of, in voorkomend geval, aan hun advocaten (zie nr 194; art. 792, Ger.W).
Behoudens bijzondere omstandigheden, stuurt de griffie aan de partijen of hun advocaten eveneens de stukken terug die overeenkomstig artikel 737, lid 1, Ger.W werden neergelegd. Elke gewestelijke directie dient contact op te nemen met de griffie om de praktische modaliteiten voor de terugsturing van het administratief dossier na het vonnis te regelen.
A. Vonnissen die gunstig zijn voor de Belgische Staat
242. Wanneer het vonnis gunstig is voor de Belgische Staat, vraagt de gewestelijke directeur aan de departementsadvocaat om de tegenpartij te contacteren betreffende haar intenties (berusting, verzet, hoger beroep).
Er kunnen zich drie mogelijkheden voordoen.
a) De tegenpartij beslist verzet te doen tegen het vonnis of in hoger beroep te gaan.
243. De gewestelijke directeur stuurt onmiddellijk een kopie van het vonnis naar het hoofdbestuur alsook een kopie van de briefwisseling met de tegenpartij.
244. 1. Als het verzet is betekend of het hoger beroep is ingesteld, neemt de gewestelijke directeur de dag zelf twee kopieën van de akte alsook van het exploot of de kennisgeving. Hij stuurt onmiddellijk de originelen naar de departementsadvocaat met het verzoek de belangen van de Belgische Staat te verdedigen in het kader van die procedure en geeft hem de opdracht de verwijzing van de zaak naar de rol te vragen (zie nr 231). Hij stelt de centralediensten onverwijld hiervan in kennis door hen een kopie van die stukken toe te sturen terwijl de tweede kopie voor hemzelf bestemd is.
Behoudens bijzondere moeilijkheden, komt het beheer en de opvolging van het dossier binnen het raam van de verzetprocedure uitsluitend toe aan de gewestelijke directie, in samenwerking met de departementsadvocaat (zie nr 236). De middelen van de eiser in verzet moeten worden weerlegd door de directeur door middel van een nota die naar de departementsadvocaat wordt gestuurd. De departementsadvocaat legt zijn conclusies samen met het dossier ter griffie neer nadat zij door de diensten van de gewestelijke directeur zijn goedgekeurd.
Bij hoger beroep doet de gewestelijke directeur eerst het nodige om de departementsadvocaat de zaak naar de rol te laten verwijzen en stuurt onmiddellijk nadien een verslag met de middelen die voor het hof van beroep kunnen worden aangevoerd, vergezeld van de conclusies van de partijen en het administratief dossier dat door de griffie werd teruggestuurd, naar het hoofdbestuur.
De centrale diensten zullen naar de departementsadvocaat een nota sturen die hem in staat stelt zijn conclusies op te stellen, dewelke hij samen met het dossier ter griffie zal neerleggen nadat zij zijn goedgekeurd door de centrale diensten.
Het hoofdbestuur zal dus elk dossier in samenwerking met de departementsadvocaat behandelen, onverminderd eventuele bijkomende onderzoeken de betrokken gewestelijke directie.
245. 2. Indien binnen twee maanden nadat het bestuur ter kennis is gebracht dat de tegenpartij een voorziening in hoger beroep overweegt, deze laatste nog steeds geen hoger beroep heeft ingesteld, geeft de gewestelijke directeur de departementsadvocaat de opdracht een uitgifte (d.w.z. een door de griffier ondertekend afschrift - zie nr 194) van het vonnis over te maken aan een gerechtsdeurwaarder die verzocht wordt onmiddellijk het vonnis te betekenen. Het is eveneens aangewezen bij de verzending een staat 106, in tweevoud, te voegen om de kosten van de betekening aan de gerechtsdeurwaarder te kunnen voorschieten.
Wanneer de termijn voor hoger beroep is verstreken (zie nr 206 en 209) mag het vonnis als definitief worden beschouwd zodat tot de uitvoering ervan kan worden overgegaan.
In die hypothese stelt de directeur het hoofdbestuur daarvan in kennis en vraagt hij aan de advocaat het dossier terug.
b) De tegenpartij berust in het vonnis
246. Het is aangewezen om aan de tegenpartij (door tussenkomst van de departementsadvocaat) te vragen haar berusting uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk te formuleren. De uitdrukkelijke berusting geschiedt bij eenvoudige akte ondertekend door de partij of zijn bijzonder gemachtigde advocaat (art. 1045: Ger.W). Daarna mag het vonnis onmiddellijk worden uitgevoerd.
Ingeval van berusting is het niet nodig de rechterlijke beslissing te laten betekenen. Voor de vereffening van de gerechtskosten wordt verwezen naar het Handboek van de periodieke werkzaamheden, Deel III, titel V, nr 61.
Zodra hij kennis krijgt van de berusting, vraagt de gewestelijke directeur het dossier terug bij de advocaat.
c) De tegenpartij blijft inactief
247. De directeur laat via de departementsadvocaat overgaan tot de betekening van het vonnis en na het verstrijken van de termijn voor hoger beroep, laat hij overgaan tot de uitvoering ervan. Hij licht hiervan het hoofdbestuur in.
d) Opmerking
248. De gewestelijke directeur stuurt een kopie van elk vonnis naar het hoofdbestuur.
De kopieën van de vonnissen die volledig gunstig voor de Staat zijn, die waarin de tegenpartij heeft berust of tegenover dewelke hij inactief blijft, alsook de vonnissen die het verzoekschrift op tegenspraak onontvankelijk verklaren of die de afstand van het geding door de eiser acteren, moeten evenwel slechts om de maand naar de centrale diensten worden verzonden, naar het voorbeeld van hetgeen is voorgeschreven in de Com. IB 92, nr 385/16 voor de arresten van het hof van beroep "oud stelsel".
Wanneer naar aanleiding van een voor het bestuur gunstig vonnis, de gewestelijke directie vaststelt dat de kosten niet in het vonnis werden vereffend, verzoekt hij de departementsadvocaat om artikel 1021, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek toe te passen (zie nr 199).
B. Vonnissen die ongunstig zijn voor de Belgische Staat
a) Met akkoord van het belastingbestuur
249. Vonnissen die zich ertoe beperken de door het belastingbestuur voorgestelde vernietigingen of ontheffingen uit te spreken, worden om de maand naar de centrale diensten toegezonden, zoals is vermeld onder nummer 248 betreffende de gunstige vonnissen.
In die hypothese moet geen advies worden gevraagd aan de departementsadvocaat en, behoudens bijzondere omstandigheden, is het niet nodig vóór de uitvoering van het vonnis een verslag op te stellen voor het hoofdbestuur.
De directeur moet nochtans in elke zaak onderzoeken of de bevolen ontheffingen door de rechtbank niet meer bedragen dan die welke door het bestuur werden aanvaard en of de redenen voor de uitgesproken ontheffing op elk punt overeenkomen met die waarover het bestuur het eens was. Ingeval van afwijking moet de procedure worden gevolgd die van toepassing is op de vonnissen die worden uitgesproken zonder instemming van het belastingbestuur.
Ingeval van een gedeeltelijk ongunstig vonnis met de instemming van het belastingbestuur, is het nodig, naast de hierboven vermelde verificatie, bij de tegenpartij navraag te doen betreffende haar houding ten opzicht van wat is beslist en de procedure te volgen die is beschreven in de nummers 242 tot 245.voor dat gedeelte van het vonnis.
b) Zonder akkoord van het belastingbestuur
250. Onmiddellijk na de ontvangst van een gedeeltelijk of volledig ongunstig vonnis zonder akkoord, moet de departementsadvocaat die is tussengekomen in de zaak, advies geven aan de gewestelijke directeur betreffende de opportuniteit om verzet te doen of hoger beroep in te stellen.
Bij een verstekvonnis zal de departementsadvocaat zich moeten verantwoorden over de redenen die de tegenpartij in staat hebben gesteld verstek te nemen.
In die hypothese zal de gewestelijke directeur in de regel de departementsadvocaat opdracht geven verzet in te stellen tegen het vonnis, behalve wanneer hij akkoord kan gaan met de grond van het vonnis (zie nr 236). In dat geval geeft hij de advocaat toestemming om te berusten in het vonnis (zie nr 204).
Het beheer en de opvolging van het dossier in de verstekprocedure is identiek aan de oorspronkelijke procedure voor de rechtbank (zie nr 236)
Wat de vonnissen betreft die niet bij verstek zijn gewezen, of die geacht worden op tegenspraak te zijn gewezen (zie nr 177), onderzoekt de directeur, zodra hij het vonnis ontvangt, of in het vonnis kan worden berust dan wel of het nodig is hoger beroep in te stellen.
Een kopie van het vonnis wordt naar de centrale diensten gestuurd binnen twintig dagen na de ontvangst van de rechterlijke beslissing, vergezeld van een afzonderlijk verslag waaraan zijn toegevoegd het gekopieerde volledig dossier dat door de griffie werd teruggestuurd, de conclusies van de partijen en het advies van de departementsadvocaat.
Wanneer de tegenpartij het vonnis laat betekenen vóór het verstrijken van deze twintig dagen, moet de gewestelijke directeur onmiddellijk een verslag opstellen aangezien de Belgische Staat dan nog slechts over een termijn van één maand beschikt om eventueel in hoger beroep te gaan. Indien nodig moet het dossier onverwijld bij de griffie worden opgehaald om het naar het hoofdbestuur te kunnen sturen.
Indien de departementsadvocaat op dat ogenblik nog geen advies heeft verstrekt, moet dat advies onmiddellijk na zijn ontvangst naar het hoofdbestuur worden doorgestuurd.
Indien de tegenpartij het vonnis laat betekenen na het doorsturen van het verslag, moet de directeur het hoofdbestuur daarvan onmiddellijk in kennis stellen.
251. Indien de gewestelijke directeur meent in het vonnis te kunnen berusten, moet hij zijn standpunt in het voormelde verslag motiveren. Indien hij daarentegen van oordeel is dat hoger beroep moet worden ingesteld, moet zijn verslag klaar en bondig de middelen bevatten die in de akte van hoger beroep moeten worden aangevoerd, alsook alle argumenten welke die middelen kunnen ondersteunen
Het hoofdbestuur zal beslissen welk gevolg aan het geschil moet worden gegeven.
Wanneer het hoofdbestuur van oordeel is dat in het vonnis kan worden berust, wordt het dossier naar de gewestelijke directeur teruggestuurd om het vonnis te laten uitvoeren en om de tegenpartij in te lichten via de departementsadvocaat.
Indien het daarentegen nodig is hoger beroep in te stellen, delen de centrale diensten rechtstreeks aan de departementsadvocaat de beslissing ter zake mee, vergezeld indien nodig van de bijkomende argumenten die voor het hof van beroep moeten worden aangevoerd. Zij sturen eveneens het administratief dossier naar de advocaat terug opdat deze het later ter griffie van het hof van beroep zou kunnen neerleggen.
De departementsadvocaat staat in voor het opstellen van de akte van hoger beroep, zijn betekening of zijn neerlegging ter griffie van het hof van beroep.
Vervolgens wordt het geschil beheerd door het hoofdbestuur dat dus elk dossier zal behandelen in samenwerking met de departementsadvocaat onverminderd de eventuele bijkomende onderzoeken die door de betrokken gewestelijke directie moeten worden uitgevoerd.
Wanneer beslist wordt in hoger beroep te gaan, maakt het hoofdbestuur een kopie van de stukken van het dossier die nodig zijn voor het beheer ervan.
252. Bij een gemengd vonnis zonder het akkoord van het bestuur is het nodig, naast de verrichtingen vermeld in de vorige leden, onmiddellijk, via de departementsadvocaat, navraag te doen bij de tegenpartij over de houding die zij zal aannemen tegenover het gedeelte van het vonnis dat haar in het ongelijk stelt en vervolgens de verrichtingen aan te vangen beschreven in de nummers 242 tot 248.
Er wordt op gewezen dat zowel de belastingplichtige als de Belgische Staat tegen wie een hoofdberoep is ingesteld, de mogelijkheid hebben om een incidenteel beroep in te stellen, zelfs indien zij het vonnis zonder voorbehoud hebben betekend of er vóór de betekening in berust hebben (art. 1054, lid 1, Ger.W) en dat een dergelijk incidenteel beroep kan worden ingesteld bij conclusie, zelfs na het verstrijken van de wettelijke termijn voor het instellen van het hoofdberoep (zie nr 209).
Gelet evenwel op de bepaling van artikel 1054, lid 2 van het Gerechtelijk Wetboek (risico dat het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard) zal het hoofdbestuur indien nodig een hoofdberoep instellen tegen dergelijke vonnissen.
253. De directeur stuurt naar het hoofdbestuur een kopie van elk arrest van de hoven van beroep.
De kopieën van de arresten die volledig gunstig zijn voor de Staat en de arresten die de voorziening van de belastingplichtige ontoelaatbaar of onontvankelijk verklaren of die akte nemen van de afstand, worden een keer per maand, samen, zonder commentaar doorgestuurd.
Op te merken valt dat de ongunstige arresten met het akkoord van het hoofdbestuur, geen aanleiding geven tot het opstellen van een verslag door de gewestelijke directeur, die moet handelen overeenkomstig de richtlijnen vermeld in nummer 249.
Afdeling 4. - Voorziening in cassatie
254. In het raam van de nieuwe procedure (zie nr 215 en volgende) staat uitsluitend het hoofdbestuur in voor het onderzoek naar eventuele cassatiemogelijkheden. De onderrichtingen vermeld in de Com. IB 92, nr 385/17 zijn dus niet meer van toepassing.
Het volledig fiscaal dossier van de betwisting wordt dus niet meer door de griffie van het hof van beroep doorgestuurd naar de griffie van het Hof van Cassatie, zoals dit gebeurde in het raam van de oude procedure (zie nr 218; art. 388, lid 3, WIB 92). De griffie van het hof van beroep stuurt het administratief dossier naar de departementsadvocaat die de stukken ter griffie heeft neergelegd. De departementsadvocaat zal eventueel instaan om het dossier bij de griffie op te halen.
De advocaat zendt dan het dossier naar de centrale diensten, samen met een advies over de opportuniteit om een voorziening in cassatie in te stellen. De centrale diensten beslissen over het gevolg dat aan het geschil moet worden gegeven.
Wanneer zij van oordeel zijn dat geen voorziening in cassatie moet worden ingediend, sturen zij het dossier terug naar de gewestelijke directie.
In het tegenovergestelde geval staat het hoofdbestuur, zoals in het verleden, in voor de redactie van de voorziening.
De voorziening, samen met zijn bijlagen, waaronder het administratief dossier, moeten evenwel door de gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde, ter griffie van het Hof van Cassatie te Brussel worden neergelegd (zie nr 215).
HOOFDSTUK 3: INWERKINGTREDING
255. De praktische richtlijnen uiteengezet in de nummers 221 tot 254 zijn onmiddellijk van toepassing.
NAMENS DE MINISTER
Voor de Directeur-generaal
De Directrice,
M. BALLEUX
BIJLAGEN
Bijlage 1: Model van ontvangstmelding (bezwaarschriften)
Onderwerp: bezwaarschrift van ...
Kenmerk:
(te vermelden in alle briefwisseling aangaande dit bezwaarschrift)
Geachte heer, Geachte mevrouw,
Ik heb de eer U de ontvangst te melden op ... van uw bezwaarschrift.
De dienst die uw bezwaarschrift onderzoekt is de volgende: ... (het volledig adries van de dienst evenals een telefoonnummer vermelden).
Indien u nog bewijsstukken aan uw bezwaarschrift wilt toevoegen, verzoek ik U die stukken met de nodige uitleg aan die dienst toe te sturen. Dit kan de behandeling van uw bezwaarschrift bespoedigen.
Zodra een beslissing over uw bezwaarschrift is genomen, beschikt U over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing om een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te ... (zie nr 105) door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
Het staat U evenwel vrij voor dezelfde rechtbank een vordering in te stellen, indien geen beslissing is genomen binnen zes maanden (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) volgend op de datum van ontvangst van uw bezwaarschrift. Die vordering moet bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingesteld en op straffe van nietigheid bevatten:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van het bezwaarschrift en een kopie van deze ontvangstmelding.
Dit verzoekschrift op tegenspraak moet met zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Hoogachtend,
(get.) De Gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde.
Bijlage 2: Model van ontvangstmelding (bezwaarschriften tegen aanslagen betreffende de aanslagjaren 1998 en vorige, ingediend tussen 30 juni en 29 september 2000).
Onderwerp: bezwaarschrift van ...
Kenmerk:
(te vermelden in alle briefwisseling aangaande dit bezwaarschrift)
Geachte heer, Geachte mevrouw,
Ik heb de eer u de ontvangst te melden op ... van uw bezwaarschrift.
De dienst die uw bezwaarschrift onderzoekt is de volgende: ... (het volledig adres van de dienst evenals een telefoonnummer vermelden).
Indien U nog bewijsstukken aan uw bezwaarschrift wilt toevoegen, verzoek ik U die stukken met de nodige uitleg aan die dienst toe te sturen. Dit kan de behandeling van uw bezwaarschrift bespoedigen.
Zodra een beslissing over uw bezwaarschrift is genomen, beschikt U over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing om een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te ... (zie nr 105) door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
Het staat U evenwel vrij, vanaf 1 april 2001 voor dezelfde rechtbank een vordering in te stellen, indien op 31 maart 2001 geen beslissing genomen en indien op die laatste datum een wachttijd van zes maanden (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) volgend op de datum van ontvangst van uw bezwaarschrift op tegenspraak worden ingesteld en op straffe van nietigheid bevatten:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van het bezwaarschrift en een kopie van deze ontvangstmelding.
Dit verzoekschrift op tegenspraak moet niet zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Hoogachtend,
(get.) De Gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde.
Bijlage 3: Model van ontvangstmelding (vragen om ontheffing van ambtswege gericht aan de bevoegde gewestelijke directeur)
Onderwerp: vraag tot ontheffing van ambtswege van ...
Kenmerk: ...
(te vermelden in alle briefwisseling aangaande deze vraag)
Geachte heer, Geachte mevrouw,
Ik heb de eer U de ontvangst te melden op ... van uw vraag tot ontheffing van ambtswege.
De dienst die uw vraag onderzoekt is de volgende: ... (het volledig adres van de dienst evenals een telefoonnummer vermelden).
Indien U nog bewijsstukken aan uw vraag wilt toevoegen, verzoek ik U die stukken met de nodige uitleg aan die dienst toe te sturen. Dit kan de behandeling van uw vraag bespoedigen.
Zodra een beslissing over uw vraag tot ontheffing van ambtswege is genomen, beschikt U over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing om een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te ... (zie nr 105) door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
Het staat U evenwel vrij voor dezelfde rechtbank een vordering in te stellen, indien geen beslissing is genomen binnen zes maanden (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) volgend op de datum van ontvangst van uw vraag. Die vordering moet bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingesteld en op straffe van nietigheid bevatten:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van de vraag tot ontheffing van ambtswege en een kopie van deze ontvangstmelding.
Dit verzoekschrift op tegenspraak moet met zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Hoogachtend,
(get.) De Gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde.
Bijlage 4: Model van ontvangstmelding (vragen om ontheffing van ambtswege ingediend bij een andere dienst dan de gewestelijke directeur)
Onderwerp: vraag tot ontheffing van ambtswege van ...
Kenmerk: ...
(te vermelden in alle briefwisseling aangaande deze vraag)
Geachte heer, Geachte mevrouw,
Ik heb de eer U de ontvangst te melden op ... van uw vraag tot ontheffing van ambtswege.
Die vraag is onmiddellijk doorgestuurd naar de gewestelijke directeur te ... die U de dienst zal mededelen die uw vraag zal onderzoeken.
Indien U nog bewijsstukken aan uw vraag wilt toevoegen, verzoek ik U die stukken met de nodige uitleg aan die dienst toe te sturen. Dit kan de behandeling van uw vraag bespoedigen.
Zodra een beslissing over uw vraag tot ontheffing van ambtswege is genomen, beschikt U over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing om een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te ... (zie nr 105) door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
Het staat U evenwel vrij voor dezelfde rechtbank een vordering in te stellen, indien geen beslissing is genomen binnen zes maanden (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) volgend op de datum van ontvangst van uw vraag. Die vordering moet bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingesteld en op straffe van nietigheid bevatten:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van de vraag tot ontheffing van ambtswege en een kopie van deze ontvangstmelding.
Dit verzoekschrift op tegenspraak moet met zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Hoogachtend,
(get.) De Gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde.
Bijlage 5: Model van ontvangstmelding (bezwaarschrift ingediend bij een andere ambtenaar dan de gewestelijke directeur)
Onderwerp: bezwaarschrift van ...
Kenmerk: ...
(te vermelden in alle briefwisseling aangaande dit bezwaarschrift)
Geachte heer, Geachte mevrouw,
Ik heb de eer U de ontvangst te melden op ... van uw bezwaarschrift.
Dat bezwaarschrift wordt U echter teruggestuurd aangezien het overeenkomstig artikel 366, WIB 92, moet worden ingediend bij de gewestelijke directeur te ..., waarvan de kantoren gevestigd zijn op het volgende adres...
Niettemin werd uw vraag onmiddellijk doorgestuurd naar die ambtenaar met het oog op een eventuele toepassing van artikel 376, WIB 92 (ontheffing van ambtswege) ingeval U geen regelmatig bezwaarschrift indient binnen drie maanden te rekenen vanaf de verzending van het aanslagbiljet.
De gewestelijke directeur te ... zal U de dienst mededelen die uw vraag tot ontheffing van ambtswege zal onderzoeken.
Indien U nog bewijsstukken aan uw vraag wilt toevoegen, verzoek ik U die stukken met de nodige uitleg aan die dienst toe te sturen. Dit kan de behandeling van uw vraag bespoedigen.
Zodra een beslissing over uw vraag tot ontheffing van ambtswege is genomen, beschikt U over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing om een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te ... (zie nr 105) door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
Het staat U evenwel vrij voor dezelfde rechtbank een vordering in te stellen, indien geen beslissing is genomen binnen zes maanden (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) volgend op de datum van ontvangst van uw vraag. Die vordering moet bij verzoekschrift op tegenspraak worden ingesteld en op straffe van nietigheid bevatten:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van de vraag tot ontheffing van ambtswege en een kopie van deze ontvangstmelding.
Dit verzoekschrift op tegenspraak moet met zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Het spreekt vanzelf dat wanneer U een regelmatig bezwaarschrift indient, U opnieuw een ontvangstmelding zal worden toegestuurd, hetgeen een nieuwe termijn van zes of negen maanden opent alvorens de rechtbank van eerste aanlegt te kunnen aanspreken.
Hoogachtend,
(get.) De Gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde.
Bijlage 6: Model van ontvangstmelding (bezwaarschriften inzake onroerende voorheffing beoogd in nr 15 en 225)
Onderwerp: bezwaarschrift van ...
Kenmerk:...
(te vermelden in alle briefwisseling aangaande dit bezwaarschrift)
Geachte heer, Geachte mevrouw,
Ik heb de eer U de ontvangst te melden op ... van uw bezwaarschrift.
De dienst die uw bezwaarschrift onderzoekt is de volgende: ... (het volledig adres van de dienst en een telefoonnummer vermelden).
Indien U nog bewijsstukken aan uw bezwaarschrift wilt toevoegen, verzoek ik U die stukken met de nodige uitleg aan die dienst toe te sturen. Dit kan de behandeling van uw bezwaarschrift bespoedigen.
Zodra een beslissing over bezwaarschrift is genomen, beschikt U over een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing om een vordering in te stellen bij de rechtbank van eerste aanleg te ... (zie nr 105) door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
Het staat evenwel vrij voor dezelfde rechtbank een vordering in te stellen, indien geen beslissing is genomen binnen zes maanden (of negen maanden ingeval van aanslag van ambtswege) volgend op de datum van ontvangst van uw bezwaarschrift.
Ik vestig evenwel uw aandacht op het feit dat:
- gelet op de bepalingen van de artikelen 15 en 257, lid 4, WIB 92, bevoegde directeur geen beslissing kan nemen vóór het einde van het lopende jaar;
- die bijzondere procedure in uw voordeel is aangezien de eventuele ontheffing wordt berekend, rekening houdend met het tijdperk waarin de goederen niet in gebruik zijn genomen, geen inkomsten hebben opgebracht of buiten werken zijn gebleven ten opzichte van het ganse jaar (zie artikel 15, WIB 92);
- het onderzoek van uw bezwaarschrift de tussenkomst van de Administratie van het Kadaster vereist en dat die administratie slechts verslag kan uitbrengen na het verstrijken van het belastbaar tijdperk.
(de eventuele overbodige vermeldingen schrappen of de tekst aanpassen)
Indien U niettemin een vordering wilt instellen bij de rechtbank van eerste aanleg voor het einde van het lopende jaar, dan moet U dit doen door middel van een verzoekschrift op tegenspraak dat op straffe van nietigheid het volgende bevat:
1° de dag, de maand en het jaar;
2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;
3° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;
4° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat;
6° als bijlage een kopie van het bezwaarschrift en een kopie van deze ontvangstmelding.
Dit verzoek op tegenspraak moet met zijn bijlage ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg worden neergelegd of bij aangetekende brief aan die griffie worden toegezonden in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Hoogachtend,
(get.) De Gewestelijke directeur of zijn gedelegeerde.
