Aanschrijving nr. 111 dd. 09.07.1971
AANSCHRIJVING 71/111
Aanschrijving nr. 111 dd. 09.07.1971
Periodieke aangiften
Krachtens artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1970, is de belastingplichtige wiens jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen frank, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, gehouden kwartaalaangiften in te dienen. Hij moet evenwel ten laatste de twintigste van de tweede en de derde maand van ieder kalenderkwartaal een voorschot storten (z. kon. besl. nr. 1, art. 17), waarvan het bedrag bepaald wordt aan de hand van de belasting welke hij voor het vorig kwartaal verschuldigd was (z. min. besl. nr : 3, van 24 november 1970).
Deze wijze van bepalen van het bedrag van de maandelijkse voorschotten heeft soms voor gevolg dat bedrijven voor zekere periodes van het jaar voorschotten moeten storten die volstrekt niet in verhouding staan tot de belasting, die werkelijk verschuldigd is over de door hen effectief tijdens die periodes verrichte handelingen. Dit is meer bepaald het geval voor de seizoenbedrijven (activiteiten uitgeoefend in toeristenoorden of sterk seizoengevoelige verrichtingen), voor de ondernemers van werk in onroerende staat en voor de bedrijven waar de facturering of de incassering geconcentreerd zijn over enkele maanden van het jaar (goederen of diensten geleverd of verricht bij wijze van abonnement of waarvan de prijs betaald wordt in de vorm van een bijdrage).
Ten einde voor deze bedrijven de bezwaren op te vangen die uit de strikte toepassing van het ministerieel besluit nr. 3 voortvloeien, werd er, met inachtneming van de dwingende voorschriften inzake het automatisch bijhouden van de rekeningen-courant van de belastingplichtigen, beslist hen, in afwijking van artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 1, te machtigen tot het indienen van maandaangiften in de plaats van kwartaalaangiften, alhoewel hun jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen frank.
De belastingplichtige die deze maatregel wil genieten, moet dit bij aangetekend schrijven ter kennis brengen van het hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert.
Wanneer hij zijn activiteit aanvangt moet hij zijn keuze uitoefenen in de aangifte van aanvang van werkzaamheid, voorgeschreven bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10, van 12 maart 1970, en zijn keuze heeft onmiddellijk uitwerking.
De belastingplichtige, die thans reeds zijn werkzaamheid uitoefent, moet zijn keuze notificeren uiterlijk op 30 november en zijn keuze heeft uitwerking op de 1ste januari die erop volgt. In 1971 zal echter bij wijze van uitzondering de keuze kunnen worden uitgeoefend voor 1 september 1971, met uitwerking op 1 oktober 1971.
In alle gevallen is de keuze onherroepelijk. De aandacht wordt er op gevestigd dat deze keuze onder meer als gevolg heeft dat, voor het geval de aangifte van de maanden maart, juni of september, een belastingtegoed laat blijken, dit tegoed aan de belastingplichtige slechts wordt teruggegeven wanneer het 60.000 frank, en niet 25.000 frank, bereikt (z. kon. besl. nr. 4, van 29 december 1969, art. 8, § 2) .
Zodra hij kennis krijgt van de overeenkomstig hetgeen voorafgaat gedane keuze, zendt het controlekantoor een bulletin nr. 613 naar het C.I.V.
Vanzelfsprekend blijven de bedrijven waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen frank en die niet hebben geopteerd voor het indienen van maandaangiften verder gehouden tot het betalen van de overeenkomstig het ministerieel besluit nr. 3 vastgestelde voorschotten.
Aanschrijving nr. 111 dd. 09.07.1971
Periodieke aangiften
Krachtens artikel 16, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 1, van 23 juli 1969, gewijzigd bij artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1970, is de belastingplichtige wiens jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen frank, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, gehouden kwartaalaangiften in te dienen. Hij moet evenwel ten laatste de twintigste van de tweede en de derde maand van ieder kalenderkwartaal een voorschot storten (z. kon. besl. nr. 1, art. 17), waarvan het bedrag bepaald wordt aan de hand van de belasting welke hij voor het vorig kwartaal verschuldigd was (z. min. besl. nr : 3, van 24 november 1970).
Deze wijze van bepalen van het bedrag van de maandelijkse voorschotten heeft soms voor gevolg dat bedrijven voor zekere periodes van het jaar voorschotten moeten storten die volstrekt niet in verhouding staan tot de belasting, die werkelijk verschuldigd is over de door hen effectief tijdens die periodes verrichte handelingen. Dit is meer bepaald het geval voor de seizoenbedrijven (activiteiten uitgeoefend in toeristenoorden of sterk seizoengevoelige verrichtingen), voor de ondernemers van werk in onroerende staat en voor de bedrijven waar de facturering of de incassering geconcentreerd zijn over enkele maanden van het jaar (goederen of diensten geleverd of verricht bij wijze van abonnement of waarvan de prijs betaald wordt in de vorm van een bijdrage).
Ten einde voor deze bedrijven de bezwaren op te vangen die uit de strikte toepassing van het ministerieel besluit nr. 3 voortvloeien, werd er, met inachtneming van de dwingende voorschriften inzake het automatisch bijhouden van de rekeningen-courant van de belastingplichtigen, beslist hen, in afwijking van artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 1, te machtigen tot het indienen van maandaangiften in de plaats van kwartaalaangiften, alhoewel hun jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen frank.
De belastingplichtige die deze maatregel wil genieten, moet dit bij aangetekend schrijven ter kennis brengen van het hoofd van het BTW-controlekantoor waaronder hij ressorteert.
Wanneer hij zijn activiteit aanvangt moet hij zijn keuze uitoefenen in de aangifte van aanvang van werkzaamheid, voorgeschreven bij artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 10, van 12 maart 1970, en zijn keuze heeft onmiddellijk uitwerking.
De belastingplichtige, die thans reeds zijn werkzaamheid uitoefent, moet zijn keuze notificeren uiterlijk op 30 november en zijn keuze heeft uitwerking op de 1ste januari die erop volgt. In 1971 zal echter bij wijze van uitzondering de keuze kunnen worden uitgeoefend voor 1 september 1971, met uitwerking op 1 oktober 1971.
In alle gevallen is de keuze onherroepelijk. De aandacht wordt er op gevestigd dat deze keuze onder meer als gevolg heeft dat, voor het geval de aangifte van de maanden maart, juni of september, een belastingtegoed laat blijken, dit tegoed aan de belastingplichtige slechts wordt teruggegeven wanneer het 60.000 frank, en niet 25.000 frank, bereikt (z. kon. besl. nr. 4, van 29 december 1969, art. 8, § 2) .
Zodra hij kennis krijgt van de overeenkomstig hetgeen voorafgaat gedane keuze, zendt het controlekantoor een bulletin nr. 613 naar het C.I.V.
Vanzelfsprekend blijven de bedrijven waarvan de jaaromzet niet meer bedraagt dan vijf miljoen frank en die niet hebben geopteerd voor het indienen van maandaangiften verder gehouden tot het betalen van de overeenkomstig het ministerieel besluit nr. 3 vastgestelde voorschotten.
Bron: FisconetPlus
