Circulaire AAFisc Nr. 19/2015 (nr. Ci.RH.241/630.298) d.d. 18.05.2015

Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Operationele Expertise en Ondersteuning
Dienst PB
Personenbelasting

Vergoeding voor reiskosten voor woon-werkverkeer
Vrijstelling van de vergoeding

Richtlijnen inzake de toepassing van de in artikel 38, § 1, eerste lid, 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 beoogde vrijstelling wanneer de werkgever een forfaitaire bijdrage in de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling betaalt aan de werknemer en deze laatste die verplaatsing maakt met het openbaar gemeenschappelijk vervoer.

1. Deze circulaire strekt ertoe de richtlijnen inzake de toepassing van de in artikel 38, § 1, eerste lid, 9° van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) beoogde vrijstelling m.b.t. de vergoedingen door de werkgever toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling in herinnering te brengen.

2. Er is vastgesteld dat bij sommige belastingplichtigen nog steeds onduidelijkheid bestaat over de toepassing van voormelde vrijstelling.

3. Wanneer de werkgever aan de werknemer een forfaitaire bijdrage in de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling betaalt, heeft deze laatste de vrije keuze over hoe en in welke mate hij deze bijdrage besteedt aan openbaar gemeenschappelijk vervoer, georganiseerd gemeenschappelijk vervoer of een ander vervoermiddel. Aangezien de werkgever niet kan vaststellen hoe en in welke mate deze bijdrage is besteed aan voormelde vervoerswijzen, moet de werkgever deze bijdrage bijgevolg vermelden in het vak 18 "Bijdragen in de reiskosten", rubriek c) "Ander vervoermiddel" van de fiche 281.10, inkomsten 2014.

4. Het in het vak 18 "Bijdragen in de reiskosten", rubriek c) "Ander vervoermiddel" van de fiche 281.10, inkomsten 2014, vermelde bedrag kan in principe worden vrijgesteld tot een maximum van 380 euro (aanslagjaar 2015 – basisbedrag 250 euro) voor zover de beroepskosten overeenkomstig artikel 51, WIB 92 forfaitair zijn bepaald.

5. Wanneer dat bedrag ook vergoedingen bevat die betrekking hebben op woon-werkverplaatsingen afgelegd met het openbaar gemeenschappelijk vervoer (maar die de werkgever niet in vak 18 "Bijdragen in de reiskosten", rubriek a) "Openbaar gemeenschappelijk vervoer" van de fiche 281.10, inkomsten 2014, heeft vermeld omdat hij niet heeft kunnen vaststellen dat de toegekende vergoedingen betrekking hebben op de betaling of terugbetaling van kosten van woon-werkverplaatsingen met het openbaar gemeenschappelijk vervoer) kan de belastingplichtige naast de hierboven vermelde vrijstelling van maximum 380 euro (aanslagjaar 2015 – basisbedrag 250 euro) aanspraak maken op een bijkomende vrijstelling. Het gedeelte van de bijdrage in de reiskosten dat als betaling of terugbetaling heeft gediend van kosten voor woon-werkverplaatsingen afgelegd met het openbaar gemeenschappelijk vervoer is namelijk volgens artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, a, WIB 92 vrijgesteld.

6. Indien de belastingplichtige op deze bijkomende vrijstelling aanspraak maakt, moet hij de volgende stukken ter beschikking houden van de administratie:

- een nota met de opgave van de gebruikte vervoermiddelen en een becijferde uiteenzetting van de vrijstelling(en) waarop hij aanspraak maakt;

- de bewijsstukken met betrekking tot zijn verplaatsingen met het openbaar gemeenschappelijk vervoer: een attest van de openbare vervoermaatschappij, abonnementen, rittenkaarten, losse tickets, enz.

7. Het voorgaande wordt verduidelijkt aan de hand van het volgende voorbeeld:

Een werkgever kent aan zijn werknemer een forfaitaire bijdrage in de reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling toe van 2.000 euro en vermeld het volledige bedrag in het vak 18 "Bijdragen in de reiskosten", onder de rubriek c) "Ander vervoermiddel" van de fiche 281.10, inkomsten 2014.

De werknemer gaat te voet naar het station en maakt vervolgens gebruik van het openbaar gemeenschappelijk vervoer om zich naar zijn plaats van tewerkstelling te begeven. Uit een attest van de openbare vervoersmaatschappij blijkt dat hij 1.200 euro heeft betaald aan de openbare vervoersmaatschappij voor zijn abonnement op het openbaar gemeenschappelijk vervoer.

8. Alhoewel deze bijdrage in de reiskosten van 2.000 euro (vermeld in het vak 18 "Bijdragen in de reiskosten", rubriek c) "Ander vervoermiddel" van de fiche 281.10, inkomsten 2014) in beginsel moet worden aangemerkt als een belastbaar voordeel van alle aard (en bijgevolg onder de code 1254/2254 moet worden vermeld in de aangifte), kan deze bijdrage in de reiskosten volgens artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, WIB 92 voor een bedrag van 1.580 euro worden vrijgesteld (namelijk 380 euro + 1.200 euro), voor zover uiteraard de beroepskosten overeenkomstig artikel 51, WIB 92 forfaitair worden bepaald. Dit bedrag (1.580 euro) moet dan worden vermeld onder de code 1255/2255 ién de aangifte.

9. Het is dus NIET zo dat het volledige bedrag van de bijdrage in de reiskosten (2.000 euro) kan worden vrijgesteld omdat de werknemer het openbaar gemeenschappelijk vervoer heeft gebruikt.

10. De vrijgestelde vergoeding moet immers worden vastgesteld per gebruikte vervoerswijze (openbaar gemeenschappelijk vervoer, georganiseerd gemeenschappelijk vervoer, ander vervoermiddel). In het hiervoor aangehaalde voorbeeld worden twee verschillende vervoerswijzen gebruikt, namelijk het openbaar gemeenschappelijk vervoer en een ander vervoermiddel (namelijk te voet naar het station). Wat betreft het openbaar gemeenschappelijk vervoer heeft slechts 1.200 euro van de 2.000 euro gediend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling. Volgens artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, a, WIB 92, is het volledige bedrag van de bijdrage in de reiskosten dat heeft gediend voor het openbaar gemeenschappelijk vervoer (namelijk 1.200 euro) vrijgesteld. Wat betreft het ander vervoermiddel (te voet naar het station), wordt er volgens artikel 38, § 1, eerste lid, 9°, c, WIB 92 een bedrag van maximum 380 euro vrijgesteld.

11. In het voorbeeld kan er slechts 1.580 euro worden vrijgesteld en geen 2.000 euro en wordt het saldo van 420 euro (namelijk 2.000 euro – 1.580 euro) aangemerkt als een belastbare bezoldiging in de zin van artikel 31, tweede lid, 1°, WIB 92.

Voor de Administrateur Grote Ondernemingen, tijdelijk belast met de functie van Administrateur-generaal van de Fiscaliteit,

P. GYSEN
Adviseur - Directeur