Circulaire nr. Ci.RH.332/497.961 dd. 13.01.1998
CIRC 13.01.98/1
Circulaire nr. Ci.RH.332/497.961 dd. 13.01.1998
Bull. nr. 780, pag. 486
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Opheffing van de bijzondere heffing op roerende inkomsten.
Commentaar op art. 9 en art. 11, leden 2 tot 4, W 16.4.1997 houdende diverse fiscale bepalingen (opheffing van de bijzondere heffing op roerende inkomsten).
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de opheffing, met ingang van het aj. 1995, van de bijzondere heffing op roerende inkomsten.
II. WETTEKSTEN
W 16.4.1997 houdende diverse bepalingen
(BS 23.5.1997 - V 2507 - Bull. 773)
...
2. Artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en budgettaire bepalingen, gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 7 december 1988, bij artikel 179 van de wet van 30 december 1988, bij artikel 7 van de wet van 22 februari 1990, bij de wet van 21 december 1992, bij artikel 32 van de wet van 24 december 1993 en bij artikel 24 van de wet van 20 december 1995, wordt opgeheven.
...
Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1995.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de bijzondere heffing met betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in artikel 272 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel een hoger beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan op de datum waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Geen moratoriuminterest wordt toegekend bij teruggave van belasting verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd overeenkomstig artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door deze wet.
III. COMMENTAAR
3. Gevat door een prejudiciële vraag dd. 05.01.1995 van de correctionele rechtbank te Brussel, zegde het Arbitragehof, in zijn arrest nr. 74/95 van 09.11.1995, naar recht:
"Artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 7 december 1988, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het erin voorziet, enerzijds, dat de interesten van Belgische oorsprong als bedoeld in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aan de bijzondere heffing op de roerende inkomsten zijn onderworpen, en in zoverre het, anderzijds, de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in artikel 11, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van dezelfde bijzondere heffing vrijstelt".
4. Ingevolge dit arrest besliste de Regering om een wetsontwerp tot opheffing van de bijzondere heffing op roerende inkomsten in te dienen.
Met art. 9 W 16.04.1997 houdende diverse fiscale bepalingen wordt die intentie verwezenlijkt.
IV. INWERKINGTREDING
5. Krachtens art. 11, 2de lid, W 16.04.1997, wordt de bijzondere heffing op roerende inkomsten opgeheven met ingang van het aj. 1995.
6. Verder bepaalt art. 11, 3de lid, W 16.04.1997, dat die opheffing eveneens van toepassing is op de bijzondere heffing met betrekking tot de ajren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in art. 272, WIB, of in art. 371, WIB 92, ofwel een hoger beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan op de datum waarop de W 16.04.1997 in het BS is bekendgemaakt, namelijk 23.05.1997.
7. De voormelde W 16.04.1997 stelt evenwel geen nieuwe bezwaartermijnen in. Bijgevolg kunnen, wat de bijzondere heffing voor de ajren 1990 tot 1994 betreft, alleen de aanslagen waartegen binnen de wettelijke termijnen een geldig bezwaarschrift is ingediend of een voorziening in beroep of in Cassatie is ingesteld, waarover op 23.05.1997 nog geen uitspraak was gedaan, worden ontheven.
8. Met betrekking tot de ajren 1990 en volgende, kan er thans uiteraard geen enkele aanslag in de bijzondere heffing op roerende inkomsten meer worden ontheven.
9. De aanslagen in de bijzondere heffing op roerende inkomsten met betrekking tot de ajren 1989 en vorige, zijn niet beoogd door de opheffing (cf. in die zin, Luik, 29.5.1996, inzake de MEVIUS). Art. 42, W 28.12.1983, zoals het van toepassing was voor die ajren, maakte immers geen onderscheid tussen de interesten van Belgische oorsprong en die van buitenlandse oorsprong en hield dus niet de door het Arbitragehof vastgestelde discriminatie in.
V. MORATORIUMINTERESTEN
10. Art. 11, 4de lid, W 16.04.1997, bepaalt uitdrukkelijk dat geen moratoriuminterest zal worden toegekend bij teruggave van belasting verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd op basis van art. 42, W 28.12.1983 houdende fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door art. 9, W 16.04.1997.
Circulaire nr. Ci.RH.332/497.961 dd. 13.01.1998
Bull. nr. 780, pag. 486
BIJZONDERE HEFFING OP ROERENDE INKOMSTEN
Opheffing van de bijzondere heffing op roerende inkomsten.
Commentaar op art. 9 en art. 11, leden 2 tot 4, W 16.4.1997 houdende diverse fiscale bepalingen (opheffing van de bijzondere heffing op roerende inkomsten).
Aan alle ambtenaren van de niveaus 1, 2+ en 2
I. INLEIDING
1. Deze circulaire bespreekt de opheffing, met ingang van het aj. 1995, van de bijzondere heffing op roerende inkomsten.
II. WETTEKSTEN
W 16.4.1997 houdende diverse bepalingen
(BS 23.5.1997 - V 2507 - Bull. 773)
...
| Art. | 9 |
| Art. | 11 |
Artikel 9 heeft uitwerking met ingang van het aanslagjaar 1995.
Dit artikel is eveneens van toepassing op de bijzondere heffing met betrekking tot de aanslagjaren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in artikel 272 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen of in artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ofwel een hoger beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan op de datum waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Geen moratoriuminterest wordt toegekend bij teruggave van belasting verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd overeenkomstig artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door deze wet.
III. COMMENTAAR
3. Gevat door een prejudiciële vraag dd. 05.01.1995 van de correctionele rechtbank te Brussel, zegde het Arbitragehof, in zijn arrest nr. 74/95 van 09.11.1995, naar recht:
"Artikel 42 van de wet van 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, zoals gewijzigd bij artikel 38 van de wet van 7 december 1988, schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het erin voorziet, enerzijds, dat de interesten van Belgische oorsprong als bedoeld in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen aan de bijzondere heffing op de roerende inkomsten zijn onderworpen, en in zoverre het, anderzijds, de roerende inkomsten van buitenlandse oorsprong als bedoeld in artikel 11, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van dezelfde bijzondere heffing vrijstelt".
4. Ingevolge dit arrest besliste de Regering om een wetsontwerp tot opheffing van de bijzondere heffing op roerende inkomsten in te dienen.
Met art. 9 W 16.04.1997 houdende diverse fiscale bepalingen wordt die intentie verwezenlijkt.
IV. INWERKINGTREDING
5. Krachtens art. 11, 2de lid, W 16.04.1997, wordt de bijzondere heffing op roerende inkomsten opgeheven met ingang van het aj. 1995.
6. Verder bepaalt art. 11, 3de lid, W 16.04.1997, dat die opheffing eveneens van toepassing is op de bijzondere heffing met betrekking tot de ajren 1990 tot 1994 waartegen, ofwel een bezwaarschrift is ingediend in de vorm en binnen de termijn bepaald in art. 272, WIB, of in art. 371, WIB 92, ofwel een hoger beroep of een beroep in Cassatie is ingesteld, waarop nog geen uitspraak is gedaan op de datum waarop de W 16.04.1997 in het BS is bekendgemaakt, namelijk 23.05.1997.
7. De voormelde W 16.04.1997 stelt evenwel geen nieuwe bezwaartermijnen in. Bijgevolg kunnen, wat de bijzondere heffing voor de ajren 1990 tot 1994 betreft, alleen de aanslagen waartegen binnen de wettelijke termijnen een geldig bezwaarschrift is ingediend of een voorziening in beroep of in Cassatie is ingesteld, waarover op 23.05.1997 nog geen uitspraak was gedaan, worden ontheven.
8. Met betrekking tot de ajren 1990 en volgende, kan er thans uiteraard geen enkele aanslag in de bijzondere heffing op roerende inkomsten meer worden ontheven.
9. De aanslagen in de bijzondere heffing op roerende inkomsten met betrekking tot de ajren 1989 en vorige, zijn niet beoogd door de opheffing (cf. in die zin, Luik, 29.5.1996, inzake de MEVIUS). Art. 42, W 28.12.1983, zoals het van toepassing was voor die ajren, maakte immers geen onderscheid tussen de interesten van Belgische oorsprong en die van buitenlandse oorsprong en hield dus niet de door het Arbitragehof vastgestelde discriminatie in.
V. MORATORIUMINTERESTEN
10. Art. 11, 4de lid, W 16.04.1997, bepaalt uitdrukkelijk dat geen moratoriuminterest zal worden toegekend bij teruggave van belasting verleend ten gevolge van de ontheffing van de belasting gevestigd op basis van art. 42, W 28.12.1983 houdende fiscale en budgettaire bepalingen, zoals dit bestond voor de opheffing ervan door art. 9, W 16.04.1997.
NAMENS DE MINISTER:
Voor de Directeur-generaal:
De Auditeur-generaal van financiën,
V. KINDT
Bron: FisconetPlus
