Aanschrijving nr. 28 dd. 19.11.1975

AANSCHRIJVING 75/028

Aanschrijving nr. 28 dd. 19.11.1975


BTW.
Wasserij, ververij, stomerij of stoppageondernemingen


Inleiding.

1. De aanschrijvingen nr. 31, van 11 februari 1971 (Z. Revue nr. 3, blz. 373.), en nr. 45, van 17 maart 1971 (Z. Revue nr. 3, blz. 375) hebben ten behoeve van de depothouders van wasserijen, ververijen, stomerijen of stoppageondernemingen een bijzondere regeling ingevoerd die inzonderheid tot gevolg heeft dat de belasting verschuldigd over de vergoeding van die ondernemers niet moet worden voldaan.

2. Gelet op de aanschrijving van heden nr. 27, waarbij wordt aanvaard dat de belasting verschuldigd op de prestaties van makelaars en lasthebbers wordt voldaan door de opdracht- of lastgever, wordt een einde gesteld aan de ontheffing van de verplichting tot voldoening van de belasting op de vergoeding van de depothouders, met dien verstande dat de betaling moet worden verricht door de wasserij, de ververij, de stomerij of de stoppageonderneming.

Onderwerp van de aanschrijving.

3. Deze aanschrijving stelt een vereenvoudigde regeling in ten aanzien van de depothouders die contractueel verbonden zijn tegenover een enkele wasserij, een enkele ververij, een enkele stomerij en/of een enkele stoppageonderneming.

Zij heft de voornoemde aanschrijvingen nr. 31/1971 en nr. 45/1971 op en vervangt ze.

Bedoelde depothouders.

4. Op deze aanschrijving kunnen zich slechts de depothouders beroepen die aan al de hierna genoemde vereisten voldoen.

a) Zij moeten tegenover een enkele wasserij, een enkele ververij, een enkele stomerij en/of een enkele stoppageonderneming verbonden zijn, ingevolge een schriftelijke overeenkomst waarbij zij gehouden zijn met de klanten te handelen tegen door die ondernemingen opgelegde tarieven.

b) Zij mogen aan de klanten, in generlei hoedanigheid, op hun naam gestelde facturen, debetnota's of andere daarmee gelijkstaande stukken uitreiken.

5. Het doet er weinig toe of de exploitatie van het depot de enige of de belangrijkste aan de BTW onderworpen werkzaamheid is van de in het vorig nummer bedoelde exploitant, of bijkomstig is aan een andere werkzaamheid waardoor hij reeds de hoedanigheid heeft van BTW-belastingplichtige, ongeacht of deze laatste werkzaamheid aan de normale regeling of aan een bijzondere regeling (egalisatiebelasting, forfaitaire regeling, ...) is onderworpen.

6. De bijzondere regeling is niet toepasselijk op de onafhankelijke depothouders die bijgevolg gehouden zijn tot de verplichtingen opgelegd aan de belastingplichtigen.

Anderzijds betreft zij niet de depothouders die niet zelfstandig optreden en dus geen BTW-belastingplichtigen zijn.

Toepassingsvoorwaarden van de bijzondere regeling.

Verplichtingen van de onderneming.

7. De wasserij de ververij, de stomerij of de stoppageonderneming moet volgens de gewone wijze de BTW voldoen die verschuldigd is op de aan de klanten van de depots aangerekende prijs.

8. Die onderneming moet bovendien, overeenkomstig nummer 12 van de aanschrijving van heden nr. 27 (Z. deze Revue, blz. 63.) de belasting voldoen die verschuldigd is over de vergoeding van de depothouder. Zij moet te dien einde :

a) uiterlijk de 15de van iedere maand een stuk (creditnota, commissienota, ...) opstellen in tweevoud, waarop de volgende vermeldingen voorkomen : de datum waarop het is opgemaakt, het inschrijvingsnummer in het boek voor inkomende facturen van de onderneming, de benaming en het adres van deze laatste en haar BTW-registratienummer, de benaming en het adres van de depothouder, de maand waarop het commissieloon betrekking heeft en het bedrag ervan;

b) op de twee exemplaren van het stuk de volgende vermelding plaatsen: "BTW voldaan door de onderneming" aangevuld met een verwijzing naar deze aanschrijving;

c) dat stuk inschrijven in haar boekhouding (boek voor inkomende facturen);

d) de belasting voldoen door ze als verschuldigde belasting op te nemen in de herzieningen (kader V, a, van de maandaangifte of rubriek V van de kwartaalaangifte) van haar BTW-aangifte met betrekking tot de periode waarin die belasting opeisbaar is geworden;

e) een exemplaar van dat stuk overhandigen aan de depothouder.

9. De onderneming mag de BTW die verschuldigd is op de vergoeding van de depothouders slechts aftrekken indien zij de verschuldigde belasting heeft ingeschreven in haar periodieke aangifte, maar zij mag de aftrek reeds uitoefenen in de aangifte waarin zij die belasting heeft opgenomen.

Toestand van de depothouder.

10. De depothouder wordt ontlast van al de verplichtingen betreffende de betaling van de verschuldigde BTW zowel op de door de klanten betaalde prijs als op de vergoeding die hem toekomt.

11. Hij moet evenwel de stukken die hij ingevolge nummer 8, e, ontvangt, bewaren gedurende vijf jaar te rekenen vanaf de 1ste januari volgend op hun datum.

12. Hij behoudt het recht op aftrek van de BTW geheven van de goederen die hem werden geleverd en de diensten die hem werden verstrekt voor de exploitatie van zijn depot.

13. De depothouder die geen andere aan de BTW onderworpen werkzaamheid verricht is er nochtans van ontheven periodieke BTW-aangiften in te dienen. Wanneer hij gebruik maakt van deze ontheffing, moet hij het hoofd van het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde, waaronder hij ressorteert, schriftelijk daarvan in kennis stellen; hij wordt dan geacht af te zien van zijn recht op aftrek van de BTW die werd geheven van de goederen die hij heeft ontvangen of ingevoerd en van de diensten die hem werden verstrekt.