Aanschrijving nr. 2 dd. 26.05.2000

AANSCHRIJVING 00/002

Aanschrijving nr. 2 dd. 26.05.2000


BTW
Hervorming van de procedure


1. Het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999 publiceert:




a.de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen;
b.de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken;
c.het koninklijk besluit van 25 maart 1999 tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.
2. Deze drie documenten waarvan de tekst het voorwerp uitmaakt van de bijlagen 1, 2 en 3, hervormen, elk wat hun aanbelangt, de inzake de belasting over de toegevoegde waarde toepasselijke procedure. De wet van 15 maart 1999 wijdt in het bijzonder veertien artikelen aan die hervorming. Die veertien artikelen spitsen zich in het kort toe op hetgeen volgt:

+ -----------------------------------------------------------------------+ ¦ Art. wet ¦ Art. Wetboek ¦ Inhoud ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 50 ¦ 62bis ¦ Bankonderzoeken ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 51 ¦ 74 § 4 ¦ Opheffing ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 52 ¦ 81 ¦ Vast vertrekpunt voor de oorspronkelijke ¦ ¦ ¦ ¦ verjaring van de vordering tot voldoening ¦ ¦ ¦ ¦ van de belasting ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 53 ¦ 81bis ¦ Nieuwe termijn van de oorspronkelijke ¦ ¦ ¦ ¦ verjaring van de vordering tot voldoening ¦ ¦ ¦ ¦ van de belasting ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 54 ¦ 82 ¦ Vast vertrekpunt voor de oorspronkelijke ¦ ¦ ¦ ¦ verjaring van de vordering tot teruggaaf ¦ ¦ ¦ ¦ van de belasting ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 55 ¦ 82bis ¦ Nieuwe termijn van de oorspronkelijke ¦ ¦ ¦ ¦ verjaring van de vordering tot teruggaaf ¦ ¦ ¦ ¦ van de belasting ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 56 ¦ 83 ¦ Daaropvolgende verjaringen van de ¦ ¦ ¦ ¦ vordering tot voldoening en van de ¦ ¦ ¦ ¦ vordering tot teruggaaf van de belasting ¦ ¦ ¦ ¦ en haar toebehoren ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 57 ¦ 84 ¦ Ministeriële bevoegdheid tot vermindering ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 58 ¦ 84ter ¦ Kennisgeving van vermoedens van ¦ ¦ ¦ ¦ belastingontduiking ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 59 ¦ 89 ¦ Nieuwe wijze van stuiting van de verjaring ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 60 ¦ 90 ¦ Opheffing ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 61 ¦ 92 ¦ Nieuwe consignatie in de loop van de ¦ ¦ ¦ ¦ procedure ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 62 ¦ 92bis ¦ Opschortende uitwerking van de termijnen en¦ ¦ ¦ ¦ verzet, hoger beroep en voorziening in ¦ ¦ ¦ ¦ cassatie ¦ ¦----------+---------------+--------------------------------------------¦ ¦ 63 ¦ 93 ¦ Wijze van indiening van voorziening in ¦ ¦ ¦ ¦ cassatie ¦ +-----------------------------------------------------------------------+ 3. Gezien de wet er niet anders heeft over beschikt, zijn die veertien artikelen gelijktijdig in werking getreden op 6 april 1999 (1). De toepassing van bepaalde artikelen vereist evenwel een bijzondere aandacht. Dit is gerechtvaardigd in de mate dat:

a. artikel 97, eerste lid, tweede streepje, van de voornoemde wet van 15 maart 1999 vermeldt dat "de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van toepassing zijn op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999";
b. artikel 97, zevende lid, van die wet van 15 maart 1999 bovendien voorziet dat "de artikelen 81 en 82 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals zij bestonden alvorens zij respectievelijk zijn gewijzigd door de artikel 52 en 54 van deze wet, van toepassing blijven op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf van de belasting, van de interesten en van de administratieve boeten die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999";
c. artikel 11, eerste lid, van de reeds genoemde wet van 23 maart 1999 tenslotte, bepaalt dat "de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels".
[(1) Tiende dag na de bekendmaking van de wet van 15 maart 1999 in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999].

4. Twee stelsels volgen in onderhavig geval elkaar dus op. Zij regelen de verjaring van de vordering tot voldoening en de vordering tot teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten:



a.het voorgaand stelsel bepaald door de artikelen 81 en 82, oud, van het BTW-Wetboek;
b.het huidig stelsel bepaald door de artikelen 81, 81bis, 82 en 82bis, nieuw, van dit Wetboek.
5. Die twee stelsels komen overeen - en bevestigen daarmee een verplicht vertrekpunt - om de verjaring van de vordering tot voldoening en de verjaring van de vordering tot teruggaaf van de belasting en haar toebehoren te laten starten vanaf de dag waarop die vorderingen ontstaan. Dit procédé is gemeenschappelijk aan de artikelen 81 en 82, oud en nieuw van het BTW-Wetboek (2).

[(2) De rechtsleer heeft bijwijlen gewezen op het feit dat het hier om een overbodige bepaling ging. Er wordt alsdan gepreciseerd dat een vordering niet begint te verjaren. De vordering is al dan niet verjaard. Aldus volstaat het te bepalen op welk tijdstip er verjaring is. Het bezwaar onderstreept, hoe het ook zij, de doorslaggevende rol van het begrip uitdovende verjaring alsook van de belangrijke weerslag van de artikelen van de wet die het bepalen van die termijn tot voorwerp hebben].

6. De twee stelsels staan daarentegen los van elkaar wat het bepalen van het eindpunt van die uitdovende verjaringen aangaat.



a.De artikelen 81 en 82, oud, van het BTW-Wetboek laten de twee vorderingen inderdaad verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag van hun ontstaan.
b. Artikel 81bis, nieuw, van dit Wetboek bepaalt van zijn kant, dat de vordering tot voldoening verjaart na het verstrijken van, naargelang het geval, het derde, het vijfde of het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
c. Artikel 82bis, nieuw, van hetzelfde Wetboek legt anderzijds de verjaring van de vordering tot teruggaaf vast na enkel en alleen het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.
7. De artikelen 81, 81bis, 82 en 82bis, nieuw, van het BTW-Wetboek zijn zonder enige twijfel gezamenlijk in werking getreden op 6 april 1999. Zonder enige twijfel eveneens de artikelen 81 en 82, oud, van dit Wetboek correlatief in voege gebleven tot en met 5 april 1999. Die volmaakte opeenvolging gehoorzaamt niettemin aan een algemene regel welke hier wordt verdrongen door de overgangsbepalingen opgenomen in artikel 97, zevende lid, van voornoemde wet van 15 maart 1999. Daar de oude en de nieuwe verjaringen zich bovendien fundamenteel onderscheiden van de bewoordingen die de wet hen respectievelijk heeft toegewezen, is er tenslotte geen bezwaar tegen de opsplitsing in de tijd van die verjaringen ingevolge die overgansbepaling. Aldus blijven de oude verjaringen, de lege lata, van toepassing op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf die zijn ontstaan vóór 1 januari 1999. De nieuwe verjaringen van hun kant worden toepasselijk op de vorderingen tot voldoening en de vorderingen tot teruggaaf waarvan het ontstaan zich voordoet na 31 december 1998.

8. Ingevolge eenzelfde gedachtengang, voortvloeiend uit artikel 97, eerste lid, tweede streepje, van de reeds vermelde wet van 15 maart 1999, zijn de wijzigingen voortgesproten uit de artikelen 56 en 58 tot 62 van deze wet van 15 maart 1999, van hun kant, van toepassing "op de belastingen, interesten en fiscale boeten wanneer de oorzaak van eisbaarheid zich heeft voorgedaan ten vroegste op 1 januari 1999".

9. Krachtens artikel 11, eerste lid, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, die eveneens op 6 april 1999 (3) in werking is getreden, worden "de gedingen die" op die datum "hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend", overigens vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.

[(3) Tiende dag na de bekendmaking van de wet van 23 maart 1999 in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999].

10. De hiernavolgende eerste commentaar houdt onder meer rekening met die preciseringen. Gezien de bezorgdheid klaarheid te scheppen, wordt in bijlage 4 van deze commentaar een vergelijking van de oude en de nieuwe tekst van elke betrokken fiscale bepaling gepubliceerd.

1. BANKONDERZOEKEN

(Wet van 15 maart 1999, artikel 50 - BTW-Wetboek, artikel 62bis)

11. De in artikel 62bis van het BTW-Wetboek voorziene bankonderzoeken die vanaf 1 januari 1971 worden georganiseerd en sinds die datum ononderbroken van kracht zijn, hebben altijd de uitdrukkelijke machtiging vereist van de directeur-generaal van de administratie die de belasting over de toegevoegde waarde onder zijn bevoegdheid heeft. Die onderzoeken zijn voortaan bovendien onderworpen aan de gezamenlijke toestemming van de administrateur-generaal van de belastingen en van de adjunct-administrateur-generaal van de belastingen. Die maatregel beantwoordt, essentieel, aan de volgende drie bekommernissen:



a.de betrokken personen de bijkomende waarborg bieden van een uiteindelijk in college genomen beslissing;
b.in voorkomend geval, de verwezenlijking van bankonderzoeken niettemin stimuleren, vermits de administrateur-generaal van de belastingen en de adjunct-administrateur-generaal van de belastingen juist tot taak hebben de strijd tegen de belastingfraude te coördineren;
c.terzake tegemoetkomingen aan artikel 318, tweede lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 dat zelf voortvloeit uit artikel 41 van het koninklijk besluit van 20 december 1996, houdende diverse fiscale maatregelen bij toepassing van artikelen 2, § 1, en 3, § 1, 2° en 3°, van de wet van 26 juli 1996 tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie (Belgisch Staatsblad van 31 december 1996, vierde uitgave).
Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing: vanaf 6 april 1999

2. "LE CRIMINEL TIENT LE CIVIL EN L'ETAT" (DE BURGERLIJKE RECHTER EERBIEDIGT DE STRAFRECHTELIJKE UITSPRAKEN)

(Wet van 15 maart 1999, artikel 51 - BTW-Wetboek, artikel 74, § 4)

12. Ingeval de burgerlijke vordering en de strafvordering om reden van dezelfde feiten zijn ingeleid, verzet de voorrang van de strafvordering, welke door het absoluut gezag aan de strafvonnissen wordt verleend, er zich in principe tegen dat de strafrechtelijke jurisdictie wordt tegengesproken. Daarom is de burgerlijke rechtbank gehouden haar uitspraak op de schorten tot wanneer het vonnis inzake de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Dit wordt uitgedrukt in het adagium: "le criminel tient le civil en l'état"(4).

[(4) Ter herinnering, adagium ingevoerd door artikel 4 van de wet van 17 april 1878 dat de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering bevat (Belgisch Staatsblad van 25 april 1878): "De burgerlijke rechtsvordering kan terzelfder tijd en voor dezelfde rechters vervolgd worden als de strafvordering. Zij kan ook afzonderlijk vervolgd worden; in dat geval is zij geschorst zolang niet definitief is beslist over de strafvordering die vóór of gedurende de burgerlijke rechtsvordering is ingesteld"].

13. Op het ogenblik van de inwerkingstelling van de belasting over de toegevoegde waarde, is het evenwel opportuun gebleken, teneinde de rechten van de schuldenaar van de belasting zo goed mogelijk te vrijwaren en tegelijkertijd de belangen van de Schatkist veilig te stellen, in de mate van het mogelijke, de onafhankelijkheid te bewaren van de fiscale vordering waarover de burgerlijke rechtbanken in dit geval dienen te beslissen. De oplossing die destijds weerhouden werd, bestemde dus het fiscaal geschil eigenlijk voor de burgerlijke rechtbanken. De rechter bij wie de strafvordering aanhangig was gemaakt, kon, zo niet moest, voor zover die stap hem consequent leek, de uitspraak opschorten tot de burgerlijke rechter definitief uitgesproken had (5). Die oplossing, waardoor de fiscale rechter eigenlijk voorrang had op de strafrechter, heeft tenslotte het voorwerp uitgemaakt van artikel 74, § 4, van het BTW-Wetboek.

[(5) Memorie van toelichting op artikel 74 van het ontwerp dat later de wet is geworden van 3 juli 1969, tot invoering van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (Parl. stuk, Kamer, 1968, nr. 88/1, blz. 66)].

14. De opheffing van dit artikel 74, § 4 houdt een terugkeer in naar meer orthodoxie. De oorspronkelijke hiërarchie van de normen werd in ere hersteld. Het adagium "le criminel tient le civil en l'état" blijft als enige bestaan.

Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

vanaf 6 april 1999, waarbij evenwel dient te worden gesteld dat de tot op die dag hangende gedingen tot hun afsluiting, onderworpen blijven aan de regels van toepassing vóór 1 maart 1999. (zie nr. 9, hiervoor)

3. OORSPRONKELIJKE VERJARING VAN DE VORDERING TOT VOLDOENING VAN DE BELASTING, DE INTERESTEN EN DE ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN

(Wet van 15 maart 1999, artikelen 52, 53 en 58 - BTW-Wetboek, artikelen 81, 81bis en 84ter)

15. Met het oog op het in de kiem smoren van de belastingfraude, streeft de aangegane hervorming in het bijzonder naar het instellen van een controle van het omzetcijfer dat gezamenlijk en zonder enige beperking wordt verricht door de ambtenaren afkomstig van de Administratie der Directe Belastingen en van de ambtenaren afkomstig van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen. Dit heeft op zijn minst een gezamenlijke actie, onderworpen aan dezelfde termijnen, tot gevolg. Daarom maken de nieuwe bepalingen, in het begin, het onderscheid tussen de oorzaak van opeisbaarheid en het ontstaan van de vordering tot voldoening van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten.

16. De oorzaak van opeisbaarheid van de belasting duidt, naargelang het geval, de feiten aan welke worden bepaald door:



a. artikel 17, § 1, van het BTW-Wetboek (leveringen van goederen in het binnenland);
b. artikel 25septies van dit Wetboek (intracommunautaire verwervingen van goederen);
c. artikel 24 van hetzelfde Wetboek (invoer van goederen);
d. artikel 22 van genoemd Wetboek (dienstverrichtingen).
17. De vordering tot voldoening van de belasting van haar kant ontstaat, onder andere:



a.bij het verstrijken van de termijn voor de indiening van de aangifte waarin de ontdoken belasting had moeten zijn opgenomen;
b.zo geen aangifte moest worden ingediend, de dag waarop de BTW is verschuldigd;
c.in de andere gevallen, gebeurlijk, bij het verstrijken van de termijn waarbinnen aan de verplichting moest worden voldaan, zo niet op de dag waarop de overtreding werd begaan.
Structuur van de oorspronkelijke verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting en haar toebehoren.

18. In eerste instantie leggen de nieuwe bepalingen, zoals dat trouwens ook vroeger het geval was, het vertrekpunt van de uitdovende verjaring vast op de dag waarop de vordering tot voldoening van de belasting ontstaat. Om iedere dubbelzinnigheid te vermijden wordt deze precisering in herinnering gebracht door artikel 52 van de wet, artikel 81, nieuw, van het BTW-Wetboek.

19. Vervolgens, gebruikmakend van de vrijheid die terzake zowel door het burgerlijk recht als door de 6de BTW-richtlijn wordt gelaten, wordt het eindpunt van de oorspronkelijke verjaringstermijn afzonderlijk berekend uitgaande van het belastbaar feit of vanaf de subsidiaire oorzaak van de opeisbaarheid van de belasting. Zoals in de artikelen 354, eerste lid, 354, tweede lid en 358 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992, bepaalt artikel 53 van de wet, artikel 81bis, nieuw, van het BTW-Wetboek, die termijn, naargelang het geval, bij het verstrijken van het derde, het vijfde of het zevende kalenderjaar dat volgt op het jaar waarin het belastbaar feit of de subsidiaire oorzaak van opeisbaarheid van de belasting zich heeft voorgedaan.


20. Voorbeeld


Er worden twee leveringen van goederen gedaan, binnen de toepassingsvoorwaarden van artikel 2 van het BTW-Wetboek, telkens met een verzwijging ten belope van de helft van de prijs.

Bij wijze van veronderstelling wordt aangenomen dat de ene levering verricht werd op 15 januari 2000, de andere op 15 december 2000 en tevens dat beide leveringen gedaan zijn met toepassing van de nieuwe bepalingen en door dezelfde belastingplichtige die periodieke trimestriële aangiften moet indienen.

Voor de eerste inbreuk begint de oorspronkelijke verjaringstermijn te lopen vanaf 20 april 2000 en treedt de verjaring in op 31 december 2003, 31 december 2005 of 31 december 2005 of 31 december 2007, naargelang het geval.

De oorspronkelijke verjaringstermijn waartoe de tweede inbreuk aanleiding geeft, begint op zijn beurt te lopen vanaf 20 januari 2001 waarbij de verjaring intreedt op 31 december 2003, 31 december 2005 of 31 december 2007, naargelang het geval.

In de twee veronderstellingen zal de oorspronkelijke verjaring bijgevolg verworven zijn op 1 januari 2004, 1 januari 2006 of 1 januari 2008, al naargelang het geval.

Progressieve termijnen van de oorspronkelijke verjaringstermijn van de vordering tot voldoening van de belasting en haar toebehoren.

21. Waar de termijn van de drie jaar voortaan de regel is, behoort een oorspronkelijke verjaringstermijn van vijf jaar toch tot de mogelijkheden. Deze termijn van vijf jaar zal, bij wijze van afwijking, van toepassing zijn in geval van een overtreding begaan "met bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden".



a.Die uitdrukking wordt verkozen boven de omschrijving "met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan door derden mogelijk te maken" die vroeger gebruikt werd in de Wetboeken van indirecte belastingen en die nu nog voorkomt in artikel 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele administratieve geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde (Belgisch Staatsblad van 7 februari 1987).
b.Nog afgezien van het feit dat de bepaling die van toepassing is op de inkomstenbelastingen gelijkluidend is, wordt die keuze verantwoord door het feit dat die uitdrukking een gepaste omschrijving is "die ongeveer een eeuw de proef van de praktijk heeft doorstaan".
c.Bovendien bestaat er een overvloedige rechtspraak over de draagwijdte ervan. Zij "laat dus aan de rechter een zeer ruime appreciatie" (Verslag van 24 oktober 1961, van de Commissie voor de studie van de strafrechtelijke beteugeling van de belastingontduiking, voorgezeten door de heer Walter Ganshof van der Meersch, advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie, Parl. stuk, Kamer, 1961-1962, nr. 264/1, bijlage II, nr. 27, blz. 9).



22. Aldus wordt er aangenomen dat er:




a."bedrieglijk opzet" bestaat, wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van een gemeenschap;
b."oogmerk om te schaden" is, wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.
23. Vermits de overgang van de drie- naar de vijfjarige verjaringstermijn enkel de vervulling van één van die voorwaarden vereist, is het niet noodzakelijk dat de overtreder terzelder tijd zou gehandeld hebben met bedrieglijk opzet en met het oogmerk om te schaden, opdat de vijfjarige termijn van toepassing zou zijn. Eén van die bedoelingen volstaat daartoe.



a.Het zal er hier vooral op aankomen te bewijzen dat een handeling "met bedrieglijk opzet" werd gesteld, vermits het beoogde onrechtmatige voordeel in de meeste gevallen de ontduiking van de belastingen zal zijn.
b.De twee begrippen zijn bovendien voldoende ruim om elk bedrieglijk voornemen om de belastingwet te overtreden te omvatten.
c.Anderzijds heeft de vereiste van bedrieglijk opzet tot gevolg dat overtredingen die het resultaat zijn van loutere nalatigheid, materiële vergissing of te goeder trouw begane onregelmatigheden, worden uitgesloten.
24. Volgens de gevestigde rechtspraak inzake inkomstenbelastingen is het niet vereist dat de Administratie een absoluut bewijs in handen heeft van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden; het volstaat dat zij beschikt over ernstige vermoedens die toelaten te veronderstellen dat er sprake is van dat opzet of dat oogmerk. De toepassing van de termijn van vijf jaar in plaats van die van drie jaar is dus onder meer gevestigd wanneer:



a.de Administratie bij een controle, uitgevoerd binnen de termijn van drie jaar, onregelmatige praktijken vaststelt waarvan zij kan vermoeden dat die al voorheen werden toegepast;
b.inlichtingen afkomstig van andere belastingadministraties, van andere openbare diensten of van derden, ernstige vermoedens opleveren van kennelijke fraude;
c.inlichtingen die een aanwijzing van een dergelijke fraude bevatten werden bekomen van een andere Lid-Staat van de Europese Unie of van een derde land, in het kader van de bijstand waarin de communautaire regelgeving of een verdrag tot vermijding van dubbele belasting voorziet.
25. In navolging van de rechtspraak in het kader van de inkomstenbelastingen, zal de verjaringstermijn van zeven jaar van toepassing zijn wanneer de overtreding aan het licht wordt gebracht ten gevolge van:



a.een rechtsvordering;
b.bewijskrachtige gegevens, sterker dan aanwijzingen, die met name afkomstig zijn van een andere belastingadministratie van het Rijk;
c.een inlichting, een onderzoek gevoerd door of gevraagd door of een controle gedaan door of gevraagd door een andere Lidstaat van de Europese Unie of van een land dat niet tot de Unie behoort.
26. Deze derde mogelijke verjaringstermijn vindt zijn verantwoording in de noodzaak van een efficiënte toepassing van:

  • de verdragen tot vermijding van dubbele belasting;
  • de Richtlijn van de Raad van 15 maart 1976, nr. 76/308/EEG betreffende de wederzijdse bijstand inzake de vordering van schuldvorderingen die voortvloeien uit verrichtingen die deel uitmaken van het financieringsstelsel van het Europese Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw, alsmede van landbouwheffingen en douanerechten evenals schuldvorderingen uit hoofde van de belasting over de toegevoegde waarde (PB nr. L 73, van 19 maart 1976), zoals gewijzigd door de Richtlijn van de Raad van 6 deember 1979, nr. 79/1071/EEG (PB nr. L 331, van 27 december 1979);
  • de Richtlijn nr. 77/799/EEG van de Raad van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten op het gebied van de directe en de indirecte belastingen (PB nr. L 336, van 27 december 1977), zoals gewijzigd door de richtlijn nr. 79/1070/EEG van de Raad van 6 december 1979 (PB nr. L 331 van 27 december 1979) en door de Richtlijn nr. 92/12/EEG van de Raad van 25 februari 1992, betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben en het verkeer van deze producten en de controle daarop (PB nr. L 76, van 23 maart 1992).
  • de verordening nr. EEG/218/92 van de Raad van 27 januari 1992 betreffende de administratieve samenwerking op het vlak van de indirecte belastingen (BTW) (PB nr. L 24 van 1 februari 1992).
Vereiste waarborg voor de overgang van de termijn van drie jaar naar de termijn van vijf jaar.

27. Met het oog op een optimale rechtszekerheid, beveelt artikel 58 van de wet, artikel 84ter, nieuw, van het BTW-Wetboek, aan de Administratie, wanneer zij voornemens is om van een verjaringstermijn van drie jaar naar een verjaringstermijn van vijf jaar over te gaan, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennis te geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

De verjaring geregeld door artikel 81, oud, van het BTW-Wetboek blijft van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de vordering tot voldoending is ontstaan vóór 1 januari 1999.

De verjaring welke wordt geregeld door de artikelen 81 en 81bis, nieuw, van dit Wetboek, wordt van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de vordering tot voldoening ontstaat na 31 december 1998. (zie nr. 7, hiervoor)

De vereiste kennisgeving in het geval van de overgang, onder het stelsel van de nieuwe verjaring, van de termijn van drie jaar naar de termijn van vijf jaar, is vanaf 6 april 1999 van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de oorzaak van opeisbaarheid zich voordoet na 31 december 1998. (zie nr. 8, hiervoor)

4. OORSPRONKELIJKE VERJARING VAN DE VORDERING TOT TERUGGAAF VAN DE BELASTING, DE INTERESTEN EN DE ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN

(Wet van 15 maart 1999, artikelen 54 en 55 - BTW-Wetboek, artikelen 82 en 82bis)

28. De oorzaak van teruggaaf van de belasting duidt, naargelang het geval, de feiten aan welke worden bepaald door:



a. artikel 76, § 1, van het BTW-Wetboek (bedrag van de aftrekbare belasting dat het bedrag van de verschuldigde belasting overtreft);
b. artikel 77, § 1, van dit BTW-Wetboek (teruggaaf m.b.t. de leveringen van goederen in het binnenland, de intracommunautaire verwervingen van goederen en de dienstverrichtingen);
c. artikel 77, § 1bis, van hetzelfde Wetboek (teruggaaf bij invoer van goederen).
29. De vordering tot teruggaaf van de belasting ontstaat van haar kant, naargelang het geval:



a.op de datum van de afgifte van de aangifte waaruit het teveel aan aftrekbare belasting t.o.v. de verschuldigde belasting blijkt;
b.bij het verstrijken van de termijn vastgelegd voor het indienen van de aangifte met betrekking tot de periode waarin de oorzaak van teruggaaf zich heeft voorgedaan;
c.zo geen enkele aangifte moet worden ingediend, op de datum waarop blijkt dat de schuldvordering van de rechthebbende definitief vaststaat (BTW-Handleiding, bijgewerkt op 1 januari 1996, nrs. 541 en 542, blz. 1133-1136).
30. De evolutie van de teksten met betrekking tot onderhavige materie laat overigens zijn voorkeur blijken voor een eenvormige berekening van de termijnen van toepassing op zowel de vordering tot voldoening als op de vordering tot teruggaaf van de belasting en haar toebehoren.



a.Daarom werd in de nieuwe bepalingen geopteerd om de enige termijn van de oorspronkelijke verjaring van de vordering tot teruggaaf van de belasting in overeenstemming te brengen met de termijn van de verjaring die, over het algemeen, van toepassing is op de vordering tot voldoening van die belasting.
b.Met het oog hierop bepaalt artikel 54 van de wet, artikel 82, nieuw, van het BTW-Wetboek, vooreerst het vertrekpunt van de vordering tot teruggaaf van de belasting op de dag waarop die vordering ontstaat.
c. Artikel 55 van de wet, artikel 82bis, nieuw, van hetzelfde Wetboek, preciseert vervolgens dat er voortaan verjaring is van deze vordering na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, zich heeft voorgedaan.
31. Onverminderd de vijf- en de vijftienjarige herziening waaraan respectievelijk roerende en onroerende bedrijfsmiddelen onderworpen zijn in uitvoering van artikel 20, § 2, eerste en derde lid, van de 6de BTW-richtlijn, stelt zich niettemin het probleem van de begrenzing van uitoefening van het recht op aftrek van de voorbelasting. Er wordt aan herinnerd dat deze vordering nu kan uitgeoefend worden:



a.uiteraard, door toerekening op het totaal van de opeisbare belastingen voor een aangifteperiode, van het totaal van de belastingen waarvoor het recht op aftrek onstaan is in de loop van dezelfde periode (artikel 4, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969, met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde);
b.op eigen initiatief, binnen de twee jaar die volgen op het ontstaan van het betreffende recht (koninklijk besluit nr. 3, artikel 4, § 1, tweede lid);
c.mits uitdrukkelijke toelating van de betrokken ambtenaar, binnen de vijf jaar die volgen op het ontstaan van het recht (koninklijk besluit nr. 3, artikel 4, § 2).
32. Die omstandigheid heeft, m.a.w., onbetwistbaar tot gevolg dat het tijdperk waarin dit recht kan worden uitgeoefend voortaan wordt teruggebracht tot drie jaar, beperking die geldt, naast de vordering tot teruggaaf, vooral voor de vordering tot voldoening van de belasting en de eraan voorafgaande controlemogelijkheid. Zulks kan gerealiseerd worden door een wijziging in die zin van artikel 4 van het voornoemd koninklijk besluit nr. 3.

Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

De verjaring geregeld door artikel 82, oud, van het BTW-Wetboek blijft van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de vordering tot teruggaaf ontstaat vóór 1 januari 1999.

De verjaring die wordt geregeld door de artikelen 82 en 82bis, nieuw, van dit Wetboek, wordt van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de vordering tot teruggaaf ontstaat na 31 december 1998. (zie nr. 7, hiervoor)

5. DE DAAROPVOLGENDE VERJARINGEN VAN DE VORDERING TOT VOLDOENING EN VAN DE VORDERING TOT TERUGGAAF VAN DE BELASTING, DE INTERESTEN EN DE ADMINISTRATIEVE GELDBOETEN.

(Wet van 15 maart 1999, artikelen 56, 59 en 60 - BTW-Wetboek, artikelen 83, 89 en 90)

33. De oorspronkelijke verjaringen, zowel voor de voldoening als voor de teruggaaf van de belasting, de interesten en de administratieve geldboeten, worden voortaan gestuit:



a.op de wijze en onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek (BTW-Wetboek, artikel 83, § 1, eerste lid, nieuw);
b.door de verzaking aan de verstreken tijd van de verjaring (BTW-Wetboek, artikel 83, § 2, nieuw);
c.alsook door de kennisgeving (BTW-Wetboek, artikel 83, § 2, nieuw) of door de betekening (BTW-Wetboek, artikel 85, § 3) van het dwangbevel bepaald in artikel 85, § 1, van het Wetboek.
34. De aldus tot stand gebrachte stuiting van de oorspronkelijke verjaring doet een niewe verjaringstermijn lopen. De nieuwe verjaring, die gestuit kan worden op dezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden, wordt, in afwezigheid van enige andere stuitingsdaad, bereikt na verloop van vijf jaar te rekenen vanaf de handeling waarbij de oorspronkelijke verjaring werd gestuit, mits er ondertussen geen rechtsgeding werd ingeleid.



a.Overeenkomstig het gemene recht, kan dit geding voortaan aanhangig worden gemaakt bij dagvaarding tot verschijning, bij eenzijdig of tegensprekelijk verzoekschrift alsook bij vrijwillige verschijning.
b.Zo de Administratie zich dan beroept op een uitvoerbare titel, zal de rechtsvordering, in voorkomend geval, de vorm kunnen aannemen van een verzet tegen de uitvoering van die titel. (Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1 en 1342/1, blz. 21)
c.Het systematisch beroep doen op het gemene recht maakt anderzijds de bepaling die tot op heden in artikel 90 van het BTW-Wetboek was opgenomen, overbodig.
35. Het is belangrijk te preciseren dat voortaan ieder rechtsgeding aangaande de toepassing of de invordering van de belasting, dat ingeleid wordt door de Staat, door de BTW-belastingplichtige of ieder ander persoon die gehouden is tot het betalen van de schuld, voortaan de verjaringstermijn schorst. De schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.

Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

De hier besproken bepalingen zijn vanaf 6 april 1999 van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de oorzaak van opeisbaarheid zich voordoet na 31 december 1998. (zie nr. 8, hiervoor)

De op 6 april 1999 hangende gedingen blijven bovendien, tot op het afsluiten ervan, onderworpen aan de regels van toepassing vóór 1 maart 1999. (zie nr. 9, hiervoor)

6. MINISTERIELE BEVOEGDHEID TOT VERMINDERING

(Wet van 15 maart 1999, artikel 57 - BTW-Wetboek, artikel 84).

36. Een discussie is inderdaad ontstaan nopens de opportuniteit om de bevoegdheid die artikel 84, tweede lid, van het BTW-Wetboek toekent aan de Minister van Financiën om te beslissen "over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten" over te dragen naar de recherlijke macht. Aanvankelijk had dan ook deze overdracht van bevoegdheid moeten plaatsvinden. (Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1 en 1342/1, blz. 10) Het is evenwel nadien vlug duidelijk geworden in welke mate de tussenkomst van de rechterlijke macht in onderhavig geval te zwaar zou blijken te zijn. (Parl. stuk, Kamer, 1998-1999, nr. 966/11, blz. 174) Daarom werd uiteindelijk beslist dat de Minister van Financiën die bevoegdheid bleef behouden. ( Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/23, blz. 18)

37. Met andere woorden, het weglaten in artikel 84, tweede lid, van het BTW-Wetboek van de woorden "beslist ook over verzoeken om kwijtschelding van administratieve geldboeten en" leidt er niet toe de Minister van Financiën elke bevoegdheid terzake te ontnemen. Artikel 9 van het organiek besluit van 18 maart 1831 van de Administratie van financiën (Officieel Bulletin, nr. XXVI) blijft inderdaad van toepassing en bepaalt dat de Minister van Financiën "statue sur les réclamations ayant pour objet la remise d'amendes et d'augmentations de droits à titre d'amendes, autres que celles prononcées par le juge, et arrête les transactions entre l'administration et les contribuables, dans les cas où elles sont autorisées par les lois" (de Minister van Financiën beslist over de bezwaren die de kwijtschelding van alle boeten en de vermeerdering van rechten als geldboeten tot voorwerp hebben - andere dan die waarover de rechter heeft gevonnist - en treft dadingen tussen de Administratie en de belastingplichtigen in de gevallen waarin die door de wetten worden toegestaan).

Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

vanaf 6 april 1999, met dit voorbehoud evenwel dat de op die datum hangende gedingen, tot op het afsluiten ervan, onderworpen blijven aan de regels die van toepassing waren vóór 1 maart 1999. (zie nr. 9, hiervoor)

7. WIJZIGINGEN AAN HET GERECHTELIJK WETBOEK

(Wet van 23 maart 1999, artikelen 2, 4, 6, 7, 8 en 9 - Gerechtelijk Wetboek, artikelen 42, 1°, 569, eerste lid, 617, 632, 705, eerste lid, 728, 1385decies en 1385undecies - Koninklijk besluit van 25 maart 1999)

38. De memorie van toelichting van het wetsontwerp toont aan dat de bedoeling van de wetgever erin bestond "om in het belang van alle belastingplichtigen te voorzien in een werkelijk gemeen fiscaal procesrecht, dat geldt voor alle belastingen. (Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1 en 1342/1, blz. 4) Daarom werd artikel 569, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek vervolledigd op zodanige wijze dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt "van geschillen over de toepassing van een belastingwet".



a.Het begrip "belastingwet moet in de materiële betekenis worden verstaan, dus als elk algemeen verbindend fiscaal voorschrift, het weze een federale wet, een decreet, een ordonnantie of een verordening". (Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1 n 1342/1, blz. 35)
b.De memorie van toelichting verduidelijkt: "het gebruik van de notie "geschillen over de toepassing van een belastingwet" als criterium van de volstrekte bevoegdheid heeft" onder andere "tot gevolg dat de rechterlijke macht uitspraak zal kunnen doen over de wettelijkheid van om het even welke individuele toepassing van een belastingnorm. Sommige individuele fiscale rechtshandelingen... konden tot dusver, bij gebrek aan bijzondere bevoegdheid van de rechterlijke macht, slechts bij de Raad van State worden aangevochten". (Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1 en 1342/2, blz. 35)
c.Dit betekent daarenboven dat de vrederechter geen kennis meer zal nemen, zoals voorheen, van de vorderingen waarvan het bedrag de 75.000 BEF (Gerechtelijk Wetboek, artikel 590) niet te boven gaat. Het nieuwe artikel 617 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt bovendien dat "de door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de aanpassing van een belastingwet, ... steeds vatbaar (zijn) voor hoger beroep". Het gaat hier om een afwijking van het principe volgens hetwelk de vonnissen van de rechtbank van eerste aanleg waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering waarvan het bedrag 75.000 BEF niet overschrijdt, in laatste aanleg worden gewezen. (Gerechtelijk Wetboek, artikel 577)
39. De bedoeling van de wetgever was echter niet om alle rechtbanken van eerste aanleg bevoegd te maken in fiscale zaken, maar de behandeling van de fiscale geschillen te centraliseren bij een beperkt aantal rechtbanken, zodat gespecialiseerde kamers er kunnen worden samengesteld. (Parl. stuk, Kamer, 1997-1998, nr. 1341/1 en 1342/1, blz. 4) Aanvankelijk was er sprake van om slechts aan de rechtbanken van eerste aanleg die zitting houden ter zetel van een Hof van beroep een bevoegdheid in fiscale zaken toe te kennen, dat wil zeggen aan de rechtbanken van eerste aanleg van:

  • Brussel;
  • Antwerpen;
  • Gent;
  • Luik;
  • Bergen.


40.Op deze regel werden evenwel twee uitzonderingen voorzien:
a.de eerste van deze afwijkingen verklaart enkel de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd wanneer de procedure in het Duits wordt gevoerd, (Gerechtelijk Wetboek, artikel 632, nieuw, eerste lid, in fine)
b.voor wat betreft de tweede afwijking, heeft het parlement een amendement aangenomen zodat de Koning "andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van Beroep (kan) aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Hij bepaalt het gebied waarbinnen de rechter territoriaal bevoegd is". (Gerechtelijk Wetboek, artikel 632, nieuw, tweede lid)
41. Het Koninklijk besluit van 25 maart 1999, dat de uitvoering van dit tweede amendement regelt, voorziet de bevoegdheid van de rechtbank van eerste aanleg van:

  • Aarlen, voor de provincie Luxemburg;
  • Brugge, voor de provincie West-Vlaanderen;
  • Hasselt, voor de provincie Limburg;
  • Leuven, voor de provincie Vlaams-Brabant;
  • Namen, voor de provincie Namen;
  • Nijvel, voor de provincie Waals-Brabant.
42. Artikel 632, eerste lid, nieuw, van het Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dienaangaande, dat de territoriaal bevoegde rechtbank diegene is in wiens rechtsgebied:



a."het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd;
of



b."indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, ... de belastingdienst die de bestreden beschikking heeft getroffen".
43. De wet van 23 maart 1999 bepaalt geen termijn binnen dewelke de vordering moet worden ingesteld, tenzij in het geval waarin door of krachtens de wet een voorafgaand administratief beroep is georganiseerd. Het feit dat het administratief beroep inzake belasting over de toegevoegde waarde aan dergelijke organisatie "door of krachtens de wet" (Gerechtelijk Wetboek, artikel 1385undecies, nieuw) blijft ontsnappen, laat in de praktijk, aan de verzoeker de mogelijkheid zijn vordering op elk geschikt ogenblik in te stellen.



a.Ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak, maakte deze vordering onder andere het voorwerp uit van artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek. "Op straffe van nietigheid wordt" overeenkomstig artikel 1385decies, derde lid, van hetzelfde wetboek "bij elk exemplaar van het verzoekschrift of van de dagvaarding een afschrift van de bestreden beslissing gevoegd".
b.Het verzoekschrift met zijn bijlage wordt, in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn, bij aangetekende brief gezonden aan de griffier van het gerecht of ter griffie neergelegd. (Gerechtelijk Wetboek, artikel 1034quinquies)
c.De partijen worden door de griffier bij gerechtsbrief opgeroepen om te verschijnen op de zitting die de rechter bepaalt. (Gerechtelijk Wetboek, artikel 1034sexies)
44. Krachtens artikel 42, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek, worden de betekeningen aan de Staat gedaan "op het Kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen". Deze precisering wordt trouwens herhaald in artikel 705, eerste lid van hetzelfde Wetboek dat de gedinginleidende akten vastlegt. Wegens de opheffing van het bijzonder procesrecht in de fiscale Wetboeken, moeten alle betekeningen en kennisgevingen in fiscale zaken voortaan aan het Kabinet van de Minister van Financiën worden gedaan. Om klaarblijkelijk administratief organisatorische redenen werd deze bepaling zodanig aangevuld teneinde de Minister van Financiën de mogelijkheid te geven een ambtenaar aan te duiden op wiens kantoor de betekeningen en de kennisgevingen op een geldige wijze kunnen worden gedaan.

45. Artikel 728, § 2bis, nieuw, van het Gerechtelijk Wetboek, stelt de rechter tenslotte in staat "de door de belastingplichtige gekozen accountant, beroepsboekhouder of bedrijfsrevisor" te horen in zijn schriftelijke of mondelinge commentaar ter terechtzitting.



a.De rechter beoordeelt de opportuniteit van dergelijke tussenkomst, die uitdrukkelijk moet worden gevraagd door de belastingplichtige of zijn advocaat.
b.Kan enkel worden gehoord "de persoon die zich gewoonlijk bezighoudt met de boekhouding van de belastingplichtige of die heeft meegewerkt aan het opstellen van de betwiste belastingaangifte of die de belastingplichtige heeft bijgestaan in de administratieve bezwaarprocedure".
c.De raadpleging kan slechts betrekking hebben op feiten of op rechtsvragen in verband met de toepassing van het boekhoudrecht.
Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

vanaf 6 april 1999, niettemin onder dit voorbehoud dat de tot op deze datum hangende gedingen tot op het afsluiten ervan, onderworpen blijven aan de regels van toepassing vóór 1 maart 1999. (zie nr. 9, hiervoor)

8. BEROEP EN VOORZIENING IN CASSATIE

(Wet van 15 maart 1999, artikelen 62 en 63 - BTW-Wetboek, artikelen 92bis en 93)

46. Het vervangen van artikel 93 van het BTW-Wetboek door een exogene bepaling betekent, in eerste instantie, het prijsgeven van de waarborgen waarover de Administratie tot op het ogenblik met betrekking tot de mogelijkheid van voorwaardelijke vermindering van de administratieve geldboeten beschikte. Het invoegen van een artikel 92bis en het opstellen van het artikel 93, nieuw, is voor het overige vernieuwend voor de uitoefening van de rechtsmiddelen.

47. De betekening of de kennisgeving van een handeling in beroep heeft in de regel een opschortende werking, een relatieve werking en een devolutieve werking. In sommige gevallen blijken de termijnen van hoger beroep zelfs op zichzelf opschortend te zijn. De buitengewone rechtsmiddelen, de voorziening in cassatie en de termijn om de voorziening in te stellen hebben daarentegen niet tot gevolg, behalve in de gevallen door de wet voorzien, de uitvoerbare kracht van de betwiste beslissing op te schorten.

48. Teneinde het fiscaal recht te behoeden van de onderscheiden die het gemene recht op die manier maakt, bepaalt artikel 92bis, nieuw, van het BTW-Wetboek dat de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing waarop zij betrekking hebben, schorsen.

49. Artikel 93 van dit Wetboek bepaalt, anderzijds, dat de voorziening in cassatie bij verzoekschrift wordt ingediend welke, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Het verzoekschrift mag voor de eiser door een advocaat ondertekend en neergelegd worden. Deze laatste dient, in onderhavig geval, niet noodzakelijk deel uit te maken van de balie van het Hof van Cassatie.

Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

Artikel 92bis, nieuw, van het BTW-Wetboek is te rekenen vanaf 6 april 1999 van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de oorzaak van opeisbaarheid zich voordoet na 31 december 1998. (zie nr. 8, hiervoor)

Artikel 93, nieuw, van dit Wetboek is specifiek van toepassing vanaf 6 april 1999.

De op die datum hangende gedingen worden bovendien, tot op het afsluiten ervan, verder gezet overeenkomstig de regels van toepassing vóór 1 maart 1999. (zie nr. 9, hiervoor)

9. CONSIGNATIE IN DE LOOP VAN DE PROCEDURE

(Wet van 15 maart 1999, artikel 61 - BTW-Wetboek, artikel 92)

50. In zijn oorspronkelijke redactie, onaangeroerd gebleven tot voor kort, voorzag artikel 92 van het BTW-Wetboek, in twee onderscheiden leden, in twee mogelijkheden voor de Administratie om in de loop van de procedure zekerheden te verkrijgen vanwege de belastingschuldige:



a.in eerste aanleg, als gevolg van het verzet tegen het dwangbevel, kon de Administratie de rechtbank, in kortgeding, verzoeken de belastingschuldige te veroordelen tot een provisionele storting, een consignatie of een borgtocht (eerste lid);
b.in beroep, als gevolg van de afwijzing van het verzet tegen het dwangbevel, kon de ontvanger, op straffe van niet-ontvankelijkheid van het beroep, de consignatie eisen, binnen twee maanden, van de verschuldigde bedragen (tweede lid).
51. Artikel 61 van de voornoemde wet van 15 maart 1999 heeft deze constructie met de grond gelijk gemaakt. Voortaan beschikt de Administratie niet meer over de mogelijkheid in eerste aanleg een zekerheid te verkrijgen. Dit middel wordt pas in beroep aan de Administratie verleend.

52. In dit stadium van de procedure, kan de betrokken ontvanger van de BTW zich baserend op de concrete gegevens van het dossier, met inbegrip van de financiële toestand van de schuldenaar, voortaan deze laatste kennisgeven van een verzoek tot het in consignatie geven van het geheel of een gedeelte van de verschuldigde bedragen. Aan de schuldenaar kan worden toegestaan dat die consignatie wordt vervangen door een zakelijke of persoonlijke zekerheid. De gevorderde bedragen dienen in consignatie te worden gegeven of de zekerheid dient te worden gevestigd binnen twee maanden vanaf de kennisgeving.

53. Aan de schuldenaar wordt evenwel de mogelijkheid geboden, vooraleer die termijn van twee maanden verstrijkt, de gegrondheid van het hem door de ontvanger ter kennisgeving toegestuurd verzoek te betwisten. Die betwisting neemt dan de vorm aan van een met redenen omkleed verzoekschrift voor de rechter in hoger beroep.

54. Deze laatste beschikt, vanaf het verstrijken van de termijn van twee maanden toegestaan voor de consignatie of voor het aanleggen van het geschil, over een termijn van drie maanden om uitspraak te doen over het verzoekschrift dat de schuldenaar aanhangig heeft gemaakt. Die termijn van drie maanden wordt eveneens aan de rechter toegestaan om, in voorkomend geval, het verzoekschrift zelf onontvankelijk te verklaren bij gebrek aan het in consignatie geven van de bedragen of het vestigen van de zekerheid binnen de twee oorspronkelijke toegestane maanden.

55. Rechtstreeks ingegeven door de arresten nr. 73/92, nr. 43/93, nr. 44/95 en nr. 75/95 die het Arbitragehof respectievelijk op 18 november 1992, 10 juni 1993, 6 juni 1995 en 9 november 1995 heeft uitgesproken (Belgisch Staatsblad van 16 januari 1993, 3 juli 1993, 26 augustus 1995 en 1 december 1995), komen die nieuwe bepalingen, wat de essentie betreft, voort uit het volgend drievoudig besluit:



a.het in stand houden van het tegengewicht dat de consignatie van de geëiste sommen vormt tegenover de vertragende maatregelen van de in gebreke blijvende belastingschuldige;
b.het vooropstellen, de lege lata, van het principe van de discretionaire bevoegdheid van de bevoegde ambtenaar om deze consignatie te vragen;
c.het, evenzo, stoelen van de uitoefening van deze bevoegdheid op het respect voor de concrete gegevens van het dossier, de financiële situatie van de belastingschuldige inbegrepen.
Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing:

De nieuwe bepaling is vanaf 6 april 1999 van toepassing op de belastingen, de interesten en de administratieve geldboeten waarvoor de oorzaak van opeisbaarheid zich voordoet na 31 december 1998. (zie nr. 8, hiervoor)

De op 6 april 1999 hangende gedingen blijven overigens, tot op het afsluiten ervan, onderworpen aan de regels van toepassing vóór 1 maart 1999. (zie nr. 9, hiervoor)

10. WIJZIGING AAN HET WETBOEK VAN STRAFVORDERING

(Wet van 23 maart 1999, artikel 10 - Wetboek van strafvordering, artikel 29, tweede lid)

56. In de tot voor kort van kracht zijnde tekst (6), onderwierp artikel 29, tweede lid, van het Wetboek van strafvordering, het ter kennis brengen van "feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn":

[(6) Wetboek van strafvordering, artikel 29, tweede lid, ingevoegd bij artikel 107 van de wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen (Belgisch Staatsblad van 20 augustus 1986) en gewijzigd bij artikel 70 van de wet van 28 december 1992 houden fiscale, financiële en diverse bepalingen (Belgisch Staatsblad van 31 december 1992, derde uitgave)].



a.aan de machtiging van de gewestelijke directeur, voor de ambtenaren van de Administratie der directe belastingen en voor de ambtenaren van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, onder wie zij ressorteren;
b.aan de machtiging van één van de drie ambtenaren die daartoe, op eensluidend advies van de administrateur-generaal van de belastingen, door de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën worden aangewezen, onder de ambtenaren van deze administratie of ter beschikking gesteld van deze laatste, voor de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie.
57. De nieuwe versie, voortkomend uit artikel 10 van de wet van 23 maart 1999, vereist enkel nog als éénvormige oplossing, de machtiging van de gewestelijke directeur onder wie de ambtenaren ressorteren, van:



a.de Administratie der directe belastingen;
b.de Administratie van de BTW, registratie en domeinen;
c.de Administratie van de bijzondere belastinginspectie;
d.de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit.
Inwerkingtreding: 6 april 1999

Van toepassing: vanaf 6 april 1999

Namens de Minister:

De Adjunct-administrateur-generaal van de belastingen,
J.-M. DELPORTE