Circulaire nr. Ci.RH.242/569.066 (AOIF 27/2006) dd. 18.07.2006

CIRC 18.07.06/1

Circulaire nr. Ci.RH.242/569.066 (AOIF 27/2006) dd. 18.07.2006


MEERWAARDE
Vrijgestelde meerwaarde

VRIJGESTELDE MEERWAARDE
Meerwaarde op een bedrijfsvoertuig
Onaantastbaarheidsvoorwaarde
Vrijstellingsvoorwaarde


Commentaar op de W 14.1.2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen.

Aan alle ambtenaren van de niveaus A, B en C.

INHOUDSTAFEL

Nrs.
I.INLEIDING 1
II.WETTEKSTEN 2
III.ALGEMENE DRAAGWIJDTE 6
IV.TOEPASSINGSVOORWAARDEN
A.In aanmerking komende meerwaarden7
B.Onaantastbaarheidsvoorwaarde11
C. Herbelegging
1.Algemeen12
2.Ecologische normen15
3.Beperking16
4.Herbeleggingstermijn20
D.Opgave 276 N21
BIJLAGE
I. INLEIDING

1. Zoals reeds aangekondigd bij circulaire nr. Ci.RH.242/558.904 (AOIF nr. 28/2004) van 5.7.2004, die tot doel had een oplossing aan te reiken voor bepaalde problemen die zich voordeden ten gevolge van de retroactieve inwerkingtreding van de wet van 14.1.2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, hierna W 14.1.2003 genoemd, volgt nu een meer uitgebreide bespreking van de voornaamste bepalingen van de voormelde W 14.1.2003 en van het koninklijk besluit van 3 april 2003 tot uitvoering van de artikelen 2 en 8, van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen, hierna KB 3.4.2003 genoemd.

II. WETTEKSTEN

Artikel 44bis van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), zoals het werd
ingevoegd door art. 2, W 14.1.2003 (BS 5.2.2003).


2. § 1. De meerwaarden die in de in het tweede lid bedoelde omstandigheden op bedrijfsvoertuigen zijn verwezenlijkt, worden volledig vrijgesteld wanneer een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijn als hierna gesteld.

De meerwaarden moeten zijn verwezenlijkt :

1° naar aanleiding van een schadegeval, een opeising in eigendom of een andere gelijkaardige gebeurtenis, of

2° bij een niet in het 1° vermelde vervreemding van bedrijfsvoertuigen, voor zover de vervreemde bedrijfsvoertuigen sedert meer dan 3 jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hadden.

Onder bedrijfsvoertuigen moet worden verstaan :

a) voertuigen aangewend voor bezoldigd personenvervoer, met name autobussen, autocars en de autovoertuigen die uitsluitend worden aangewend hetzij tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder;

b) voertuigen aangewend voor goederenvervoer, met name trekkers en vrachtwagens, en aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa van minstens 4 ton.

§ 2. De herbelegging moet gebeuren in bedrijfsvoertuigen die zijn bedoeld in § 1, derde lid, die beantwoorden aan de ecologische normen bepaald door de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.

§ 3. De herbelegging moet uiterlijk bij de stopzetting van de beroepswerkzaamheid gebeuren en binnen een termijn :

1° van 1 jaar na het verstrijken van het belastbare tijdperk waarin de schadeloosstelling is ontvangen, voor meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 1°;

2° van 2 jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin de meerwaarden vermeld in § 1, tweede lid, 2°, zijn verwezenlijkt.

§ 4. Om de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling te kunnen genieten, moet de belastingplichtige bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken, een opgave voegen waarvan het model door de minister van Financiën of zijn afgevaardigde wordt vastgesteld.

§ 5. Indien niet wordt herbelegd op de wijze en binnen de termijnen gesteld in §§ 2 en 3 wordt de verwezenlijkte meerwaarde aangemerkt als een inkomen van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstreken is. In dat geval is artikel 47 niet van toepassing.

Artikel 190, tweede lid, WIB 92, zoals het werd gewijzigd door art. 5, 2°, W 14.1.2003

3. Met betrekking tot het vrijgestelde of voorlopig niet belaste gedeelte van de meerwaarden vermeld in de artikelen 44, §§ 1 en 3, 44bis en 47, is dat meerwaardenstelsel slechts van toepassing in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.

Artikel 20 van het Koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (KB/WIB 92),
zoals het werd ingevoegd door artikel 1, KB 3.4.2003 (BS 30.4.2003 - Ed. 2)


4. § 1. Opdat de meerwaarden verwezenlijkt op de bedrijfsvoertuigen genoemd in artikel 44bis, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, de vrijstelling genieten waarin dat artikel voorziet, moeten de bedrijfsvoertuigen die zijn verkregen via herbelegging beantwoorden aan de volgende ecologische normen :

1° wat betreft de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een maximum toegelaten massa van minstens vier ton, deze moeten in nieuwe staat zijn verkregen en uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering;

2° wat betreft de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toelaatbare maximummassa meer bedraagt dan 750 kg, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn;

3° wat betreft de trekkers en vrachtauto's aangewend voor goederenvervoer en de autobussen en autocars aangewend voor bezoldigd personenvervoer, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht, en moeten beantwoorden aan één van de volgende alternatieve voorwaarden :

a) het niveau van de stikstofemissie (NOx-norm) is lager dan 4,9 gr/kWh;

b) het voertuig is uitgerust met een luchtvering of met een als gelijkwaardig erkende vering;

c) het voertuig is voor minstens 25 % uit recycleerbare materialen opgebouwd;

d) het koetswerk van het voertuig is gespoten in een niet-milieubelastende laklaag;

e) het voertuig maakt voor de transmissie gebruik van een elektronisch gestuurde versnellingsbak;

f) het voertuig is uitgerust met een dodehoekspiegel, camera- of radarbewaking ter verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder;

g) in het geval van autocars en autobussen zijn alle zetels voorzien van veiligheidsgordels;

4° wat betreft de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder, deze moeten in nieuwe staat verkregen zijn.

§ 2. Zodra één van de alternatieve voorwaarden genoemd in paragraaf 1, 3°, een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

§ 3. De in de eerste paragraaf vastgestelde ecologische normen moeten verantwoord worden door bewijsstukken afgeleverd door de constructeur, invoerder of installateur.

Artikel 2, KB 3.4.2003

5. De artikelen 2 tot 7 van de wet van 14 januari 2003 betreffende de meerwaarden bij vervreemding van bedrijfsvoertuigen en artikel 1 van dit besluit hebben uitwerking op de meerwaarden die zijn verwezenlijkt vanaf 1 januari 2000 en voorzover de datum van de verwezenlijking ten vroegste behoort tot het belastbare tijdperk dat aan aanslagjaar 2001 verbonden is.

III. ALGEMENE DRAAGWIJDTE

6. Artikel 44bis, WIB 92, voert een volledige vrijstelling in voor de meerwaarden verwezenlijkt bij de vervreemding van bedrijfsvoertuigen wanneer de schadevergoeding of de verkoopwaarde wordt herbelegd in ecologische bedrijfsvoertuigen.

De maatregel geldt zowel voor natuurlijke personen als voor vennootschappen die zich bezighouden met het vervoer over de weg van goederen of personen en is van toepassing op meerwaarden die vanaf 1 januari 2000 zijn verwezenlijkt en betrekking hebben op een belastbaar tijdperk dat ten vroegste aan aanslagjaar 2001 verbonden is.

IV. TOEPASSINGSVOORWAARDEN

A. In aanmerking komende meerwaarden

7. De vrijstelling is van toepassing op gedwongen meerwaarden op bedrijfsvoertuigen, alsmede op vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden op zulke activa die sedert meer dan drie jaar vóór de vervreemding de aard van vaste activa hadden.

De administratieve richtlijnen inzake vrijwillig verwezenlijkte en gedwongen meerwaarden voor de toepassing van artikel 47, WIB 92 (zie nrs. 47/5 tot 47/18, Com.IB 92), zijn van overeenkomstige toepassing voor artikel 44bis, WIB 92, behoudens wat de aan deze laatste regeling verbonden specifieke voorwaarden betreft.

8. Onder bedrijfsvoertuigen moet worden verstaan :

a) voertuigen aangewend voor bezoldigd personenvervoer, met name autobussen, autocars en de autovoertuigen die uitsluitend worden aangewend hetzij tot een taxidienst, hetzij tot verhuring met bestuurder;

b) voertuigen aangewend voor goederenvervoer, met name trekkers en vrachtwagens, en aanhangwagens en opleggers met een maximum toegelaten massa van minstens 4 ton.

9. Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp voorafgaand aan de W 14.1.2003 (Parl. St., Kamer, gewone zitting 2001-2002, Doc. 50 - 1973/1, blz. 5) blijkt dat de hier bedoelde bedrijfsvoertuigen op dezelfde manier moeten worden verstaan als inzake verkeersbelasting.

Zo worden met betrekking tot de autovoertuigen enkel die voertuigen bedoeld die, door het feit dat zij uitsluitend worden gebruikt voor taxidiensten en/of verhuring met bestuurder, van verkeersbelasting zijn vrijgesteld.

Uit artikel 4 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen blijkt verder dat aan trekker, vrachtwagen, aanhangwagen en oplegger dezelfde omschrijving wordt gegeven als in de reglementering betreffende de inschrijving van motorvoertuigen. De in artikel 44bis, § 1, derde lid, b, WIB 92, opgesomde voertuigen moeten dus in die hoedanigheid zijn ingeschreven bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (DIV).

10. Verder wordt erop gewezen dat de eigenaar van een in leasing gegeven bedrijfsvoertuig bij de eventuele latere vervreemding ervan in de regel geen meerwaarde maar wel een gewone winst verwezenlijkt (cfr. nr. 61/240 tot 243, Com.IB 92), zodat artikel 44bis, § 1, WIB 92, ten name van inzonderheid leasingmaatschappijen niet van toepassing is met betrekking tot dergelijke voertuigen.

Anderzijds moeten voor de toepassing van de vrijstelling op vrijwillig verwezenlijkte meerwaarden op bedrijfsvoertuigen, de vervreemde bedrijfsvoertuigen sedert meer dan drie jaar vóór hun vervreemding de aard van vaste activa hebben, d.w.z. voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid van de belastingplichtige zijn gebruikt in de zin van artikel 41, WIB 92. Het begrip "vaste activa" heeft overeenkomstig artikel 2, 9°, WIB 92, de betekenis die daaraan wordt toegekend door de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, waardoor in principe ook activa in leasing worden beoogd. Derhalve zal in het geval waarbij een belastingplichtige een bedrijfsvoertuig in leasing heeft genomen en deze na het verbreken van het betrokken leasingcontract eerst aankoopt en vervolgens vervreemdt, de periode waarin hij dit voertuig in leasing had in aanmerking worden genomen om te bepalen of het sedert meer dan 3 jaar vóór haar vervreemding de aard van vast actief had, voor zover de betrokken belastingplichtige tenminste als de juridische eigenaar van dat bedrijfsvoertuig wordt beschouwd op de datum van de vervreemding van het voertuig.

B. Onaantastbaarheidsvoorwaarde

11. Vennootschappen zullen slechts aanspraak kunnen maken op de vrijstelling voor zover de onaantastbaarheidsvoorwaarde zoals vermeld in artikel 190, tweede lid, WIB 92, werd nageleefd. Voor deze categorie belastingplichtigen is de vrijstelling derhalve slechts van toepassing voor zover het bedrag van de meerwaarde op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.

Indien en in zoverre die voorwaarden niet langer worden nageleefd in enig belastbaar tijdperk, wordt de vroeger vrijgestelde meerwaarde als winst van dat belastbare tijdperk beschouwd.

C. Herbelegging

1. Algemeen

12. De vrijstelling blijft slechts behouden wanneer de belastingplichtige een bedrag gelijk aan de verkregen schadevergoeding of verkoopwaarde herbelegt in gelijkaardige voertuigen die aan bepaalde ecologische normen voldoen en die in België voor het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt.

Overeenkomstig artikel 44bis, § 2, WIB 92, moet de herbelegging gebeuren in "bedrijfsvoertuigen", waardoor onderdelen van een bedrijfsvoertuig, zoals bijvoorbeeld een nieuwe motor, als geldige wederbelegging worden uitgesloten.

In een akkoord dat de Regering op 14 september 2000 met de transportsector heeft gesloten, werd voorzien dat ook in leasing genomen bedrijfsvoertuigen als geldige wederbelegging in aanmerking kunnen komen.

13. Indien meerdere bedrijfsvoertuigen worden vervreemd zal aan de herbeleggingsvoorwaarde zijn voldaan indien de totale verkoopprijs van de vervreemde voertuigen (of het totaal bedrag van de verkregen schadevergoeding in geval van gedwongen meerwaarden) wordt wederbelegd in één of meerdere ecologische bedrijfsvoertuigen en de in artikel 44bis, § 3, WIB 92, voorziene herbeleggingstermijn voor elk van die meerwaarden afzonderlijk wordt nageleefd. Zodus zal het binnen die voorwaarden mogelijk zijn dat bijvoorbeeld slechts één vrachtwagen wordt aangekocht ter vervanging van twee vervreemde bedrijfsvoertuigen.

14. De als herbelegging aangeschafte of geleasde voertuigen moeten niet gedurende een bepaalde minimumtermijn worden aangehouden. Bij de vervreemding ervan kan eventueel opnieuw toepassing worden gemaakt van de in artikel 44bis, WIB 92, bedoelde vrijstelling voor zover alle voorwaarden daartoe zijn vervuld (zie ook nr. 10, tweede lid).

2. Ecologische normen

15. In artikel 20, § 1, KB/WIB 92, worden de ecologische normen opgesomd waaraan de als herbelegging verworven bedrijfsvoertuigen moeten voldoen om bij toepassing van artikel 44bis, WIB 92, vrijstelling te bekomen van de op bedrijfsvoertuigen verwezenlijkte meerwaarden :

1° voor de aanhangwagens en opleggers bestemd voor het vervoer van goederen met een maximum toegelaten massa van minstens vier ton moet het gaan om nieuwe voertuigen die uitgerust zijn met een luchtvering of een als gelijkwaardig erkende vering, wat bijdraagt tot een mindere graad van wegbeschadiging;

2° voor de aanhangwagens die uitsluitend getrokken worden door autobussen of autocars en waarvan de toelaatbare maximummassa meer bedraagt dan 750 kg is het voldoende dat zij in nieuwe staat zijn verkregen;

3° de vrachtauto's, trekkers, autobussen en autocars moeten in nieuwe staat verkregen zijn of mogen, op het tijdstip van verwerving, niet meer dan drie jaar daarvoor in het verkeer zijn gebracht. Naast deze voorwaarden wat de ouderdom betreft, moeten deze voertuigen bijkomend aan één van de hierna opgesomde normen beantwoorden :

a) een bepaalde NOx-norm niet overschrijden;

b) uitgerust zijn met een luchtvering of als gelijkwaardig erkende vering;

c) gedeeltelijk recycleerbaar zijn;

d) op een niet-milieubelastende manier zijn afgewerkt;

e) voorzien zijn - voor de transmissie - van een elektronisch gestuurde versnellingsbak, wat zorgt voor een lager verbruik en minder geluidsoverlast;

f) uitgerust zijn met bepaalde veiligheidsvoorzieningen, wat de verkeersveiligheid ten goede komt;

4° de autovoertuigen aangewend als taxidienst of tot verhuring met bestuurder moeten in nieuwe staat zijn verkregen.

Op basis van wat voorafgaat kan worden besloten dat het als wederbelegging aangeduide voertuig in de regel milieuvriendelijker - in de ruime betekenis van het woord - dient te zijn dan datgene dat het vervangt.

3. Beperking

16. Ingevolge artikel 20, § 2, KB/WIB 92, komen de in nr. 15, eerste lid, 3° vermelde bijkomende ecologische normen voor vrachtauto's, trekkers, autobussen en autocars evenwel slechts in aanmerking indien de toepassing ervan niet wettelijk verplicht is. Van zodra één van die alternatieve voorwaarden een verplichte norm wordt, moet het voertuig aan minstens één van de andere alternatieve voorwaarden voldoen om alsnog als geldige wederbelegging in aanmerking te kunnen komen.

17. Ondertussen werden reeds een paar van deze alternatieve normen bij KB opgelegd. Zo behoort een dodehoekspiegel tot de wettelijk verplichte uitrusting van vrachtauto's met een maximale massa van meer dan 3,5 ton en autobussen en autocars van meer dan 5 ton waarvoor de aanvraag om typegoedkeuring vanaf 1 januari 2003 werd ingediend of die als nieuwe voertuigen na 1 januari 2003 in dienst zijn gesteld. Ook bestaande vrachtwagens die vòòr 1 januari 2003 in dienst werden gesteld moeten vanaf de dag van de eerste keuring die in 2003 plaats vindt en in ieder geval vóór 1 januari 2004 met een dodehoekspiegel zijn uitgerust. Ook zijn veiligheidsgordels voor alle zetels een wettelijk verplicht deel van de uitrusting voor autobussen en autocars die voor de eerste maal ingeschreven zijn vanaf 31 maart 2003.

Derhalve zal bijvoorbeeld voor een in nieuwe staat verkregen vrachtauto vanaf 1 januari 2003 de plaatsing van een dodehoekspiegel niet meer aanvaard worden als een bijkomende norm omdat vanaf die datum dergelijke spiegel tot de wettelijk verplichte uitrusting van de nieuwe vrachtauto's behoort. Om voor de vrijstelling in aanmerking te komen zal het voertuig dus zeker nog aan één van de andere hiervoor opgesomde normen moeten voldoen. Het uitrusten van zo een vrachtauto met een camera- of radarbewaking ter bijkomende verbetering van het gezichtsveld van de bestuurder zal nog wel als een bijkomende norm worden aangemerkt.

18. De uitdrukkelijke voorwaarden opgelegd in artikel 20, § 1, 3° en § 2, KB/WIB 92, dienen zowel voor nieuwe als voor tweedehands verkregen vrachtauto's, trekkers, autobussen en autocars op dezelfde wijze op het ogenblik van de wederbelegging te zijn vervuld.

19. De in artikel 20, § 1, KB/WIB 92, vastgestelde ecologische normen moeten worden verantwoord aan de hand van documenten afgeleverd door de constructeur, de invoerder of de installateur die het voldoen aan één of meerdere van de bijkomende voorwaarden staven.

4. Herbeleggingstermijn

20. Artikel 44bis, § 3, WIB 92, stelt dat de herbelegging moet gebeuren uiterlijk bij stopzetting van de beroepswerkzaamheid en binnen een termijn :

a) die verstrijkt 1 jaar na het einde van het belastbaar tijdperk waarin de schadevergoeding is ontvangen, wanneer het gaat om gedwongen meerwaarden;

b) van 2 jaar vanaf de eerste dag van het kalenderjaar waarin een meerwaarde vrijwillig is verwezenlijkt.

Voor gedwongen meerwaarden begint de herbeleggingstermijn te lopen vanaf de datum van het schadegeval.

Bij gebrek aan herbelegging van de verkoopprijs of de verkregen schadevergoeding in de passende vorm en binnen de wettelijke termijn, wordt de verwezenlijkte meerwaarde overeenkomstig artikel 44bis, § 5, WIB 92, aangemerkt als een winst van het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken. Bovendien zijn in dat geval overeenkomstig artikel 416, eerste lid, WIB 92, nalatigheidsinteresten verschuldigd vanaf 1 januari van het aanslagjaar waarvoor de vrijstelling is verleend.

D. Opgave 276 N

21. Ingevolge de toepassing van artikel 44bis, § 4, WIB 92, moet de belastingplichtige, om de vrijstelling te kunnen genieten, bij zijn aangifte in de inkomstenbelastingen vanaf het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde en tot het aanslagjaar dat is verbonden aan het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn is verstreken een opgave 276 N voegen waarin alle gevraagde gegevens worden vermeld. Een model van die opgave, met inbegrip van de toelichting, bevindt zich in bijlage.

22. Zoals blijkt uit de samenlezing van artikel 44bis, § 5 en artikel 47, § 1, eerste lid, WIB 92, waar een verwijzing naar artikel 44bis, WIB 92, werd ingevoegd, houdt het indienen van een opgave 276 N tevens in dat de belastingplichtige geen aanspraak meer kan maken op het stelsel van de gespreide belasting zoals bedoeld in artikel 47, WIB 92. Omgekeerd sluit het indienen van een opgave 276 K en dus de keuze voor het stelsel van de gespreide belasting, de belastingplichtige uit van de toepassing van de in artikel 44bis, WIB 92, voorziene vrijstellingsregeling. De belastingplichtige kan derhalve op voormelde keuzes niet meer terugkomen (zie evenwel nr. 12 e.v. van voormelde circulaire nr. Ci.RH.242/558.904 die in een administratieve overgangsregeling heeft voorzien voor de tijdens de aanslagjaren 2001 en 2002 verwezenlijkte meerwaarden op bedrijfsvoertuigen). Evenmin kan een belastingplichtige die de vrijstelling heeft gevraagd doch de voorwaarden tot herbelegging niet heeft nageleefd, tijdens het belastbare tijdperk waarin de herbeleggingstermijn verstrijkt nog overschakelen op het stelsel van de gespreide taxatie.

23. Wanneer de belastingplichtige geen opgave 276 N indient voor het belastbare tijdperk van de verwezenlijking van de meerwaarde, is die meerwaarde ineens als een winst van datzelfde tijdperk belastbaar (in de personenbelasting kan die meerwaarde onder bepaalde voorwaarden afzonderlijk worden belast tegen 16,5 %), tenzij de belastingplichtige geopteerd heeft voor de gespreide belasting van die meerwaarde en daartoe een opgave 276 K heeft ingediend.

Voor de Administrateur-generaal
van de Belastingen en de Invordering :
De Auditeur-generaal van financiën,

G. DELSOIR

BIJLAGE