Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 15.10.1990 (25e afl.)

CIRC 15.10.90/1

Circulaire nr. Ci.D.19/402.192 dd. 15.10.1990 (25e afl.)


Bull. nr. 700, pag. 3229

HERVORMINGSWET 1988
Onroerende voorheffing.

ONROERENDE VOORHEFFING
Vermindering voor gehandicapte personen ten laste.
Vermindering voor kinderlast.

ONTHEFFING VAN AMBTSWEGE
Onroerende voorheffing.


INHOUDSTABEL Nrs. I. WETTEKSTEN VI/1 II. ALGEMEEN VI/2 III. KINDEREN TEN LASTE VI/3 IV. GEHANDICAPTE PERSONEN VI/4 en 5 V. OPMERKING VI/6 VI. AMBTSHALVE ONTHEFFING VI/7 I. WETTEKSTEN

VI/1 Art. 6

...

§ 7. Inzake de verminderingen van onroerende voorheffing stemmen de begrippen "kind" en "gehandicapte" overeen met die welke gelden op het stuk van de personenbelasting.



Art.39
Titel I van deze wet is van toepassing :



met betrekking tot ... artikel 6, ... § 2 tot § 7, ... met ingang van het aanslagjaar 1990;
...

II. ALGEMEEN

VI/2 Art. 6, § 7, van de hervormingswet, dat met ingang van het aj. 1990 in werking treedt (art. 39, 1°), bepaalt dat voor de verminderingen van O.V. de begrippen "kind" en "gehandicapte" overeenstemmen met die welke gelden op het stuk van de PB.

III. KINDEREN TEN LASTE

VI/3 Voorheen moest voor de berekening van de verminderingen van OV het begrip kind ten laste enger worden geïnterpreteerd dan inzake PB, in die zin dat het werd gezien in zijn eigenlijke juridische betekenis ten opzichte van het gezinshoofd of van zijn echtgenote terwijl op het vlak van de PB ook de kleinkinderen en de achterkleinkinderen zomede de kinderen die de belastingplichtige volledig of hoofdzakelijk ten laste heeft (zie II/757 - 20e aflevering) in aanmerking kunnen worden genomen.

IV. GEHANDICAPTE PERSONEN

VI/4 Voor gehandicapte personen (kinderen of anderen) gold vroeger hetzelfde begrip inzake PB en inzake OV; het betrof personen die tot ten minste 66 pct. getroffen waren door ontoereikendheid of vermindering van lichamelijke of psychische geschiktheid wegens een of meer aandoeningen.

De hervormingswet heeft dit begrip behouden voor de gehandicapte minderjarige kinderen en voor personen waarvan de handicap vóór het aj. 1990 erkend is; ten opzichte van andere personen is het gewijzigd door art. 6, § 5, van die wet en aangevuld door art. 329, W. 22.12.1989 houdende fiscale bepalingen (V. 2019 - B 691). Er valt evenwel op te merken dat de nieuwe criteria eveneens van toepassing zijn op kinderen van wie de handicap nog niet is vastgesteld.

Naar luid van deze laatste bepaling wordt als gehandicapt aangemerkt degene van wie, ongeacht de leeftijd (dus zelfs na 65 jaar) (zie eveneens II/764 tot 767 en II/781 - 20e aflevering) is vastgesteld dat ingevolge feiten overkomen en vastgesteld vóór de leeftijd van 65 jaar :



a)ofwel zijn lichamelijke of psychische toestand zijn verdienvermogen heeft verminderd tot één derde of minder van wat een valide persoon door een of ander beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen;
b)ofwel zijn gezondheidstoestand een volledig gebrek aan of een vermindering van zelfredzaamheid van ten minste 9 punten met zich brengt, gemeten volgens de handleiding en de medisch-sociale schaal van toepassing in het kader van de wetgeving met betrekking tot de tegemoetkomingen aan gehandicapten;
c)ofwel, na de periode van primaire ongeschiktheid bepaald in artikel 46 van de wet van 9 augustus 1963 tot instelling en organisatie van een regeling voor verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering, zijn verdienvermogen is verminderd tot een derde of minder, zoals bepaald in artikel 56 van dezelfde wet;
d)ofwel hij, ingevolge een administratieve of gerechtelijke beslissing, voor ten minste 66 pct. blijvend fysiek of psychisch gehandicapt of arbeidsongeschikt werd verklaard.
VI/5 Met ingang van het aj. 1990 moet dus voor de toepassing van art. 257, 3°, WIB 92 het begrip "kind" in de ruime betekenis (zie II/757 - 20e aflevering), en het begrip "gehandicapte" in de sub VI/4 vermelde zin, in aanmerking worden genomen. Ter zake wordt verwezen naar de commentaar op deze begrippen op het vlak van de PB (zie 20e aflevering).

V. OPMERKING

VI/6 Anderzijds worde niet uit het oog verloren dat uitsluitend de begrippen kind en gehandicapte die van toepassing zijn inzake PB, met ingang van het aj. 1990 ook gelden voor de verminderingen inzake OV. De fictie die op het stuk van PB is ingesteld door art. 6, § 1, 3e lid, en § 2, 2e lid, van de voornoemde hervormingswet is dus inzake OV niet van toepassing.

VI. AMBTSHALVE ONTHEFFING

VI/7 Overeenkomstig art. 19 van de hervormingswet verleent de directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar onder de voorwaarden van art. 377, § 3, 2°, WIB 92 ambtshalve ontheffing van overbelastingen die te wijten zijn aan de niet-toepassing van art. 6, § 7, van die wet (zie I/93, 1° - 1e aflevering).