Circulaire nr. Ci.RH.26/387.538 dd. 05.02.1988
Circulaire nr. Ci.RH.26/387.538 dd. 05.02.1988
Bull. nr. 670, pag. 497
FISCALESTIMULI
Aanmoediging van de aanschaffing van aandelen van de vennootschap waarin de belastingplichtige loontrekker is (permanente aandelenaftrek).
Commentaar op de wettelijke bepalingen inzake aanschaffing van aandelen of deelbewijzen van de vennootschap-werkgeefster, zoals deze van toepassing zijn met ingang van het aj. 1988.
INHOUDSOPGAVE
| I. Inleiding | 1 tot 3 |
| II. Wetteksten | 4 |
| III. Belastingplichtigen die aanspraak op de aftrek hebben | 5 tot 8 |
| IV. In aanmerking komende effecten | 9 tot 13 |
| V. Aanschaffingsprijs van de effecten | 14 |
| VI. Belastbaar tijdperk waarvoor de aftrek wordt verleend | 15 |
| VII. Bedrag en beperking van de aftrek | 16 en 17 |
| VIII. Onverenigbaarheid | 18 |
| IX. Voorwaarde voor de toekenning van de aftrek | 19 tot 23 |
| X. Voorwaarde voor het behoud van de aftrek voor de volgende jaren | |
| A. Algemeen | 24 |
| B. Aard van het te leveren bewijs | 25 en 26 |
| C. Bijzonder geval | 27 |
| XI. Gehele of gedeeltelijke vervroegde overdracht van effecten | 28 tot 31 |
| XII. Inwerkingtreding | 32 |
| * * *Bijzondere regel voor het aj.1987 | 33I. |
INLEIDING
1. Het K.B. van 22.12.1986 (V. 1877 -B. 658), genomen ter uitvoering van art. 52, W. 4.8.1986 (V. 1852 -B. 653), brengt een aantal wijzigingen aan in de regeling die het werknemers mogelijk maakt hun belastbaar inkomen te verminderen met de aanschaffingsprijs van effecten van hun vennootschap-werkgeefster (hierna permanente aandelenaftrek genoemd).
2. Die wijzigingen, die van krachtzijn vanaf het aj. 1988, zijn kort samengevat de volgende:
1° voortaan komen ook aandelen in aanmerking van een vennootschap waarvan de werkgeefster een dochter- of een kleindochtervennootschap is;
2° de aftrek wordt beperkt tot de aanschaffing van nieuwe aandelen of deelbewijzen;
3° echtgenoten worden voortaanafzonderlijk behandeld;
4° de aftrek wordt (voorlopig)beperkt tot 20.000 BEF per echtgenoot zoals inzake pensioensparen (dit bedrag kan echter bij K.B. tot 40.000 BEF worden opgetrokken);
5° de aftrek kan niet samen met die inzake pensioensparen genoten worden.
3. Daar deze wijzigingen tot een groot aantal aanpassingen van de circ. 21.3.1986, Ci.RH 26/359.265(B. 650) leiden is het verkieslijk gebleken een volledige commentaar uit te werken.
II. WETTEKSTEN
4. Art. 67, WIB
Diverse inkomsten als bedoeld in artikel 6, 4° zijn:
1° tot 8°
9° in geval van overdracht, binnen vijf jaar na de aanschaffing, van effecten waarvoor de in artikel 71, § 1, 8°, bedoelde aftrek is verricht, een som gelijk aan zoveel maal één zestigste. van de aanschaffingsprijs van die effecten, als er nog volle maanden te lopen blijven tot het einde van de termijn van vijf jaar, behalve indien de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht.
Art. 71, WIB
§ 1. Van de gezamenlijke netto-inkomsten van de verschillende in artikel 6 bedoelde categorieën worden afgetrokken, voor zover zij niet konden worden afgetrokken voor de vaststelling van die netto-inkomsten:
1° tot 7°
8° de bedragen besteed aan de inschrijving op en de volstorting in geld van aandelen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen, uitgegeven door een vennootschap, inrichting of instelling als bedoeld bij de artikelen 98, 100 en 102, waarin de belastingplichtige werknemer is, in de zin van artikel 20, 2°, a, of waarvan de vennootschap die de belastingplichtige tewerkstelt onweerlegbaar geacht wordt een dochter- of kleindochteronderneming te zijn in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen;
§ 2. De in § 1 bedoelde lasten worden in mindering gebracht van de inkomsten van het belastbaar tijdperk waarin zij werkelijk werden betaald;
De in § 1, 8°, bedoelde aftrek is beperkt tot 40.000 frank per belastbaar tijdperk. Iedere echtgenoot die de in § 1, 8° gestelde voorwaarden persoonlijk vervult, komt ervoor in aanmerking.
Art. 72, WIB
§§ 1 tot 9 ......
§ 10. De aftrek bedoeld in § 2 kan niet worden samengevoegd met die bedoeld in artikel 71, § 1, 8°.
Art. 9, K.B. 22.12.1986 (V. 1877 - B. 658).
§ 1. Dit besluit is van toepassing:
1° en 2° ...
3° met betrekking tot artikel 4 (1), met ingang van het aanslagjaar 1988,
4° ...
[(1) Dit artikel heeft art. 71, WIB gewijzigd].
§ 2. In afwijking van artikel 71, §2, vierde lid, van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, ingevoegd bij artikel 4 van dit besluit, wordt het bedrag van40.000 frank evenwel beperkt tot 20.000 frank.
De Koning kan, bij in Ministerraad overlegd besluit, dat bedrag van 20.000.frank verhogen.
III. BELASTINGPLICHTIGEN DIE AANSPRAAK OP DE AFTREK HEBBEN
5. Alleen de in art. 20, 2°, a, WIB, bedoelde werknemers, ongeacht of zij aan de P.B. dan wel aan de B.N.V./nat. pers. onderworpen zijn, kunnen de bedragen aftrekken welke zij besteed hebben aan de inschrijving op en de volstorting in geld van aandelen of deelbewijzen die een fractie van het maatschappelijk kapitaal vertegenwoordigen:
- van de vennootschap, vereniging, inrichting of instelling waarin zij hun beroepswerkzaamheid uitoefenen;
- van de vennootschap waarvan de werkgeefster onweerlegbaar een dochter- of kleindochteronderneming is in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen.
6. In de wetgeving op de boekhoudingen de jaarrekening van de ondernemingen (zie de bijlage – hoofdstuk III, deel 1, punt IV A- bij K.B. 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen -V. 1435, B. 545-, zoals gewijzigd door art. 47 en, wat de Nederlandse tekst betreft, doorart. 50, K.B. 12.9.1983 V. 1692, B. 622) worden de begrippendochter en kleindochter als volgt omschreven:
"Dochters en kleindochters
Voor de toepassing van dit besluit wordt als dochter of kleindochter van een onderneming beschouwd elke andere onderneming waarin de eerstgenoemde, in rechte of in feite, een doorslaggevende invloed kan uitoefenen op de benoeming van ten minste de helft van haar leiders of op de oriëntering van haar beleid, en zulks krachtens overeenkomsten of uit hoofdé van deelnemingen, in de laatstgenoemde rechtstreeks door de eerstgenoemde aangehouden of onrechtstreeks via haar dochters of kleindochters.
Indien deze deelnemingen ten minstede helft van het kapitaal van deze andere onderneming vertegenwoordigen of indien de eraan verbonden stemrechten tenminste de helft vertegenwoordigen van de stemrechten verbonden aan de gezamenlijk door deze laatste uitgegeven aandelen, wordt deze andere onderneming onweerlegbaar geacht een dochter of een kleindochter van de eerstgenoemde te zijn.
Indien het aantal van de aan deze deelnemingen verbonden stemrechten ten minste de helft vertegenwoordigt van het aantal stemmen dat op de jongste algemene vergadering van deze andere onderneming aanwezig of vertegenwoordigd was, wordt deze laatste, tot bewijs van het tegendeel dat in de toelichting dient te worden vermeld, geacht een dochter of een kleindochter van de eerstgenoemde te zijn".
Art. 71, § 1, 8°, WIB bedoelt alleen de gevallen waarin een onderneming onweerlegbaar als een dochter of kleindochter van een andere onderneming kan worden aangemerkt, d.w.z. die waarvan sprake is in lid 2 van de hierboven geciteerde tekst.
7. De aftrek geldt alleen voor loon-en weddetrekkers die op het tijdstip van de inschrijving op de effecten door een arbeidsovereenkomst of door een soortgelijk wettelijk of reglementair statuut zijn verbonden, ofwel met de vennootschap waarvan zij aandelen of deelbewijzen verwerven, ofwel met de vennootschap, die in de zin van de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, onweerlegbaar een dochter- of kleindochteronderneming is van de vennootschap waarvan zij aandelen of deelbewijzen verwerven.
8. Bestuurders, enz., van vennootschappen op aandelen zijn steeds van het voordeel van de aftrek uitgesloten (zelfs indien zij door een arbeidsovereenkomst met de vennootschap zijn verbonden) daar zij geen werknemers zijn in de zin van art. 20, 2°, a, WIB.
Hetzelfde geldt voor werkende vennoten (met uitzondering van de vennoten-werknemers bedoeld in Com.IB., nr. 100/17).
IV. IN AANMERKING KOMENDE EFFECTEN
9. Wanneer het de aanschaffing betreft van aandelen of deelbewijzen van de vennootschap-werkgeefster, komen alleen in aanmerking de effecten van vennootschappen of andere rechtspersonen, die krachtens de art.98, 100 of 102, WIB., aan de Ven. B. onderworpen zijn, d.w.z.:
a) Belgische vennootschappen op aandelen of ermede gelijkgestelde rechtspersonen naar Belgisch recht (art.98, WIB);
b) andere Belgische handelsvennootschappen dan vennootschappen op aandelen (die uitfiscaal oogpunt als "personenvennootschappen" worden aangezien) (art. 100, WIB);
c) vennootschappen naar buitenlands rechten ermede gelijkgestelde rechtspersonen die in België aan de Ven. B zijn onderworpen (en niet aan de B.N.V.) omdat zij alhier hun voornaamste inrichting of hun zetel van beheer of bestuur hebben(art. 102, WIB).
Hieruit volgt dat inzonderheid personen die tewerkgesteld zijn in een Belgische inrichting (dus zonder rechtspersoonlijkheid) van een buitenlandse handelsvennootschap die aan de B.N.V.-ven. onderworpen is, geenaanspraak hebben op de aftrek van de sommen die zij besteed hebben aan de inschrijving op en de afbetaling van aandelen van die buitenlandse vennootschap.
10. Verder komen voor aftrek in aanmerking aandelen of deelbewijzen uitgegeven door een vennootschap waarvan de vennootschap die de betrokkene tewerkstelt onweerlegbaar een dochter of kleindochter is (zie nr. 6). Dat wil zeggen dat een werknemer van een dergelijke dochter- of kleindochtervennootschap de aftrek kan verkrijgen voor nieuweaandelen of deelbewijzen van de moeder- of grootmoedervennootschap, mits deze laatste aan de Ven. B. onderworpen is.
11. Alleen de effecten die een deel van het kapitaal van dergelijke vennootschappen of rechtspersonen vertegenwoordigen komen in aanmerking, met uitsluiting van b.v. winstbewijzen.
12. Er kan geen aftrek worden toegestaan voor:
- de aanschaffing van effecten van rechtspersonen die aan de R.P.B. onderworpen zijn (b.v. rechtspersonen als bedoeld in art.94, tweede lid, WIB);
- de aanschaffing van effecten van vennootschappen die niet bedoeld zijn in de nrs. 9 en 10, zelfs wanneer zijzustervennootschappen zijn van die waarin de belastingplichtige werkt;
- de bijdragen of stortingen van de leden van een V.Z.W. die aan de Ven.B. onderworpen is (P.V. nr. 49 van 25.11.1982, gesteld door de Hr. Senator Peeters, B. 618, blz. 1510).
13. Enkel de op de primaire markt verkregen effecten (inschrijving op en volstorting van nieuweaandelen bij oprichting of kapitaalverhoging) komen voor aftrek in aanmerking.
Op de secondaire markt gekochte aandelen (b.v. aankoop op de beurs van bestaande aandelen) worden derhalve uitgesloten.
V. AANSCHAFFINGSPRIJS VAN DE EFFECTEN
14. De aanschaffingsprijs van de effecten die voor de aftrek in aanmerking moet worden genomen stemt, naar het geval, overeen:
- met de uitgifteprijs, verhoogd met de bijkomende kosten (o.a. taksen) en met de eventuele aangekochte inschrijvingsrechten, of
- met de werkelijk betaalde prijs, vermeerderd met de waarde van het belastbare voordeel dat voor de werknemer ontstaat wanneer de vennootschap-werkgeefster aan zijn personeel nieuwe aandelen tegen verminderde prijs afstaat.
VI. BELASTBAAR TIJDPERK WAARVOOR DE AFTREK WORDT VERLEEND
15. Overeenkomstig de in art. 71, §2, WIB, neergelegde regel, zijn de voor aftrek in aanmerking komende bedragen - in voorkomend geval beperkt (zie nrs. 16 en 17)- die welke tijdens het belastbare tijdperk werkelijk voor de volstorting van nieuwe aandelen of deelbewijzen zijn aangewend.
Het is niet nodig dat de inschrijvingen de volstorting in hetzelfde belastbare tijdperk vallen.
B.v.: Een belastingplichtige schrijft in op 40.000 BEF aandelen op 15.10.1987, die hij telkens voor de helft volstort op 16.11.1987 en op 16.5.1988. Hij mag telkens20.000 BEF in mindering brengen van zijn belastbare inkomsten van de jaren 1987 en 1988 (zie ook ar. 17).
VII. BEDRAG EN BEPERKING VAN DE AFTREK
16. De aftrek per belastbaar tijdperk bedraagt in principe 40.000 BEF (zie echter nr. 17).
Iedere echtgenoot die aan de in art.71, § 1, 8°, WIB gestelde voorwaarde voldoet, komt voor de volle aftrek in aanmerking.
De echtgenoten worden dus als afzonderlijke belastingplichtigen beschouwd. Dit houdt in dat elke echtgenoot slechts de sommen mag aftrekken die hij of zij besteed heeft aan de afbetaling van nieuwe aandelen of deelbewijzen van de vennootschap waarin hij of zij persoonlijk is tewerkgesteld of van de vennootschap waarvan de onderneming die hem of haar tewerkstelteen dochter of kleindochter is.
17. De aftrek wordt afgestemd op die voor het pensioensparen.
Art. 9, § 2, K.B. 22.12.1996 beperkt de aftrek tijdelijk tot 20.000 BEF per belastingplichtige. Diezelfde bepaling voorziet evenwel in de mogelijkheid om dit bedrag bij in Ministerraad overlegd koninklijk besluit op te trekken.
VIII. ONVERENIGBAARHEID
18. De hier besproken aftrek en de aftrek voor pensioensparen mogen voor eenzelfde aanslagjaar niet gelijktijdig worden toegepast.
De vorenstaande regel geldt per echtgenoot, derhalve is het mogelijk dat voor een bepaald aanslagjaar de man de hier besproken permanente aandelenaftrek en zijn vrouw de aftrek voor pensioensparen toepast (of omgekeerd).
IX. VOORWAARDE VOOR DE TOEKENNING VAN DE AFTREK
19. De aftrek wordt slechts verleend indien de effecten op 31 december van het jaar van de afbetaling nog in het bezit van de belastingplichtige zijn.
De bewijsstukkien dienaangaande evenals die betreffende de inschrijving op en de volstorting in geld moeten door de belastingplichtige worden overgelegd tot staving van zijn aangifte van de inkomsten van het belastbare tijdperk waarvoor hij de aftrek wenst te verkrijgen.
20. Het bezit van de effecten op het einde van het belastbare tijdperk waarvoor de aftrek wordt verricht, kan eventueel worden aangetoond aan de hand van het bewijsstuk van de inning van de inkomsten die tijdens het jaar na de aanschaffing betaalbaar zijn gesteld. Benevens het geïnde bedrag vermeldt dat bewijsstuk de naam en het volledige adres van de verkrijger van de inkomsten, zomede het aantal en de identificatie van de effecten waarop de inkomsten betrekking hebben.
21. De door de vennootschap-werkgeefster uitgereikte bewijsstukken m.b.t. de aanschaffing van de effecten dienen de volgende vermeldingen te bevatten en tevens voor echt verklaard te zijn door een persoon die de vennootschap kan verbinden:
1° de naam en het volledig adres van de koper van de effecten;
2° het aantal en de identificatie van de aangeschafte effecten;
3° de inschrijvingsprijs van de effecten;
4° de inschrijvingsdatum en de datum (data) van de afbetalingen.
22. Het bewijs van het bezit van de effecten op het einde van het belastbare tijdperk waarvoor de aftrek wordt verricht, kan benevens op de in nr. 20 gestelde wijze ook worden geleverd door een vermelding welke op de in nr. 21bedoelde stukken wordt aangebracht door een persoon die de vennootschap, welke de aandelen of deelbewijzen heeft uitgegeven, kan verbinden (zie ook nr. 25).
23. Indien het aandelen op naam betreft, kunnen de bewijsstukken bestaan in een uittreksel uit het register van de aandelen op naam, aangevuld met de betalingsbewijzen.
X. VOORWAARDE VOOR HET BEHOUD VAN DE AFTREK VOOR DE VOLGENDEJAREN
A. Algemeen
24. De aftrek wordt slechts behoudenindien de effecten, waarvoor hij is verleend, gedurende een termijn van 5 jaar vanaf de datum van aanschaffing van de effecten (die samenvalt met de datum van inschrijving) in het bezit van de belastingplichtige zijn gebleven. Deze laatste moet het bewijs van het behoud van de effecten leveren tot staving van zijn achtereenvolgende aangiften in de P.B. (of de B.N.V. - nat. pers.).
B. Aard van het te leveren bewijs
25. Dat bewijs kan o.m. worden geleverd door middel van bescheiden uitgaande van de financiële tussenpersoon waarbij die effecten in bewaring zijn gegeven of doorvoorlegging van de bewijsstukken van inning van de inkomsten.
Het mag eveneens door andere middelen van gemeen recht worden geleverd, met uitzondering van de eed en van vermoedens.
26. Vennootschappen die hun eigen financiële dienst waarnemen, mogen de attesten die ze aan hun werknemers uitreiken op dezelfde wijze opstellen als de financiële tussenpersonen.
C. Bijzonder geval
27. In geval van echtscheiding-door onderlinge toestemming of op grond van bepaalde feiten, moet het bewijs van behoud van de effecten gedurende ten minste 5 jaar geleverd worden door de echtgenoot aan wie die effecten worden toegewezen.
Wanneer die effecten geheel of gedeeltelijk worden toegewezen aan de echtgenoot die op het ogenblik van de aanschaffing niet de vereiste hoedanigheid van werknemer had, moet worden beschouwd dat er vervroegde overdracht van het voormelde geheel of gedeelte van de effecten plaatsheeft en dient er op de hierna vermelde wijze te worden gehandeld.
XI. GEHELE OF GEDEELTELIJKE VERVROEGDE OVERDRACHT VANEFFECTEN
28. In geval van gehele of gedeeltelijke vervroegde overdracht van effecten waarvoor de aftrek is verleend wordt het afgetrokken bedrag pro rata temporis als een inkomen belast voor het jaar van de overdracht. De belastbare inkomsten van dat jaar omvatten dan, krachtens art. 67, 9°, WIB., als gezamenlijk belastbare diverse inkomsten, zoveel maal 1/60e van de aanschaffingsprijs van de overgedragen effecten als er nog volle maanden te lopen blijven tussen de datum van overdracht en de einddatum van de termijn van 5 jaar (termijn te rekenen vanaf de datum van de aanschaffing van de effecten).
29. Voor de berekening van het belastbare bedrag van die inkomsten, mag de aanschaffingsprijs redelijkerwijze worden beperkt tot het bedrag van de werkelijk verleende aftrek.
30. Is de overdracht evenwel te wijten aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht, dan wordt de vroeger verleende aftrek niet teruggenomen.
De belastingplichtige die overmacht doet gelden, moet, benevens het werkelijk bestaan van de overmacht, ook het oorzakelijke verband tussen deze buitengewone omstandigheid en het niet langer bezitten van de effecten bewijzen. Te dien opzichte wordt verwezen naar het bepaalde sub 43/66 tot 68, Com. IB.
Bij schenking, zelfs aan een erfgerechtigde in rechte lijn, of bij verkoop b.v. ingevolge verandering van werkgever, moet de vroeger verleende aftrek alleszins evenredig teruggenomen worden.
31. De wet voorziet in geen enkele mogelijkheid om de belastingheffing te ontgaan door wederbelegging na vervreemding van de effecten, zelfs niet bij verandering van werkgever.
XII. INWERKINGTREDING
32. De vorenstaande onderrichtingenzijn van toepassing met ingang van het aj. 1988.
Voor het aj. 1987 blijven de richtlijnen van de circ. 21.3.1986, Ci.RH.26/359.265 van kracht.
BIJZONDERE REGEL VOOR HET AJ. 1987
33. De onverenigbaarheid tussen de permanente aandelenaftrek en de aftrek voor pensioensparen waarvan sprake in nr. 17, Ie lid, moet voor het aj. 1987 per gezin worden beoordeeld.
Dit houdt in dat wanneer een permanente aandelenaftrek van toepassing is bij een der echtgenoten(maximum 40.000 BEF, verhoogd met 10.000 BEF voor de echtgenoot en voor ieder andere persoon ten laste), geen der echtgenoten voor dat aj. aanspraak heeft op de aftrek voor pensioensparen (zie K.B.22.12.1986, Verslag aan de Koning, B. 658, p. 276).
