Aanschrijving nr. 46 dd. 26.04.1972

AANSCHRIJVING 72/046

Aanschrijving nr. 46 dd. 26.04.1972


Exploitatie van een parking of een garage

Deze aanschrijving heeft tot doel de draagwijdte te bepalen van artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek, dat onder de dienstverrichtingen rangschikt : « de terbeschikkingstelling ten behoeve van gebruikers, van stalling voor rijtuigen door de exploitant van een parking of een garage, met of zonder bewaking ».

1. Exploitatie van een parking.

De exploitatie van een parking wordt gekenmerkt door de terbeschikkingstelling ten behoeve van gebruikers, meestal voor een korte duur, van stalling voor rijtuigen in een daarvoor uitgeruste inrichting. Ze veronderstelt het instellen van een controle die gewoonlijk wordt verricht aan de ingang en/of aan de uitgang en die inzonderheid tot doel heeft de prijs voor het stallen te bepalen. Die prijs is over het algemeen veranderlijk naar gelang van de duur van het gebruik der plaatsen.

Wanneer die voorwaarden vervuld zijn is de belasting verschuldigd over alle ontvangsten die de exploitant haalt uit de terbeschikkingstelling van stalling, zonder dat een onderscheid moet worden gemaakt volgens de aard van de plaatsen (privé-boxen, gemeenschappelijke plaatsen, duidelijk afgelijnde plaatsen, enz. ), volgens de gebruiksduur ervan (per uur, per maand, per jaar, enz.) of volgens de aard van de overeenkomst (bewakingscontract, onroerende verhuur, erfpacht, enz. ) .

2. Exploitatie van een garage.

A. Het begrip « exploitant van een garage » in het algemeen .

De woorden « exploitant van een garage » beogen niet alleen de garagehouder in de gebruikelijke betekenis van het woord, maar ook meer algemeen een ieder wiens beroepswerkzaamheid bestaat in de exploitatie van een inrichting die uitgerust is als bergplaats voor rijtuigen.

De belasting is slechts verschuldigd indien de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen geschiedt in het kader van een eigenlijke exploitatie, wat veronderstelt dat de exploitant de bedoeling heeft beroepsinkomsten te verwerven door de uitoefening van die werkzaamheid. De belasting is daarentegen niet verschuldigd wanneer iemand dergelijke handelingen verricht voor het beheer van zijn onroerend vermogen .

Om te bepalen of iemand die geen garagehouder is handelt als exploitant van een garage moet rekening worden gehouden met een geheel van uiterlijke aanwijzingen die een exploitatie kenmerken.

Onder deze aanwijzingen kunnen onder meer worden aangestipt :
-- het uitoefenen van een zelfstandige beroepswerkzaamheid, wanneer de terbeschikkingstelling van stalling voorkomt als een bijhorigheid van die werkzaamheid en deze bevordert (bijvoorbeeld, stalling tegen betaling voor bezoekers of voor personeelsleden);
-- het aan gebruikers aanbieden van diensten, gekenmerkt door blijvende uiterlijke tekenen (uithangbord; muurplaat; aanplakbrieven; reklame, onder meer in de telefoongids, enz. );
-- het aantal standplaatsen en de bijzondere inrichting ervan (aflijning, nummering, inrichting van in- en uitgaven);
-- het bestaan van investeringen (bouw, verbouwing, inrichting) vooral wanneer daartoe belangrijke financieringen noodzakelijk zijn;
-- het tewerkstellen van personeel voor de exploitatie;
-- het belasten van de opbrengst van de terbeschikkingstelling van stalling als bedrijfsinkomsten voor de heffing van de inkomstenbelasting;
-- het onderworpen zijn aan de sociale wetten en de sociale verzekeringen voor zelfstandigen wegens het uitoefenen van de beoogde werkzaamheid;
-- het inschrijven in het handelsregister (dit is nochtans niet noodzakelijk wanneer de exploitatie bestaat in een onroerende verhuur met burgerlijk karakter ) :
-- het houden van een handelsboekhouding.

Er wordt opgemerkt dat bij de beoordeling van de bovengenoemde aanwijzingen het niet noodzakelijk is dat ze alle samen aanwezig zijn om te besluiten dat er een exploitatie bestaat maar dat het of de in aanmerking genomen criteria relevant moeten zijn.

Wanneer de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen geschiedt in het kader van een exploitatie is de belasting verschuldigd zonder dat er een onderscheid hoeft te worden gemaakt volgens de aard van de stalling, volgens de gebruiksduur ervan of volgens de aard van de overeenkomst.

B. Exploitatie door een garagehouder.

De terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen door een garagehouder wordt steeds geacht te geschieden in het kader van de exploitatie van een garage wanneer de stalling een integrerend deel uitmaakt van het gebouwencomplex waarin rijtuigen worden verkocht, hersteld of onderhouden. Wanneer de stalling zich buiten het gebouwencomplex bevindt en de garagehouder een fysieke persoon is, moet er, overeenkomstig de normen uiteengezet onder letter A, worden uitgemaakt of hij voor deze stalling als particulier of als exploitant handelt.

Voor de toepassing van wat voorafgaat verstaat men onder « garagehouder » een ieder wiens beroepswerkzaamheid bestaat in het verkopen, het herstellen of het onderhouden van rijtuigen, Buiten de garagehouders in de eigenlijke zin van het woord worden eveneens bedoeld : de koetswerkmakers, de exploitanten van «car-wash » en de verkopers van nieuwe en tweedehandse rijtuigen. Daarentegen wordt niet als garagehouder aangemerkt de exploitant van een benzinestation die, buiten de verkopen die hij doet, slechts klein onderhoud verricht (olieverversing, voorlopige pechverhelping, oppompen van banden, ruiten wassen).

C. Exploitatie door een vennootschap.

Zoals de fysieke personen hoeven de rechtspersonen en inzonderheid de vennootschappen, voor de terbeschikkingstelling van stalling slechts als exploitant van een garage te worden aangemerkt wanneer deze handeling geschiedt in het kader van een specifieke beroepswerkzaamheid of voorkomt als een bijhorigheid van de eigenlijke werkzaamheid en deze bevordert.

De belasting is dus niet verschuldigd wanneer de terbeschikkingstelling van stalling geen rechtstreeks verband houdt met de door de vennootschap uitgeoefende werkzaamheid en voor haar slechts een daad van beheer van haar onroerend vermogen is. Het is terzake van weinig belang dat de inkomsten van de vennootschap uit zulke daden op het stuk van de inkomstenbelasting als bedrijfsinkomsten worden aangemerkt.

3. Beoogde rijtuigen.

Voor de toepassing van artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek wordt onder rijtuigen verstaan, ieder rijtuig voor personen- of goederenvervoer langs de weg, alsmede aanhangwagens daarvoor (vrachtwagens, autobussen, personenauto's, kampeerwagens, motorrijwielen, fietsen, enz. ) .

4. Tarief.

Bij toepassing van rubriek VI van tabel B van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20, van 20 juli 1970, zijn de diensten bedoeld in artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek, onderworpen aan het tarief van 14 pct.

Dat tarief bedraagt evenwel 6 pct. wanneer de dienst wordt verstrekt in het kader van een huisvestingscontract tussen een hotelhouder en een reiziger.

5. Plaats van gebruik.

Naar luid van artikel 1, 5 o, van het koninklijk besluit nr. 5, van 6 februari 1970, met betrekking tot de plaats van gebruik van diensten, worden de diensten bedoeld in artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek, als hier te lande gebruikte diensten aangemerkt wanneer de stalling hier te lande is gelegen,

6. Stalling voor rijtuigen ingericht in flatgebouwen.

Artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek is niet van toepassing ter zake van de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen ingericht in flatgebouwen of in de aanhorigheden ervan, wanneer deze terbeschikkingstelling wordt toegestaan aan de medeëigenaars of aan de huurders van de appartementen. Deze oplossing geldt evenwel niet wanneer de fysieke persoon of de rechtspersoon die de stalling ter beschikking stelt moet worden aangemerkt als exploitant van een parking of van een voor het publiek toegankelijk zijnde garage.

7. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen door een onderneming aan haar personeelsleden.

Wanneer een onderneming stalling voor rijtuigen ter beschikking stelt aan haar personeelsleden in de omstandigheden bedoeld in de nummers 1 en 2 van deze aanschrijving, is de belasting in de betrekkingen met haar personeelsleden slechts verschuldigd indien aan het personeelslid een vergoeding wordt gevraagd of indien, bij ontstentenis van een vergoeding, de terbeschikkingstelling van stalling als een voordeel in natura wordt aangemerkt voor de toepassing van de inkomstenbelasting.

8. Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen door landbouwondernemers.

Ter gelegenheid van sportwedstrijden of andere manifestaties gebeurt het dat landbouwondernemers terreinen, die zij bij de uitoefening van hun landbouwwerkzaamheid gebruiken, tegen vergoeding ter beschikking stellen van de toeschouwers voor het stallen van rijtuigen tijdens de duur van de wedstrijd of de manifestatie.

Bij gebrek aan een bijzondere inrichting is die handeling niet bedoeld in artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek.

9. Organisatie van een parkeergelegenheid onder controle van een toestel genoemd «parkingmeter».

Artikel 18, § 1, 8 o, van het Wetboek is niet toepasselijk op de organisatie van een parkeergelegenheid op de openbare weg, tegen betaling en gecontroleerd door middel van toestellen genoemd «parkingmeters», wanneer deze organisatie voortspruit uit een beslissing van de gemeentelijke overheid.