Circulaire nr. Ci.RH.332/362.892 dd. 28.02.1986
CIRC 28.02.86/1
Circulaire nr. Ci.RH.332/362.892 dd. 28.02.1986
Bull. nr. 649, pag. 668
ROERENDE INKOMSTEN
Bijzonder heffing op roerende inkomsten (art. 42, W. 28.12.1983).
Commentaar op art. 42, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen : regels betreffende de vaststelling van de grondslag, de berekening, de aanslagprocedure en de invordering van de bijzondere heffing op roerende inkomsten en op diverse inkomsten van roerende aard.
INHOUDSOPGAVE I. INLEIDING 1 II. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN 2 en 3 III. BEDOELDE INKOMSTEN A. Algemeen 4 B. Indeling van de inkomsten 1. Inkomsten die onder de grens van 316.000 F vallen 5 2. Inkomsten die onder de grens van 1.110.000 F vallen 6 IV. NIET BEDOELDE INKOMSTEN 7 V. BEPALING VAN DE BEREKENINGSGRONDSLAG VAN DE BIJZONDERE HEFFING A. Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen, leningen en gelddeposito's 8 B. Met betrekking tot de in nr. 6 bedoelde roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard 9 VI. BEREKENINGSMODALITEITEN VAN DE BIJZONDERE HEFFING A. Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen, leningen en gelddeposito's 10 B. Met betrekking tot de in nr. 6 bedoelde roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard 11 C. Belangrijke opmerkingen 12 D. Toepassingsvoorbeelden 13 tot 17 VII. GEVALLEN WAARIN DE BIJZONDERE HEFFING NIET VERSCHULDIGD IS A. Eerste geval : volgens het stelsel van de volledige globalisatie in de PB belaste inkomsten 18 B. Tweede geval : voorwaardelijke vrijstelling van de bijzonder heffing 1. Grondbeginsel 19 2. Vorm van de aan te gane verbintenis 20 3. Effecten die voor de belegging in aanmerking komen 21 tot 24 4. Bedrag van de belegging 25 tot 27 5. Termijn waarbinnen de belegging moet gebeuren 28 6. Vastheid van de belegging 29 tot 33 7. Bewijs van de naleving van de investeringsverbintenis en van de bewaring van de effecten - Sanctie 34 VIII. AANGIFTEPLICHT 35 en 36 IX. PROCEDURE A. Grondbeginsel 37 B. Aanslag 38 X. EISBAARHEID - NALATIGHEIDSINTERESTEN 39 tot 41 BIJLAGE : tekst van art. 42, W. 28.12.1983. I. INLEIDING
1. Art. 42, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V. 1704 - B. 625), waarvan de tekst in bijlage is opgenomen, heeft met ingang van het aj. 1985, uitsluitend in het voordeel van de Staat, een bijzondere heffing ingevoerd ten laste van de aan PB onderworpen belastingplichtigen die belangrijke roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard genieten.
Deze bepaling strekt ertoe op forfaitaire wijze sommige - voor de belastingplichtige te voordelige - neveneffecten van het bevrijdend karakter dat aan de RV werd toegekend door de art. 16 en 36 van de voormelde wet (die bepalingen zijn het voorwerp van een jaarlijkse commentaar) te neutraliseren.
II. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN
2. Het gaat om de belastingplichtigen die aan de PB onderworpen zijn en wier roerende inkomsten één van de twee hiernavermelde grenzen of beide, overschrijden :
3. De grenzen van 316.000 F en 1.110.000 F gelden per gezin behoudens voor het jaar van het huwelijk, van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed, alsmede vanaf het jaar dat volgt op de feitelijke scheiding.
De inkomsten van het gezin die met de voormelde grenzen moeten worden vergeleken, omvatten ook de roerende inkomsten van de kinderen wanneer de ouders het wettelijke genot van deze laatste inkomsten hebben.
III. BEDOELDE INKOMSTEN (*)
A. Algemeen
4. De dubbele grens van 316.000 F en 1.110.000 F is gesteund op de twee voornaamste bronnen van roerende inkomsten, nl. :
Zij laat daarenboven toe rekening te houden met het verschillend fiscale statuut eigen aan elk van die beleggingen. De bedragen van 316.000 F resp. 1.110.000 F zijn immers de grenzen waaronder, in het stelsel van de volledige globalisatie, de RV geheel of gedeeltelijk moet worden teruggegeven aan de (alleenstaande) belastingplichtige wiens belastbaar inkomen uitsluitend bestaat uit, hetzij interesten van obligaties, enz., hetzij dividenden of inkomsten van belegde kapitalen (zie Kamer, zitting 1983-1984, doc. 758, nr. 15, blzn. 51-52).
De inkomsten der certificaten van Belgische en buitenlandse gemeenschappelijke beleggingsfondsen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, zijn gelijkgesteld met inkomsten van schuldvorderingen en leningen van respectievelijk Belgische en buitenlandse oorsprong. Wanneer de vennootschap die het fonds beheert, voor elke betaalbaar gestelde coupon, het bedrag ervan in de vereiste vorm omdeelt per categorie van inkomsten waaruit hij is samengesteld, moet elk van die belastbare bestanddelen volgens zijn specifieke aard in aanmerking worden genomen om uit te maken of het gaat om een inkomen waarvoor de grens van 316.000 F of 1.110.000 F geldt.
B. Indeling van de inkomsten
1. Inkomsten die onder de grens van 316.000 F vallen :
2. Inkomsten die onder de grens van 1.110.000 F vallen :
IV. NIET BEDOELDE INKOMSTEN
7. De onder A en B hierna vermelde inkomsten komen niet in aanmerking voor de berekening van de grenzen van 316.000 F en 1.110.000 F.
V. BEPALING VAN DE BEREKENINGSGRONDSLAG VAN DE BIJZONDERE HEFFING
8. De berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing is gelijk aan het verschil tussen het totale nettobedrag, beperkt tot 1.110.000 F, van die inkomsten, en 316.000 F.
9. De berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing is gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het totale nettobedrag van die inkomsten (met inbegrip van het totale nettobedrag van de inkomsten waarvan in nr. 8 sprake is, vóór aftrek van 316.000 F) en anderzijds, 1.110.000 F.
VI. BEREKENINGSMODALITEITEN VAN DE BIJZONDERE HEFFING
A. Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen leningen en gelddeposito's
D. Toepassingsvoorbeelden Voorbeeld 1 13. Gegevens : Netto-inkomsten van Belgische obligaties : 200.000 F Nettodividenden van Belgische oorsprong : 700.000 F --------- Totaal 900.000 F Oplossing : Geen enkele van de grenzen van 316.000 F en 1.110.000 F is overschreden. De bijzondere heffing is niet verschuldigd. Voorbeeld 2 14. Gegevens : Netto-inkomsten van Belgische obligaties : 900.000 F Nettodividenden van Belgische oorsprong : 100.000 F --------- Totaal 1.000.000 F Oplossing : De grens van 316.000 F (cf. nr. 5) is overschreden. Berekeningsgrondslag (cf. nr. 8) : 900.000 - 316.000 = 584.000 F Berekening van de bijzondere heffing (cf. nr. 10) : 384.000 x 20 pct. = 76.800 F 200.000 (584.000 - 384.000) x 23 pct. = 46.000 F -------- Verschuldigde bijzondere heffing : 122.800 F ========= Voorbeeld 3 15. Gegevens : Netto-inkomsten van Belgische obligaties : 200.000 F Nettodividenden van Belgische oorsprong : 1.000.000 F ----------- Totaal 1.200.000 F Oplossing : Alleen de grens van 1.110.000 F (cf. nr. 6) is overschreden. Berekeningsgrondslag (cf. nr. 9) : 1.200.000 - 1.110.000 = 90.000 F Verschuldigde bijzondere heffing : 90.000 x 27 pct. (cf. nr. 11) = 24.300 F ======== Voorbeeld 4 16. Gegevens : Netto-inkomsten van Belgische obligaties : 400.000 F Nettodividenden van Belgische oorsprong : 800.000 F --------- Totaal 1.200.000 F Oplossing : Beide grenzen van 316.000 F en van 1.110.000 F (cf. nrs. 5 en 6) zijn overschreden. Berekeningsgrondslag : a) voor de inkomsten van obligaties (cf. nr. 8) : 400.000 - 316.000 = 84.000 F b) voor het totaal van de roerende inkomsten (cf. nr. 9) : 1.200.000 - 1.110.000 = 90.000 F Verschuldigde bijzondere heffing (cf. nrs. 10 en 11) : 84.000 x 20 pct. = 16.800 F 90.000 x 27 pct. = 24.300 F -------- 41.100 F ======== Voorbeeld 5 17. Gegevens : Netto-inkomsten van Belgische obligaties : 1.200.000 F Oplossing : Beide grenzen van 316.000 F en van 1.110.000 F (cf. nrs 5 en 6) zijn overschreden. Berekeningsgrondslag (cf. nrs 8 en 9). a) 1.200.000 F beperkt tot 1.110.000 - 316.000 = 794.000 F b) 1.200.000 - 1.110.000 = 90.000 F Berekening van de bijzondere heffing (cf. nrs. 10 en 11) a) op de grondslag van 794.000 F : 384.000 x 20 pct. = 76.800 F 410.000 x 23 pct. = 94.300 F -------- 171.100 F b) op de grondslag van 90.000 F : 90.000 x 27 pct. = 24.300 F --------- c) verschuldigde bijzondere heffing : 195.400 F ========= VII. GEVALLEN WAARIN DE BIJZONDERE HEFFING NIET VERSCHULDIGD IS
A. Eerste geval : volgens het stelsel van de volledige globalisatie in de PB belaste inkomsten
18. De bijzondere heffing op roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard is niet verschuldigd wanneer de volgende twee voorwaarden samen vervuld zijn :
1. Grondbeginsel
19. De vrijstelling van de bijzondere heffing kan worden bekomen door de belastingplichtige die de verbintenis aangaat en naleeft om :
2. Vorm van de aan te gane verbintenis
20. De verbintenis wordt door de belastingplichtige aangegaan door middel van de daartoe in fine van de aangifte in de bijzondere heffing ingelaste formule.
3. Effecten die voor de belegging in aanmerking komen
21. De belegging moet bestaan in het onderschrijven en het afbetalen :
22. Voor de toepassing van de voormelde regel worden niet aangemerkt als obligaties uitgegeven door vennootschappen die zich met een industriële werkzaamheid bezighouden, de obligaties welke inzonderheid worden uitgegeven door :
23. In geval van twijfel, zal de Hfd.cr./nat.pers. niet aarzelen zijn collega van de Ven.B. te raadplegen om uit te maken of de voor de belegging gebruikte obligaties (cf. nr. 21) daadwerkelijk werden uitgegeven door een vennootschap die zich met een industriële werkzaamheid bezighoudt.
Algemene opmerkingen met betrekking tot de aard van de belegging
24.
4. Bedrag van de belegging
25. De belastingplichtige moet in principe een som beleggen die ten minste gelijk is aan de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing.
In het bedrag van de belegging zijn de bijkomende kosten (taksen, makelaarslonen, enz.) en de inschrijvingsrechten begrepen.
26. Wanneer de werkelijke belegging evenwel slechts gedeeltelijk het bedrag van de voormelde berekeningsgrondslag dekt, worden de belegde bedragen van de grondslag van de bijzondere heffing afgetrokken, te beginnen met de minst belaste schijven.
Voorbeeld
27. Gegevens :
Een belastingplichtige heeft in 1984 de volgende inkomsten behaald :
In zijn aangifte in de bijzondere heffing van het aj. 1985 gaat hij de investeringsverbintenis aan (cf. nr. 19). Op 31.12.1986 is hij zijn verbintenis slechts ten belope van 500.000 F nagekomen (50 aandelen A van 10.000 F).
Aanrekening van de gedeeltelijke belegging en berekening van de bijzondere heffing
Berekeningsgrondslag van de heffing (cf. nrs. 8 en 9) :
De belegging van 500.000 F wordt bij voorrang aangerekend op de minst belaste schijven (cf. barema nrs. 10 en 11), nl. : - op de grondslag onder a : schijf van 284.000 F (belastbaar aan 20 pct.). aanrekening van 500.000 F beperkt tot - 284.000 F ----------- blijft : 0 F N.B. In dit voorbeeld is er geen schijf aan 23 pct. belastbaar. - op de grondslag onder b : schijf van 390.000 F (belastbaar aan 27 pct.) aan te rekenen saldo : - 216.000 F (500.000 - 284.000). ----------- blijft : 174.000 F Berekening van de bijzondere heffing : 174.000 x 27 pct. = 46.980 F 500.000 x 32 pct. = 160.000 F 500.000 x 37 pct. = 185.000 F 100.000 x 42 pct. = 42.000 F --------- Totaal : 433.980 F, in te kohieren voor het aj. 1985. ========= 5. Termijn waarbinnen de belegging moet gebeuren
28. De verbintenis tot beleggen moet door de belastingplichtige worden uitgevoerd vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de inkomsten die de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing vormen, werden geïnd of verkregen (d.w.z. ten laatste op 31.12.1986 wat de inkomsten van 1984 betreft).
6. Vastheid van de belegging
29. Om de vrijstelling van de bijzondere heffing te kunnen genieten, moet de belastingplichtige de effecten, waarvoor de vrijstelling werd toegekend, gedurende ten minste vijf jaar bewaren; deze termijn begint te lopen vanaf de datum van de aanschaffing van de effecten (datum van afbetaling).
30. In geval die effecten geheel of gedeeltelijk worden vervreemd binnen die termijn van vijf jaar blijft de vrijstelling van de bijzondere heffing behouden indien de belastingplichtige de overdrachtsprijs wederbelegt :
31. Wanneer de wederbelegging slechts gedeeltelijk de overdrachtsprijs van de vervreemde effecten dekt, wordt het terug te nemen gedeelte van de voorheen vrijgestelde berekeningsgrondslag vastgesteld aan de hand van de volgende formule : B A - ( A x -) C A = berekeningsgrondslag die werd vrijgesteld ingevolge het naleven van de investeringsverbintenis; B = aanschaffingsprijs van de als wederbelegging gebruikte effecten; C = overdrachtsprijs van de vervreemde effecten. Het aldus bepaalde gedeelte dat moet worden teruggenomen, wordt belast tegen het tarief dat overeenstemt met de voorheen vrijgestelde inkomstenschijven, beginnend met het hoogste tarief.
Voorbeeld
32. Zelfde gegevens als in het voorbeeld nr. 27. Op 31.03.1989 verkoopt de belastingplichtige evenwel al zijn aandelen A voor 600.000 F ( 50 maal 12.000 F) en vóór 30.06.1989 wederbelegt hij 400.000 F door aanschaffing van 25 aandelen B van 16.000 F, van dezelfde aard als de aandelen A.
Oplossing :
Terug te nemen gedeelte : 400.000 F 500.000 F - (500.000 F x ---------) = 166.667 F 600.000 F Taxatie van dit gedeelte :
De voorheen verleende vrijstelling (zie nr. 27) heeft, ten belope van 216.000 F, betrekking op de belastbare schijf van 27 pct.; het terug te nemen gedeelte, ten bedrage van 166.667 F, moet dus tegen dit tarief worden belast.
Het in te kohieren supplement bedraagt 166.667 F x 27 pct. = 45.000 F
Men handelt in feite alsof de aanvankelijke investering beperkt ware geweest tot 333.333 F (500.000 F - 166.667 F).
De heffing die had moeten ingekohierd worden moet bijgevolg als volgt worden berekend :
De 1ste schijf van 284.000 F wordt volledig vrijgesteld door aanrekening van de belegging.
Berekening van de heffing : 340.667 [= 390.000 - (333.333 - 284.000)] x 27 pct. = 91.980 F 500.000 x 32 pct. = 160.000 F 500.000 x 37 pct. = 185.000 F 100.000 x 42 pct. = 42.000 F ----------- Bijzondere heffing op 1.440.667 F : 478.980 F Aanvankelijke heffing : - 433.980 F ----------- In te kohieren supplement voor aj. 1985 : 45.000 F 33. Geen enkele verplichting tot wederbelegging wordt opgelegd aan de erfgenamen (de overdracht is te wijten aan het overlijden van de belastingplichtige), noch aan de belastingplichtige die door een geval van overmacht getroffen is.
Er wordt aan herinnerd dat de belastingplichtige die zich op overmacht beroept, verplicht is het bewijs te leveren niet alleen van de overmacht die hem verhinderd heeft te handelen, maar ook van het oorzakelijk verband tussen die uitzonderlijke omstandigheid en de overdracht van aandelen of delen.
34. Het bewijs van de bewaring van de effecten kan worden geleverd aan de hand van bescheiden uitgaande van de financiële instelling waarbij de effecten eventueel in bewaring werden gegeven of, bij ontstentenis daarvan, door het werkelijk bezit van de effecten aan te tonen.
Indien de aangegane verbintenis niet wordt nageleefd, wordt de bijzondere heffing ingekohierd voor het aj. waarvoor zij, indien geen verbintenis ware aangegaan, zou moeten ingekohierd geweest zijn.
VIII. AANGIFTEPLICHT
35. De betrokken belastingplichtigen zijn ertoe gehouden de aan de bijzondere heffing onderworpen roerende en diverse inkomsten aan te geven (*) in een daartoe speciaal ontworpen formulier, waarvan het model door de Koning wordt bepaald.
36. Het model van de aangifte in de bijzondere heffing werd vastgelegd bij KB 04.09.1985 (B.S. 30.10.1985).
Voor het aj. 1985 werden via een bericht in het Belgisch Staatsblad, waarvan de pers verzocht werd over te nemen de betrokken belastingplichtigen in kennis gesteld van hun verplichting een aangifteformulier aan te vragen bij de taxatiedienst waarvan zij afhangen en van de termijn waarover zij beschikken om het bedoelde formulier - behoorlijk ingevuld - aan die dienst terug te zenden.
Wat de ajren 1986 en volgende betreft, moet de aangifte waarvan sprake door de belastingplichtige binnen de termijn bepaald in art. 215, § 3, WIB worden aangevraagd.
IX. PROCEDURE
A. Grondbeginsel
37. Voor zover er niet wordt van afgeweken (cf. nrs. 38 tot 41), zijn de bepalingen van titel VII, van het WIB, van toepassing op de bijzondere heffing.
B. Aanslag
38. Indien de investeringsverbintenis niet (of gedeeltelijk) wordt aangegaan of indien een dergelijke verbintenis niet (of slechts gedeeltelijk) wordt nageleefd, wordt de bijzondere heffing ingekohierd.
De inkohiering kan zelfs worden verricht na het verstrijken van de in art. 259, WIB, bepaalde buitengewone aanslagtermijnen van 3 en 5 jaar.
Zelfs in het geval bedoeld in het voorgaande lid, wordt de bijzondere heffing verbonden aan het aj. waarvan het jaartal samenvalt met het jaar volgend op dat waarin de aan de heffing onderworpen inkomsten zijn geïnd of verkregen.
X. EISBAARHEID - NALATIGHEIDSINTERESTEN
39. De bijzondere heffing is onmiddellijk eisbaar, wat betekent dat op het aanslagbiljet dat aan de belastingschuldige zal worden toegezonden geen enkele betalingstermijn zal worden vermeld.
40. Wanneer de investeringsverbintenis niet (of slechts gedeeltelijk) wordt nageleefd, of wanneer de effecten niet worden bewaard en de overdrachtsprijs niet wordt wederbelegd zoals bepaald in de nrs. 29 en 30, is een overeenkomstig art. 305, WIB, berekende nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 januari van het aj. waarvoor de bijzondere heffing verschuldigd is.
Wanneer de investeringsverbintenis niet werd aangegaan zullen de nalatigheidsinteresten daarentegen slechts beginnen te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin het aanslagbiljet werd verzonden.
41. Gelet op het dwingend karakter van deze laatste regel dienen de verantwoordelijke ambtenaren de nodig schikkingen te treffen opdat de verzending van de desbetreffende aanslagbiljetten zou plaats vinden binnen de eerste tien dagen van de maand.
Bijlage
Tekst van art. 42, W. 28.12.1983
§ 1. In geval van toepassing van artikel 93, § 1, 1°bis en 5°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt er, uitsluitend in het voordeel van de Staat, een met de personenbelasting gelijkgestelde bijzondere heffing gevestigd ten name van de aan die belasting onderworpen belastingplichtigen van wie het nettobedrag van de inkomsten uit roerende goederen en kapitalen als bedoeld in artikel 11 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, vermeerderd met het nettobedrag van de inkomsten als bedoeld in artikel 67, 4° tot 6°, van hetzelfde Wetboek, hoger is dan 1.110.000 frank.
Die heffing wordt bepaald op :
De inkomsten van alle schuldvorderingen en leningen en van in bewaring gegeven geldsommen als bedoeld in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zijn bovendien belastbaar zodra het nettobedrag ervan hoger is dan 316.000 frank; in dat geval wordt de heffing voor de tussen 316.000 frank en 1.110.000 frank liggende inkomsten bepaald op :
§ 2. Onder nettobedrag van de in § 1 bedoelde inkomsten wordt verstaan het bedrag dat in enigerlei vorm is geïnd of verkregen, na aftrek van de roerende voorheffing, maar vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten.
Het omvat niet de inkomsten bedoeld in de artikelen 19 en 174, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
§ 3. De bijzondere heffing is niet verschuldigd door de belastingplichtigen die de verbintenis aangaan en naleven :
§ 4. Indien en in zover de in § 3 bedoelde verbintenis niet wordt genomen of niet wordt nageleefd, is de bijzondere heffing verschuldigd voor het aanslagjaar dat samenvalt met het jaar dat volgt op dat waarin de aan de heffing onderworpen inkomsten zijn geïnd of verkregen.
De heffing wordt, zelfs na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 259 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, ten kohiere gebracht; zij is onmiddellijk eisbaar en als de in § 3 van dit artikel bedoelde verbintenis niet is nageleefd, is een overeenkomstig artikel 305 van hetzelfde Wetboek berekende nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar dat samenvalt met het aanslagjaar waarvoor zij is verschuldigd.
Wanneer de in § 3, 1°, bedoelde herbelegging het nettobedrag van de in § 1 bedoelde inkomsten slechts ten dele dekt, worden de herbelegde bedragen aangerekend op de grondslag van de bijzondere heffing, te beginnen met de minst belaste schijven.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel worden niet aangemerkt als obligaties uitgegeven door vennootschappen die zich bezighouden met een industriële werkzaamheid, de obligaties welke inzonderheid worden uitgegeven door kredietinstellingen, verzekeringsmaatschappijen, ondernemingen van hypothecaire leningen, kapitalisatieondernemenigen, portefeuillemaatschappijen, vastgoedmaatschappijen en vervoerondernemingen.
§ 6. De in § 1 bedoelde belastingplichtigen zijn gehouden de aan de bijzondere heffing onderworpen roerende inkomsten aan te geven in een bijzonder formulier voor de toepassing van die heffing, volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten. In zover er niet wordt van afgeweken zijn de bepalingen van titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van toepassing op de bij dit artikel ingevoerde bijzondere heffing.
Circulaire nr. Ci.RH.332/362.892 dd. 28.02.1986
Bull. nr. 649, pag. 668
ROERENDE INKOMSTEN
Bijzonder heffing op roerende inkomsten (art. 42, W. 28.12.1983).
Commentaar op art. 42, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen : regels betreffende de vaststelling van de grondslag, de berekening, de aanslagprocedure en de invordering van de bijzondere heffing op roerende inkomsten en op diverse inkomsten van roerende aard.
INHOUDSOPGAVE I. INLEIDING 1 II. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN 2 en 3 III. BEDOELDE INKOMSTEN A. Algemeen 4 B. Indeling van de inkomsten 1. Inkomsten die onder de grens van 316.000 F vallen 5 2. Inkomsten die onder de grens van 1.110.000 F vallen 6 IV. NIET BEDOELDE INKOMSTEN 7 V. BEPALING VAN DE BEREKENINGSGRONDSLAG VAN DE BIJZONDERE HEFFING A. Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen, leningen en gelddeposito's 8 B. Met betrekking tot de in nr. 6 bedoelde roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard 9 VI. BEREKENINGSMODALITEITEN VAN DE BIJZONDERE HEFFING A. Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen, leningen en gelddeposito's 10 B. Met betrekking tot de in nr. 6 bedoelde roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard 11 C. Belangrijke opmerkingen 12 D. Toepassingsvoorbeelden 13 tot 17 VII. GEVALLEN WAARIN DE BIJZONDERE HEFFING NIET VERSCHULDIGD IS A. Eerste geval : volgens het stelsel van de volledige globalisatie in de PB belaste inkomsten 18 B. Tweede geval : voorwaardelijke vrijstelling van de bijzonder heffing 1. Grondbeginsel 19 2. Vorm van de aan te gane verbintenis 20 3. Effecten die voor de belegging in aanmerking komen 21 tot 24 4. Bedrag van de belegging 25 tot 27 5. Termijn waarbinnen de belegging moet gebeuren 28 6. Vastheid van de belegging 29 tot 33 7. Bewijs van de naleving van de investeringsverbintenis en van de bewaring van de effecten - Sanctie 34 VIII. AANGIFTEPLICHT 35 en 36 IX. PROCEDURE A. Grondbeginsel 37 B. Aanslag 38 X. EISBAARHEID - NALATIGHEIDSINTERESTEN 39 tot 41 BIJLAGE : tekst van art. 42, W. 28.12.1983. I. INLEIDING
1. Art. 42, W. 28.12.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V. 1704 - B. 625), waarvan de tekst in bijlage is opgenomen, heeft met ingang van het aj. 1985, uitsluitend in het voordeel van de Staat, een bijzondere heffing ingevoerd ten laste van de aan PB onderworpen belastingplichtigen die belangrijke roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard genieten.
Deze bepaling strekt ertoe op forfaitaire wijze sommige - voor de belastingplichtige te voordelige - neveneffecten van het bevrijdend karakter dat aan de RV werd toegekend door de art. 16 en 36 van de voormelde wet (die bepalingen zijn het voorwerp van een jaarlijkse commentaar) te neutraliseren.
II. BEDOELDE BELASTINGPLICHTIGEN
2. Het gaat om de belastingplichtigen die aan de PB onderworpen zijn en wier roerende inkomsten één van de twee hiernavermelde grenzen of beide, overschrijden :
- 1e grens : 316.000 F (nettobedrag) inkomsten van schuldvorderingen, leningen en in bewaring gegeven geldsommen van Belgische oorsprong;
- 2e grens : 1.110.000 F (nettototaal) inkomsten van kapitalen en roerende goederen (met inbegrip van die waarvan hiervoor sprake is) en diverse inkomsten van roerende aard, ongeacht de oorsprong (Belgische of buitenlandse) van die inkomsten.
3. De grenzen van 316.000 F en 1.110.000 F gelden per gezin behoudens voor het jaar van het huwelijk, van de ontbinding van het huwelijk of van de scheiding van tafel en bed, alsmede vanaf het jaar dat volgt op de feitelijke scheiding.
De inkomsten van het gezin die met de voormelde grenzen moeten worden vergeleken, omvatten ook de roerende inkomsten van de kinderen wanneer de ouders het wettelijke genot van deze laatste inkomsten hebben.
III. BEDOELDE INKOMSTEN (*)
| (*) | De bijzondere heffing is niet van toepassing op de roerende inkomsten met bedrijfskarakter die, krachtens het bij art. 33, WIB, ingestelde principe, als bedrijfsinkomsten moeten worden belast. |
4. De dubbele grens van 316.000 F en 1.110.000 F is gesteund op de twee voornaamste bronnen van roerende inkomsten, nl. :
- enerzijds, de obligaties, de leningen en de in bewaring gegeven geldsommen en
- anderzijds, de aandelen en deelbewijzen.
Zij laat daarenboven toe rekening te houden met het verschillend fiscale statuut eigen aan elk van die beleggingen. De bedragen van 316.000 F resp. 1.110.000 F zijn immers de grenzen waaronder, in het stelsel van de volledige globalisatie, de RV geheel of gedeeltelijk moet worden teruggegeven aan de (alleenstaande) belastingplichtige wiens belastbaar inkomen uitsluitend bestaat uit, hetzij interesten van obligaties, enz., hetzij dividenden of inkomsten van belegde kapitalen (zie Kamer, zitting 1983-1984, doc. 758, nr. 15, blzn. 51-52).
De inkomsten der certificaten van Belgische en buitenlandse gemeenschappelijke beleggingsfondsen die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, zijn gelijkgesteld met inkomsten van schuldvorderingen en leningen van respectievelijk Belgische en buitenlandse oorsprong. Wanneer de vennootschap die het fonds beheert, voor elke betaalbaar gestelde coupon, het bedrag ervan in de vereiste vorm omdeelt per categorie van inkomsten waaruit hij is samengesteld, moet elk van die belastbare bestanddelen volgens zijn specifieke aard in aanmerking worden genomen om uit te maken of het gaat om een inkomen waarvoor de grens van 316.000 F of 1.110.000 F geldt.
B. Indeling van de inkomsten
1. Inkomsten die onder de grens van 316.000 F vallen :
| 5. | Het gaat hier om de inkomsten : |
| a) | van obligaties, van kasbons of van andere schuldvorderingen en leningen ten laste van vennootschappen met maatschappelijke zetel of voornaamste bestuursinrichting in België of van natuurlijke personen die hun woon- of verblijfplaats in België hebben (art. 11, 1° partim en 11, 3°, b, WIB); |
| b) | van leningen die uitgegeven zijn door de Belgische openbare machten en die niet vrijgesteld zijn van belasting krachtens bijzondere wettelijke bepalingen (art. 11, 2°, WIB); |
| c) | van geldsommen die in België in bewaring zijn gegeven bij bank-, wissel-, krediet-, consignatie- of spaarinstellingen, bij bankiers, notarissen, zaakwaarnemers of andere waarnemers (art. 11, 3°, c, WIB); |
| d) | van dezelfde aard als die bedoeld onder a en c hiervoor, voor zover zij worden toegerekend op de inkomsten van inrichtingen waarover niet-verblijfhouders in België beschikken (art. 11, 7° partim, WIB). |
| 6. | Het betreft hier inkomsten of opbrengsten : |
| a) | waarvan sprake is onder nr. 5; |
| b) | van om het even welke aandelen of delen van vennootschappen met maatschappelijke zetel of voornaamste bestuursinrichting in België (art. 11, 1° partim, WIB); |
| c) | van in Belgische personenvennootschappen belegde kapitalen (art. 11, 3°, a, WIB); |
| d) | van buitenlandse roerende waarden, van schuldvorderingen op het buitenland, van in het buitenland gedeponeerde geldsommen (art. 11, 4°, WIB); |
| e) | van verhuring, verpachting, gebruik en concessie van alle roerende goederen in België of in het buitenland (11" book="CATCH_ALL">11 |
| f) | begrepen in lijfrenten of tijdelijke renten, pensioenen uitgezonderd, na 01.01.1962 onder bezwarende titel aangelegd ten laste van enigerlei in België of in het buitenland gevestigde rechtspersonen of ondernemingen (art. 11, 6°, WIB); |
| g) | verkregen, buiten de uitoefening van een in art. 20, WIB, beoogde beroepswerkzaamheid, ofwel uit hoofde van de onderverhuring of de overdracht van huurceel van in België of in het buitenland gelegen al dan niet gemeubileerde onroerende goederen, ofwel uit hoofde van de concessie van het recht om in België of in het buitenland een plaats die van nature onroerend is (*) te gebruiken om er plakbrieven of andere reclamedragers te plaatsen (art. 67, 4°, WIB); |
| h) | bestaande uit loten van effecten van leningen, met uitzondering van de loten die van elke Belgische zakelijke en personele belasting of van elke belasting zijn vrijgesteld (art. 67, 5°, WIB); |
| i) | van de verhuring van jacht-, vis- en vogelvangsrecht (art. 67, 6°, WIB). |
| (*) | Vanaf 01.01.1985 moet die plaats buiten de omheining van een sportinstallatie gelegen zijn opdat art. 67, 4°, WIB, van toepassing zou zijn (zie art. 8 en 47, § 1, 3°, W. 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen - V. 1748, B. 636). |
7. De onder A en B hierna vermelde inkomsten komen niet in aanmerking voor de berekening van de grenzen van 316.000 F en 1.110.000 F.
| A. | Krachtens art. 19, WIB, bedoelde vrijgestelde roerende inkomsten, d.w.z. : |
| 1° | de inkomsten uit preferente aandelen van de Nationale maatschappij der Belgische spoorwegen; |
| 2° | de inkomsten uit aandelen of delen, betaald of toegekend in geval van verdeling van maatschappelijk vermogen of van inkoop van eigen aandelen; |
| 3° | de inkomsten uit belegde kapitalen, betaald of toegekend bij gehele of gedeeltelijke verdeling van het maatschappelijk vermogen in personenvennootschappen die de aanslag van hun winsten in de PB niet gekozen hebben; |
| 4° | de inkomsten uit kapitalen door werkende en stille vennoten belegd in vennootschappen die de aanslag van hun winsten in de PB gekozen hebben; |
| 5° | de inkomsten - met inbegrip van de loten - uit Belgische openbare fondsen en uit leningen van voormalig Belgisch Kongo, die uitgegeven werden onder vrijstelling van Belgische zakelijke en personele belastingen of van elke belasting; |
| 6° | de eerste schijf van 50.000 F, per jaar en per gezin, van de inkomsten uit spaardeposito's ontvangen door de in art. 19, 7°, WIB opgesomde instellingen die voldoen aan de in die wetsbepaling gestelde voorwaarden; |
| 7° | de eerste schijf van 5.000 F, per jaar en per gezin, van de inkomsten uit aangewende kapitalen in door de Nationale raad van de coöperatie erkende coöperatieve vennootschappen. |
| B. | Roerende inkomsten onderworpen aan de bevrijdende RV van 20 pct. d.w.z. : |
| 1° | de inkomsten van de effecten van de eerste tranche van de bijzondere lening 1981 (art. 174, tweede lid, 1°, WIB); |
| 2° | de inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die inbrengen in geld vertegenwoordigen welke in 1982 of in 1983 zijn gedaan met het oog op verrichtingen als bedoeld in art. 2 van het KB nr. 15 van 09.03.1982, gewijzigd bij het KB nr. 150 van 30.12.1982 en die zijn verleend of toegekend voor de vijf, de tien of de negen boekjaren waarvoor die inkomsten zijn vrijgesteld van PB krachtens art. 3, § 1, van het gezegd KB nr. 15 (art. 174, tweede lid, 2°, WIB). |
| A. | Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen, leningen en gelddeposito's |
| B. | Met betrekking tot de in nr. 6 bedoelde roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard. |
VI. BEREKENINGSMODALITEITEN VAN DE BIJZONDERE HEFFING
A. Met betrekking tot de in nr. 5 bedoelde inkomsten van schuldvorderingen leningen en gelddeposito's
| 10. | De bijzondere heffing is vastgesteld op : |
- 20 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag (cf. nr. 8) dat niet meer bedraagt dan 384.000 F;
- 23 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag (cf. nr. 8) dat begrepen is tussen 384.000 F en 794.000 F.
| B. | Met betrekking tot de in nr. 6 bedoelde roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard 11. De bijzondere heffing is vastgesteld op : |
- 27 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag (cf. nr. 9) dat niet meer bedraagt dan 390.000 F;
- 32 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag dat begrepen is tussen 390.000 F en 890.000 F;
- 37 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag dat begrepen is tussen 890.000 en 1.390.000 F;
- 42 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag dat begrepen is tussen 1.390.000 en 1.890.000 F;
- 47 pct. van het gedeelte van de berekeningsgrondslag dat meer bedraagt dan 1.890.000 F;
| C. | Belangrijke opmerkingen 12. |
| a) | Onder het nettobedrag van de inkomsten wordt het bedrag verstaan van de onder enigerlei vorm geïnde of verkregen inkomsten, na aftrek van de RV maar vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten. |
| b) | Gelet op het feit dat zij uitsluitend in het voordeel van de Staat gevestigd wordt, moet de bijzondere heffing niet met gemeentelijke opcentiemen worden verhoogd. |
| c) | Geen enkele voorheffing, noch bestanddeel dat met de PB verrekenbaar is, mag van de bijzondere heffing worden afgetrokken. |
A. Eerste geval : volgens het stelsel van de volledige globalisatie in de PB belaste inkomsten
18. De bijzondere heffing op roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard is niet verschuldigd wanneer de volgende twee voorwaarden samen vervuld zijn :
| 1° | de belastingplichtige heeft het totaal van zijn in principe aan de bijzondere heffing onderworpen inkomsten, in de PB aangegeven (met inbegrip van de vrijgestelde schijven van 316.000 F en 1.110.000 F); |
| 2° | de volgens het gewone stelsel van aanslag (volledige globalisatie) verschuldigde belasting op het totaal van de belastbare inkomsten, met inbegrip van alle inkomsten die in principe vatbaar zijn om afzonderlijk te worden belast zoals meerwaarden, opzeggingsvergoedingen, achterstallige bezoldigingen, alsmede roerende inkomsten en diverse inkomsten van roerende aard (Kamer, zitting 1983 1984, 758/1, blz. 3), is voordeliger dan de belasting verschuldigd op de gezamenlijk belastbare inkomsten (G.B.I.), verhoogd met de belasting op de afzonderlijk belastbare inkomsten (gedeeltelijke globalisatie). |
| B. | Tweede geval : voorwaardelijke vrijstelling van de bijzondere heffing |
19. De vrijstelling van de bijzondere heffing kan worden bekomen door de belastingplichtige die de verbintenis aangaat en naleeft om :
| a) | vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de aan de bijzondere heffing onderworpen inkomsten werden geïnd of verkregen, een som die ten minste gelijk is aan de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing (cf. nrs. 8 en 9), te gebruiken voor de afbetaling van de hierna (nr. 21) genoemde effecten; |
| b) | de aldus afbetaalde effecten in bezit te houden gedurende een periode van tenminste vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van hun afbetaling (zie nr. 29). |
20. De verbintenis wordt door de belastingplichtige aangegaan door middel van de daartoe in fine van de aangifte in de bijzondere heffing ingelaste formule.
3. Effecten die voor de belegging in aanmerking komen
21. De belegging moet bestaan in het onderschrijven en het afbetalen :
- ofwel van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die aan de Ven.B. onderworpen vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instelling (art. 98, 100 en 102, WIB), uitgeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van hun kapitaal ("nieuwe" aandelen of deelbewijzen);
- ofwel van obligaties die na 31.12.1983 zijn uitgegeven door de hiervoor bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die zich met een industriële werkzaamheid bezighouden.
22. Voor de toepassing van de voormelde regel worden niet aangemerkt als obligaties uitgegeven door vennootschappen die zich met een industriële werkzaamheid bezighouden, de obligaties welke inzonderheid worden uitgegeven door :
- de kredietinstellingen;
- de verzekeringsmaatschappijen;
- de ondernemingen van hypothecaire leningen;
- de kapitalisatieondernemingen;
- de eigenlijke portefeuillemaatschappijen (d.w.z. de holdings) (*);
- de vastgoedmaatschappijen;
- de vervoerondernemingen;
- alsmede de ondernemingen die zich bezighouden met een handels- of landbouwbedrijvigheid of waarvan de activiteit in de ambachtelijke of de dienstensector ligt.
| (*) | De vennootschappen die zich in hoofdzaak met een industriële werkzaamheid bezighouden, zijn niet per definitie uitgesloten wegens het enkel feit dat ze zijn opgenomen in de lijst van de portefeuillemaatschappijen die door de Bankcommissie werd opgesteld. |
Algemene opmerkingen met betrekking tot de aard van de belegging
24.
| a) | Het is niet vereist dat de belegde effecten op naam zijn. |
| b) | Alleen de in geld afbetaalde effecten komen in aanmerking. |
| c) | Het overlijden van de belastingplichtige ontslaat de nalatenschap niet van de verbintenis tot beleggen indien zij een inkohiering van de bijzondere heffing willen vermijden. |
25. De belastingplichtige moet in principe een som beleggen die ten minste gelijk is aan de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing.
In het bedrag van de belegging zijn de bijkomende kosten (taksen, makelaarslonen, enz.) en de inschrijvingsrechten begrepen.
26. Wanneer de werkelijke belegging evenwel slechts gedeeltelijk het bedrag van de voormelde berekeningsgrondslag dekt, worden de belegde bedragen van de grondslag van de bijzondere heffing afgetrokken, te beginnen met de minst belaste schijven.
Voorbeeld
27. Gegevens :
Een belastingplichtige heeft in 1984 de volgende inkomsten behaald :
- netto-inkomsten van Belgische obligaties : 600.000 F;
- nettodividenden van Belgische oorsprong : 2.000.000 F.
In zijn aangifte in de bijzondere heffing van het aj. 1985 gaat hij de investeringsverbintenis aan (cf. nr. 19). Op 31.12.1986 is hij zijn verbintenis slechts ten belope van 500.000 F nagekomen (50 aandelen A van 10.000 F).
Aanrekening van de gedeeltelijke belegging en berekening van de bijzondere heffing
Berekeningsgrondslag van de heffing (cf. nrs. 8 en 9) :
| a) | voor de inkomsten van Belgische obligaties : 600.000 F - 316.000 = 284.000 F. |
| b) | voor het totaal van de roerende inkomsten : 2.600.000 - 1.110.000 = 1.490.000 F. |
28. De verbintenis tot beleggen moet door de belastingplichtige worden uitgevoerd vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de inkomsten die de berekeningsgrondslag van de bijzondere heffing vormen, werden geïnd of verkregen (d.w.z. ten laatste op 31.12.1986 wat de inkomsten van 1984 betreft).
6. Vastheid van de belegging
29. Om de vrijstelling van de bijzondere heffing te kunnen genieten, moet de belastingplichtige de effecten, waarvoor de vrijstelling werd toegekend, gedurende ten minste vijf jaar bewaren; deze termijn begint te lopen vanaf de datum van de aanschaffing van de effecten (datum van afbetaling).
30. In geval die effecten geheel of gedeeltelijk worden vervreemd binnen die termijn van vijf jaar blijft de vrijstelling van de bijzondere heffing behouden indien de belastingplichtige de overdrachtsprijs wederbelegt :
- binnen drie maanden na deze overdracht;
- door de afbetaling in geld van effecten die aan dezelfde omschrijving beantwoorden als die van de aanvankelijke belegging.
31. Wanneer de wederbelegging slechts gedeeltelijk de overdrachtsprijs van de vervreemde effecten dekt, wordt het terug te nemen gedeelte van de voorheen vrijgestelde berekeningsgrondslag vastgesteld aan de hand van de volgende formule : B A - ( A x -) C A = berekeningsgrondslag die werd vrijgesteld ingevolge het naleven van de investeringsverbintenis; B = aanschaffingsprijs van de als wederbelegging gebruikte effecten; C = overdrachtsprijs van de vervreemde effecten. Het aldus bepaalde gedeelte dat moet worden teruggenomen, wordt belast tegen het tarief dat overeenstemt met de voorheen vrijgestelde inkomstenschijven, beginnend met het hoogste tarief.
Voorbeeld
32. Zelfde gegevens als in het voorbeeld nr. 27. Op 31.03.1989 verkoopt de belastingplichtige evenwel al zijn aandelen A voor 600.000 F ( 50 maal 12.000 F) en vóór 30.06.1989 wederbelegt hij 400.000 F door aanschaffing van 25 aandelen B van 16.000 F, van dezelfde aard als de aandelen A.
Oplossing :
Terug te nemen gedeelte : 400.000 F 500.000 F - (500.000 F x ---------) = 166.667 F 600.000 F Taxatie van dit gedeelte :
De voorheen verleende vrijstelling (zie nr. 27) heeft, ten belope van 216.000 F, betrekking op de belastbare schijf van 27 pct.; het terug te nemen gedeelte, ten bedrage van 166.667 F, moet dus tegen dit tarief worden belast.
Het in te kohieren supplement bedraagt 166.667 F x 27 pct. = 45.000 F
Men handelt in feite alsof de aanvankelijke investering beperkt ware geweest tot 333.333 F (500.000 F - 166.667 F).
De heffing die had moeten ingekohierd worden moet bijgevolg als volgt worden berekend :
De 1ste schijf van 284.000 F wordt volledig vrijgesteld door aanrekening van de belegging.
Berekening van de heffing : 340.667 [= 390.000 - (333.333 - 284.000)] x 27 pct. = 91.980 F 500.000 x 32 pct. = 160.000 F 500.000 x 37 pct. = 185.000 F 100.000 x 42 pct. = 42.000 F ----------- Bijzondere heffing op 1.440.667 F : 478.980 F Aanvankelijke heffing : - 433.980 F ----------- In te kohieren supplement voor aj. 1985 : 45.000 F 33. Geen enkele verplichting tot wederbelegging wordt opgelegd aan de erfgenamen (de overdracht is te wijten aan het overlijden van de belastingplichtige), noch aan de belastingplichtige die door een geval van overmacht getroffen is.
Er wordt aan herinnerd dat de belastingplichtige die zich op overmacht beroept, verplicht is het bewijs te leveren niet alleen van de overmacht die hem verhinderd heeft te handelen, maar ook van het oorzakelijk verband tussen die uitzonderlijke omstandigheid en de overdracht van aandelen of delen.
| 7. | Bewijs van de naleving van de investeringsverbintenis en van de bewaring van de effecten - Sanctie |
34. Het bewijs van de bewaring van de effecten kan worden geleverd aan de hand van bescheiden uitgaande van de financiële instelling waarbij de effecten eventueel in bewaring werden gegeven of, bij ontstentenis daarvan, door het werkelijk bezit van de effecten aan te tonen.
Indien de aangegane verbintenis niet wordt nageleefd, wordt de bijzondere heffing ingekohierd voor het aj. waarvoor zij, indien geen verbintenis ware aangegaan, zou moeten ingekohierd geweest zijn.
VIII. AANGIFTEPLICHT
35. De betrokken belastingplichtigen zijn ertoe gehouden de aan de bijzondere heffing onderworpen roerende en diverse inkomsten aan te geven (*) in een daartoe speciaal ontworpen formulier, waarvan het model door de Koning wordt bepaald.
| (*) | Dezelfde verplichting geldt voor de erfgenamen, algemene legatarissen en begiftigden van overleden belastingplichtigen. |
Voor het aj. 1985 werden via een bericht in het Belgisch Staatsblad, waarvan de pers verzocht werd over te nemen de betrokken belastingplichtigen in kennis gesteld van hun verplichting een aangifteformulier aan te vragen bij de taxatiedienst waarvan zij afhangen en van de termijn waarover zij beschikken om het bedoelde formulier - behoorlijk ingevuld - aan die dienst terug te zenden.
Wat de ajren 1986 en volgende betreft, moet de aangifte waarvan sprake door de belastingplichtige binnen de termijn bepaald in art. 215, § 3, WIB worden aangevraagd.
IX. PROCEDURE
A. Grondbeginsel
37. Voor zover er niet wordt van afgeweken (cf. nrs. 38 tot 41), zijn de bepalingen van titel VII, van het WIB, van toepassing op de bijzondere heffing.
B. Aanslag
38. Indien de investeringsverbintenis niet (of gedeeltelijk) wordt aangegaan of indien een dergelijke verbintenis niet (of slechts gedeeltelijk) wordt nageleefd, wordt de bijzondere heffing ingekohierd.
De inkohiering kan zelfs worden verricht na het verstrijken van de in art. 259, WIB, bepaalde buitengewone aanslagtermijnen van 3 en 5 jaar.
Zelfs in het geval bedoeld in het voorgaande lid, wordt de bijzondere heffing verbonden aan het aj. waarvan het jaartal samenvalt met het jaar volgend op dat waarin de aan de heffing onderworpen inkomsten zijn geïnd of verkregen.
X. EISBAARHEID - NALATIGHEIDSINTERESTEN
39. De bijzondere heffing is onmiddellijk eisbaar, wat betekent dat op het aanslagbiljet dat aan de belastingschuldige zal worden toegezonden geen enkele betalingstermijn zal worden vermeld.
40. Wanneer de investeringsverbintenis niet (of slechts gedeeltelijk) wordt nageleefd, of wanneer de effecten niet worden bewaard en de overdrachtsprijs niet wordt wederbelegd zoals bepaald in de nrs. 29 en 30, is een overeenkomstig art. 305, WIB, berekende nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 januari van het aj. waarvoor de bijzondere heffing verschuldigd is.
Wanneer de investeringsverbintenis niet werd aangegaan zullen de nalatigheidsinteresten daarentegen slechts beginnen te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op die waarin het aanslagbiljet werd verzonden.
41. Gelet op het dwingend karakter van deze laatste regel dienen de verantwoordelijke ambtenaren de nodig schikkingen te treffen opdat de verzending van de desbetreffende aanslagbiljetten zou plaats vinden binnen de eerste tien dagen van de maand.
Bijlage
Tekst van art. 42, W. 28.12.1983
| Art. | 42 |
Die heffing wordt bepaald op :
- 27 pct. voor de eerste inkomstenschijf van 1.110.000 frank tot en met 1.500.000 frank;
- 32 pct. voor de schijf van 1.500.000 frank tot 2.000.000 frank;
- 37 pct. voor de schijf van 2.000.000 frank tot 2.500.000 frank;
- 42 pct. voor de schijf van 2.500.000 frank tot 3.000.000 frank;
- 47 pct. voor de inkomstenschijf boven 3.000.000 frank.
De inkomsten van alle schuldvorderingen en leningen en van in bewaring gegeven geldsommen als bedoeld in artikel 11, 1° tot 3° en 7°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, zijn bovendien belastbaar zodra het nettobedrag ervan hoger is dan 316.000 frank; in dat geval wordt de heffing voor de tussen 316.000 frank en 1.110.000 frank liggende inkomsten bepaald op :
- 20 pct. voor de eerste inkomstenschijf van 316.000 frank tot 700.000 frank;
- 23 pct. voor de schijf van 700.000 frank tot 1.110.000 frank.
§ 2. Onder nettobedrag van de in § 1 bedoelde inkomsten wordt verstaan het bedrag dat in enigerlei vorm is geïnd of verkregen, na aftrek van de roerende voorheffing, maar vóór aftrek van de innings- en bewaringskosten en van andere soortgelijke kosten of lasten.
Het omvat niet de inkomsten bedoeld in de artikelen 19 en 174, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen.
§ 3. De bijzondere heffing is niet verschuldigd door de belastingplichtigen die de verbintenis aangaan en naleven :
| 1° | om vóór het einde van het tweede jaar dat volgt op dat waarin de aan die heffing onderworpen inkomsten werden geïnd of verkregen, een som die minstens gelijk is aan de berekeningsgrondslag van die heffing, te gebruiken voor de afbetaling, ofwel van aandelen of bewijzen van deelgerechtigdheid die vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen als bedoeld in artikel 98, 100 en 102 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, uitgegeven ter gelegenheid van hun oprichting of van de verhoging van kapitaal, ofwel van obligaties uitgegeven na 31 december 1983 door in gezegde artikelen bedoelde vennootschappen, verenigingen, inrichtingen of instellingen die zich bezighouden met een industriële werkzaamheid; |
| 2° | om de aldus afbetaalde effecten in bezit te houden gedurende tenminste vijf jaar of, in geval van overdracht binnen de vijf jaar na de afbetaling, om de overdrachtsprijs binnen drie maanden na de overdracht weder de beleggen door effecten, die aan dezelfde omschrijving voldoen, af te betalen, tenzij de overdracht te wijten is aan het overlijden van de belastingplichtige of aan een geval van overmacht. |
De heffing wordt, zelfs na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 259 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, ten kohiere gebracht; zij is onmiddellijk eisbaar en als de in § 3 van dit artikel bedoelde verbintenis niet is nageleefd, is een overeenkomstig artikel 305 van hetzelfde Wetboek berekende nalatigheidsinterest verschuldigd vanaf 1 januari van het jaar dat samenvalt met het aanslagjaar waarvoor zij is verschuldigd.
Wanneer de in § 3, 1°, bedoelde herbelegging het nettobedrag van de in § 1 bedoelde inkomsten slechts ten dele dekt, worden de herbelegde bedragen aangerekend op de grondslag van de bijzondere heffing, te beginnen met de minst belaste schijven.
§ 5. Voor de toepassing van dit artikel worden niet aangemerkt als obligaties uitgegeven door vennootschappen die zich bezighouden met een industriële werkzaamheid, de obligaties welke inzonderheid worden uitgegeven door kredietinstellingen, verzekeringsmaatschappijen, ondernemingen van hypothecaire leningen, kapitalisatieondernemenigen, portefeuillemaatschappijen, vastgoedmaatschappijen en vervoerondernemingen.
§ 6. De in § 1 bedoelde belastingplichtigen zijn gehouden de aan de bijzondere heffing onderworpen roerende inkomsten aan te geven in een bijzonder formulier voor de toepassing van die heffing, volgens de door de Koning te bepalen modaliteiten. In zover er niet wordt van afgeweken zijn de bepalingen van titel VII van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van toepassing op de bij dit artikel ingevoerde bijzondere heffing.
Bron: FisconetPlus
