Circulaire 2021/C/98 over de vergoedingen toegekend door het Schadeloosstellingsfonds voor vrijwilligers COVID-19-slachtoffers
Commentaar over de vrijstelling van de vergoedingen toegekend door het Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers.
inkomstenbelasting ; vrijwilligers ; Schadeloosstellingsfonds ; vrijstelling ; COVID-19
FOD Financiën, 08.11.2021
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting
Inhoudstafel
I. Inleiding
II. Toepassingsgebied
III. Tegemoetkoming
IV. Fiscale behandeling
V. Inwerkingtreding
VI. Wetgeving
I. Inleiding
1. Bij het Federaal agentschap voor beroepsrisico's (Fedris) werd een 'Schadeloosstellingsfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers opgericht, hierna 'het COVID-19 Vrijwilligersfonds'. (1)
(1) Art. 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 04.06.2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers (hierna KB 04.06.2020).
2. Het COVID-19 Vrijwilligersfonds heeft tot doel een vergoeding toe te kennen als schadeloosstelling voor de schade voortvloeiend, voor de vrijwilligers, uit een besmetting door COVID-19.
3. De COVID-19-pandemie vormt immers een groot gezondheidsrisico voor vrijwilligers van de verschillende verenigingen die op het veld werkzaam zijn en waarvoor een besmetting door COVID-19, in geval van overlijden als gevolg van een dergelijke besmetting in de loop van hun vrijwilligersactiviteiten, niet gedekt kon worden. De weinige verzekeringen die door sommige organisaties worden afgesloten, dekken meestal alleen lichamelijke schade als gevolg van een ongeval en niet van ziekte.
4. Het was van essentieel belang dat er zowel maatregelen worden genomen om de goede werking van vrijwilligersorganisaties te waarborgen, die met name optreden om de bescherming van de bevolking te garanderen, als maatregelen ter ondersteuning van de vrijwillige inzet van deze personen ten behoeve van de bevolking als geheel.
II. Toepassingsgebied
5. Voor de toepassing van voormeld KB 06.04.2020 moet worden verstaan onder 'vrijwilliger' (2):
1° de vrijwilliger in de zin van artikel 3, 2°, van de wet van 03.07.2005 betreffende de rechten van vrijwilligers;
2° de verenigingswerker in de zin van artikel 2 van de wet van 24.12.2020 betreffende het verenigingswerk;
3° de student in de zin van artikel 17bis van het koninklijk besluit van 28.11.1969 tot uitvoering van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, die krachtens voormeld artikel 17bis onttrokken wordt van de toepassing van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
4° de vrijwillige ambulanciers in de zin van artikel 17quater, § 3, 2° van voornoemd koninklijk besluit van 28.11.1969 met uitzondering van deze bedoeld bij artikel 103, eerste lid, 4° en tweede lid van de wet van 15.05.2007 betreffende de civiele veiligheid, die krachtens voormeld artikel 17quater onttrokken wordt van de toepassing van de wet van 27.06.1969 tot herziening van de besluitwet van 28.12.1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
(2) Art. 6, KB 04.06.2020.
6. Het COVID-19 Vrijwilligersfonds draagt bij, onder de voorwaarden bepaald bij of krachtens het KB 04.06.2020, wanneer de vrijwilliger is overleden als gevolg van een besmetting door COVID-19 in het kader van de activiteit die buiten zijn of haar huis als vrijwilliger (zie nr. 5) wordt verricht.
Om in aanmerking te worden genomen, moet de activiteit uitgevoerd zijn tijdens de periode van 01.03.2020 tot 01.01.2022. (4)
(4) Art. 7, KB 04.06.2020.
III. Tegemoetkoming
7. Het COVID-19 Vrijwilligersfonds komt tegemoet na het overlijden van een vrijwilliger (zie nr. 5) ten voordele van de rechthebbenden van het slachtoffer die op het tijdstip van zijn overlijden te zijnen laste zijn.
Onder rechthebbende ten laste van het slachtoffer moet worden verstaan:
- de echtgenoot die op het tijdstip van overlijden noch uit de echt, noch van tafel en bed gescheiden is, dan wel de partner die op het tijdstip van het overlijden van het slachtoffer wettelijk met hem samenwoonde en, overeenkomstig artikel 1478 van het Burgerlijk Wetboek, met hem een overeenkomst had gesloten die beide partijen tot wederzijdse bijstand verplicht en die, zelfs na een eventuele breuk, financiële gevolgen kan hebben;
- de langstlevende echtgenoot die uit de echt of van tafel en bed is gescheiden en die wettelijk of conventioneel onderhoudsgeld genoot ten laste van het slachtoffer, alsook, in het kader van een ontbonden wettelijke samenwoning, de langstlevende partner die conventioneel onderhoudsgeld genoot ten laste van het slachtoffer;
- de kinderen, zolang ze recht hebben op kinderbijslag en in elk geval tot de leeftijd van 18 jaar.
8. De tegemoetkoming is een kapitaal. De rechthebbende van de persoon die overleden is, heeft recht op:
- een kapitaal van 18.651,00 euro, voor de echtgenoot of partner
- een kapitaal van 9.325,50 euro, voor de gescheiden echtgenoot of partner
- een kapitaal van 15.542,50 euro, voor de kinderen
De rechthebbenden beschikken over een termijn van zes maanden te rekenen van het overlijden van het slachtoffer om een aanvraag in te dienen.
9. Het COVID-19 slachtofferfonds keert ook een vergoeding voor begrafeniskosten uit die overeenkomt met de werkelijke kosten, met een maximum van 1.020 euro, aan de persoon die deze heeft gedragen.
IV. Fiscale behandeling
10. De tegemoetkomingen van het Schadeloosstellingsfonds voor de vrijwilligers COVID-19-slachtoffers zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen. (5)
(5) Art. 16, § 5, eerste lid van de wet van 29.05.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (BS 11.06.2020), zoals aangevuld door art. 12 van de wet van 27.06.2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18.09.2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten.
Oorspronkelijk was deze vrijstelling ingeschreven in art. 38, § 1, eerste lid, 36°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Art. 29, KB 04.06.2020). De bepaling onder 36° werd evenwel opgeheven door art. 14 van voormelde wet van 27.06.2021.
11.Voor de toepassing van titel II, hoofdstuk III, afdeling 1, onderafdeling 2, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 komen deze tegemoetkomingen niet in aanmerking voor het vaststellen van het nettobedrag van de bestaansmiddelen. (6)
(6) Art. 16, § 5, tweede lid van de wet van 29.05.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (BS 11.06.2020).
V. Inwerkingtreding
11. Het KB 04.06.2020 heeft uitwerking met ingang van 11.03.2020. (7)
(7) Art. 30, eerste lid, KB 04.06.2020.
12. Het is van toepassing op sterfgevallen die zich voordoen in de periode tussen 10.03.2020 en 01.01.2022. (8)
(8) Art. 30, tweede lid, KB 04.06.2020.
Het is eveneens van toepassing op de overlijdens na 01.01.2022, indien de aanvrager het bewijs levert dat de besmetting van de vrijwilliger door COVID-19 heeft plaatsgehad voor het einde van de periode bedoeld in de vorige alinea. (9)
(9) Art. 30, derde lid, KB 04.06.2020.
VI. Wetgeving
- Koninklijk besluit nr. 22 van 04.06.2020 tot oprichting van een Schadeloosstellingfonds voor vrijwilligers COVID-19-slachtoffers (BS 11.06.2020).
- Wet van 29.05.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (BS 11.06.2020).
- Wet van 02.04.2021 houdende tijdelijke ondersteuningsmaatregelen ten gevolge van de COVID-19-pandemie (BS 13.04.2021).
- Wet van 27.06.2021 houdende diverse fiscale bepalingen en tot wijziging van de wet van 18.09.2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten (BS 30.06.2021).
Interne ref.: 726.114
