11.07.1969 - Omzendbrief D.I. 804.82 - D.C. 147.301
INVORDERING en GESCHILLEN
SAMENWERKING TUSSEN BELGIE EN FRANKRIJK INZAKE DOUANE | D.I. 804.82 |
D.C. 147.301 |
Brussel, 11 juli 1969.
- Het Belgisch Staatsblad van 4 juli 1969 publiceert de wet van 3 juni 1969 houdende goedkeuring van de Overeenkomst tussen België en Frankrijk, met het oog op de beteugeling van de smokkel- handel door wederkerige administratieve bijstand, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Parijs, op 3 en 6 april 1939.
- WET VAN 3 JUNI 1969
Enig artikel. - De overeenkomst tussen België en Frankrijk, met het oog op de beteugeling van de smokkelhandel door wederke- rige administratieve bijstand, gesloten door wisseling van brieven, gedagtekend te Parijs, op 3 en 6 april 1939, heeft volkomen uitwer- king op 15 april 1939.
- OVEREENKOMST TUSSEN BELGIE EN FRANKRIJK, MET HET OOG OP DE BETEUGELING VAN DE
SMOKKELHANDEL DOOR WEDERKERIGE AMINISTRATIEVE BIJSTAND, GESLOTEN
DOOR WISSELING VAN BRIEVEN, GEDAGTEKEND TE PARIJS OP 3 en 6 APRIL 1939.
Artikel 1. Binnen de grenzen van onderstaande bepalingen zal elk van beide Staten zijn medewerking verlenen aan de andere Staat, voor het opsporen en het beteugelen van de inbreuken op de douanewetten van deze Staat, en zich inspannen om die inbreuken te voorkomen door het treffen van passende maatregelen.
Bon O.S.D. nr. 176/69
In deze Overeenkomst worden verstaan onder "douanewet- ten", de gezamenlijke voorschriften welke de douane doet naleven bij invoer, uitvoer en doorvoer van goederen, voor de heffing van rechten en taksen en voor de toepassing van verbodsbepalingen en controlemaatregelen.
Artikel 2. - De Belgische en de Franse douanebesturen zullen trachten de uitvoer te verhinderen van goederen welke vermoedelijk ter sluiks in het aangrenzende land zouden worden ingevoerd; daar- toe zullen zij hun eigen reglementering stipt toepassen, inzonderheid inzake verkeer en opslag van goederen binnen de tolkring, zowel te land als langs de zee, en zij zullen een bijzonder toezicht uitoefenen op het vervoer van goederen in de richting van de grens, wanneer bedoelde goederen, hetzij met ontheffing van douanerechten of binnenlandse verbruiksbelastingen, uitgevoerd worden, hetzij, in de aangrenzende Staat, aan verbods- of beperkingsmaatregelen onder- worpen zijn waarvan de uitvoering aan de douane van die Staat is toevertrouwd.
Artikel 3. - Op verzoek van het douanebestuur van één der twee Staten, oefent het douanebestuur van de andere Staat een bij- zonder toezicht uit binnen het gebied van zijn dienstwerkzaamheden:
a) over de personen die ervan verdacht worden als beroeps- of gewoontesmokkelaar de douanewetgeving van de buurstaat te overtreden;
b) over de gebouwen en plaatsen waar goederen boven de normale hoeveelheden worden opgeslagen, wat het vermoeden wettigt dat bewuste opslagen geen ander doel hebben dan een onge- oorloofde invoer in de buurstaat te bevorderen.
Artikel 4. - Bij de invoer schorst elke van beide douanebesturen het toestaan van enige afwijking van de reglementaire plaatsen en uren van inklaring, ten opzichte van goederen welke vermoedelijk met overtreding van de in de naburige Staat vigerende wetten en reglementen werden uitgevoerd.
Artikel 5. - De douanebesturen van de twee contracterende Staten delen elkander spontaan en onderling, zonder verwijl, alle inlichtingen mede waarover zij beschikken inzake voltrokken in- of uitvoer, elke ten aanzien van de wetten van de aangrenzende
Staat een bedrieglijk karakter hebben, of blijken te hebben, zomede alle inlichtingen betreffende aanwijzingen van smokkelhandel of van voornemens tot fraude, als daar zijn verdacht goederenverkeer in het grensgebied, oprichting van volgens hun aard, hun ligging of hun omvang, abnormale opslagplaatsen, uitvoer van goederen op vaartuigen met kleine tonnemaat, enz. Deze inlichtingen worden op de vlugste wijze bekendgemaakt en, desnoods, worden de onderlinge en rechtstreekse mededelingen, in het belang van het onmiddellijk opsporen en beteugelen van de smokkelhandel, gericht aan de hoofden van de douanediensten der te lande of langs de zee gelegen grenskantoren- en posten.
Artikel 6. - De diensthoofden die in elke der douanebesturen bijzonder of hoofdzakelijk belast zijn met het opsporen van de smokkelhandel, delen elkaar onderling de documentatie mede waarover zij eventueel beschikken omtrent de personen, voer- en vaartuigen waarvan wordt vermoed dat zij smokkelen, respectievelijk voor smokkeldoeleinden worden gebruikt of waaromtrent de administratieve of de rechterlijke overheden zeker zijn dat zij aan smokkel hebben deelgenomen respectievelijk daartoe hebben gediend.
Artikel 7. - De daartoe naar behoren aangestelde ambtenaren der Belgische en Franse douanebesturen kunnen op schriftelijke aanvraag bij de diensten en instellingen waar de douanecontrole wordt uitgeoefend (kantoren te lande, aan zee of aan de binnen- wateren, binnenlandse kantoren en entrepots, douaneluchtvaart- terreinen), alle inlichtingen en gegevens bekomen welke uit de op het aangezochte douanekantoor berustende geschriften, registers en andere bescheiden kunnen getrokken worden. Het staat de rekwirerende ambtenaren vrij afschrift te nemen van de bescheiden welke hun dienstig voorkomen en de in de douanekantoren van het aangezochte bestuur ingewonnen inlichtingen en nageslagen bescheiden in hun processen-verbaal, rapporten, getuigenissen, zomede bij de rechtsvorderingen en vervolgingen vóór de recht- banken aan te voeren.
N.B. Bij dezelfde diplomatieke correspondentie werd door de twee Regeringen overeengekomen dat de Overeenkomst geen toe- passing vindt op de verbodsbepalingen of controlemaatregelen van politieke aard, zoals bij voorbeeld de censuur of het invoerverbod van buitenlandse dagbladen, zelfs indien de uitvoering ervan bij de douane berust.
- - INSTRUCTIE
Artikel 1
Wederzijdse bijstand inzake voorkoming, opsporing en bestrijding van de fraude:
§ 1. In artikel 1, alinea 1, wordt het principe vastgelegd van de wederkerige bijstand tussen België en Frankrijk, inzake voor- koming, opsporing en bestrijding van de overtredingen van de douanewetten.
§ 2. De wederzijdse bijstand tussen de Belgische en de Franse douane-administraties is beperkt door de bepalingen van de volgende artikelen die de gevallen en de modaliteiten van die bijstand vastleggen.
§ 3. Volgens het bepaalde in artikel 1, alinea 2, is de samen- werking tussen de partneradministraties niet beperkt tot de eigenlijke douanewetten, maar is ze toepasselijk op het geheel van de voorschriften die de douane doet naleven bij invoer, uitvoer en doorvoer van goederen. De reglementering van de accijnsrechten en taksen bij de invoer, de verbodsbepalingen, beperkingen en contro- lemaatregelen vallen dus onder toepassing van de Overeenkomst. Evenwel vindt de overeenkomst geen toepassing op de maatregelen met een politiek karakter, zoals bij voorbeeld, de censuur of het invoerverbod van buitenlandse kranten, zelfs indien de uitvoering ervan bij de douane berust.
Artikel 2
Controle bij de uitvoer
§ 4. Artikel 2 betreft inzonderheid het optreden van de Belgische douane-ambtenaren met het oog op het voorkomen of het doen mislukkken van de sluikinvoer van goederen in Frankrijk.
§ 5. Dat optreden bestaat voornamelijk in het belemmeren van de uitvoer naar Frankrijk van goederen die er vermoedelijk sluiks zouden worden ingevoerd.
§ 6. Ter zake moeten de ambtenaren spontaan handelen, zonder op enigerlei vraag of vordering te wachten. Hun optreden zal bestaan in het aanwenden van al de middelen waarover zij krachtens de wetten en reglementen beschikken, inzonderheid inzake vervoer en opslag van goederen in de tolkring.
§ 7. Die maatregelen worden voornamelijk genomen ten opzichte van de goederen die ontheffing van rechten of van binnenlandse verbruiksbelastingen genieten, alsmede ten opzichte van goederen waarvan de invoer in Frankrijk is verboden of aan beperkingen is onderworpen.
Artikel 3
Toezicht op personen en op opslagplaatsen van goederen
§ 8. Artikel 3 vermeldt dat de douane-administratie van een der twee Staten aan de douane-administratie van de andere Staat kan vragen, een bijzonder toezicht uit te oefenen, op de personen die ervan verdacht worden zich als beroeps- of gewoontesmokkelaar met fraude bezig te houden, en op de gebouwen en plaatsen waar goederen worden opgeslagen bij abnormale hoeveelheden, die doen vermoeden dat zij geen ander doel kunnen hebben dan een ongeoorloofde invoer in de buurstaat.
§ 9. De vragen voor zulk toezicht worden toegestuurd en ontvangen door ambtenaren met ten minste de graad van hoofd- controleur. Aan die vragen zal worden voldaan in de mate dat de gevraagde prestaties niet schaden aan de normale uitvoering van de dienst.
Artikel 4
§ 10. Artikel 4 betreft de medewerking van de Belgische douane-autoriteiten, om de sluikuitvoer van goederen uit Frankrijk te doen mislukken.
§ 11. Die medewerking bestaat in het weigeren van enige afwijking van de reglementaire plaatsen en uren van inklaring bij invoer in België, ten opzichte van goederen die vermoedelijk uit Frankrijk zijn uitgevoerd met overtreding van de in dat land van kracht zijnde wetten en reglementen.
Artikel 5 Uitwisseling van inlichtingen
§ 12. Die bepaling behelst de spontane uitwisseling van inlichtingen betreffende voorgenomen of reeds gepleegde fraude. Men mag elke inlichting mededelen die de douane van het naburige land kan helpen om de fraude te voorkomen of te ontdekken. De in artikel 5 opgesomde gevallen gelden slechts als voorbeeld.
§ 13. Die inlichtingen, die doorgaans actuele gebeurtenissen betreffen, zijn meestal dringend en moeten dus onverwijld worden gegeven.
§ 14. Opdat de uitwisseling van gegevens vlug en doelmatig zou geschieden, is persoonlijk contact gewenst, zowel tussen de diensten die aan de grens werkzaam zijn als tussen de chefs van de opsporingsdiensten.
§ 15. In principe worden de inlichtingen gegeven en ontvangen door ambtenaren met ten minste de graad van hoofdcontroleur. In spoedgevallen mag echter rechtstreeks contact tussen ambtenaren met lagere graad plaatsvinden. In dat geval moeten die ambtenaren zo spoedig mogelijk hun hoofdcontroleur kennis geven van de inlichtingen die zij hebben verstrekt of ontvangen.
§ 16. De uitwisseling van gegevens behoeft niet noodzakelijk schriftelijk te geschieden. De mededelingen kunnen ook mondeling of telefonisch worden doorgegeven.
Artikel 6 Uitwisseling van documentatie
§ 17. Waar de in artikel 5 bepaalde samenwerking over 't algemeen bepaalde en onmiddellijke smokkelfeiten betreft, handelt artikel 6 over de uitwisseling van documentatie tussen de chefs van de opsporingsdiensten van de twee partnerlanden. De mede te delen documentatie is beperkt tot gegevens omtrent de personen, de voer- en vaartuigen waarvan wordt vermoed dat zij smokkelen, respectievelijk dat zij voor smokkeldoeleinden worden gebruikt of waaromtrent is geweten dat zij aan smokkel hebben deelgenomen, respectievelijk daartoe hebben gediend.
§ 18. De uitwisseling van de in onderhavig artikel vermelde documentatie geschiedt van Belgische zijde door de Speciale dienst der douanen en accijnzen, de centrale opsporingsdienst en de opspo- ringsinspecties.
Artikel 7
Recht tot inzage van de administratieve geschriften van het partnerland
§ 19. Krachtens artikel 7 kunnen de naar behoren gemachtigde ambtenaren van een der twee landen op schriftelijke aanvraag, bij de diensten en instellingen van het partnerland waar de douanecontrole wordt uitgeoefend, de daar gehouden geschriften, registers en andere documenten raadplegen.
§ 20. Het bij artikel 7 toegekende recht tot inzage is niet beperkt tot de eigenlijke douanekantoren, het kan ook plaats vinden in de bureaus van de diensten die met een controle- of opsporingsopdracht zijn belast, zoals de speciale dienst der douanen en accijnzen, de centrale opsporingsdienst en de opsporings- inspecties.
§ 21. Dat recht wordt beperkt door het voorwerp zelf van de Overeenkomst, namelijk de beteugeling van de overtredingen van de douanewetten. Het moet dus vaststaan dat de inlichtingen en gegevens, die men in het andere land wenst te verkrijgen, tot dat doel dienen. Zulks heeft tot gevolg dat de onderzoeken, die in het partnerland worden ingesteld, betrekking moeten hebben op een be- paalde zaak en op een bepaald punt, bij voorbeeld, de vergelijking van de elementen waarover men beschikt met die uit de aangiften of documenten die de administratie van een partnerland bezit of het op- sporen in de geschriften van dat land van gegevens nopens goederen die het voorwerp van een douanemisdrijf hebben uitgemaakt.
§ 22. De directeurs moeten, rekening houdende met voren- staande beschouwingen, de wenselijkheid en het belang van een toe- passing van artikel 7, beoordelen. De ambtenaren die het nodig of nuttig achten gegevens te putten uit de geschriften van het partnerland ten einde een smokkelzaak op te sporen of te bewijzen, moeten hun directeur raadplegen langs hiërarchische weg.
§ 23. Om moeilijkheden en misverstand te vermijden hebben de verdragsluitende landen het recht van inzage aan sommige voorzorgsmaatregelen onderworpen: de toepassing van dat recht wordt slechts verleend aan de daartoe naar behoren gemachtigde ambtenaren en kan slechts geschieden op schriftelijk verzoek.
§ 24. Onder naar behoren gemachtigde ambtenaren moeten worden verstaan ambtenaren die, voor elk geval, met name zijn aan- gewezen door de directeur om de gegevens in te winnen in het partnerland. In België moeten die ambtenaren ten minste de graad van adjunct-controleur hebben.
§ 25. Het verzoek om inzage moet schriftelijk geschieden en het doel van het onderzoek, de betrokken kantoren en de naam van de optredende ambtenaren vermelden.
De toestemming wordt eveneens schriftelijk verleend en moet dezelfde gegevens bevatten.
§ 26. In België zijn de gewestelijke directeurs en de directeurs van de speciale dienst bevoegd om dergelijke aanvragen in te dienen en om over die van het partnerland te beslissen In Frankrijk komt die bevoegdheid toe aan de gewestelijke directeurs.
§ 27. De ambtenaren die zich in een kantoor van het partner- land begeven om er de geschriften, registers en andere documenten te raadplegen, moeten in het bezit zijn van de bekomen machtiging en van de stukken die hun identiteit en hoedanigheid bewijzen.
§ 28. Ingevolge artikel 7, mogen de ambtenaren afschrift nemen van documenten, voor zover zulks hun nuttig voorkomt, en dat afschrift eventueel in rechte overleggen. Zij mogen tevens de verkregen inlichtingen bekendmaken, zowel in hun rapporten en processen-verbaal als voor de gerechtelijke instanties.
§ 29. Het spreekt van zelf dat artikel 7 niet doelt op de uitwisseling van gegevens bij de uitoefening van de normale dienst aan de internationale douanekantoren of aan de gemeenschappelijke grens tussen Frankrijk en België. Die uitwisseling, die hoofdzakelijk
ten doel heeft de bij het binnenkomen en bij het uitgaan aangeboden goederen vlug vrij te maken, blijft geregeld bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Franse Republiek betreffende de controles aan de Belgisch-Franse grens, de gemeenschappelijke stations en de uitwisselingsstations.
§ 30. De instructie V. 3854 wordt opgeheven.
Omdeling
§ 31. Een exemplaar van deze instructie zal door de gewestelijke directeurs worden toegezonden:
- voor hun persoonlijke collectie: aan al de personeelsleden onder hun bevelen;
- voor de collectie van de officies: aan de directies, inspecties, controles, ontvangkantoren, hulpkantoren, luitenantschappen en douanebrigades.
Voor de Directeur-generaal, De Adviseur,
P. VANGERVEN
