Circulaire nr. 16 d.d. 31.08.1999

Registratierechten, successierechten, zegelrechten, met zegel gelijkgestelde taksen

Fiscale procedure

Vermindering en kwijtschelding van boeten

AFZ/97-0792 - Dos. 51

1. De wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, beide gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 27 maart 1999, brengen wijzigingen aan de fiscale wetboeken, het Gerechtelijk Wetboek en het Wetboek van Strafvordering aan.

Hierna volgt een eerste commentaar met betrekking tot de bepalingen van de voornoemde wetten.

2. De in het kader van de voornoemde wetten tot stand gekomen hervorming heeft betrekking op de procedure (wijziging aan het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten, het Wetboek der successierechten, het Wetboek der zegelrechten, het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen en het Gerechtelijk Wetboek), de kwijtschelding en vermindering van boeten en op de raakpunten tussen het fiscaal recht en het strafrecht.

Het resultaat van de hervorming van de fiscale procedure is dat ieder geschil betreffende de toepassing van een belastingwet ter kennisneming staat van een in fiscale zaken gespecialiseerde kamer van de rechtbank van eerste aanleg (hierna "fiscale rechtbank" genoemd).

3. Er dient echter een dubbel voorbehoud te worden gemaakt.

3.1. Aangezien de wijzigingen aan de fiscale wetboeken, voor wat de procedure betreft, enkel betrekking hebben op de vervolgingen en de gedingen (wijziging en/of toevoeging van de artikelen 221 t.e.m. 225ter W.Reg., 142/3 t.e.m. 142/4 W.Succ., 76 t.e.m. 79bis W.Zeg., 202/6 t.e.m. 210bis W.Taksen), blijven de in de andere aangelegenheden (bv. procedure controleschatting, .) geldende regels onverminderd van kracht.

3.2. Het nieuwe artikel 1385undecies, Ger. W. stelt dat de vordering tot beslechting van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet slechts toegelaten is indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. Artikel 219, lid 1, W. Reg., artikel 141 W. Succ., artikel 74 W. Zeg. en artikel 202/4 W. Taksen, voorzien dat de moeilijkheden die in verband met de heffing van de onderscheiden belastingen vóór het inleiden der gedingen kunnen oprijzen, door de Minister van Financiën worden opgelost. Dit beroep op de Minister, voorzien in de aangehaalde wetboeken, is niet gelijk te stellen met het in artikel 1385undecies, Ger. W. bedoelde "georganiseerd administratief beroep". Het instellen van een beroep bij de Minister is bijgevolg geen voorafgaande verplichte procedure zodat ze - zoals vroeger - een louter facultatieve mogelijkheid is. De belastingschuldige kan zich met andere woorden ook onmiddellijk tot de rechter wenden.

1. De fiscale rechtbanken: bevoegdheid rationemateriae en rationeloci

4. De wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, vult artikel 569, lid 1, Ger. W. aan met een 32°, volgens hetwelk de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet. Onverminderd de in de fiscale wetboeken behouden specifieke procedures (zie het hogervermelde voorbehoud onder 3.1.) zijn de fiscale rechtbanken aldus bevoegd om bij uitsluiting van alle andere, kennis te nemen van alle bedoelde geschillen.

5. Het nieuwe artikel 632 Ger. W. stelt dat de rechter zitting houdt ter zetel van het Hof van Beroep in wiens rechtsgebied het kantoor gelegen is waar de belasting is of moet worden geïnd of, indien het geschil geen verband houdt met de inning van een belasting, in wiens gebied de belastingdienst is gevestigd die de bestreden beschikking heeft getroffen. Wanneer evenwel de procedure in het Duits wordt gevoerd, is alleen de rechtbank van eerste aanleg van Eupen bevoegd. Bovendien kan de Koning andere rechters in het rechtsgebied van het Hof van Beroep aanwijzen, die kennis nemen van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet.

De Koning heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt door middel van het koninklijk besluit van 25 maart 1999 (B.S. van 27 maart 1999) tot uitvoering van artikel 7 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken.

2. Wijzigingen aan de fiscale wetgeving – De nieuwe procedure

6. In de vier belastingen blijft de eerste akte van vervolging ter invordering van sommen het dwangschrift (1) (cf. de ongewijzigde artikelen 220 W. Reg., 142^1 W. Succ., 75 W. Zeg. en 202/5 W. Taksen).

7. Waar vroeger de tenuitvoerlegging van het dwangschrift slechts kon worden gestuit door verzet aangetekend door de belastingschuldige en met redenen omkleed, met dagvaarding voor het gerecht, stipuleren de nieuwe artikelen 221 W. Reg., 76 W. Zeg. en 202/6 W. Taksen, dat de tenuitvoerlegging van het dwangbevel [ De eenheid van terminologie in de Nederlandse tekst ontbreekt.] slechts kan worden gestuit door een vordering in rechte.

Krachtens artikel 1385decies, lid 1 Ger. W. wordt de vordering tegen de Administratie ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak. Niettemin wordt aangenomen dat de vordering ook bij dagvaarding door middel van een gerechtsdeurwaardersexploot kan worden ingesteld.

Er wordt opgemerkt dat, gelet op het feit dat de wetgever de artikelen 279/1 en 162, 4°, W. Reg. niet heeft gewijzigd, de inschrijving op de algemene rol van een geschil betreffende de toepassing van een belastingwet is vrijgesteld van het rolrecht. Dit geldt onverschillig of de rolstelling geschiedt ingevolge een dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot of ingevolge een tegensprekelijk verzoekschrift.

8. Het gewijzigde artikel 42, 1°, Ger. W. bepaalt dat de betekening gedaan wordt op het kabinet van de minister die bevoegd is om er kennis van te nemen of op het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar. Het eveneens gewijzigde artikel 705, lid 1, Ger. W preciseert op een gelijkluidende manier dat de Staat gedagvaard wordt aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het geschil behoort of aan het kantoor van de door hem aangewezen ambtenaar.

9. De Administratie zal voorstellen de volgende ambtenaren bij besluit aan te wijzen: bij een vordering in rechte om de tenuitvoerlegging van een dwangbevel te stuiten, de ambtenaar van wie het dwangbevel uitgaat, en bij vorderingen inzake teruggave van rechten, de ambtenaar die de belasting heeft geïnd.

10. Inzake de vorderingen tot teruggave wordt opgemerkt dat artikel 222 W. Reg. en artikel 77 W. Zeg. werden opgeheven. Deze vordering dient aldus te worden behandeld volgens het nu geldend gemeen fiscaal procesrecht. De vordering wordt aanhangig gemaakt bij de fiscale rechtbank op de wijze zoals hierboven onder nr. 7 vermeld. Zoals hoger reeds werd opgemerkt kan de belastingschuldige zich rechtstreeks tot de rechter wenden en dient hij niet eerst een beroep te doen op - het weze herhaald - de facultatieve administratieve procedure.

11. De door de rechtbank van eerste aanleg uitgesproken vonnissen over geschillen met betrekking tot de toepassing van een belastingwet, zijn steeds vatbaar voor hoger beroep (aanvulling van artikel 617 Ger. W.), wat ook het bedrag is van het geschil.

12. Krachtens de nieuwe artikelen 225bis W. Reg., 142/3 W. Succ., 79 W. Zeg. en 210 W. Taksen schorsen de termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.

13. Wat betreft de voorziening in cassatie wordt opgemerkt dat deze, volgens de nieuwe artikelen 225ter W. Reg., 142/4 W. Succ., 79bis W. Zeg. en 210bis W. Taksen, ingesteld wordt bij verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Het verzoekschrift mag voor de eiser door een advocaat ondertekend en neergelegd worden. Daaruit volgt met andere woorden dat, in tegenstelling tot wat geldt bij burgerlijke (of handels of sociale) zaken, elke advocaat voor het Hof van Cassatie kan optreden.

3. Inwerkingtreding – Overgangsbepalingen

14. Voor zover niet anders bepaald is, zijn de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen en de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken inwerking getreden 10 dagen na de publicatie, of met andere woorden op 6 april 1999.

15. Artikel 97, lid 3, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen bepaalt dat voor de toepassing van het W. Reg., W. Succ., W. Zeg. en W. Taksen de verhalen voor de hoven, de rechtbanken en de andere instanties vanaf 1 januari 1999 zullen worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen inzake de procedure zoals zij zijn gewijzigd door deze wet. De procedures die nog niet afgehandeld zijn op 31 december 1998 zullen evenwel worden voortgezet en afgehandeld overeenkomstig de op die datum geldende regels.

16. Anderzijds bepaalt artikel 11, lid 1, van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken, dat de gedingen die hangende zijn bij de hoven, de rechtbanken en andere instanties, met inbegrip van de rechtsmiddelen die tegen hun beslissingen kunnen worden aangewend, worden vervolgd en afgehandeld met toepassing van de vóór 1 maart 1999 geldende regels.

17. Aangezien de wet van 23 maart 1999 die het Gerechtelijk Wetboek wijzigt, in werking treedt op 6 april 1999, zijn in de overgangsperiode tussen 1 januari 1999 en 6 april 1999, aangaande het verzet tegen een dwangbevel/schrift, zowel wat de bevoegdheid van de rechtbanken als wat de rechtspleging [ Daarenboven (zie onder nummer 7) aanvaardt de Administratie dat het verzet tegen een dwangbevel/schrift bij dagvaarding bij gerechtsdeurwaardersexploot mag worden ingesteld.] betreft, de regels van de oude wetgeving van toepassing.

4. De kwijtschelding van boeten

18. Inzake het recht van de Minister van Financiën om een beslissing te nemen inzake" de verzoeken om kwijtschelding of vermindering van boeten en de belastingverhogingen, werd in een eerste fase overwogen om deze bevoegdheden over te dragen aan de inzake fiscaliteit bevoegde rechtbanken. Later werd geoordeeld dat het optreden van de rechterlijke macht op dat vlak te log is. Tenslotte werd beslist artikel 9 van het besluit van 18 maart 1831 onverkort te handhaven (zie daaromtrent Parlementaire Stukken Kamer, Gewone zitting 1998-1999, Verslag namens de Commissie voor de Financiën en de Begroting, nr. 1341/23, p. 18).

19. Hoe dan ook hebben de artikelen 66, 73, 77 en 83 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, met inwerkingtreding op 6 april 1999, de artikelen 219, lid 2, W. Reg., 141, lid 2, W. Succ., 74, lid 2, W. Zeg. en 202/4, lid 2, W. Taksen, gewijzigd of opgeheven. In al deze artikelen werd de zinsnede "Hij beslist over de verzoekschriften tot kwijtschelding van fiscale boeten en", vervangen door de woorden "De Minister van Financiën".

20. Nochtans blijft - zoals voormeld - het "genaderecht", voorzien in artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, behouden. Rekening gehouden met de bestaande delegaties is de toestand niet gewijzigd.

21. Tenslotte werd artikel 205 W. Reg. opgeheven door artikel 64 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen. De redenen van de (uitzonderlijke) kwijtschelding van boeten ingeval van prijsbewimpeling (artikel 203, lid 1, W. Reg.) en veinzing (artikel 204 W. Reg.), nl. ten voordele van de overtreder die, vóór alle reclamatie van het bestuur, aan dit zijn overtreding spontaan bekend heeft, of ten voordele van de erfgenamen van een overleden overtreder, worden nu vermeld in het gewijzigde artikel 219, lid 3, W. Reg., krachtens hetwelk de boeten in die gegeven specifieke omstandigheden, worden bepaald volgens de door de Koning bepaalde schaal.

22. Er wordt opgemerkt dat op de reeds verminderde boete het "genaderecht", voorzien in artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831, eveneens kan toegepast worden.

5. Raakpunten tussen het fiscaal recht en het strafrecht

23. De artikelen 65, 72, 76 en 86 van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen heffen respectievelijk de artikelen 207septies, § 4, W. Reg., 133nonies, § 4, W. Succ., 67nonies, § 4, W. Zeg. en 207nonies, § 4, W. Taksen, op. Vóór de wijziging moest, indien vóór het sluiten van de debatten voor een strafrechter, een geschil bij een andere gerechtelijke overheid aanhangig werd gemaakt waarvan de oplossing een invloed kon hebben op de strafvordering, de strafrechter zijn uitspraak over de tenlasteleggingen of over één ervan uitstellen totdat aan het geschil een einde werd gemaakt door een in kracht van gewijsde gegane beslissing. De voorrang van de fiscale rechter op de strafrechter wordt aldus opgeheven. Het gewone rechtsbeginsel "Ie criminel tient Ie civil (Ie fiscal) en état" is van toepassing.

24. Artikel 97, lid 9, van de wet van 15 maart 1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, stelt evenwel dat de artikelen 207septies, § 4, W. Reg., 133nonies, § 4, W. Succ., 67nonies, § 4, W. Zeg. en 207nonies, § 4, W. Taksen, zoals ze bestonden vóór hun opheffing bij respectievelijk de artikelen 65, 72, 76 en 86, van deze wet, van toepassing blijven, ingeval een rechter bij wie de strafvordering aanhangig is, met toepassing van een van die bepalingen besloten heeft de uitspraak over een of meerdere tenlasteleggingen uit te stellen.

25. Tenslotte werd artikel 29, lid 2, Wetboek van strafvordering vervangen door het volgende lid: "De ambtenaren van de Administratie der directe belastingen, de ambtenaren van de Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit, kunnen echter de feiten die, naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechterlijk strafbaar zijn, niet zonder machtiging van de gewestelijke directeur onder wie zij ressorteren, ter kennis brengen van de procureur des Konings." (artikel 10 van de wet van 23 maart 1999 betreffende de rechterlijke inrichting in fiscale zaken).

26. Laatstgenoemde wijziging heeft als gevolg dat ook de ambtenaren van de Administratie van de bijzondere belastinginspectie en de ambtenaren van de Administratie van ondernemings- en inkomensfiscaliteit bedoelde feiten aan de procureur des Konings kunnen ter kennis brengen mits machtiging van hun gewestelijke directeur. Vóór de hervorming behoefden zij een machtiging van een van de drie ambtenaren die daartoe, op eensluidend advies van de administrateur- generaal van de belastingen, door de secretaris-generaal van het Ministerie van Financiën werden aangewezen onder de ambtenaren van deze administratie of ter beschikking gesteld van deze laatste.

De bijlagen bevatten de gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van respectievelijk het Wetboek der zegelrechten en het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen.

Bijlage 1

Gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der zegelrechten

Art. 67nonies

§ 4. (Opgeheven bij artikel 76 van de wet van 15 maart 1999).

Art. 74

(gewijzigd bij artikelen 104 van de wet van 4 augustus 1986 en 77 van de wet van 15 maart 1999).

De moeilijkheden die in verband met de heffing van zegelrechten voor het inleiden der gedingen kunnen oprijzen, worden door de Minister van Financiën opgelost.

De Minister van Financiën gaat dadingen met de belastingplichtigen aan, voor zover zij geen vrijstelling of vermindering van belasting in zich sluiten.

Binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Art. 76.

(vervangen door artikel 78 van de wet van 15 maart 1999).

De tenuitvoerlegging van het dwangbevel kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte.

Art. 77

(opgeheven bij artikel 79 van de wet van 15 maart 1999).

Art. 79

(vervangen door artikel 80 van de wet van 15 maart 1999).

De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.

Art. 79bis

(ingevoegd door artikel 81 van de wet van 15 maart 1999).

De voorziening in cassatie wordt ingesteld bij verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Het verzoekschrift mag voor de eiser door een advocaat ondertekend en neergelegd worden.

Bijlage 2

Gecoördineerde tekst van de gewijzigde bepalingen van het Wetboek der met het zegel gelijkgestelde taksen

Art. 202/3

(Besluitwet van 27 maart 1936, art. 16, opgeheven bij artikel 82 van de wet van 15 maart 1999)

Art. 202/4

(Wet van 13 juni 1951, art. 8, gewijzigd bij artikel 75 der wet van 4 augustus 1986 en artikel 83 van de wet van 15 maart 1999)

De moeilijkheden die in verband met het innen der met het zegel gelijkgestelde taksen vóór het inleiden der gedingen kunnen oprijzen, worden door de Minister van Financiën opgelost.

De Minister van Financiën gaat dadingen met de belastingplichtigen aan, voor zover zij geen vrijstelling of vermindering van belasting insluiten.

Binnen de door de wet gestelde grenzen, wordt het bedrag van de proportionele fiscale boeten vastgesteld in dit Wetboek of in de ter uitvoering ervan genomen besluiten, bepaald volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Art. 202/6

(Wet van 13 juni 1951, art. 8, gewijzigd bij artikel 84 van de wet van 15 maart 1999)

Tenuitvoerlegging van het dwangschrift kan slechts worden gestuit door een vordering in rechte.

Art. 202/7

(Wet van 13 juni 1951, art. 8, gewijzigd bij artikel 2 van de wet van 24 december 1965 en opgeheven bij artikel 85 van de wet van 15 maart 1999)

Art. 207nonies

§ 4. (Opgeheven bij artikel 86 van de wet van 15 maart 1999)

Art. 210

(opgeheven en opnieuw ingevoegd bij artikel 87 van de wet van 15 maart 1999)

De termijnen van verzet, hoger beroep en cassatie, alsmede het verzet, het hoger beroep en de voorziening in cassatie schorsen de tenuitvoerlegging van de gerechtelijke beslissing.

Art. 210bis

(Wet van 15 maart 1999, art. 88 )

De voorziening in cassatie wordt ingesteld bij verzoekschrift dat, op straffe van nietigheid, een bondige uiteenzetting van de middelen en de aanduiding van de geschonden wetten bevat. Het verzoekschrift mag voor de eiser door een advocaat ondertekend en neergelegd worden.