Circulaire nr. Ci.RH.243/361.327 dd. 09.07.1985
CIRC 09.07.85/1
Circulaire nr. Ci.RH.243/361.327 dd. 09.07.1985
Bull. nr. 642, pag. 1874
LEVENSVERZEKERING
Vrijstelling van de aflossingen van leningen gewaarborgd door een schuldsaldoverzekering
In zijn arrest van 22.9.1983, inzake ORBAN Edgard-Jules (B. 636, blz. 305), heeft het Hof van Cassatie aangenomen dat de sommen besteed tot aflossing van een hypothecaire lening, hoofdelijk en onverdeeld toegestaan aan beide echtgenoten en gewaarborgd door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal die is afgesloten op het hoofd van de man ten voordele van zijn vrouw, aftrekbaar zijn van de bedrijfsinkomsten van deze laatste, om reden dat de art. 54, 3° en 56, WIB, geenszins bepalen dat de aftrek enkel kan worden toegestaan aan diegene die de verzekering heeft afgesloten.
Daar de administratie zich bij het standpunt van het Hof van Cassatie heeft aangesloten, mogen de bedoelde sommen voortaan worden afgetrokken door ieder van de twee echtgenoten volgens de door hen vastgestelde wijze van omdeling.
Vanzelfsprekend moet, ingeval van echtscheiding, er in hoofde van die van de ex-echtgenoten die verder aanspraak maakt op het genot van deze aftrek, voldaan zijn aan alle in art. 54, 3°, WIB, voorziene vrijstellingsvoorwaarden (zie eveneens 54/82.6 en 54/82.7 Com.IB).
De vorenstaande richtlijnen mogen worden toegepast voor de ter zake nog hangende geschillen.
De Com.IB zal eerlang in de voormelde zin worden aangepast.
Circulaire nr. Ci.RH.243/361.327 dd. 09.07.1985
Bull. nr. 642, pag. 1874
LEVENSVERZEKERING
Vrijstelling van de aflossingen van leningen gewaarborgd door een schuldsaldoverzekering
In zijn arrest van 22.9.1983, inzake ORBAN Edgard-Jules (B. 636, blz. 305), heeft het Hof van Cassatie aangenomen dat de sommen besteed tot aflossing van een hypothecaire lening, hoofdelijk en onverdeeld toegestaan aan beide echtgenoten en gewaarborgd door een tijdelijke verzekering bij overlijden met afnemend kapitaal die is afgesloten op het hoofd van de man ten voordele van zijn vrouw, aftrekbaar zijn van de bedrijfsinkomsten van deze laatste, om reden dat de art. 54, 3° en 56, WIB, geenszins bepalen dat de aftrek enkel kan worden toegestaan aan diegene die de verzekering heeft afgesloten.
Daar de administratie zich bij het standpunt van het Hof van Cassatie heeft aangesloten, mogen de bedoelde sommen voortaan worden afgetrokken door ieder van de twee echtgenoten volgens de door hen vastgestelde wijze van omdeling.
Vanzelfsprekend moet, ingeval van echtscheiding, er in hoofde van die van de ex-echtgenoten die verder aanspraak maakt op het genot van deze aftrek, voldaan zijn aan alle in art. 54, 3°, WIB, voorziene vrijstellingsvoorwaarden (zie eveneens 54/82.6 en 54/82.7 Com.IB).
De vorenstaande richtlijnen mogen worden toegepast voor de ter zake nog hangende geschillen.
De Com.IB zal eerlang in de voormelde zin worden aangepast.
Bron: FisconetPlus
