Circulaire 2020/C/135 over de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de BV omwille van COVID-19 pandemie – invoering van een specifieke maatregel voor werkgevers die gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid - FAQ

Commentaar op de steunmaatregel 'vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie'.

bedrijfsvoorheffing ; vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing ; COVID-19 pandemie

FOD Financiën, 05.11.2020
Algemene Administratie van de Fiscaliteit – Personenbelasting

Inhoudstafel

I. Inleiding
II. Wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (BS 23.07.2020)
III. Koninklijk besluit van 22.08.2020 houdende uitvoering van artikel 2, achtste lid, van de wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III), met betrekking tot de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 27.09.2020
IV. Commentaar

1. Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze steunmaatregel?
2. Wat verstaat men onder 'ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen'?
3. Welke tijdelijke werkloosheid komt in aanmerking?
4. Wat verstaat men onder 'werkgevers die gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid'?
5. Zijn er bijzondere regels voor uitzendkrachten?
6. Hoe wordt deze steunmaatregel berekend?
7. Welke bezoldigingen komen in aanmerking voor de berekening van deze steunmaatregel?
8. Kan deze steunmaatregel toegepast worden in combinatie met de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92?
9. Is er een beperking met betrekking tot deze steunmaatregel?
10. Hoe moet deze vrijstelling van doorstorting verwerkt worden in de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor maandaangevers?
11. Hoe moet deze vrijstelling van doorstorting verwerkt worden in de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor kwartaalaangevers?
12. Voorbeelden
13. Worden sommige werkgevers uitgesloten van deze steunmaatregel?
14. Bepaalde werkgevers uit de non-profitsector moeten een gedeelte van de vrijstelling doorstorten, ter financiering van de sociale Maribel fondsen. Heeft die doorstorting een impact op de berekening?
15. Welke bewijsstukken moet de werkgever kunnen voorleggen?

I. Inleiding

De impact van de COVID-19-crisis is ongezien.

Om de tewerkstelling in de zwaar getroffen sectoren extra te ondersteunen, laat artikel 2 van de wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (W 15.07.2020) toe om de loonkost voor de maanden juni, juli en augustus 2020 te milderen, op voorwaarde dat de betrokken werkgevers gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen, gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

Deze vermindering van de loonkost gebeurt door middel van een nieuwe specifieke maatregel, zijnde de tijdelijke vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie.

Deze circulaire bespreekt deze nieuwe steunmaatregel aan de hand van FAQ's.

II. Wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) (BS 23.07.2020)

Artikel 2

Dit artikel is van toepassing op de werkgevers die in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, schuldenaar zijn van bedrijfsvoorheffing en die gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020, beide data inbegrepen, gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

De in het eerste lid vermelde werkgevers zijn er niet toe gehouden een gedeelte van de bedrijfsvoorheffing die zij verschuldigd zijn uit hoofde van een in artikel 273, 1°, van hetzelfde Wetboek bedoelde betaling of toekenning van belastbare bezoldigingen aan hun werknemers, door te storten aan de Schatkist op voorwaarde dat ze op die bezoldigingen 100 pct. van die bedrijfsvoorheffing inhouden.

De in het vorige lid bedoelde belastbare bezoldigingen zijn de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen.

Voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 bedraagt de niet door te storten bedrijfsvoorheffing 50 pct. van het verschil tussen enerzijds de totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing van die maand op de in het tweede en derde lid bedoelde bezoldigingen en anderzijds het totaal van de op de in het tweede en derde lid bedoelde bezoldigingen verschuldigde bedrijfsvoorheffing van de referentieperiode, de maand mei 2020 zonder dat deze vrijstelling over de beoogde drie maanden meer mag bedragen dan 20 miljoen euro.

Deze vrijstelling kan worden toegepast in combinatie met de toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11 van hetzelfde Wetboek en wordt berekend op het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing na de toepassing van de vrijstellingen beoogd in 275" book="CATCH_ALL">27511 van hetzelfde wetboek.

De hiervoor bedoelde vrijstelling is niet van toepassing op de vennootschappen die tijdens de periode van 12 maart 2020 tot 31 december 2020 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18 van hetzelfde Wetboek, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541 van hetzelfde Wetboek, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537 van hetzelfde Wetboek, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht.

Tenslotte is deze regeling niet van toepassing voor de vennootschappen die, in de periode van 12 maart 2020 tot 31 december 2020 ofwel:

- een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een Staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, van hetzelfde Wetboek of een Staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92; of,

- betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde Staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.

De Koning bepaalt de toepassingsmodaliteiten van dit artikel.

Artikel 31

Deze wet treedt in werking op de dag van haar publicatie in het Belgisch Staatsblad.

III. Koninklijk besluit van 22.08.2020 houdende uitvoering van artikel 2, achtste lid, van de wet van 15.07.2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III), met betrekking tot de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 27.09.2020

Artikel 1

De in artikel 2 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing moeten voor de periode waarin zij bezoldigingen hebben toegekend waarvoor zij een deel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moeten storten, twee afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in tweede en derde lid vermelde onderscheid.

De eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft betrekking op de aan al de werknemers betaalde of toegekende bezoldigingen en moet de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "belastbare inkomsten": de door de werkgever voor die periode betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen;

b) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

De tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing heeft uitsluitend betrekking op de bezoldigingen van werknemers waarvoor een deel van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing niet in de Schatkist moet worden gestort en moet, afhankelijk van de schuldenaars, de volgende specifieke vermeldingen bevatten:

a) in het vak "aard der inkomsten":

- de code "71", wanneer gebruikt wordt gemaakt van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij toepassing van artikel 2 van de voormelde wet van 15 juli 2020 met betrekking tot de maand juni 2020;

- de code "72", wanneer gebruikt wordt gemaakt van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij toepassing van artikel 2 van de voormelde wet van 15 juli 2020 met betrekking tot de maand juli 2020;

- de code "73", wanneer gebruikt wordt gemaakt van de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing bij toepassing van artikel 2 van de voormelde wet van 15 juli 2020 met betrekking tot de maand augustus 2020;

b) in het vak "belastbare inkomsten": de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen die zijn betaald of toegekend in de maand juni 2020, wanneer het een door de voormelde code "71" beoogde vrijstelling betreft, in de maand juli 2020, wanneer het een door de voormelde code "72" beoogde vrijstelling betreft, of in de maand augustus 2020, wanneer het een door de voormelde code "73" beoogde vrijstelling betreft;

c) in het vak "verschuldigde bedrijfsvoorheffing": een negatief bedrag gelijk aan 50 pct. van het positieve verschil tussen:

- enerzijds, het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vastgestelde belastbare bezoldigingen van de werknemers met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen, na de toepassing van de vrijstellingen beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11 van hetzelfde Wetboek, voor de maand juni 2020, wanneer het een door de voormelde code "71" beoogde vrijstelling betreft, juli 2020, wanneer het een door de voormelde code "72" beoogde vrijstelling betreft, of augustus 2020, wanneer het een door de voormelde code "73" beoogde vrijstelling betreft, en

- anderzijds het saldo van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op de overeenkomstig artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 vastgestelde belastbare bezoldiging van de werknemers, met uitsluiting van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275^1 tot 275^11 van hetzelfde Wetboek, voor de maand mei 2020.

Artikel 1/1

§ 1. De in artikel 2 van de wet van 15 juli 2020 houdende diverse dringende fiscale bepalingen ten gevolge van de COVID-19 pandemie (CORONA III) vermelde schuldenaars van bedrijfsvoorheffing, kunnen er evenwel voor kiezen om de in artikel 2 van de voormelde wet beoogde vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de maanden te verrekenen met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend in de maand september of oktober 2020, als de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing onderworpen is aan een maandelijkse aangifteplicht, of voor de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend in het derde trimester van 2020, als de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing onderworpen is aan een trimestriële aangifteplicht. Deze keuze is definitief en onherroepelijk.

De betrokken schuldenaars van de bedrijfsvoorheffing moeten hiertoe afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen volgens het in artikel 1, tweede en derde lid vermelde onderscheid, met dien verstande dat:

- voor elke in artikel 1, derde lid, a) vermelde code een afzonderlijke tweede aangifte wordt overlegd;

- het in artikel 1, derde lid, c), bedoelde negatieve bedrag wordt beperkt tot het bedrag dat effectief kan worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor, naar gelang het geval, de maand september of oktober 2020 als de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing onderworpen is aan een maandelijkse aangifteplicht of voor het derde trimester van 2020 als de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing onderworpen is aan een trimestriële aangifteplicht, na toepassing van de artikelen 275^1 tot en met 275^11, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, en desgevallend, wat de vrijstelling met betrekking tot de maand juli 2020 betreft, na verrekening van de vrijstelling met betrekking tot de maand juni 2020, en wat de vrijstelling met betrekking tot de maand augustus 2020 betreft, na verrekening van de vrijstellingen met betrekking tot de maanden juni 2020 en juli 2020.

§ 2. Wanneer na de toepassing van paragraaf 1, de vrijstellingen met betrekking tot de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 niet volledig zijn verrekend met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor, naar gelang het geval, de maand september of oktober 2020, als de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing onderworpen is aan een maandelijkse aangifteplicht, of met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor het derde trimester van 2020, als de schuldenaar van de bedrijfsvoorheffing onderworpen is aan een trimestriële aangifteplicht, kan dat saldo achtereenvolgens worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die na de toepassing van de artikelen 2751 tot 275^11 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 verschuldigd is voor de volgende periodes.

Voor die volgende periodes wordt de vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing aangevraagd overeenkomstig paragraaf 1.

Artikel 2

De in de artikel 1 en 1/1 bedoelde schuldenaars moeten ter beschikking houden van de administratie:

- de volledige identiteit van elke werknemer;

- in voorkomend geval, het nationaal nummer;

- het bedrag van de bruto belastbare bezoldigingen bedoeld in artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met uitzondering van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldiging betaald voor de maand mei en voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 waarvoor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wordt gevraagd;

- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en de gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275^1 tot 275^11 van hetzelfde Wetboek, voor de maand mei 2020;

- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en de gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275^1 tot 275^11 van hetzelfde Wetboek, voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 waarvoor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing wordt gevraagd;

- het bewijs dat zij tussen 12 maart 2020 en 31 mei 2020, beide data inbegrepen, gedurende een ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen van het tijdelijke werkloosheidsregeling hebben genoten.

Artikel 3

Dit besluit heeft uitwerking op de vanaf 1 juni 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen.

Artikel 4

De minister bevoegd voor Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

IV. Commentaar

1. Welke werkgevers komen in aanmerking voor deze steunmaatregel?

Deze steunmaatregel kan toegepast worden door werkgevers die:

- in toepassing van artikel 270, eerste lid, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92), schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing

- de bedrijfsvoorheffing volledig inhouden op de belastbare bezoldigingen van hun werknemers

- gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen, gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

2. Wat verstaat men onder 'ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen'?

Een ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen moet begrepen worden als een periode van 30 opeenvolgende dagen, zaterdagen, zondagen en wettelijke feestdagen inbegrepen.

Wanneer een wettelijke feestdag wordt vervangen, dan onderbreekt deze vervangende feestdag de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet.

Voor de berekening van deze 30 dagen, zijn de data '12 maart' en '31 mei' inbegrepen.

3. Welke tijdelijke werkloosheid komt in aanmerking?

Alle stelsels van tijdelijke werkloosheid komen in aanmerking (tijdelijke werkloosheid wegens overmacht, om economische redenen, wegens slecht weer, wegens technische stoornis …).

4. Wat verstaat men onder 'werkgevers die gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid'?

Om beschouwd te worden als een werkgever die gebruik heeft gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid, moet, maar volstaat het, dat gedurende een ononderbroken periode van 30 kalenderdagen ten minste één werknemer van de onderneming tijdelijk werkloos werd gesteld, zonder dat dit noodzakelijk dezelfde persoon moet zijn.

Voorbeeld 1

Een onderneming stelt 2 werknemers tewerk die werken in een 5-dagenweek (van maandag tot vrijdag).

Werknemer A was tijdelijk werkloos (TWL) van 12.03.2020 tot en met 25.03.2020 en werknemer B was tijdelijk werkloos van 26.03.2020 tot en met 10.04.2020:

2020

Werknemer A

Werknemer B

Donderdag

12/03

TWL

Werk

Vrijdag

13/03

TWL

Werk

Zaterdag

14/03

-

-

Zondag

15/03

-

-

Maandag

16/03

TWL

Werk

Dinsdag

17/03

TWL

Werk

Woensdag

18/03

TWL

Werk

Donderdag

19/03

TWL

Werk

Vrijdag

20/03

TWL

Werk

Zaterdag

21/03

-

-

Zondag

22/03

-

-

Maandag

23/03

TWL

Werk

Dinsdag

24/03

TWL

Werk

Woensdag

25/03

TWL

Werk

Donderdag

26/03

Werk

TWL

Vrijdag

27/03

Werk

TWL

Zaterdag

28/03

-

-

Zondag

29/03

-

-

Maandag

30/03

Werk

TWL

Dinsdag

31/03

Werk

TWL

Woensdag

01/04

Werk

TWL

Donderdag

02/04

Werk

TWL

Vrijdag

03/04

Werk

TWL

Zaterdag

04/04

-

-

Zondag

05/04

-

-

Maandag

06/04

Werk

TWL

Dinsdag

07/04

Werk

TWL

Woensdag

08/04

Werk

TWL

Donderdag

09/04

Werk

TWL

Vrijdag

10/04

Werk

TWL

Aangezien de onderneming ten minste één werknemer gedurende een periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid heeft geplaatst (van 12.03.2020 tot en met 10.04.2020), wordt de werkgever geacht gebruik te hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen.

Voorbeeld 2

Een onderneming stelt 3 werknemers tewerk die werken in een 5-dagenweek (van maandag tot vrijdag).

Werknemer A was tijdelijk werkloos (TWL) van 20.04.2020 tot en met 28.04.2020, werknemer B was tijdelijk werkloos van 29.04.2020 tot en met 07.05.2020, werknemer C was tijdelijk werkloos van 08.05.2020 tot en met 13.05.2020 en werknemer A was tijdelijk werkloos van 14.05.2020 tot en met 19.05.2020:

2020

Werknemer A

Werknemer B

Werknemer C

Maandag

20/04

TWL

Werk

TWL

Dinsdag

21/04

TWL

Werk

TWL

Woensdag

22/04

TWL

Werk

Werk

Donderdag

23/04

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

24/04

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

25/04

-

-

-

Zondag

26/04

-

-

-

Maandag

27/04

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

28/04

TWL

Werk

Werk

Woensdag

29/04

Werk

TWL

Werk

Donderdag

30/04

Werk

TWL

Werk

Vrijdag

01/05

Wettelijke Feestdag

Zaterdag

02/05

-

-

-

Zondag

03/05

-

-

-

Maandag

04/05

Werk

TWL

TWL

Dinsdag

05/05

Werk

TWL

TWL

Woensdag

06/05

Werk

TWL

Werk

Donderdag

07/05

Werk

TWL

Werk

Vrijdag

08/05

Werk

Werk

TWL

Zaterdag

09/05

-

-

-

Zondag

10/05

-

-

-

Maandag

11/05

Werk

Werk

TWL

Dinsdag

12/05

Werk

Werk

TWL

Woensdag

13/05

Werk

TWL

TWL

Donderdag

14/05

TWL

TWL

Werk

Vrijdag

15/05

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

16/05

-

-

-

Zondag

17/05

-

-

-

Maandag

18/05

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

19/05

TWL

Werk

Werk

Aangezien de onderneming ten minste één werknemer gedurende een periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid heeft tewerkgesteld (van 20.04.2020 tot en met 19.05.2020), wordt de werkgever geacht gebruik te hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen. De wettelijke feestdag van 01.05.2020 onderbreekt de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet.

Voorbeeld 3

Een onderneming stelt 5 werknemers tewerk; de werknemers A, B en C werken in een 5-dagenstelsel (van maandag tot vrijdag) en de werknemers D en E werken in een 6-dagenstelsel (van maandag tot zaterdag).

De werknemers A, B en C waren tijdelijk werkloos (TWL) van 16.03.2020 tot en met 14.04.2020 en de werknemers D en E waren in die periode aan het werk:

Werknemer

2020

A

B

C

D

E

Maandag

16/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

17/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Woensdag

18/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Donderdag

19/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

20/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

21/03

-

-

-

Werk

Werk

Zondag

22/03

-

-

-

-

-

Maandag

23/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

24/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Woensdag

25/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Donderdag

26/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

27/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

28/03

-

-

-

Werk

Werk

Zondag

29/03

-

-

-

-

-

Maandag

30/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

31/03

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Woensdag

01/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Donderdag

02/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

03/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

04/04

-

-

-

Werk

Werk

Zondag

05/04

-

-

-

-

-

Maandag

06/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

07/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Woensdag

08/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Donderdag

09/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

10/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

11/04

-

-

-

Werk

Werk

Zondag

12/04

-

-

-

-

-

Maandag

13/04

Wettelijke feestdag (Paasmaandag)

Dinsdag

14/04

TWL

TWL

TWL

Werk

Werk

Aangezien de onderneming ten minste één werknemer in het 5-dagen stelstel gedurende een periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid heeft tewerkgesteld (van 16.03.2020 tot en met 14.04.2020), wordt de werkgever geacht gebruik te hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen. De wettelijke feestdag van 13.04.2020 onderbreekt de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet.

Voorbeeld 4

Een onderneming stelt 3 werknemers tewerk die werken in een 5-dagenweek (van maandag tot vrijdag).

De werknemers A, B en C zijn tijdelijk werkloos (TWL) van 23.03.2020 tot en met 21.04.2020. In deze periode van tijdelijke werkloosheid vallen ADV-dagen (inhaalrustdagen voor arbeidsduurvermindering):

2020

Werknemer A

Werknemer B

Werknemer C

Maandag

23/03

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

24/03

TWL

TWL

TWL

Woensdag

25/03

TWL

TWL

TWL

Donderdag

26/03

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

27/03

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

28/03

-

-

-

Zondag

29/03

-

-

-

Maandag

30/03

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

31/03

TWL

TWL

TWL

Woensdag

01/04

TWL

TWL

TWL

Donderdag

02/04

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

03/04

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

04/04

-

-

-

Zondag

05/04

-

-

-

Maandag

06/04

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

07/04

TWL

TWL

TWL

Woensdag

08/04

TWL

TWL

TWL

Donderdag

09/04

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

10/04

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

11/04

-

-

-

Zondag

12/04

-

-

-

Maandag

13/04

Wettelijke feestdag (Paasmaandag)

Dinsdag

14/04

ADV-dag

ADV-dag

ADV-dag

Woensdag

15/04

TWL

TWL

TWL

Donderdag

16/04

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

17/04

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

18/04

-

-

Zondag

19/04

-

-

Maandag

20/04

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

21/04

TWL

TWL

TWL

Aangezien de onderneming ten minste één werknemer gedurende een periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid heeft tewerkgesteld (van 23.03.2020 tot en met 21.04.2020), wordt de werkgever geacht gebruik te hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen. De ADV-dagen onderbreken de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet.

Voorbeeld 5

Een onderneming stelt 3 werknemers tewerk die werken in een 5-dagenweek (van maandag tot vrijdag).

De werknemers A, B en C zijn tijdelijk werkloos (TWL) van 23.03.2020 tot en met 21.04.2020. In deze periode van tijdelijke werkloosheid valt een collectieve sluiting van de onderneming:

2020

Werknemer A

Werknemer B

Werknemer C

Maandag

23/03

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

24/03

TWL

TWL

TWL

Woensdag

25/03

TWL

TWL

TWL

Donderdag

26/03

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

27/03

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

28/03

-

-

-

Zondag

29/03

-

-

-

Maandag

30/03

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

31/03

TWL

TWL

TWL

Woensdag

01/04

TWL

TWL

TWL

Donderdag

02/04

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

03/04

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

04/04

-

-

-

Zondag

05/04

-

-

-

Maandag

06/04

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

07/04

TWL

TWL

TWL

Woensdag

08/04

TWL

TWL

TWL

Donderdag

09/04

TWL

TWL

TWL

Vrijdag

10/04

TWL

TWL

TWL

Zaterdag

11/04

-

-

-

Zondag

12/04

-

-

-

Maandag

13/04

Wettelijke feestdag (Paasmaandag)

Dinsdag

14/04

Collectieve sluiting

Woensdag

15/04

Collectieve sluiting

Donderdag

16/04

Collectieve sluiting

Vrijdag

17/04

Collectieve sluiting

Zaterdag

18/04

-

-

-

Zondag

19/04

-

-

-

Maandag

20/04

TWL

TWL

TWL

Dinsdag

21/04

TWL

TWL

TWL

Aangezien de onderneming ten minste één werknemer gedurende een periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid heeft tewerkgesteld (van 23.03.2020 tot en met 21.04.2020), wordt de werkgever geacht gebruik te hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen. De collectieve sluitingsdagen onderbreken de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid niet.

Voorbeeld 6

Een onderneming stelt 3 werknemers tewerk die werken in een 5-dagenweek (van maandag tot vrijdag).

Werknemer A heeft verlof aangevraagd voor de periode van 30.03.2020 tot 01.04.2020. Na de goedkeuring van zijn verlof, wordt werknemer A tijdelijk werkloos gesteld vanaf 23.03.2020. De werknemers B en C werken in de periode van 23.03.2020 tot en met 21.04.2020:

2020

Werknemer A

Werknemer B

Werknemer C

Maandag

23/03

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

24/03

TWL

Werk

Werk

Woensdag

25/03

TWL

Werk

Werk

Donderdag

26/03

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

27/03

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

28/03

-

-

-

Zondag

29/03

-

-

-

Maandag

30/03

Verlof

Werk

Werk

Dinsdag

31/03

Verlof

Werk

Werk

Woensdag

01/04

Verlof

Werk

Werk

Donderdag

02/04

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

03/04

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

04/04

-

-

-

Zondag

05/04

-

-

-

Maandag

06/04

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

07/04

TWL

Werk

Werk

Woensdag

08/04

TWL

Werk

Werk

Donderdag

09/04

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

10/04

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

11/04

-

-

-

Zondag

12/04

-

-

-

Maandag

13/04

Wettelijke feestdag (Paasmaandag)

Dinsdag

14/04

TWL

Werk

Werk

Woensdag

15/04

TWL

Werk

Werk

Donderdag

16/04

TWL

Werk

Werk

Vrijdag

17/04

TWL

Werk

Werk

Zaterdag

18/04

-

-

Zondag

19/04

-

-

Maandag

20/04

TWL

Werk

Werk

Dinsdag

21/04

TWL

Werk

Werk

De individuele verlofdagen onderbreken de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid. Bijgevolg kan de onderneming geen aanspraak maken op de steunmaatregel 'vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie'.

Hetzelfde geldt wanneer werknemer A ziek zou zijn gevallen of bijvoorbeeld ouderschapsverlof heeft genomen: de ziektedagen en het ouderschapsverlof onderbreken eveneens de periode van 30 kalenderdagen in het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

5. Zijn er bijzondere regels voor uitzendkrachten?

Een werkgever, die zelf geen erkende onderneming voor uitzendarbeid is, en die een beroep doet op uitzendkrachten, houdt bij de beoordeling van de voorwaarde 'gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid' enkel rekening met zijn werknemers en niet met die uitzendkrachten.

Een werkgever, die zelf een erkende onderneming voor uitzendarbeid is, houdt bij de beoordeling van de voorwaarde 'gebruik hebben gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid' ook rekening met zijn uitzendkrachten die hij bij de gebruikers heeft tewerkgesteld.

6. Hoe wordt deze steunmaatregel berekend?

Voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 bedraagt de niet door te storten bedrijfsvoorheffing 50 % van het positieve verschil tussen:

- enerzijds de totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing voor die maand op de in aanmerking komende bezoldigingen en

- anderzijds het totaal van de verschuldigde bedrijfsvoorheffing voor de maand mei 2020 (referentieperiode) op de in aanmerking komende bezoldigingen.

Deze vrijstelling wordt berekend op het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de in aanmerking komende bezoldigingen van alle werknemers, na toepassing van de overige vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92).

7. Welke bezoldigingen komen in aanmerking voor de berekening van deze steunmaatregel?

Zowel voor de referentiemaand (mei 2020) als voor de maanden juni, juli en augustus 2020 zijn de in aanmerking komende bezoldigingen de wedden en lonen van de werknemers alsook de voordelen van alle aard die ze verkregen hebben uit hoofde of naar aanleiding van het uitoefenen van de beroepswerkzaamheid met uitzondering van:

- het dubbel vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen

- vergoedingen verkregen uit hoofde of naar aanleiding van het stopzetten van de arbeid of het beëindigen van een arbeidsovereenkomst

- vergoedingen verkregen tot volledig of gedeeltelijk herstel van een tijdelijke derving van bezoldigingen.

De bezoldigingen toegekend door een buitenlandse vennootschap die verbonden is met de schuldenaar in de bedrijfsvoorheffing en waarop ingevolge de toepassing van artikel 270, tweede lid, WIB 92, bedrijfsvoorheffing is verschuldigd, komen eveneens in aanmerking.

De bezoldigingen van de bedrijfsleiders komen niet in aanmerking voor deze steunmaatregel.

8. Kan deze steunmaatregel toegepast worden in combinatie met de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92?

Ja, deze vrijstelling kan worden toegepast in combinatie met de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92.

Let wel, deze vrijstelling wordt berekend na toepassing van de overige vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (zie FAQ 6).

9. Is er een beperking met betrekking tot deze steunmaatregel?

Ja.

Het bedrag van de totale vrijstelling over de beoogde drie maanden (zie FAQ 6) mag niet meer bedragen dan 20 miljoen euro.

10. Hoe moet deze vrijstelling van doorstorting verwerkt worden in de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor maandaangevers?

Algemeen principe

Voor elke maand waarvoor deze steunmaatregel wordt aangevraagd, moeten er twee aangiften in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend:

Eerste aangifte

In de eerste aangifte die betrekking heeft op alle werknemers komt in het vak 'belastbare inkomsten' de door de werkgever voor die maand betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen en in het vak 'verschuldigde BV', de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

Tweede aangifte

De tweede aangifte betreft eveneens alle werknemers.

In het vak 'belastbare inkomsten' worden de voor deze steunmaatregel in aanmerking komende belastbare bezoldigingen voor die maand opgenomen (zie FAQ 7).

In het vak 'verschuldigde BV' wordt een negatief bedrag opgenomen gelijk aan 50 % van het positieve verschil tussen:

- enerzijds, het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand juni 2020, respectievelijk juli 2020 of augustus 2020, met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en

- anderzijds het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand mei 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92.

De te gebruiken code in het vak 'aard der inkomsten' is:

- de code '71', wanneer gebruik wordt gemaakt van deze steunmaatregel met betrekking tot de maand juni 2020

- de code '72', wanneer gebruik wordt gemaakt van deze steunmaatregel met betrekking tot de maand juli 2020

- de code '73', wanneer gebruik wordt gemaakt van deze steunmaatregel met betrekking tot de maand augustus 2020.

Afwijking

De schuldenaar in de bedrijfsvoorheffing kan ervoor opteren om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van de COVID-19 pandemie met betrekking tot de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 te verrekenen met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend in de maand september of oktober 2020. Deze keuze is definitief en onherroepelijk.

De betrokken schuldenaar in de bedrijfsvoorheffing moet hiertoe afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen zoals uitgelegd onder de titel 'algemeen principe', met dien verstande dat:

- voor elke maand waarvoor de steunmaatregel wordt gevraagd, wordt een afzonderlijke tweede aangifte overlegd;

- het bedrag van de vrijstelling wordt beperkt tot het bedrag dat effectief kan worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor de maand september of oktober 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot en met 275^11, WIB 92, en desgevallend, wat de vrijstelling met betrekking tot de maand juli 2020 betreft, na verrekening van de vrijstelling met betrekking tot de maand juni 2020, en wat de vrijstelling met betrekking tot de maand augustus 2020 betreft, na verrekening van de vrijstellingen met betrekking tot de maanden juni 2020 en juli 2020.

Wanneer na toepassing van het voorgaande de vrijstellingen met betrekking tot de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 niet volledig zijn verrekend met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor de maand september of oktober 2020, kan dat saldo achtereenvolgens worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die na de toepassing van de artikelen 275^1 tot en met 275^11, WIB 92, verschuldigd is voor de volgende periodes.

Voor die volgende periodes wordt deze steunmaatregel op dezelfde wijze aangevraagd.

11. Hoe moet deze vrijstelling van doorstorting verwerkt worden in de aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor kwartaalaangevers?

Ook voor de schuldenaars in de bedrijfsvoorheffing die hun aangifte in de bedrijfsvoorheffing per kwartaal indienen, wordt de bedrijfsvoorheffing maandelijks berekend.

De bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de referentiemaand (mei 2020) en voor de maanden waarvoor de nieuwe vrijstellingsmaatregel eventueel kan worden toegepast (juni, juli en augustus 2020) alsook de inkomsten waarop ze betrekking hebben, zijn gekende elementen.

Algemeen principe

Om de vrijstelling voor de maand juni aan te vragen, worden er twee aangiften in de bedrijfsvoorheffing voor het tweede kwartaal 2020 ingediend:

Eerste aangifte

In de eerste aangifte die betrekking heeft op alle werknemers komt in het vak 'belastbare inkomsten' de door de werkgever voor het tweede kwartaal betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen en in het vak 'verschuldigde BV', de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

Tweede aangifte

De tweede aangifte betreft eveneens alle werknemers.

In het vak 'belastbare inkomsten' worden de voor deze steunmaatregel in aanmerking komende belastbare bezoldigingen voor de maand juni 2020 opgenomen (zie FAQ 7).

In het vak 'verschuldigde BV' wordt een negatief bedrag opgenomen gelijk aan 50 % van het positieve verschil tussen:

- enerzijds, het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand juni 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en

- anderzijds het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand mei 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92.

De te gebruiken code in het vak 'aard der inkomsten' is de code '71'.

Om de vrijstelling voor de maanden juli en augustus 2020 aan te vragen, worden er drie aangiften in de bedrijfsvoorheffing voor het derde kwartaal ingediend:

Eerste aangifte

In de eerste aangifte die betrekking heeft op alle werknemers komt in het vak 'belastbare inkomsten' de door de werkgever voor het derde kwartaal betaalde of toegekende belastbare bezoldigingen en in het vak 'verschuldigde BV', de ingehouden bedrijfsvoorheffing.

Tweede aangifte

Er wordt zowel voor de maand juli 2020 als voor de maand augustus 2020 een tweede aangifte ingediend:

- Tweede aangifte voor de maand juli 2020

De tweede aangifte betreft eveneens alle werknemers.

In het vak 'belastbare inkomsten' worden de voor deze steunmaatregel in aanmerking komende belastbare bezoldigingen voor de maand juli 2020 opgenomen (zie FAQ 7).

In het vak 'verschuldigde BV' wordt een negatief bedrag opgenomen gelijk aan 50 % van het positieve verschil tussen:

- enerzijds, het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand juli 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en

- anderzijds het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand mei 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92.

De te gebruiken code in het vak 'aard der inkomsten' is de code '72'.

- Tweede aangifte voor de maand augustus 2020

De tweede aangifte betreft eveneens alle werknemers.

In het vak 'belastbare inkomsten' worden de voor deze steunmaatregel in aanmerking komende belastbare bezoldigingen voor de maand augustus 2020 opgenomen (zie FAQ 7).

In het vak 'verschuldigde BV' wordt een negatief bedrag opgenomen gelijk aan 50 % van het positieve verschil tussen:

- enerzijds, het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand augustus 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en

- anderzijds het totaal van de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand mei 2020 met betrekking tot de in aanmerking komende bezoldigingen (zie FAQ 7), na toepassing van de vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing beoogd in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92.

De te gebruiken code in het vak 'aard der inkomsten' is de code '73'.

Afwijking

De schuldenaar in de bedrijfsvoorheffing kan ervoor opteren om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van de COVID-19 pandemie met betrekking tot de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 te verrekenen met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor de bezoldigingen die zijn betaald of toegekend in het derde kwartaal 2020. Deze keuze is definitief en onherroepelijk.

De betrokken schuldenaar in de bedrijfsvoorheffing moet hiertoe afzonderlijke aangiften in de bedrijfsvoorheffing overleggen zoals uitgelegd onder de titel 'algemeen principe', met dien verstande dat:

- voor elke maand waarvoor de steunmaatregel wordt gevraagd, wordt een afzonderlijke tweede aangifte overlegd;

- het bedrag van de vrijstelling wordt beperkt tot het bedrag dat effectief kan worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor het derde kwartaal 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot en met 275^11, WIB 92, en desgevallend, wat de vrijstelling met betrekking tot de maand juli 2020 betreft, na verrekening van de vrijstelling met betrekking tot de maand juni 2020, en wat de vrijstelling met betrekking tot de maand augustus 2020 betreft, na verrekening van de vrijstellingen met betrekking tot de maanden juni 2020 en juli 2020.

Wanneer na toepassing van het voorgaande de vrijstellingen met betrekking tot de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 niet volledig zijn verrekend met de bedrijfsvoorheffing die verschuldigd is voor het derde kwartaal 2020, kan dat saldo achtereenvolgens worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die na de toepassing van de artikelen 275^1 tot en met 275^11, WIB 92, verschuldigd is voor de volgende periodes.

Voor die volgende periodes wordt deze steunmaatregel op dezelfde wijze aangevraagd.

12. Voorbeelden

Om onderstaande voorbeelden eenvoudig te houden, wordt de bedrijfsvoorheffing bij benadering bepaald.

Voorbeeld 1 (maandelijkse aangifte in de bedrijfsvoorheffing)

Een onderneming stelt één werknemer tewerk. Deze werknemer was gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020 tijdelijk werkloos gesteld.

De onderneming kan aanspraak maken op de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen (artikel 275^10, WIB 92 – microvennootschap).

De gegevens voor de maand mei 2020 voor haar werknemer zijn:

Aard

Beschrijving van de inkomsten

Bedrag

Verschuldigde BV

10

Bezoldigingen

3.000,00

810,00

10

Premies

1.000,00

514,00

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen voor de maand mei 2020 bedraagt 264,80 euro (20 % van 514,00 + 810,00).

De totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing voor de maand mei 2020 op de in aanmerking komende bezoldigingen bedraagt 1059,20 euro ((514,00 + 810,00) - 264,80).

De gegevens voor de maand juni 2020 voor haar werknemer zijn:

Aard

Beschrijving van de inkomsten

Bedrag

Verschuldigde BV

10

Bezoldigingen

3.500,00

1.030,00

10

Premies

1.000,00

514,00

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor startende ondernemingen voor de maand juni 2020 bedraagt 308,80 euro (20 % van 1.030,00 + 514,00).

De totaal verschuldigde bedrijfsvoorheffing voor de maand juni 2020 op de in aanmerking komende bezoldigingen bedraagt 1.235,20 euro ((1.030,00 + 514,00) - 308,80)).

Het bedrag van de nieuwe vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van de COVID-19 pandemie bedraagt bijgevolg (zie FAQ 6):

50 % van (1.235,20 euro – 1.059,20 euro) = 88,00 euro.

De onderneming past de algemene regel toe en verrekent de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van de COVID-19 pandemie voor de maand juni 2020 met de bedrijfsvoorheffing verschuldigd in de maand juni 2020 en na toepassing van de artikelen 2751 tot 275^11, WIB 92. Hiertoe dient de onderneming voor de maand juni 2020 een tweede aangifte in:

- aard van de inkomsten: code 71

- belastbare inkomsten: 4.500 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juni 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 88,00 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juni 2020)

De onderneming moet ook nog een tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing indienen voor de in toepassing van artikel 275^10, WIB 92, gevraagde vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (308,80 euro).

Voorbeeld 2 (maandelijkse aangiften in de bedrijfsvoorheffing)

Een onderneming stelt meerdere werknemers tewerk. Deze onderneming heeft gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020 gebruik gemaakt van het stelstel van tijdelijke werkloosheid.

De gegevens voor haar werknemers zijn:

Maand

In aanmerking komende bezoldigingen

BV verschuldigd op de in aanmerking komende bezoldigingen en na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

mei 2020

40.000 euro

7.000 euro

juni 2020

52.000 euro

11.000 euro

juli 2020

45.000 euro

9.000 euro

augustus 2020

50.000 euro

10.000 euro

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie bedraagt:

juni 2020

(11.000 – 7.000) x 50 %

2.000 euro

juli 2020

(9.000 – 7.000) x 50 %

1.000 euro

augustus 2020

(10.000 – 7.000) x 50 %

1.500 euro

De onderneming heeft ervoor gekozen om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie toe te rekenen op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de in september 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen. Deze keuze is definitief en onherroepelijk.

De in de maand september 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen bedragen 55.000 euro en de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor de maand september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 12.000 euro. Het totaal bedrag van de vrijstellingen door toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 250 euro.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september 2020:

- aard van de inkomsten: code 10

- belastbare inkomsten: 55.000 euro

- verschuldigde BV: 12.250 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september 2020 - vrijstelling voor juni 2020:

- aard van de inkomsten: code 71

- belastbare inkomsten: 52.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juni 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 2.000 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juni 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor september 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, nl. 12.000 euro (= 12.250 euro – 250 euro))

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september 2020 – vrijstelling voor juli 2020:

- aard van de inkomsten: code 72

- belastbare inkomsten: 45.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juli 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 1.000 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juli 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor de maand juni 2020, nl. 10.000 euro (= 12.250 euro – 250 euro – 2.000 euro))

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september 2020 – vrijstelling voor augustus 2020:

- aard van de inkomsten: code 73

- belastbare inkomsten: 50.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in augustus 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 1.500 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor augustus 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor de maanden juni en juli 2020, nl. 9.000 euro (= 12.250 euro – 250 euro – 2.000 euro – 1.000 euro))

Er moeten ook nog tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend voor de in toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, gevraagde vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (250 euro).

Samenvattende tabel:

Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie

Bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

Beschikbaar

Aanrekening

Saldo

juni 2020

2.000 euro

12.000 euro

2.000 euro

10.000 euro

juli 2020

1.000 euro

10.000 euro

1.000 euro

9.000 euro

augustus 2020

1.500 euro

9.000 euro

1.500 euro

NVT

Voorbeeld 3 (kwartaalaangiften in de bedrijfsvoorheffing)

Een onderneming stelt meerdere werknemers tewerk. Deze onderneming heeft gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020 gebruik gemaakt van het stelstel van tijdelijke werkloosheid.

De gegevens voor haar werknemers zijn:

Maand

In aanmerking komende bezoldigingen

BV verschuldigd op de in aanmerking komende bezoldigingen en na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

mei 2020

20.000 euro

1.200 euro

juni 2020

30.000 euro

2.400 euro

juli 2020

25.000 euro

1.800 euro

augustus 2020

30.000 euro

2.400 euro

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie bedraagt:

juni 2020

(2.400 – 1.200) x 50 %

600 euro

juli 2020

(1.800 – 1.200) x 50 %

300 euro

augustus 2020

(2.400 – 1.200) x 50 %

600 euro

De onderneming heeft ervoor gekozen om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie toe te rekenen op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de in het derde kwartaal 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen. Deze keuze is definitief en onherroepelijk.

De in het derde kwartaal 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen bedragen 90.000 euro en de voor het derde kwartaal 2020 verschuldigde bedrijfsvoorheffing na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 7.000 euro. Het totaal bedrag van de vrijstellingen door toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 400 euro.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor het derde kwartaal 2020:

- aard van de inkomsten: code 10

- belastbare inkomsten: 90.000 euro

- verschuldigde BV: 7.400 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor het derde kwartaal 2020 – vrijstelling voor juni 2020:

- aard van de inkomsten: code 71

- belastbare inkomsten: 30.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juni 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 600 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juni 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor het derde kwartaal 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, nl. 7.000 euro (= 7.400 euro – 400 euro))

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor het derde kwartaal 2020 – vrijstelling voor juli 2020:

- aard van de inkomsten: code 72

- belastbare inkomsten: 25.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juli 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 300 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juli 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor het derde kwartaal 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juni 2020, nl. 6.400 euro (= 7.400 euro – 400 euro – 600 euro))

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor het derde kwartaal 2020 – vrijstelling voor augustus 2020:

- aard van de inkomsten: code 73

- belastbare inkomsten: 30.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in augustus 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 600 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor augustus 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor het derde kwartaal 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juni en juli 2020, nl. 6.100 euro (= 7.400 euro – 400 euro – 600 euro - 300 euro))

Er moeten ook nog tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend voor de in toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, gevraagde vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (400 euro).

Samenvattende tabel:

Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie

Bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor het derde kwartaal 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

Beschikbaar

Aanrekening

Saldo

juni 2020

600 euro

7.000 euro

600 euro

6.400 euro

juli 2020

300 euro

6.400 euro

300 euro

6.100 euro

augustus 2020

600 euro

6.100 euro

600 euro

NVT

Voorbeeld 4 (maandelijkse aangiften in de bedrijfsvoorheffing - overdracht)

Een onderneming stelt meerdere werknemers tewerk. Deze onderneming heeft gedurende een ononderbroken periode van minstens 30 kalenderdagen tussen 12.03.2020 en 31.05.2020 gebruik gemaakt van het stelstel van tijdelijke werkloosheid.

De gegevens voor haar werknemers zijn:

Maand

In aanmerking komende bezoldigingen

BV verschuldigd op de in aanmerking komende bezoldigingen en na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

mei 2020

10.500 euro

1.000 euro

juni 2020

31.000 euro

3.000 euro

juli 2020

62.000 euro

6.000 euro

augustus 2020

77.000 euro

9.000 euro

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie bedraagt:

juni 2020

(3.000 – 1.000) x 50 %

1.000 euro

juli 2020

(6.000 – 1.000) x 50 %

2.500 euro

augustus 2020

(9.000 – 1.000) x 50 %

4.000 euro

De onderneming heeft ervoor gekozen om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie toe te rekenen op de bedrijfsvoorheffing verschuldigd op de in september 2020 betaalde of toegekende bezoldigingen. Deze keuze is definitief en onherroepelijk.

Aangiften voor de maand september 2020

De bezoldigingen betaald of toegekend in de maand september 2020 bedragen 35.000 euro en de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor september 2020, na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 3.300 euro. Het totaal bedrag van de vrijstellingen door toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 400 euro.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september:

- aard van de inkomsten: code 10

- belastbare inkomsten: 35.000 euro

- verschuldigde BV: 3.700 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september 2020 – vrijstelling voor juni 2020:

- aard van de inkomsten: code 71

- belastbare inkomsten: 31.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juni 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 1.000 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juni 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, nl. 3.300 euro (3.700 euro – 400 euro))

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand september 2020 – vrijstelling voor juli 2020:

- aard van de inkomsten: code 72

- belastbare inkomsten: 62.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juli 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 2.300 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juli 2020 dat effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 (3.300 euro) en de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor de maand juni 2020, nl. 2.300 euro (= 3.700 euro – 400 euro – 1.000 euro))

Er moeten ook nog tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend voor de in toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, gevraagde vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (400 euro).

Samenvattende tabel:

Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie

Bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor september 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

Beschikbaar

Aanrekening

Saldo

juni 2020

1.000 euro

3.300 euro

1.000 euro

2.300 euro

juli 2020

2.500 euro

2.300 euro

2.300 euro

0 euro

augustus 2020

4.000 euro

0 euro

0 euro

0 euro

Met de bedrijfsvoorheffing die nog voor september 2020 verschuldigd is

  • kan de vrijstelling voor de maand juli 2020 dus slechts gedeeltelijk worden verrekend (nog te verrekenen vrijstelling: 2.500 euro – 2.300 euro = 200 euro)
  • kan niets worden verrekend van de vrijstelling voor de maand augustus 2020 (nog te verrekenen vrijstelling: 4.000 euro).

Aangiften voor de maand oktober 2020

De bezoldigingen betaald of toegekend in de maand oktober 2020 bedragen 25.000 euro en de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor oktober 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 2.300 euro. Het totaal bedrag van de vrijstellingen door toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 300 euro.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand oktober 2020:

- aard van de inkomsten: code 10

- belastbare inkomsten: 25.000 euro

- verschuldigde BV: 2.600 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand oktober 2020 – saldo van de vrijstelling voor juli 2020:

- aard van de inkomsten: code 72

- belastbare inkomsten: 62.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in juli 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 200 euro

(bedrag van het gedeelte van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juli 2020 dat niet kon worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing voor september 2020 en effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor oktober 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, nl. 2.300 euro (= 2.600 euro – 300 euro))

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand oktober 2020 – vrijstelling voor augustus 2020:

- aard van de inkomsten: code 73

- belastbare inkomsten: 77.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in augustus 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 2.100 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor augustus 2020 dat niet kon worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing voor september 2020 en effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor oktober 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92 en de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor juli 2020, nl. 2.100 euro (= 2.600 euro – 300 euro - 200 euro))

Er moeten ook nog tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend voor de in toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, gevraagde vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (300 euro).

Samenvattende tabel:

Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie

Nog te verrekenen

Bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor oktober 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

Beschikbaar

Aanrekening

Saldo

juli 2020

200 euro

2.300 euro

200 euro

2.100 euro

augustus 2020

4.000 euro

2.100 euro

2.100 euro

0 euro

De vrijstelling voor de maand juli 2020 is nu volledig verrekend. Van de vrijstelling voor de maand augustus 2020 kan slechts 2.100 euro worden verrekend. De resterende 1.900 euro (= 4.000 euro – 2.100 euro) kan nog worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing die voor latere periodes verschuldigd is.

Aangiften voor de maand november 2020

De bezoldigingen betaald of toegekend in de maand november 2020 bedragen 20.000 euro en de bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor november 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 2.200 euro. Het totaal bedrag van de vrijstellingen door toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, bedraagt 200 euro.

Eerste aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand november 2020:

- aard van de inkomsten: code 10

- belastbare inkomsten: 20.000 euro

- verschuldigde BV: 2.400 euro

Tweede aangifte in de bedrijfsvoorheffing voor de maand november 2020 – vrijstelling voor augustus 2020:

- aard van de inkomsten: code 73

- belastbare inkomsten: 77.000 euro

(bedrag van de in aanmerking komende bezoldigingen betaald of toegekend in augustus 2020 – zie FAQ 7)

- verschuldigde BV: - 1.900 euro

(bedrag van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie voor augustus 2020 dat niet kon worden verrekend met de bedrijfsvoorheffing voor september en oktober 2020 en effectief kan worden verrekend op de bedrijfsvoorheffing die nog verschuldigd is voor november 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, nl. 2.200 euro (= 2.400 euro – 200 euro))

Er moeten ook nog tweede aangiften in de bedrijfsvoorheffing worden ingediend voor de in toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, gevraagde vrijstellingen van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (200 euro).

Samenvattende tabel:

Vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van COVID-19 pandemie

Nog te verrekenen

Bedrijfsvoorheffing verschuldigd voor oktober 2020 na toepassing van de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92

Beschikbaar

Aanrekening

Saldo

augustus 2020

1.900 euro

2.200 euro

1.900 euro

NVT

13. Worden sommige werkgevers uitgesloten van deze steunmaatregel?

Ja.

De nieuwe vrijstelling is niet van toepassing op de vennootschappen die tijdens de periode van 12.03.2020 tot 31.12.2020 een inkoop van eigen aandelen of een toekenning of uitkering van dividenden als bedoeld in artikel 18, WIB 92, met inbegrip van de uitkering van liquidatiereserves als bedoeld in de artikelen 184quater en 541, WIB 92, of een kapitaalvermindering met inbegrip van de kapitaalvermindering als bedoeld in artikel 537, WIB 92, of elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen hebben verricht.

Met dividenden worden onder meer bedoeld de gewone dividenduitkeringen, de verdeling ten gevolge van overlijden, uittreding of uitsluiting van een vennoot, de liquidatiebonus bij vereffening en de uitkering van liquidatiereserves.

Onder kapitaalverminderingen moeten zowel de terugbetalingen van het gestort kapitaal als de terugbetalingen van met kapitaal gelijkgestelde bedragen worden verstaan. De uitgiftepremies en andere bedragen waarop wordt ingeschreven door werkelijk gestorte inbrengen in geld of in natura, andere dan inbrengen in nijverheid, ter gelegenheid van de uitgifte van aandelen of winstbewijzen, worden gelijkgesteld met het gestort kapitaal onder de in artikel 184, WIB 92, bedoelde voorwaarden.

Bij de inkoop van eigen aandelen is het moment van verkrijging van de eigen aandelen bepalend voor de toepassing van deze bepaling en niet het moment waarop het dividend wordt geacht te zijn toegekend, in voorkomend geval op een latere datum overeenkomstig artikel 186, WIB 92.

Elke vermindering of verdeling van het eigen vermogen wordt dus beoogd.

Er wordt opgemerkt dat de aanwending van de winst van het boekjaar (dus zonder de aantasting van het eigen vermogen) voor de betaling van deelnemingen in de winst aan de werknemers van de vennootschap (1) geen belemmering vormt voor de toekenning van deze vrijstelling. De beoordeling of de toekenning van tantièmes moet worden geherkwalificeerd als een uitkering van dividenden moet geval per geval gebeuren op grond van de feitelijke omstandigheden (inzonderheid het geval waarbij de bedrijfsleider-begunstigde ook aandeelhouder of vennoot is van de vennootschap).

(1) Op basis van de wet van 22.05.2001 betreffende de werknemersparticipatie in het kapitaal van de vennootschappen en tot instelling van een winstpremie voor de werknemers.

Deze nieuwe regeling is ook niet van toepassing voor de vennootschappen die, in de periode van 12.03.2020 tot 31.12.2020:

- een rechtstreekse deelneming aanhouden in een vennootschap die gevestigd is in een staat die is opgenomen op één van de lijsten waarnaar wordt verwezen in artikel 307, § 1/2, WIB 92, of een staat die is opgenomen in de lijst in artikel 179, KB/WIB 92, of,

- betalingen hebben gedaan aan vennootschappen die gevestigd zijn in één van de in het eerste streepje bedoelde staten, voor zover deze betalingen in de loop van het belastbare tijdperk een totaalbedrag vormen van ten minste 100 000 euro, en niet werd aangetoond dat deze betalingen werden verricht in het kader van werkelijke en oprechte verrichtingen die het gevolg zijn van rechtmatige financiële of economische behoeften.

14. Bepaalde werkgevers uit de non-profitsector moeten een gedeelte van de vrijstelling doorstorten, ter financiering van de sociale Maribel fondsen. Heeft die doorstorting een impact op de berekening?

De werkgevers van werknemers die ressorteren onder het toepassingsgebied van de paritaire comités en subcomités opgesomd in artikel 1, 1°, a) tot en met p), van het koninklijk besluit van 18.07.2002 houdende maatregelen met het oog op de bevordering van de tewerkstelling in de non-profit sector, moeten aan de bevoegde ontvanger der belastingen een bedrag dat overeenstemt met drie vierden van de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing waarop zij aanspraak maken overeenkomstig artikel 275^7, derde lid, b, 3°, WIB 92, storten op hetzelfde moment dat de bedrijfsvoorheffing in de Schatkist moet worden gestort.

Dit heeft geen impact op de berekening van de steunmaatregel.

15. Welke bewijsstukken moet de werkgever kunnen voorleggen?

De schuldenaar in de bedrijfsvoorheffing die toepassing wenst te maken van de maatregel, moet ter beschikking houden van de administratie:

- de volledige identiteit van elke werknemer;

- in voorkomend geval, het nationaal nummer;

- het bedrag van de bruto belastbare bezoldigingen bedoeld in artikel 31, tweede lid, 1° en 2°, WIB 92, met uitzondering van het vakantiegeld, de eindejaarspremie en de achterstallige bezoldigingen betaald voor de maand mei 2020 en voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 waarvoor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van de COVID-19 pandemie wordt gevraagd;

- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, voor de maand mei 2020;

- het bedrag van de op die bezoldigingen ingehouden bedrijfsvoorheffing en een gedetailleerde berekening van die bedrijfsvoorheffing, na toepassing van de vrijstellingen voorzien in de artikelen 275^1 tot 275^11, WIB 92, voor elk van de maanden juni 2020, juli 2020 en augustus 2020 waarvoor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing omwille van de COVID-19 pandemie wordt gevraagd;

- het bewijs dat hij tussen 12.03.2020 en 31.05.2020, beide data inbegrepen, gedurende een ononderbroken periode van ten minste 30 kalenderdagen gebruik heeft gemaakt van het stelsel van tijdelijke werkloosheid.

Interne ref.: 725.839/2