Circulaire nr. Ci.RH.421/439.244 dd. 29.11.1993

CIRC 29.11.93/1

Circulaire nr. Ci.RH.421/439.244 dd. 29.11.1993


Bull. nr. 733, pag. 3350

COORDINATIECENTRUM
Algemene commentaar

TEWERKSTELLINGSZONE
Algemene commentaar


Commentaar op de bepalingen van :
  • het KB nr. 118 van 23.12.1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones;
  • het KB nr. 187 van 30.12.1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra;
  • de ermede verband houdende wettelijke bepalingen


Aan alle ambtenaren van de niveaus 1 en 2.

INHOUDSOPGAVE


Nrs. I. Inleiding A. Algemeen 1 B. Tewerkstellingszones 2 C. Coördinatiecentra 3 tot 7 D. Vrijstelling van RV - Toekenning van een FRV 8 tot 13 II. Tewerkstellingszones A. In aanmerking komende vennootschappen 1. Algemeen 14 2. Vestigingsplaats van de vennootschap 15 3. Tewerkstellingszones 16 4. Toegelaten activiteiten 17 5. Personeelsbestand van de vennootschap 18 B. Vrijstellingsperiode 19 C. Bepaling van het belastbare inkomen in de Ven.B 20 en 21 D. Tarief inzake Ven.B 22 III. Coördinatiecentra A. In aanmerking komende centra 23 tot 31 B. Aanvraag tot erkenning 32 C. Koninklijk besluit tot erkenning als coördinatiecentrum 33 tot 36 D. Periode gedurende welke de fiscale voordelen worden verleend 1. Coördinatiecentra erkend vóór 8.1.1985 37 2. Coördinatiecentra erkend vanaf 8.1.1985 38 3. Verval van de erkenning of verlies van de fiscale voordelen 39 E. Hernieuwing van de erkenning 40 F. Bepaling van de belastbare winst 41 tot 50 G. Tarief van de Ven.B of BNI/ven. 51 H. Ontbinding van een erkend coördinatiecentrum 52 IV. Vrijstelling van RV A. In aanmerking komende roerende inkomsten 53 B. Voorwaarden voor vrijstelling van RV 1. Bij de schuldenaars van de roerende inkomsten 54 2. Bij de genieters van de roerende inkomsten 55 C. Belastbare tijdperken waarvoor de vrijstelling van RV van toepassing is 56 V. Toekenning van een FRV A. Algemeen 57 B. Toepassingsregels 58 1. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen a) Algemeen 59 b) Tarieven 1. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t. vóór 22.1.1990 gesloten overeenkomsten 60 2. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t. vanaf 22.1.1990 maar vóór 24.7.1991 gesloten overeenkomsten 61 3. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t vanaf 24.7.1991 gesloten overeenkomsten 62 en 63 c) In aanmerking komende investeringen Algemeen 64 en 65 Materiële vaste activa 66 tot 70 Kosten van onderzoek en ontwikkeling 71 tot 76 Investeringen in België 77 Uitgesloten bestanddelen 78 d) Vaststelling van de in aanmerking te nemen aanschaffingswaarde 79 e) Voorwaarden met betrekking tot de financieringscontracten 80 tot 84 f) Belastbare tijdperken waarvoor de FRV van toepassing is 85 g) Berekening van de FRV bij de genieters van de inkomsten 86 h) Overdracht of buitengebruikstelling van vaste activa 87 en 88 i) Te vervullen formaliteiten 89 en 90 2. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen a) Algemeen 91 tot 95 b) Tarieven 1. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vóór 23.7.1990 96 2. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 23.7.1990 maar vóór 24.7.1991 97 3. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 24.7.1991 98 en 99 c) In aanmerking komende investeringen 100 en 101 d) Beperking van het bedrag van de inkomsten die recht geven op de verrekening van FRV - Beperking tot 7,5 % van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal 102 tot 105 - Bepaling van de waarde van het kapitaal dat geacht wordt voor de vereiste doeleinden te zijn aangewend 106 tot 112 - Proportionele verdeling van de in aanmerking te nemen investeringen 113 tot 115 - Bewerkingen bij het bepalen van het grensbedrag van de inkomsten waarvoor een FRV van toepassing is 116 en 117 e) Voorwaarden met betrekking tot het financieringscontract tussen een erkend coördinatiecentrum en een vennootschap van dezelfde groep 118 f) Belastbare tijdperken waarvoor de FRV van toepassing is 119 en 120 g) Berekening van de verrekenbare FRV 121 h) Te vervullen formaliteiten 122 en 123 VI. Vrijstelling van RV op inkomsten van gelddeposito's A. Algemeen 124 B. Voorwaarde voor vrijstelling van de RV 125 C. Wijze van identificatie van de genieters 126 I. INLEIDING

A. Algemeen

1. De circ. 31.7.1987, Ci.RH.421/368.883 (Bull. 664) verstrekte commentaar op de verschillende bepalingen die fiscale voordelen verlenen aan :

  • bepaalde ondernemingen gevestigd in een tewerkstellingszone (hierna genoemd "erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone");
  • bepaalde coördinatiecentra (hierna genoemd "erkende coördinatiecentra").


Deze nieuwe circ. strekt er toe de onderrichtingen, die in de voormelde circ. werden verstrekt, te actualiseren rekening houdend o.m. met de talrijke - en in de rubrieken B tot D hierna vermelde - wijzigingen die de bedoelde bepalingen sedert hun ontstaan hebben ondergaan.

De volgende wetten en koninklijke besluiten, worden voor een vlottere leesbaarheid van de circ. hierna als volgt afgekort :

  • KB nr. 118 (van het) koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones (V 1644 - Bull. 614).
  • KB nr. 187 (van het) koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (V 1652 - Bull. 615).
  • W 11.4.1983 (van de) Wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen.
  • KB 3.4.1989 (van het) koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 29, 1e lid, 2°, e van de Wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V 1980 - Bull. 684).
  • KB 5.8.1991 (van het) koninklijk besluit tot uitvoering van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (V 2128 - Bull. 710).
  • W 23.10.1991 (van de) Wet van 23 oktober 1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712).


B. Tewerkstellingszones

2. Het KB nr. 118 bepaalt dat ondernemingen welke zich binnen drie jaar na de bekendmaking van het KB tot afbakening van een tewerkstellingszone in die zone vestigen, onder bepaalde voorwaarden vrijstelling van Ven.B kunnen genieten.

Die termijn is op vijf jaar gebracht door art. 17, W 1.8.1985 houdende fiscale en andere bepalingen (V 1785 - Bull. 642).

De art. 176 tot 178, Programmawet 30.12.1988 (V 1961 - Bull. 680) hebben diverse wijzigingen aangebracht aan het KB nr. 118, waardoor de bedoelde ondernemingen met ingang van het aj. 1989 :

  • geen bestaande beroepswerkzaamheden mogen overnemen;
  • in het buitenland gevestigde kantoren van verkoop en dienstverlening na verkoop mogen hebben;
  • geen vrijstelling van Ven.B kunnen genieten op het gedeelte van winsten of baten dat voortkomt van abnormale of goedgunstige voordelen welke die ondernemingen, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks tijdens het belastbaar tijdperk hebben behaald uit een onderneming ten aanzien waarvan zij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden.


Een gecoördineerde tekst van het KB nr. 118 is opgenomen onder bijlage 1.

De tewerkstellingszones zijn geografisch afgebakend bij verschillende KB's. (Deze KB's zijn opgenomen onder bijlagen 2 tot 4).

C. Coördinatiecentra

3. Het KB nr. 187 bepaalde dat de coördinatiecentra welke binnen drie jaar na de bekendmaking van dat KB worden erkend, vrijstelling van Ven.B of BNI-ven. kunnen genieten.

4. Art. 39, W 27.12.1984 houdende fiscale bepalingen (V 1748 - Bull. 636) heeft in het KB nr. 187 diverse wijzigingen aangebracht waaruit inzonderheid voortvloeit dat :

  • de bepaling permanent wordt;
  • een centrum dat reeds in België is gevestigd of er zich later zal vestigen, op elk ogenblik de erkenning kan aanvragen;
  • de erkende coördinatiecentra belast worden op een inkomen dat forfaitair wordt vastgesteld op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het totaal van :


a) de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten;


b) de andere tantièmes dan die bedoeld in art. 108, 1°, WIB (vanaf het aj. 1991 zijn evenwel alle tantièmes als beroepskosten aftrekbaar, zodat deze bepaling zonder voorwerp wordt);


c) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum verleend zijn.


Deze bepalingen zijn van toepassing op coördinatiecentra die erkend worden vanaf 8.1.1985.

5. De art. 41, 42, 44 en 51, §1, 1°, 2° en 5°, W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen (V 1852 - Bull. 653) hebben in het KB nr. 187 nogmaals diverse wijzigingen aangebracht die inzonderheid tot gevolg hebben dat :

  • het multinationale karakter van een groep, voor coördinatiecentra erkend vanaf 30.8.1986, wordt vastgesteld overeenkomstig door de Koning te bepalen criteria;
  • een erkend coördinatiecentrum :


a) geen door effecten vertegenwoordigde leningen of handelswissels met een looptijd van meer dan één jaar mag uitgeven, behoudens bij KB te verlenen toelating voor in vreemde valuta luidende en in het buitenland te plaatsen effecten en voor zover waarborgen worden gegeven dat deze effecten rechtstreeks noch onrechtstreeks worden verworven door natuurlijke of rechtspersonen die aan de PB of de RPB onderworpen zijn;


b) geen aandelen of andere maatschappelijke rechten in om het even welke vennootschappen of ondernemingen mag bezitten;

  • het KB nr. 187 niet van toepassing is op centra die worden opgericht door welbepaalde ondernemingen uit de krediet-, bank- en verzekeringssector;
  • vanaf het aj. 1988 alle erkende coördinatiecentra belast worden op een inkomen dat forfaitair wordt vastgesteld op basis van bepaalde uitgaven en werkingskosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het totaal van :


a) de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten;


b) de andere tantièmes dan die bedoeld in art. 108, 1°, WIB (zonder voorwerp vanaf het aj. 1991 : zie nr. 4);


c) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum verleend zijn.


6. Het KB van 3.11.1986 tot vaststelling van de criteria betreffende het multinationale karakter van de groep waarvan een coördinatiecentrum deel uitmaakt (V 1869 - Bull. 657) bepaalt de criteria waaraan de groep moet voldoen om een multinationaal karakter te bezitten (zie bijlage 5).

7. Art. 16, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V 2073 - Bull. 702) heeft art. 1, KB nr. 187, aangevuld met een derde lid dat aan de Koning de macht verleent om te bepalen wat onder "activiteiten" als vermeld in art. 1, KB nr. 187 moet worden verstaan. Het in uitvoering daarvan getroffen KB 5.8.1991 werd bekrachtigd door art. 7, c, W 23.10.1991. Bovendien bepaalt art. 7, A, W 23.10.1991, dat de erkenning van coördinatiecentra hernieuwbaar is.

Een gecoördineerde tekst van KB nr. 187 is opgenomen onder bijlage 6.

D. Vrijstelling van RV - Toekenning van een FRV

8. Art. 29, W 11.4.1983, laatst gewijzigd door art. 7, B, W 23.10.1991, verleent aan de erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone evenals aan de erkende coördinatiecentra vrijstelling :

  • van de OV met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken (zie circ. 9.3.1989, Ci.RH.222/399.031, Bull. 682);
  • van de RV met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en tot bepaalde door hen verschuldigde inkomsten van schuldvorderingen of leningen en opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen.


Bovendien bepaalt het voormelde art. 29 dat om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag vast te stellen, de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en de inkomsten van schuldvorderingen of leningen in principe worden verhoogd met een FRV van 10/90 (het tarief van 10/90 is toepasselijk op de inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t. vanaf 22.1.1990 afgesloten overeenkomsten en op de inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 23.7.1990 - voorheen was het tarief van 25/75 van toepassing) van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag indien de desbetreffende inkomsten zijn uitgekeerd of toegekend vóór 24.7.1991 (zie nrs. 60, 61, 96 en 97).

Vanaf deze datum wordt het tarief van de FRV op nul gebracht met dien verstande evenwel dat wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen, de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit, de FRV kan verhogen zonder dat hij meer mag bedragen dan 10/90 van het nettobedrag van de geïnde of verkregen inkomsten.

Bovenvermeld art. 29 heeft het voorwerp uitgemaakt van meerdere wijzigingen waarvan de eerste reeds werden gecommentariëerd in de circ. 31.7.1987, nr. Ci.RH.421/368.883 - Bull. 664). Voor de opeenvolgende wijzigingen en de gecoördineerde tekst van art. 29, W 11.4.1983 wordt verwezen naar de bijlagen 12 tot 18.

Vooraleer de nieuwe bepalingen inzake RV en FRV te bespreken, wordt eraan herinnerd (zie nrs. 5, 6 en 8 van de voormelde circ. 31.7.1987) :

  • dat art. 40, W 27.12.1984 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V 1748 - Bull. 636) bepaalt dat de toepassing van de FRV slechts geldt voor zover de geleende kapitalen voor bepaalde doeleinden worden gebruikt;
  • dat de art. 1 en 3, KB 20.12.1984 tot wijziging, op het stuk van de RV, van het KB/WIB (V 1749 - Bull. 636), de door de erkende coördinatiecentra verkregen inkomsten van gelddeposito's die met ingang van 1.1.1985 zijn toegekend of betaalbaar gesteld, vrijstellen van RV;
  • dat krachtens art. 43, W 4.8.1986 houdende fiscale bepalingen (V 1852 - Bull. 653) :


a) de toekenning van de FRV aan striktere voorwaarden werd verbonden;


b) de opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen uitgesloten zijn van de toekenning van de FRV;


c) aan de Koning de bevoegdheid wordt verleend om :


  • verplichtingen te bepalen die moeten worden nageleefd om de toepassing van de FRV te kunnen genieten;
  • het tarief (maximum 7,5 %) dat in aanmerking komt voor de verrekening van de FRV met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, aan te passen wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is.


9. Het KB 3.4.1989 (bijlage 9) bepaalt de formaliteiten die moeten worden vervuld met het oog op de verrekening van de FRV ten name van verkrijgers van inkomsten van aandelen of van deelbewijzen van belegde kapitalen en/of van inkomsten van schuldvorderingen of leningen, betaald of toegekend door ondernemingen gevestigd in een tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra. Deze regels zijn van toepassing op de inkomsten die betrekking hebben op boekjaren die vanaf 1.7.1988 zijn afgesloten door de ondernemingen of centra die schuldenaars van de inkomsten zijn.

De voor de toepassing van dit besluit te gebruiken modellen van fiches en opgaven werden gepubliceerd in resp. het BS 19.4.1989 (Bull. 684), BS 15.6.1990 (Bull. 696) en BS 28.2.1991 (Bull. 704 - bijlage 10).

10. De art. 8 en 10, W 22.2.1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing (V 2033 - Bull. 693) hebben het voormeld art. 29, 2°, b, W 11.4.1983 eveneens gewijzigd in die zin dat de FRV op de inkomsten van schuldvorderingen of leningen betaald door coördinatiecentra en door in een tewerkstellingszone gevestigde ondernemingen m.b.t. de vanaf 22.1.1990 gesloten overeenkomsten, werd verlaagd van 25/75 tot 10/90.

11. Art. 17, 1°, W 28.12.1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen (V 2073 - Bull. 702) heeft art. 29, 2°, b, opnieuw gewijzigd door het FRV tarief eveneens tot 10/90 te herleiden m.b.t. winsten uitgekeerd aan aandelen of delen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 23.7.1990.

Daarnaast heeft art. 17, 2°, van diezelfde wet in art. 29, 2°, W 11.4.1983, een nieuwe litt. e) ingevoegd die een bijkomende voorwaarde stelt inzake het verlenen van de FRV in die zin dat de belastingplichtige onherroepelijk dient te verzaken aan het voordeel van de investeringsaftrek als bedoeld in art. 42ter, WIB (art. 68 tot 77, 201 en 240, lid 2, WIB 92) wat betreft de activa die in aanmerking worden genomen voor de toekenning van een FRV.

12. Krachtens art. 38, W 20.7.1991 houdende begrotingsbepalingen (V 2122 - Bull. 709) blijft de vrijstelling van RV op inkomsten van schuldvorderingen of leningen verschuldigd door erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone of door erkende coördinatiecentra, slechts van toepassing wanneer de verkrijger van die inkomsten kan geïdentificeerd worden als niet zijnde een natuurlijke persoon onderworpen aan de personenbelasting of een rechtspersoon onderworpen aan de rechtspersonenbelasting.

13. Tenslotte heeft art. 7, B, W 23.10.1991, het tarief van de FRV op nul gebracht m.b.t. de vanaf 24.7.1991 toegekende of uitgekeerde inkomsten, waarbij evenwel rekening moet worden gehouden met de in art. 9, § 7, lid 2, W 23.10.1991 vervatte overgangsbepaling.

II. TEWERKSTELLINGSZONES

A. In aanmerking komende vennootschappen

1. Algemeen


14. In aanmerking komen vennootschappen :


  • die opgericht zijn in één der vormen bepaald in het Wetboek van koophandel;
  • die hun maatschappelijke zetel alsmede al hun exploitatiezetels, met uitzondering evenwel van in het buitenland gevestigde kantoren van verkoop en dienstverlening na verkoop, in tewerkstellingszones vestigen;
  • waarvan de activiteiten beperkt zijn tot bepaalde sectoren;
  • die voldoen aan bepaalde vereisten inzake personeelsbestand;
  • die zich binnen vijf jaar na de bekendmaking van het KB tot afbakening van de tewerkstellingszone in die zone vestigen.


Om de fiscale voordelen te kunnen genieten moet de overeenkomst tussen de onderneming en de raad van bestuur van de tewerkstellingszone bij ministerieel besluit worden goedgekeurd.

2. Vestigingsplaats van de vennootschap

15. De voordelen van het KB nr. 118 worden slechts verleend aan ondernemingen die zowel hun maatschappelijke zetel als al hun exploitatiezetels in een of meer tewerkstellingszones hebben met uitzondering evenwel, vanaf het aj. 1989, van de in het buitenland gevestigde kantoren van verkoop en dienstverlening na verkoop.

Derhalve zijn van de voordelen uitgesloten:

  • vennootschappen naar buitenlands recht die een filiaal (inrichting) in een tewerkstellingszone vestigen;
  • vennootschappen naar Belgisch recht die hun maatschappelijke zetel buiten een tewerkstellingszone en een filiaal binnen een tewerkstellingszone hebben;
  • vennootschappen naar Belgisch recht die hun maatschappelijke zetel binnen een tewerkstellingszone hebben en die een filiaal (inrichting) - behoudens kantoren van verkoop en dienstverlening na verkoop in het buitenland - buiten de tewerkstellingszone hebben.


3. Tewerkstellingszones

16. De tewerkstellingszones zijn geografisch afgebakend door de volgende KB's die als bijlagen bij deze circ. zijn gevoegd :

  • KB 13.9.1983 (V 1695 - Bull. 623) betreffende de oprichting van tewerkstellingszones in Vlaanderen (BS 1.10.1983);
  • KB 16.11.1984 (V 1741 - Bull. 636) waarbij tewerkstellingszones in het Vlaamse en in het Waalse Gewest worden opgericht (BS 6.12.1984);
  • KB 27.2.1985 (V 1767 - Bull. 639) betreffende de oprichting van een tewerkstellingszone in het Waalse Gewest (BS 14.3.1985).


Om de voordelen van het KB 118 te kunnen genieten waren de vennootschappen verplicht om zich binnen de vijf jaar na de bekendmaking van het KB tot afbakening van de tewerkstellingszone in die zone te vestigen.

Door de voormelde KB's zijn de volgende tewerkstellingszones opgericht of uitgebreid (zie voor de gedetailleerde geografische afbakening het desbetreffende KB) :

  • voor het Vlaamse Gewest :
  • één in Tessenderlo,
  • één in Geel-Punt-Diest,
  • één in Ieper;
  • voor het Waalse Gewest :
  • één in het arrondissement Luik,
  • één in Marche-en-Famenne,
  • één in de provincie Henegouwen.


4. Toegelaten activiteiten

17. De tewerkstellingszones zijn uitsluitend bestemd voor de vestiging van nieuwe industriële of dienstverlenende ondernemingen die nieuwe arbeidsplaatsen scheppen en waarvan de activiteit het onderzoek betreft inzake spitstechnologische produkten of behoort tot een of meer van de volgende sectoren :

  • gevorderde informatieverwerking;
  • software-technologieën;
  • micro-elektronica, daaronder begrepen opto-electronica;
  • burotica;
  • robotica;
  • telecommunicatie;
  • bio-engineering.


Met ingang van het aj. 1989 mogen de hiervoor bedoelde ondernemingen evenwel geen bestaande beroepswerkzaamheden overnemen.

De raad van bestuur van de tewerkstellingszone beslist onder goedkeuring van de toezichthoudende Ministers of de activiteiten van een vennootschap in aanmerking komen. Die goedkeuring wordt gegeven in de vorm van een ministerieel besluit.

5. Personeelsbestand van de vennootschap

18. Binnen twee jaar nadat de vennootschap haar werkzaamheden heeft aangevat, moet zij ten minste tien werknemers in dienst hebben. Dit minimum aantal werknemers moet gedurende de volledige vrijstellingsperiode behouden blijven.

Evenwel mag de onderneming niet meer dan 200 werknemers in dienst hebben.

B. Vrijstellingsperiode

19. Vrijstelling inzake Ven B., OV (wat deze vrijstelling betreft, zie circ. 9.3.1989, Ci.RH.222/399.031 - Bull. 682) en RV wordt verleend vanaf de dag dat de vennootschap haar activiteit in de tewerkstellingszone aanvangt tot het einde van het belastbare tijdperk dat uiterlijk verstrijkt op 31 december van het tiende kalenderjaar volgend op dat waarin de industriële en dienstverlenende werkzaamheid is aangevat.

De onderneming moet zich ertoe verbinden de raad van bestuur van de tewerkstellingszone alsmede het secretariaat van de tewerkstellingszone in kennis te stellen van de datum waarop zij haar activiteiten in de tewerkstellingszone aanvangt.

Indien de vennootschap tijdens de vrijstellingsperiode niet langer aan de gestelde voorwaarden voldoet, kan de raad van bestuur van de tewerkstellingszone, met de goedkeuring van de toezichthoudende Ministers, de vennootschap het voordeel van de vrijstelling van Ven.B en RV ontnemen.

In dergelijk geval worden de Ven.B en de RV verschuldigd met ingang van het belastbare tijdperk waarin de intrekking uitwerking heeft. De verschuldigde belasting moet worden ingekohierd binnen twaalf maanden vanaf de datum van de beslissing tot intrekking.

C. Bepaling van het belastbare inkomen in de Ven.B

20. De winsten van erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone zijn vrijgesteld van de Ven.B in de mate dat ze :

  • in het vermogen van de onderneming worden behouden;
  • uitgekeerd worden aan de aandelen, resp. de deelbewijzen van belegde kapitalen.


De in principe belastbare winst van dergelijke vennootschappen wordt derhalve beperkt tot het totaal bedrag van de verworpen uitgaven (vanaf het aj. 1991 zijn de tantièmes aftrekbaar als beroepskosten).

Met ingang van het aj. 1989 omvat de belastbare winst eveneens het gedeelte van de winsten dat voorkomt van abnormale of goedgunstige voordelen welke erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone rechtstreeks of onrechtstreeks tijdens het belastbare tijdperk hebben behaald uit een onderneming ten aanzien waarvan zij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden.

Omtrent de begrippen "abnormale of goedgunstige voordelen" en "band van wederzijdse afhankelijkheid" kan inzonderheid worden verwezen naar het bepaalde in Com.IB nrs. 24/6 tot 11 en 24/3 tot 5.

21. Die winst moet vervolgens worden verminderd met de vrijgestelde en niet belastbare bestanddelen, met dien verstande dat:

  • de tijdens de vorige jaren geleden bedrijfsverliezen moeten worden afgetrokken van de winsten over de daaropvolgende belastbare tijdperken zonder rekening te houden met de vrijstelling van de gereserveerde winsten en inkomsten uitgekeerd aan de aandelen of de deelbewijzen van belegde kapitalen;
  • indien de winst van een boekjaar van de vrijstellingsperiode onvoldoende is om de investeringsaftrek in mindering te brengen, de niet verleende aftrek niet mag worden overgebracht naar de winsten van boekjaren waarvoor de vrijstelling niet meer van toepassing is.


D. Tarief inzake Ven.B

22. Gedurende de vrijstellingsperiode worden erkende vennootschappen in een tewerkstellingszone uitgesloten van de verminderde tarieven; ze zijn dus steeds belastbaar tegen het basistarief (39 % vanaf het aj. 1992).

III. COORDINATIECENTRA

A. In aanmerking komende centra

23. Voor erkenning als coördinatiecentra bedoeld in het KB nr. 187 komen in aanmerking de centra die:

a) opgericht zijn hetzij als een vennootschap met rechtspersoonlijkheid in een van de vormen bepaald in het Belgisch Wetboek van koophandel, hetzij als Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap met rechtspersoonlijkheid;



b)deel uitmaken van een groep die:
  • een multinationaal karakter heeft (zie nr. 28);
  • over een kapitaal en reserves beschikt waarvan het geconsolideerde bedrag één miljard frank bereikt of te boven gaat;
  • een jaaromzet behaalt waarvan het geconsolideerde bedrag tien miljard frank bereikt of te boven gaat;


c) als enig doel hebben de ontwikkeling en de centralisering van een of meer van de volgende activiteiten, welke uitsluitend ten voordele van het geheel of van een deel van de vennootschappen van de groep worden uitgeoefend :

  • publiciteit;
  • informatieverlening en -verzameling;
  • verzekering en herverzekering;
  • wetenschappelijk onderzoek;
  • betrekkingen met de nationale en internationale autoriteiten;
  • centralisering van de werkzaamheden op het gebied van boekhouding, administratie en informatica;
  • centralisering van de financiële handelingen en van het dekken van risico's voortspruitend uit de schommelingen van wisselkoersen;
  • alle werkzaamheden die een voorbereidend of hulpverlenend karakter hebben voor de vennootschappen van de groep;


d) in België tenminste het equivalent van tien voltijdse werknemers in dienst hebben na verloop van twee jaar sinds het centrum met zijn activiteiten is begonnen.

24. De Koning kan bepalen wat onder de sub c hiervoor bedoelde activiteiten moet worden verstaan.

Dienaangaande bepaalt het KB 5.8.1991 (zie bijlage 7) dat niet tot de activiteiten van een coördinatiecentrum behoren het aanhouden van sommen als geldbeleggingen gedaan of aangehouden vanaf 1.9.1991 wanneer die sommen voortkomen van kapitaalinbrengen in het centrum waarvoor de inbrengers zelf, rechtstreeks of onrechtstreeks, een lening hebben aangegaan wanneer lasten van die lening met toepassing van art. 44, WIB, (art. 49, WIB 92) in mindering worden gebracht en zolang de hoofdsom van de lening niet is afgelost. Het is aangewezen dat het coördinatiecentrum in een bijlage bij de aangifte in de inkomstenbelastingen m.b.t. het boekjaar waarin die kapitaalinbreng is geschied, hieromtrent de nodige verduidelijkingen verstrekt.

De belegde gelden (de kapitaalinbrengen) worden, tot bewijs van het tegendeel, geacht te zijn gefinancierd met een lening door de rechtstreekse of onrechtstreekse inbrenger wanneer diens financiële lasten wezenlijk en samen met de aangroei van de uit de deelneming voortvloeiende inkomsten stijgen.

Evenwel worden de voormelde geldbeleggingen niet aangemerkt als afkomstig van de voormelde kapitaalinbrengen wanneer ten minste 75 % van de inbreng uiterlijk twaalf maanden na de volstorting van die inbreng tot andere doeleinden dan dergelijke beleggingen wordt aangewend en zulks vervolgens gedurende ten minste zes maanden per jaar zo blijft, waarbij de vermelde inbreng eerst wordt aangerekend op de rubrieken 20 tot 40/41 zoals die op het actief van de jaarrekeningen vermeld zijn (d.w.z. op de oprichtingskosten, de vaste activa, de vorderingen en de voorraden en bestellingen in uitvoering). Het coördinatiecentrum moet in een bijlage bij de jaarlijkse aangifte in de inkomstenbelasting aantonen dat de voormelde voorwaarden vervuld zijn.

Onder "geldbeleggingen" wordt verstaan de geldbeleggingen zoals omschreven in de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, ongeacht de termijn en de munt waarin zij zijn uitgedrukt, die rechtstreeks of onrechtstreeks gedaan zijn bij andere natuurlijke of rechtspersonen dan leden van de groep waartoe het centrum behoort.

25. De sub 23, c, bedoelde activiteiten moeten, uitsluitend worden uitgeoefend ten behoeve van de leden van de groep, met uitsluiting :

  • enerzijds, van vennootschappen die de diensten van een ander erkend coördinatiecentrum kunnen genieten en;
  • anderzijds, van vennootschappen die zelf dergelijke activiteiten uitoefenen ten behoeve van niet-leden van de groep.


Evenwel wordt toegestaan, mits daartoe een individuele aanvraag wordt ingediend, dat een vennootschap, opgericht in het kader van een joint-venture en behorende tot twee groepen die elk over een erkend coördinatiecentrum beschikken, haar investeringen laat financieren door beide betrokken coördinatiecentra in verhouding tot de kapitaalsparticipatie van beide groepen in de joint-venture vennootschap.

26. Geen coördinatiecentrum kan worden opgericht door de in art. 50, 1°, vierde lid, a, b, d tot i, k en l, WIB (art. 56, § 2, 2°, a, c tot h, j en k WIB 92) bedoelde ondernemingen uit de krediet-, bank- en verzekeringssector.

Daarenboven worden in de groep, waarvoor een erkend coördinatiecentrum optreedt, geen banken of verzekeringsmaatschappijen aanvaard.


27. Tenslotte mag een erkend coördinatiecentrum :


  • geen door effecten vertegenwoordigde leningen of handelswissels met een looptijd van meer dan één jaar uitgeven, behoudens bij KB te verlenen toelating voor in vreemde valuta luidende en in het buitenland te plaatsen effecten en voor zover waarborgen worden gegeven dat deze effecten rechtstreeks noch onrechtstreeks worden verworven door natuurlijke of rechtspersonen die aan de PB of de RPB onderworpen zijn;
  • geen aandelen of andere maatschappelijke rechten invennootschappen of ondernemingen bezitten.


28. Om uit te maken of een groep een multinationaal karakter heeft moet gelijktijdig aan de drie volgende voorwaarden voldaan zijn :

  • het buitenlands eigen vermogen van de groep bedraagt ten minste 500 miljoen frank of 20 % van het geconsolideerde eigen vermogen van de groep;
  • de groep bezit in het buitenland, sedert 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan dat van de aanvraag tot erkenning als coördinatiecentrum, ononderbroken in tenminste vier verschillende landen een dochtervennootschap;
  • de groep verwezenlijkt ten minste 5 miljard frank of 20 % van de totale geconsolideerde omzet in het buitenland (om dat laatste bedrag te bepalen, moet eveneens rekening worden gehouden met de door de vennootschappen van de groep rechtstreeks in het buitenland gedane verkopen).


Deze voorwaarden waren niet gesteld voor de coördinatiecentra die erkend zijn vóór 30.8.1986. Dergelijke centra moeten deel uitmaken van een groep die ten minste een vennootschap omvat die haar maatschappelijke zetel, haar voornaamste inrichting of haar zetel van bestuur of beheer niet in België heeft, dan wel een in het buitenland gevestigd bijkantoor van een ingevolge art. 94, WIB (art. 179 tot 182 WIB 92) aan de Ven.B onderworpen vennootschap.

29. Onder het begrip "groep" wordt verstaan het geheel van verbonden vennootschappen die, ten gevolge van de rechtstreekse of onrechtstreekse deelnemingen van een of meer van hen in een of meer andere vennootschappen, onder een en dezelfde leiding staan. Een vennootschap wordt geacht met een andere vennootschap een groep te vormen wanneer die andere rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste 20 % van het kapitaal van de eerstgenoemde vennootschap bezit of ten minste 20 % van de stemrechten verbonden aan de door die eerstgenoemde vennootschap uitgegeven aandelen.

Uit het voorgaande vloeit inzonderheid voort dat, voor de toepassing van het KB 187, een VZW geen deel kan uitmaken van een groep.

Om de deelneming van een vennootschap in een andere vennootschap te bepalen, worden al de aandelen, die verscheidene vennootschappen van een groep in een andere vennootschap bezitten, samengeteld.

30. Voor erkenning komen eveneens in aanmerking de bestaande centra die reeds vóór de aanvraag tot erkenning uitsluitend werkzaamheden uitoefenden als bedoeld in het KB 187 en die :

  • ofwel niet als een vaste inrichting worden aangemerkt ingevolge een dubbelbelastingverdrag;
  • ofwel de bestaande activiteiten behouden of uitbreiden met nieuwe in aanmerking komende activiteiten en ten minste het equivalent van tien voltijdse werknemers meer in dienst hebben na verloop van twee jaar vanaf het begin van de erkenningsperiode, met dien verstande dat, wanneer een werknemer van een Belgische vennootschap van de groep of van een in België bestaand centrum naar het erkende centrum wordt overgeheveld, de vennootschap of dat centrum binnen dezelfde termijn van twee jaar nieuwe werknemers moet aanwerven waarvan het aantal overeenstemt met het aantal dat naar het centrum werd overgeheveld, in de mate dat deze transfer nodig was met het oog op het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarden van het coördinatiecentrum.


Een erkend coördinatiecentrum mag bovendien activiteiten van een lid van de groep overnemen, voor zover het erkend centrum gemachtigd is die activiteiten uit te oefenen.

31. De oprichting van verschillende centra voor een zelfde multinationale groep wordt slechts toegelaten op voorwaarde dat elk centrum zich richt tot een welbepaalde subgroep die beantwoordt aan de voorwaarden van filiatie voorzien in art. 2, KB nr. 187, en voorzover de aanvraag gepaard gaat met een economische verantwoording die er de noodzaak van aantoont. Bovendien dient elke subgroep als dusdanig aan alle erkenningsvoorwaarden te voldoen. Dit impliceert dat bij het bepalen van de groepsvereisten eenzelfde vennootschap - inzonderheid de uiteindelijke moedervennootschap van de groep - niet terzelfdertijd tot verschillende subgroepen mag behoren.

B. Aanvraag tot erkenning

32. Om erkend te worden als coördinatiecentrum in de zin van art. 1, KB nr. 187, moet een schriftelijke aanvraag worden ingediend tegelijk bij de Minister van Financiën (Wetstraat 12 te 1000 Brussel) en bij de Minister van Economische Zaken (de Meeûssquare 23, 1040 Brussel).

Die aanvraag moet alle noodzakelijke gegevens verstrekken om uit te maken of aan de door het voormelde besluit gestelde voorwaarden voldaan is.

Inzonderheid moet die aanvraag bevatten :

1. de lijst en het organisatieschema van de leden van de multinationale groep;

2. de balansen en de geconsolideerde resultatenrekeningen van de multinationale groep;

3. het geconsolideerde bedrag van de jaaromzet en van het eigen vermogen van de groep, alsook het geconsolideerde bedrag van de jaaromzet en van het eigen vermogen buiten het land van de moedervennootschap;

4. de data van filiatie en het percentage van de participatie van vier dochterbedrijven gevestigd in vier verschillende landen buiten het land van de moedervennootschap;

5. de door het centrum gekozen rechtsvorm en benaming;

6. een nauwkeurige en gedetailleerde beschrijving van de activiteiten van het centrum (in het geval van een reeds bestaand centrum moet eveneens worden vermeld welke activiteiten reeds door het centrum waren uitgeoefend);

7. het aantal personeelsleden dat het centrum binnen twee jaar zal tewerkstellen;

8. de modaliteiten volgens welke het centrum zal worden vergoed.

De in punten 1 tot 4 gevraagde bescheiden moeten bekrachtigd zijn door een attest van de commissaris-revisor of door een andere gelijkaardige instantie die ambtshalve gemachtigd is deze gegevens te bekrachtigen.

C. KB tot erkenning als coördinatiecentrum

33. De coördinatiecentra die aan de voorwaarden voldoen worden erkend bij KB.

De erkenning wordt verleend op voorwaarde dat :

  • de activiteiten van het centrum uitsluitend beperkt zijn tot die welke zijn vermeld in de aanhef van (coördinatiecentra erkend vóór 8.1.1985) of in de bijlage van (coördinatiecentra erkend vanaf 8.1.1985) het erkenningsbesluit;
  • het centrum in België ten minste het equivalent van tien voltijdse werknemers in dienst zal hebben na verloop van twee jaar nadat het met zijn activiteiten is begonnen, met dien verstande dat wanneer in België werkzame werknemers van een lid van de groep naar het coördinatiecentrum worden overgeheveld, dat groepslid of het coördinatiecentrum binnen dezelfde termijn van twee jaar nieuwe werknemers moet aanwerven waarvan het aantal overeenstemt met het aantal dat naar het coördinatiecentrum is overgeheveld en die voorheen niet waren tewerkgesteld in een Belgische vennootschap van de groep of een Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap van de groep.


34. De controle op het naleven van de in nr. 33 bedoelde tewerkstellingsvoorwaarde behoort tot de bevoegdheid van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid, die terzake een attest aflevert aan de Minister van Financiën.

De Minister van Tewerkstelling en Arbeid heeft ter zake op 9.1.1990 een richtlijn uitgevaardigd die als bijlage 8 aan onderhavige circ. is toegevoegd.

35. Bovendien bepaalt elk erkenningsbesluit dat de erkenning vervalt met ingang van het boekjaar waarin het centrum zonder voorafgaande goedkeuring van de Minister van Financiën en van de Minister van Economische Zaken andere activiteiten ontplooit dan die welke zijn vermeld in de aanhef van of in de bijlage van het erkenningsbesluit.

36. Wanneer, ingevolge de herstructurering van de groep waartoe het centrum behoort, de groepsstructuur zodanig wijzigt dat het coördinatiecentrum geen of niet langer activiteiten kan uitoefenen voor bepaalde leden van de nieuwe groep(en) kan, mits daartoe door de betrokken groep een aanvraag wordt ingediend, een KB tot wijziging van het erkenningsbesluit worden getroffen. Dit is o.a. het geval wanneer :

  • de groep wordt opgeslorpt door een andere groep en het erkend centrum zijn activiteiten eveneens wenst uit te oefenen ten behoeve van de leden van de overnemende groep;
  • de groep wordt gesplitst, waardoor er eventueel een wijziging dient te gebeuren m.b.t. de groep waarvoor het centrum activiteiten mag uitoefenen.


Wanneer ten gevolge van die herstructurering, het statuut van coördinatiecentrum aan een andere rechtspersoon (of rechtspersonen), dient te worden overgedragen, is de hiervoor bedoelde wijziging van het erkenningsbesluit slechts mogelijk ingeval van belastingvrije verrichtingen van inbreng, fusie of splitsing m.b.t. het erkend coördinatiecentrum.

Bij niet-belastingvrije verrichtingen is een wijziging van het erkenningsbesluit niet mogelijk en kan het statuut van coördinatiecentrum niet aan een andere rechtspersoon worden overgedragen. In voorkomend geval kan evenwel een nieuwe erkenning worden verleend aan een vennootschap of filiaal die de taken van het bestaand coördinatiecentrum overneemt. Dergelijke nieuwe erkenning heeft tot gevolg dat :

  • de erkenning van het centrum waarvan de taken worden overgenomen, wordt ingetrokken met ingang van de datum van erkenning van het nieuwe centrum;
  • alle voordelen van het centrum dat wordt overgenomen, inzonderheid de FRV, ophouden van toepassing te zijn op diezelfde datum.


D. Periode gedurende welke de fiscale voordelen worden verleend

1. Coördinatiecentra erkend vóór 8.1.1985

37. De vrijstelling inzake Ven.B, BNI-ven., en RV (behoudens wat betreft de vrijstelling van RV op inkomsten van gelddeposito's, die ten vroegste vanaf 1.1.1985 van toepassing kan zijn) vangt aan op de dag dat het coördinatiecentrum in kennis is gesteld van de erkenning en eindigt op de laatste dag van het belastbare tijdperk dat uiterlijk verstrijkt op 31 december van het tiende jaar volgend op het jaar waarin de kennisgeving heeft plaatsgehad.

Wat de vrijstellingsperiode inzake OV betreft wordt verwezen naar de nrs. 28 en 29, circ. 9.3.1989, Ci.RH.222/399.031 (Bull. 682).

Voorbeeld :

Bij KB van 28.6.1984 wordt een Belgische NV die per kalenderjaar boekhoudt als coördinatiecentrum erkend. Op 5.7.1984 is de vennootschap in kennis gesteld van de erkenning;

De vrijstellingsperiode vangt aan op 5.7.1984 en eindigt op 31.12.1994.

2. Coördinatiecentra erkend vanaf 8.1.1985

38. Voor deze coördinatiecentra worden de fiscale voordelen (vaststelling van het belastbare inkomen en vrijstelling van RV, behoudens wat betreft de vrijstelling van RV op inkomsten van gelddeposito's) verleend vanaf het belastbare tijdperk inzake Ven.B of BNI-ven. waarin de aanvraag tot erkenning is ingediend tot bij het verstrijken van het belastbare tijdperk dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar na dat waarin de aanvraag is ingediend. (Voor de OV : zie nr. 37).

3. Verval van de erkenning of verlies van de fiscale voordelen

39. De erkenning als coördinatiecentrum vervalt wanneer het centrum niet voldoet aan de sub. 33 en 35 gestelde voorwaarden.

Bovendien verliest het coördinatiecentrum het genot van de fiscale voordelen wanneer :

a) het centrum geen deel meer uitmaakt van een groep die :

  • een multinationaal karakter heeft (zie nr. 28);
  • over een kapitaal en reserves beschikt waarvan het geconsolideerde bedrag één miljard frank bereikt of te boven gaat;
  • een jaaromzet behaalt waarvan het geconsolideerde bedrag tien miljard frank bereikt of te boven gaat.


b) het centrum na verloop van het tweede jaar sinds het zijn activiteiten heeft aangevangen (of vanaf het begin van de erkenningsperiode voor de bestaande centra), tijdens de erkenningsperiode niet meer voldoet aan de tewerkstellingsvoorwaarde (zie de nr. 33 en 34).

Daarenboven kan het statuut worden ingetrokken wanneer een nieuw centrum de taken van het bestaand coördinatiecentrum overneemt (zie nr. 36). Ook wanneer de activiteiten van een erkend coördinatiecentrum worden stopgezet ten gevolge van ontbinding vervalt de erkenning (zie nr. 52).

E. Hernieuwing van de erkenning

40. De coördinatiecentra waarvoor de vrijstellingsperiode, gedurende welke de fiscale voordelen worden verleend, ten einde loopt, kunnen een hernieuwing van de erkenning aanvragen voor een nieuwe periode.

Met het oog op een tijdige hernieuwing van hun erkenning is het aangewezen dat de coördinatiecentra die zulks wensen hun aanvraag daartoe ongeveer één jaar voor het einde van de eerste erkenningsperiode zouden indienen.

Dergelijke aanvragen moeten schriftelijk worden ingediend tegelijk bij de Minister van Financiën (Wetstraat 12 te 1000 Brussel) en bij de Minister van Economische Zaken (de Meeûssquare 23, 1040 Brussel).

Die aanvragen moeten in de nr. 32, tweede tot vierde lid bedoelde gegevens en bescheiden bevatten met uitzondering van die welke zijn vermeld in het derde lid, 5 en 7. Bovendien moet in die aanvragen de datum worden vermeld waarop de eerste erkenning een einde neemt.

Naar aanleiding van de hernieuwing zal worden nagegaan of alle thans geldende voorwaarden tot erkenning van een coördinatiecentrum vervuld zijn, waarbij er inzonderheid dient te worden op gelet dat de voorwaarde inzake multinationaal karakter van de groep - voorwaarde die niet van toepassing was op de coördinatiecentra die vóór 30.8.1986 werden erkend - op het ogenblik van de hernieuwing is vervuld, dat de activiteiten welke het centrum uitoefent of wenst uit te oefenen beantwoorden aan de bedoeling van de wetgever, rekening houdend met de gevestigde administratieve praktijk. M.b.t. subgroepen moet de subgroep die de hernieuwing aanvraagt als dusdanig aan alle erkenningsvoorwaarden voldoen (zie nr. 31).

De hernieuwing van de erkenning gebeurt bij KB, dat in werking treedt daags na het verstrijken van de aanvankelijke erkenningsperiode.

F. Bepaling van de belastbare winst

41. Het belastbare inkomen van erkende coördinatiecentra wordt, ongeacht of het centrum aan de Ven.B of de BNI-ven. is onderworpen, in principe op forfaitaire wijze vastgesteld.

De forfaitaire winst wordt vastgesteld op een percentage van het totale bedrag van de uitgaven en werkingskosten met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten en van de Ven.B of BNI-ven.

42. De personeelskosten bevatten alle kosten met betrekking tot het personeel van de onderneming. Inzonderheid worden hier bedoeld :

  • de bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen van bestuurders, directiepersoneel, bedienden, arbeiders, enz.;
  • de werkgeversbijdragen voor sociale verzekeringen;
  • de werkgeverspremies voor extra-wettelijke verzekeringen;
  • de ouderdoms- en overlevingspensioenen;


Onder financiële kosten worden verstaan :

  • de interesten, de commissies en de kosten verbonden aan schulden;
  • de waardeverminderingen geboekt op vorderingen andere dan handelsvorderingen, op geldbeleggingen en op liquide middelen;
  • de minderwaarden op de realisatie van vlottende activa andere dan handelsvorderingen, op geldbeleggingen en liquide middelen;
  • het disconto ten laste van het centrum bij het verhandelen van vorderingen;
  • de wisselresultaten en de resultaten uit de omrekening van vreemde valuta;
  • alle andere kosten die krachtens de boekhoudwetgeving onder de financiële kosten moeten worden opgenomen.


43. Wanneer het centrum, in het kader van herfacturatieverrichtingen, inzonderheid met het oog op het dekken van wisselrisico's, goederen koopt om ze onmiddellijk door te verkopen aan een ander lid van de groep, wordt het centrum geacht op te treden in eigen naam maar voor rekening van de leden van de groep waartoe het behoort, zodat dit bedrijf als de uitvoering van een commissieovereenkomst kan worden geanalyseerd. De aldus aan het centrum gefactureerde goederen komen derhalve niet als zodanig in zijn resultatenrekening voor en moeten derhalve niet in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de forfaitaire winst.

44. Het op de uitgaven en werkingskosten toe te passen winstpercentage moet in principe geval per geval worden vastgesteld, rekening houdend met de werkelijk door het centrum uitgeoefende activiteiten.

Indien het centrum zelf bepaalde gepresteerde diensten aanrekent tegen een prijs die overeenstemt met de kosten verhoogd met een winstopslag, mag het percentage in aanmerking worden genomen voor zover het niet abnormaal is (zie het voorbeeld onder nr. 50).

Wanneer het centrum de uitgaven en werkingskosten aan 100 % doorrekent moet niettemin een forfaitaire winst worden vastgesteld.

Bij ontstentenis van objectieve criteria om het in aanmerking te nemen winstpercentage te bepalen, moet dat percentage in de regel op 8 % gesteld worden.

45. De overeenkomstig de vorige nrs. berekende forfaitaire winst mag echter niet lager zijn dan het totaal van :

a) de niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en lasten (doorgaans de verworpen uitgaven);

b) de abnormale of goedgunstige voordelen die door de leden van de groep aan het centrum zijn toegekend.

46. Voor de begrippen "abnormale of goedgunstige voordelen" wordt inzonderheid verwezen naar het bepaalde in Com.IB nrs. 24/6 tot 11.

47. Het abnormaal of goedgunstig voordeel als bedoeld in de art. 24 en/of 53, WIB (art. 26 en/of 79 WIB 92) dat het centrum zou verlenen aan een lid van de groep waartoe het behoort, moet in de regel niet worden aangemerkt als "niet als beroepskosten aftrekbare uitgaven en lasten" in de zin van nr. 45, a.

48. Van goedgunstige of abnormale voordelen die leden van de groep aan het centrum toekennen is er inzonderheid sprake wanneer :

  • de leden van de groep gratis of tegen een te lage rentevoet gelden ter beschikking stellen van het centrum;
  • het centrum tegen een te hoge rentevoet leningen toestaat aan de leden van de groep;
  • het centrum de gepresteerde diensten of activiteiten aan de leden van de groep aanrekent tegen te hoge vergoedingen of winstopslagen.


49. De op de voormelde wijze vastgestelde winst vertegenwoordigt de effectief belastbare winst en mag niet meer met bepaalde vrijgestelde of niet belastbare bestanddelen (inzonderheid vrijgestelde giften, vrijstelling aanvullend personeel voor wetenschappelijk onderzoek, vorige verliezen, investeringsaftrek, enz.) worden verminderd.

Voorbeeld :

50. Het totaal van de uitgaven en werkingskosten van een erkend coördinatiecentrum bedraagt 100 miljoen F waarin begrepen 80 miljoen F personeels- en financiële kosten.

Voor de aan de leden van de groep gepresteerde diensten (andere dan leningen en factoring) rekent het centrum een winstopslag van 15 % aan (de met die diensten verband houdende kosten bedragen 15.000.000 F).

Bovendien heeft het centrum de volgende vergoedingen ontvangen van de leden van de groep :

  • voor factoring-activiteiten : 60 miljoen F;
  • interest op uitstaande leningen : 40 miljoen F;


De voormelde vergoedingen worden in de hiernavolgende mate als abnormaal aangemerkt :

  • de winstopslag voor gepresteerde diensten : 7 %;
  • de vergoeding voor factoring-activiteiten : 1 miljoen F;
  • de interest op uitstaande leningen : 2 miljoen F.


Aannemende dat de verworpen uitgaven 1.000.000 F bedragen, moet de belastbare winst als volgt worden bepaald :

  • de forfaitaire winst bedraagt : 20 miljoen x 8 % = 1.600.000 F;
  • evenwel mag deze winst niet lager zijn dan :


a) de verworpen uitgaven : 1.000.000 F b) de abnormale voordelen : 1° op de gepresteerde diensten : 15.000.000 F x 7 % = 1.050.000 F 2° op de vergoeding voor factoring : 1.000.000 F 3° op de ontvangen interest : 2.000.000 F 4.050.000 F c) belastbaar totaal : 5.050.000 F G. Tarief van de Ven.B of BNI-ven

51. De belastbare winst van de aan de Ven.B onderworpen erkende coördinatiecentra wordt steeds belast tegen het tarief van 39 % (vanaf het aj. 1992).

Ingeval de BNI van toepassing is, wordt deze geheven tegen het tarief van 43 %, behoudens eventuele vermindering ingevolge een dubbelbelastingverdrag.

De hiervoren berekende belasting wordt, na aftrek van voorheffingen en andere verrekenbare bestanddelen verhoogd bij gebreke van of wegens ontoereikende voorafbetalingen.

Voorts zijn de bepalingen m.b.t. de bijzondere aanslag van 200 % over de niet bewezen lasten of bedragen eveneens van toepassing.

H. Ontbinding van een erkend coördinatiecentrum

52. Wanneer de activiteiten van een erkend coördinatiecentrum tijdens de (eventueel hernieuwde) erkenningsperiode worden stopgezet ten gevolge van de ontbinding van de vennootschap, gelden de volgende regels :

  • tot op het ogenblik van de ontbinding wordt het belastbaar inkomen in principe op forfaitaire wijze vastgesteld (nr. 41);
  • vanaf de ontbinding vervalt de erkenning als coördinatiecentrum en wordt de vennootschap aan de gewone aanslagregeling inzake Ven.B onderworpen : dienaangaande wordt opgemerkt dat de voorheen door het centrum aangelegde belastbare reserves door de forfaitaire taxatie geacht worden effectief te zijn belast;
  • wanneer het centrum, alvorens het in ontbinding wordt gesteld, tijdens een belastbaar tijdperk van de erkenningsperiode zou overgaan tot feitelijke liquidatieverrichtingen, het niet toegelaten activiteiten uitoefent en aldus het met ingang voor dat belastbaar tijdperk de erkenning als coördinatiecentrum verliest.


IV. VRIJSTELLING VAN RV

A. In aanmerking komende roerende inkomsten




53. Voor vrijstelling van RV komen in aanmerking :


  • de inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen (dividenden),
  • de inkomsten van schuldvorderingen of leningen (interesten),
  • en de opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen betaald of toegekend door erkende ondernemingen in tewerkstellingszones of door erkende coördinatiecentra.


Voor meer bijzonderheden wat betreft de definitie van de voormelde inkomsten wordt verwezen naar art. 11 en volgende, WIB (art. 19, WIB 92) en naar de Com.IB betreffende deze artikelen.

B. Voorwaarden voor vrijstelling van RV

1. Bij de schuldenaars van de roerende inkomsten

54. Aan de inning van RV op de roerende inkomsten waarvan sprake is in nr. 53 wordt verzaakt wanneer de schuldenaars van deze inkomsten ondernemingen zijn die de voordelen van art. 7, KB nr. 118 of van art. 5, KB nr. 187 genieten.

Het moet m.a.w. gaan om :

  • hetzij erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone (zie sub II);
  • hetzij erkende coördinatiecentra (zie sub III).


2. Bij de genieters van de roerende inkomsten

55. M.b.t. de inkomsten van schuldvorderingen of leningen wordt de vrijstelling slechts verleend voor belastingplichtigen voor wie die voorheffing geen definitieve belasting vormt m.a.w. wanneer de verkrijger kan geïdentificeerd worden als niet zijnde een natuurlijk persoon onderworpen aan de personenbelasting of een rechtspersoon onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, zodat in alle gevallen waarin aanspraak wordt gemaakt op de vrijstelling van RV m.b.t. de voormelde inkomsten de genieter moet worden geïdentificeerd. Deze bepaling is slechts van toepassing op de vanaf 19.4.1991 gevestigde schuldvorderingen of leningen.

Wat de inkomsten van schuldvorderingen of leningen betreft die vóór deze datum zijn gevestigd evenals voor de andere inkomsten als bedoeld in nr. 53 wordt de vrijstelling van de RV verleend ongeacht de hoedanigheid van de genieters van bedoelde inkomsten d.w.z. zonder rekening te houden met de categorie waarin die genieters kunnen worden gerangschikt overeenkomstig art. 87, KB/WIB.

Voor de in het voorgaande lid bedoelde inkomsten dient dus geen onderscheid te worden gemaakt :

  • al naar het betreft :
  • inwoners of niet-inwoners van België;
  • inwoners van landen met wie België al dan niet een overeenkomst tot voorkoming van dubbele belasting heeft gesloten;
  • naargelang de betreffende kapitalen al dan niet voor het uitoefenen van een beroepswerkzaamheid dienen.


C. Belastbare tijdperken waarvoor de vrijstelling van RV van toepassing is.

56. Hieromtrent wordt verwezen naar de vrijstellingsperiode inzake erkende ondernemingen in tewerkstellingszones (n. 19) en naar de - eventueel hernieuwde - erkenningsperiode inzake coördinatiecentra (nrs. 37 tot 40).

V. TOEKENNING VAN EEN FRV

A. Algemeen

57. Het bij de verkrijgers belastbare bedrag van de in nr. 53 bedoelde roerende inkomsten is gelijk aan het verkregen nettobedrag, verhoogd met een FRV die gelijk is aan 25/75, 10/90 of 0, al naargelang het toepasselijk tarief (zie nrs. 58, e.v.). Bij belastingplichtigen die aan de Ven.B of aan de BNI-ven onderworpen zijn, vormt deze FRV een verworpen uitgave. De toekenning van FRV is evenwel afgeschaft voor opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1.1.1986.

Onder verkregen nettobedrag verstaat men het totale bedrag van de door de schuldenaar van de inkomsten toegekende of betaalbaar gestelde interesten na aftrek van de eventueel door de genieters toegestane of later toe te stane verminderingen.

De FRV geldt als werkelijke RV, zij wordt op dezelfde wijze als de werkelijke RV met de belasting van de verkrijgers verrekend en het eventuele overschot wordt teruggegeven indien het ten minste 100 F bedraagt.

De FRV wordt toegekend voor elk belastbaar tijdperk waarvoor de vrijstelling van RV van toepassing is overeenkomstig de nrs. 19, 37 tot 39, evenwel onder voorbehoud van het bepaalde sub 85 wat met ingang van 1.1.1985 toegekende inkomsten van schuldvorderingen of leningen betreft en sub 119 en 120 wat vanaf 1.1.1986 toegekende inkomsten van aandelen of van belegde kapitalen betreft. Wat de coördinatiecentra betreft is de FRV niet meer van toepassing op hernieuwde erkenningsperioden.

B. Toepassingsregels

58. Gelet op de verschillende wijzigingen aan art. 29, 1e lid, 2°, W 11.4.1983 (zie nrs. 8 tot 13), wordt hierna de toestand betreffende de toekenning van FRV chronologisch behandeld.

Hierbij dient er rekening mee te worden gehouden dat er een verschillende behandeling bestaat (inz. m.b.t. de berekening en het tarief van de FRV) tussen inkomsten van schuldvorderingen of leningen en inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen.

1. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen

a) Algemeen

59. De met ingang van 1.1.1985 en vóór 24.7.1991 toegekende inkomsten van schuldvorderingen of leningen geven slechts recht op FRV binnen de grenzen en onder de voorwaarden die in de nrs. 86 tot 90 zijn uiteengezet en voor zover de geleende kapitalen voor de financiering van in de nrs. 64 tot 77 bedoelde investeringen worden aangewend.

Anderzijds wordt geen FRV meer verleend na de hernieuwing (als vermeld in nr. 40) van de eerste erkenningsperiode van de coördinatiecentra. Immers, krachtens art. 9, § 7, 4e lid, W 23.10.1991, geldt het eventuele voordeel van de FRV slechts uiterlijk tijdens het laatste belastbaar tijdperk van de eerste erkenningsperiode.

b) Tarieven

1. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t. vóór 22.1.1990 gesloten overeenkomsten

60. De inkomsten van schuldvorderingen of leningen geven recht op een FRV van 25/75 wanneer de desbetreffende overeenkomst werd gesloten vóór 22.1.1990.

Onder overeenkomst gesloten vanaf 22.1.1990, dienen de financieringsovereenkomsten te worden verstaan die na 21.1.1990 zijn gesloten en op nieuwe investeringen betrekking hebben. Het tarief van 25/75 kan nochtans ook worden toegepast m.b.t. bepaalde na 21.1.1990 gesloten financieringsovereenkomsten voor zover ze verband houden met :

  • investeringen die vóór 22.1.1990 zijn geboekt;
  • investeringen die op die datum nog niet zijn geboekt, doch niet los kunnen worden gezien van investeringen die vóór 22.1.1990 in de activa, met name in de post "activa in aanbouw en vooruitbetalingen" zijn geboekt;
  • investeringen die vóór 22.1.1990 voorwerp waren van een rechtsverbintenis die gepaard ging met een voorschot waarvan de verplichting in klasse 0 werd geboekt.


2. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t. vanaf 22.1.1990 maar vóór 24.7.1991 gesloten overeenkomsten



61.Voor deze inkomsten bedraagt de FRV 10/90 van het geïnde nettobedrag.
Dit tarief is van toepassing op de vanaf 22.1.1990 tot 23.7.1991 gesloten overeenkomsten in de zin van respectievelijk 60 en 62.

3. Inkomsten van schuldvorderingen of leningen m.b.t. vanaf 24.7.1991 gesloten overeenkomsten

62. De FRV m.b.t. inkomsten van schuldvorderingen of leningen werd door art. 7, B, W 23.10.1991 tot nul herleid wat betreft de vanaf 24.7.1991 toegekende of uitgekeerde inkomsten.

De vermindering tot nul is echter niet van toepassing op inkomsten van schuldvorderingen of leningen verschuldigd in uitvoering van vóór 24.7.1991 gesloten overeenkomsten, waarvan de datum vaststaat (m.a.w. met een "vaste dagtekening") of die het voorwerp zijn van een vóór die datum gedane opname. Deze begrippen worden hierna verduidelijkt.

63. Onder "overeenkomst" wordt de overeenkomst verstaan die wordt afgesloten met de vennootschap die de investering doet (m.a.w. wat de coördinatiecentra betreft, een overeenkomst tussen het coördinatiecentrum en de vennootschap die de investering doet).

Aangezien slechts weinig overeenkomsten een "vaste dagtekening" in de burgerrechtelijke betekenis hebben (d.w.z. doorgaans een geregistreerde akte), bestaat het alternatief erin het bewijs van begin van uitvoering van de overeenkomst te leveren in de vorm van een "opname". Onder opname dient inzonderheid een overschrijving van de bankrekening van het coördinatiecentrum naar de rekening van de investerende maatschappij te worden verstaan.

Indien in het kader van de financiering van de investeringen evenwel sprake is van bijvoorbeeld een gedeeltelijke verrekening tussen de aflossing van leningen voor vroegere investeringen en de betaling van een gedeelte van het in het raam van nieuwe investeringen geleende bedrag (wat in het technisch jargon "netting" heet), wordt het bewijs voor de opname geleverd door de overschrijving van het saldo van de verrekening tussen deze twee bedragen die het coördinatiecentrum naar de investerende maatschappij heeft gedaan.

c) In aanmerking komende investeringen

Algemeen

64. Ter zake komen slechts die investeringen in aanmerking welke worden verricht door een erkende onderneming in een tewerkstellingszone, door een erkend coördinatiecentrum, of door vennootschappen die een groep vormen met het erkende centrum, dat de fondsen heeft geleend om ze aan die vennootschappen door te lenen :

1° hetzij in materiële vaste activa :

  • die zij in nieuwe staat hebben aangekocht of tot stand bracht.
  • voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid in België gebruiken.
  • en waarvan het recht tot gebruik niet krachtens enigerlei overeenkomst is afgestaan aan andere derden dan Belgische leden van de groep (zie nr. 78);


2° hetzij in als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in art. 42ter, § 2, a, WIB (art. 69, lid 1, 2°, WIB 92) in principe van toepassing is (zie nrs. 71 tot 76);

3° en waarvoor de investerende vennootschap verzaakt aan de investeringsaftrek als vermeld in art. 42ter, WIB (art. 68 tot 77, 201 en 240, lid 2, WIB 92), (zie nr. 65).

65. De voorwaarde dat de belastingplichtige onherroepelijk dient te verzaken aan de investeringsaftrek geldt voor alle investeringen verricht vanaf 1.1.1991, zelfs indien ze verband houden met een investeringsprogramma dat vóór die datum is aangevat (PV nr. 131 van 25.2.1991, Sen. de Clippele, Bull. 708, blz. 2121).

Materiële vaste activa

66. Het begrip "materiële vaste activa" moet worden begrepen in de zin van het KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen en is hetzelfde als inzake afschrijvingen.

Ter zake wordt de aandacht inzonderheid gevestigd op wat volgt.

67. De uitdrukking "materiële vaste activa", te verstaan in de zin van de wetgeving met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, omvat :

a) terreinen en gebouwen en met name :

  • bebouwde en onbebouwde terreinen, de constructies daarop evenals de inrichting daarvan, waarvan de onderneming eigenares is en die duurzaam voor bedrijfsuitoefening worden aangewend;
  • andere zakelijke rechten die de onderneming bezit op een onroerend goed dat zij bestemd heeft om duurzaam te worden gebruikt voor de bedrijfsuitoefening wanneer de vergoedingen bij de aanvang van het contract werden vooruitbetaald;


b) installaties, machines en uitrusting;

c) meubilair en rollend materieel;

d) leasing en soortgelijke rechten;

e) overige materiële vaste activa;

f) activa in aanbouw en vooruitbetalingen.

68. Uitgaven om niet kunnen niet als investeringen worden aangemerkt, ook al zouden die uitgaven door de belastingplichtige als afschrijfbare materiële vaste activa worden behandeld. Onder uitgaven om niet worden verstaan, uitgaven die de waarde van de activa niet verhogen (b.v. loutere herstellings- en onderhoudskosten) en die derhalve niet kunnen worden aangemerkt als sommen die zijn aangewend voor de uitbreiding van de onderneming of tot waardevermeerdering van de toerusting in de zin van art. 22, 4°, WIB (art. 25, 4°, WIB 92).

Daarentegen kunnen de bij de aankoopprijs komende kosten en de indirecte produktiekosten met betrekking tot materiële vaste activa, die in de aanschaffings- of beleggingswaarde daarvan begrepen zijn, wel in aanmerking komen, en zulks ongeacht de wijze (ineens tijdens het boekjaar of over verschillende boekjaren volgens een of ander toegelaten stelsel) waarop die kosten worden afgeschreven.

69. In de sub 67, d, bedoelde gevallen (leasing, enz.) is van investeringen sprake indien het betreft :

  • gebruiksrechten op lange termijn betreffende bebouwde onroerende goederen waarover de onderneming beschikt op grond van erfpacht, opstal, leasing of een soortgelijke niet opzegbare overeenkomst, op voorwaarde dat :


a) de volgens de overeenkomst te storten termijnen de gever in staat stellen het in het gebouw geïnvesteerde kapitaal volledig weder samen te stellen, alsmede de rentelast en de andere kosten van de verrichting te dekken, en

b) de eigendom van het gebouw bij het einde van het contract van rechtswege toekomt aan de onderneming, of de overeenkomst een aankoopoptie voor de onderneming bevat;

  • gebruiksrechten betreffende roerende goederen waarover de onderneming beschikt op grond van leasing of een soortgelijke niet opzegbare overeenkomst, op voorwaarde dat :


a) de volgens de overeenkomst te storten termijnen, verhoogd met het voor het lichten van de koopoptie bepaalde bedrag, de gever in staat stellen het voor de aanschaffing van het goed geïnvesteerde kapitaal volledig weder samen te stellen, alsmede de rentelast en de andere kosten van de verrichting te dekken, en

b) de eigendom van het goed bij het einde van het contract van rechtswege toekomt aan de onderneming, of de overeenkomst een aankoopoptie voor de onderneming bevat.

70. Anderzijds is uitdrukkelijk gesteld dat materiële vaste activa slechts in aanmerking komen voor zover zij als nieuw kunnen worden aangemerkt. Met deze maatregel wordt vermeden dat eenzelfde investering meer dan eenmaal in aanmerking wordt genomen, nl. ten name van meer dan één belastingplichtige.

De beperking moet in elk geval strikt worden toegepast zodat terreinen, reeds bestaande gebouwen, tweedehandsmaterieel of demonstratiematerieel, enz., niet in aanmerking kunnen komen. Ook de in nr. 69 bedoelde gebruiksrechten komen slechts in aanmerking indien de contracten betrekking hebben op nieuwe materiële vaste activa.

Als nieuwe investeringen gelden echter wel :

  • door een belastingplichtige aangekochte gebouwen (met uitsluiting van de grond) die de verkoper heeft gebouwd of heeft laten bouwen met het oog op verkoop, voor zover deze gebouwen niet hebben gediend voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid van de verkoper, noch door hem werden verhuurd, noch in zijn onderneming werden afgeschreven;
  • nieuwe bijgebouwen en verbeteringswerken aan bestaande gebouwen voor zover het om investeringen (d.w.z. waardevermeerderingen) gaat en in de mate dat geen recuperatiematerialen zijn gebruikt;
  • werken aan aangekocht tweedehandsmaterieel of aan reeds in de onderneming aanwezige vaste activa, voor zover voor die werken nieuwe onderdelen zijn gebruikt en de werken een waardevermeerdering van de activa tot gevolg hebben (zie nr. 68).


Kosten van onderzoek en ontwikkeling

71. Onder kosten van onderzoek en ontwikkeling worden verstaan, kosten van onderzoek, ontwikkeling en vervaardiging van prototypes van produkten, uitvindingen en know-how - alsmede vooruitbetalingen op dergelijke bestanddelen - die nuttig zijn voor de toekomstige activiteiten van de onderneming mits die kosten in België gedaan zijn en :

  • voorkomen op het actief van de balans onder de rubriek II "Immateriële vaste activa" (zie KB 8.10.1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, Bijlage, Hoofdstuk III, Deel 1, rubriek II).
  • geboekt zijn op de rekening "210 Kosten van onderzoek en ontwikkeling" (zie KB 12.9.1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningenstelsel, Bijlage, Hoofdstuk I, Rekeningenstelsel).


72. Derhalve zijn uitgesloten, de immateriële vaste activa bestaande uit :


  • concessies, octrooien, licenties, know-how, merken en andere gelijkaardige rechten :
  • "goodwill";
  • vooruitbetalingen op de voormelde immateriële vaste activa (zie KB 8.10.1976, Bijlage, Hoofdstuk III, deel I, rubriek II).


73. Met inachtneming van de hiervoren aangehaalde bepalingen van art. 25, KB 8.10.1976, komen kosten voor onderzoek en ontwikkeling, niet zijnde van derden verworven bestanddelen, slechts als immateriële vaste activa in aanmerking voor zover en in die mate dat de geboekte kostprijs niet hoger is dan de waarde die blijkt uit een voorzichtige raming van de gebruikswaarde of van het toekomstige rendement van deze vaste activa voor de onderneming.

74. Voor het overige is het bepaalde in nr. 68 m.b.t. uitgaven om niet, bijkomende kosten en indirecte produktiekosten, van overeenkomstige toepassing.

75. Om als geldige investering in aanmerking te komen is bovendien vereist dat de kosten voor onderzoek en ontwikkeling :

  • werkelijk als immateriële vaste activa zijn geboekt;
  • in principe aanspraak kunnen verlenen op de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in art. 42ter, § 2, a, WIB, m.b.t. investeringen voor onderzoek en ontwikkeling (thans art. 69, eerste lid, 2°, WIB 92).


76. Aangaande die laatste voorwaarde dient te worden opgemerkt dat, rekening houdend met de verschillende wetswijzigingen welke de toepassing van de investeringsaftrek heeft ondergaan, aan alle voorwaarden (inzonderheid de voorlegging van attesten van de bevoegde instanties betreffende het milieuvriendelijk karakter, alsmede de nodige verantwoordingsstukken en erkenningen bedoeld in art. 12octies, KB/WIB) m.b.t. de toepassing van de investeringsaftrek voor investeringen voor onderzoek en ontwikkeling moet zijn voldaan, zelfs indien, overeenkomstig het bepaalde in nr. 65, aan de investeringsaftrek wordt verzaakt. Ter zake wordt verwezen naar de desbetreffende commentaar en circulaires.

Investeringen in België

77. De FRV wordt slechts verleend in de mate dat de geleende kapitalen worden bestemd voor de financiering :

  • hetzij van materiële vaste activa die door de uiteindelijke opnemer van het krediet of van de lening (ter zake een erkende onderneming in een tewerkstellingszone, resp. een erkend coördinatiecentrum of leden van de groep waartoe het centrum behoort) voor het uitoefenen van zijn beroepsactiviteit in België worden gebruikt, d.w.z. in Belgische inrichtingen worden aangewend;
  • hetzij voor kosten van onderzoek en ontwikkeling van nieuwe produkten en toekomstgerichte technologieën die - met ingang van het aj. 1990 - geen effect hebben op het leefmilieu of die beogen het negatieve effect op het leefmilieu zoveel mogelijk te beperken en die in België worden verricht door een zulkdanige opnemer van het krediet of van de lening.


Het is evenwel zonder belang of de materiële vaste activa in België of in het buitenland zijn aangeschaft.

Uitgesloten bestanddelen

78. Voor de inkomsten die vanaf 1.1.1986 zijn toegekend is uitdrukkelijk bepaald dat het recht tot gebruik van de in aanmerking komende materiële vaste activa, noch geheel, noch gedeeltelijk krachtens enigerlei overeenkomst (verhuring, leasing, erfpacht, opstal) mag worden afgestaan aan andere derden dan Belgische leden van de groep (zie art. 29, eerste lid, 2°, c en d, W 11.4.1983, laatst gewijzigd door art. 7, B, W 23.10.1991).

Overigens wordt eraan herinnerd dat voor investeringen verricht vanaf 1.1.1991 slechts FRV wordt verleend op voorwaarde dat het coördinatiecentrum, het groepslid of de in een tewerkstellingszone gevestigde onderneming verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek m.b.t. de desbetreffende investeringen (zie art. 29, 1e lid, 2°, e, W 11.4.1983).

d) Vaststelling van de in aanmerking te nemen aanschaffingswaarde

79. Voor het verlenen van de FRV en onder voorbehoud van het bepaalde in nr. 86, moet worden uitgegaan van de in aanmerking komende aanschaffings- of beleggingswaarde, d.i. de waarde waarop de afschrijvingen berekend worden. Het betreft derhalve, volgens het geval, de aanschaffingsprijs of de vervaardigingsprijs.

e) Voorwaarden met betrekking tot de financieringscontracten

80. Vooreerst wordt er op gewezen dat onder door de erkende coördinatiecentra gesloten financieringsovereenkomsten moet worden verstaan, zowel de overeenkomsten die de gezegde centra hebben gesloten met de geldschieters als eventueel die met de vennootschappen van de groep die de investeringen uitvoeren.

81. De duur van het krediet of van de lening mag niet de normale gebruiksduur overschrijden van de vaste activa, voor de financiering waarvan de geleende sommen zijn bestemd, d.w.z. de normale lineaire afschrijvingsduur van de desbetreffende activa, ongeacht het werkelijk toegepaste afschrijvingsstelsel.

Bovendien moet de terugbetaling van de geleende sommen gespreid zijn over de volledige looptijd van het krediet of van de lening, met dien verstande dat de terugbetaling mag worden verricht met vaste of variabele annuïteiten.

Over het algemeen wordt de eerste jaarlijkse terugbetaling van de geleende sommen geacht plaats te hebben tijdens het boekjaar volgend op dat waarin de investeringen zijn geboekt. Er kan echter worden aanvaard dat de eerste terugbetaling van de geleende sommen plaatsvindt tijdens het boekjaar volgend op dat van de bedrijfsklaarheid van de investeringen waarop de financiering betrekking heeft, voor zover tijdens enig boekjaar vóór de bedrijfsklaarheid geen enkele afschrijving is geboekt.

82. De krediet- of leningsovereenkomsten tussen de belanghebbende partijen, die betrekking hebben op in aanmerking komende investeringen, moeten alle nodige vermeldingen bevatten aangaande de verwezenlijkte of te verwezenlijken verrichtingen; deze vermeldingen moeten de Administratie in staat stellen na te gaan of voor elk activum werkelijk aan alle gestelde voorwaarden is voldaan.

De volgende vermeldingen moeten in het contract voorkomen op straffe van verlies van de FRV :

  • de contractdatum;
  • de volledige identiteit van het erkend coördinatiecentrum of van de erkende onderneming in een tewerkstellingszone met vermelding, naar het geval, van de datum van het KB tot erkenning van het centrum, of de datum van het MB dat de overeenkomst tussen de tewerkstellingszone en de onderneming goedkeurt;
  • het totale bedrag, de duur en de wijze van toekenning en terugbetaling van het krediet of van de lening ter zake (indien het krediet of de lening wordt opgenomen in schijven moeten eveneens nauwkeurig de regels worden vermeld volgens welke de opnemingen zullen plaatsvinden);
  • de (vaste of variabele) rentevoet, het op iedere vervaldag te betalen bedrag en de wijze van betaling.


83. Hieruit volgt dat :


  • de volledige identiteit van de onderneming die de investeringen, waarvoor de lening is bestemd, uitvoert of zal uitvoeren, niet moet worden vermeld in de krediet- of leningsovereenkomsten; deze vermeldingen moeten evenwel steeds worden opgenomen in de contracten tussen de erkende coördinatiecentra en vennootschappen van de groep die het krediet of de lening genieten en die de geleende sommen gebruiken voor de nuttige investeringen;
  • eenzelfde krediet- of leningsovereenkomst de financiering van meerdere tijdens eenzelfde belastbaar tijdperk aangeschafte of tot stand gebrachte activa tot doel kan hebben; bovendien kan een dergelijke overeenkomst eventueel in verschillende schijven van terugbetaling voorzien.


In dergelijke gevallen moet de financieringsovereenkomst tussen het centrum en de investerende vennootschap, naast de vermeldingen waarvan hiervoor sprake is, alle noodzakelijke gegevens bevatten om zich ervan te kunnen vergewissen dat m.b.t. de bedoelde activa - of eventueel m.b.t. elke groep van activa die met ingang van hetzelfde belastbare tijdperk en tegen eenzelfde percentage afschrijfbaar zijn - van de ter zake gestelde voorwaarden, inzonderheid m.b.t. de looptijd van het krediet of van de lening en de terugbetaling van de ontleende sommen is voldaan (zie nr. 81 hiervoor).

84. Wat betreft de inkomsten van schuldvorderingen en leningen, toegekend uit hoofde van financieringsovereenkomsten die ten laatste op 30 juni 1988 vervielen en die niet aan de hiervoor besproken voorwaarde voldeden, wordt de toekenning van de FRV niet aan de orde gesteld indien werd aangetoond dat de geleende kapitalen werkelijk worden aangewend voor de financiering van de vereiste investeringen.

Wat betreft de inkomsten toegekend ter uitvoering van op 30 juni 1988 nog lopende financieringsovereenkomsten, wordt de toekenning van de FRV evenmin geweigerd, indien deze overeenkomsten ten laatste op 30 juni 1988 aangepast waren.

Dit betekent inzonderheid dat :

  • indien dergelijke overeenkomsten niet voorzagen in de spreiding van de terugbetaling der geleende sommen over de volledige looptijd van het krediet of van de lening, die overeenkomsten binnen de voormelde termijn zodanig dienden te worden aangepast dat de bedoelde terugbetaling gespreid werd over de, op het ogenblik van de aanpassing, nog resterende looptijd van het krediet of van de lening; wel te verstaan diende in dergelijk geval de eerste terugbetaling die volgde op de aanpassing van de overeenkomst, in de loop van het jaar 1988 te worden verricht;
  • rekening werd gehouden met de overeenkomsten van het type "kredieten op korte termijn" (zoals kredietlijnen, straigt-loans, enz...) voor zover deze binnen dezelfde termijn werden omgezet in overeenkomsten die aan de gestelde vereisten voldeden; bovendien konden dergelijke overeenkomsten in voorkomend geval het voorwerp uitmaken van een afwijking indien ze betrekking hadden op investeringen die zijn aangeschaft of tot stand gebracht vanaf 1 januari 1988;
  • geen FRV wordt verleend indien een Belgische vennootschap, in het kader van een op 30 juni 1988 nog lopende overeenkomst, aan het coördinatiecentrum van de groep waartoe het behoort een lening had toegestaan met fondsen welke haar werden verstrekt door derden (die alsdan in feite de werkelijke geldschieters en genieters van de inkomsten waren); dergelijke overeenkomsten konden in aanmerking komen op voorwaarde dat ze uiterlijk op 30 juni 1988 op naam van de werkelijke geldschieter waren omgezet.


f) Belastbare tijdperken waarvoor de FRV van toepassing is


85. Voor zover FRV kan verleend worden, is hij in principe van toepassing :


  • vanaf het belastbare tijdperk (boekjaar van de schuldenaar) waarin de geleende kapitalen werkelijk zijn aangewend voor de financiering van in aanmerking komende activa;
  • voor elk belastbaar tijdperk (boekjaar van de schuldenaar) dat in de looptijd van het krediet of van de lening begrepen is;
  • uiterlijk tijdens het laatste belastbaar tijdperk van de eerste erkenningsperiode wat de erkende coördinatiecentra betreft (zie nr. 59, 2e lid).


Wel te verstaan moeten de belastbare tijdperken waarvoor de FRV kan worden verleend in elk geval beperkt worden tot die waarvoor de vrijstelling van RV van toepassing is (zie nr. 57, laatste lid).

Aan de genieters van de inkomsten wordt een FRV verleend, binnen de beperkingen en onder de voorwaarden die hiervoor zijn omschreven, voor elk van de belastbare tijdperken waarin de inkomsten van schuldvorderingen of leningen worden geïncasseerd of ontvangen.

g) Berekening van de FRV bij de genieters van de inkomsten

86. Voor zover hij nog van toepassing is, is de FRV voor elk belastbaar tijdperk gelijk aan 25/75 of 10/90 van het tijdens dat belastbare tijdperk verkregen nettobedrag, dat proportioneel overeenstemt met het bedrag van de geleende fondsen die werkelijk hebben gediend voor de financiering van investeringen die in aanmerking komen voor FRV en geboekt zijn op het actief van de balans van de onderneming die de investeringen heeft gedaan.

De FRV wordt eventueel prorata temporis berekend - elk deel van een maand tellende voor een gehele maand - rekening houdend met :

  • enerzijds, de datum van betaling van de facturen, enz. met betrekking tot de activabestanddelen, de datum waarop de kosten van onderzoek en ontwikkeling werkelijk zijn gedragen en als zodanig zijn geboekt of nog de datum van storting van voorschotten op activa;
  • en, anderzijds, de datum van afsluiting van het boekjaar.


Voor het overige wordt verwezen naar Com.IB op art. 186, e.v., WIB (art. 276 e.v. WIB 92) en naar de circ. 31.3.1993, Ci.RH.421/444.672 (Bull. 727).

h) Overdracht of buitengebruikstelling van vaste activa

87. Wanneer vaste activa, die in aanmerking zijn genomen voor de toekenning van de FRV, worden vervreemd of buiten gebruik worden gesteld vóór de oorspronkelijke vervaldatum van de lening of het krediet, is er geen grond meer voor verrekening van FRV met betrekking tot die activa.

In dergelijk geval wordt het desbetreffende feit geacht zich te hebben voorgedaan op de laatste dag van de maand waarin de overdracht of de buitengebruikstelling heeft plaatsgevonden.

88. In afwijking op de voormelde principes kan, bij overdracht van de bedoelde vaste activa tussen leden van dezelfde groep, de FRV verder worden verleend wanneer die overdracht het gevolg is van :

  • belastingvrije verrichtingen (inbreng van takken van werkzaamheid of algemeenheid van goederen van inbreng of verkoop), fusie, splitsing of opslorping;
  • niet belastingvrije verrichtingen uitsluitend ten gevolge van een herstructurering binnen de groep.


Die afwijking kan slechts mits het indienen van een aanvraag bij het Hoofdbestuur der directe belastingen (dir. II/1) worden toegestaan.

i) Te vervullen formaliteiten

89. Het KB 3.4.1989 (bijlage 9), bepaalt de door coördinatiecentra en in een tewerkstellingszone gevestigde ondernemingen na te leven verplichtingen met het oog op het toekennen van een FRV aan de verkrijgers van inkomsten van schuldvorderingen of leningen, betaald of toegekend door die ondernemingen of centra. Die verplichtingen zijn van toepassing op inkomsten die betrekking hebben op vanaf 1.7.1988 afgesloten boekjaren.

90. Met betrekking tot inkomsten van schuldvorderingen of leningen wordt de verrekening van de FRV slechts toegestaan indien die ondernemingen of centra de volgende verplichtingen nakomen :



betreffende het boekjaar waarin zij de kredietovereenkomsten of leningen met derden hebben afgesloten met het oog op de financiering van de vereiste investeringen :

a) per krediet- of leningsovereenkomst een opgave opstellen met
vermelding van de door de onderneming of het centrum geleende sommen welke voor de gewenste doeleinden werden aangewend en van de juiste aard van de aldus gedane investeringen;

b) wanneer de uiteindelijke gebruiker van die sommen een vennootschap is van de groep waarvan een centrum deel uitmaakt :

  • per krediet- of leningsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep de sub a bedoelde opgave aanvullen met de vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het bedrag en de duur van het bekomen krediet of lening;
  • per krediet- of leningsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep, in tweevoud een lijst opstellen met vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het detail van de nuttige investeringen die met dat krediet of die lening zijn gedaan, en, voor ieder in aanmerking te nemen actiefbestanddeel, inzonderheid :
  • de datum van het aanschaffen of het tot stand brengen;
  • de omschrijving;
  • de kostprijs;
  • de normale gebruiksduur en eventueel de datum van werkelijke bedrijfsklaarheid;


c) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over de inkomsten van het beschouwde boekjaar, de opgave en de lijst overleggen waarvan sprake is sub a en b;



voor ieder boekjaar waarin zij inkomsten hebben toegekend die recht kunnen geven op de verrekening van een FRV :

a) per datum van toekenning van de interesten en per krediet of
leningsovereenkomst die zij met derden hebben gesloten, in tweevoud een fiche opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde en het origineel ervan aan de verkrijgers van de inkomsten toezenden (zie bijlage 10);

b) van de sub a bedoelde fiches een samenvattende opgave opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde (zie bijlage 10);

c) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over elk van de beschouwde boekjaren, de opgave en het dubbel van de fiches overleggen waarvan sprake is sub a en b;



volgens de sub 1°, c, bedoelde regels een nota verstrekken die de overeenstemming weergeeft tussen de opgaven, lijsten en fiches waarvan sprake is sub 1° en 2°.

De samenvattende opgave (titelblad) van de individuele fiches moet
worden gedateerd, ondertekend en echt verklaard door een persoon die wettelijk bevoegd is om de belastingplichtige te verbinden of door zijn lasthebber.

In voorkomend geval dienen eveneens de vereiste documenten inzake kosten voor onderzoek en ontwikkeling te worden voorgelegd, zelfs indien m.b.t. die activa werd verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek.

Indien tijdens de duur van het krediet- of leningscontract enige wijziging plaatsvindt van de overeenkomstig nr. 82, e.v. in het contract vermelde inlichtingen, moet de belastingplichtige zulks uiterlijk bij de aangifte over het belastbare tijdperk waarin de wijziging is aangebracht aan de taxatiedienst laten kennen.

2. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen

a) Algemeen

91. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, toegekend vanaf 1.1.1986 en vóór 24.7.1991 (zie nr. 98) geven slechts recht op FRV ten belope van maximaal 7,5 % van het gedeelte van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal dat voor de financiering van investeringen als bedoeld in nr. 100 is aangewend :

  • door een erkende onderneming in een tewerkstellingszone;
  • door een erkend coördinatiecentrum of door vennootschappen die een groep vormen met het erkende centrum dat aan die vennootschappen met eigen fondsen een lening heeft toegestaan.


92. De berekening van de beperking van het bedrag van de inkomsten waarvoor een FRV kan worden verleend, gebeurt volgens bijzondere regels die zijn uiteengezet in de nrs. 102 tot 117.

93. Voor de toekenning van de FRV zijn nog andere beperkingen en voorwaarden vastgesteld die worden uiteengezet in de nrs. 122 en 123.

94. De Koning kan het in nr. 91 vermelde tarief van 7,5 % aanpassen wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is.

95. Anderzijds wordt, net zoals voor inkomsten van schuldvorderingen en leningen, de FRV slechts verleend uiterlijk tijdens het laatste belastbaar tijdperk van de eerste erkenningsperiode van de coördinatiecentra.

b) Tarieven

1. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vóór 23.7.1990

96. De inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen geven nog recht op een FRV van 25/75 van het verkregen nettobedrag indien zij voortkomen van kapitalen die gediend hebben voor de financiering van vóór 23.7.1990 verrichte investeringen.

Het tarief van 25/75 blijft evenwel van toepassing op inkomsten die verband houden met :

  • investeringen die vóór 23.7.1990 zijn geboekt;
  • investeringen die op die datum nog niet zijn geboekt, doch niet los kunnen worden gezien van investeringen die vóór 23.7.1990 in de activa zijn geboekt, met name in de post "activa in aanbouw en vooruitbetalingen";
  • investeringen waartoe vóór 23.7.1990 een juridische verbintenis werd aangegaan voorzien van een voorschot waarvan de verplichting geboekt werd onder klasse O.


2. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 23.7.1990 en vóór 24.7.1991

97. M.b.t. inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 23.7.1990, werd het tarief van de FRV tot 10/90 van het verkregen nettobedrag herleid.

Het tarief van 10/90 is evenwel slechts van toepassing op de aan die aandelen of deelbewijzen uitgekeerde winsten :

  • m.b.t. het maatschappelijk kapitaal dat vanaf 23.7.1990 werd aangewend tot de financiering van in aanmerking komende investeringen (zie nr. 100);
  • voor zover de financieringsovereenkomsten vóór 24.7.1991 werden gesloten (zie nr. 98);
  • en mits de voorwaarde en formaliteiten als vermeld in de nrs. 91, 122 en 123 worden nageleefd.


3. Inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen die verband houden met de financiering van investeringen gedaan vanaf 24.7.1991

98. De FRV m.b.t. inkomsten van aandelen en deelbewijzen werd op nul gebracht m.b.t. de vanaf 24.7.1991 toegekende of uitgekeerde inkomsten. Evenwel wordt nog FRV verleend op aan aandelen of delen van belegde kapitalen uitgekeerde winst die betrekking heeft op het maatschappelijk kapitaal dat werd aangewend tot passende investeringen in uitvoering van vóór 24.7.1991 gesloten overeenkomsten waarvan de datum vaststaat (m.a.w. met een "vaste dagtekening") of die het voorwerp zijn van een vóór die datum gedane opname.

Voor de begrippen "overeenkomst", "vaste dagtekening" en "opname" wordt verwezen naar nr. 63.

99. Er wordt opgemerkt dat de opschorting van de FRV ook geldt t.a.v. erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone. Nochtans kunnen deze ondernemingen verder genieten van bedoelde voorheffing indien zij aantonen dat hun kapitalisatie van vóór 24.7.1991 dateert (datum die blijkt uit de notariële akte van inbreng).

c) In aanmerking komende investeringen

100. Ter zake komen slechts die investeringen in aanmerking welke door in nr. 91 vermelde ondernemingen, centra of vennootschappen worden gedaan :

1° hetzij in materiële vaste activa :

  • die zij in nieuwe staat hebben aangekocht of tot stand gebracht,
  • die zij voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid in België gebruiken,
  • en waarvan het recht tot gebruik niet krachtens enigerlei overeenkomst is afgestaan aan andere derden dan Belgische leden van de groep;


2° hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in art. 42ter, § 2, a, WIB (art. 69, lid 1, 2°, WIB 92) in principe van toepassing is;

3° en waarvoor de vennootschap onherroepelijk heeft verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek als bedoeld in hetzelfde art. 42ter, WIB (art. 68 tot 77, 201 en 240, lid 2, WIB 92).

101. In werkelijkheid zijn de opgelegde verplichtingen in hoofdzaak gelijk aan die welke gelden voor de toekenning van de FRV met betrekking tot inkomsten van schuldvorderingen of leningen.

Derhalve wordt naar de nrs. 64 tot 78 verwezen.

d) Beperking van het bedrag van de inkomsten die recht geven op de verrekening van FRV

Beperking tot 7,5 % van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal

102. De FRV wordt slechts verleend voor inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen :

  • ter vergoeding van het gedeelte van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal van erkende ondernemingen in een tewerkstellingszone of van erkende coördinatiecentra, dat werd aangewend voor de in de nrs. 100 en 101 bedoelde investeringen;
  • en zulks in de mate dat die inkomsten niet meer bedragen dan 7,5 % van dat gedeelte van voormeld kapitaal dat voor de vereiste doeleinden is gebruikt.


103. Voor meer bijzonderheden aangaande "het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal" wordt verwezen naar de art. 118 tot 122, WIB (art. 2, § 5 en 184, WIB 92) en naar de desbetreffende Com.IB.

104. Het tarief van 7,5 % (zie nr. 102) is slechts van toepassing voor zover de winsten, uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, ten minste 7,5 % bedragen van het gedeelte van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal dat voor de vereiste doeleinden werd aangewend, onder voorbehoud van het bepaalde in de nrs. 106 tot 116.

105. Wanneer het percentage van de vergoeding van dat kapitaal daarentegen lager is dan 7,5 %, is het werkelijk toegepaste percentage in aanmerking te nemen. Het werkelijk toegepaste percentage dient te worden berekend op het bedrag van het werkelijk gestort kapitaal op het einde van het boekjaar.

Bepaling van de waarde van het kapitaal dat geacht wordt voor de vereiste doeleinden te zijn aangewend

106. Het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal wordt geacht voor de vereiste investeringen te zijn aangewend tot beloop van het laagste van de volgende bedragen :

  • de restwaarde van die investeringen op het einde van ieder belastbaar tijdperk of
  • het op het einde van elk belastbaar tijdperk nog verschuldigde saldo van de door het centrum aan de vennootschap die de investeringen heeft verricht, toegestane lening.


107. Met restwaarde wordt bedoeld, de fiscale nettowaarde van de in aanmerking komende activa, d.w.z. de aanschaffings- of beleggingswaarde verminderd met de gedane en fiscaal aangenomen afschrijvingen. Voor het begrip "aanschaffings- of beleggingswaarde" wordt verwezen naar nr. 79.

108. Dit betekent inzonderheid dat de FRV vermindert naarmate de bedoelde investeringen worden afgeschreven.

109. De in aanmerking te nemen restwaarde is die welke bestaat op het einde van elk belastbaar tijdperk waarvoor de dividenden of inkomsten van belegde kapitalen zijn toegekend. Met andere woorden, het gaat om de waarde op de datum van afsluiting van de boekhouding van de erkende onderneming in een tewerkstellingszone of van het erkende coördinatiecentrum die de bedoelde inkomsten toekennen.

110. Hieruit volgt dat in geval de voor de toekenning van de FRV in aanmerking genomen activabestanddelen werden afgestaan of buiten gebruik gesteld, deze niet meer in aanmerking komen voor de berekening van de te verlenen FRV vanaf het belastbare tijdperk waarin de overdracht of de buitengebruikstelling heeft plaatsgevonden.

111. Evenwel kan bij overdrachten tussen leden van eenzelfde groep een afwijking op voormeld principe worden toegestaan (zie nr. 88).

112. Het kan gebeuren dat tijdens een bepaald belastbaar tijdperk een erkend coördinatiecentrum met eigen fondsen een lening toestaat aan een vennootschap :

  • die deel uitmaakt van dezelfde groep;
  • die de geleende sommen aanwendt voor de vereiste doeleinden;
  • doch waarvan de balansdatum niet samenvalt met die van het centrum.


In dergelijk geval moet, voor de bepaling van het laagste bedrag waarvan sprake is in nr. 106 worden gesteund op de balans van de bedoelde vennootschap die onmiddellijk voorafgaat aan die betreffende het belastbare tijdperk waarop de door het centrum toegekende inkomsten betrekking hebben.

Voorbeeld

Op 1.10.1990 staat de NV X, erkend coördinatiecentrum dat zijn boekjaar afsluit op 31 december, een lening toe uit eigen fondsen aan vennootschap A die tot dezelfde groep behoort.

Op 31.10.1990, brengt vennootschap A, die haar boekjaar afsluit op 30 april, de vereiste investeringen tot stand ten belope van de geleende som.

De datum van toekenning van de dividenden door centrum X met betrekking tot het aj. 1991, is vastgesteld op 6.5.1991.

In dit geval is de in aanmerking te nemen balansdatum van het coördinatiecentrum X : 31.12.1990

In vennootschap A is de balansdatum onmiddellijk voorafgaand aan die van het centrum X : 30.4.1990

Aangezien de investeringen op 31.10.1990, dus na 30.4.1990 gedaan werden, kunnen zij niet in aanmerking komen voor de berekening van de FRV betreffende de dividenden die op het aj. 1991 betrekking hebben (boekjaar afgesloten op 31.12.1990).

Voor de volgende belastbare tijdperken kunnen deze investeringen in aanmerking worden genomen voor zover wel te verstaan de gestelde voorwaarden werkelijk worden nageleefd en voor zover aan de aandelen winsten werden uitgekeerd.

Proportionele verdeling van de in aanmerking te nemen investeringen

113. Wanneer het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal van een erkende onderneming in een tewerkstellingszone of van een erkend coördinatiecentrum slechts gedeeltelijk kan worden geacht de vereiste aanwending te hebben gekregen, moet worden beschouwd dat dat gedeelte verhoudingsgewijs door de verschillende aandelen of deelbewijzen vertegenwoordigd is.

114. In die veronderstelling moet, in alle gevallen en zonder enig onderscheid, de restwaarde van de investeringen of het nog verschuldigde saldo van de lening verhoudingsgewijs worden omgedeeld over elk van de verschillende aandelen of deelbewijzen die het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal vertegenwoordigen, zonder rekening te houden met het feit dat bijvoorbeeld :

  • de in aanmerking komende investeringen zouden zijn gefinancierd met een gedeelte van dat werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal dat door een bepaalde categorie van aandelen of deelbewijzen vertegenwoordigd is;
  • slechts één categorie van aandelen of deelbewijzen wordt vergoed;
  • zekere aandeelhouders geen aanspraak hebben op FRV.


115. Dezelfde beginselen zijn toepasselijk wanneer het totale bedrag van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal geacht is tot de gestelde doeleinden te zijn aangewend.

Bewerkingen bij het bepalen van het grensbedrag van de inkomsten waarvoor een FRV van toepassing is

116. In de praktijk dient voor de vaststelling van het bedoelde grensbedrag als volgt te worden gehandeld :

a) het bedrag van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal bepalen;

b) het laagste van de twee volgende bedragen bepalen :

  • de restwaarde van de investeringen op het einde van het belastbare tijdperk, of
  • het nog verschuldigde saldo van de lening op het einde van datzelfde tijdperk.


c) indien het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal geacht wordt slechts gedeeltelijk voor de vereiste doeleinden te zijn aangewend, het laagste van de sub b) beoogde bedragen proportioneel verdelen over de verschillende aandelen of deelbewijzen die dat kapitaal vertegenwoordigen;

d) op het laagste van de bedragen bedoeld sub b) of op het resultaat van de omdeling waarvan sprake sub c) :

  • ofwel het werkelijk vergoedingspercentage van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal toepassen indien dit lager is dan 7,5 %;
  • ofwel 7,5 % toepassen indien het vergoedingspercentage gelijk is aan of groter dan 7,5 %;


e) het resultaat sub d) vertegenwoordigt het bedrag van de inkomsten die in principe recht geven op FRV;

f) tenslotte de gevallen die werkelijk aanleiding geven tot verrekening van de FRV, afzonderen met inachtneming van de hoedanigheid van de genieters van de inkomsten.

117. Het vorenstaande wordt verduidelijkt door de hiernavolgende voorbeelden.

Voorbeeld 1 - Werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van het erkende coördinatiecentrum NV X : 100.000.000 F - Lening uit eigen fondsen door centrum X toegestaan aan de Belgische vennootschap A, behorende tot dezelfde groep : 80.000.000 F - Restwaarde van de op het einde van het belastbare tijdperk in aanmerking te nemen investeringen, door vennootschap A gedaan met de voormelde lening : 70.000.000 F - Nog verschuldigd saldo van de door vennootschap A aangegane lening : 70.000.000 F - Door centrum X toegekende dividenden : 5,25 % van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal, zijnde : 5.250.000 F - Het maatschappelijk kapitaal van het centrum X is uitsluitend in het bezit van Belgische vennootschappen die aan de Ven.B onderworpen zijn. - Centrum X en vennootschap A sluiten hun boekjaar ieder jaar af op 31 december. Berekening van het grensbedrag van de dividenden die recht geven op FRV - Restwaarde van de in aanmerking genomen investeringen : 70.000.000 F - Vergoedingspercentage op het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal, zijnde : x 5,25 % - Dividenden die in beginsel recht geven op FRV : 3.675.000 F - Dividenden zonder FRV (5.250.000 F - 3.675.000 F) : 1.575.000 F Voorbeeld 2

Gegevens

Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, maar centrum X kent 10.000.000 F dividenden toe, zijnde 10 % van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal.

Berekening van het grensbedrag van de dividenden die recht geven op FRV - Restwaarde van de in aanmerking genomen investeringen : 70.000.000 F - Vergoedingspercentage op het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal : 10 % maar te beperken tot x 7,5 % - Dividenden die in beginsel recht geven op FRV : 5.250.000 F - Dividenden zonder FRV (10.000.000 F - 5.250.000 F) : 4.750.000 F Voorbeeld 3

Gegevens - Werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van het erkende coördinatiecentrum NV X : 100.000.000 F - Dit kapitaal wordt respectievelijk aangehouden door : - A (Belgische vennootschap), ten belope van 50 %, zijnde : 50.000.000 F - B (buitenlandse vennootschap zonder inrichting in België) ten belope van 40 % zijnde : 40.000.000 F - C Belgische rechtspersoon onderworpen aan de RPB) ten belope van 10 % zijnde : 10.000.000 F - Lening uit eigen fondsen door centrum X toegestaan aan de Belgische vennootschap N die deel uitmaakt van dezelfde groep : 90.000.000 F - Investeringen door vennootschap N met de bij het centrum X geleende sommen : 80.000.000 F - Restwaarde van de op het einde van het belastbare tijdperk nog verschuldigd saldo van de door vennootschap N aangegane lening : 60.000.000 F - Op het einde van het belastbare tijdperk nog verschuldigd saldo van de door vennootschap N aangegane lening : 60.000.000 F - Door centrum X toegekende dividenden : 10 % van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal, zijnde : 10.000.000 F - Het centrum X en de vennootschap N sluiten hun boekjaar ieder jaar af op 31 december. Berekening van het grensbedrag van de dividenden die recht geven op FRV - Restwaarde van de in aanmerking genomen investeringen : 60.000.000 F - Vergoedingspercentage op het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal : 10 % maar te beperken tot : x 7,5 % - Dividenden die in beginsel recht geven op FRV : 4.500.000 F - Proportionele verdeling van de restwaarde van de in aanmerking komende investeringen : - Aandeelhouder A (Belgische vennootschap) 60.000.000 x 50 % : 30.000.000 F - Aandeelhouder B (buitenlandse vennootschap) 60.000.000 x 40 % : 24.000.000 F - Aandeelhouder C (Belgische rechtspersoon) 60.000.000 x 10 % : 6.000.000 F 60.000.000 F - Verdeling van de dividenden die in beginsel recht geven op FRV : - Aandeelhouder A (Belgische vennootschap) 30.000.000 F x 7,5 % (of 4.500.000 F x 50 %) : 2.250.000 F - Aandeelhouder B (buitenlandse vennootschap) 24.000.000 F x 7,5 % (of 4.500.000 F x 40 %) : 1.800.000 F - Aandeelhouder C (Belgische rechtspersoon) 6.000.000 F x 7,5 % (of 4.500.000 F x 10 %) : 450.000 F Totaal : 4.500.000 F In dit voorbeeld geven uitsluitend de aan aandeelhouder A (Belgische vennootschap) toegekende dividenden (5.000.000 F) recht op een verrekening van FRV, en dit ten belope van 2.250.000 F, aangezien :

  • B, genieter van 4.000.000 F dividenden waarvan er 1.800.000 F in principe recht geven op FRV, een buitenlandse vennootschap is die niet op het geheel van haar inkomsten aan de Belgische belasting onderworpen is;
  • C, genieter van 1.000.000 F dividenden waarvan er 450.000 F in principe recht geven op FRV, een aan de RPB onderworpen Belgische rechtspersoon is.


Voorbeeld 4

Zelfde gegevens als in voorbeeld 1 maar het op het einde van het belastbare tijdperk nog verschuldigde saldo van de door vennootschap A aangegane lening bedraagt 60.000.000 F.

Berekening van het grensbedrag van de dividenden die recht geven op FRV - Restwaarde van de in aanmerking genomen investeringen : 70.000.000 F - Nog verschuldigde saldo van de lening : 60.000.000 F - Laagste van de 2 bedragen : 60.000.000 F - Vergoedingspercentage op het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare kapitaal : x 5,25 % - Dividenden die in beginsel recht geven op FRV : 3.150.000 F - Dividenden zonder FRV 5.250.000 F - 3.150.000 F : 2.100.000 F e) Voorwaarden met betrekking tot het financieringscontract tussen een erkend coördinatiecentrum en een vennootschap van dezelfde groep

118. De richtlijnen sub nrs. 80 tot 84 zijn van overeenkomstige toepassing.

f) Belastbare tijdperken waarvoor de FRV van toepassing is

119. Voor zover FRV kan verleend worden, is hij in principe van toepassing :



vanaf het belastbare tijdperk (boekjaar van de schuldenaar) waarin inzonderheid voldaan is aan de voorwaarde in verband met het vereiste gebruik van het werkelijk gestorte en nog terugbetaalbare maatschappelijk kapitaal en voor zover uiteraard de inkomsten van aandelen of belegde kapitalen voor dat belastbare tijdperk toegekend zijn : dienomtrent wordt de aandacht evenwel gevestigd op het bepaalde in nr. 112.
voor elk van de belastbare tijdperken (boekjaren van de schuldenaar) waarvoor de beoogde inkomsten zijn toegekend en voor zover de in aanmerking komende investeringen een restwaarde hebben.
uiterlijk tijdens het laatste belastbare tijdperk van de eerste erkenningsperiode wat de erkende coördinatiecentra betreft (zie nr. 95), zodat inzonderheid m.b.t. dat laatste belastbare tijdperk geen FRV kan worden verleend, indien de desbetreffende inkomsten van aandelen of belegde kapitalen n de laatste dag van dat tijdperk zijn toegekend of betaalbaar gesteld.
Wel te verstaan moeten de belastbare tijdperken waarvoor de FRV kan worden verleend in elk geval beperkt worden tot die waarvoor de vrijstelling van RV van toepassing is (zie nr. 57, laatste lid).

120. Aan de genieters van de inkomsten wordt, binnen de grenzen en onder de voorwaarden hiervoor bepaald, een FRV verleend voor elk belastbaar tijdperk waarin zij inkomsten van aandelen of van belegde kapitalen incasseren of verkrijgen.

In voorkomend geval is de FRV verrekenbaar ongeacht of de effecten het karakter hebben van "vaste deelnemingen" in de zin van art. 112, WIB (met ingang van het aj. 1992, is die voorwaarde van vastheid opgeheven).

g) Berekening van de verrekenbare FRV

121. De FRV is voor elk belastbaar tijdperk gelijk aan 25/75 of 10/90 van het tijdens dat belastbare tijdperk verkregen nettobedrag van de inkomsten, in de mate dat zij de sub 102 tot 117 bepaalde grenzen niet overschrijden.

Wie eigenaar of vruchtgebruiker van de effecten is op de datum van de toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten, heeft aanspraak op FRV ongeacht de duur van de periode waarin de bedoelde effecten werkelijk in zijn bezit zijn geweest. Voor zover het gaat om effecten die voor de uitoefening van de beroepswerkzaamheid worden gebruikt, is de FRV m.b.t. de vanaf 23.7.1990 toegekende of betaalbaargestelde inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, slechts verrekenbaar op voorwaarde de verkrijger van de inkomsten de volle eigendom van de effecten had op het ogenblik waarop de inkomsten zijn toegekend of betaalbaar gesteld.

Voor het overige wordt verwezen naar de Com.IB op art. 186, e.v., WIB (art. 276, e.v. WIB 92) en naar de circ. 31.3.1993, Ci.RH.421/444.672 (Bull. 727).

h) Te vervullen formaliteiten

122. Het KB 3.4.1989 bepaalt eveneens de door coördinatiecentra en in een tewerkstellingszone gevestigde erkende ondernemingen na te leven verplichtingen met het oog op het toekennen van een FRV aan de verkrijgers van inkomsten van aandelen of belegde kapitalen betaald of toegekend door die ondernemingen of centra. Die verplichtingen zijn van toepassing op die inkomsten die betrekking hebben op vanaf 1.7.1988 afgesloten boekjaren.

123. Met betrekking tot door de ondernemingen of centra betaalde of toegekende inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen wordt de verrekening van de FRV, door de verkrijgers van de voormelde inkomsten, slechts toegestaan indien die ondernemingen of centra de volgende verplichtingen nakomen :



betreffende het boekjaar waarin het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal geheel of gedeeltelijk voor de financiering van de vereiste investeringen werd aangewend :
a) een opgave opmaken met vermelding van het bedrag dat voor de gewenste doeleinden werd aangewend en van de juiste aard van de investeringen die met die eigen fondsen werden gedaan;

b) wanneer die eigen fondsen hebben gediend tot het toekennen van een krediet of lening aan een vennootschap van de groep waarvan een centrum deel uitmaakt :

  • per financieringsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep, de sub a bedoelde opgave aanvullen met de vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het bedrag van het krediet of de lening;
  • per financieringsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep in tweevoud een lijst opstellen met vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het detail van de nuttige investeringen die met dat krediet of die lening zijn gedaan, en, voor ieder in aanmerking te nemen actief bestanddeel, inzonderheid :
  • de datum van het aanschaffen of het tot stand brengen;
  • de omschrijving;
  • de kostprijs;


c) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over de inkomsten van het beschouwde boekjaar, de opgave en de lijst overleggen waarvan sprake is sub a en b;



voor ieder boekjaar waarin zij inkomsten hebben toegekend die recht kunnen geven op de verrekening van een FRV :
a) per datum van toekenning van de inkomsten in tweevoud een fiche opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde en het origineel ervan aan de verkrijgers van de inkomsten toezenden (zie bijlage 10);

b) van de sub a bedoelde fiches een samenvattende opgave opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde (zie bijlage 10);

c) een nota opstellen met vermelding van alle elementen waarmee rekening werd gehouden om het bedrag te bepalen van de inkomsten die daadwerkelijk recht geven op de FRV en van het detail van de te dien einde uitgevoerde berekeningen;

d) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over de inkomsten van elk van de beschouwde boekjaren, de opgave en het afschrift van de fiches overleggen waarvan sprake sub a en b, alsook de sub c bedoelde nota;



volgens de sub 1°, c, bedoelde regels, een nota verstrekken die de overeenstemming weergeeft tussen de opgaven, lijsten, fiches en nota's waarvan sprake is sub 1° en 2°.
De samenvattende opgave (titelblad) van de individuele fiches moet worden gedateerd ondertekend en echt verklaard door een persoon die wettelijk bevoegd is om de belastingplichtige te verbinden of door zijn lasthebber.

In voorkomend geval dienen eveneens de vereiste documenten inzake kosten voor onderzoek en ontwikkeling te worden voorgelegd, zelfs indien m.b.t. die activa werd verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek.

Indien, naar het geval, tijdens de duur :

  • van de afschrijvingen van de in aanmerking genomen activa;
  • en/of van de uitvoering van de krediet- of leningsovereenkomst, een wijziging in de verstrekte gegevens optreedt, moet de erkende onderneming in een tewerkstellingszone of het erkende coördinatiecentrum de taxatiedienst hiervan op de hoogte brengen ten laatste bij de aangifte van het belastbare tijdperk waarin de wijziging heeft plaatsgevonden.


VI. VRIJSTELLING VAN DE RV OP INKOMSTEN VAN GELDDEPOSITO'S

A. Algemeen

124. Van de inning van de RV wordt afgezien met betrekking tot inkomsten van gelddeposito's waarvan de genieters erkende coördinatiecentra zijn (art. 91, § 2, 7°, KB/WIB).

B. Voorwaarde voor vrijstelling van de RV

125. Ingevolge art. 97, § 5, KB/WIB, is de vrijstelling ten voordele van erkende coördinatiecentra onderworpen aan de voorwaarde dat de genieter van de inkomsten wordt geïdentificeerd met naleving van de door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde afgevaardigde voorschriften.

C. Wijze van identificatie van de genieters

126. Voor de identificatie van de genieters kan met de nodige aanpassingen gebruik worden gemaakt van de stukken waarvan sprake is in 164/206 Com.IB.

De in 164/207 Com.IB opgenomen richtlijnen mogen eveneens worden toegepast voor de inkomsten van gelddeposito's die worden verleend of toegekend aan de coördinatiecentra die de vrijstelling van RV op deze inkomsten genieten.

NAMENS DE MINISTER :
Voor de Directeur-generaal :
De Auditeur-generaal,

M. PORRE


Gecoördineerde tekst van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones (V 1644 - Bull. 614), gewijzigd door art. 38 van de Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen (V 1748 - Bull. 636), door art. 17 van de Wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen (V 1785 - Bull. 642) en door de art. 176 tot 178 van de Programmawet van 30 december 1988 (V 1961 - Bull. 680).



HOOFDSTUKI. - Beginselen
Artikel 1. - De Koning kan bij in Ministerraad overlegde besluiten en onder de hierna bepaalde voorwaarden tewerkstellingszones oprichten in streken die getroffen zijn door een belangrijke structurele werkloosheid.

Art. 2. - De totale oppervlakte van de tewerkstellingszones mag niet meer bedragen dan 150 ha voor het Waalse Gewest, 150 voor het Vlaamse Gewest en 50 ha voor het Brusselse Gewest. Er mogen niet meer dan drie zones per gewest worden opgericht.

Die tewerkstellingszones worden geografisch afgebakend door de Koning, nadat de Executieve van het betrokken Gewest om advies is verzocht. Het verzoek om advies wordt door de Minister van Economische Zaken gedaan binnen drie maanden na de bekendmaking van dit besluit. De Executieve beschikt over een termijn van dertig dagen om haar advies te geven.

Art. 3. - Elke onderneming die zich in de tewerkstellingszone vestigt na de bekendmaking van het koninklijk besluit tot afbakening van de tewerkstellingszone, geniet het voordeel van dit besluit gedurende een periode die ingaat op de dag dat de onderneming haar aktiviteit in de tewerkstellingszone aanvangt en eindigt op 31 december van het tiende kalenderjaar volgend op het jaar waarin de industriële of dienstverlenende werkzaamheid is aangevat.

Om voor dit besluit in aanmerking te komen moet de onderneming zich in de tewerkstellingszone vestigen binnen de vijf jaar na de bekendmaking van het koninklijk besluit tot afbakening van de zone.



HOOFDSTUKII. - Voorwaarden door de ondernemingen te vervullen
Art. 4. - De tewerkstellingszones zijn uitsluitend bestemd voor de vestiging van nieuwe industriële of dienstverlenende ondernemingen die nieuwe arbeidsplaatsen scheppen en waarvan de activiteit het onderzoek betreft inzake spitstechnologische produkten of behoort tot één of meerdere van de volgende sectoren :

  • Gevorderde informatieverwerking;
  • Software technologieën;
  • Micro-electronica, inbegrepen de opto-electronica;
  • Burotica;
  • Robotica;
  • Telecommunicatie;
  • Bio-engineering.


De in het eerste lid bedoelde ondernemingen mogen geen bestaande beroepswerkzaamheden overnemen.

Art. 5. - Om voor dit besluit in aanmerking te komen moet de onderneming een vennootschap met rechtspersoonlijkheid zijn die opgericht is in een van de in Titel IX van Boek I van het Wetboek van koophandel bepaalde vormen en moet zij haar maatschappelijke zetel alsook al haar exploitatiezetels met uitzondering evenwel van in het buitenland gevestigde kantoren van verkoop en dienstverlening na verkoop in de tewerkstellingszones vestigen.

Art. 6. - Om voor dit besluit in aanmerking te komen mag de onderneming niet meer dan 200 werknemers in dienst hebben.

Het personeelsbestand van de onderneming moet binnen de twee jaar nadat de onderneming met haar werkzaamheid is begonnen, ten minste tien werknemers tellen. Dat minimumgetal moet gedurende de gehele in artikel 3 bedoelde periode behouden worden.



HOOFDSTUKIII. - Voordelen voor de ondernemingen
Art. 7. § 1. De winst die wordt uitgekeerd op de aandelen en deelbewijzen van belegde kapitalen in de ondernemingen welke voldoen aan de in de artikelen 4 tot 6 gestelde voorwaarden, alsook de winst die in het vermogen van die ondernemingen wordt gehouden zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting.

De vrijstelling is echter niet van toepassing op het gedeelte van de winsten of baten dat voorkomt van abnormale of goedgunstige voordelen welke die ondernemingen, in welke vorm of door welk middel ook, rechtstreeks of onrechtstreeks tijdens het belastbaar tijdperk hebben behaald uit een onderneming ten aanzien waarvan zij zich rechtstreeks of onrechtstreeks in enigerlei band van wederzijdse afhankelijkheid bevinden.

§ 2. In die ondernemingen moeten de in artikel 114 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde verliezen afgetrokken worden van de winst over de daaropvolgende belastbare tijdperken, ongeacht de in § 1 van dit artikel bepaalde vrijstelling van de vennootschapsbelasting.

De in artikel 42ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde investeringsaftrek waarop dezelfde ondernemingen aanspraak kunnen maken tijdens de belastbare tijdperken bedoeld in § 4 van dit artikel wordt niet overgedragen op de winst van de latere belastbare tijdperken.

§ 3. De bepalingen van artikel 126, tweede lid, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen zijn ten name van die ondernemingen niet van toepassing.

§ 4. Dit artikel is van toepassing op de belastbare tijdperken die eindigen uiterlijk bij het verstrijken van de in artikel 3 bedoelde periode.

Art. 8. - Wanneer het voordeel van dit besluit wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 12, § 2, is de ingevolge artikel 7 niet geheven vennootschapsbelasting verschuldigd vanaf het belastbare tijdperk waarin de intrekking uitwerking heeft; in dat geval wordt de belasting gevestigd binnen twaalf maanden te rekenen van de datum van de beslissing tot intrekking.

Art. 9. § 1. Het kaderpersoneel en de vorsers van vreemde nationaliteit in dienst van de onderneming gevestigd in een tewerkstellingszone zijn voor de duur van hun tewerkstelling in de tewerkstellingszone niet onderworpen :



a)....
b)aan de verplichting een arbeidskaart of beroepskaart aan te vragen.
§ 2. Voor wat betreft het kaderpersoneel en de vorsers van vreemde nationaliteit die zij tewerkstellen, zijn de ondernemingen gevestigd in een tewerkstellingszone vrijgesteld van de verplichting een vergunning tot tewerkstelling aan te vragen.



HOOFDSTUKIV. - Het bestuur van de tewerkstellingszone
Art. 10. § 1. Er wordt in iedere tewerkstellingszone een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, belast met het bestuur van de betrokken tewerkstellingszone.

§ 2. Zij staat onder het gezamenlijk toezicht van de Minister van Financiën, de Minister van Economische Zaken, de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en de Minister van Middenstand, hierna "Toezichthoudende Ministers" genoemd.

§ 3. Zij wordt beheerd door een raad van beheer, bestaande uit een voorzitter en vier leden die benoemd worden voor een vernieuwbare termijn van drie jaar. De benoeming wordt gedaan door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit; twee leden worden benoemd op voordracht van de Gewestexecutieve. Bij gebrek aan voordracht binnen dertig dagen na het daartoe aan de Executieve gedane verzoek kan de Koning ambtshalve tot de benoeming overgaan.

§ 4. Het mandaat van beheerder is onverenigbaar met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat en met de uitoefening van een mandaat of van een betrekking in een onderneming welke in een tewerkstellingszone gevestigd is.

§ 5. De leden van de raad van beheer zijn verplicht tot geheimhouding voor alles waarvan zij in de uitoefening van hun mandaat kennis zullen nemen.


§ 6. De Koning kan de beheerders een bezoldiging toekennen.


Art. 11. - De openbare instelling wordt in rechte en in de akten waarbij zij partij is, op geldige wijze vertegenwoordigd door twee beheerders.

Het secretariaat van deze openbare instellingen zal door de diensten van het Ministerie van Economische Zaken worden waargenomen.

De raad van beheer stelt een reglement van inwendige orde vast.

Art. 12. § 1. De raad van beheer beschikt over alle machten die nodig zijn voor het bestuur van de openbare instelling.

§ 2. Zij beslist onder goedkeuring van de Toezichthoudende Ministers of de aktiviteit van een bepaalde onderneming beantwoordt aan het doel en de voorwaarden bepaald in artikel 4, zoals gepreciseerd in een overeenkomst tussen de ondernemingen en de openbare instelling.

Hij kan eveneens, onder goedkeuring van dezelfde Ministers het voordeel van het onderhavige besluit ontnemen aan de onderneming welke niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld in artikelen 4 tot 6.

De aan goedkeuring onderworpen beslissingen van de raad van beheer worden binnen tien dagen in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

§ 3. De raad van beheer stuurt het dossier samen met zijn beslissing naar de Minister van Economische Zaken. Deze zendt het dossier dan door naar de drie andere Toezichthoudende Ministers.

De Toezichthoudende Ministers beslissen binnen een termijn van dertig dagen ingaande bij het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 13. Bij gebrek aan eenstemmige beslissing van de Toezichthoudende Ministers wordt het dossier door de Minister van Economische Zaken overgezonden aan het Ministerieel Comité voor economische en sociale coördinatie, dat beschikt binnen een termijn van vijftien dagen.

Art. 13. - Ieder belanghebbende kan bij een van de Toezichthoudende Ministers in beroep gaan tegen de beslissing die de raad van beheer overeenkomstig artikel 12 heeft genomen. Dat beroep moet worden ingesteld binnen dertig dagen na de bekendmaking van de aan goedkeuring onderworpen beslissing in het Belgisch Staatsblad.

Art. 14. - De raad van beheer formuleert, uit eigen beweging of op gezamenlijk verzoek van de Toezichthoudende Ministers ieder advies of voorstel over vraagstukken in verband met de tewerkstellingszones en geeft onder meer wenken ter verbetering of aanvulling van de wets- of verordeningsbepalingen met het doel de vestiging van investeerders in de tewerkstellingszones te bevorderen.

Art. 15. - De raad van beheer stelt het tarief en de wijze van invordering vast van de rechten die hij van de in de zone gevestigde ondernemingen kan vorderen ter vergelding van de voordelen en diensten die worden verstrekt. Die rechten moeten met name dienen om de administratiekosten van de diensten der openbare instelling te dekken.

De openbare instelling geniet tijdens haar eerste twee werkjaren van een renteloze lening ten laste van de begroting van de Minister van Economische Zaken. Die lening is terugbetaalbaar in dertien gelijke annuïteiten vanaf het vierde werkjaar van de openbare instelling.

Art. 16. - De raad van beheer van de tewerkstellingszone overhandigt jaarlijks een verslag van haar aktiviteiten aan de Toezichthoudende Ministers.

De raad van beheer stelt uiterlijk voor 31 maart een jaarlijkse exploitatierekening alsook een staat der activa en passiva per 31 december van het voorafgaande jaar op. Deze jaarlijkse exploitatierekening en deze toestand der activa en passiva worden voorgelegd aan een raad van advies van de tewerkstellingszones, die bijeenkomt ten laatste op 30 april van ieder jaar en die de behoorlijk gevolmachtigde vertegenwoordigers van de ondernemingen gevestigd in de tewerkstellingszones verenigt. Het advies wordt gegeven bij meerderheid van uitgebrachte stemmen, waarbij iedere onderneming over één stem beschikt.



HOOFDSTUKV. - Slotbepalingen
Art. 17. - Nadat de in artikel 3 bedoelde periode verstreken is voor alle in de tewerkstellingszone gevestigde ondernemingen, heft de Koning de tewerkstellingszone op en organiseert Hij de vereffening van de voor het bestuur van die zone opgerichte openbare instelling. Het beschikbare actief van de opgeheven openbare instelling gaat na aftrek van het passief naar de Staatskas.

Art. 18. - Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Middenstand zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Koninklijk besluit van 13 september 1983 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones in Vlaanderen (V 1695 - Bull. 623)

Artikel 1. - Er worden in Vlaanderen de volgende tewerkstellingszones opgericht :

  • één in Tessenderlo, en
  • één in Geel Punt-Diest.


Art. 2. - Deze tewerkstellingszones worden als volgt geografisch afgebakend :

a) wat betreft Tessenderlo, een gedeelte in de industriezone Tessenderlo, met een oppervlakte van 50 ha;

b) wat betreft Geel Punt-Diest, enerzijds de industriezone Geel-Punt, genoemd " De Heze", met een oppervlakte van 30 ha, en anderzijds de industriezone Diest-Webbekom met een oppervlakte van 20 ha; de gezamenlijke oppervlakte beloopt aldus 50 ha.

Art. 3. § 1. In elk van deze tewerkstellingszones wordt een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, belast met het bestuur van de betreffende tewerkstellingszone.

§ 2. Voor de tewerkstellingszone te Tessenderlo wordt deze openbare instelling genoemd : "T-zone Tessenderlo", met zetel te Tessenderlo.

§ 3. Voor de tewerkstellingszone te Geel Punt-Diest wordt deze openbare instelling genoemd : "T-zone Tessenderlo", met zetel te Geel.

Art. 4. - Artikelen 10 tot en met 16 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones zijn van toepassing op deze openbare instellingen.

Art. 5. - Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 6. - Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Koninklijk besluit van 16 november 1984 waarbij tewerkstellingszones in het Vlaamse en Waalse Gewest worden opgericht (V 1741 - Bull. 636)



Artikel1. - Er worden volgende tewerkstellingszones opgericht :
  • één in het arrondissement Luik;
  • één in Marche-en-Famenne;
  • één in Ieper.


Art. 2. - Deze tewerkstellingszones worden als volgt geografisch afgebakend :

a) wat betreft het arrondissement Luik, enerzijds een gedeelte van de industriezone "Les Hauts-Sarts" en anderzijds een gedeelte van de industriezone "Sart-Tilman", met een gezamenlijke oppervlakte van 55 ha.

b) wat betreft Marche-en Famenne, een gedeelte van de industriezone "Marche-en-Famenne", met een oppervlakte van 25 ha;

c) wat betreft Ieper, een gedeelte van de industriezone Ieperleekanaal, met een oppervlakte van 30 ha.

Art. 3. § 1. In elk van deze tewerkstellingszones wordt een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, belast met het beheer van de betreffende tewerkstellingszone.

§ 2. Voor de tewerkstellingszone in het arrondissement Luik, wordt deze openbare instelling genaamd "Zone d'emploie de Liège" met zetel te Luik.

§ 3. Voor de tewerkstellingszone te Marche-en-Famenne wordt deze openbare instelling genaamd "Zone d'emploie de Marche-en-Famenne" met zetel te Marche-en-Famenne.

§ 4. Voor de tewerkstellingszone te Ieper wordt deze openbare instelling genaamd "T-zone Ieper" met zetel te Ieper.

Art. 4. - De door het koninklijk besluit van 13 september 1983, betreffende de oprichting van tewerkstellingszones in Vlaanderen, reeds erkende T-zone Tessenderlo wordt met een oppervlakte van 20 ha uitgebreid. Deze uitbreiding valt onder de bevoegdheid van de openbare instelling "T-zone Tessenderlo" opgericht door hetzelfde koninklijk besluit.

Art. 5. - Artikelen 10 tot en met 16 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones zijn van toepassing op de door dit koninklijk besluit opgerichte openbare instellingen.

Art. 6. - Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 7. - Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Middenstand zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Koninklijk besluit van 27 februari 1985 betreffende de oprichting van een tewerkstellingszone in het Waalse Gewest (V 1767 - Bull. 639)

Artikel 1. - De tewerkstellingszone van Henegouwen wordt opgericht.

Art. 2. - Deze tewerkstellingszone wordt als volgt geografisch afgebakend : enerzijds een gedeelte van de industriezones van Fleurus met een gezamenlijke oppervlakte van 38 ha en anderzijds een gedeelte van de universitaire campus van Bergen met een gezamenlijke oppervlakte van 22 ha.

Art. 3. - Er wordt een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid opgericht, belast met het beheer van de betreffende tewerkstellingszone, met zetel te Charleroi.

Art. 4. - De artikelen 10 tot en met 16 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones zijn van toepassing op de door dit koninklijk besluit opgerichte openbare instelling.

Art. 5. - Dit besluit treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.

Art. 6. - Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën en Middenstand, Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Gecoördineerde tekst van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (V 1652 - Bull. 615), gewijzigd door art. 39 van de Wet van 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen (V 1748 - Bull. 636), door de art. 41 en 42 van de Wet van 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen (V 1852 - Bull. 653), door art. 16 van de Wet van 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen. (V 2073 - Bull. 702) en door art. 7, A, van de Wet van 23 oktober 1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen (V 2143 - Bull. 712).



HOOFDSTUKI. - Beginselen
Artikel 1. - In de zin van dit besluit doelt de term "coördinatiecentrum" op iedere vennootschap met rechtspersoonlijkheid die opgericht is in een van de in titel IX van boek I van het Wetboek van koophandel bepaalde vormen, alsook op ieder Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap met rechtspersoonlijkheid, mits de Belgische vennootschap of de buitenlandse vennootschap deel uitmaakt van een groep en de Belgische vennootschap of het Belgisch filiaal een in het tweede lid bedoelde activiteit uitoefent.

Het "coördinatiecentrum", hierna "centrum" genoemd, moet als enig doel hebben de ontwikkeling en de centralisering van een of meer van de hierna opgesomde, uitsluitend ten voordele van het geheel of van een deel van de vennootschappen van de groep uitgeoefende activiteiten : publiciteit, informatieverlening en -verzameling, verzekering en herverzekering, wetenschappelijk onderzoek, betrekkingen met de nationale en internationale autoriteiten, centralisering van de werkzaamheden op het gebied van de boekhouding, administratie en informatica, centralisering van de financiële handelingen en van het dekken van de risico's voortspruitend uit de schommelingen van de wisselkoersen, alsmede alle werkzaamheden die een voorbereidend of hulpverlenend karakter hebben voor de vennootschappen van de groep.

De Koning kan bepalen wat moet worden verstaan onder "activiteiten" als vermeld in het voorgaande lid.

Art. 2 § 1. De term "groep" doelt op het geheel van verbonden vennootschappen die, ten gevolge van de rechtstreekse of onrechtstreekse participaties van één of meer van hen in één of meer andere vennootschappen, onder één en dezelfde leiding staan.

Een vennootschap wordt geacht met een andere vennootschap een groep te vormen wanneer deze laatste rechtstreeks of onrechtstreeks ten minste twintig percent van het kapitaal van de eerstgenoemde vennootschap bezit of ten minste twintig percent van de stemrechten, verbonden aan de door deze uitgegeven aandelen.

§ 2. Al de aandelen die verscheidene vennootschappen, die een groep vormen, in een andere vennootschap bezitten, worden samengeteld om de participatie van een van die vennootschappen in de andere vennootschap te bepalen.

Art. 3. - Opdat de artikelen 5 en 6 van toepassing zouden zijn, moet het centrum aan de volgende vereisten voldoen :



deel uitmaken van een groep die :
a) een multinationaal karakter heeft, overeenkomstig door de Koning te bepalen criteria;

b) over een kapitaal en reserves beschikt waarvan het geconsolideerd bedrag één miljard frank bereikt;

c) een jaaromzet behaalt waarvan het geconsolideerd bedrag tien miljard frank bereikt;



in België tenminste het equivalent van tien voltijdse werknemers in dienst hebben na verloop van twee jaar sinds het met zijn activiteiten is begonnen;
erkend zijn door de Koning op voordracht van de Minister van Financiën, van de Minister van Economische Zaken, van de Minister van Tewerkstelling en Arbeid en van de Minister van Middenstand;
geen door effecten vertegenwoordigde leningen of handelswissels met een looptijd van meer dan één jaar uitgeven, behoudens toelating te verlenen bij koninklijk besluit voor de in vreemde valuta luidende en in het buitenland te plaatsen effecten en voor zover waarborgen worden gegeven dat deze effecten rechtstreeks noch onrechtstreeks worden verworven door natuurlijke of rechtspersonen die zijn onderworpen aan de personenbelasting of de rechtspersonenbelasting;
geen aandelen of andere maatschappelijke rechten in om het even welke vennootschappen of ondernemingen bezitten.
Art. 4. - De voordelen bedoeld in de artikelen 5 en 6 worden aan het centrum verleend met ingang van het belastbaar tijdperk waarin de aanvraag tot erkenning is ingediend tot bij het verstrijken van het belastbaar tijdperk dat afgesloten wordt tijdens het tiende kalenderjaar na dat waarin de aanvraag werd ingediend.

De erkenning is hernieuwbaar.



HOOFDSTUKII. - Fiscale en sociale bepalingen
Art. 5. - § 1. In afwijking van de artikelen 96 tot 115, 142 en 144 tot 148 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, wordt het belastbaar inkomen van het centrum op forfaitaire wijze vastgesteld.

Die vaststelling geschiedt op basis van de uitgaven en werkingskosten, met uitsluiting van de personeels- en de financiële kosten, zonder dat het aldus vastgestelde inkomen lager mag zijn dan het bedrag gevormd door het totaal van :

a) de niet als bedrijfsuitgaven aftrekbare uitgaven en lasten;

b) de andere tantièmes dan die bedoeld in artikel 108, 1°, van hetzelfde Wetboek;

c) de abnormale of goedgunstige voordelen die aan het centrum worden verleend.

§ 2. Artikel 126, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, is niet van toepassing voor de centra die zijn opgericht in de vorm van een vennootschap die haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer in België heeft.

Art. 6 § 1. Het kaderpersoneel en de vorsers van vreemde nationaliteit in dienst van een centrum zijn voor de duur van hun tewerkstelling in het centrum niet onderworpen :

a) ....

b) aan de verplichting een arbeidskaart of beroepskaart aan te vragen.

§ 2. Voor wat betreft het kaderpersoneel en de vorsers van vreemde nationaliteit die zij tewerkstellen, is het centrum vrijgesteld van de verplichting een vergunning tot tewerkstelling aan te vragen.



HOOFDSTUKIII. - Slotbepalingen
Art. 7. - Dit besluit is evenwel niet van toepassing op de centra opgericht door in artikel 50, 1°, vierde lid, a, b, d, tot i, k en l, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen bedoelde instellingen.

Art. 8. - Onze Vice-Eerste Minister en Minister van Financiën, Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid en Onze Minister van Middenstand zijn belast met de uitvoering van dit besluit.

Koninklijk besluit van 3 november 1986 tot vaststelling van de criteria betreffende het multinationale karakter van de groep waarvan een coördinatiecentrum deel uitmaakt (V 1869 - Bull. 657)

Artikel 1. - Voor de toepassing van artikel 3, 1°, a, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 ingevoegd door de wet van 27 december 1984 en vervangen door de wet van 4 augustus 1986, wordt aangemerkt als een groep met multinationaal karakter, de groep die gelijktijdig de drie volgende voorwaarden vervult :

  • het buitenlands eigen vermogen van de groep bedraagt ten minste 500 miljoen frank of 20 pct. van het geconsolideerd eigen vermogen van de groep;
  • de groep bezit in het buitenland, sedert 1 januari van het tweede jaar voorafgaand aan dat van de aanvraag tot erkenning als coördinatiecentrum, ononderbroken in ten minste vier verschillende landen een dochtervennootschap;
  • de groep verwezenlijkt ten minste 5 miljard frank of 20 pct. van de totale geconsolideerde omzet in het buitenland.


Art. 2. - Dit besluit is van toepassing op de coördinatiecentra die vanaf 30 augustus 1986 worden erkend.

Art. 3. - Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

Koninklijk besluit van 5 augustus 1991 tot uitvoering van artikel 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra (V 2128 - Bull. 710)

Artikel 1. - Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :



centrum : een centrum dat de voordelen geniet ingevolge artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra;
geldbeleggingen : geldbeleggingen zoals omschreven in de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening van de ondernemingen, ongeacht de termijn en de munt waarin zij zijn uitgedrukt, die rechtstreeks of onrechtstreeks gedaan zijn bij andere natuurlijke of rechtspersonen dan leden van de groep waartoe het centrum behoort.
Art. 2. - Het aanhouden van sommen als geldbeleggingen behoort niet tot activiteiten als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 187, wanneer die sommen voortkomen van kapitaalinbrengen in het centrum waarvoor de inbrengers zelf, rechtstreeks of onrechtstreeks, een lening hebben aangegaan wanneer lasten van die lening met toepassing van artikel 44 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in mindering worden gebracht en zolang de hoofdsom van de lening niet is afgelost.

De belegde gelden worden, tot bewijs van het tegendeel, geacht te zijn gefinancierd met een lening door de rechtstreekse of onrechtstreekse inbrenger wanneer diens financiële lasten wezenlijk en samen met de aangroei van de uit de deelneming voortvloeiende inkomsten stijgen.

Art. 3. - De in artikel 2 bedoelde geldbeleggingen moeten niet worden aangemerkt als afkomstig van in dat artikel 2 vermelde kapitaalinbrengen wanneer ten minste 75 pct. van de inbreng uiterlijk twaalf maanden na de volstorting van die inbreng tot andere doeleinden dan dergelijke beleggingen wordt aangewend en zulks vervolgens gedurende ten minste zes maanden per jaar zo blijft, waarbij de in artikel 2 vermelde inbreng eerst wordt aangerekend op de rubrieken 20 tot 40/41 zoals die op het actief van de jaarrekeningen vermeld zijn.

Met een bijlage van zijn jaarlijkse aangifte dient de belastingplichtige aan te tonen dat hij de in het voorgaande lid gestelde voorwaarden vervult.

Art. 4. - Dit besluit is van toepassing op geldbeleggingen gedaan of aangehouden vanaf 1 september 1991.

Art. 5. - Onze Minister van Economische Zaken, Onze Minister van Middenstand, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Tewerkstelling en Arbeid zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.

Richtlijn aangaande de toepassing van artikel 3, 2° van het koninklijk besluit nr. 187 van 30.12.1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra

(Gewijzigd door artikel 39 van de wet van 27 december 1984 en door de art. 41 en 42 van de wet van 4 augustus 1986).

1. Wettelijke basis

1.1. De fiscale voordelen, toegekend aan de coördinatiecentra (C.C.) zijn onderworpen aan de verwezenlijking van een aantal voorwaarden o.a. : "in België ten minste tien personen tewerkstellen na verloop van twee jaar sinds het met zijn activiteiten is begonnen" (art. 3, 2° van het KB nr. 187). Het betreft niet het aantal ingeschreven werknemers maar wel het aantal gepresteerde manjaren dienst in België. De deeltijdse werknemers moeten bijgevolg teruggebracht worden tot een fictief aantal voltijdse werknemers vb. 3 dactylo's die 60 % werken gedurende 3 dagen per week tellen slechts voor 3 x 0,60 of 1,8 voltijds.

De inleiding van het KB nr. 187 citeert als wettelijke basis voor deze voorwaarde wet van 2 februari 1982 tot toekenning van bijzondere machten aan de Koning, inzonderheid artikel 1, 1°, 5° en 7°, die de opslorping van de werkloosheid beogen.



1.2.Het verslag aan de Koning dat het KB nr. 187 voorafgaat, zegt :
"Het eerste doel dat de Regering zich heeft gesteld in de toekenning aan uwe Majesteit van bepaalde bijzondere machten is het U voorstellen van een bepaald aantal maatregelen met het oog op het scheppen van werkgelegenheid door het aanmoedigen van privé-investeringen. Eén van deze maatregelen beoogt de inplanting van coördinatie- en onderzoekscentra van internationale ondernemingen, zowel Belgische als buitenlandse aan te moedigen."

Men stelt dus vast dat het scheppen van nieuwe arbeidsplaatsen een van de redenen is waarom in België de inplanting van coördinatiecentra wordt aangemoedigd.

Volgend uittreksel toont dit nog beter aan :
"Het valt te betreuren dat onze fiscale en sociale reglementering ons land belet voordeel te halen uit zijn gunstige geografische ligging, de uitstekende infrastructuur en de aanwezigheid van de instellingen van de Europese Gemeenschap en van overvloedige en geschoolde arbeidskrachten. Deze toestand is des te meer betreurenswaardig daar de coördinatiekantoren tewerkstelling bevorderen door de indiensttreding van een groot aantal gekwalificeerde bedienden en technici waarover de Belgische arbeidsmarkt beschikt. Het ontwerp zou aan deze toestand kunnen verhelpen."



2.Modaliteiten van de tewerkstellingsvoorwaarde
2.1.Tewerkstellingsvoorwaarde
Uit de hiervoor ontwikkelde motivering kan worden besloten dat na het verstrijken van een termijn van 2 jaar, die begint te lopen vanaf het begin van zijn activiteiten, het coördinatiecentrum het equivalent van 10 voltijdse werknemers moet tewerkstellen.

Voor de vennootschappen die nieuw werden opgericht, met het oog op de erkenning als coördinatiecentrum, wordt het personeel, aangeworven voor het begin van de activiteiten, in aanmerking genomen voor het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarde.

Niettemin, indien gedurende de twee jaar die hun aanwerving voorafgaat, de werknemers gebonden waren door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur met een Belgische vennootschap van de groep of een Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap behorende tot de groep, dan zijn de regelen tot vervanging van de transferten beschreven onder punt 3.2. van toepassing.

De centra samengesteld voor of na de erkenning door middel van de omvorming van een bestaande vennootschap waarvan zij de activiteiten verderzetten, moeten binnen de 2 jaar het equivalent van een netto- aanwerving van 10 voltijdse werknemers realiseren in verhouding tot het tewerkstellingsniveau bij het begin van hun activiteiten.



2.2.Bedoelde werknemers
Om geldig aan de tewerkstellingsvoorwaarde te voldoen moet het centrum het equivalent aanwerven van 10 voltijdse werknemers gebonden door een arbeidsovereenkomst. Deze werknemers moeten effectief onderworpen zijn aan de in België van kracht zijnde sociale zekerheidswetgeving.

Indien in de loop van de twee jaren die hun aanwerving voorafgaan, deze werknemers gebonden waren door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur met een Belgische vennootschap van de groep of een Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap behorende tot de groep, dan zijn de regelen betreffende de vervanging van de transferten beschreven onder punt 3.2. toepasselijk.



2.3.Begin van de activiteiten
De activiteiten van een coördinatiecentrum beginnen de dag van het boeken van de eerste schuldvordering ten opzichte van de vennootschappen van de groep (namelijk facturatie en lening). Deze datum mag in geen geval later zijn dan het verlopen van een termijn van twaalf maanden die volgt op :

  • ofwel de datum van de ondertekening van het erkenningsbesluit door de Koning, als de oprichting van het centrum als vennootschap voor de voormelde ondertekening gebeurde.
  • ofwel de datum van de oprichting van het centrum als vennootschap indien dit gebeurde na de ondertekening van het erkenningsbesluit door de Koning.




2.4.Het begrip tewerkgestelde werknemer
De tewerkgestelde werknemers moeten al hun vastgestelde arbeidstijd besteden aan de activiteiten waarvoor het centrum werd erkend.



2.5.Niet vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarde
Indien na verloop van de bovengeschreven twee jaar, het coördinatiecentrum niet het equivalent van 10 voltijdse werknemers tewerkstelt, verliest het met terugwerkende kracht het genot van het stelsel en worden alle voordelen afgenomen. In dit geval heeft het immers niet voldaan aan de voorwaarden tot toekenning van dezen.

De tewerkstellingsvoorwaarde moet trouwens gerespecteerd worden zolang het coördinatiecentrum wil genieten van de fiscale voordelen die het worden toegekend.

Na het tweede jaar dat volgt op het begin van zijn activiteiten moet het gemiddeld per jaar minstens het equivalent van 10 voltijdse werknemers tewerkstellen.

Niettemin, indien om redenen onafhankelijk van zijn wil (vrijwillig vertrek, overlijden, afdanking om zwaarwichtige redenen) de tewerkstelling in het centrum tijdelijk zou dalen onder het gemiddelde van 10 voltijdse werknemers kan het centrum het genot van de voordelen behouden voor zover het met alle rechtsmiddelen bewijst dat het alles in het werk heeft gesteld om te voorzien in de vervanging van het personeel binnen de kortst mogelijke termijn.



3.Overgenomen personeel dat in aanmerking kan worden genomen
3.1.Principe
In hoofde van het coördinatiecentrum kan aan de tewerkstellingsvoorwaarde worden voldaan door de transfer naar het centrum van personeel (Belgisch of buitenlands) van vennootschappen van de groep waartoe de vennootschap, erkend als coördinatiecentrum, behoort. Dit zowel als deze een reeds bestaande vennootschap is of als het een nieuwe vennootschap is. De detachering kan gebeuren vanuit een buitenlandse vennootschap, een Belgische vennootschap of een Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap.



3.2.Vervanging van de transferten voorzien in punt 2.1.
3.2.1. Indien de vennootschap die de transfer uitvoert een Belgische vennootschap is of een Belgisch filiaal van een vennootschap deeluitmakend van dezelfde groep, moet deze vennootschap, met uitsluiting van alle andere, het equivalent (dit betekent dat, indien bijvoorbeeld een vennootschap een voltijds aangeworven personeelslid transfereert naar het centrum, de uitgevoerde compensatie in hoofde van het transfererend bedrijf moet overeenstemmen met een voltijds equivalent) van het getransfereerd personeel aanwerven binnen dezelfde termijn van 2 jaar te rekenen van bij het begin van de activiteiten. Dit in de mate dat deze transfer nodig was met het oog op het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarden van het coördinatiecentrum (er kan bijvoorbeeld niet voldaan worden aan deze voorwaarde door het terbeschikking stellen van het coördinatiecentrum voor interimwerkers, het interimkantoor blijft immers de werkelijke werkgever van de interimwerknemers.

3.2.2. Om te kunnen worden aanvaard als vervangend in hoofde van de vennootschap die de transfer uitvoerde, moet de aangeworven persoon :

1) verbonden zijn door een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur met de vennootschap die personeel getransfereerd heeft naar het coördinatiecentrum en werkelijk onderworpen zijn aan de sociale zekerheidswetgeving van toepassing in België.

2) niet tewerkgesteld zijn geweest door een Belgische vennootschap van de groep of een Belgisch filiaal van een buitenlandse vennootschap die tot de groep behoort gedurende de twee jaren die aan de aanwerving voorafgaan.

3) daarenboven mag de aanwerving van de vervanger geen rechtstreeks ontslag meebrengen in de schoot van de vennootschappen van de groep gevestigd in België.

Het coördinatiecentrum zorgt voor het bijhouden van een register van het getransfereerd personeel van de Belgische vennootschappen van de groep naar centrum alsook het aangeworven vervangingspersoneel. Dit register zal worden bijgewerkt door het centrum.

3.2.3. In afwijking op de bepalingen voorzien in punt 3.2.1. moeten de Belgische vennootschappen of de Belgische filialen van de groep het personeel getransfereerd naar het coördinatiecentrum niet vervangen wanneer het om betrekkingen gaat wiens schrapping bepaald was in een herstructureringsplan. Dit plan moet beslist en ter kennis gebracht worden van het personeel en hun afgevaardigden ten laatste 12 maand voor de indiening van de erkenningsaanvraag als coördinatiecentrum.



3.3.Vrijstelling van vervanging
De onder punt 2.2. bedoelde werknemers, aangeworven door Belgische vennootschappen van de groep of Belgische filialen van buitenlandse vennootschappen voor het beginnen van de activiteiten met het oog op de oprichting van het coördinatiecentrum of de voorbereiding van zijn activiteiten, kunnen in aanmerking worden genomen voor het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarde zonder te worden vervangen door de vennootschap, die de transfer uitvoert, voor zover volgende voorwaarden zijn vervuld :

1. De personen moeten door de Belgische vennootschap van de groep of het Belgisch filiaal van de vennootschap, dat behoort tot de groep, voor de eerste maal tewerkgesteld zijn in de loop van de twee laatste jaren, die het jaar van aanwerving voorafgaan.

2. De aanwervingscontracten vermelden dat de personen worden aangeworven met het oog op hun transfer naar het coördinatiecentrum in wording en uitsluitend tot uitvoering van de activiteiten uitgeoefend door het centrum.

3. De personen worden getransfereerd naar het coördinatiecentrum binnen de 30 dagen die volgen op het starten van zijn activiteiten.



4.Controle
4.1. De Minister van Tewerkstelling en Arbeid oefent, onder zijn bevoegdheid, in het kader van zijn opdracht, controle uit over de tewerkstellingsvoorwaarde.

4.2. De controle van het Ministerie van Tewerkstelling en Arbeid vindt voor de eerste keer plaats in de loop van het derde jaar dat volgt op het begin van de activiteiten zoals voorzien in de bepalingen van punt 2.3., en daarna elk jaar.

4.3. Op basis van de uitgevoerde controle zal de Minister van Tewerkstelling en Arbeid een attest afleveren betreffende de al of niet realisatie van de tewerkstellingsvoorwaarde. Dit attest zal in het bijzonder vermelden : het aantal tewerkgestelde personen door het centrum die kunnen in aanmerking genomen worden voor het vervullen van de tewerkstellingsvoorwaarde. In bijlage zal het bewijs worden gevoegd, dat door het centrum wordt geleverd, waardoor het begin van de activiteiten wordt bewezen zoals hierboven onder punt 2.3. wordt bepaald. Het attest zal uitdrukkelijk vermelden dat het slechts geldig is onder voorbehoud dat voornoemd bewijs, aangebracht door het centrum, werkelijk overeenstemt met het begin van de activiteiten zoals beschreven onder punt 2.3.

Koninklijk besluit van 3 april 1989 tot uitvoering van artikel 29, 2°, c, van de wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (V 1980 - Bull. 684)


Artikel 1. - Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan :




onder ondernemingen of centra : de ondernemingen die recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones of de centra die recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra;
onder fictieve roerende voorheffing : de fictieve roerende voorheffing bedoeld in artikel 29, 2°, b, van de wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen;
onder vereiste investeringen : de door die ondernemingen of centra of door de leden van de groep waartoe het centrum behoort gedane investeringen die voldoen aan al de voorwaarden die, naargelang van het geval, zijn gesteld door artikel 29, 2°, c of d, van de voormelde wet van 11 april 1983.
Art. 2. - Met betrekking tot door de ondernemingen of centra betaalde of toegekende inkomsten van aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen wordt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing, door de verkrijgers van de voormelde inkomsten, slechts toegestaan indien die ondernemingen of centra de volgende verplichtingen nakomen :



betreffende het boekjaar waarin het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal geheel of gedeeltelijk voor de financiering van de vereiste investeringen werd aangewend :
a) een opgave opmaken met vermelding van het bedrag dat voor de gewenste doeleinden werd aangewend en van de juiste aard van de investeringen die met die eigen fondsen werden gedaan;

b) wanneer die eigen fondsen hebben gediend tot het toekennen van een krediet of lening aan een vennootschap van de groep waarvan een centrum deel uitmaakt :

  • per financieringsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep, de sub a bedoelde opgave aanvullen met de vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het bedrag van het krediet of de lening;
  • per financieringsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep in tweevoud een lijst opstellen met vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het detail van de nuttige investeringen die met dat krediet of die lening zijn gedaan, en, voor ieder in aanmerking te nemen actief bestanddeel, inzonderheid :
  • de datum van het aanschaffen of het tot stand brengen;
  • de omschrijving;
  • de kostprijs.


c) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over de inkomsten van het beschouwde boekjaar, de opgave en de lijst overleggen waarvan sprake is sub a en b;



voor ieder boekjaar waarin zij inkomsten hebben toegekend die recht kunnen geven op de verrekening van een fictieve roerende voorheffing;
a) per datum van toekenning van de inkomsten in tweevoud een fiche opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde en het origineel ervan aan de verkrijgers van de inkomsten toezenden;

b) van de sub a bedoelde fiches een samenvattende opgave opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde;

c) een nota opstellen met vermelding van alle elementen waarmee rekening werd gehouden om het bedrag te bepalen van de inkomsten die daadwerkelijk recht geven op de fictieve roerende voorheffing en van het detail van de te dien einde uitgevoerde berekeningen;

d) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over de inkomsten van elk van de beschouwde boekjaren, de opgave en het afschrift van de fiches overleggen waarvan sprake sub a en b, alsook de sub c bedoelde nota;



volgens de sub 1°, c, bedoelde regels, een nota verstrekken die de overeenstemming weergeeft tussen de opgaven, lijsten, fiches en nota's waarvan sprake is sub 1° en 2°.
Art. 3. - Met betrekking tot door de ondernemingen of centra betaalde of toegekende inkomsten van schuldvorderingen of leningen wordt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing, door de verkrijgers van de voormelde inkomsten, slechts toegestaan indien die ondernemingen of centra de volgende verplichtingen nakomen :



betreffende het boekjaar waarin zij de kredietovereenkomsten of leningen met derden hebben afgesloten met het oog op de financiering van de vereiste investeringen :
a) per krediet- of leningsovereenkomst een opgave opstellen met vermelding van de door de onderneming of het centrum geleende sommen welke voor de gewenste doeleinden werden aangewend en van de juiste aard van de aldus gedane investeringen;

b) wanneer de uiteindelijke gebruiker van die sommen een vennootschap is van de groep waarvan een centrum deel uitmaakt :

  • per krediet- of leningsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep de sub a bedoelde opgave aanvullen met de vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het bedrag en de duur van het bekomen krediet of lening;
  • per krediet- of leningsovereenkomst tussen het centrum en de vennootschap van de groep, in tweevoud een lijst opstellen met vermelding van de naam en het adres van de vennootschap alsmede van het detail van de nuttige investeringen die met dat krediet of die lening zijn gedaan, en, voor ieder in aanmerking te nemen actiefbestanddeel, inzonderheid :
  • de datum van het aanschaffen of het tot stand brengen;
  • de omschrijving;
  • de kostprijs;
  • de normale gebruiksduur en eventueel de datum van werkelijke bedrijfsklaarheid;


c) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over de inkomsten van het beschouwde boekjaar, de opgave en de lijst overleggen waarvan sprake is sub a en b;



voor ieder boekjaar waarin zij inkomsten hebben toegekend die recht kunnen geven op de verrekening van een fictieve roerende voorheffing :
a) per datum van toekenning van de interesten en per krediet of leningsovereenkomst die zij met derden hebben gesloten, in tweevoud een fiche opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde en het origineel ervan aan de verkrijgers van de inkomsten toezenden;

b) van de sub a bedoelde fiches een samenvattende opgave opstellen waarvan het model wordt vastgesteld door de Minister van Financiën of zijn gedelegeerde;

c) tot staving van de aangifte in de inkomstenbelastingen over elk van de beschouwde boekjaren, de opgave en het dubbel van de fiches overleggen waarvan sprake is sub a en b;



volgens de sub 1°, c, bedoelde regels een nota verstrekken die de overeenstemming weergeeft tussen de opgaven, lijsten en fiches waarvan sprake is sub 1° en 2°.
Art. 4. - Dit besluit is van toepassing op de inkomsten die betrekking hebben op boekjaren die vanaf 1 juli 1988 zijn afgesloten door ondernemingen of centra die schuldenaars van de inkomsten zijn.

Art. 5. - Onze Minister van Financiën is belast met de uitvoering van dit besluit.

In het BS van 28.2.1991 gepubliceerd bericht betreffende de toepassing van de artikelen 2 en 3 van het koninklijk besluit van 3 april 1989 tot uitvoering van artikel 29, 2°, W 11.4.1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen (Bull. 704)

Dit bericht betreft bepaalde formaliteiten die moeten worden vervuld met het oog op de verrekening van de fictieve roerende voorheffing ten name van verkrijgers van inkomsten van aandelen of van deelbewijzen van belegde kapitalen en/of van inkomsten van schuldvorderingen of leningen (artikel 29, 2°, b, c, d en e, van de wet van 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen) die zijn toegekend door :

  • ondernemingen in een tewerkstellingszone (koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones - Belgisch Staatsblad van 29 december 1982);
  • erkende coördinatiecentra (koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra - Belgisch Staatsblad van 13 januari 1983).


De bedoelde ondernemingen en centra moeten onder andere voor ieder boekjaar waarin zij dergelijke inkomsten die recht kunnen geven op de verrekening van de fictieve roerende voorheffing hebben verleend :



bij iedere toekenning van inkomsten een fiche - in tweevoud - opmaken met vermelding van bepaalde inlichtingen, en het origineel aan de verkrijgers van de inkomsten bezorgen;
een samenvattende opgave opmaken van de sub 1° bedoelde fiches;
tot staving van de aangifte in de inkomstenbelasting over elk beschouwd boekjaar aan hun taxatiedienst de opgave en het afschrift van de fiches toezenden waarvan sprake is sub 1° en 2° (cf. artikelen 2, 2°, a, b en d en 3, 2°, van het koninklijk besluit van 3 april 1989).
Koninklijk besluit van 20 december 1984 tot wijziging, op het stuk van de roerende voorheffing, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen

Artikel 1. - Artikel 91, § 2, van het koninklijk besluit van 4 maart 1965 tot uitvoering van het Wetboek van de inkomstenbelastingen wordt aangevuld als volgt :

"7° inkomsten van deposito's, waarvan de genieters worden geïdentificeerd als coördinatiecentra, erkend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982".

Art. 2. - .....


Art. 3. - Dit besluit is van toepassing op de inkomsten toegekend of betaalbaar gesteld met ingang van 1 januari 1985.


Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen :



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn; om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag vast te stellen worden die inkomsten en opbrengsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 25/75 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek;
het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen en door art. 40 Wet 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen:



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn; om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag vast te stellen worden die inkomsten en opbrengsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 25/75 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek; met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, hetzij voor kosten van onderzoek en ontwikkeling die in België worden verricht;
het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn; om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag vast te stellen worden die inkomsten en opbrengsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 25/75 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek; met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, hetzij voor kosten van onderzoek en ontwikkeling die in België worden verricht;
het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, art. 40 Wet 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen en door art. 43 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen :



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
2° a) die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn;

b) om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag van de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en van de inkomsten van schuldvorderingen of leningen vast te stellen, worden die inkomsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 25/75 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek;

c) met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen geldt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing slechts ten belope van maximum 7,5 pct. van het gedeelte van het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van die ondernemingen of centra dat door die ondernemingen of centra of door de leden van de groep waartoe het centrum behoort, is aangewend, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is; het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal wordt geacht tot de voormelde doeleinden te zijn aangewend tot beloop van de restwaarde van de in aanmerking komende activa op het einde van ieder belastbaar tijdperk; wanneer dat maatschappelijk kapitaal slechts gedeeltelijk kan geacht worden de voormelde aanwending te hebben gekregen, moet worden beschouwd dat dat gedeelte verhoudingsgewijs door de verschillende aandelen of deelbewijzen is vertegenwoordigd;

d) met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is;

e) de Koning bepaalt de verplichtingen die moeten worden nageleefd om de toepassing van de fictieve roerende voorheffing te kunnen genieten. Hij kan eveneens het onder c bedoelde tarief van 7,5 pct. aanpassen, wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is;



het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, art. 40 Wet 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, art. 43 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen en door art. 8, Wet 22 februari 1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen :



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
2° a) die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn;

b) om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag van de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en van de inkomsten van schuldvorderingen of leningen vast te stellen, worden die inkomsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 25/75 respectievelijk 10/90 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek;

c) met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen geldt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing slechts ten belope van maximum 7,5 pct. van het gedeelte van het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van die ondernemingen of centra dat door die ondernemingen of centra of door de leden van de groep waartoe het centrum behoort, is aangewend, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is; het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal wordt geacht tot de voormelde doeleinden te zijn aangewend tot beloop van de restwaarde van de in aanmerking komende activa op het einde van ieder belastbaar tijdperk; wanneer dat maatschappelijk kapitaal slechts gedeeltelijk kan geacht worden de voormelde aanwending te hebben gekregen, moet worden beschouwd dat dat gedeelte verhoudingsgewijs wijs door de verschillende aandelen of deelbewijzen is vertegenwoordigd;

d) met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is;

e) de Koning bepaalt de verplichtingen die moeten worden nageleefd om de toepassing van de fictieve roerende voorheffing te kunnen genieten. Hij kan eveneens het onder c bedoelde tarief van 7,5 pct. aanpassen, wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is;



het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, art. 40 Wet 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, art. 43 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, art. 8 Wet 22 februari 1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing en door art. 17 Wet 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen :



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
2° a) die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn;

b) om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag van de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en van de inkomsten van schuldvorderingen of leningen vast te stellen, worden die inkomsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 10/90 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek;

c) met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen geldt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing slechts ten belope van maximum 7,5 pct. van het gedeelte van het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van die ondernemingen of centra dat door die ondernemingen of centra of door de leden van de groep waartoe het centrum behoort, is aangewend, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is; het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal wordt geacht tot de voormelde doeleinden te zijn aangewend tot beloop van de restwaarde van de in aanmerking komende activa op het einde van ieder belastbaar tijdperk; wanneer dat maatschappelijk kapitaal slechts gedeeltelijk kan geacht worden de voormelde aanwending te hebben gekregen, moet worden beschouwd dat dat gedeelte verhoudingsgewijs door de verschillende aandelen of deelbewijzen is vertegenwoordigd;

d) met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is;

e) met betrekking tot de in c) en d) bedoelde winsten en inkomsten is de toepassing van de fictieve roerende voorheffing afhankelijk van de voorwaarde dat de belastingplichtige voor de in die bepalingen vermelde activa onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek als vermeld in artikel 42ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen;

f) de Koning bepaalt de verplichtingen die moeten worden nageleefd om de toepassing van de fictieve roerende voorheffing te kunnen genieten. Hij kan eveneens het onder c bedoelde tarief van 7,5 pct. aanpassen, wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is;



het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, art. 40 Wet 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, art. 43 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, art. 8 Wet 22 februari 1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing en door art. 17 Wet 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen en door art. 38 Wet 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen :



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
2° a) die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen wanneer de verkrijger kan geïdentificeerd worden als niet zijnde een natuurlijk of rechtspersoon onderworpen aan de personenbelasting of aan de rechtspersonenbelasting of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn;

b) om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag van de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en van de inkomsten van schuldvorderingen of leningen vast te stellen, worden die inkomsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 10/90 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek;

c) met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen geldt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing slechts ten belope van maximum 7,5 pct. van het gedeelte van het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van die ondernemingen of centra dat door die ondernemingen of centra of door de leden van de groep waartoe het centrum behoort, is aangewend, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is; het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal wordt geacht tot de voormelde doeleinden te zijn aangewend tot beloop van de restwaarde van de in aanmerking komende activa op het einde van ieder belastbaar tijdperk; wanneer dat maatschappelijk kapitaal slechts gedeeltelijk kan geacht worden de voormelde aanwending te hebben gekregen, moet worden beschouwd dat gedeelte verhoudingsgewijs door de verschillende aandelen of deelbewijzen is vertegenwoordigd;

d) met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is;

e) met betrekking tot de in c) en d) bedoelde winsten en inkomsten is de toepassing van de fictieve roerende voorheffing afhankelijk van de voorwaarde dat de belastingplichtige voor de in die bepalingen vermelde activa onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek als vermeld in artikel 42ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen;

f) de Koning bepaalt de verplichtingen die moeten worden nageleefd om de toepassing van de fictieve roerende voorheffing te kunnen genieten. Hij kan eveneens het onder c bedoelde tarief van 7,5 pct. aanpassen, wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is;



het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
Gecoördineerde tekst van art. 29 Wet 11 april 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, gewijzigd door art. 40 Wet 28 december 1983 houdende fiscale en begrotingsbepalingen, art. 40 Wet 27 december 1984 houdende fiscale bepalingen, art. 43 Wet 4 augustus 1986 houdende fiscale bepalingen, art. 8 Wet 22 februari 1990 houdende verlaging van de roerende voorheffing en door art. 17 Wet 28 december 1990 betreffende verscheidene fiscale en niet-fiscale bepalingen, art. 38 Wet 20 juli 1991 houdende begrotingsbepalingen en door art. 7, B, Wet 23 oktober 1991 tot omzetting in het Belgische recht van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen

Art. 29. - Voor ieder belastbaar tijdperk waarvoor ondernemingen recht hebben op de voordelen omschreven in artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 118 van 23 december 1982 betreffende de oprichting van tewerkstellingszones, of in artikel 5 van het koninklijk besluit nr. 187 van 30 december 1982 betreffende de oprichting van coördinatiecentra, gelden tevens de volgende vrijstellingen :



die ondernemingen of centra worden vrijgesteld van onroerende voorheffing met betrekking tot de gebouwde of ongebouwde onroerende goederen, alsmede voor het materieel en de outillering die onroerend zijn van nature of door hun bestemming, die zij zelf gebruiken voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid;
2° a) die ondernemingen of centra zijn geen roerende voorheffing verschuldigd, noch met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen, noch met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen wanneer de verkrijger kan geïdentificeerd worden als niet zijnde een natuurlijk of rechtspersoon onderworpen aan de personenbelasting of aan de rechtspersonenbelasting of tot opbrengsten van de concessie van immateriële roerende goederen die zij verschuldigd zijn;

b) om het ten name van de verkrijgers belastbare nettobedrag van de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen en van de inkomsten van schuldvorderingen of leningen vast te stellen, worden die inkomsten verhoogd met een fictieve roerende voorheffing van 10/90 van het geïncasseerde of verkregen nettobedrag en die fictieve roerende voorheffing wordt, voor de toepassing van de artikelen 18, 97 en 211 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gelijkgesteld met de werkelijke roerende voorheffing bedoeld in artikel 174 van datzelfde Wetboek;

c) met betrekking tot de winsten uitgekeerd aan de aandelen of deelbewijzen van belegde kapitalen geldt de verrekening van de fictieve roerende voorheffing slechts ten belope van maximum 7,5 pct. van het gedeelte van het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal van die ondernemingen of centra dat door die ondernemingen of centra of door de leden van de groep waartoe het centrum behoort, is aangewend, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is; het werkelijk gestort en nog terugbetaalbaar maatschappelijk kapitaal wordt geacht tot de voormelde doeleinden te zijn aangewend tot beloop van de restwaarde van de in aanmerking komende activa op het einde van ieder belastbaar tijdperk; wanneer dat maatschappelijk kapitaal slechts gedeeltelijk kan geacht worden de voormelde aanwending te hebben gekregen, moet worden beschouwd dat dat gedeelte verhoudingsgewijs door de verschillende aandelen of deelbewijzen is vertegenwoordigd;

d) met betrekking tot de inkomsten van schuldvorderingen of leningen geldt de toepassing van de fictieve roerende voorheffing slechts voor zover die ondernemingen of centra, of leden van de groep waartoe het centrum behoort, de geleende kapitalen gebruiken, hetzij om materiële vaste activa in nieuwe staat aan te schaffen of tot stand te brengen die zij in België voor het uitoefenen van hun beroepswerkzaamheid gebruiken, zonder het recht tot gebruik ervan krachtens enigerlei overeenkomst aan andere derden dan Belgische leden van de groep af te staan, hetzij voor als immateriële vaste activa geboekte kosten van onderzoek en ontwikkeling waarvoor de verhoogde investeringsaftrek als bedoeld in artikel 42ter, § 2, a, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen in principe van toepassing is;

e) met betrekking tot de in c) en d) bedoelde winsten en inkomsten is de toepassing van de fictieve roerende voorheffing afhankelijk van de voorwaarde dat de belastingplichtige voor de in die bepalingen vermelde activa onherroepelijk verzaakt aan het voordeel van de investeringsaftrek als vermeld in artikel 42ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen;

f) de Koning bepaalt de verplichtingen die moeten worden nageleefd om de toepassing van de fictieve roerende voorheffing te kunnen genieten. Hij kan eveneens het onder c bedoelde tarief van 7,5 pct. aanpassen, wanneer zulks ingevolge de op de kapitaalmarkt toegepaste rentevoeten verantwoord is;



het evenredig registratierecht is niet verschuldigd ter zake van de inbrengen in en de vermeerderingen van het statutair kapitaal zonder nieuwe inbreng, van die ondernemingen of centra; de vrijstelling is afhankelijk van de verklaring van de partijen hetzij in de akte van inbreng of van kapitaalvermeerdering, hetzij in een verklaring onderaan de akte ondertekend door de partijen of de notaris voorafgaand aan de registratie, dat de onderneming of het centrum aan de in een van die besluiten gestelde eisen voldoet.
In afwijking van het eerste lid, 2°, b, wordt de fictieve roerende voorheffing op nul gebracht.

Wanneer de economische omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de Koning, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de fictieve roerende voorheffing verhogen zonder dat hij meer mag bedragen dan 10/90 van het nettobedrag van de geïnde of verkregen inkomsten.

De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zoniet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van het derde lid genomen besluiten.

Overgangsbepaling

Art. 9, § 7, W 23.10.1991

§ 7. Artikel 7, B is van toepassing op vanaf 24 juli 1991 toegekende of uitgekeerde inkomsten.

Het is evenwel niet van toepassing :
  • op inkomsten van vorderingen of leningen verschuldigd in uitvoering van vóór 24 juli 1991 gesloten overeenkomsten waarvan de datum vaststaat of die het voorwerp zijn van een vóór die datum gedane opname;
  • op aan aandelen of delen van belegde kapitalen uitgekeerde winst die betrekking heeft op het maatschappelijk kapitaal dat werd aangewend tot de in artikel 29, 2°, c, van de wet van 11 april 1983 bedoelde doeleinden in uitvoering van vóór 24 juli 1991 gesloten overeenkomsten waarvan de datum vaststaat of die het voorwerp zijn van een vóór die datum gedane opname.


Onder overeenkomst in de zin van het tweede lid wordt de overeenkomst verstaan die wordt afgesloten met de vennootschap die de investering doet.

Met betrekking tot de coördinatiecentra zijn de bepalingen van het tweede lid van toepassing op de inkomsten die worden verleend of toegekend uiterlijk tijdens het laatste belastbare tijdperk van de eerste erkenningsperiode.